Posts tonen met het label Trefossa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Trefossa. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

De dichter en het woord

door Jerry Dewnarain

Bij uitgeverij In de Knipscheer is Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord verschenen, een multimediaal eerbetoon aan drie Surinaamse dichters: Trefossa, Shrinivási en Dobru.
In een opstel ‘Over nationale letterkunde’, gepubliceerd in Sticusa-Journaal van 1974 ontvouwde Albert Helman zijn visie op de vijf ontwikkelingsfasen in het ontstaan van een eigen literaire productie in de dekoloniserende landen. In de derde fase kenmerkt Helman de Surinaamse poëzie als volgt: ‘Er ontstaan sterker op het lokale milieu betrokken gedichten en echte streekverhalen en streekromans, al dan niet in de algemeen gangbare cultuurtaal of in een van de “vernaculars”. Gemakshalve worden beide taalsoorten (het Nederlands en het Sranan) vaak dooreengemengd, of opzettelijk, terwille van de lokale kleur, incidenteel of exclusief gebruikt. De gedichten zijn meest van lyrisch-protesterende aard of illustreren populaire slogans.’ De derde fase is de periode van eind jaren ’50 en de jaren ’60: veel protestliteratuur, volop ontplooiing van de volkstalen, verdieping in de historische anekdotiek. Voorbeelden hiervan zijn: ‘gronmama’ (Trefossa), ‘Suriname’ of ‘De dichter en het woord’ (Shrinivási) en ‘Holi Phagwa 1973’ of ‘geen plaats’ (Dobru).

Buste van Trefossa op de hoek van het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo.
Foto © Michiel van Kempen

Met andere woorden de periode 1957-1975 stond in het teken van het engagement met het volk, de strijdliteratuur en de nationale of nationalistische literatuur. Daarbij moet ook worden aangetekend dat deze periode verrassend veel werk opleverde dat meer dan een kwart eeuw later als gecanoniseerd zou gelden. Trefossa, Shrinivási en Dobru maken zeker deel uit van de Surinaamse poëziecanon. Dat bewijst ook de keuze van de dichters. Maar deze drie ‘groten’ zijn niet de enige grote Surinaamse dichters... er zijn er veel meer in dit poëzieland. In de inleiding van Cynthia Abrahams staat: ‘De gedichten zijn gekozen uit het werk van de drie meest geliefde dichters van Suriname, Trefossa, Shrinivási en Dobru.’ (p. 12) En Mavis Noordwijk zegt in een interview: ‘De manier waarop Trefossa typische Sranan-woorden en uitdrukkingen in zijn poëzie gebruikt, geeft een meerwaarde aan het Sranan. Hij is voor Suriname van buitengewoon grote betekenis zowel voor de literatuur als voor de cultuur geweest. Trefossa gebruikte in zijn vertalingen vaak beelden die aansluiten bij de Surinaamse belevingswereld’. (p. 28)

Shrinivási, april 2014
Foto © Michiel van Kempen
Shrinivási is de dichter die tegenstellingen overbrugt of met elkaar verzoent: die tussen het district en de stad of die tussen religies (hindoeïsme en christendom). Maar hij brengt ook talen bijeen, want hij schrijft in het Nederlands, Hindi, Sarnámi, wat hij steeds vergezeld doet gaan van een eigen vertaling in het Nederlands. Shrini is eigenlijk ook de dichter van ballingschap en vervreemding. Een terugkerend thema is de pijn van ballingschap en vervreemding. Het gedicht ‘Deháti’ uit Anjali is zo een voorbeeld (p. 48). Dobru is het Sranan-woord voor dubbel en is afgeleid van zijn initialen R(obin) R(aveles). Terugkerende thema’s in zijn werk zijn: vaderlandsliefde, het bekritiseren van sociale wantoestanden, de eenwording van het Surinaamse volk, liefde en armoede. Al in 1965 schreef hij zijn gedicht ‘Wan’ of ‘Wan bon’, geïnspireerd door het nationaal jeugdcongres dat in Paramaribo werd gehouden. Dit gedicht is intussen uitgegroeid tot het nationale gedicht en neemt in de multiculturele Surinaamse maatschappij een centrale plaats in (p. 76). De boom staat symbool voor Suriname en de bladeren voor de diverse bevolkingsgroepen in het land, dat één moet worden.

Saxofoniste Sanne Landvreugd speelt mee op de cd.
Foto © Michiel van Kempen
Kortom Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een mooie, informatieve en zeer creatieve uitgave waarin poëzie van drie stonfutu Surinaamse dichters Trefossa (Henny de Ziel), Dobru (R. Raveles) en Shrinivási (Martinus Lutchman) is verwerkt tot prachtige muziek op dvd. Dave MacDonald (singer/songwriter) componeerde muzikale gedichten die worden vertolkt door een groep artiesten, onder wie Desiree Manders, Claudio Ritfeld, Julya Lo’ko, Martin Buitenhuis, Zanillya Farrell, Raj Mohan, Sim’Ran, Norman van Geerke, Sarah-Jane Wijdenbosch en Sanne Landvreugd. Er is gestreefd naar een harmonieus samengaan van woord en muziek, een ‘blend’ van literatuur en muziek; zo verwoordt Cynthia Abrahams het in haar inleiding (p. 12). Het is ongetwijfeld een bijzondere manier van documenteren van de rijkdom van gemeenschappelijk Surinaams cultureel erfgoed. Ieder van de drie dichters heeft zijn eigen prachtig vormgegeven deel van het boek gekregen, met veel foto’s, informatie over hun leven en werk door kenners en uiteraard een keuze uit hun gedichten.

De invloed van de drie behandelde dichters op de Surinaamse literatuur is bijzonder groot. Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een sieraad voor elke liefhebber van de Surinaamse literatuur. Ook jongeren kunnen op een moderne manier kennis maken met dit muzikaal bewerkte culturele erfgoed en zelfs aangespoord worden werken van Surinaamse dichters te gaan lezen en deze creatief te gebruiken.
Cynthia Abrahams

Cynthia Abrahams, Hein Eersel, Geert Koefoed (samenstelling en inleidingen): Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord. Dobru, Shrinivási, Trefossa. Drie Surinaamse dichters op muziek gezet. Boek en dvd. Haarlem: In de Knipscheer i.s.m. IKO Foundation, 2014. ISBN 978 90 6265 852 7


maandag 7 april 2014

De stilte van het ongesproken woord

Een fotoreportage van de première in het Bijlmerparktheater, 6 april 2014



door Johan Janssen

De Stilte van het Ongesproken Woord is een programma gewijd aan de Surinaamse dichters Dobru, Trefossa en Shrinivási. Teksten van deze dichters zijn verwerkt tot muzikale composities door Dave Mac Donald en Robin van Geerke.



Deze muziek is in diverse stijlen, wereldmuziek, kaseko, R&B, jazz en soul. Daarnaast is er Spoken Word, beeld en ook meer theatrale uitingen.
Deze mix is moeilijk te beschrijven, maar het heeft mij zeer geboeid.
Ga het daarom zelf zien: nog op 8 april in Theater Corrosia Stad in Almere (20:30)


Vocals: Chy-Kyria Mezas, Robert Harman en Lucas Sheperd
Spoken Word: Zanillya Farrell
Spoken Word/Vocals: Raj Mohan
Gitaar: Dave MacDonald
Saxofoons: Sanne Landvreugd
Piano/Keyboard: Robin van Geerke
Tabla: Suresh Sardjoe
Bas: Pat Winterdal
Beeld: Antoinette van Maarschalkerwaart
















Nazaten van Dobru en Trefossa ontvangen de eerste exemplaren van het boek met dvd.










woensdag 19 maart 2014

Ida Does: A Brief Interview with Repeating Islands

Derek Walcott and Ida Does in Cap Estate, Saint Lucia. Photo © Rebecca Roos

by Ivette Romero

Film director Ida Does was born in Suriname, and is of French, Chinese, and Dutch-Creole descent. She has worked as a journalist, researcher, writer, and documentary filmmaker for the past two decades and resides in Aruba and the Netherlands. She studied documentary filmmaking at the Media Academy in Hilversum and the Binger Film Institute in Amsterdam. After working at a broadcast company for five years, she went on to become an independent filmmaker and producer in 2007. Does has directed two award-winning documentaries about prominent, national figures of Suriname–freedom fighter Anton de Kom—Peace, Memories of Anton de Kom—and poet Trefossa (Henri Frans de Ziel)—Trefossa: I Am Not I. [See previous posts Forthcoming Film: Derek Walcott, Poetry is an Island and Film: Contributions Needed for “Poetry is an Island, Derek Walcott”.]

Does’ motto is a beautiful line by Leo Lionni: “From time to time, from the endless flow of our mental imagery, there emerges unexpectedly something that, vague though it may be, seems to carry the promise of a form, a meaning, and, more important, an irresistible poetic charge.” Here we ask her a few questions about her work, her sources of inspiration, and the poetic language of her films.

Repeating Islands (RI/IR): I love Leo Lionni’s thoughts on inspiration and creativity, which you have chosen as a motto; based on what he calls that “unexpectedly something,” What inspired you to create films on Trefossa, Anton de Kom, and Derek Walcott? Would you say that there is a quality that the three men shared that led you to this work?
Ida Does (ID): Yes, isn’t it just a wonderful motto? I’m a big fan of Lionni and his children’s book about Frederick, the mouse. I have read it to my children, and now read it to my grandchildren. As a matter of fact, I recently gave this book to Derek Walcott for his 84thBirthday. The way that Lionni describes what it means to be a poet, and the value it holds for the community is as simple as it is true. I love that simple, seemingly effortless way of telling stories. I very much relate to that approach in my own work.
If you ask me about my main films and the people they portray, one can only see the similarities afterwards; I didn’t plan it, it just happened that way. Looking back there definitely is a quality which these men share: They are all Caribbean pioneers! Trefossa was the first poet to publish a book in the lingua franca of my birth country Suriname, in 1957.  His poetry is extraordinary and meaningful, not only for the poetry itself, but also for the emancipation of our language and our collective self-esteem. Anton de Kom was the first black writer of Suriname who studied our colonial history and published a book We slaves of Suriname in 1934. His life was tragic, being banned from Suriname for his progressive views, then arrested by Nazis in the Netherlands, to later die in a Nazi concentration camp in Germany. And then of course Derek Walcott, the first colored Caribbean writer to win the Nobel Prize for Literature.
My inspiration to make films about these men might be explained by my fascination with history. I have a special relationship with the past, I want to touch it remember it, while I still can. I am always mindful of the passing nature of things, and I have a strong commitment to hold on to these people’s legacy, to tell the story of the contribution they made to our continuity as a group. They helped to define us, younger generations growing up in colonial en post colonial times. It fascinates me how some people find ways to rise above everything with their work and lives, and make such a difference in many people’s lives. People who possess this elusive blend of passion, character, talent, and courage.  By making these films I hope to preserve these individuals’ historical impact for other generations. Especially in the Caribbean context, where a lot of stories are still untold, unknown, hidden.

Derek Walcott in 2008. Foto © Bert Nienhuis

RI/IR: How does your background and lived experience shine through in your subject choices and your films as finished product?
ID: Being a child of the Caribbean myself, I am naturally attracted to stories from the region that feels most like home. My personal story is one of separation. I left my birth country when I was a young girl, and years later I had to leave it again as a young teacher and mother, after the brutal murders by the military regime in 1982. Since then, I have never returned to Suriname, and had to find a way to deal with that sense of separation and homesickness. I found this when I moved to Aruba. This is my country of (re)birth, a place that has stolen my heart, and that of my family. So, your question is not easy to answer. I suppose you could say that I am deeply in love with the Caribbean, its history, its diverse people, its languages, the diaspora, the longing, and the complexity of our identities. I feel ‘in body’ when I connect to artists and storytellers, scientists, who are, like me, looking for ways to discover our own narrative.

RI/IR: I was struck by the photo of Walcott on the first page of site for Poetry is an Island: Derek Walcott and the statement that explains that the documentary presents “an intimate portrait of the St Lucian Nobel laureate for literature set in his beloved native island.” How does a sense of “place” play a role in this documentary (and, perhaps, others you have directed)?
ID: Derek Walcott’s life is long and rich. This ‘fortunate traveler’ has indeed traveled the world and led an international life. The fact that he always remained closely connected with St. Lucia, the island he was born, intrigued me. From the very start I knew that I wanted to film Derek there… in St. Lucia, because I expected (and hoped) to meet him ‘at ease’ in the place that he loved so much. I was curious to film the St. Lucian landscape and to visit the villages that I had read about in Derek Walcott’s work. I wanted to feel and smell St. Lucia in the same palpable way that I experience Walcott’s poetry. Coming closer to Derek Walcott—to me—was to discover St. Lucia and the interaction between the man and the island. And then…meeting with the people that he writes about, the places he describes, the valleys that he portrays; it was so much more than a geographical discovery. When I was there, it felt like I could literally touch Derek’s work, the heart of it.  Which is what the film is all about. So, yes, the sense of ‘place’ is key in this film. I could have chosen to follow Derek on his journeys, or interview people around the globe about him and his work, but instead, I tried to zoom in and capture what I felt intuitively was the very essence of Derek Walcott. To me… that is.

Derek Walcott and his partner Sigrid Nama, in 2008, just before Walcott gave
 the forst Cola Debrot-lecture in Amsterdam. Photo © Bert Nienhuis


RI/IR: How was the reception/reaction of the general public and Walcott himself to Poetry is an Island?
ID: It was so wonderful. We have had several screenings and Derek Walcott was present at the World Premiere in Port of Spain (at the Trinidad &Tobago Film Festival) and at the Gala Event in St. Lucia during this year’s Nobel Laureate Week. He commented in public in Port of Spain (https://vimeo.com/75951373 ) and after the screening in St. Lucia he told me that he enjoyed it even more, watching it for the second time. Of course that is tremendously rewarding and I appreciated that he had never ever made demands to see the film before it was finished.  Based on the responses after the screenings, the emails that I received from people and all the comments and sweet hugs afterwards, I think people like the film. I look forward to more reviews coming out this year, I’d be curious to see how critics receive the film. On our Facebook page and via our website we receive requests to come to all kind of places around the world, so it’s still very exciting. Documentary Channel from Dutch television is enthusiastic about it, and they will screen it on national Dutch television. So yes, there is more to come, for sure.

Prof. Michiel van Kempen introducing Derek Walcott, lecturing in Amsterdam in 2008.
Next to Walcott is the chair of the meeting, prof. Joyce Goggin  Photo © Bert Nienhuis


RI/IR: As an artist, how do you express your own personal “poetic language” through the process of filmmaking?  Is this revealed in your selection of visual imagery and setting, dialogue, the type of research, or other choices you make as a director?
ID: This is an ongoing process. When we are filming on set, I am like a sponge… my senses are wide open to everything that is happening around me. I am fully present in the moment, fully focused on the energy that’s in the space and the details that are metaphors’ or could become metaphors at some point. By the time we turn on the camera and start the actual filming, I will have read and researched a lot. Often, I have to actively force myself to stop reading and researching, because I need to go into another mindset, when filming. I have to let things emerge…I place my faith in the moment and in reality. I love the phrase ‘romance of discovery’, that’s how I feel when filming. I only feel that I succeed as a filmmaker when my work touches people, on an emotional level, by what happens, emerges, arises. Most of the time it’s not explicit, and that means that I always look for a pace and small things of daily life that we all can relate to. In my choices of imagery, I have to trust my sense of being open to the unexpected and, here’s Lionni again, I just learn to follow ‘the promise of a form, a meaning and the irresistible poetic charge’. It is my goal to tell an honest and authentic story. Always. In doing that, I don’t try to ‘control’ the story, but I train myself to keep the eye of the poet.

For more on Ida Does, see her information at www.idadoes.nl

[from Repeating Islands, March 14th 2014]

Actors Felix Burleson and Paulette Smit play a scene from Walcott's theatre work. At the table
 from  left Sigrid Nama, Carel de Haseth, Els van der Plas and Derek Walcott.
 Photo © Bert Nienhuis



maandag 17 maart 2014

Surinaamse schuttingtaal

Terras van Zus en zo. Foto © Klaas de Groot

door Klaas de Groot

Op zondag is het stil in de straten van klassiek Paramaribo. Wel zijn er veel fietsers te zien. Wie wil fietsen kan een fiets huren op de Grote Combéweg 13A, tegenover  een ingang van de Palmentuin. Daar, op één terrein, is de verzamelplek voor stagiaires  met lang blond haar  guesthouse Zus & Zo,  en een fietsverhuurbedrijf.  Het terras van het guesthouse is een geliefkoosde skypeplek. Luid en duidelijk is te horen dat de vaders en moeders in Nederland op de hoogte gebracht worden van het wel en wee van hun dochters.

Albert Helman, gebroederlijk naast Papa Touwtjie
Foto © Klaas de Groot
Ze zitten met hun rug naar een bijzonder verschijnsel op hetzelfde terrein: een schutting met geschilderde portretten van Surinaamse bekendheden. Het is een goede plek, want binnen een straal van een kilometer staan er heel wat beelden van en monumenten voor andere Surinaamse helden, op het Onafhankelijkheidsplein, bij Fort Zeelandia en aan de Kleine Waterstraat.

De afbeeldingen zijn verbonden door de kleuren van de Surinaamse vlag: rood, groen en wit. Hier en daar versierd met een gele ster. Trefossa, Dobru, Albert Helman met ontspannen blik, Sophie Redmond, een somber kijkende Anton de Kom en andere coryfeeën zijn duidelijk herkenbaar. Allemaal zijn ze van naam voorzien. De lichtelijk vervallen afscheiding wordt er door verfraaid, ook al staan er fietsen voor die hun beste tijd gehad hebben. De gezichten kijken ons sprekend aan. Ze zijn heldere taal op deze schutting.


dinsdag 11 maart 2014

Muzikaal Educatief Dichtersproject Silence of the unspoken Word

De band met tweede van links Dave MacDonald en rechts Robert-Hardam Sordam
Foto © Michiel van Kempen
Binnenkort wordt het project Silence of the unspoken Word wereldkundig gemaakt. Het project werd in 2006 geïnitieerd door componist Dave MacDonald en wordt gerealiseerd onder auspiciën van de IKO Foundation in nauwe samenwerking met de R. Raveles Dobru Stichting, de H.F. de Ziel Trefossa Stichting en Dhr. M. Lutchman.

Het project bestaat uit de vervaardiging en distributie van een dvd-in-boek (Tiri fu den wortu di no taki), en Theater- en Schoolconcerten (De Stilte van het ongesproken Woord) gebaseerd op gedichten van Dobru (R. Raveles), Trefossa (Henri de Ziel) en Shrinivasi (Martinus Lutchman).

IKO Foundation erkent het belang van de drie dichters bij het ontstaan van het geloof in eigen kunnen en onafhankelijkheid, en wil deze voor het voetlicht plaatsen.

Dave MacDonald. Foto © Michiel van Kempen
DVD
Door componist Dave MacDonald en arrangeur Robin van Geerke zijn gedichten van de drie roemrijke Surinaamse dichters verwerkt tot prachtige muziekcomposities en deze zijn vertolkt door een unieke en zeer diverse groep artiesten, waaronder DesRay Manders, Claudio Ritfeld, Julia L’oko, Martin Buitenhuis, Zanillya Farrell, SimRan, Raj Mohan, Norman van Geerke, Robby Harman, Sanne Landvreugd, Sarah-Jane Wijdenbosch. Onder regie van Vincent Soekra is een concertregistratie met deze artiesten met vier camera’s vastgelegd voor DVD.

Shrinivasi en Giselle Ecury
Boek
Onder eindredactie van Cynthia Abrahams is een Boek tot stand gekomen waarin de dichters en hun werken worden gekarakteriseerd door een aantal prominente kenners en liefhebbers van literatuur, waaronder Ismene Krishnadath, Hans Breeveld, Cynthia McLeod, Satya Jadoenandansing, Mavis Noordwijk, Lila Gobardhan, Geert Koefoed, Hein Eersel, Rutu Raveles, Gerrit Barron, Chandra van Binnendijk.

Educatie
Doel van dit muzikaal bewerkte cultureel erfgoed is om - via het onderwijs in de Nederlandse taalgebieden – vooral jongeren op interactieve wijze kennis te laten maken met literatuur en dichtkunst in het algemeen en met de drie grote dichters in het bijzonder, zodat zij het op hun beurt weer over zullen willen dragen aan volgende generaties. In Nederland wordt een “De Stilte”-Lesbrief gemaakt in samenwerking met de School der Poëzie. Het plan is om in samenwerking met locale deskundigen ook in Suriname een Lesbrief te laten vervaardigen en door middel van workshops docenten te ondersteunen bij het verzorgen van het “Tiri”-lesprogramma.

R. Dobru
Release
Lange tijd is gestreefd naar simultaneïteit in de implementatie van het project in Nederland en Suriname. Omdat er op dit moment in Suriname nog hard geïnvesteerd moet worden in de relatie met sponsors en onderwijsinstellingen, is besloten alvast een 1e oplage dvd-in-boek te persen speciaal voor de Nederlandse markt.

Op 6 april 2014  hopen wij het eerste exemplaar dvd-in-boek te overhandigen aan de portefeuillehouders Onderwijs en Cultuur van het Stadsdeel Amsterdam Zuidoost, tijdens een muzikale presentatie van het “Silence”-project in het Bijlmerpark theater.
Saxofoniste Sanne Landvreugd
Foto © Michiel van Kempen

Optredens
4 april, MC Theater, Amsterdam  20:30 uur
 www.mconline.nl  € 12,50 / €10,- 
6 april, Bijlmer Parktheater, 15:00 uur 
Première en release DVD-in-Boek
 www.bijlmerparktheater.nl  € 13,50 
8 april, Corrosia Stad, Almere 20:30 uur
 www.corrosia.nl  € 15,- / €13,-


www.unspokenwordcrossover.nl
www.iko-foundation.nl
IKO Foundation
Postbus 2725
1000 CS Amsterdam
+31(0)653157596

maandag 10 februari 2014

Ingekomen reacties

door Christine F. Samsom

Dat er op een uitgesproken mening in de Ware Tijd Literair reacties komen is niet ongewoon. Daar zijn we altijd blij mee. Het betekent dat de literaire pagina goed wordt gelezen. Discussies kunnen tot meer diepgang leiden. Dat er op de ‘Srefidensi/Zelfdenken’-special van zaterdag 25 januari 2014 drie reacties kwamen was toch een verrassing.
Eva Essed-Fruin

Erg blij zijn we met de verduidelijking van Eva Essed-Fruin over Trefossa’s betrokkenheid bij ons volkslied in zijn huidige vorm, waarbij zij putte uit haar rijke ervaring. Hieronder haar reactie:

‘Jammer dat je niet even de pagina’s 101-104 van Ala poewema foe Trefossa (1977) hebt opgeslagen, waarin de totstandkoming van het volkslied wordt beschreven. Aan Henny de Ziel is nooit verzocht een Nederlandstalige strofe te dichten. De toenmalige Raad van Ministers wilde de tweede strofe van het door dominee Hoekstra geschreven volkslied als eerste gebruiken en vroeg via Frank Essed aan Henny om een strofe in het Sranan te maken, wat hij binnen enkele dagen deed. Deze door hem geschreven tekst is de officiële geworden. Omdat De Ziel de Nederlandse tekst erg negatief vond heeft hij enkele regels gewijzigd. De twee eerste en de laatste regel heeft hij gehandhaafd, de regels “Doch dat elk zich dan ook schame/ Die zijn ere maakt te schand!/ Recht en waarheid te betrachten,/ Zeed’lijk rein en vroom en vrij,/ Al wat slecht is te verachten,”, verving hij door “Hoe wij hier ook samen kwamen/ Aan zijn grond zijn wij verpand./ Strijdend houden we in gedachten:/ Recht en waarheid maken vrij:/ Al wat goed is te betrachten,”. Het woordje “strijdend” heeft de Raad van Ministers vervangen door “werkend”. De eerste strofe is hoogstens een bewerking van de traditionele tekst, waarbij de stijl van Hoekstra zoveel mogelijk is gehandhaafd. Het is beslist onjuist om Trefossa op grond hiervan stijfheid in het Nederlands te verwijten. Deze strofe is ook niet opgenomen in Ala poewema..., alleen in de commentaar.’ Tot zover Eva Essed-Fruin...

Hilde Neus. Foto © Michiel van Kempen
Neerlandicus Hilde Neus heeft zich de kritiek op de lezing van Lila Gobardhan erg aangetrokken:

‘Soms ga je naar een activiteit met bepaalde verwachtingen, maar je kunt je ook laten verrassen. Ik was dan ook teleurgesteld over de bespreking van Lila Gobardhans lezing door Els Moor. Haar bespreking bestaat uit opmerkingen over wat ze aan kwaliteit van het Sranan binnen de Trefossa-poëzie had verwacht, maar tegelijkertijd is haar artikel voornamelijk een opsomming van zaken die al eerder besproken zijn, vooral door Hein Eersel. De opdracht aan de verzorger van de Trefossa-lezing is niet uitsluitend een analyse van het werk van Trefossa. Vene zijn lezing (2011) bijvoorbeeld ging daar niet uitsluitend over en Eddy van der Hilst (2010) analyseerde werk van Johanna Schouten-Elsenhout. Aan de inleidster was gevraagd om over Trefossa en taal te praten; een brede opdracht. Mijns inziens heeft ze dat op zeer indringende wijze gedaan door vooral de dagboeken als bron te gebruiken, geheel in de traditie van haar werk als onderzoekster van archieven. Al eerder is daar kort uit geciteerd in het Mutyama-nummer over Trefossa (1990), maar die citaten werden niet binnen zo’n uitgebreide context geplaatst. Cynthia Abrahams heeft in 2010 het Trefossa-archief waartoe de dagboeken behoren mogen overdragen aan het Nationaal Archief van Suriname (NAS).
Het sterke van de lezing van Gobardhan was vooral dat ze liet zien hoe Trefossa zich als persoon al op jonge leeftijd uitdrukte op een nadenkende en zelfs poëtische wijze, die duidelijk de voorbode was van de verbinding tussen zijn levenshouding, het benaderen van talen en hoe hij daarmee omging in zijn kunst. Iemand met een andere dispositie en minder introspectie had geen sonnetten van zulke kwaliteit kunnen produceren. Zijn zwakke gesteldheid maakte dat hij alles overdacht en zijn leven zag in uitdagingen. Die is hij ook aangegaan met taal. Door het lezen van de dagboeken en de inbeddingen van citaten in Gobardhans lezing, blijkt dat hij al vanaf zijn jonge jaren worstelde en zijn producten niet uit zijn mouw schudde. Hij heeft veel moeite gehad om over kleine dingen heen te stappen, dingen die later heel wat groter bleken te zijn (zijn hartproblemen). We hebben een breder beeld gekregen van de mens achter deze grote kunstenaar. Misschien was een aantal zaken reeds bekend, maar de precaire wijze waarop de dichter daar zelf mee omging was dat beslist niet. Er zijn stromingen binnen de literatuur die een literair werk als autonoom gegeven willen zien, zonder welke biografische gegevens van de auteur dan ook daarbij te betrekken. Maar uit deze lezing bleek duidelijk hoe het leven van de man en de levenslust waarmee hij zijn problemen oppakte en er kleine dingen van maakte, zijn werk heeft getekend.’

Alphons Levens
Alphons Levens, actief lid van de Schrijversgroep ’77 en publicist, is niet blij met de opmerking van Johan Roozer tijdens de zesde Trefossa-lezing, dat er ‘weinig is gebeurd op literair gebied’ en stelt zich op achter het artikel ‘Van de redactie’: ‘Ik ben het volkomen eens met “Van de redactie. Srefidensi in de literatuur” in de Ware Tijd Literair. Ik zat namelijk op woensdagavond 15 januari 2014 (...) in het auditorium van Self Reliance en wist ook niet wat ik hoorde toen Johan Roozer dat zei.’ Waarvan akte...


maandag 27 januari 2014

Trefossa en taal

Trefossa
door Els Moor

‘Levenslust is ’t heenstappen over kleine dingen. Trefossa en taal’ Deze titel van de zesde Trefossa-lezing door Lila Gobardhan-Rambocus is intrigerend. Het leven van een mens is verweven met taal en dat geldt op  bijzondere  wijze voor schrijvers en vooral dichters. Voor hen is de taal behalve een middel tot communicatie, vooral  een middel tot verdieping van onze blik op het leven. Een aspect dat duidelijk tot uiting komt in de poëzie van Trefossa.

Ik verwachtte dan ook een lezing waarin Lila Gobardhan dit verschijsel met voorbeelden uit het werk van Trefossa zou toelichten en uitdiepen. Dat gebeurde niet: de hoofdlijn van de lezing was de biografie van Henri Frans de Ziel, waarbij zijn omgang met de taal slechts incidenteel aan de orde kwam. Ze besteedde aandacht aan de positie van het Nederlands dat steeds meer ‘eigen’wordt vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw, vooral na de taalconferentie in 1963-64, maar dat heeft niet zoveel met de poëzie van Trefossa te maken.

A.C.W. Staring
Overigens was Trefossa naast een Surinaamse dichter ook een echte Nederlander. Zijn favoriete dichters zijn dan ook Nederlanders, zoals A.C.W. Staring (1767-1840) in zijn tijd een moderne dichter met een krachtig vormgevoel, wat Trefossa ook heeft. Wat hij zelf doorleeft, wil hij uitdrukken in een adequate taalvorm.  Trefossa combineert wat hij bewondert in Hollandse dichters met eigenheid; hij geeft de ‘eigen taal’, het Sranan, een grote poëtische kracht. Zijn poëziebunde Trotji verscheen in 1957 en heeft een enorme stoot gegeven aan de opwaardering van het Sranan als literaire taal. Een belangrijk stap naar ‘eigenheid’ die in de zestiger jaren een doel is van een aantal schrijvers en dichters, bijvoorbeeld Dobru. Dit aspect komt wel aan de orde in de lezing.

Trefossa is ook de bewerker van het Surinaamse volkslied, vooral van het tweede couplet in het  Sranan waar hij ook meer durft dan in het stijve eerste couplet. ‘Werkend houden w’in gedachten’ is heel wat anders dan ‘Strey de f' strey, wi no sa frede’! Lila Gobardhan heeft het wel over de stijfheid van het Hollandse couplet van het volkslied, maar een voorbeeld komt niet aan de orde. 

Zo is het ook jammer dat de mooie analyse van het gedicht ‘Bro’ door Hein Eersel in het eerste nummer van het tijdschrift Mutyama (1990), een themanummer over Trefossa, na wan njoen kari niet aan de orde komt. Eersel geeft aan dat tussen droom en werkelijkheid de poëzie echt bloeit. Het gedicht ‘Bro’gaat over een stille kreek:


bro

no pori mi prakseri nojaso,
no kari mi foe loekoe no wan pe,
tide mi ati trusu mi foe go
te na wan tiri kriki, farawe.

no tak mi na lon mi wan lon gowe
foe di mi frede stré èn kré nomo,
ma kondre b’bari lontoe mi so te,
san mi moe doe? mi broedoe wani bro

na kriki-sé dren kondre mi sa si,
pe ala sani moro swit lek dja
èn  skreki- tori no sa trobi mi.

te m’drai kon baka sonten mi sa tron
wan pkinso moro betre libisma,
di sabi lafoe, sabi tja fonfon.

[uit Trotji, 1957]

...want tiri kriki, farawe... Foto © Lex Ensing


Hein Eersel laat in zijn artikel zien hoe Trefossa niet alleen het Sranan heeft opgewaardeerd als literaire taal ten opzichte van het Nederlands, een soort Surinaamse renaissance dus, maar ook dat er met het Sranan een grote literaire kwaliteit bereikt kan worden met veel diepte.  Hij laat ook de historische lading van een aantal woorden zien uit de geschiedenis van ‘katibo’; met woorden als ‘troesoe’, ‘lon go’, ‘frede’, ‘kré’, ‘trobi’ en vooral ‘fonfon’ brengt hij de lezer terug naar de beleving van de slavernij, en dat in combinatie met de ‘moderne slavernij’ van het dagelijks leven.Vandaar ook‘skreki tori’ in de derde strofe. Een gedicht dat de diepte ingaat, in het Sranan… maar wel een sonnet, een vorm die stamt uit de Europese renaissance.  Prachtige ‘moksi’ dus: een vorm uit de werelliteratuur en taal, beelden en ritme uit de eigen cultuur en geschiedenis!

Zulke analyses had ik verwacht in de lezing over Trefossa en taal. Helaas bestond de lezing bijna helemaal uit feitelijkheden uit het leven van de dichter, niet in een ‘drenkondre’. Wat is een gedicht volgens Trefossa? In zijn gedicht ‘wan troe poewema’ laat hij het zien: ’wan troe poema na wan skreki sani / wan troe poewema na wan stré te f’dede / wan troe poewema na wan tra kondre, / pe joe kan go / te joe psa dede fosi  […]
De besproken feiten zullen de meesten van de aanwezigen wel gekend hebben. Mijn collega’s en ik wel tenminste, terwijl je van creatieve analyses van Trefossa’s gedichten altijd weer leert, over het Sranan, over creativiteit met taal. Je stapt over ‘kleine dingen heen’en  ontdekt grote!

zaterdag 18 januari 2014

Trefossa is onsterfelijk voor ons

Lila Gobardhan-Rambocus. Foto Regilio Derby
Trefossa heeft ons Volkslied geschreven en heeft zich daardoor onsterfelijk gemaakt. Trefossa is een van de gezichtbepalende dichters van de 20ste eeuw, die ons een verfijnd oeuvre nagelaten heeft, zegt Sunil Oemrawsingh, penningmeester van Henri Frans de Ziel Stichting. Deze stichting had afgelopen woensdag een lezing georganiseerd in het auditorium van Self Reliance. De Trefossa- avond wordt jaarlijks op 15 januari, de geboortedag van Trefossa in samenwerking met Self Reliance gehouden. Deze avond werd in 2009 ingesteld als eerbetoon aan deze markante Surinamer en staat in het teken van waardering voor de Surinaamse literatuur waarvoor hij zich op bijzondere wijze heeft ingezet. De eer voor het houden van de zesde Trefossalezing was aan Dr. Lila Gobardhan – Rambocus en droeg als titel: Levenslust is ‘t heenstappen over kleine dingen. De conferencier van de avond was Oemrawsingh. Het doel van de lezing is hoogwaardige literaire kunstvorm te promoten.Hiervoor worden Surinaamse deskundigen uit de literaire wereld gevraagd de Surinaamse gemeenschap voor te houden dat je de taal kan gebruiken om esthetische (bijvoorbeeld muzikale) en evocatieve (bijvoorbeeld beeldende) effecten te bereiken die de eigenlijke betekenis verhevigen, ontkrachten, omlijsten, mede bepalen of in een onverwachte richting sturen. De voorgaande Trefossa- lezingen zijn gehouden door respectievelijk Hein Eersel en Eddy van der Hilst, Ronald Venetiaan, Denise Jannah en August Duttenhofer.

De Regering achtte het wenselijk eind jaren 50 een couplet in het Surinaams toe te voegen aan ons volkslied. Minister Dr.Ir.Frank Essed benaderde de dichter Trefossa met het verzoek een Surinaams couplet te dichten welke de eenheid van het Surinaamse volk en de verbondenheid met het grondgebied zou benadrukken. Geen betere tekst kan ik mij voorstellen dan die door Trefossa is neergelegd, stelt Oemrawsingh. Tot 1959 was ‘het (Nederlandse) Wilhelmus’ het officiële volkslied van Suriname. Aan de oostzijde van het Presidentieel Paleis – buiten het terrein – is het borstbeeld van Henri Frans de Ziel beter bekend als Trefossa onthuld tijdens een speciale ceremonie gehouden door de Henri Frans de Ziel Stichting op donderdag 12 januari 2013.

Op 21 november 2005, bijna dertig jaar na zijn dood in Nederland, kreeg de Surinaamse volksdichter alsnog een laatste rustplaats in zijn vaderland. Ter gelegenheid daarvan werd er een grafmonument voor Trefossa onthuld op de begrafenis aan Dr. Sophie Redmondstraat in Paramaribo. De urnen met de as van Trefossa en zijn vrouw Hulda Walser, werden op die dag bijgezet. De Henry Frans de Ziel stichting legt het accent op behoud van cultuur. Wij stimuleren jong opkomend schrijftalent om in de moedertaal Sranan te dichten, aldus Oemrawsingh. De voorzitter van de stichting is Johan Roozer. De stichting heeft een Raad van Toezicht waarin zitting hebben “Oom” Hein Eersel, notaris Carlo Jadnanansingh en mevr Dr.Cynthia Abrahams.


[uit Dagblad Suriname, 17-01-2014]