Posts tonen met het label Meel Peter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Meel Peter. Alle posts tonen

woensdag 14 mei 2014

Aminata Cairo geeft vierde Rudolf van Lier-lezing

Krioro dansi: Dansen om Afro-Surinaamse identiteit te verkennen

Vrijdag 27 juni 2014
Aminata Cairo
Faculteit Geesteswetenschappen, Lipsius Gebouw, zaal 011, Cleveringaplaats 1, Leiden

Suriname staat bekend als een land waar diverse etnische groepen in harmonie met elkaar samenleven. Toch is de realiteit van een multiculturele samenleving niet zelden een andere.  Ruimte creëren voor identiteit kan uitermate ingewikkeld zijn. In haar lezing zal Aminata Cairo ingaan op vormen van Afro-Surinaamse identiteitsbeleving aan de hand van een studie over Afro-Surinaamse dans, die zij tussen 2003 en 2005 in Suriname uitvoerde. Daarbij zal zij kijken naar de dynamiek en complexiteit van identiteitsbeleving. Los van de academische aspecten van haar onderzoek zal zij aandacht besteden aan de praktische betekenis van haar bevindingen voor de Afro-Surinaamse gemeenschap. Na het uitspreken van de lezing zal Gloria Wekker, emeritus hoogleraar gender en etniciteit aan de Universiteit Utrecht, optreden als referent.

Aminata Cairo werd geboren in Nederland, waar zij de middelbare school doorliep. In de Verenigde Staten volgde zij verschillende universitaire studies. Cairo is in het bezit van een BA-diploma lichamelijke opvoeding en psychologie (Berea College, 1988), een MA-diploma klinische psychologie (Eastern Kentucky University, 1991), een MA-diploma medische antropologie (University of Kentucky, 2001) en een PhD in medische antropologie (University of Kentucky, 2007). De titel van haar proefschrift luidt: Hebi Sani: Mental Well Being Among the Working Class Afro-Surinamese in Paramaribo, Suriname. Sinds 2009 is Cairo als assistent professor in de antropologie verbonden aan Southern Illinois University in Edwardsville.

De Rudolf van Lier Lezing is vernoemd naar de bekende Leidse hoogleraar (1914-1987) in de sociologie en cultuurkunde van Suriname, de Nederlandse Antillen en het Caraïbisch gebied en auteur van het standaardwerk Samenleving in een grensgebied; Een sociaal-historische studie van Suriname. De lezing, die om de twee jaar wordt georganiseerd door de Werkgroep Caraïbische Letteren, is gewijd aan een sociaal-wetenschappelijk of geesteswetenschappelijk thema en heeft betrekking op de Nederlandstalige Caraïben. Ruben Gowricharn (2008), Francio Guadeloupe (2010) en Hugo Fernandes Mendes (2012) gingen Aminata Cairo voor als spreker in deze lezingenserie.

Programma
19.30 uur Welkomstwoord door de voorzitter van de Werkgroep Caraïbische Letteren, Peter Meel
19.40 uur Van Lier Lezing, getiteld ‘Krioro dansi: Dansen om Afro-Surinaamse identiteit te verkennen’ door Aminata Cairo, assistent professor antropologie aan Southern Illinois University
20.30 uur Reactie door Gloria Wekker, emeritus hoogleraar gender en etniciteit aan de Universiteit Utrecht
20.45 uur  Discussie met de spreekster, de referente en de zaal
21.30 uur Sluiting
Het programma begint om 19.30 uur precies.
Gloria Wekker

Indien u de lezing wenst bij te wonen: u kunt maximaal twee mensen aanmelden. Dat kunt u doen tot uiterlijk 18 juni 2014 onder vermelding van naam, adres, postcode en woonplaat bij Efy Matulessy via e.p.matulessy@hum.leidenuniv.nl.  Zolang er plaats is, ontvangt u binnen een week bericht terug per e-mail. Dit bericht dient uitgeprint als (gratis) toegangsbewijs. U wordt verzocht dit mee te nemen en bij binnenkomst te tonen.
Het Lipsiusgebouw ligt op circa 15 minuten loopafstand van station Leiden CS. De locatie is eveneens per auto te bereiken, maar de parkeermogelijkheden in de omgeving zijn beperkt. U wordt geadviseerd zoveel mogelijk met het openbaar vervoer te reizen. Voor een plattegrond van de locatie: http://www.hum.leidenuniv.nl/contact/adres-faculteit.html. Voor reis- en parkeerinformatie: http://www.hum.leiden.edu/contact/visiting-address.html.


Website van de Werkgroep Caraïbische Letteren: http://caraibischeletteren.blogspot.nl/


dinsdag 31 december 2013

De toover-lantaarn van Mr. Furet



door Peter Meel

De Toover-lantaarn van Mr. Furet van W.E.H. (Willem) Winkels (1818-1893) vertelt het verhaal van de blankofficier Péon Charles Prêt. Op de Surinaamse suikerplantage Atroce (!), waar hij te werk is gesteld, wordt hij Paauw genoemd. Volgens de schrijver is het lot van de blankofficier ‘eene aanhoudende teleurstelling, eene altijd durende marteling, een immer diep smartende toestand van de grievendste vernederingen’ (p. 6). Péon werkt zich zeven dagen per week uit de naad voor een fooi, verblijft in een schamel onderkomen waar ratten, kakkerlakken en muskieten vrij spel hebben, zit onder de knoet van de directeur van de plantage aan wie hij dagelijks rapporteert over de verrichtingen van de slaven, klaagt steen en been over de hitte, de kwaliteit van het voedsel, het verbod om omgang te hebben met slavinnen en zijn heimwee naar Nederland, en overlijdt na een leven vol ontberingen in grote eenzaamheid.

Het manuscript van dit fictieve verhaal dateert uit 1840 en bestaat uit achttien tekeningen en een reeks bijbehorende teksten die in het bezit zijn van het Surinaams Museum. Het is op initiatief van deze instelling dat het verhaal in een fraaie editie op de markt is gebracht en voor een breed publiek wordt ontsloten. Zowel de tekeningen, die vervaardigd zijn met waterverf, als de bijschriften tonen het artistieke en satirische talent van Winkels, die – geboren in Amsterdam – in 1839 de oversteek naar Suriname waagde en korte tijd zelf blankofficier was alvorens hij besloot in zijn bestaan te voorzien als boekhandelaar, boekbinder en beheerder van een leesbibliotheek. Naast De Toover-lantaarn maakte Winkels nog tientallen andere tekeningen en schreef hij meerdere satirische teksten die deels in de lokale pers werden gepubliceerd. Hij overleed op 75-jarige leeftijd in Paramaribo.

In Het leven van een blankofficier gaat Hilde Neus in op de overlevering van het (goed geconserveerde) manuscript. Ze laat op een overtuigende wijze zien dat Winkels in De Toover-lantaarn zowel de spot drijft met de slavenmeester en zijn entourage (onder wie de blankofficier) als met de slavenpopulatie. Winkels keerde zich tijdens zijn leven niet principieel tegen de slavernij en meende dat de emancipatie van de slaven op korte termijn tot mislukken gedoemd zou zijn. Tegelijk benadrukte hij de menselijke eigenschappen van laatstgenoemden en bekritiseerde hij de koloniale overheid die geen voortvarendheid betrachtte om slaven te alfabetiseren en op een hoger ontwikkelingsniveau te brengen. Naar zijn oordeel werd door deze laksheid de vooruitgang van Suriname getraineerd.

Het portret dat Winkels van de blankofficier schetst blijkt in belangrijke mate te corresponderen met het beeld dat oprijst uit andere (historische) bronnen. De blankofficier was duidelijk de ondergeschikte van de plantagedirecteur, die hem toezichthoudende taken opdroeg tegen een karig loon en maximaal wenste te profiteren van diens kennis van en invloed op de slavenmacht. En inderdaad waren zijn leefomstandigheden dermate zwaar dat hij het doorgaans maar enkele jaren in deze functie volhield. De begeerde promotie naar de positie van plantagedirecteur was maar voor een enkele blankofficier weggelegd.

De hertaling voor de jeugd van De Toover-lantaarn van Mr. Furet door Hilde Neus is eveneens een aantrekkelijke uitgave geworden. Neus volgt de oorspronkelijke tekst zo nauwkeurig mogelijk. Wel heeft zij het taalgebruik vereenvoudigd (kortere zinnen, simpeler woordkeus) en voorziet zij passages af en toe van toelichtende tussenzinnen die op een soepele wijze in de hoofdtekst zijn geïntegreerd. Het belangrijkste verschil met de volwasseneditie is dat het jeugdverhaal als een toverlantaarnvoorstelling door ‘oom Winkels’ zelf wordt gepresenteerd en dat de verteller een van de kinderen is die deze voorstelling bijwoont. Deze verteller kent Winkels persoonlijk en maakt van deze voorkennis gebruik door in de beginpagina’s van het verhaal hem als schrijver en voormalig blankofficier bij de jonge lezers te introduceren. Ook door deze lezers met ‘je’ aan te spreken worden deze actief bij de personages en hun handelingen betrokken en kunnen zij zich met de lotgevallen van Péon identificeren, zoals in mei 2013 tijdens presentaties op het Kinderboekenfestival in Paramaribo bleek.

De drie in harde kaft uitgegeven publicaties zijn met zorg gedrukt en in een handzame cassette samengebracht. Ze maken voor een groot publiek een document toegankelijk dat licht werpt op het negentiende-eeuwse Surinaamse plantageleven bezien door de ogen van een functionaris die het koloniaal gezag vertegenwoordigde en meehielp het regime van de overheerser in stand te houden. Als intermediair tussen de werkelijke machthebbers en de slavenmassa en als sociaal laaggeplaatste blanke had zijn positie tegelijk iets ambivalents en werd zijn loyaliteit niet zelden op de proef gesteld. Winkels weet dit ook voor de lezer van de twintigste eeuw maar al te inzichtelijk te maken.


W.E.H. Winkels, De toover-lantaarn van Mr. Furet, Suriname, 1840; W.E.H. Winkels, De toverlantaarn van meester Furet, 1840. Jeugduitgave; Hilde Neus, Het leven van een blankofficier. Paramaribo: Stichting Surinaams Museum, 2013. Libri Musei Surinamensis 7a, 7b en 7c. 43 p., 59 p. en 59 p., prijs SRD 100,- voor de gehele cassette, SRD 30,- per deel.

[uit Oso 2013, nr. 2]

zaterdag 28 december 2013

Vasthoudende zoektocht in de schemerige goudsector


door Peter Meel

Al aan het begin van zijn rapportage Gowtu; Klopjacht op het Surinaamse goud  laat onderzoeksjournalist Jeroen Trommelen doorschemeren dat hij zichzelf een onmogelijke opdracht heeft gesteld. Aan de vragen waarmee hij op pad is gegaan, ligt het niet. Deze zijn hoogst relevant en houden iedereen bezig die ook maar enigszins geïnteresseerd is in de achtergronden van de goudkoorts die Suriname sinds de jaren 1990 heeft bevangen en die vanaf de eeuwwisseling in toenemende mate heeft bijgedragen aan de economische groei van de republiek. Trommelen wil weten wie de grote spelers zijn in de hedendaagse goudsector in Suriname, welke bedragen er omgaan, hoe de naar schatting tienduizenden kleine ploeteraars die met hun voeten in de modder staan zich verhouden tot de grote bazen die achter de schermen aan de touwtjes trekken, wat de opbrengsten betekenen voor de nationale schatkist, hoe de goudwinning en goudhandel zijn georganiseerd, en wat de ecologische effecten zijn van het op grote schaal afgraven van grond en het gebruik van kwik.

Een goudmijn waar op grote schaal wordt gewonnen. Foto © ANP

Op basis van naarstig verzamelde informatie en geholpen door een groepje deskundigen (onder wie de onderzoekers Marieke Heemskerk en Marjo de Theije) laat Trommelen zien dat op meerdere plaatsen in het midden en oosten van Suriname lokale bewoners, Brazilianen, Chinezen en stedelingen in een welhaast symbiotische relatie met elkaar leven en op grond van semilegale of ronduit illegale afspraken zoveel mogelijk aan de exploitatie van de begerenswaardige bodemschat proberen te verdienen. De inkomsten voor de gewone man en vrouw (goudzoekers, kokkinnen, winkeliers, prostituees) liggen tamelijk hoog (voor Brazilianen gemiddeld hoger of zelfs veel hoger dan in hun eigen land), maar fluctueren in bepaalde perioden sterk en worden gedempt door de hoge kosten van levensonderhoud en de benodigde investeringen (voor goudzoekers vooral in apparatuur en brandstof) die er tegenover staan. De veiligheid en bescherming van bezit zijn bovendien niet gegarandeerd, wat de bedrijfsrisico’s vergroot, en de verontreiniging van water en lucht hebben gevolgen voor de volksgezondheid en biodiversiteit, die echter nog altijd moeilijk te overzien zijn.

Het opkopen en exporteren van het gewonnen goud blijkt volgens de gegevens van Trommelen een zaak van een aantal Chinese handelaren, die niet zelden ook vergunninghouder zijn van een cambio (geldwisselkantoor) en banden onderhouden met een politieke partij (in meerderheid, maar niet uitsluitend, de NDP). Trommelen traceert fiscale gegevens waaruit blijkt dat het gros van hun bedrijven nauwelijks belasting betaalt. Het verlenen van exploratie- en exploitatieconcessies hangt in hoofdzaak af van de goodwill van de betrokken minister en is daarmee niet alleen ondoorzichtig, maar ook corruptiegevoelig. Het is vooral op dit niveau dat dwarsverbanden tussen bedrijfsleven, politiek, de presidentiële Commissie Ordening Goudsector en de onder dezelfde president en zijn zoon ressorterende Counter Terrorism Unit (CTU) – een elitegroep van gewapende krachten – hun invloed laten gelden. De politiek lijkt daarbij het laatste woord te hebben. In de top tien van grootverdieners in de goudindustrie nemen volgens Trommelen Ronnie Brunswijk de eerste en Desi en Dino Bouterse de tweede plaats in. Op de andere posities staan namen van andere bekende, maar ook minder bekende of onbekende Surinamers − wat lezers van Parbode (het tijdschrift waarin Trommelen eerder zijn lijstje publiceerde) al enige tijd bekend is. Overigens moet opgemerkt worden dat deze rangorde op basis van schattingen tot stand is gekomen en een enigszins willekeurige indruk maakt. Vooral de tweede plaats voor de president en zijn zoon is niet meer dan een educated guess, want in hoofdzaak gebaseerd op de politieke invloed van de president (die inderdaad groot is) en op de veronderstelling dat deze zich als zakenman bedient van stromannen (wat waarschijnlijk is, maar niet wordt hardgemaakt). Overtuigender is de conclusie die Trommelen trekt, namelijk dat – anders dan veel politieke retoriek en een deel van de publieke opinie willen – buitenlandse bedrijven als Lamgold en Newmont verhoudingsgewijs veel en Surinaamse bedrijven onvoldoende belasting over hun verdiensten in de goudsector betalen.

Trommelen doorspekt zijn relaas met een drietal casestudies: één over de spraakmakende moord op een jonge goudzoeker in oktober 2011 in Maripaston, één over de ‘free for all’ activiteiten in Benzdorp (Oost-Suriname) en één over de teloorgang van het beschermd natuurpark Brownsberg door illegale goudzoekers. Uit alle drie voorbeelden blijkt eens te meer hoe ondoordringbaar de goudsector in Suriname is. Basale gegevens over concessies, omzet- en winstcijfers en belastingafdrachten zijn geheim of gelden als onbetrouwbaar. Er wordt weinig geregistreerd en tegenover de buitenwereld wordt bij voorkeur het stilzwijgen bewaard, ook door de grote buitenlandse ondernemingen. Trommelen slaat deuken in dit gesloten bastion en werpt licht op aspecten van de sector, echter zonder de achterliggende zakelijke en politieke netwerken en de bijbehorende geldstromen geheel bloot te kunnen leggen. Dat doet echter niets af aan zijn inzet en vasthoudendheid om de onderste steen boven te krijgen. Zijn naspeuringen leveren een vlot lezende rapportage op, waarin, zoals de auteur het zelf formuleert, de reis in het Surinaamse informatiedoolhof evenveel aandacht krijgt als het resultaat van zijn belangwekkende graaf- en spitwerk.

Jeroen Trommelen. Gowtu; Klopjacht op het Surinaamse goud. Schoorl: Conserve, 2013. 223 p., ISBN 978 90 5429 346 0, prijs € 19,99.

[uit Oso 2013-2]

zondag 15 december 2013

Cultuur Top Vijf 2013 Werkgroep (1)

Het eind van het volle jaar 2013 zit er bijna op. Caraïbisch Uitzicht vroeg alle leden van het Bestuur en de Adviesraad van de Werkgroep Caraïbische Letteren om hun top-vijf van culturele evenementen die zij het afgelopen jaar hebben bijgewoond of de beste boeken die zij lazen. Vandaag de eerste aflevering: de voorzitter Peter Meel.

1.
Bouta: Marjolijn van Heemstra, Tjon Rockon, Anoek Nuyens
Bouta. Biografie van een macho van Tjon Rockon, Marjolijn van Heemstra en Anoek Nuyens
Geëngageerde, goed gedocumenteerde en bevlogen theatervoorstelling, die Bouterse probeert te begrijpen in plaats van eendimensionaal neer te halen of te bewieroken.

2.
Bezoek aan Lumbung Tempel, Klaten, Indonesië
Bescheidener van schaal en ook artistiek minder overweldigend dan de Borobudur, maar superieur in zijn verstilde gratie en meditatieve potenties.

3.
The Act of Killing van Joshua Oppenheimer
Verbijsterende documentaire over mensenrechtenschendingen in 1965/1966 in Indonesië aan de hand van door trotse moordenaars nagespeelde executies.

4.
The memory chalet van Tony Judt
Intrigerende herinneringen van de tragisch overleden historicus over edge people als vanzelfsprekende kosmopolitici en doelloos treinreizen als ultieme vorm van verplaatsen.

5.
De mislukkingskunstenaar van Willem Otterspeer
Trefzeker geschreven en geen detail schuwende biografie van W.F. Hermans: onmogelijk mens, rusteloos beschouwer, groot romancier.




dinsdag 25 juni 2013

Derde Cola Debrotlezing

Amsterdam, OBA, vrijdag 21 juni 2013: Derde Cola Debrotlezing door Antoine de Kom. Een fotoreportage van Isabella Vink.



Antoine de Kom en moderator Michiel van Kempen
Inleider Joan Ferrier
Antoine de Kom met een bezoekster


Het publiek
De boekenstand van Franc Knipscheer

Het publiek in debat met Antoine de Kom

Oude bekenden


Michiel van Kempen toont Spui21 met een column van Antoine de Kom
Bestuursleden van de Werkgroep: Michiel van Kempen, Aart Broek, Peter Meel


zondag 26 mei 2013

Penard manuscript toegankelijk voor groter publiek

door Eric Mahabier


Leiden - Het manuscript van de gebroeders Penard wordt toegankelijk gemaakt voor een groter publiek. De Vereniging Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS) heeft daarvoor dinsdag een memorie of understanding getekend met het Rijksmuseum Volkenkunde en de Leiden Universiteit.

 
Voorzitter Lesley Artist (tweede van rechts) van de Vereniging Inheemse Dorpshoofden in Suriname bij de ondertekening van het memorandum of understanding met vertegenwoordigers van het Rijksmusem Volkenkunde en namens de Universiteit Leiden geheel rechts dr Peter Meel, hoofd van de Leidse Maya-stam. Foto: Eric Mahabier  
Een delegatie van VIDS onder leiding van voorzitter Lesley Artist, bracht de afgelopen dagen een bezoek aan beide instituten. De delegatie, bestaande uit inheemse dorpshoofden en sjamanen, heeft het beroemde Penard manuscript bestudeerd. Het Rijksmuseum Volkenkunde en de Leiden Universiteit heeft verder toegezegd VIDS bij te staan in het opzetten van een Inheems Cultureel Erfgoed Centrum in Suriname.

Ontvangst van de inheemsendelegatie op Schiphol


Het manuscript van de gebroeders Penard werd in 2001 door het Rijksmuseum Volkenkunde ontdekt. Het bevat informatie van onschatbare waarde over de mysterieuze geesteswereld van de inheemsen. De ruim honderd jaar oude manuscripten staan vol geheime informatie over de geesteswereld van Inheemsen en is geschreven in inheemse taal.
Bij de ondertekening waren Surinaams-Nederlandse inheemsen aanwezig. Ook Mega Combinatie fractieleider Ricardo Panka en de districtscommissarissen Roline Samsoedien en Armand Jurel, woonden het officiële moment bij. De Surinaamse delegatie keert woensdag terug.

[uit de Ware Tijd, 21/05/2013]


VIDS realiseert Inheems Cultureel Erfgoed Centrum


door Eric Mahabier

Leiden - Een Inheems Cultureel Erfgoed Centrum is straks realiteit. Het Rijksmuseum Volkenkunde en de Leiden Universiteit zullen de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS) bijstaan bij het opzetten daarvan. Beide instanties werken ook met de VIDS samen om het manuscript van de gebroeders Penard die in de koloniale periode ruim over inheemsen hebben geschreven te bestuderen en toegankelijk te maken voor een ieder.

Tevreden gezichten alom. Een beklonken samenwerking tussen het Rijksmuseum Volkenkunde en de Leiden Universiteit enerzijds en de VIDS anderzijds moet leiden tot een Inheems Cultureel Erfgoed Centrum. Tweede van rechts Lesley Artist. Naast hem dr Peter Meel van de Universiteit Leiden, hoofd van de Leidse Maya-stam. Foto: Eric Mahabier

VIDS, Rijksmuseum Volkenkunde en Leiden Universiteit hebben daartoe dinsdag in Leiden een memorandum of understanding getekend. Een VIDS-delegatie onder leiding van voorzitter Lesley Artist heeft de afgelopen dagen in Leiden alvast een deel van het omvangrijk manuscript bestudeerd dat van onschatbare waarde blijkt. Er zijn daarin onder andere heel wat woorden, gebruiken en namen van dieren planten en voorwerpen opgenomen die onbekend zijn bij hedendaagse inheemsen. Verder wordt in het manuscript ook aangegeven van waar specifieke families afstammen. "Westerse en traditionele wetenschappers gaan dit alles nu bestuderen", reageert Artist op de samenwerkingsovereenkomst tussen de Surinaamse en de Nederlandse partijen.

Tekening van Diffugia venusta, van Penard uit 1902

Bestudering
De ondertekening van het document werd bijgewoond door onder andere Surinaams Nederlandse inheemsen. Verder waren ook aanwezig Mega Combinatie fractieleider Ricardo Panka en de districtscommissarissen Roline Samsoedien en Armand Jurel. De ondertekening vond plaats aan het eind van het werkbezoek van de VIDS delegatie aan Nederland. Volgens Artist was het bezoek succesvol. "Er is nog veel werk aan de winkel om al dit materiaal nader te bestuderen, maar we zijn er heel enthousiast over omdat er echt ontzettend veel informatie hier ligt."

Traditionele kennis
De delegatie heeft bij de voorlopige bestudering van het manuscript geconstateerd dat er "bepaalde correcties nodig zullen zijn", bijvoorbeeld in schrijfwijze of vertaling van woorden en zinnen. Verder moeten bepaalde aantekeningen of verhalen nader worden geanalyseerd om ze te beoordelen en op hun volle waarde te kunnen begrijpen. "Ook hebben we gezien dat sommige delen van het manuscript diepliggende sjamanistische en geheime of gevoelige informatie bevatten." Daarover wil Artist nog niet in details treden. "In elk geval is er heel veel informatie opgetekend." Het gaat hier om traditionele kennis, afkomstig van de inheemse voorouders. Er zijn woorden, verhalen, symbolen, tekeningen en objecten opgetekend en verzameld die allemaal nader bekeken moeten worden. Het manuscript is ruim een eeuw oud en is in 2001 door het Rijksmuseum Volkenkunde in hun eigen collectie ontdekt.

[uit de Ware Tijd, 23/05/2013] 

zaterdag 1 december 2012

Marley, Tosh en Wailer (2)

door Peter Meel

Bob Marley

Valt Rita Marley samen met het beeld dat van haar bestaat als inhalige weduwe die de Marley mythe tegen elke prijs intact wenst te laten om het familiefortuin veilig te stellen? Of wordt haar daarmee onrecht gedaan en moet zij worden beschouwd als een vrouw die de erfenis van haar overleden man zo integer mogelijk probeert te beheren? Deze vragen bestrijken het domein van Marley’s afterlife Daarover valt veel te zeggen. In zijn biografie Catch a Fire had Timothy White meer dan honderd pagina’s nodig om de lezer een indruk te geven van de nalatenschap van zijn hoofdpersoon, de vervolgcarrières van Tosh en Wailer en de conflicten en rechtszaken waarin familieleden, componisten, managers en producers na Marley’s dood verwikkeld waren. Rondwandelend op 56 Hope Road ontkwam ik niet aan de indruk dat de erfgenamen uitstekend wisten hoe zij de naam en faam van Marley te gelde moesten maken. In de rij voor de kassa reageerden bezoekers vóór mij geschrokken nadat zij te horen hadden gekregen welk bedrag zij voor een toegangskaartje dienden neer te tellen. Ook de prijzen van Marley memorabilia en van consumpties in het Marley café logen er niet om.

56 Hope Road

Wie het Hope Road terrein betreedt, stuit als eerste op een levensgroot standbeeld van de reggaester, gitaar in de linkerhand, rechtervuist gebald in de lucht. Op het witgepleisterde voetstuk zijn schilderingen aangebracht van de I-Threes (Marley’s achtergrondzangeressen) en Haile Selassie. In hetzelfde omrasterde deel van het erf draaien twee stenen leeuwen waakzaam cirkels rond een bloemperk. Voor Marley’s lichtblauwe landrover is een plek onder een afdakje ingeruimd. Een bordje maant bezoekers zich te realiseren dat de wagen uit 1976 afkomstig is. Na het inspecteren van het terrein is het even wennen aan de jaren zeventig inrichting van de villa. De fantasieloze geometrie, het weinig comfortabele meubilair, de schrilheid van de kleuren, het straalt allemaal een ontnuchterende alledaagsheid uit. De geest van Marley valt er wel bij te bedenken – in de keuken, in de slaapkamer, in de opnamestudio – maar dat 56 Hope Road ooit een sprankelend trefpunt is geweest voor musici, vrienden, kunstenaars, handelaren, profiteurs en meelopers is wat lastiger voor te stellen. Bij het verlaten van het complex had ik er geen spijt van het bedevaartsoord te hebben bezocht. Tegelijk kon ik het niet uit mijn hoofd krijgen dat ik behalve mijzelf toch vooral de portemonnee van de familie Marley een dienst had bewezen.

Muurschildering van Bob Marley en zijn zonen bij het museum

Peter Tosh

Wat lag er precies ten grondslag aan de breuk tussen Marley, Tosh en Wailer en hoe moet de rol van producer Chris Blackwell daarbij worden geduid? De documentaire vertelt het volgende verhaal. Na het maken van Catch a fire – het eerste album dat de Wailers met Blackwell maakten – vertrok de groep naar Engeland en de VS om hun muziek te promoten. Na verloop van tijd kwamen Marley, Tosh en Wailer erachter dat deze concerten de groep geen inkomsten opleverden. Voor Bunny Wailer was daarmee de maat vol. Hij hield niet van toeren en voelde zich slecht opgewassen tegen het Britse klimaat. Nu zijn inspanningen bovendien financieel niet werden beloond, besloot hij na beëindiging van de optredens in Engeland terug te keren naar Jamaica. Peter Tosh verliet de band na de Amerikaanse tournee. In een interview waarin hij terugkeek op het uiteenvallen van The Wailers stak hij de beschuldigende vinger uit naar Blackwell. Naar zijn zeggen had Blackwell de groepsleden als amateurs behandeld en geen recht gedaan aan hun talenten. Zij werden volgens Tosh de erkenning en het respect onthouden waar zij recht op hadden. Op de achtergrond speelden ras- en klassenverschillen. Blackwell was wit, kwam uit een welgestelde familie en had de naam een gewiekst zakenman te zijn. Hem stond als eigenaar van Island Records een commercieel doel voor ogen. Hij was ervan overtuigd dat wilde de groep kunnen doorbreken in Engeland en de VS de muziek aan de smaak van het grote publiek diende te worden aangepast. Om die reden bevatte Catch a fire veel overdubs en was de assistentie ingeroepen van enkele sessiemuzikanten. Blackwell en andere geïnterviewden in de documentaire stellen dat de breuk terug te voeren is op verschillen in houding. Marley streefde succes na en stelde zich om die reden tamelijk meegaand op. Wailer en Tosh waren militanter en veel minder geneigd tot het sluiten van compromissen.

In het vorig jaar verschenen The Natural Mystics biedt Colin Grant aanvullende verklaringen voor het einde van de Wailers. In deze elegant geschreven karakterstudie maakt Grant inzichtelijk dat Marley, Tosh en Wailer veel met elkaar gemeen hadden. Opgegroeid in kommervolle omstandigheden op het platteland – Marley en Tosh zonder vader en Wailer met een zeer autoritaire vader – waren zij erop gebrand om in Kingston voor het grote succes te gaan. Het leven in Trenchtown maakte hen streetwise en leerde hen behalve hun mond ook hun vuisten te gebruiken wanneer dit nodig was. De band die het drietal formeerde, kende geen leider. Wederzijds vertrouwen en gedeelde ambities waren het fundament waarop hun activiteiten rustten. Na een flirt met een rude boy-achtige leef- en muziekstijl zouden Marley, Tosh en Wailer vanaf de middenjaren zestig geleidelijk overgaan tot het Rastafari geloof. Aanvankelijk voelden zij zich vooral aangetrokken door de ermee verbonden vrijheid en gemakkelijke toegang tot ganja. Geleidelijk gaven meer levensbeschouwelijke redenen de doorslag. Dat zij alle drie sterke persoonlijkheden waren die, als het erop aankwam, niet voor elkaar wilden onder doen, bleek toen zij, naast hun werk voor de band, ieder afzonderlijk een platenlabel begonnen.
  
Marley brengt de handen van twee politieke rivalen samen: Michael Manley (PNP) en Edward Seaga (JLP) tijdens het One Love Peace Concert in 1978

Vanaf het moment dat The Wailers met de muziekindustrie in aanraking kwamen, stonden de verhoudingen binnen de groep onder spanning. Marley werd door studiobazen en producenten niet alleen gezien als frontman, maar ook als natuurlijke leider van de groep, tot ongenoegen van de twee anderen. Die weigerden te erkennen dat Marley van de drie de beste zanger was, de meest aansprekende liedjes schreef, de meest innemende uitstraling had en het gemakkelijkst communiceerde met de pers. Hij was geen koekje en in zelfbewustzijn en assertiviteit zeker de gelijke van de anderen, maar in de omgang minder uitgesproken en rebels dan Tosh en minder introvert en ontvlambaar dan Wailer. Tosh deed in 1968 in de voorste linies mee aan de Walter Rodney rellen en zou in 1978 tijdens het One Love Peace concert niet als Marley politieke tegenstanders met elkaar proberen te verzoenen. In plaats daarvan blies hij de aanwezige Michael Manley en diens politieke rivaal, JLP-leider Edward Seaga, provocerend marihuanarook in hun gezicht en pleitte hij met kracht voor het legaliseren van cannabis. Hoezo vrede? ‘Peace is the diploma you get at the cemetery.’ Wanneer het hem teveel werd, liet ook Wailer zich niet onbetuigd. Het gebruik van fysiek geweld tegen malafide producenten was volgens hem onder bepaalde omstandigheden geoorloofd. Wailer ontstak in woede toen Marley een relatie begon met de lichtgekleurde actrice, fotografe en model Esther Anderson, een daad die hij beschouwde als verraad aan de zwarte onderklasse waartoe het drietal naar zijn zeggen behoorde. Naarmate hij ouder werd, trok Wailer zich voor steeds langere perioden terug in zijn eenvoudige buitenverblijf, waar hij trouw aan de Rastafari filosofie en in harmonie met de hem omringende natuur probeerde te leven.
Esther Anderson

Zoals Grant overtuigend laat zien, was Marley behalve de meest getalenteerde en sociaal vaardige ook de meest gedisciplineerde van de drie. Hij was geconcentreerd bezig met componeren, opnemen en spelen, sliep weinig en liet zich in alles kennen als een competitief ingesteld man. Het maakt eens te meer begrijpelijk waarom Blackwell zijn kaarten op Marley zette. Na het verschijnen van het Burnin’ album veranderde Blackwell de bandnaam in Bob Marley and the Wailers. Daarmee speelde hij de vrienden definitief uit elkaar. Volgens Tosh koos Blackwell voor Marley vanwege diens lichte huidskleur met de bedoeling hem als cross-over-artiest bij een mainstream publiek in de smaak te laten vallen. Zijn conclusie: Marley liet zich door een gehaaide kapitalist uit Babylon overhalen om zijn zwarte broeders in de steek te laten voor eigen gewin. Met bitterheid herinnerde Tosh zich dat uitgerekend híj Marley gitaar had leren spelen. Hij stelde vast dat zijn inspanningen hem uiteindelijk alleen maar van zijn vriend hadden vervreemd.
Jasmin Karma, een van de vele door Marley beïnvloede artiesten

Met Tosh zou het niet lang na Marley’s overlijden dramatisch aflopen. In 1987 werd hij in zijn huis bij een gewapende overval bruut om het leven gebracht. Wailer treedt sporadisch nog op, maar mijdt de publiciteit. De betekenis van beide musici wordt alom erkend, maar hun reputatie wordt nog altijd overschaduwd door die van Marley. Zíjn liedjes spreken onverminderd een breed publiek aan, zijn onderwerp van studie en worden bij uiteenlopende gelegenheden gespeeld. Als global brand laat Marley in termen van omzet en impact vele artiesten achter zich. Een documentaire over het naleven van Marley, kan Kevin Macdonald het op zich nemen die ook te maken?

vrijdag 30 november 2012

Marley, Tosh en Wailer (1)

door Peter Meel

Bob Marley

Marley, de bejubelde documentaire over reggaelegende Bob Marley, is inderdaad een indrukwekkende film. Vooral de eerste helft van dit muzikale portret, over de jaren vóór de internationale doorbraak, geven een meeslepend beeld van de moeizame carrièrestart van Bob Marley, Peter Tosh en Bunny Wailer. De drie vrienden verruilden in de jaren vijftig het Jamaicaanse platteland voor Kingston, vastbesloten om het in de stad te gaan maken. Met wisselend succes traden zij op, brachten zij nummers uit en hielden zij zich staande in de jungle van de lokale muziekindustrie. Simmer down, de eerste single van hun groep The Wailers, haalde in 1964 de top van de hitparade. Veel wijzer werden zij niet van hun gestaag groeiende populariteit. Inkomsten uit hun platenverkoop verdwenen in de zakken van louche studiobazen en producers. Ook de opbrengsten uit optredens waren te gering om de armoede van Trenchtown te kunnen ontvluchten. Volgens Marley bood het westelijk deel van Kingston in de jaren zestig maar één troost: er borrelden creatieve muzikale ideeën op.
Bunny Wailer, Parijs 1990
  
In de documentaire zijn overgeleverde fragmenten uit interviews met Marley verwerkt en worden veel intimi aan het woord gelaten. Tot deze groep behoren Bunny Wailer (die ook als associate producer optreedt), Marley’s vrouw Rita, zijn moeder Cedella Booker en vrienden, vriendinnen en kinderen van Marley. Zij laten zich op een openhartige wijze over de reggaester uit. Dat doen ook muzikanten, managers en producers met wie Marley samenwerkte. Daarnaast hebben veel historische opnamen in de film een plaats gekregen (het bezoek van Haile Selassie aan Jamaica in 1966, Marley’s optreden tijdens het One Love Peace concert in 1978, Marley’s bezoeken aan Gabon en Zimbabwe) en is er op locatie gefilmd. Er zijn beelden van zijn geboortedorp Nine Miles, van Trenchtown en van 56 Hope Road, Marley’s villa in uptown Kingston waar hij vanaf de middenjaren zeventig woonde en dat tegenwoordig als museum dienst doet. En natuurlijk ontbreken de zinderende concertfragmenten niet en duiken er af en toe minder bekende opnamen van beroemde nummers op (waaronder een gospeluitvoering van No woman, no cry met Peter Tosh op piano).

Een terugkerend aspect in de film is Marley’s gemengde afkomst. Als zoon van een blanke vader (een Engelsman over wie weinig bekend is en die hij nooit zou leren kennen) en een zwarte moeder (die toen hij zeventien jaar oud was naar de VS emigreerde) was hij in de raciaal gestratificeerde samenleving een buitenstaander. Hij werd geplaagd met zijn lichte huidskleur, maar vaker nog afgewezen. Zelf zei hij er over: ‘Ik sta niet aan de kant van de zwarten. Ik sta niet aan de kant van de witten. Ik sta aan de kant van God. De man die mij uit zwart en wit gecreëerd heeft.’ Zijn bekering tot het Rastafari geloof was volgens mensen in zijn directe omgeving een bevrijding. Hij zou in Ras Tafari (de als God vereerde Ethiopische keizer Haile Selassie) de vader hebben gevonden die hij een leven lang had gezocht. Volgens Rita Marley was haar man vanaf dat moment niet langer gemengd, maar zwart en Afrikaan. In 1970 zou Marley in het liedje Corner Stone die omslag pakkend onder woorden brengen. De steen die de bouwer verwierp, was een hoeksteen geworden.
Melanoom onder grote teen

Zijn gemengde afkomst en geloof zouden een doorslaggevende rol spelen toen in 1977 werd vastgesteld dat Marley een melanoom aan de grote teen van zijn rechtervoet had. Amputatie was volgens artsen geboden om de huidkanker effectief te kunnen bestrijden. ‘Zijn blanke genen waren de oorzaak van zijn melanoom, niet zijn zwarte genen’, merkt Rita Marley in de documentaire gedecideerd op. De behandelende geneesheren kregen van de Marley’s geen toestemming om de noodzakelijke medische ingrepen te verrichten. Volgens Rastafarians is het lichaam een tempel van Jah en mag de integriteit ervan niet worden geschonden. De verwaarlozing van zijn ziekte en de ontoereikende behandeling die erop volgde, zouden in 1981 leiden tot Marley’s vroegtijdige dood. Een half jaar vóór zijn overlijden had hij zich laten dopen in de Ethiopisch Orthoxe Kerk. Voor de toetreding tot deze gemeente wordt in de documentaire geen verklaring gegeven. Bij het organiseren van Marley’s staatsbegrafenis werd er wel rekening mee gehouden. De plechtigheid bevatte verwijzingen naar het christendom èn het Rastafari geloof.

Regisseur Kevin Macdonald lijkt zich te hebben voorgenomen alle hoogtepunten uit het leven van Marley in de documentaire voorbij te laten komen. Dit gaat onvermijdelijk ten koste van de verdieping, ook bij een filmlengte van bijna tweeënhalf uur. Controle van de kant van de familie Marley en producer Chris Blackwell zal eveneens van invloed zijn geweest op de vluchtige behandeling die een aantal zaken ten deel is gevallen. Blackwell en zoon Ziggy Marley treden op als uitvoerend producent en hebben zich kennelijk op voorhand tegen al te veel reuring willen indekken. Kijkers die het naadje van de kous willen weten, zullen dat als een gemis ervaren. Een voorbeeld.
Rita Marley
 
Wie zat er in 1976 achter de moordaanslag op Bob Marley? In een in de film gemonteerd interviewfragment weigert de zanger/musicus hierop een rechtstreeks antwoord te geven. Hij wijst ‘de duivel’ als dader aan, maar – zo voegt hij eraan toe – ‘God beschermt je’, verwijzend naar de omstandigheid dat hij de aanslag op 56 Hope Road overleefde. Andere geïnterviewden laten weten dat de regering van Michael Manley de reggaelegende had gestrikt voor het geven van een gratis concert en kort daarna bekend maakte dat er diezelfde maand verkiezingen zouden plaatsvinden. Had Marley dit van tevoren geweten dan had hij nooit in een overeenkomst met de regering ingestemd. Want nu laadde hij onbedoeld de verdenking op zich dat hij Manley en zijn PNP politiek steunde. De aanslag – waarbij Bob en Rita Marley en familievriend Lewis Griffith licht gewond raakten en manager Don Taylor zware kwetsuren opliep waarvan hij als door een wonder herstelde – was voor Marley geen reden het concert af te gelasten. Maar na het optreden nam hij een radicaal besluit. Teleurgesteld door het aanhoudende politieke geweld in zijn land vertrok hij naar Engeland. Daar verbleef hij gedurende achttien maanden in vrijwillige ballingschap.

Er zijn aanwijzingen dat politieke tegenstanders van Manley, verbonden met de JLP, achter de aanslag op Marley zaten, maar dit is nooit bewezen. De gids die ik er in 2008 tijdens een rondleiding op 56 Hope Road naar vroeg, weigerde erop in te gaan. Eerder had hij nog bevlogen verslag gedaan van de beschieting van de ruimte waar Marley en de zijnen voor het concert aan het repeteren waren geweest. Nu vroeg hij als bij toverslag aandacht voor de blender in de keuken van de reggaekoning. Was Marley naïef geweest door met Manley in zee te gaan? Had hij onvoldoende beseft dat die link (ongeacht of er verkiezingen in aantocht waren) hem verdacht maakte in de ogen van diens opponenten? Hoe serieus moeten wij Marley’s tegenwerping nemen dat hij met geen van de twee partijen sympathiseerde, dat hij politiek geweld verafschuwde en dat hij als toegewijd Rastafarian geen enkel vertrouwen had in de politiekvoering in Babylon? Manager Don Taylor zou in 1987 tijdens een rechtszaak in New York verklaren dat de aanslag behalve een politieke ook een zakelijke achtergrond had. Marley werd er volgens hem van verdacht met de winst van gemanipuleerde paardenraces vandoor te zijn gegaan. Bovendien was hij verwikkeld in een conflict over de rechten op een aantal van zijn liedjes. Taylor – die tussen 1974 en 1979 van Marley een man in bonus maakte – liet weten dat de zeven schutters ‘door onze vrienden in het getto’ waren berecht en uit de weg geruimd. Justitie was er niet aan te pas gekomen. Sprak Taylor de waarheid? Bekend om zijn grootspraak en in 1979 op beschuldiging van bedrog door Marley aan de kant gezet als manager, kan hij redenen hebben gehad om zaken op te blazen en de rol van Marley een hem welgevallige invulling te geven. Maar zeker weten doen we het niet.
Jah

Hoe ging Rita Marley om met de vrije seksuele moraal van haar man? In de documentaire is de reactie van de echtgenote soeverein. Zij was naar eigen zeggen niet alleen de eerste onder zijn vrouwen, zij was de status van vrouw ontstegen en zijn beschermengel geworden. Hun huwelijk draaide niet zozeer om de instandhouding van een persoonlijke relatie, maar diende een hoger doel: mensen inspireren met de bedoeling hen dichter bij Jah te brengen. Zoveel onbaatzuchtigheid kunnen de geïnterviewde kinderen niet opbrengen. Een van hen laat met veel gevoel voor understatement weten: ‘Bob Marley was geen overbezorgde vader.’ Als hij er al was, dan ging hij in de beleving van zijn zonen en dochters tamelijk ruw met hen om. Hij daagde hen uit voor een partijtje hardlopen of voetbal, maar vermeed intiem contact. De documentaire houdt het erop dat Marley elf kinderen bij zeven verschillende vrouwen verwekte. Gelet op wat andere bronnen melden, is dat een conservatieve schatting. Volgens de geïnterviewden lag voor vrouwen de aantrekkingskracht van Marley in zijn verlegenheid. Vrouwen kwamen naar hem toe, hij hoefde hen niet het hof te maken. Er zijn fragmenten in de film die dit weerspreken.

[vervolg: klik hier]

maandag 8 oktober 2012

Geschiedschrijving


door Peter Meel

Het beroep van historicus is niet beschermd. Iedereen mag zich uitgeven voor historicus of een ander met het etiket van historicus tooien. Om tot een zekere afbakening van de beroepsgroep te komen, is het in wetenschappelijke kringen gebruikelijk om onder historici alleen academisch opgeleide geschiedkundigen te verstaan. Erg veel lost dat niet op. Het helpt om evidente dilettanten van vakhistorici te scheiden, maar ook dan blijft er nog altijd een grijs gebied over. Er zijn immers talrijke academici met een andere disciplinaire achtergrond die over historische kennis en vaardigheden beschikken en actief hun partij meeblazen in historische debatten. Ook mensen die niet academisch zijn geschoold leveren niet zelden een aantoonbare bijdrage aan de historische kennisproductie.



In zijn bijdrage aan het derde nummer van het historisch tijdschrift His/her tori (juli 2012) maakt Maurits Hassankhan een onderscheid tussen geschiedschrijving en geschiedbeoefening. Onder geschiedschrijving verstaat hij de schriftelijke weergave van historisch wetenschappelijk onderzoek waarbij de onderzoeker een beeld geeft van een aspect van het verleden en hoopt dat dit beeld de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. Geschiedbeoefening omvat bij hem alle activiteiten waarbij de mens zich rekenschap geeft van het verleden en kennis hiervan overdraagt aan anderen. Behalve de geschiedschrijving behoren tot het domein van de geschiedbeoefening onder andere het geschiedenisonderwijs, de mondelinge overlevering van tradities, liederen en verhalen, de viering van feestdagen en de oprichting van monumenten.
Maurits Hassankhan. Foto © Harmen Boerboom

De historici Eric Jagdew, Maurits Hassankhan en Jerry Egger stellen in hun artikelen in dit boeiende nummer van His/her tori vast dat er in de afgelopen decennia veel is gebeurd op het gebied van de geschiedbeoefening in Suriname, maar dat de geschiedschrijving een ondergeschoven kindje is gebleven. Volgens hen liggen hier verschillende factoren aan ten grondslag. In de eerste plaats is er een institutioneel probleem. De geschiedenisopleidingen hebben in Suriname altijd opgeleid tot het beroep van docent, niet tot dat van onderzoeker. Pas recentelijk is er een universitaire opleiding van start gegaan, die op masterniveau docenten opleidt die ingezet kunnen worden in de bacheloropleiding waarmee volgend jaar een begin zal worden gemaakt. Er is de verwachting dat afgestudeerden van deze opleidingen beter voorbereid zullen zijn op het zelfstandig verrichten van onderzoek. Er is daarnaast een maatschappelijk probleem. Na de onafhankelijkheid zijn er langdurige periodes van economische crises geweest waarin docenten met moeite het hoofd boven water hielden en het verrichten van onderzoek geen prioriteit had. Vanaf de eeuwwisseling zijn de levensomstandigheden van de bevolking – en dus ook van de docenten – echter merkbaar verbeterd, al blijft de belasting van veel docenten aanzienlijk. Ten slotte kan er gewezen worden op de deplorabele staat van het archiefwezen. Niet alleen was er jarenlang een gebrekkig geoutilleerd archiefgebouw waar documenten door een gebrek aan systematische toegangen vaak moeilijk raadpleegbaar waren, bovendien lag een groot deel van de Surinaamse archieven in Nederland. Met de oplevering van een nieuw archiefgebouw in 2010 en de geleidelijke teruggave van archiefcollecties door Nederland staat Suriname er wat betreft het archiefwezen momenteel veel beter voor.





Deze geringe aandacht voor geschiedschrijving heeft, zoals gezegd, zijn sporen nagelaten, vooral in het werk van de oudere generatie historici van wie er twee – Eugène Gessel en André Loor – in dit nummer nader worden belicht. Hans Breeveld schreef een interessant portret van Gessel, die vorig jaar een eredoctoraat van de Anton de Kom Universiteit van Suriname ontving. In zijn lange werkzame leven gaf Gessel les, was hij inspecteur van onderwijs, ontplooide hij politieke activiteiten en had hij in 1975 zitting in de grondwetcommissie. Hij maakte echter vooral naam als politiek commentator. Zijn analyses van hedendaagse nationale en internationale ontwikkelingen legde hij vast in talloze bijdragen aan kranten en tijdschriften. Op die manier droeg hij als historicus bij aan de geschiedbeoefening in Suriname, zonder overigens tot de publicatie van wetenschappelijke artikelen of boeken te komen. Het portret van Breeveld geeft een handzaam overzicht van Gessels carrière, maar maakt tegelijk duidelijk dat een diepgravender studie van Gessels commentaren nodig is om de betekenis van de auteur adequaat te kunnen vaststellen. Een geannoteerde selectie van zijn artikelen, voorzien van een degelijke inleiding, zou in deze behoefte kunnen voorzien.


André Loor


Er zijn maar liefst drie bijdragen gewijd aan André Loor, die in 1994 een eredoctoraat van de Anton de Kom Universiteit van Suriname ontving en van wie dit jaar een borstbeeld werd onthuld bij de ingang van het Nationaal Archief. In zijn eveneens lange loopbaan verdiende Loor zijn sporen als docent, programmamaker, schrijver en adviseur. Onder de bevolking wist hij bekendheid te verwerven met zijn gedetailleerde kennis van de geschiedenis van Suriname en mede door zijn communicatieve en didactische gaven uit te groeien tot een geliefde televisiepersoonlijkheid. Zijn publicaties betreffen in hoofdzaak gedenkboeken en andere gelegenheidsuitgaven. Verwijzingen naar het historisch werk van Loor komt men in de wetenschappelijke literatuur zelden tegen.
Jozef Siwpersad

Daarin verschillen Gessel en Loor van Jozef Siwpersad, voor wie ook (zij het beperkt) ruimte is gereserveerd in dit nummer. Siwpersad heeft behalve als docent betekenis gehad als geschiedschrijver. In Suriname was hij lange tijd de enige gepromoveerde historicus. Momenteel moet het land het doen zonder historici met een doctorsgraad. Siwpersad publiceerde twee belangwekkende studies waarvan zijn proefschrift De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij (1833-1863) nog altijd wordt geciteerd. Misschien is het een idee om in een volgend nummer van His/her tori een afzonderlijk artikel aan het werk van Siwpersad te wijden.
Sandew Hira

In lijn met de pamflettistische bijdragen die hij sinds de lancering van zijn Decolonizing the mind (2009) publiceert, tamboereert Sandew Hira in zijn bijdrage verder op het kwaad van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’. Hira’s ‘strijdmethode’ bestaat eruit dat hij de academische wereld in twee kampen opdeelt: zij die de aard van het kolonialisme als een systeem van onderdrukking en uitbuiting verhullen en zij die dit ontmaskeren. De eerste groep legitimeert volgens hem het kolonialisme, de tweede klaagt het aan. Academici die tot de eerste groep behoren, zijn vazallen van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’; de anderen voorvechters van het dekoloniseren van de geest. Aan de hand van deze binaire oppositie meet Hira collega-onderzoekers de maat en stuurt hij steunbetuigingen, vermaningen en banvloeken de wereld in. Bij het ‘opsporen’ en ‘aanpakken’ van lakeien van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’ heiligt bij hem het doel de middelen.

Dergelijke exercities (een terugkerend bestanddeel van Hira’s columns voor de website Starnieuws) spreken hen die waarheidsvinding, bewijsvoering en redelijke argumentatie als een wezenlijk onderdeel van hun vak beschouwen minder aan. Zoals Maurits Hassankhan in zijn artikel terecht stelt, is dekolonisatie een dynamisch proces en geen statisch gegeven van gekoloniseerd of gedekoloniseerd zijn: ’Het is eerder een continuüm […] waarvan het ene uiterste is het koloniale denken, zoals dat werd gepropageerd in de koloniale tijd door de kolonisatoren, en het andere uiterste het antikoloniale denken in de vorm van anti-westers denken, waarbij de desbetreffende persoon zich in alles afzet tegen de vroegere koloniale overheerser en de leden van het koloniserende volk. De meeste mensen zitten met hun denken ergens tussen de twee uitersten en het is aan hen om zichzelf rekenschap te geven waar zij staan.’ In de wetenschap is er volgens Hassankhan parallel hieraan een ontwikkeling gaande in de richting van een meer nationale geschiedschrijving. Samenleving in een grensgebied van Rudolf van Lier is daarbij van cruciaal belang geweest, zeker in aanmerking genomen dat de eerste editie van het werk in 1949 verscheen en er tot dat moment geen samenhangende historische studie over Suriname bestond.

De discussie over Suriname als plurale samenleving heeft sinds het verschijnen van Samenleving in een grensgebied meerdere stadia doorlopen. Daaraan heeft ook Hira bijgedragen door in zijn Van Priary tot en met De Kom (1982) de aandacht te vestigen op klasse als bepalende factor in de Surinaamse geschiedenis. Ondanks twee gewijzigde herdrukken in de jaren zeventig is Van Liers klassieke studie thans in een aantal opzichten verouderd. Zo gaat dat in de wetenschap. Voortschrijdend inzicht leidt tot bijstellingen en verschuivingen in de geschiedschrijving. Gelet op deze wetmatigheid bevreemdt het dat Hira volhardt in zijn (intussen dertig jaar durende) vendetta tegen (de intussen vijfentwintig jaar geleden overleden) Van Lier, die hij eerst vanuit een marxistisch paradigma het vuur na aan de schenen legde en die hij tegenwoordig pleegt weg te zetten als vader van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’. Hoe die twee invalshoeken zich tot elkaar verhouden en of Hira inmiddels zelf is opgeschoven in zijn denken over geschiedenis, blijft daarbij duister.

Het is jammer dat Hira sinds 2009 vooral excelleert in het repeteren van statements en het inpassen van historici in een construct waarmee hij wel zijn activistische agenda vult, maar het als geschiedschrijver laat afweten. Het ontmaskeren van de aard van het kolonialisme zou overtuigen als hij zich ertoe zou zetten om zelf weer eens serieus historisch onderzoek te verrichten. Een follow-up van Van Priary tot en met De Kom over de naoorlogse geschiedenis van Suriname zou een noemenswaardige stap in die richting kunnen zijn en een discussie op gang kunnen brengen die nu helaas uitblijft. Aan His/her tori de taak om de ontwikkelingen op het gebied van de Surinaamse geschiedschrijving nauwlettend te blijven volgen.