![]() |
| Foto © Nicolaas Porter |
In ‘Paranen tussen stad en bos: Een complexe Afro-Surinaamse
ontwikkelingsgang vanuit de slavernij’ schetst Alex van Stipriaan de bijzondere positie van de mensen uit de Para,
een positie tussen stad en bos. Vanuit de historische situatie werkten de
mensen in de Para op houtplantages, waardoor ze meer dagelijkse ruimte hadden
om te bewegen. Veel meer dan op suiker- of koffieplantages. Deze bewegingsvrijheid
maakte hen tot mensen met trots, en de plantage-eigenaren zorgden er dan ook
voor om op de gronden directeuren neer te zetten die niet tegen hun haren in
zouden strijken. Weglopen was immers gemakkelijk. Toch kozen ze daar niet voor
omdat het leven op de plantage voordelen bood boven het onzekere leven in het
bos. Vanwege de nabijheid hadden ze veel contacten met de marrons. Aspecten als
uitingen van winti waren belangrijk. Tot aan de officiële opheffing van het
verbod op openbare winti-bijeenkomsten in 1970 werden deze vooral in de Para
gehouden. En nog steeds. Ook de overdracht van de ebg-godsdienst beschrijft de
auteur. Vele opmerkelijke personen in de samenleving komen uit de Para
(Venetiaan, Belliot, Pengel en Derby). Niet verwonderlijk als je kijkt naar de onafhankelijke
rol die ze zichzelf toebedeelden. De gehechtheid binnen de groep bleek door de
aankoop van gezamenlijke gronden na 1863 en het trouwen binnen het gebied. Geen
sakafasi-mentaliteit. Van Stipriaan beschrijft de historie vanuit de bronnen op
levendige wijze. Dat maakt zijn stuk zeer prettig leesbaar. Daarnaast brengt hij
een extra dimensie in het artikel door niet alleen het verleden te beschrijven,
maar ook door het ‘reparations’- debat erbij te betrekken: hoe geëmancipeerd
was de Paraan al voor de afschaffing van de slavernij?
Jerry Egger
schetst in ‘Langzaam ontwaken: sociaaleconomische ontwikkelingen van creolen,
1873-1940’ de mogelijkheden en beperkingen van de nakomelingen der slaven. Na
het staatstoezicht moesten de creolen in hun eigen onderhoud voorzien. Dat geschiedde
vooral in de kleinlandbouw, en later ook in de goudindustrie en de balata
bleeding-activiteiten. Als bron gebruikt Egger de Koloniale Verslagen, die
vanaf 1851 werden opgetekend: niet alleen droge cijfers, maar vaak interessante
observaties, die het geheel een meerwaarde geven. Zo stappen de auteurs ervan meer
en meer af van de negatieve beeldvorming waar de beschrijvingen van de
activiteiten der creolen bol van stonden, hoewel de productie in de
kleinlandbouw niet voldeed aan de koloniale verwachtingen.
Vanaf 1884 stimuleerde gouverneur Van Sypesteyn de
goudwinning, waarin het overigens javanen en hindostanen verboden was te werken.
In navolging van Guyana ving ook Suriname aan met balata-export. Dit
natuurrubber leverde heel wat op, zowel voor de arbeiders als voor de staat. In
de guyaba-ten - tijdens de dertiger jaren - vielen beide inkomstenbronnen weg,
waardoor de economische situatie erg achteruitging, mede ook vanwege de
wereldcrisis. Bauxiet en tewerkstelling binnen de ambtenarij maakten de positie
van creolen weer wat beter. Leuk dat Egger een egodocument van Elizabeth Singh
en zijn eigen familiegeschiedenis opvoert om het verhaal kracht bij te zetten. Beide
artikelen bevatten informatie, die heel wat ideeën (vooroordelen) binnen de
samenleving bijstellen. Zeer de moeite waard om te lezen dus.

.jpg)




