Posts tonen met het label Ecury Nydia. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ecury Nydia. Alle posts tonen

zondag 23 februari 2014

Wereldpoëzie uit Aruba

Nydia Ecury - Een droom die ik heb

door Levity Peters

Nydia Ecury. Portret door Nicolaas Porter
In mijn kast heb ik een plekje voor dichtbundels die ik regelmatig en graag inkijk. Niet alleen Kavafis, Roethke, Walcott, Tranströmer en Jellema, ook D.H. Lawrence, Peter Spaan, Gerrit Bakker, Nachoem Wijnberg en Juliën Holtrigter hebben daar hun plekje, naast vele anderen. Het is mijn plank van ‘Altijd Raak’. Daar komt ook de bundel Een droom die ik heb van Nydia Ecury te staan. Het is niet de onderwerpkeuze waardoor ik zo’n goed gevoel krijg van haar poëzie, noch de taalacrobatiek; het is de echtheid ervan.

Echtheid; hoe subjectief is dat! Volgens een goede vriend van me is het allemaal een kwestie van smaak. Maar al houd ik niet van de poëzie van Lucebert, ik kan wel zien dat hij een van onze grote dichters is. Groter dan Richard Minne die ik graag lees. Rilke was een groot dichter, maar ik heb de pest aan hem. Geef mij T.S. Eliot maar. Enz. Het blijkt dus toch te gaan om het plezier waarmee je iemand, door wat dan ook beïnvloed, kunt lezen.
En ‘echt’ voelt poëzie die aan jouw leven raakt.

Wanneer ik zoek naar een mooie strofe van Ecury, dan is er niet een die er uitspringt. Dit is geen virtuoze poëzie, maar toch, kom er eens om:

(…)
Zo koud, je lichaam.
In mijn wens,
onvervuld, blijf je
warm en aanwezig,
zoals later misschien
ik zal zijn
in de wensen
van hen
die ik dacht
grenzeloos
te hebben liefgehad.

(uit: De cirkel)

Zulke volmaakte, eenvoudige poëzie, in die volgorde: volmaakte eenvoudige poëzie, waarom is die zo zeldzaam? Omdat zulke poëzie niet gemaakt wordt, maar geboren. Nydia Ecury had haar hart op de tong, en de taal leefde in haar hart; anders kan ik het levende van haar gedichten niet verklaren. Behalve met nog iets: Liefde. Wat mij het meeste raakt is de warmte waarmee elk gedicht geladen is. Ook het verdrietigste. Het zijn de gedichten van een vrouw die sterk genoeg was om haar zwakheid te kunnen blootgeven; dat gaat verder dan aanvaarden.

Zoet bekkie

Ik weet,
het is gelogen.

Ik weet,
het is een grap,

Maar mijn ogen
bleven glanzen
en ik proefde
sesamsnoepjes
in mijn mond,
toen jij het allang
vergeten was.

Tederheid,
zoet bekkie,
bijna had je me
ten val gebracht.

Dit is typisch een van de gedichtjes die mij zo’n goed gevoel geven. Je hoeft geen vrouw te zijn om je te realiseren hoe heerlijk het gevoel is dat een flirt je kan geven, en des te groter de voldoening wanneer je er niet voor gevallen bent; het gevoel blijft als de nasmaak van een lekker snoepje.

Het volgende gedichtje raakte mij ook op een andere manier. In de in alle opzichten interessante inleiding van Sidney Joubert las ik dat haar laatste jaren werden gekenmerkt door een steeds duidelijker optredende dementie, waardoor zij op het laatst niet meer kon communiceren met haar dierbaren.

Zoekpartij

Ik denk dat ik misschien
oud begin te worden.

Het hoeft niet in de krant,
maar spullen hier in huis
krijgen telkens voetjes.

En zoeken maar!

Ik vind ze wel terug,
na dagen,
her en der,
als ik ze allang
niet meer nodig heb.

Hoe komt het toch, dat er aan ingewikkelde taalconstructies, aan cryptische metaforen, of aan keurige traditionele dichtvormen, met andere woorden: aan het formele aspect van de poëzie, dikwijls meer waarde wordt gehecht dan aan de levende poëzie die zonder bijzondere ingrepen of fratsen kan? Een kind kan de was doen, lijkt het, maar waarom is ze dan zo zeldzaam?

Ik vond zomaar
een vogel die
morsdood
op mijn veranda lag.

Poten als stokjes
wezen omhoog
alsof hij wilde rusten
tegen de wolken aan.

(uit: Pauze)

In al haar gedichten schrijft Ecury over zichzelf in verhouding tot haar wereld; zij geeft ons haar wereld, met inbegrip van zichzelf. Zij maakt zichzelf niet tot middelpunt, maar een onderdeel van het leven waar zij vat op probeert te krijgen. Zij doet dat met humor, wat ook alweer een teken is van een trefzeker gevoel voor verhoudingen. En opvallend helder.
Het wonderlijkste van haar poëzie vind ik dat je haar kunt blijven lezen; ze bevat blijkbaar dat mysterieuze aspect dat je keer op keer tot je wilt nemen, ook al ken je de gedichten van buiten. Het is, om Nijhoff te parafraseren, alsof je meer leest dan er staat.
23 gedichten?! Het is niet veel. Te weinig bijna. De bundel bestaat uit twee delen; het eerste deel bevat de Nederlandse vertalingen die Esther Jansma met medewerking van Ecury gemaakt heeft, en die de dichteres als zelfstandige gedichten beschouwde, het tweede deel bevat de Papiamentse originelen. Bij elkaar is het nog heel wat. Maar al was de bundel de helft dunner geweest, dan nog was hij de aanschaf waard. Sommige strofen lijken geschreven om zich voorgoed in je dagelijks leven te nestelen:

(…)
O, gottegot!
Als ik kon ophouden met huilen
zou ik me te barsten lachen!

(uit: Ruïne)

***
Nydia Ecury (1926-2012), op Aruba ge­boren uit een donkere vader en een blanke moeder, ging op haar dertigste op Curaçao wonen, waar zij ook overleed. Aanvankelijk was zij actief in het onderwijs als leraar Engels en Papiaments en werkzaam bij het Departement van Onderwijs. Zij maakte naam aan het toneel als mede­oprichtster van de toneelgroep Thalia, als ac­trice en regisseuse en vooral als cabaretière met haar ‘one woman show’ Luna di papel (papieren maan).
Als dichter debuteerde zij in 1972 in het Papiaments. Al­leen haar vierde bundel kwam tweetalig uit in het Papiaments en het Engels. Haar zesde en laatste bundel dateert van 2003. Voor Een droom die ik heb, haar eerste bundel in het Nederlands, putte Ecury uit al haar eerder verschenen bundels.


Nydia Ecury
Een droom die ik heb
Uitgever: In de Knipscheer
Jaar: 2013
ISBN: 9789062658428
Prijs: € 17,50
80 blz.



[van Meander, literair e-zine, 18 februari 2014]

zaterdag 11 januari 2014

Hertaalde poëzie - Nydia Ecury: Een droom die ik heb

door Wim Rutgers

Nydia Ecury (Aruba 1926 – Curaçao 2012) publiceerde de dichtbundels Tres rosea (1972, samen met Sonia Garmers en Mila Palm), Bos di sanger (1976), Na mi kurason mará (1978), Kantika pa mama tera / Song for Mother Earth (1984), Un sinta den bientu (1995) en Luho di speransa (2003).
Nydia Ecury

In een Amigoe interview uit 1996 positioneerde de dichteres de bundels in haar levensloop: "Iedere bundel geeft min of meer weer in welke fase van het leven ik mij in een gegeven periode bevind. Tres rosea van 1972 had veel te maken met de alleenstaande vrouw en moeder. (…) Met Bos di sanger van 1976 ga ik terug naar mijn geboorte-eiland en naar de verschillende rassen waarvan ik afstam. (…) In Na mi kurason mará van 1978 was ik blij met het leven. Ik zat goed in mijn vel. Ik reken hierin ook af met een heleboel zaken uit het verleden. In de tweetalige bundel Kantika pa Mama tera / Song for Mother Earth die in 1984 verscheen, doorbrak ik de taalbar­rière. (…) Het heeft elf jaar geduurd voordat Un sinta den bientu verscheen. Ik moest wegens mijn leeftijd uit eilandsdienst. (…) Een hoogtepunt in deze periode was de geboorte van mijn klein­zoon. Maar net daarvoor had de dood van mijn zus Mimi, mijn eigen sterfelijkheid dichterbij gebracht. Tussen dit diepte­punt en het hoogte­punt - Richie - beweegt zich Un sinta den bientu als bundel." (Amigoe – Ñapa 17 februari 1996)

Keuze
Uit haar bundels maakte ze een keuze van 23 gedichten die ze ‘vertaalde’ of liever gezegd ‘hertaalde’ in het Nederlands en die nu onder de titel Een droom die ik heb, samen met de originelen in het Papiaments, door Uitgeverij In de Knipscheer zijn gepubliceerd.
Nydia Ecury heeft zelf de keuze bepaald uit alle zes bundels, maar slechts één gedicht uit het debuut, twee uit Kantika pa mama tera, drie uit Bos di sanger en Luho di speransa, vijf uit Na mi kurason mará en niet minder dan negen uit Un sinta den bientu. De selectie kan als streng beschouwd worden uit een totaal van ruim 120 gebundelde gedichten, met een grote voorkeur voor de bundel Un sinta den bientu.
Aruba

Hertaling
Ik plaatste in het begin het woord ‘vertaalde’ tussen aanhalingstekens. Daarover schreef Sidney Joubert in zijn uitvoerige inleiding: “Nydia Ecury sprak over haar gedichten in respectievelijk het Papiaments en het Nederlands, als zijnde originele gedichten. Ze beschouwde ze als verschillende versies met hetzelfde thema, meestal ook met dezelfde titel. Een gedicht moest, volgens haar op zijn eigen merites beoordeeld worden. Zo moeten ook de respectieve gedichten in het Papiaments en het Nederlands in deze bundel Een droom die ik heb worden beoordeeld.”

Ik herinner me de uitspraak van Nydia Ecury dat ze bij Kantika pa mama tera / Song for Mother Earth vaak niet wist in welke taal het origineel was ontstaan. Vanuit dat auteursstandpunt wordt vergelijking zinloos en is het te begrijpen dat de gedichten van elkaar gescheiden zijn: de eerste helft van de bundel bevat de Nederlandse gedichten, de tweede helft de Papiamentstalige, met verwijzing naar de vertalingen.

Balans
De bundel begint en eindigt met een persoonlijke positiebepaling van respectievelijk oorsprong en naderend levenseinde, maar in chronologisch omgekeerde volgorde. In het eerste gedicht ‘Parada’ houdt de dichter bij het zien van een begraafplaats halverwege een heuvel halt bij de vraag “Aki / mi ta balansá / entre rekuerdo i olvido”, wat ze in ‘Afdaling’ vrij vertaalt, dus hertaalt als “In het midden, verstrikt, / balanceer ik / tussen vergeet-mij-nietjes / en herinneringen.” Aan het slot van de bundel vraagt de dichter in de ‘stem van mijn bloed’ naar haar multiculturele oorsprong met Afrikaanse, Arubaanse, Duitse en Hebreeuwse elementen die in haar verenigd zijn: “Spreek duidelijk, / stem van mijn bloed. / Is er een taak, / een missie voor me / weggelegd? // Ben ik de schakel  / die de generaties / moet verbinden?”
Het antwoord op die retorische vraag zou je kunnen lezen in het titelgedicht ‘Een droom die ik heb’ [Un soño ku mi tin] dat getuigt van een leven van strijd en mislukking maar tegelijkertijd vastberadenheid nooit op te geven om “tenminste / de voetzool / van voortreffelijkheid / aan te raken” zoals haar vader haar geleerd had: “Dit is een droom die ik heb. / Tot nu toe niet gelukt. / Maar ik ben een eigenzinnige vrouw / en het is niet voor niets / dat mijn vader mij leerde / wat een ruggengraat is.”

Christoffelpark Ciraçao

Een leven en streven tegen middelmatigheid, compromisloos en vol idealisme, maar tegelijkertijd in het besef dat het onbereikbaar is als een ‘droom die ik heb’. Zo blijkt de titel van deze publicatie bijzonder goed gekozen. Hoewel niet van groot belang, ben ik toch nieuwsgierig naar de oorsprong van de bundeltitel: is die door de auteur zelf bedacht of door de uitgever? Intrigerend is een minuscuul vraagteken achter het Nederlandstalige titelgedicht in de inhoudsopgave.

Existentie
Vanaf het eerste ooit geschreven gedicht ‘Sekura’ van 1957 kenmerkt de poëzie van Nydia Ecury zich door ironische speelsheid maar vooral ernst, door blijdschap maar ook en vooral teleurstelling én verdriet, door idealisme én mislukking, door menselijke relaties in het algemeen, maar ook het persoonlijke familieverleden én de verre historie van slavernij, zoals in ‘Het bezoek’ met zijn slotverzen: “het bloed dat een zusterschap terugeiste / die aanving / in het ruim van een slavenschip / heel lang geleden…” Hier is het Nederlands wat directer dan het origineel, waar ‘den barika di un bark’i bela / fo’i dje tempu leu ayá” staat. (p. 36, 81)

Nydia Ecury schrijft een op haar persoonlijk betrokken poëzie, ook als het schijnbaar over uiterlijkheden als de eilandelijke natuur gaat: “Geen druppel rest / van vroegere regens / om de wrede droogte te verzachten / die mijn ziel regeert.”  Beschreven ruimtes worden existentieel op het eigen bestaan betrokken, als in ‘Ruïne’ met zijn slotverzen: “Op de zwetende muur / grijnst Absurditeit, / gezant van humor, / van oor tot oor, terwijl / een haveloze merklap pleit: / God, zegen ons huis. // O, gottegot! / Als ik kon ophouden met huilen / zou ik me te barsten lachen!” (p. 37-38)

Nydia Ecury was een veelzijdige vrouw. Naast haar poëzie vertaalde / adapteerde ze talrijke toneelstukken voor toneelgroep Thalia en publiceerde ze kinderboeken, maar ze werd natuurlijk vooral bekend door haar one woman show’ Luna di papel (1980, reprise 2000). De bibliografie aan het eind van de uitgave getuigt daarvan.
Nydia Ecury maakte zelf een strenge en imponerende keuze uit haar eerder gepubliceerde gedichten. Dat was haar voor haar toneelvertalingen en adaptaties niet meer gegeven, maar het zou de moeite meer dan lonen dat ook die door publicatie bewaard en beschikbaar zouden worden.


Nydia Ecury: Een droom die ik heb
Haarlem: Uitgeverij In de Knipscheer
109 pagina’s
ISBN 978-90-6265-842-8

[uit Antilliaans Dagblad, 4 januari 2014]



woensdag 11 september 2013

Nieuwe boeken van In de Knipscheer: een Caraïbisch mozaïek

door Klaas de Groot

De theaterzaal van Podium Mozaïek in Amsterdam was op 8 september jl. uitverkocht. Uitgeverij In de Knipscheer presenteerde vier nieuwe boeken uit het Caraïbisch deel van haar fonds en de belangstelling was gelukkig groot.
 
Els Langenfeld. Foto © Ken Wong
Voordat de auteurs met hun laatste werk voorgesteld werden, stond uitgever Franc Knipscheer stil bij het recente overlijden van twee auteurs uit zijn fonds: Elis Juliana en Els Langenfeld. Eigenlijk had Langenfeld op deze middag ook aanwezig moeten zijn met haar nieuwe verhalenbundel Porto Marie. Haar uitgever herdacht haar ontroerd. Het publiek kon een opname bekijken van de presentatie van Porto Marie op Curaçao. Opvallend bij die presentatie was dat Langenfeld nu eens niet een notabele had uitverkoren voor het eerste exemplaar van haar boek. Zij had een beperkte nummertjesloterij georganiseerd. De uitslag was voor alle aanwezigen een verrassing, zagen wij in Amsterdam.

Jacques Thönissen, overgekomen van Aruba, was de eerste auteur die zijn boek mocht tonen. Veertien van zijn Arubaanse verhalen heeft hij  onder de titel Onder de watapana  bijeengezet. Hij gaf het eerste exemplaar wel aan een notabele: de gevolmachtigde minister van Aruba Edwin Abath. Thönissen las een mooi stukje voor uit één van zijn verhalen, een legende over het ontstaan van Aruba. De legende vertelt dat Curaçao, Bonaire en Aruba ontstaan zijn uit zweetdruppels die de Schepper van hemel en aarde aan het eind van de zesde scheppingsdag op zijn voorhoofd voelde. Die druppels wierp Hij in zee en als kleinste, maar als mooiste eiland ontstond toen Aruba. Het applaus dat na voorlezing van het verhaal opklonk, liet merken dat er heel wat liefhebbers van ‘nos isla stimá’ aanwezig waren.
 
Jacques Thönissen
Peter de Rijk die als redacteur bij uitgeverij In de Knipscheer de boeken van de aanwezige auteurs natuurlijk van haver tot gort kent, had met Thönissen, Ronny Lobo, Giselle Ecury en Joseph (Jopi Hart) steeds een kort gesprek. Daarin ging het nogal eens over de lange weg die er ligt tussen schrijven en publiceren. Een weg die gekenmerkt wordt door veel redigeren en herschrijven. Vooral in het gesprek met Ronny Lobo, die debuteert met de roman Bouwen op drijfzand, werd dit duidelijk. 

Het gesprek met Giselle Ecury over haar derde roman De rode appel ging meer over de bouw van het boek. Zij wist op een heldere manier duidelijk te maken wat haar bij het schrijven voor ogen staat.
Giselle Ecury. Foto © Michiel van Kempen

De laatste in de rij was Joseph Hart. Hij debuteerde als Jopi Hart met de dichtbundel Entrega in 2000 bij uitgeverij Carilexis, op Curaçao. De roman Verkiezingsdans, die nu gepresenteerd werd, is een adaptatie van  een Engelstalige roman die Hart jaren geleden schreef. Uit het gesprek met De Rijk bleek dat de auteur nogal moeite heeft met het politieke bedrijf op het huidige Curaçao, maar een politiek traktaat is de roman  niet geworden. Dat was ook te merken aan de passages die Hart voorlas. Zijn boek had gepresenteerd  moeten worden aan de gevolmachtigde minister  van Curaçao Marvelyne Wiels, die was helaas verhinderd. Het boek ging naar een plaatsvervangster voor deze middag, Marije Berkhouwer.   
Aruba, Bonaire, Curaçao en Nederland, landen en boeken, verhalen en mensen schoven als een mozaïek in elkaar.

Presentator Franc Knipscheer zorgde zelf ook voor afwisseling. Zo presenteerde hij  de pas verschenen roman van Janny de Heer: Gentleman in slavernij. Dat is een dikke roman over een Duitse immigrant in het 19de eeuwse Suriname. De schrijfster was er niet. Het eerste exemplaar ging naar haar kleindochter, die weinig woorden nodig had om het boek in ontvangst te nemen.


In 1978 verscheen de verzamelbundel Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen varianten en constanten onder redactie van René A. Römer. Een zeer informatief boek met een goed oog voor de bestanddelen van het inlegwerk. De Nederlandse Antillen bestaan eigenlijk niet meer, maar het samenspel is gebleven.
Dat bleek op 8 september treffend uit de muzikale omlijsting van de Porto Marie middag. Die was in handen van Izaline Calister, begeleid door gitarist Ulrich de Jesus. Voor de pauze zong Calister het mooie lied Gracias a la vida van Mercedes Sosa. Het tweede optreden sloten zij af met een opwekkend liedje over Compa Nanzi die de rest van de wereld weer te slim af was. Hij weet de jeuk, ontstaan tijdens het opschonen van een veld met brandnetels, mooi te benutten. Misschien als het soort politicus waar Jopi Hart de buik vol van heeft?  
 
Karin Amatmoekrim. Foto © Frank Consen
Terwijl dit allemaal gebeurde aan de Bos en Lommerweg vond bij de Vereniging Ons Suriname aan de Zeeburgerdijk een soortgelijke middag plaats. Daar waren o.a. Antoine de Kom en Karin Amatmoekrim aanwezig. De muziek was er in handen van Sanne Landvreugd. 
Sanne Landvreugd. Foto © Michiel van Kempen
Laten we hopen dat volgend jaar deze twee bijeenkomsten  niet op dezelfde dag georganiseerd worden. Auteurs en de boeken verdienen dat. De potentiële lezers trouwens ook. Maar het tij is waarschijnlijk inmiddels al gekeerd. Op 13 oktober a.s. organiseert uitgeverij In de Knipscheer in de OBA een Antilliaans en Surinaams boekenprogramma met onder andere Janny de Heer en Eric de Brabander. Muziek zal er zijn van de groep FTTP van Frank Ong-Alok. De middag wordt gehouden onder de titel Een droom die ik heb.

Dat is ook de titel van een nieuwe bundel gedichten van  de markante  dichteres Nydia Ecury (1926-2012). Een van haar bundels Kantika pa Mama Tera / Songs for Mother Earth schreef ze speciaal om het Caraïbisch mozaïek bijeen te houden, staat er op de achterflap van dat boek.
Nydia Ecury

 Tijdens haar leven stelde zij nog een Nederlandstalige bundel samen. De presentatie hiervan zal op 13 oktober voor de liefhebbers van haar poëzie een mooi moment zijn. En naar ik hoop ook voor nieuwe lezers.

“Een droom die ik heb”

Testament
Ik ben geen fervente kerkganger, maar zou meneer de pastoor toch nog wat woorden kwijt willen aan mijn graf, zeg hem dan dat ik zei, dat hij aan alle aanwezigen aangeeft, dat ze minder moeten zeuren en meer van elkaar moeten houden.



Caraïbisch boekenprogramma met voordrachten, interviews, beeld en muziek

Onder de titel ‘Een droom die ik heb’ organiseert Uitgeverij In de Knipscheer op 13 oktober een gevarieerd boekenprogramma met schrijvers uit of over de Antillen. Eric de Brabander komt over uit Curaçao en presenteert zijn derde roman De supermarkt van Vieira. Van Nydia Ecury, geboren op Aruba in 1926 en in 2012 overleden op Curaçao, verschijnt haar eerste nog door haarzelf samengestelde Nederlandstalige gedichtenbundel Een droom die ik heb. Over het 19de eeuwse Suriname publiceert Janny de Heer haar grote historische roman Gentleman in slavernij. Karin Lachmising komt speciaal uit Suriname voor de lancering van haar debuut, de gedichtenbundel Nergens groeit een boom die haar aarde niet vindt.

Michael Slory. Foto © Ruth San A Jong
Rogeria Burgers houdt haar documentaire cd Aan de waterkant ten doop met een bijzonder interview met de grote Surinaamse dichter Michael Slory.

Dit alles wordt muzikaal omlijst door de groep FTTP (Flower to the People) van de (van Surinaamse komaf zijnde) gitarist/componist Frank Ong-Alok. Van hem verschijnt dan het prentenboek-met-cd Bloemies.


Datum: zondagmiddag 13 oktober 2013, zaal open 14.30 uur; programma 15.00 tot 17.15 uur

Locatie: Theater van ‘t Woord OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam) Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
 
Frank Ong-Alok. Foto © Wim Stad
Presentatie Franc Knipscheer, interviews Peter de Rijk
Reserveren kan uitsluitend door overmaking van € 5,00 op ING bank 3647173 t.n.v. Uitgeverij In de Knipscheer o.v.v. uw e-mailadres.
Na afloop signeren de auteurs voor belangstellenden hun boeken.


Uw kaarten liggen voor u klaar op zondag 13 oktober vanaf 14.00 uur bij Theater van ’t Woord (7de etage)


zaterdag 2 maart 2013

Nydia Ecury, Febr. 2, 1926 - March, 2, 2012

Nydia Ecury. Photo @ Nicolaas Porter

March 8th is International Women's Day. We want to kick off this month, with a salute to all Dutch Caribbean women past, present, and future, famous or unknown, by celebrating their accomplishments and future achievements while safeguarding, producing or sharing the Dutch Caribbean cultural heritage. And who better to kick off this month of Amazing women with, than with the multi-talented Aruban artist Nydia Ecury, whom we commemorate today as tomorrow March 2 will be 1 year that she passed away in Curaçao at the age of 86.

Ecury was born in Aruba on February 2, 1926 but lived in Curaçao since 1957. Nydia Ecury was a true performing artist in the Caribbean tradition. She co-founded the Thalia drama group, she translated famous foreign plays into her native language Papiamentu, and she was an actress. She wrote prose, poetry, and children’s stories in Papiamentu, Dutch, and English. She also worked as a translator. She published six collections of poetry, including Bos di Sanger [Voice of Blood] in 1976 and the bilingual Kantika pa Mama Tera / Song for Mother Earth in 1984. Ecury was an ambassador of Dutch-Caribbean literature. She represented the Netherlands Antilles more than 20 times at literary festivals in the Caribbean, Venezuela, the Netherlands, and the United States. She was best known for her poetry recitals, often performed with musical accompaniment. She appeared as Mama Grandi in the film Almacita di Desolato (1986) produced by Norman de Palm. She also gained fame with her one-woman show Luna di Papel [Paper Moon] in 1980. For her cultural contributions she was awarded a Netherlands Royal decoration three times. Curaçaoan pianist Wim Statius Muller composed the waltz Nydia in her honor. In the last few years of her life, Ecury had Alzheimer’s disease. But in 2011 she appeared on Di Fiesta, the Christmas CD of Curaçaoan jazz and world music diva Izaline Calister, singing the lead vocals of ‘Un Niño Krioyo.’ And in 2012 Ecury appeared on the personalities’ calendar of the New India Assurance company, which was designed by her daughter Caresse Isings. Ecury is also survived by her son, Alexander Isings. Nydia, Thank you for your contributions to the Dutch-Caribbean cultural heritage and for being a daring and inspiring role model for women everywhere.

Information compiled from a previous article by Peter Jordens who used the following sources: Caraibisch Uitzicht and again, You Tube, and Konosé … Who’s Who in Curaçao (2007). Pictures compiled by Giselle Ecury from family album. Dutch speakers can read her thoughtful and eloquent goodbye to her aunt at Caraibisch Uitzicht.


[from Dutch Caribbean Knowledge & Cultural Heritage]

vrijdag 8 juni 2012

Festival Feminino in Teatro Luna Blou


7 juni t/m 10 juni in Teatro Luna Blou, Curaçao



De derde editie van het tweejaarlijks festival

Festival Feminino, een ode aan de vrouw in haar kunnen en haar kunst. Dát is wat we met dit festival willen brengen. Verschillende vrouwen, verschillende culturen, talen en verhalen. De vrouwen, moeders, oma’s, nemen nu eenmaal een belangrijke plaats in, in het dagelijks leven, het bedrijfsleven en de politiek. Zeker als je kijkt naar onze Curaçaose samenleving. Als theater hebben we er daarom voor gekozen de vrouw als kunstenaar in the spotlight te zetten.

Op het podium alleen vrouwen. In de zaal en bij de borrel, vrouwen én mannen! Mannen zijn van harte welkom, dus laat je niet afschrikken. We kunnen van elkaar leren en dankzij de openheid en oprechtheid van de voorstellingen, is het festival interessant voor iedereen!



De verschillende voorstellingen zijn:

Ontboezemingen

Nederlandstalig door: Adrienne Kleiweg, Aukje van Ginneken, Diana Dobbelman, Dominique van Vliet, Leyla Çimen

Een humoristisch drama over borstkanker. Ieder van hen gaat op haar eigen manier de strijd aan met de ziekte maar vooral met zichzelf Een voorstelling over lijden en leven. Over overlijden en overleven. Het leven is leuk! Of niet soms? Een voorstelling met een humoristische ondertoon en absurdistische wendingen.


Woman Talk
Denise Jannah

Meertalig: door Denise Jannah (zang) en Anastacia Larmonie (vleugel) Denise Jannah zal uit volle borst komen zingen onder de bezielende leiding van Anastacia Larmonie. Woman Talk zal een verzameling zijn van mooie liedjes in verschillende talen. Een poëtisch muzikale avond.


One woman show

Papiamentstalig: Een ode aan de ons onlangs ontvallen Nydia Ecury.

Nydia Ecury
Luna di Papel, Een van haar One women shows zal vertoond worden op ons big screen in Teatro Luna Blou.

Gedichten door Caresse Isings


Bon Kurpa
Diana Lebacs

Papiamentstalig door: Diana Lebacs, Anne-Marie Braafheid, Marietta Eugenio, Lilimar Valencia, Jelleke Heuvel-Praamsma



Deze voorstelling is een mix van monoloog, dialoog en dramatical reading. Iets ‘anders dan anders’ dus! 3 vrouwen, een dokter, een assistent, een wachtkamer, een receptie en een terras. Voelen de vrouwen zich na alle schoonheidsoperaties echt mooier?



Minisymposium preventie borstkanker

Prinses Wilhelmina Fonds heeft verschillende specialisten uitgenodigd om een voorlichting te geven en vragen te beantwoorden over (de preventie van) borstkanker.




Programma Festival Feminino


Caribbean woman, by Madiha Yearwood

7 juni

19:30 Feestelijke opening Festival Feminino

20:30 Première Ontboezemingen Nafl. 75



8 juni

19:00 Woman Talk Nafl. 30, -

21:00 Bon Kurpa Nafl. 25, -

Passe-partout Nafl. 45, -



9 juni

17:00 One Woman Show Nafl. 20,-

19:00 Woman Talk Nafl. 30, -

21:00 Ontboezemingen Nafl. 35, -

Passe-partout Nafl. 70, -



10 juni

12:00 Minisymposium + meet and Greet cast Ontboezemingen

15:00 Ontboezemingen Nafl. 35, -

19:00 Bon Kurpa Nafl. 25, -

Passe-partout Nafl. 50, -

dinsdag 1 mei 2012

Nydia Ecury



Portret van de Antilliaanse dichter Nydia Ecury, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 23 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

zaterdag 21 april 2012

Nydia Ecury: ver weg en toch dichtbij


door Giselle Ecury

Zondagnacht, 4 maart 2012. De slaap wil niet komen. Hij vermijdt me, laat me barsten, stuurt me in de donkerte van de kamer vele gedachten, herinneringen, beelden, alles behalve het zwarte gat om in te vallen, de dromen. De torenklok in de verte luidt de 5e maart in. Het begint te regenen.


Doopplechtigheid Kantika pa Mama Tera 1984. Vlnr. Enrique Muller, Marjan Willemsen, Caresse Isings, Nydia Ecury, Alexander Isings, Nic Møller, Eliane Haseth.


Ik word meegenomen naar Curaçao en denk aan mijn tante. Nydia Ecury. Haar huis aan de Karawaraweg, wanneer ik na een lange vlucht bij haar aankwam voor een vakantie, waarop we ons beiden lang verheugd hadden. Ik kan het uittekenen, zie ons in het avondlicht zitten op de witte plastic stoelen die ze heeft vastgeketend aan het traliewerk voor de openslaande deuren. De krant ligt tussen ons in. Op haar fornuis suddert onze maaltijd. Straks zullen we lunchen op haar porch, aan de ronde tafel. In mijn appartementje is de koelkast goed gevuld en het bed fris opgemaakt. Ze drukt me op het hart, dat ik de boel wel goed moet afsluiten. We hebben twee weken voor ons om samen te zijn. We weten allebei, dat we tegelijkertijd ook rustig onze eigen gang kunnen gaan. Ze zet mij ergens af – meestal bij Avila, onze meest geliefde plek aan zee, onder het palmendak in de “bear chairs” met een boek, doet wat ze moet doen en haalt me weer op.

One Woman Show 1980. Sketchtitel: ‘Who The Tata Be’.

We praten vooral over woorden en dichten, over wat zinnen sterk maakt en wat niet, over schrijven in het algemeen, literatuur en optredens, over mensen en de wereld. Over haar familiehistorie, waarvan ik gretig kennisneem, omdat ik hoop er iets van mijn vader (haar oudste broer) en van mezelf in terug te vinden. Ze is zorgzaam en gastvrij en soms een beetje streng. Het geeft niet, omdat ik dan – vijftig jaar oud – weer even kind ben en soms in de contramine: Tante Generaal!

“Pas op voor onze zon,” waarschuwt ze. “Je mag niet de hele dag bij Avila zitten. Wil je daar pas om 2 uur weg? Nee, meisje. Dat is te laat. Ik haal je op om 12 uur.” Punt uit. Twelve o’clock it is... Ach, wat dan nog?

Het weer moeten wennen aan Nederland. Ieder telefoongesprek met haar helpt. Frappant is, dat ik haar bel als zij juist aan mij denkt en dat zij bij mij binnen rinkelt, als ik net haar nummer wil intoetsen. “Verdad? ” vraag ze dan verrast. “Ay, waarom roep je mij?”

Dan komt – te snel – het moment, dat zij de geliefde berg, waarop ze woonde, heeft moeten verlaten. De aanleunwoning die ze heeft betrokken, biedt haar veiligheid. Ze laat het ons trots zien, ze kent haar buren al, maakt een praatje. Er wordt gelachen – Nydia ten voeten uit. Maar bij het afscheid houdt ze lang mijn hand vast en ze zegt niet, zoals altijd, dat ik snel terug moet komen. Ze kijkt naar me, alsof ze me probeert te onthouden. Ik geef haar een brasa en nog één, hart tegen hart, snuif aan haar, zoals zij dat doet bij mij. Als tante versus nichtje en nichtje versus tante weten we allebei, dat het goed was en is en blijft. Als schrijvers weten we alles van de kunst van het weglaten. In dat moment lag meer besloten dan in een heel boek.

In de auto zijn we stil. Op de plaats van bestemming zeg ik tegen mijn dushi: “Dit is de laatste keer dat ik tante Generaal heb gezien.” Het is bewaarheid geworden.

Door het grote aantal kinderen werd een deel van de moederlijke taken uitbesteed aan de Jaja. Op de foto de even geliefde als toegewijde Jaja Matilda ‘Tètèchi’ Wees, omringd door de Ecury-dochters Nydia, Mimi en Yvette (circa 1946).

Nu is het vroeg in de ochtend van 5 maart en de slaap wil niet komen. Hij vermijdt me, laat me barsten, stuurt me in de donkerte van de kamer vele gedachten, herinneringen, beelden, alles behalve het zwarte gat om in te vallen, de dromen.

“De doden moet je met rust laten,” zei tante Nydia me vroeger wel eens. “Mensen moeten hen niet gaan aanroepen voor allerlei flauwekul. Laat ze toch rusten in vrede!” Nu denk ik aan haar en wens ik haar het licht toe en heel veel van die rustige vrede. Ik weet dat het goed is. Ze heeft me toch verteld dat ze niet bang is om te sterven, noch voor “the world beyond”?
Eindelijk houden al mijn gedachten op te bestaan tot de vogels via het geopende raam hun deuntjes bij ons naar binnen fluiten – is het al half negen? Aardig, dat Morpheus me dan uiteindelijk nog zo’n tijd onder zeil heeft gehouden. De dag begint.

Eerst is er een e-mail van mijn nicht Katy met daarin het verzoek haar een gedicht te sturen van onze tante. Ik loop naar boven, pak de bundels die ik heb. Een handgeschreven briefje uit 2001 fladdert eruit. “Dag lieverd,” is de aanhef. Dat komt aan. “Dag lieverd,” antwoord ik, hardop.



Familie Ecury in 1925: Nora, Annie, Nicky, Aura, Mimi, Boy, Baby, Du, Dundun en Betty.

Ze vraagt van alles over hoe ik mijn eerste boek denk uit te brengen, schrijft over de prachtige rapportcijfers van haar oudste kleinzoon Richie (in totaal zal ze er vier krijgen en ze is heel erg trots op alle jongens) maar dat de juf hem wel wat slordig vindt: “De genen, de genen…” Ik hoor het haar zuchten.

Ook laat ze me weten dat zij is overgegaan van Word Perfect naar Word en dat gedeelte wil ik u zeker niet onthouden: “Ik krijg nu les om het onder de knie te krijgen en ik besef, dat het mij niet snel genoeg gaat. Soms heb ik zin om tegen het hele apparaat aan te schoppen, maar de tafel is net iets te hoog.”

Ten slotte lees ik, dat ze bezoek gehad heeft van mijn oudste neef en zijn vrouw. Zijn zus is kort daarvoor overleden. “Het was gezellig, maar ook pijnlijk, omdat Marjan er niet meer is,” staat in de brief. “Sindsdien mis ik jullie allemaal in dat verre en koude Nederland veel meer dan vroeger – ik zit op het zeeterras bij Avila te schrijven!” Ik zie het voor me, haar favoriete plek, de bear chairs. Ze heeft zich later door haar ziekte niet gerealiseerd, dat nog maar betrekkelijk kort geleden deze zelfde neef haar eveneens is voorgegaan.

Na de ochtendwandeling met de hond wil ik me terug trekken in mijn schrijfkamer. Ik werk aan een nieuwe roman. Ik besluit de box cd’s van Mahler mee te nemen, inspirerende muziek van een ongekende schoonheid, vind ik. Ik open de kast en mijn vijf stenen kerstengeltjes rollen eruit. Ik moet lachen – slordig, zou de juf zeggen, tja, toch ook die genen… Maar het meeste denk ik aan de collectie engeltjes die tante bijeen gespaard heeft en die nu even dwars door mijn eigen kleine heelal heenzweven.

En zo blijft de rest van deze dag mijn tante van tijd tot tijd bij me aanwaaien. Er is één heel korte reactie tussen de berichten in mijn mailbox n.a.v. mijn In Memoriam, dat deze krant heeft overgenomen van het blog Caraïbisch Uitzicht. Het is een mailtje van collega Eric de Brabander die de kunst van het weglaten eveneens zo goed heeft begrepen. Juist de eenvoud van die paar woorden, in combinatie met de gebeurtenissen op deze dag maken, dat ik het eindelijk echt besef.

Sonia Garmers, Ninfa Palm en Nydia Ecury tijdens de boekpresentatie ‘Tres Rosea’, Bloemhof 1972.

De tante die mij het vaakste het dichtste bij liet komen, is nu nog verder weg gegaan. Het is nu definitief voorbij. Ik snap de impact van tantes woorden dat we hier zo op afstand zitten in het koude Nederland: het is me helaas onmogelijk om over te komen voor het laatste afscheid. Op de een of andere manier weet ik na vandaag, dat het is, zoals het is en dat het er niet toe doet. Wij, met onze Caribische-Nederlandse achtergronden, weten allemaal hoe het werkt. Hier of daar: ons hart komt aan waar het zijn moet. Het is de intentie, waarmee we degene die is overleden met onze gedachten begeleiden.


Eremedaille verbonden aan de orde van Oranje Nassau - 28 april 1972.

Eén ding zou ze prachtig gevonden hebben: dat ze de afgelopen dagen met de mooiste foto’s in alle kranten gestaan heeft. Het is haar zo van harte gegund en brengt haar dichterbij dan ooit.

[eerder verschenen in Antilliaans Dagblad, 10 maart 2012]

Alle foto's uit het familiearchief-Ecury.         

zaterdag 3 maart 2012

Nydia Ecury overleden

Willemstad — De Arubaanse artistieke duizendpoot Nydia Ecury (86) is vanochtend heengegaan. De Arubaanse woonde sinds 1957 op Curaçao. Ze was de zus van verzetsheld Boy Ecury, die in de Tweede Wereldoorlog ter dood werd veroordeeld omdat hij weigerde zijn kameraden te verraden. De dood van haar broer heeft een grote leegte achtergelaten in het gezin Ecury.

Nydia Ecury speelde toneel, vertaalde buitenlandse scenario’s in het Papiaments en schreef proza en gedichten in haar moedertaal, Nederlands en Engels. Ze verscheen in de film Almacita Di Desolato als Mama Grandi. Ze heeft vijf gedichtenbundels uitgebracht, waaronder Bos di Sanger, en schreef diverse kinderverhalen. Ze was een ambassadrice van de Antilliaanse literatuur. De spraakwaterval vertegenwoordigde de Nederlandse Antillen op literatuurfestivals in het Caribisch gebied, Nederland en de Verenigde Staten. Ze was vooral bekend door haar muzikale poëzievoordrachten. Ook verwierf ze faam met haar one-woman show Luna di Papel uit 1980. Vanwege haar culturele bijdragen heeft ze twee keer een lintje ontvangen van het Koninklijk Huis. Ecury was voorheen docent Engels. Dit beroep beoefende ze tot 1987. De bekende Curaçaose pianist Wim Statius Muller componeerde de wals ‘Nydia’ voor haar. Ecury, die de laatste jaren aan Alzheimer leed, verscheen dit jaar in de personality-kalender van New India Assurance. Dochter Caresse Isings was de ontwerper van de kalender. Ecury laat ook haar zoon, Alexander Isings, achter. Nydia, rust zacht.

[uit Amigoe, vrijdag 2 maart 2012]

Zie ook de berichten hieronder

vrijdag 2 maart 2012

In memoriam Nydia Ecury (1926-2012)

Nydia Maria Enrica Ecury werd op 2 februari 1926 op Aruba geboren uit een donkere vader en een blanke moeder. Op haar dertigste is zij op Curaçao gaan wonen. Ecury is gescheiden en moeder van twee kinderen. Aan de Nilda Pinto-school gaf zij lessen in het Engels en Papiaments. Daarna is zij gedetacheerd bij het Departement voor Onderwijs.

Als mede-oprichtster van de toneelgroep Thalia heeft Ecury geregisseerd, toneel gespeeld en enkele buitenlandse blijspelen bewerkt. Ook leidde zij een toneelgroep van kinderen tussen zes en twaalf jaar. Als cabaretière trok zij met haar ‘one woman show’, Luna di papel, papieren maan, volle zalen.

Van Nydia Ecury zijn vier poëziebundels uitgekomen. In 1972 verscheen Tres Rosea, drie ademtochten, die samen met Mila Palm en Sonia Garmers is geschreven. Het boekje gaat over alledaagse onderwerpen zoals kinderen, kindermeisjes en vriendschap. Meer diepgang heeft het gedicht ‘Sekura’, droogte, dat illusies en dood als thema's heeft.
In februari 1976 publiceerde zij de bundel Bos di sanger, stem van het bloed. De dichteres is zich bewust geworden van haar veelzijdige afstamming. In 1978 publiceerde zij haar derde poëziebundel Na mi kurason mará’, aan mijn hart verknocht, en in 1984 een vierde bundel onder de titel Kantika pa mama tera ofwel ‘Song for mother earth’ met een Engelse vertaling naast de Papiamentstalige tekst.


Rekuerdo

Mi ta korda tempu di aña
ku solo su sombra djatardi ta largu
i souchinan ta bula pasa
desesperá
kasi raska tera
buskando kiko
Djo sa

Mi ta korda tempu di aña
ku Kuaresma ta den
i mucha bon mucha
n' ta kome ni un mangel
ni un snup
i biento ta supla
manera chapara
riba lomba di tur mata ku tin

Mi ta korda tempu di aña
ku awa ta yobe
enbes di bai skol
nos ta para b'ei het sapatiá
Ranchero kañá
ta bringa ku otro
pa djis despues hasi bon
tumando mas beter ainda
bashando kansion
na Spañó

Mi ta korda tempu di aña
ku kosecha ta den
nan buriku mará
na porta di tienda
komadernan di Tanki Lender
i di Nòrt
ta ofrese pampuna
bonchi ku pinda
i maíshi di rabu
pa traha pan batí
riba kasuela
na fogón

Mi ta korda tempu di aña
ku tin alabansa pa Mama Maria
ainda mi boka ta purba
aroma di sensia
i mi ta sinti
kon bas di e orgel
ta lora, ta bini
te boltu
nèt den mi pechu

Mi ta korda tempu
ku aña t'ei kaba
i Marichi, mi wela
ta trese foi tienda
ròl di sèn pretu
i bòter di ròm
pa gradisi mei anochi
dandé
pa kantika bunita
i tur bon deseo

Mi ta korda...
Te dia ku sombra di solo
di mi bida
ta largu
lo mi sigui korda
tur tempu di aña
di 'Ruba!


Pa Shon Kita Scholten (r.i.p.)
bondad en pasta



Herinnering

Ik herinner mij de tijd van het jaar
wanneer de middagschaduw van de zon lang is
en zwaluwen voorbijvliegen,
wanhopig,
bijna de grond rakend,
zoekend naar
God weet wat.

Ik herinner mij de tijd van het jaar
wanneer het Vasten is
en lieve kinderen
geen zuurtje
of snoepje eten
en de wind
als een gesel waait
over de ruggen van alle planten die er zijn.

Ik herinner mij de tijd van het jaar
wanneer het regent,
in plaats van naar school te gaan
staan wij onder de dakgoot te trappelen,
aangeschoten Rancho-bewoners
vechten met elkaar,
om het eventjes later weer goed te maken,
terwijl zij dan nog meer borrels nemende
liedjes in het Spaans
staan uit te kramen.

Ik herinner mij de tijd van het jaar
wanneer de oogst binnen is.
Met hun ezels vastgebonden
aan de poort van het winkeltje
bieden de commères van Tanki Leendert
en van Noort
boontjes en
pinda's te koop
maïs aan de stengel
om broodjes van te maken
op de braadplaat
in de oven.

Ik herinner mij de tijd van het jaar
wanneer er lof wordt gezongen voor Moeder Maria.
Nog proeft mijn mond
de geur van wierook
en voel ik
hoe de bas van het orgel
weergalmt en dan precies
tegen mijn borst terecht komt
en zelfs weerkaatst.

Ik herinner mij de tijd
wanneer het jaar teneinde loopt
en Marichi, mijn grootmoeder,
vanuit de winkel
rollen munten van een cent meeneemt
en flessen rum
om te middernacht
de dandézangers te bedanken
voor de mooie liedjes
en alle goede wensen.

Ik herinner mij...
Tot aan de dag dat de schaduw
van mijn levenszon
lang is,
zal ik blijvend de herinnering koesteren
aan alle jaargetijden
van Aruba.


Opgedragen aan Mevrouw Kita Scholten (r.i.p.),
de goedheid zelve.


[Vertaling: D.M. van Schendel-Labega]

[uit Anton Claassen, De navelstreng van mijn taal, Amsterdam: In de Knipscheer, 1992]

Nydia Ecury is niet meer

In memoriam Nydia Ecury (Aruba, 2 februari 1926 - Curaçao, 2 maart 2012)

door Giselle Ecury

Twee uur geleden belde mijn neef Alexander Isings mij op om me te laten weten dat zijn moeder, Nydia Ecury, vanochtend is overleden.

Een legendarische vrouw, een bijzonder mens, een geweldige lerares Engels en Papiaments, schrijfster van kinderboeken, van bijzondere poëzie, een perfecte performer.

Een vrouw die al ruimschoots een vijftiger was en op een dag zei: “Ik ga een onewomanshow doen.” En ze deed het. Ze trok er volle zalen mee. Ze kreeg er heel veel lachers door op haar hand en echt erg veel mensen spreken me er nog altijd op aan. Bij de herinnering aan haar grappen alleen al schieten de tranen hen in de ogen. Als je beelden van die show ziet, begrijp je direct waarom. Alles klopt, qua kleding en timing, mimiek, en types die ze uitbeeldt. Zelfs als je de taal niet verstaat, is het geestig.

Nydia Ecury in 1972

Een vrouw die zich redde in een mannenmaatschappij. Ze voedde twee kinderen op en kon dit eenoudergezin goed onderhouden, bakte bolo, vierde verjaardagen, leerde hen waar het in dit leven om draait.

Haar huis stond open voor iedereen die het aandeed.

Deze bijzondere vrouw was vooral ook: mijn tante.

Zij was het die me op mijn 18e vijf dagen van Aruba haalde, waar ik voor het eerst sinds 12 jaar logeerde, omdat ze vond, dat ik ook Curaçao moest leren kennen. Wat ze misschien wel bedoelde, was, dat ik háár moest leren kennen, plus haar zoon en dochter, mijn neef en nichtje, mijn familie op dat eiland waar zij zoveel van hield en waar ze zo thuis was.

Zij nam me vele jaren later mee naar het huis waar in 1911 mijn vader geboren werd: het huidige Museum Kurá Hulanda.

Ik zal nooit vergeten hoe ze de werkzame bouwvakkers daar voorzag van grappen en een privé onewomanshow.

Hoe ze altijd wel voor iedereen die ze op straat zag, veelal gewoon vreemden, iets aardigs zei: “Wat zie je er vandaag mooi uit, wat zit je haar leuk, ach, wat staat die jurk je leuk!” En zonder dat ze het wist, dacht ik dan aan mijn vader, die dat ook altijd deed.

Optreden van Giselle Ecury op de porch bij haar tante Nydia Ecury, Aruba, 2005

Bij haar logeerde ik zeer regelmatig en daar verheugde ze zich op. Ze belde me dan om me te laten weten, dat ze een aantal keer moest optreden en daar was elke keer wel een bezoek aan de Gouverneur bij. Dan drong ze erop aan, dat ik vooral nette kleren meenam. Stond ik – zelf inmiddels een jaar of 40 – dan vóór haar op zo’n bewuste avond, bekeek ze me om vervolgens mijn doorgaans keurig nette outfit vrijwel direct af keuren.

“Ga je zó naar de Gouverneur? Met open schoenen? Met blote schouders? Dat kan niet. Zó kun je niet mee!” In discussie ging ik niet. Ik leende een paar nette hakken en een omslagdoek van haar en zo maakte ik haar gelukkig.

Op een dag stribbelde ik toch vrolijk een beetje tegen. “Tante Generaal” noemde ik haar.

Misschien was ik de enige, die zoiets ongestraft kon zeggen, die haar zó durfde te noemen. Ze gooide haar hoofd in de nek en lachte er hartelijk om. Het werd een eretitel. Het was bekend, dat zij vanaf dat moment mijn Tanta Generaal was, mijn dushi tanta… General!

En werden haar geregel en restricties héél erg, dan keek ik haar aan en noemde ik haar Tanta Generalissimo. Dat ontlokte helemaal een hoop plezier en vooral één uitroep: “Ai, Ecury yu!”

Zij organiseerde mijn eerste optreden, toen mijn debuutdichtbundel uit was, bij haar op de porch. Ze was trots en blij, dat nu iemand van de volgende generatie eveneens poëzie schreef, dat “het werd doorgegeven”, zoiets vond ze belangrijk.

Nu is ze er niet meer. Eigenlijk al langere tijd niet, omdat haar doorgaans ijzeren geheugen haar sinds een paar jaar in de steek liet. Een moeilijke tijd – dementie is in het laatste stadium vooral voor de mensen uit de omgeving van de patiënt erg moeilijk. Dat hele proces heb ik met mijn moeder meegemaakt. Het gevoel is dubbel, als de dood daar dan op volgt. Het is voorbij – een opluchting, maar vooral: wat definitief. Want ze is wel die moeder en oma, die vriendin. En voor mij: mijn tante Generaal. Ik heb er alle vertrouwen in, dat zij goed is aangekomen bij allen die haar zijn voorgegaan en die van haar hielden.

Nydia Ecury.

Alleen haar naam zegt eigenlijk meer, dan alles wat ik hier zomaar, zonder pauzeren, heb opgeschreven.

woensdag 18 januari 2012

Nydia Ecury - Sekura/Droogte

Sekura

Ata 'wó
m'a keda so
maner' un mata
ku su raiz
kobá, ranká
ta seka
warda morto

Den mi kabei
para preto
di ultratumba
a sinta traha neshi
pa nan fika

Dje yobida di antaño
ay, un keda ni un gota
pa alivia e gran sekura
den mi alma

Ata 'wó
e mata skur y seku
ku ta mi mes
ta persiguimi
henter dia
y den mi soño
para preto
ku nan gritonan
salvahe
ta koba, ranka, piki
den dje tiki
ku a resta
di mu kurazon
kibrá...




Droogte

Kijk, hier sta ik dan,
alleen,
als een plant
met uitgegraven, uitgetrokken
wortels
uit te drogen,
wachtend op de dood.

In mijn haren
hebben zwarte vogels
van gene zijde van het graf
zich een nest gebouwd
om te overnachten.

Van de regen van weleer,
ach, daarvan rest geen druppel
om de grote droogte
in mijn ziel te lessen.

Kijk, hier sta ik dan:
die donkere, dorre plant
die ik zelf ben
vervolgt mij
de hele dag door,
en in mijn dromen
graven, trekken, plukken
zwarte vogels
met hun woeste kreten
in dat kleine beetje,
dat nog is gebleven
van mijn gebroken
hart...


[Vertaling Daphne van Schendel-Labega]

dinsdag 4 januari 2011

Gedichten over eilanden (II)


Aruba
door Albert Hagenaars

[Vaar naar de vuurtoren is een anthologie met gedichten en volksliederen over álle eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Vandaag aandacht voor Aruba.]

Aruba, qua oppervlakte net iets kleiner dan Walcheren en qua inwoneraantal dan Den Bosch, heeft een bonte en dus boeiende geschiedenis. Zo was Aruba het eerste eiland dat met de Status Aparte een land werd binnen het Koninkrijk der Nederlanden, op 1 januari 1986.
Het imago van de op 30 december 2010 overleden entertainer Roberto Alfonso ‘Bobby’ Farrell, voor het grootste deel van z’n carrière het gezicht van Boney M. (een groep die 150 miljoen platen wist te verkopen) is dankzij de speling van het lot het bekendste van het eiland afkomstige cultuurproduct.

Niet toevallig leverde Aruba, na Curaçao, de meeste gedichten voor het boek. Die zijn van: Nena Bennett, Frida Domacassé, Giselle Ecury, Nydia Ecury, Helena Engelbrecht-Fornara, Henry Habibe, Ireno Ricardo Kock, Clyde Lo-A-Njoe, Quito Nicolaas, Roberto Henriquez en Ramón Todd Dandaré, aangevuld door Juan ‘Padú’ Lampe, bijgenaamd tata di nos cultura, die de tekst voor het volkslied schreef op muziek van Rufo Wever. Het heet ‘Aruba dushi tera’ (wat ‘heerlijk land’ betekent). Omdat het Papiaments de overheersende thuis gesproken taal is (70% tegenover ruim 6% Nederlands) en het onafhankelijkheidsstreven altijd sterk was, moest ook van de Arubaanse bijdragen een aantal vertaald worden, maar liefst 7 stuks. Gelukkig is zowel het origineel als de vertaling opgenomen.

Alle teksten verschenen eerder; sommige in de aan de Benedenwindse eilanden gewijde anthologie De kleur van mijn eiland: Aruba, Bonaire, Curaçao, II (2006), andere in de verzameling De navelstreng van mijn taal – Poesía bibo di Aruba /Levende poëzie van Aruba (1992).

Is ‘eilandgevoel’ het sleutelwoord van de anthologie in z’n geheel, voor Aruba zijn, gezien de frequentie, woorden als heet, zon, wind, zout, steen en zee, die bij de meeste participanten in telkens andere combinaties terugkeren, het belangrijkst. Deze en enkele andere, soortgelijke motieven vormen als het ware het lexicale skelet van Aruba. Samen bieden ze meer dan genoeg om de fantasie te prikkelen en de poëzie in werking te zetten. Die komt dan ook sterk opzetten in het aan Aruba gewijde deel van het boek, sterker dan je op basis van de beperkende omstandigheden zou verwachten. Als we het in andere opzichten aansprekende volkslied buiten beschouwing laten, valt het nog niet mee om zo objectief mogelijk de tekst te kiezen die poëtisch het meest te bieden heeft. Daarom verlaat ik me maar op m’n eigen, uiteraard hoogst subjectieve oordeel en neem ik ‘Paradise lost’ over van Giselle Ecury, dat met weinig omhaal van woorden dusdanig de beschrijving en het lot van een kind van zes mee weet te ontstijgen dat het niet alleen verdrietig en schrijnend genoemd mag worden. Het raakt, met name in de slotstrofe, aan een staat van zijn die veel verontrustender is, die namelijk zelf in het geding is. De vervreemding zet echter al in met het neologisme in ‘palmend groen’, met de originele beeldspraak van ‘in rafels zwaaien’ en ook met de tegenstelling tussen ‘stil’ en ‘zwaaien’:


Paradise lost

buiten stond het palmend groen
stil langs de startbaan
in rafels te zwaaien
toen ik moest gaan
eilandskind

de wind draaide zich
de zee verbleekte
liep kolkend leeg
lucht wolkte vormeloos uiteen
de pop op mijn arm huilde
tranen van steen
warmte hield haar adem in
de zon ging uit
ik verdween
kind van zes

het vliegtuig vloog mij uit elkaar
nergens kwam ik aan
ik ben
alleen
niet van hier
niet meer van daar
ertussenin
ontdaan


De vraag naar de identiteit of het besef van verlies daarvan, raakt in het vacuüm van het vliegtuig dat bij geen enkel land hoort, in een ruimte die zelfs primaire herkenningspunten als lucht en zee verliest, vervlochten met thema’s als emigratie/immigratie, heimwee maar evengoed een onbestemd verlangen, en initiatie.
De eerste en laatste regel van deze strofe zijn subliem. De slotregel bestaat maar uit één woord maar telt voor twee vanwege de dubbele betekenis; ook het voltooid deelwoord van ‘ontdoen’ schemert er toepasselijk doorheen.

Een groter verschil dan met de eveneens bewondering afdwingende slotstrofe van het gedicht ‘Lago Heights’ van Frida Domacassé is haast niet denkbaar. Na elf kwatrijnen van gedetailleerde beschrijvingen van de eigen buurt (zie titel) en de benoeming van de bewoners daar, gezien het gebruik van de verleden tijd deels gebaseerd op herinneringen, sluit Domacassé af met een lofzang van slechts twee regels die echter wel twee keer zo lang zijn. Met de elfde strofe erbij, luidt die:


pronkend strompelend op gouden muiltjes
dansen op cubaans’ muziek
tot we onder een grote klamboe
sliepen van het spelen moe.

vijf stille straten in het maanlicht driehonderd huizen ingedut
tientallen dromen van geluk min lago heights op een voetstuk.


Wat de gedichten van Ecury en Domacassé en zoveel andere dichters in dit boek wel delen is het terugkijken op een geluksperiode die samenvalt met zowel de jeugdjaren als met de kleine ruimte waar die hun beslag in kregen. Een uitstekend voorbeeld levert Nydia Ecury, die haar bijdrage niet voor niets ‘Herinnering’ noemde. Het woord ‘herinnering’ komt er maar liefst zeven keer in voor, in telkens de eerste regel van evenzoveel strofen. Elk daarvan is gevuld met prachtige beelden. Om er slechts twee te kiezen, maar nu in het Papiaments:


Mi ta korda tempu di aña
ku tin alabansa pa Mama Maria
ainda mi boka ta purba
aroma di sensia
i mi ta sinti
kon bas di e orgel
ta lora, ta bini
te boltu
net den mi pechu

Mi ta korda tempu
ku aña t’ei kaba
i Mariachi, mi wela
ta trese foi tienda
ròl di sèn pretu
i bòter di ròm
pa grandasi mei aanochi
dandé
pa kantika bunita
i tor bon deseo


Ecury toont hiermee tevens treffend aan hoe geschikt het Papiaments, mede dankzij de diverse bronnen waaruit de Portugese humuslaag bevloeid wordt, voor poëzie is. In de Nederlandse vertaling van Lucille Haseth en Aart G. Broek luiden de betreffende fragmenten: De tijd van het jaar herinner ik mij / van het Lof voor Moeder Maria / mijn mond proeft nog / de geur van wierook en ik voel nog / hoe de bas van het orgel / komt aangerold tot hij precies / in mijn borst over de kop slaat. // De tijd van het jaar herinner ik mij / wanneer ’t ten einde loopt / en mijn grootmoeder Mariachi / uit haar winkel rollen zwarte centen / en flessen rum meebrengt / om te middernacht / de zangers van dande te bedanken / voor alle mooie liederen en alle goede wensen.

Henry Habibe richt zich in ‘De verbeeldingsdans’ op al die verschillende invloeden. Hier is, in de vertaling van D.M. van Schendel-Labega, het laatste deel van zijn gedicht:


Estreya, Estreya,
geheel in het geel gekleed
waar men zoenoffers brengt:
de troepiaal van onze samenleving.

Portugezen als straatvegers,
baboes als wasvrouwen,
Chinezen als strijkbazen,
San Nicolas als koperblazers.

Mensen en nog eens mensen,
hoeden versierd met zwarte linten,
dat is nou Aruba
dat is nou Aruba.

Zo danst men daar
de verbeeldingsdans,
de verbeeldingsdans.


Niet misschien de beknoptste maar zeker de krachtigste regels vinden we aan het slot van ‘Vlammend Eiland’ van Roberto Henriquez, die nog beter hun werk doen door de geslaagde syntactische verknoping:


en elke dag
van elk jaar
wringt wreed
tot zweet
het vuur mijn land


Het is moeilijk niet nog meer te citeren maar de andere eilanden wachten en die weten weliswaar maar al te goed wat uithoudingsvermogen is maar willen evenmin als Aruba hun geduld te lang laten beproeven.

Alle teksten in Vaar naar de vuurtoren werden in de originele taal afgedrukt, die in het Fries en Papiaments tevens in vertaling, de Engelse om begrijpelijke redenen niet.

Het resultaat is hoe dan ook een in alle opzichten afwisselend boek dat velen zal boeien én zelfs de koffers doen pakken!


Vaar naar de vuurtoren - gedichten over eilanden. Samenstelling en redactie: Klaas de Groot. Uitgeverij In de Knipscheer. ISBN: 978-9062-656585.€ 18,50

Bovenste foto: Aruba 2006, @ Michiel van Kempen