Ter inleiding keer ik terug naar de
aanhef van dit hoofdstuk omdat ik dat als een belangrijk uitgangspunt beschouw: "Wie streeft naar het waarlijk goede, kan zich niet afwenden van
het ongeluk van anderen". Deze uitspraak heb ik verbonden met een
samenleving waarin mensen waarheid en vrijheid moeten kennen en ervaren.
Tolerantie is een voorwaarde om dit te bereiken. Mensen moeten bij hun streven
naar het goede, ware en de vrijheid zich richten op de ander en zij ontkomen
niet aan verdraagzaamheid. Het gaat juist om die specifieke combinatie. Alle
componenten zijn even belangrijk. Ik gebruik hier het woord "naastenliefde"
met opzet niet en dat zal later duidelijk worden.
![]() |
| Anton Tsjechov. Schilderij van Osip Braz, 1898 |
De reddende waarheid kan door geen
mens geboden worden. Dat gegeven vindt Thomas Mann terug in de verhalen van
Tsjechov [1]. En dat betekent dat je zelf voortdurend
op zoek moet gaan. Het vermogen om jezelf te veranderen is de voornaamste
morele plicht, denkt Riemen hierbij ook. Het is niet alleen een morele plicht;
het is zelfs van levensbelang. Je kunt jezelf hooguit bevrijden van angst en
onverschilligheid via de kunsten, maar het veranderen, de zoektocht naar de
waarheid en het goede moet je zelf activeren en op gang houden.
Ik heb tolerantie een menselijk
vermogen genoemd. Het is een eigenschap, die men ook steeds actief moet
benaderen en onderhouden: oefenen van eerbied zoals Riemen en ook Venmans dat
zeggen [2] . Het gaat om persoonlijke en
individuele vorming, het voortdurend jezelf oefenen in eerbied voor anderen
(alsook voor de aarde zelf, voegt Riemen daar nog aan toe). Dit persoonlijk
oefenen kan alleen in vrijheid gebeuren. Je moet jezelf daarbij steeds bewust
zijn van de plek die je inneemt tussen alle anderen. Dat wil zeggen dat je je
eigen authenticiteit moet realiseren. Deze authenticiteit is - zoals eerder
gezegd - niet historisch of genetisch gedetermineerd. De context waarbinnen je
opgroeit, is niet onbelangrijk is. Paul Verhaeghe constateert in zijn boek dat
identiteit tot stand komt “via de
verhouding tot anderen; dergelijke verhoudingen zijn zelfs een noodzakelijke
voorwaarde, want anders komt er geen identiteit tot stand”. [3] De
mens is een sociaal dier en gedijt slechts in de betrekkingen die hij met
anderen kan onderhouden. Tolerantie is dan ook een sociaal vermogen. De
omgeving waarin je opgroeit, heeft een vormende werking op de persoonlijkheid,
maar is niet bepálend voor de uitkomst van je bestaan. Je authenticiteit heeft
te maken met de mate waarin én hoe je jezelf onderscheidt van anderen. Dit is
een egocentrisch beginsel en het vergt voortdurend heroriëntering, een dynamiek
van eigenheid. "Ken uzelf", het
Oudgriekse gezegde (dat aan verschillende Oudgriekse denkers wordt
toegeschreven) heeft betrekking op deze wijze van léren kennen van wat je
onderscheidt van anderen. Het is de basis van eigenwaardigheid. Ken uzelf is
geen statische uitspraak; het gaat over de constante dynamiek van
zelfontdekking.
![]() |
| Letterheren |
Veranderbaarheid. Daar zit voor een deel de crux van deze beschouwing. Als tolerantie een menselijk vermogen is, dan betekent dat dat het actief ontwikkeld kan worden. Het betekent ook dat je als mens alleen maar een zinnig debat kunt voeren als je jezelf bewust bent van dit vermogen te veranderen. Je kunt in een debat inzichten verwerven. Inzichten verwerven betekent dat je kúnt veranderen, je jezelf anders leert kennen en je perspectief op de werkelijkheid (de feiten) mede verandert. Ken uzelf betekent dus ook dat je veranderbaar bent. Guépin heeft in dit verband een aantal opmerkingen gemaakt dat ook in het beeld van dit boek past. "Een door mensen veroorzaakt kwaad wordt of aan domheid of aan slechtheid toegeschreven (...). Als het kwaad aan domheid wordt toegeschreven, lijkt het nog het meest op natuurrampen, voor zover de domheid erfelijk wordt bevonden. Het is dan progressief - want alleen domheid is veranderbaar - om ook de domheid als gevolg van slechtheid van anderen te zien: vals bewustzijn, misleide geesten, kanslozen, allemaal verdrukten" [4].
Met progressief bedoelt hij politiek
progressief, dat wil zeggen linkse of het christelijk-marxistische ideologieën,
de stromingen uit de laatste decennia van de 20e eeuw in Nederland. Zelf heb ik
"veranderbaar"
geaccentueerd in de tekst. In de constatering van Guépin zit de tragiek van het
slachtofferisme besloten. En dit is gevangengehouden in de geest van het
politiek correcte denken over tolerantie. Degene die de ander dom houdt, zal
niet willen veranderen terwijl het slachtoffer zelf niet kán veranderen. Dit
houdt de geest van het verzet in stand, het leven als strijd, want dat is het
enige dat zin geeft. Binnen het politiek correcte denken is dat het sjabloon,
waar men niet buiten de lijntjes kan kleuren. Het slachtoffer kan zijn
waardigheid niet herwinnen; hij zit vast in zijn achterlijkheid en dat kan men
hem niet verwijten. Op hem rust niet de morele plicht ook maar iets te
veranderen. Sterker nog, hij is de held in zijn positie.
![]() |
| Erziehungsflagellantismus. Afb.© Perkauf Woerenkamp |
De traumatisering door slavernij
zijn we in dit boek verschillende keren tegengekomen. Jandi Paula wil een
diepgaand onderzoek naar de ziel van de Curaçaoënaar. Anders zal er nooit iets
veranderen. Ook Girigori, Sluis, Mary Rose Allen, Marcha en Verweel schreven
erover. In het vorige hoofdstuk heb ik ook Schotborgh - van de Ven genoemd.
Mensen zijn verstrikt geraakt in hun eigen onmacht en ze zijn kennelijk niet in
staat dit te veranderen. Ze ontberen het vermogen te veranderen en ze zijn niet
in staat te komen tot waardigheid.
Vertegenwoordigers van het politiek
correcte denken versterken deze veronderstellingen. Het slachtoffer is
gedetermineerd door geschiedenis en afkomst. Doordat de beschaamden niet los
kunnen komen van de geest van getraumatiseerd zijn, worden verzet en weerbarstigheid
een substantieel deel van hun identiteit. Hierdoor kan deze groep het vermogen
tot tolerantie niet tot ontwikkeling brengen. Dat zou een logische
gevolgtrekking zijn en die blokkade komt volledig op het conto van de dader.
Niets aan te doen.
Ik denk dat het vermogen tot
tolerantie wél in elk mens aanwezig is; het is namelijk onderdeel van de eigen
waardigheid zelf en dat is het wezen van vrijheid en waarheid. Dat vermogen
moet je als mens zelf op gang brengen, zoals ik eerder liet zien. Het is een
individuele opgave veranderbaar te zijn.
(wordt
vervolgd)
[2]
Riemen, Adel van de geest, pag. 51 en Venmans, Het derde deel van de
ziel, pag 140.
[3]
Verhaeghen, Paul, Identiteit,
uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, pag. 90 en 104/105.
[4]
Guépin, De beschaving, pag. 246.





.jpg)






