Posts tonen met het label reisverslag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reisverslag. Alle posts tonen

zondag 13 april 2014

Op de vleugels van de draak

China, het Nationaal Centrum voor de Uitvoerende Kunsten. Foto © Ray Wise

door Els Moor

De titel Op de vleugels van de draak van het nieuwe boek van de universele schrijfster van Vlaamse komaf Lieve Joris klinkt opwindend. Wie of wat is die draak? En wie vliegen mee op zijn vleugels? Al gauw wordt dat duidelijk. Het uit Europa overgekomen kapitalisme is de draak en op zijn vleugels vliegen China en Afrika een nieuwe toekomst binnen met veel onderlinge handel, welvaart en armoede, zakelijkheid, geweld en bedrog.

Lieve Joris is in 1953 in Vlaanderen geboren. Ze studeerde journalistiek in Nederland en werkte daar bij verschillende kranten. Reizen is haar grote onderwerp. In 1986 verscheen haar eerste boek, De golf. Daarna volgden er nog elf, allemaal over reizen in Afrika, Oost-Europa en de Arabische wereld. Op de vleugels van de draak uit 2013, waarin ook China een grote rol speelt is haar laatste. Het exemplaar uit 2014 dat wij hebben, is al de zesde druk! Dat zegt wel iets over het werk van deze vaak bekroonde schrijfster.

Het werk van Lieve Joris is voor Suriname uitermate interessant en vaak herkenbaar. In De hoogvlaktes uit 2008 bijvoorbeeld schrijft zij over het binnenland van Congo, waar de bewoners dagelijks grote afstanden lopen naar hun kostgronden, terug met veel hout en cassave op hun rug, omhoog en omlaag, door modder en moeilijk begaanbare bossen. Kent u het Surinaamse binnenland? Ook de invloed van het christelijke denken is er herkenbaar en de problemen om er het onderwijs draaiend te houden.
Lieve Joris

Lieve Joris schrijft journalistiek, maar haar werk heeft ook veel literaire kwaliteit. Ze heeft haar heel eigen manier van kijken naar situaties en mensen. Vaak is het voor haar anders wat ze ziet en beleeft, maar nergens heeft ze de afstand van een buitenlandse - vaak Europese - auteur die een ‘ontwikkelingsland’ bezoekt en alles zo goed weet en met arrogantie bekijkt.

In Op de vleugels van de draak vertelt Lieve Joris wat er gebeurt als volken die geen koloniale ervaringen samen hebben gehad (zoals bijvoorbeeld Suriname en Nederland wel) met elkaar aan de slag gaan, vooral op commercieel gebied. Na jarenlang door veel Afrikaanse landen gereisd te hebben, komt Lieve Joris aan het begin van dit boek in Dubai, op de grens van een Arabische republiek, richting China. In Dubai zijn veel Afrikanen die koopwaren uit China komen halen, om daar in hun eigen land winst mee te maken. Die waren worden in grote containers naar de verschillende landen gestuurd. Ook met die containers gebeurt veel, vooral als de Afrikaan de vracht eigenlijk niet kan betalen. Van daar gaat de schrijfster naar verschillende steden in China, waar ook veel Afrikanen wonen of komen handelen. Er zijn er nogal wat die gestudeerd hebben aan Chinese universiteiten en er daarna gebleven zijn om hun studievak uit te oefenen en daarnaast... handel te drijven. Er zijn ook veel Afrikanen tijdelijk in China, puur om producten te kopen voor de handel in hun land. Chinese waren zijn goedkoop! Afrikanen worden niet altijd menselijk behandeld in China, vooral als het om geld draait. Ook speelt racisme vaak een rol.

Etienne, een Afrikaanse kennis van Lieve Joris in China, zegt erover: ‘De Chinezen die ons zwarte duivels noemen, zijn onwetend. Ze gaan ervan uit dat alle Afrikanen in de brousse wonen. Over onze steden weten ze niets, ze hebben alleen films over de slavernij gezien. Sommige Chinezen vinden dat Afrikanen stinken, terwijl ze zichzelf in de winter maandenlang niet wassen. Dan ruikt het in de bus als in een schapenhok!’(pp. 59-60)

Veel steden van het kapitalistische China zijn modern, met veel dure huizen en zaken, druk verkeer, heel luxe wagens, en alle soorten restaurants met eten van verschillende streken in de wereld, uiteraard ook Afrikaans. Zo’n consumptiemaatschappij in steden, zo stellen wij ons het ‘communistische China’ niet voor, maar na Mao Zedong zijn er veel veranderingen gekomen, hoewel ook veel armoede op het platteland is blijven bestaan. Op een socialistische wijze met je geld omgaan, dat is er meestal niet bij! En de Afrikanen die goedkope goederen naar hun land willen sturen, ondervinden maar al te vaak veel dyugudyugu.

Lieve Joris legt makkelijk contact met mensen, overal waar ze komt. Ze wordt dan ook vaak thuis of in een restaurant uitgenodigd door degenen met wie ze kennis heeft gemaakt. Contacten zijn open en gemakkelijk en daardoor komt ze veel en op een eigen wijze, te weten van het land waar ze verblijft. Over het China van deze tijd waarover vanuit Europa maar mondjesmaat informatie komt. Het land blijft nog dat oude beeld houden van een communistische dictatuur. De meeste verhalen uit China komen uit de steden Guangzhou, Beijing, Shanghai en Jinhua. Wij lezers krijgen een goed beeld van hoe men in een andere samenleving zaken doet en wat de psychologische gevolgen zijn van ontmoetingen met andere culturen, zoals tussen China en Afrikaanse landen. Heel bijzonder aan dit boek is dat het nu eens niet gaat over de westerse wereld en hun relatie met de zogenaamde ‘derde wereld’, ‘ontwikkelingslanden’, maar dat het draait om ontmoetingen tussen Afrikanen en Aziaten. De westerse wereld blijft totaal op de achtergrond!


Tot slot een citaat: Lieve Joris reist in China per trein met studenten en docenten naar een conferentie. Li Baoping, die ook in Afrika geweest is en daar nare dingen meegemaakt heeft met een controleur in de trein, praat erover met Lieve Joris: ‘Wij hadden in China een filosoof die Confucius heette’, vervolgde Baoping tegen de controleur, hij zei: ‘Iedereen houdt van geld, maar laten we het op een eerlijke manier verdienen.’ Al die tijd zat zijn paspoort in het borstzakje van de controleur. Nu gaf die het hem terug en zei: ‘Scheer je weg.’ Baoping heeft zitten vertellen met een mengeling van plezier en afgrijzen. Nu lacht hij bevrijd. Confucius in een trein in Kameroen, denk ik, dat is eens wat anders dan de blijde boodschap van Christus of de leer van Mohammed. (p.146)

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak. Reizen tussen Afrika en China. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Augustus, 2013. Zesde druk 2014. ISBN 978-90-450-24 2461-5


zaterdag 12 april 2014

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoelt vind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. Ze gebruikt verschillende stijlen en daarom is het voor mij een reisverslag. Door haar manier van verslag doen, goed gedocumenteerd, krachtig van observatie, en opgesmukt met een veelheid aan ontluisterende details weet Ellen Ombre de lezer veel duidelijk te maken omtrent haarzelf. Ze voert de lezer mee naar een zeereis op een vrachtschip met alleen maar mannen. Als sterke en zelfbewuste vrouw bereikt ze haar bestemming: Benin.
Ombre kent het gebied van een vorige keer. Ze verbleef er enkele maanden tijdens haar bezoek aan een bevriende Nederlandse arts die zich daar tijdelijk samen met haar man had gevestigd. Ombre veegt de vloer aan met tal van even goedbedoelde als mislukte ontwikkelingsprojecten, analyseert de moeizame verhoudingen tussen Afrikanen en westerse hulpverleners, toont de treurigheid van zwarte Amerikanen op zoek naar hun Afrikaanse roots en beschrijft - mede aan de hand van herinneringen aan haar jeugd in Suriname - een deel van haar eigen (familie)geschiedenis.

Voodoo-danser in trance in Quidah, Benin. Foto © Kwekudee


In totaal was Ombre drie maanden weg. Eerst tien dagen op zee. De reis per schip ervoer ze als heel prettig. Ze kon zich langzaam voorbereiden op waar ze heen ging. Bovendien werd ze verzorgd; de maaltijden kreeg ze op tijd en dat voortdurende heen en weer wiegen was voor haar heel behaaglijk. ‘Het is alsof je niet gek bent en toch bent opgenomen in een rusthuis. Ik was de enige passagier op een groot vrachtschip. Daardoor kon ik redelijk anoniem blijven, want de andere mensen aan boord moesten gewoon hun werk doen en dat geeft een enorme afstand, die ik overigens zeer waardeer. Als passagier kun je bijvoorbeeld samen met de officieren eten, maar ik wilde dat niet. Ik vind gezamenlijk eten nogal intiem, het ligt heel dicht bij andere vormen van intimiteit en dat wilde ik vermijden. Die boot bleek volgeladen met allerlei rotzooi. Oude auto's, oude computers tot en met koelkasten die vol zaten met cfk’s. Ik had weleens horen mompelen dat Afrika de chemische dumpplaats van Europa was, maar ik had niet verwacht daar zo direct mee geconfronteerd te worden. Dat ik in Benin en dus aan de Slavenkust terechtkwam, was echt toeval. Als die kennis van mij die ik jaren geleden heb opgezocht niet naar Benin maar naar Kenya was uitgezonden, was ik waarschijnlijk daarheen gegaan’, vertelt Ombre aan verslaggever Marja Vuijsje in april 1996. (http://www.opzij.nl)

Voodoo-markt Abomey, Benin. Foto © Kwekudee

Wat Ombre in eerste instantie bezighield was ontwikkelingssamenwerking. Ze was geboeid door het feit dat er al zolang Nederlandse hulpverleners naar Benin gingen. In een voorlichtingsboekje las zij dat er een directe relatie was tussen die ontwikkelingshulp en het feit dat Benin na de treinkapingen in de jaren zeventig een aantal Molukse nationalisten had opgenomen. Dus wilde zij onderzoeken wat er van die hulp terechtkwam. Maar deze interesse kwam ook vanwege Suriname natuurlijk. Hier maakte ze zelf mee hoe een land van het ene vijfjarenplan naar het volgende tienjarenplan voortsukkelde. Haar bezoek aan Quidah was dus niet zozeer bedoeld de plek te zien waar vandaan misschien ook een aantal van haar voorouders naar Suriname werd gebracht.

Reisverslagen zijn sinds de koloniale expedities en ontdekkingsreizen in de zestiende eeuw onlosmakelijk verbonden met een autobiografische ik-verteller die zich op onbekend terrein begeeft. Deze ik-verteller en hoofdpersoon is heldhaftig en avontuurlijk en de hoofdpersoon krijgt als het ware ‘mannelijke’ eigenschappen. De onbekende oorden waarheen gereisd wordt, worden vaak beschreven als van verlangen in klassiek vrouwelijke termen zoals schoonheid. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben feministische literatuurwetenschappers in Amerika en in Engeland een groot aantal reisteksten met vrouwelijke ik-verteller/reiziger belicht. Vergeten negentiende-eeuwse reisteksten van vrouwen werden herontdekt en uitgegeven. Voor Suriname is bijvoorbeeld belangrijk het reisverslag van Elisabeth van der Woude (1657-1698). In haar Memorije van ’t geen bij mijn tijt is voorgevallen beschreef Elisabeth van der Woude haar reis naar Guyana, de Wilde Kust, in 1676 en 1677. Als 19-jarige verliet zij het vaderland om samen met haar vader, broer, zus en honderden anderen een kolonie te stichten aan de rivier de Oyapoc in het huidige Frans-Guyana. Een expeditie die al snel op een mislukking uitliep. Een half jaar na aankomst keerde Elisabeth alweer terug in haar geboortedorp Nieuwe Niedorp. Haar vader en zus waren overleden, haar broer was achtergebleven in de West. Zelf werd Elisabeth op haar thuisreis enige tijd gevangen gehouden door de beruchte Duinkerkse kaperkapitein Jean Bart. Het opmerkelijke en intrigerende verslag is onderdeel van een kroniek die zeventig jaar beslaat. In een boekje in zakformaat beschreef Elisabeth van der Woude familieaangelegenheden, plaatselijk nieuws, maar ook (inter)nationale gebeurtenissen.

Kim Isolde Muller studeerde af op de Memorije van Elisabeth van der Woude. Haar speurtocht naar de historische context leverde interessante informatie op. Niet alleen Elisabeth en haar familie kregen zo meer gestalte, ook over de reis naar Guyana werd bijzonder materiaal gevonden wat voor Surinaamse literatuurwetenschappers en historici heel belangrijk kan zijn. (http://www.dbnl.org)
Gravure uit Posts Reinhart

Een ander voorbeeld van een bijzonder reisverslag is van Maria Elisabeth Post (1755-1812). Zij schreef onder andere De negerslaaf als goede wilde en Reinhart, of natuur en godsdienst.
Reinhart of natuur en godsdienst (Amsterdam, 1791-92), een roman, is gedeeltelijk een bestrijding van de slavernij, gedeeltelijk echter ook een verdediging van de goede slavenmeester. In het levensverhaal van Violet, de eerste slaaf van haar held Reinhart, treffen wij het klassieke beeld van de goede wilde aan. De roman Reinhart werd geschreven naar aanleiding van het verblijf van haar broer H.H. Post in Guiana. Hij bezat waarschijnlijk een plantage in Demerara. (Zie H.D. Benjamins, ‘Oude verdichte verhalen over Guiana’, in de ‘West-Indische Gids’, jrg. VII (1925/26), pp. 17-30, [en zie potverdrie vooral het proefschrift van Bert Paasman – red. CU].) Reinhart beschrijft met afschuw de slavenhandel en slavernij op de plantage, tijdens een reis in het binnenland geeft hij nauwgezet het leven van de Indianen weer, enigszins geïdealiseerd in de geest van de goede-wilde-traditie. Opvallend is het hoe de woeste, tropische natuur en het landschap, met flora en fauna, tot leven gewekt wordt. Vanuit haar stad Arnhem vertoefde de auteur in haar verbeelding in het moerassige Wildekustgebied, de savannen en de door de rivieren doorsneden oerwouden - haar geheel onbekend.

De verhalen van ontdekkingsreizigers en missionarissen wekten grote beroering onder de Europese geleerden. Daarin werd verhaald van onbeschaafde, heidense wilden, die een veel gelukkiger leven leidden dan de beschaafde, christelijke Europeaan. Men trok in de 18de eeuw de voor de hand liggende conclusie: de beschaving is de bron van alle kwaad, retournons à la nature. Dit bracht grote veranderingen in leven en streven van het 18de-eeuwse Europa. Ook in de literatuur: de belangstelling der schrijvers werd gericht op de primitieve mens in het tropische decor. Eerst vooral op de Indianen. Langzamerhand was het onvermijdelijk, dat ook de neger en dus de negerslaaf deel kreeg aan de Europese mythe van de goede wilde. Een vroeg voorbeeld is de bekende 17de-eeuwse roman van Aphra Behn: Oroonoko, or The royal slave, waarin de held een Surinaamse slaaf is. Het spreekt vanzelf dat men moeilijk in de slavernij kan blijven geloven, wanneer de slaaf als goede wilde (als voorbeeld voor de verdorven Europeaan) beschouwd wordt. Dit verhaal vormt dan ook tevens een kroniek van de vroegste geschriften tegen de slavernij.

zaterdag 29 maart 2014

Brieven aan Poseidon

Cees Nooteboom
 [Cees Nooteboom (1933) is een Nederlandse schrijver, wiens werk vaak vertaald is. Hij kreeg vele prijzen, onder andere de P.C. Hooft-prijs (2004) en de prijs der Nederlandse Letteren (2009). Zijn meest recente werk is ‘Brieven aan Poseidon’ (2012), een bundel met brieven aan de klassieke zeegod, afgewisseld met kleine essays. Nooteboom heeft het in de brieven aan de god met de drietand over het leven, over zijn kijk op goden en God en hij geeft zijn persoonlijke visie op mythen. Ook schrijft hij over reizen. Nooteboom heeft veel gereisd en daar ook over geschreven. Ook over Suriname in De koning van Suriname (1993). Hieronder een reisbelevenis in Latijns-Amerika, een tocht over een rivier in het tropisch regenwoud in Peru. Hij bezoekt een eiland, Santa Rosa, leest u maar: het binnenland van Suriname heeft veel gemeen met dat van andere Zuid-Amerikaanse landen.]:

Leticia, Peru. Foto © Matteo C.


Rivier

Leticia. Een helling van modder daalt af naar de rivier. Mensen, varkens, honden, alles krioelt door elkaar. Beneden aan de oever de smalle boten met roeiers die je naar de overkant brengen, naar het kleine eiland dat Fantasia heet. Achter me de markt, de vruchten, de vissen. Iemand helpt me de gladde helling af naar de vlonder waar motorboten aanleggen. De anderen zijn er al. Drie Colombianen uit Cali, twee Nederlanders. Twee mannen die ons zullen varen, honderd kilometer stroomopwaarts. Een zit buiten op de voorplecht, ik zit naast de ander, die stuurt. Zodra we de haven uit zijn lijkt het of de rivier opengaat, een vergezicht van metalig schitterend water tussen lage oevers die steeds verder weg komen te liggen.
De kleine boot snijdt het water open, het snerpende geluid klopt niet met de onmetelijke stilte die midden op het wijde water moet heersen. We stoppen bij het natuurpark van Amacayacu, een pad, uitgezet in het regenwoud, vlonders waar het te drassig is, de orgiastische gloed van duizend kleuren groen, bladeren uit verkeerde dromen, messen, gekarteld en geslepen, een vijver met rottende waterplanten onder een lucht die steeds donkerder wordt, uit de verte gegrom van groot onweer. Een aap met een geschminkt gezicht gaat naast me zitten en kijkt me aan of hij een gesprek over godsbewijzen wil beginnen, maar dan komt de regen die niet valt, maar staat, een grijs, nauwelijks doorzichtig scherm van water, als het ophoudt begint de grond te dampen alsof de modder gekookt wordt, het licht wordt nu van zink en van ijzer, als we weer gaan varen doet het pijn aan de ogen. We zullen roze dolfijnen zien die met ons meedansen en wolken die voortdurend van gedaante veranderen, duizenden kilometers lang is de rivier, ik zou willen doorvaren naar Iquitos, naar de Andes, het geluid van de motor is bedwelmend, we komen haast niemand tegen, af en toe een van die lage boten met de smalle gestaltes van indianen, urenlang dezelfde oevers, groen, groen, met de raadsels van het leven dat zich daar afspeelt in een wereld van nergens wegen en auto’s, tot we na uren omdraaien en met de stroom mee terugvaren naar het eiland van Santa Rosa, Peru. De grond is van slijk, bomen met in elkaar gegroeide bovengrondse wortels, verderop een kale boom vol gieren, houten huizen op palen, een groep vrouwen in een halve cirkel. Het zijn er een stuk of tien, en elke vrouw heeft een dier in haar armen. Een luiaard, een papegaai, een alligator, een jonge krokodil, een waterschildpad, een leguaan, een reuzenkikker. Het is duidelijk afgesproken, wat die vrouwen daar doen is werken, later zal de bestuurder van de boot ons een bijdrage vragen. Opzij van de vrouwen zit de enige man. Hij heeft een klein soort jaguar aan een touw die begint te blazen zodra ik dichterbij kom. Ons kleine gezelschap staat tegenover de vrouwen en kijkt naar de dieren, een absurdistische scène, de koningin op werkbezoek. De vrouwen zijn van verschillende leeftijden, ze dragen T-shirts en korte broeken. Wat ze denken is op hun gezichten niet zichtbaar. Op de onze ook niet, denk ik, een krokodil streel je niet, de luiaard lijkt in een diepe slaap, de schildpad is tweehonderd jaar oud en weet alles al. Ik loop van de groep weg over een zanderig veld waar een houten gebouw staat in roze en lichtgroen, Asamblea Tradicional de Dios, Iglesia Evangélica. De goden zijn nooit ver weg. Ik ga over het wankele trapje naar binnen en sta in een grote lege ruimte. Voorin een soort altaar met een lezenaar voor het Woord, erachter vijf helgroene plastic stoelen, ervoor zes smalle houten banken zonder leuningen. Licht valt door sponningen en kieren in de houten muren. Het is er vredig, en stil. Waar veel gebeden wordt heerst het goddelijke, heeft de filosoof gezegd die zelf niet in God geloofde. Ik sta daar even in de stilte, en hoor dan hoe de motor van de boot aanslaat. Als we wegvaren zie ik de groep nog staan die snel onzichtbaarder wordt en dan verdwijnt in het verre groen van de oever alsof er een tekening wordt uitgeveegd, een dorp op een eiland in de rivier aan de grens tussen Peru, Colombia en Brazilië, op oneindige afstand van de hoofdstad Lima, waar niemand weet hoe het heet.


In: Cees Nooteboom: Brieven aan Poseidon. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012. ISBN 978 90 234 7432 6


Cees Nooteboom - Aan de overkant ligt Frankrijk

[In 1957, als 24-jarige, bezocht Cees Nooteboom Suriname. De reden: hij was verliefd op de in Nederland wonende dochter van een broer van Lou Lichtveld (Albert Helman). De vader wilde de geliefde van zijn dochter zien en spreken voordat hij toestemming gaf voor een huwelijk. De verhalen die hij over de reis schreef verschenen pas in 1993 in de bundel De koning van Suriname. Hieronder een fragment uit ‘Aan de overkant ligt Frankrijk’, waarin de jonge Nooteboom kennis maakt met het ‘oerwoud’.]:

[...] Onbewogen door de ingeslapen kanonnendreiging van het fort Nieuw-Amsterdam schuiven we de Commewijne op. Mijn Chinese medepassagier zet zich resoluut tot slapen, maar ik blijf op avontuur belust aan de reling hangen. Het is tenslotte niet het Zuid-Meppelerkanaal en ik ben vastbesloten om tenminste die ene krokodil te zien die nooit zou komen.
Al snel zie je geen plantages meer, alleen nog maar een muur, een wereld van afwerend scherp en roerloos groen bos. Alles lijkt te slapen nu, de enkele aka die loom met zwarte vleugelslag overvliegt, maakt geen enkel geluid, de middag zoemt van de hitte en trilt over het water, bruin van de modder, zwart van humus. Er gebeurt niets. De mangroven staan op hun dunne wortelbenen tot hun knieën in het water, hand in hand, als agenten die de menigte van het bos moeten tegenhouden bij het bezoek van het staatshoofd. Af en toe zie ik een wilde cacaoboom naar voren dringen of denk ik dat ik iets van beweging op de oever zie, maar juist op dat moment dwingt de stroming ons naar de andere kant van de rivier, zo dicht dat ik het bos bijna aan kan raken.
Alle jeugddromen zijn waar geworden. Dit is dus het oerwoud. De lichtbeelden, de pater met de baard die op kostschool kwam vertellen welke rivier hij ontdekt had, de avonturenromans. Bomen, dat is wat het is, steeds dezelfde bomen, langs steeds dezelfde rivier en een uitgeholde kano met bosnegers in lendendoeken die boos schreeuwen dat we vaart moeten minderen: de golven zijn te hoog. Zij zijn de voorboden van het eerste dorp. Daken van stro, had je anders verwacht? Blote, zwarte mensen, die naar het bootje zwaaien... Het is echt, het bestaat, ik heb het gecontroleerd. Een klein dakje beschermt de god, een lelijk klein kereltje dat tevreden is met deze lokale verering, en ’s avonds bij zichzelf denkt ‘tenslotte is het niet alleen het dorp, het is ook het bos tot het volgende dorp, al woont er niemand - territoriaal ben ik nog vrij machtig’.
Ik kijk naar de mensen die naar ons kijken, maar plotseling verschijnt heel stil en geheimzinnig een van de aluminiumschepen van de Alcoa in de bocht van de rivier. Deze schepen die het bauxiet regelrecht van Moengo naar de fabrieken in Amerika brengen, meten vele duizenden tonnen, en het is alleen door de uitzonderlijke diepte van deze rivier dat ze zover landinwaarts kunnen varen. Het is spookachtig, deze zilveren sluiper die hier niet hoort - de kano’s gaan hem ver uit de weg.

Moengo - Villa Casa Blanca. ca. 1958


Rode stoffige wolken: Moengo, aluminiumstad. Nog aarzel ik of ik hier zal blijven, of doorgaan naar Albina - maar een voorwereldlijke autobus op de kade neemt mijn lot in handen. Hij is geel en lijkt wel van steen en heet ‘Marowijne Master’. Ik krijg een plaats naast de chauffeur en een waanzinrit begint. De bus zit vol met Indianen en negers. De Indianen, kinderen van het land, hebben scherpe, ascetische gezichten die doen denken aan vroegchristelijke monniken. Vlak bij mij zit een stamvader met een Baskische baret op zijn hoofd, kennelijk geërfd van de Franse kant. Hij heeft al zijn verste nageslacht op de knieën. Zij zeggen geen woord, de hele reis, in tegenstelling tot de negers, die een onmogelijk plezier hebben om allerlei grappen die zij alleen begrijpen. Telkens breekt een hoog en gierend gelach los, gescandeerd door het meedogenloze, stenen schokken van de bus. De avond valt, een lichte nevel.
De weg is rood en smal en vol gaten, het bos sluit ons nauwer in, geholpen door het donker. Nu begint ook het dalen en klimmen, en bij het laatste houdt iedereen de adem in. Als de chauffeur terugschakelt naar de eerste versnelling, heb ik het gevoel dat we midden op de steile helling stilstaan. Een moment lang is er geen enkel geluid, dan begint de motor weer te hoesten en de bus kruipt met zijn laatste krachten naar boven. [...]

(31 augustus 1957)

Moengo - Villa Casa Blanca. Foto © M. Tjin



zondag 3 november 2013

‘donjuan’ in Suriname

Afbeelding van plantage Cornelis Vriendschap

door Joop Vernooij

In het Nationaal Archief in Den Haag-Nederland is enige tijd geleden het verslag van Pieter Groen van zijn reis naar de West-Indies, inclusief Suriname en Paramaribo, gevonden. Zijn tekst van 2.300 woorden is niet lang, maar wel interessant, niet zozeer om welke landen hij aandeed, maar om wat er in die tijd te beleven was. We lezen over leefwijze en cultuur van die tijd in onze regio, met name over het plantageleven. Het verhaal is interessant omdat het van een jongeman van negentien jaar is.
Rumproduictie in de West Indies

Jacco Hogeweg van het Nationaal Archief heeft de uitgave verzorgd, maar ook zijn eigen uitgebreid verhaal ter verduidelijking toegevoegd. Zijn verhaal geeft een prima inleiding en aan het eind behandelt hij ook het verdere verloop van het leven van Pieter Groen, een koopmanszoon uit Amsterdam. De schriften van Pieter Groen hebben eigenlijk als titel Journaal van een reis naar de West-Indien, van 1792 tot 1794, genummerd 1, 2 et cetera, tot 7. Jacco Hogeweg heeft het geheel de titel Een donjuan in de West gegeven, daarmee Pieter Groen tekenend naar aanleiding van zijn relationele leven ten aanzien van vrouwen.

Pieter Groen ging jong op reis. Hij moest aanleren hoe zaken te doen in die koloniale tijd. Juist aan het begin van zijn reis overleed zijn vader. De familie bleek genoeg geld te hebben om Pieter te veld te sturen en hij keek dan ook als een beginnende zakenman. Hij was niet van alles op de hoogte maar vond in de West-Indies toch wel het een en ander. Hij had genoeg geld bij zich om twee jaar onderweg te zijn. Het eerste deeltje heeft als titel Journaal van een reis naar West-Indië en het tweede Journaal van een reis door West-Indië. Het derde deeltje heet Journaal door het Hollandse West-Indië. Daar komt Paramaribo aan bod, evenals de plantage Courtvligt, plantage Halle en Saxen (in 1863 met 98 slaven, eigenaar Wilhelm Rühmann), plantage Cuylenborg (in 1863 9 slaven, eigenaar W. Rühmann), en dan gaat hij naar Guyana. Hij vervolgt met het 4de Journaal over de kolonies en rivieren Essequibo en Pommeroon, de Arabisker Kust en Orinoco en de levenswijze van de indianen. Groen is geen rasechte antropoloog of socioloog en schrijft voor zich uit met de nodige vooroordelen zoals toen gebruikelijk. En het is ook helemaal niet zijn bedoeling volledig te zijn. Niettemin is hij een van de eersten die iets over de oorspronkelijke bevolking meldt, zoals over hun ‘huizen’ (kampen), over hun wijze van planten en oogsten, over hun huwelijk en visvangst. Het 5de deel heeft de titel Journaal van een reis van Demerara naar Berbice en mijn verblijf in de kolonie. Deze kolonies waren Nederlands, evenals Essequibo en Pommeroon, maar vormden later in 1830 het grootste deel van het huidige Guyana. Het 6de deel bericht ons over de terugreis, Journaal van een reis naar Rotterdam met het schip The Non Pareil van kapitein Edward Barker. Ik denk dat menigeen, zoals ikzelf, vanuit Suriname de Atlantische reis heeft gemaakt. Toen was het vooral bij gelegenheid van het West-Indisch verlof en tegenwoordig heet het de Caribbean Cruise.
De belegering van Constantinopel

Voor Jacco Hogeweg is het 7de deeltje het basisboek door de eigenaardige titel. Het heet Een apart journaal over Engels en Hollands West-Indië, 1792-1794. Opmerkingen te vinden in het samengevatte journaal van mijn reizen in Europa en door de West. Hierin gaat Groen min of meer uitgebreid in op zijn amoureuze activiteiten met vrouwen in de West, wel of geen slavin, wel of niet wit. Hij is openhartig en wil als jongeman wat opscheppen over zijn relaties, kort of lang, vrij of met dwang en als het allemaal lukt, gebruikt hij de uitdrukking ‘Constantinopol werd belegerd’. Hoe hij daarop komt, is een raadsel. Verbazend dat hij in die tijd erover praat en het aan vrienden en familie bekendmaakt. In het algemeen is het een geseculariseerd verhaal. God wordt niet overal bij gehaald. Groen, die katholiek schijnt te zijn, heeft het niet over kerken, predikanten en priesters en is wat geloof betreft, uiterst sober. Misschien een relict van de Verlichting en de Franse Revolutie. Pieter Groen had eerst in het klad over zijn belevenissen geschreven en heeft in 1794 alles in het net uitgewerkt.

Zoals gezegd was het niet de bedoeling een verhandeling over slavernij, plantage-economie of Europese expansie te schrijven. Het is een reisjournaal, inbegrepen de windrichting (en windstilte), de graden en minuten van de scheepvaart. Dus historisch of literair niet zo interessant.
Maar toch: het is een tijdsbeeld en een logistieke verkenning. Dit boek is wel interessant vanwege de illustraties. Hogeweg heeft kaarten en plattegronden gevonden, die min of meer origineel zijn en ons verder brengen wat de West-Indies betreft. De kaart van pagina 6-7 geeft een aantal plantagenamen van Essequibo-Demerara, van Berbice en van Suriname. Zeer verhelderend. De uitgave bevat ook een lijstje woorden van het Berbice-Nederlands die Groen heeft opgetekend en wellicht heeft gebruikt (pp. 128-129).

Hogeweg geeft ook het verdere verhaal van Pieter Groen, die in 1830 in Beverwijk is overleden. Hij voegt er een stamboom van Groen aan toe. Met een literatuurlijst en een effectieve index. Er zijn wel moeilijke of vreemde woorden zoals bezaar, bramstagen en bramra’s.

Deze publicatie is informatief vanwege de in- en uitleiding van Jacco Hogeweg en geeft een beeld van een zwierbol, een pierewaaier of op z’n Sranan, een boroman.

Jacco Hogeweg: Een donjuan in de West. Het reisverslag (1792-1794) van koopmanszoon Pieter Groen, 175 pp. met illustraties. Uitgeverij Balans, 2013


zaterdag 21 september 2013

Nine eleven

Atjonie

door Carry-Ann Tjong-Ayong

11/9 is voor ons geen doomsday.
Wij rijden naar Atjonie over de nu glad geasfalteerde weg met nog herinneringen aan 14 jaar geleden, toen wij hobbelend en buitelend in een tot bus omgebouwde oude vrachtauto van de bloemenveiling Aalsmeer zaten, met een groep medereizigers, de enorme bagage opgestapeld in een hoek, manden, reistassen, vormeloze bundels, zakken, en andere “lay”. Onze voeten steunden op een palet om de gaten in de vloer te maskeren, maar dat verhinderde niet, dat het rode stof en als het had geregend, de rode modder zich een weg baande naar onze kleren.

Nu glijden wij over de weg en zijn een paar uur later aan de oever van de Surinamerivier met de rijen korjalen en de gezellige drukte van gaande en komende reizigers. Veel Marrons, kleurig gekleed, vooral de vrouwen, die steeds moderner en sexier worden. Jongens met veelkleurige haren verplaatsen winkelwaren op hun steekwagentjes. Hier en daar een “bakra”-stel met rugzak, zoekend naar verder vervoer.

“Mami yu doro!” Drie mannen komen verheugd op mij af en schudden mij de hand, omhelzen Wim. De boot ligt al tegen de oever op een gunstige plek, waar zij mij straks, over een andere korjaal, met rolstoel en al zullen tillen.
Eerst nog een biertje drinken met Wim, de bagage in de boot zetten, water kopen, benzine halen. De vaste rituelen voor het vertrek. “Mami un dé”.
We kunnen vertrekken.

De euforie van het opspattend water, het zoemen van de buitenboordmotor,
De eeuwig groene woudwanden, die mijn verborgen religieuze gevoelens naar boven halen. Meneer Gullith kon zo mooi vertellen op de Stähelinschool.



Tegen 16.00 uur zijn we bij Masiakriki en leggen aan bij de trap van Masia Paati, het eiland aan de overkant. Hier zullen we logeren in de primitieve traditionele hut met pina dak, kunstig gevlochten en heerlijk koel bij de naderende oktoberhitte.  De aarden vloer is bestand tegen kalebassen water en de lage deur kan ‘s nachts open blijven, zodat je vanuit je hangmat op de maanverlichte rivier kan kijken. We gebruiken geen klamboe, want hier zijn geen muskieten. Het balkonnetje aan de waterkant, waar ik graag zit te schrijven, wordt helaas langzaam verorberd door houtluis en moet binnenkort vervangen worden.

Het is bijna volle maan, munkenki, en voor de hut kun je ’s avonds heerlijk in het maanlicht zitten praten met een  drankje. Geen smog, geen stadslawaai, maar gesjirp van krekels, gekwaak van padden, ver gebrul van babun, en af en toe een vrouwenstem van oever tot oever. Het is hier heerlijk slapen.

Toch heeft mijn bezoek dit keer een wrange smaak. Het overlijden en de rituelen rond de begrafenis en puru blaka van kabiten Allifons zijn aan mij voorbij gegaan. Ik was net in die maanden tussen december en juli niet in Suriname en daarna was het Carifesta en de bigiyari van mijn zuster. We maken nog net de puru blaka van de eerste vrouw van Allifons mee. Zij is zes weken in eenzame opsluiting in haar hut gebleven om te rouwen met als menselijk contact alleen iemand die haar de maaltijden brengt. Nu wordt zij naar Pikin Slee gebracht waar zij in in het geheim een kruidenbad krijgt, waarna zij weer aan het gewone leven mag deelnemen.

Wij mogen haar bezoeken.  Ik schrik als ik de eens zo trotse, statige vrouw, oud, grijs en kromgebogen, bijna op handen en voeten haar hut uit zie komen. Dat doet verdriet en eenzaamheid met je, denk ik geëmotioneerd. Tradities en rituelen hebben hier de tijd overleefd.

En weer laat ik mij door het hele dorp voeren, om al mijn vrienden en bekenden te groeten, een praatje te maken, handen te schudden met de mensen, die na veertien jaar als familie zijn geworden. De jongste zoon van Allifons kijkt mij treurig aan. “Aduú ...” omhelzen wij elkaar op zijn Saramakkaans.

cat, 18/9  2013


donderdag 4 juli 2013

De Zeven Spirituele Wetten (4 en slot)

door May Peters
Foto © Kerry Washington

Wet van Intensie en Verlangen
Dit is het punt dat ik omkeer en terugga. Althans dat probeer ik, maar iets blokkeert mijn achterwiel… He…? Ik kijk en zie dat de rand van de velg een beetje opbolt. Een centimeter. En die blokkeert bij de rem. Hoe kan dat nou? Ik druk er tegen. Totaal geen beweging. Kaken op elkaar en nog een keer… Ben je gek. Ik ben niet sterk genoeg. Het zweet gutst van mijn voorhoofd. Een steen! Ik moet een steen hebben om die velg terug te duwen! Hoezo de Wet van de Minste Weerstand? Het wiel kan al helemaal niet meer ronddraaien. En nu? Nu sta je hier mooi met je Zeven Wetten!
De Wet van Intensie en Verlangen. Ik druk er nog een keer tegen, tot mijn duim wel heel bleek wordt. En dan in ene: een knal! ‘Paaaaaaaaaf’ schreeuwt mijn spiksplinternieuwe achterband. En een heel stuk van de rand van de velg schiet…LOS. Dankzij mijn grenzeloze nieuwsgierigheid bij de fietsenmaker, of is het controledrift? weet ik dat je die achterrem eraf kunt halen, zodat het wiel in ieder geval ronddraait. De Wet van Oorzaak en Gevolg, dit is het gevolg, maar wat is de oorzaak? Hoe kán dit?

El Yunque, Puerto Rico. Foto © PR Pics.


Mediteren
Ik zie het silhouet van El Yunque, het enige tropische regenwoud van de VS, rechts aan de horizon. Zo ver ben ik dus van huis! Vanaf dit punt is de terugreis normaal een uur en twintig minuten fietsen. Hoever is dat lopen? Drie uur? Ik begeef me op weg. En ga gewoon weer mediteren. Het regent niet! Een kwartier later stopt een auto, helemaal volgepakt.’Qué pasa?' vraagt een man van mijn leeftijd vriendelijk. ‘Kom net van de fietsenmaker vandaan. Ontploft mijn band hier op die brug!’ ‘Waar moet je naartoe?’ ‘Ja, naar Ocean Park.’ ‘E-arayo…. (dat is Puerto Ricaans voor ‘sodemieters’). Maar, hier komt elk uur bus 53 langs.’ ‘Ja, die stopt bij mij om de hoek op het strand,’ zeg ik. ‘Heb je geld?’ ‘Ik fiets altijd zonder geld, dan valt er ook niks te overvallen.’ ‘Oh, je kunt vast wel iets met die chauffeur regelen. Dat moet je echt doen.’ Hij grijpt naar achteren en haalt een ijskoud flesje water te voorschijn: ‘Hier!’ ‘Wat aardig!’ En weg is ie. Ik overweeg even om mijn buurman, redneck Stevie te bellen. Maar die had vanochtend die prachtige zwarte Jaguar van zijn moeder in plaats van zijn eigen oude Jeep. Of hij weer indruk wil maken op een vrouw? Hij heeft een Amerikaanse vader maar de Puerto Ricaanse manieren van zijn moeder. Maar, ach! D’r is niks spannends aan als ik nu regel dat hij me komt halen. ‘Leave it up to the universe’. The Law of Detachment en laat losssss. Maar hoeveel minuten zal het duren voordat een auto stopt?
Ik denk aan een moment op Curaçao, toen ik na afloop van het Tumba Festival in het pikkedonker over een stoffige en stille weg naar huis liep. Ook toen werd ik opgepikt en keurig bij mijn huis afgezet door een volstrekt onbekende. Nee, dan die keer toen ik van het veer vanaf St. Maarten in Anguilla, een Brits Maagdeneilandje, afstapte en naar ‘de jazzclub’ wilde lopen. ‘Ja, ’t is aan het strand,’ had de bassist gezegd. Maar dat is alles op een klein eilandje! Toen stopte een vrouw (die me een half uurtje eerder op de boot een snoepje tegen mijn kriebelhoest had gegeven!) en bracht me naar de jazzclub, waarvan ik bij god niet wist waar die was, laat staan hoe die heette.

Anguilla. Foto © Wegeman.


Universum
Ik realiseer me hoe zeker ik van mezelf ben. Hoeveel vertrouwen en rust het me nu geeft. Dat ik natuurlijk, net zoals in het verleden, gewoon geholpen word...Of niet? Weg die gedachte! Verbonden met het universum. En na de volgende bocht stopt aan de overkant toch een glimmende zwarte Ford pick-up, met een vriendelijke oudere mijnheer. ‘Kan ik u misschien helpen?’ Ik heb een glimlach van oor tot oor. ‘Wacht, ik zet hem even daar neer.’ En parkeert even verderop buiten de bocht (erg on-Puerto Ricaans rijgedrag, zo sociaal! De Wet van het Oordelen, ik weet het). Ik steek hoofdschuddend met een wiebelende fiets de weg over. Mijn redder stapt uit, neemt de fiets over en legt die in de open kofferbak. Ja, daar is zo’n pick-up truck natuurlijk perfect voor!
‘Ik kwam u tegen. En ik zag u . Zo’n vrouw alleen. U maakte zich vast zorgen.’ Dat is mijn meditatiegezicht. ‘En dus heb ik me omgedraaid. En dacht, ik moet die señora helpen.’   ‘Nououou, hoe is het weer mogelijk!’ Ik sla op mijn knie. ‘Geweldig! En wat is dit een mooie auto!’ ‘Ik ben net terug van New York,’ zegt de Puerto Ricaan met natuurlijk een snor, dat hebben alle pick uppers. ‘Ik ben namelijk vrijwilliger voor het Rode Kruis.’ ‘Te gek! Dit is echt niet te geloven! Dat gebeurt me nou altijd. Nou, wat lief!’ ‘Waar moet u naar toe?’ ‘Naar Ocean Park helemaal.’ ‘Ik ben even bij mijn nichtje langs gegaan in Loíza. Ik woon in Luquillo.’ ‘He? Maar dan hoeft u toch helemaal niet op deze weg te zijn?’ zeg ik verbaasd: ‘Luquillo is de andere kant uit.’

Luquillo, Puerto Rico. Foto Facebook

Synchroniciteit
Luquillo ligt pal tegenover el Yunque en heeft een prachtig strand. Het is bekend vanwege de kraampjes met gefrituurde vislekkernijen. ‘Dat klopt, maar ik dacht om even mijn linkerbanden te laten checken. ‘Nou, jaaaaaa. Synchronicity!’ ‘Een zegening!’ zegt hij glimlachend. ‘Ja, dat kan je wel zeggen!’ ‘Bent u niet bang zo alleen op de fiets? Er gebeuren de raarste dingen.’ ‘Oh, nee, helemaal niet! Punt 1 fiets ik daar te hard voor… als de banden vol zijn…En ik ben altijd omringd door engelen en heiligen!’ en sla mijn handpalmen quasi devoot uit elkaar. ‘Dat is waar’, zegt mijn reddende engel. ‘Wat deed u in New York?’ ‘We waren daar met de Puerto Ricaanse delegatie van het Rode Kruis.’ ‘Echt?’ ‘Ja, we hebben daar nog de resten van Sandy geruimd.’ ‘Oh, god, ja, die orkaan.’ ‘Ik ben gepensioneerd leraar. Het Rode Kruis betaalt de vlucht en het verblijf. Dat hoeft allemaal niet luxe te zijn.’ ‘Wauauauw,’ zeg ik, terwijl ik nu ook de andere kant van het fietspad zie. ‘Wat leuk! Kijk, daar fiets ik altijd.’ De Atlantische Oceaan is op dat stuk altijd wild. Zo geweldig! 'En wat was u meest indrukwekkende reis met het Rode Kruis?’ vraag ik. ‘Mijn reis naar Florida na een overstroming daar. Ik ben José Ayala.’ '’k heet May Peters.’ Dat zeggen ze hier altijd op zijn Engels maar dat is een afkorting van María.’ ‘Ken je de Ayalas in Loíza? Dat zijn neven van me.’ ‘Wel ja! Ik was er nog op hun bomba-feest. Wanneer was dat ook alweer? Man , hier in de Cariben heb ik geen idee van tijd!’


Krabben
‘Ah, sí. Dat is altijd in juli, hun feest op hun batey.’ ‘God, wat was dat geweldig toen, gewoon voor hun huisje.’ ‘Ja, daar komen altijd heel veel mensen op af.’ Ik kan me scene nog herinneren tussen de krielkippen: zwetende bombadansers en tal van bekende gezichten die ik altijd en overal tegen kom. ‘Wat leuk! Nu zie ik het eens aan de andere kant. Daar fiets ik altijd,’ wijs ik voor de zoveelste keer, als we Piñones binnen rijden. De 187 loopt pal langs de Oceaan. Aan beide kanten liggen restaurantjes, de beroemde kioskos, waar men op houtskool grote pannen met olie verhit. Stapels pallets zie ik liggen, achterom, tussen een autowrak hier en daar.  Kooien met krioelende krabben... en vooral mooie dikke negerinnen die met of zonder sigaret in de bek, alcapurria (krabkroketje van cassave en een andere wortel) of bacalaíto (stokviskoekje) staan te frituren.  Aan de linkerkant hebben de Haïtianen hun winkeltjes. Hangmatten en grote kleurige badlakens met kitscherige palmbomen of vrouwenlichamen, of  fier de witte ster in de licht blauwe zee,  naast de rode en witte strepen: de Puerto Ricaanse lag. Het spiegelbeeld van de Cubaanse. Ze zijn beide ontworpen in de onafhankelijkheidsoorlog van de Spanjaarden en de Amerikanen.
We zijn zo in Isla Verde. En Luis slaat af bij de fietsenmaker. Met een dankbaar hart stap ik uit. Luis is zo'n voorbeeld van de Wet van Geven. Ik realiseer me dat ik deze man die mijn hele week goed gemaakt heeft wellicht niet meer zie. Hij is het bewijs  van het feit dat ik elke gedachte in mijn hoofd kan realiseren. Dat ik dus kan TOVEREN!

Isla Verde, Puerto Rico. Foto © Verdura

Fietsenwinkel
Ik open de deur van de fietsenwinkel voor de tweede keer die dag. ‘Nou moet je toch eens raden wat er gebeurd is!’ roep ik lachend tegen de fietsenmaker. ‘s Avonds op Facebook reageert een Duitse percussionist op de foto die ik van mijn fiets geplaatst had. ‘De rem heeft de 'rim' opgevreten.’ Ik ben stomverbaasd. Ik heb dus de hele tijd met de rem erop gereden. Verrek, vandaar dat hij dat remblokje ‘s ochtends had versteld! Het lijkt wel mijn echte leven! De Wet van Oorzaak en Gevolg. Hoe is het mogelijk? Heb ik altijd met de rem erop gereden, als een gek! Al die programma’s die over zelfboycot gingen, de allesvernietigende Wet van het Oordeel. Ik heb de lat altijd zo hoog gelegd voor mezelf...
Vandaag kook ik voor de laatste keer voor Kiko, de opnametovenaar. Morgen ga ik voor het laatst naar zijn studio om het mooiste project ooit dat ik in mijn leven heb gemaakt te masteren. The final step. Mijn cd is geproduceerd door Eric Figueroa. En de cd zelf is een hommage aan vrouwelijke Puerto Ricaanse componisten. Eric is een van mijn beschermengelen van het eerste uur toen ik in 1994 in Puerto Rico kwam. Mijn leven is namelijk een aaneenschakeling van synchronicities, zogenaamde 'toevallige gebeurtenissen.' Dat zie je dan achteraf pas.
In 1993 speelde ik met de Venezolaanse salsaband van Javier Plaza Orquesta Son Risa in Parijs. En er speelde een Puerto Ricaanse bassist Tomas Pérez mee. De man was een vervanger en vertelde me onder de Eiffeltoren dat ik rustig naar Puerto Rico kon gaan, als ik  naar Cuba of Puerto Rico wilde om me verder te verdiepen in de salsa. Hij kende bevriende musici en die zouden me vast wel helpen... Negentien jaar later spelen twee van deze musici op mijn cd. Eric heeft juweeltjes van arrangementen geschreven van de composities uit de Puerto Ricaanse schatkist. Op la Isla del Encanto, het Eiland van Betovering heb ik leren toveren, gewoon door de deur open te zetten naar mijn eigen ziel. Alles wat ik wenste was er al, zat gewoon altijd al in me. Ik leerde wie ik nou eigenlijk was.. en waarom ik hier moest zijn... de Wet van Dharma.

donderdag 27 juni 2013

De Zeven Spirituele Wetten (3)

door May Peters

Fort el Morro, Puerto Rico. Foto © Hirisave

Lekke band
Kom bij de brug van Piñones, la Boca de Cancrejos, en psssssssssssssss… Nondedjuu. Band lek. Dat is lang geleden. Mijn fietsmaker heeft er een rubberen tussenlaag ingelegd, zodat ik niet elke week twee lekke banden heb dankzij de kapotte groene exportflesjes Heineken op het zogenaamde fietspad. De luchtbelletjes dansen over het achterwiel. Dus van oppompen kan geen sprake zijn.
De Wet van de Minste Weerstand: 'Alles in het universum is perfect zoals het nu is.' Dus, oké, teruglopen. Worden eens andere spieren gebruikt. Maar bij het Marriott Courd Yart aangekomen, begint het weer te regenen. En dat is hier dus met bakken tegelijk. Zoveel water dat ik bij elke stap uit mijn Wolky sandalen floep. Zal ik ze uit doen? Op blote voeten verder lopen door het warme water… lijkt me heerlijk… Maar mijn band is natuurlijk niet voor niks lek. En ook al mediteer ik sinds ik Kenny Werner zes jaar geleden op het Conservatorio heb ontmoet... ik ben nog steeds geen fakir. Dan maar in het moment verder lopen. Na een uur kromme tenenwerk bereik ik mijn straat. En breekt de sluiting van mijn sandaal. Nou, de laatste tweehonderd meter strompel ik op een schoen verder en dan kan ik de fiets in het schuurtje zetten.

Maandag, bij mijn meditatie op trombone, ‘een fitness programma van twee uur’ kijk ik uit over het verpletterende oceaangroen van de Atlantische Oceaan. Ja, ik ben gezegend dat ik deze missie mag volbrengen. Daarna ga ik met een radio-uitzending van the Art of Joyful Living op mijn mp 3-speler mijn fietsband plakken. Met vier vorken loop ik naar het benauwde schuurtje om de band van de fiets te halen. Je wordt hier zo creatief! Maar de fiets heeft nu een universeel ventiel, waar je een verloopnippel voor nodig hebt om hem op te pompen met een compressor. Snap jij het nog?
Een gewone fietspomp behoort niet tot de standaard inboedel van een Puerto Ricaans schuurtje. De verloopnippel blijkt foetsie, dus uiteindelijk toch maar snel naar de fietsenmaker. De jongen is altijd heel aardig. Zet er een nieuwe binnenband op, die was namelijk ook kapot bij het ventiel. Ik had natuurlijk met veel te veel geweld de band opgepompt met mijn handpompje. Ay, de Wet van de Minste Weerstand.

Foto © Bicycle vacation Puerto Rico


Rijgedrag
We hebben een onderhoudend gesprek over het rijgedrag van de Puerto Ricaan. ‘Ze letten überhaupt niet op de weg, laat staan dat ze een fietser zien! Maar ik heb altijd zoveel beschermengelen. Dat gaat altijd goed. Krijg wel bijna een hartverlamming omdat de Puerto Ricaanse chauffeur geen richtingaanwijzer gebruikt. Volgens mij doet negentig procent het niet! …Weet je, zelfs de Politie niet! En ik hun daar maar steeds met veel gebaar op wijzen, half omdraaiend op de fiets, om dan bijna tegen een auto op te knallen die weer voor zo’n drempel  hiervoor stilstaat. Of een voetganger laat oversteken. Dat mag hier! Dat staat in de wet! (Dat weet ik dan weer uit mijn Puerto Ricaanse theorie-examen.) Of ze laten een auto achteruit de weg op rijden…’ ‘Ja, er is hier nog veel onwetendheid,’ glimlacht de fietsenmaker.  Hij frunnikt wat aan de achterrem: ‘Het remblokje raak de velg.’ ‘Oh, wat goed van je!’ Nooit wat van gemerkt. Nu gaan bij mij nauwelijks dingen vanzelf. Ja, behalve schrijven, als ik er nu zo over nadenk. Als ik vertrek met een opgeknapte fiets houdt de fietsenmaker de deur voor me open: ‘Hou je taai!’
En twee uur later zit ik op de fiets langs de oceaan. Er staat een stevige wind, dat wel. Maar ach, ik ben zo ‘afgetraind’, wát Wet van de Minste Weerstand! Wat fijn dat ie die band gemaakt heeft en de rem. Heb er nooit iets van gemerkt! Voelde wel mijn knieën bij het fietsen, maar goed daar heb ik ook de knieën voor... en een meniscusoperatie voor gehad op mijn veertiende. Hup, door het naaldbos over het andere fietspad. Aan de kant van de rijweg zit altijd een oudere man, die me nog kent van mijn vorige lekke band.. Als hij me achter zich, over het houten fiets pad aan hoort komen denderen, zwaait hij altijd: ‘¡Hola amiga!’ ‘Alles goed?’ roep ik terug met een arm in de lucht. Niet helemaal ongevaarlijk, want het hout is of glad of ligt bezaait met amandelen. Na dik een uur fietsen kom ik op het verste punt van mijn Energyroute, de brug over de rivier de ‘Loíza’ die je zo de Oceaan in ziet stromen in de verte. ‘Your heart is like the mouth of a river, strong and silent,’ hoor ik Kenny Werner zeggen in zijn Effortless Mastery-meditaties. Ik word steevast bevangen door dit natuurschoon. De Wet van Pure Potentie. De tropische zon weerkaatst in het stromende water en verblindt me.


[vervolg, deel; 4 en slot, klik hier]

zaterdag 15 juni 2013

De Zeven Spirituele Wetten (2)

May Peters
door May Peters

Grenzeloos
Gisteren werd ik gebeld, terwijl ik op het strand aan het mediteren was. ‘Profesora, is het goed als ik u vandaag om zes of zeven uur bel voor het radioprogramma?’ En omdat ik van mijn vader ook geleerd heb om niets uit te stellen, zei ik mijn medewerking toe. ‘Prima.’ De radiomaker van ‘Sin Fronteras’, zonder grenzen, echt een titel voor mij, wist te vertellen dat Holland is afgeleid van Houtland.... en dat de belangrijkste steden Den Haag, Rotterdam, Oetresjt, Eindhoven en Máástrisjt waren. De eerste die het nu eens niet over ‘Ansterdan’ had, waar ze vanaf de Achterzijds Voorburgwal de koffieshop in- en uitrollen… Hij is dan ook geen salsamuzikant, maar zou zo een model kunnen zijn: een Adonis die yogaleraar is…. Ik bedoel, hoe mooi kan een mens zijn! Een schoonheid, onze Raúl Morris.
Mark Jong Pin. Foto © Jacco Breedveld

En de opnametechnicus Kiko Hurtado is zo 'in the present moment', zo perfect en precies, zo’n Wizzard of Oz, dat ik me regelmatig in mijn arm moet knijpen of het allemaal echt is, wat ik meemaak. Ik ben omringd met zulke mooie mensen. Maar met andere tempi dan van mij! Een tropische storm, noemden ze me hier al. In een studio wordt gefocust, bewegingsloos en in stilte. Zat ik donderdag vier uur lang in de Hairstudio van Annie, die de dag van haar leven had. Want ze mocht dan eindelijk mijn haar verven zoals zij het wilde. ‘Verander maar even van kleding,’ wijzend naar mijn shirtje en het toilet. ‘Eh, de photoshooting is zaterdag pas! Ik heb geen andere kleding bij me.’

Kapper
‘Nee, je kunt dat bloesje uitdoen en die duster aantrekken.’ Elke dag doe ik dingen die ik nog nooit gedaan heb. Ik kom niet meer bij van het lachen! In Annie’s stoel mag ik niet bewegen!
‘Wie heeft die stoel verplaatst?’ vraagt ze kort als de telefoon van de kapsalon gaat. Ik neem op omdat zij haar handen vol heeft met kwasten en verf. ‘De advocate aan de lijn.’ ‘Zeg maar dat ze kan komen.’
‘Neem maar een koude witte wijn mee, als aperitief,’ zeg ik tegen de voor mij volstrekt onbekende beller, want inmiddels zit de vijf in de klok. Annie in een deuk. Die drinkt namelijk geen druppel met haar atletenlijf. Er komt een andere vrouw binnen. ‘Ik moet morgen om acht uur in Ponce zijn en kijk mijn haar.’ ‘Ik vind je haar prachtig,’ zeg ik als Hollandse tegen de latina bij wie een grijze lok uit haar zwarte haar steekt. ‘Aaaay, no, chica.’ ‘Ja, ik weet het. Jullie latinas zijn zulke verschrikkelijke ijdeltuiten!’ ‘Ja, dat klopt,’ en ze vliegt meteen in een pose. Ik kom niet meer bij. Ze zet haar bril op en vraagt: ‘Welke kleur ga je gebruiken, Annie? Dezelfde?’ Haar kleindochter van vijf bladert door wat tijdschriften met alleen maar modellen. Ja, dat wordt natuurlijk net zo eentje. Telefoon. Nu moet Veronica opnemen. Een gekkenhuis. En dat zou zo nog vier uur zo doorgaan. Op het laatst kan Annie niet meer gaan hardlopen met haar dochter, wat ze dagelijks doet.
San Juan, Puerto Rico. Foto © PR Pics

Tropische regens
Daar zal je haar hebben, de advocate. Ik ben meestal verbaasd over de upper class in Puerto Rico. Bleke poeder. ‘Nu ben ik nog de plantainutres vergeten! Waar kan ik die halen?’ Tien minuten later komt ze terug met vier  zakjes bananenchips en flesjes water. Ik verrek van de dorst! ‘Had ik ook niet gezegd dat jij highlights zou krijgen?’ zegt Annie. ‘Ik bén de highlight!...’ Ze schieten in de lach. ‘Wat jij wilt, mi amor,’ zeg ik. En vervolgens zit ik nog een uur in de kappersstoel en geef keurig gevouwen aluminium velletjes aan Annie. Blij dat ik even iets nuttigs kan doen!

Zondag: het regent op zijn tropisch. Dat wil zeggen, het komt met bakken naar beneden. En een paar uur later breekt de zon weer knallend door. Je ziet de stoom uit het asfalt opstijgen. Snel de fiets op. Ik heb al de hele week in de studio gezeten! Mijn energie moet even in banen geleid worden. Alle ‘muertos’, drempels op de Isla Verde Avenue, heb ik goed overleefd. Het gevaar zit niet in de veertig centimeter hoogte van zo’n drempel, maar in de auto’s die abrupt afremmen, zodat elke Puerto Ricaanse fietser er zo tegenaan zou kunnen vliegen. Edoch niet deze Hollandse… Voorbij Mariott Court Yard Hotel. Daar moet ik vooral op zondag goed uitkijken, voor in- en uitrijdende auto’s en taxi’s, omdat daar nog 'Hi Tea' salsa dansen gehouden wordt voor alle Puerto Ricanen. Het gaat goed.
Foto © Jessica Boston

Dan het met kuilen en kiezels bezaaide zandpad op, parallel aan de snelweg langs het vliegveld, op naar Piñones. Voorbij het Strand van Carolina. Drie politiemannen met kogelvrij vest roepen nog ‘pas op’ als ik in vliegende vaart voorbij race, en natuurlijk een auto pats boem wil afslaan voor het strand. Wie moet hier oppassen? Het is dat veel Puerto Ricanen, en dan diegenen die geen voorrang verlenen, meestal een kapotte airco hebben. En zodoende de ramen van de auto open hebben staan. Dus mijn verbale aankondiging heeft mij al vaak behoed, ook nu: ‘¡Weeeeeeeepaaaa!’ 

[vervolg, klik hier]

De Zeven Spirituele Wetten (1)


May Peters werkt in Puerto Rico aan haar debuut- cd. Daar komt meer bij kijken dan louter muzikaliteit en vakmanschap. Ook de geest dient in topvorm te zijn. En de deur naar je ziel moet wijd open staan.

door May Peters

Shamaan Don Miguel Ruíz verkondigt het al jaren, vrij naar een Tolteekse wijsheid: 'Wees onberispelijk met je woorden.' Want woorden sturen je gedachten. En je gedachten sturen je daden. Maar de reikwijdte van die uitspraak besef ik pas nu ik als solist mijn cd aan het maken ben. In juli 2012 besloot ik om louter schoonheid te laten horen. Daarvoor moeten je lichaam, ziel en geest schoon zijn. Schoonheid, schoonmaak…
Ik heb hulp van mijn Goede Fee uit Nederland, Deepak Chopra en zijn Zeven Spirituele Wetten, meditaties, Kenny Werner's Effortless Mastery en de Manifest Anything Now Radio. Ideale titels als je bezig bent  een droom te realiseren en bijna alle activiteiten die je daarvoor moet ondernemen nieuw voor je zijn! Het is de essentie van elke artiest, en misschien wel van elk mens, en het was het motto van Pablo Picasso: ‘Elke dag doe ik dingen die ik nog nooit gedaan heb, in de hoop dat ik ze op een dag beheers.'
May Peters' Limburgse jeugd

Creativiteit
In die onzekerheid ligt de bron van creativiteit. En het helpt als je op zo’n paradijselijk eiland als Puerto Rico woont, waar het lijkt of iedereen de Wet van de Minste Weerstand beheerst. Behalve een Limburgse boerendochter die vanaf haar zevende productief is in het arbeidsproces. Op die leeftijd zette mijn vader me op een tractor. Daarom haalde ik op mijn achttiende vijf rijbewijzen. Je ziet het nut van de gebeurtenissen pas naderhand in.
In de Cariben heb ik geleerd mijn controle en planningdrift te laten vieren. Ik doe dat liever niet, maar je weet hier nu eenmaal nooit wat het volgende uur staat te gebeuren. Voor alles is een tijd, zoals mijn oud-collega aan het Conservatorio, trompetlegende Luis Perico Ortiz, het zegt. Ze kennen hier immers geen seizoenen...

[voor deel 2 klik hier]

[uit Caribe Magazine, 10 mei 2013]

donderdag 6 juni 2013

Reis Sopawiro naar Indonesië vruchtbaar






door Charles Chang

Boxel - Na een maand verblijf in Yogyakarta, Indonesië, is Sapto Sopawiro weer thuis. Nog nagenietend zit hij op een regenachtige namiddag vergezeld door gamelanmuziek op zijn veranda. Hoewel hij zijn dagelijkse ritme al enigszins heeft herwonnen, wordt hij geconfronteerd met vele telefoontjes van mensen die willen reageren op zijn reis.

De cultuurkenner heeft tijdens zijn laatste week in Yogyakarta nog enkele bijzondere momenten meegemaakt met betrekking tot de Javaanse cultuur. Dankzij een luisteraar die hem op de proef stelde tijdens een live-uitzending op Radio Republik Indonesia (RRI), kon Sopawiro meedoen aan een seminar over het wayangpoppenspel. Dit vond plaats op Museum Pendidikan Indonesia Universitas Negeri Yogyakarta, een lokale universiteit.

Sopawiro's titel luidde: wayang is ook om de leer te verspreiden. Volgens de dhalang is dit een bekende uitspraak in Suriname. "Uit de wayang kan je lering trekken, het bevat sociale, religieuze, wetenschappelijke en politieke aspecten. Daarbij benadrukte ik ook het taalaspect, want in de wayang spreekt een figuur een hogere aan in het hoog Javaans. In de praktijk gebeurt dit bijna niet meer, dat men iemand aanspreekt in het kromo inggil."

Dynamisch
Tijdens zijn inleiding verdedigde Sopawiro ook de meertaligheid in de wayang, iets wat onbekend is in het moederland. "Bij ons is de situatie anders, we leven in een multiculturele samenleving, en op zo'n manier hou ik het levend." De panelleden en vierhonderd aanwezigen in de zaal spraken hierover hun goedkeuring uit. Een video van zijn Multi-linguale opvoering, medio april in het Laaktheater in Den Haag, werd al uitgezonden in Yogyakarta.


Zijn suluk (voorzang) in het Engels en Sranan vielen daarbij bijzonder in de smaak. Het wayangpoppenspel is door de Unesco erkend en staat sinds november 2003 vermeld op de 'Lijst van Meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid'. In Indonesië is deze hoge vorm van de Javaanse kunst dynamisch en gaat het mee met de tijd. Onder meer komen er ook andere vormen van entertainment bij. De bekende komediant Shakirun besprak het belang van komedie bij wayang. "Als dit wordt verboden, dan worden de dhalangs brodeloos. Wayang moeten we los zien van religie, het is entertainment."

Stille loop
Kort voor zijn vertrek was Sopawiro in de studio van AdiTV en op kantoor van de Alliance of Independent Journalists te gast voor een persconferentie. In beide gevallen werden vragen gesteld over de geschiedenis van Suriname, de Javaanse immigratie, eetgewoonten, talen, leerstelsel en het dhalang zijn. Sopawiro deed mee aan een kirap brata of stille loop die werd voorafgegaan door een macapat (lees: motjopat) of voordracht van gedichten in zangvorm. Dit in verband met het 97-jarig bestaan van de kabupaten, het lokale regentschap. "Ik kreeg nog meer uitnodigingen, maar ik kon niet naar allemaal. Van sommige waren de afstanden ver."

[uit de Ware Tijd, 04/06/2013]