We moeten de slavernijgeschiedenis
ontdoen van het clichébeeld: witte daders en zwarte mensen als louter
slachtoffers, schrijft Marcel van Engelen. Juist ook in Nederland, dat
twee eeuwen lang in het hart van de trans-Atlantische slavenhandel opereerde.
 |
| Het kasteel van Elmina in 1704 |
door Marcel van Engelen
Gelegen aan wat ooit de Goudkust heette, is het kasteel van Elmina de oudste
Europese stenen nederzetting in Afrika bezuiden de Sahara. De bouw ervan door
de Portugezen, in 1482, was de eerste stap van de Europese kolonisatie van
'Zwart Afrika'. Christoffel Columbus was zeer waarschijnlijk getuige van de
uitbouw van het kasteel. Tien jaar later zou hij 'Amerika ontdekken' en de twee
bases van de trans-Atlantische slavenhandel met elkaar verbinden.
Dat de commerciële uitbater van het West-Indisch Huis in Amsterdam de
geschiedenis liever verborgen houdt, is misschien nog te begrijpen. Het fraaie
herenhuis in het centrum was ooit het hoofdkwartier van de West-Indische
Compagnie, het bedrijf dat een eeuw lang zijn Nederlandse alleenrecht op het
kopen en verschepen van Afrikaanse slaven overzee beschermde. Maar dat hij die
historie kan wegmoffelen zonder dat de meeste bezoekers daar iets van merken,
is veelzeggend. Het tekent de onbekendheid van deze geschiedenis.
Terwijl dit verleden zo zichtbaar is: er wonen veel zwarte mensen in Nederland.
Welk andere deel van de Nederlandse geschiedenis loopt zo zichtbaar over
straat? Welk deel van de vaderlandse historie is zo duidelijk aanwezig als je
de tv aanzet en bijvoorbeeld naar het Nederlandse voetbal kijkt of naar een
Amerikaanse speelfilm?
Toegegeven, de aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden is de laatste
jaren behoorlijk opgeleefd. Dat is een wonderlijk proces geweest. Een eeuw oude
geschiedenis kwam opeens in de belangstelling te staan.
In 1990 zag de eerste uitgebreide studie naar de Nederlandse slavenhandel het
licht (gemaakt door een Friese Amerikaan, geen toeval). En in 2002 verrees in
Amsterdam een nationaal slavernijmonument, een kleine anderhalve eeuw nadat de
slavernij in Suriname en op de Antillen werd afgeschaft.
 |
| Screenshot uit De Slavernij (NTR) |
Dat monument werkte als een katalysator. Er kwam een nationaal
onderzoeksinstituut, tentoonstellingen werden georganiseerd,
theatervoorstellingen gemaakt, er verschenen artikelen in de krant, het
slavernijverleden werd opgenomen in de historische canon, het
Historisch Nieuwsblad organiseerde 'een
dag van de slavernij' en in 2011 was er zelfs een tv-serie van de publieke
omroep.
De Slavernij, gepresenteerd
door Daphne Bunskoek en Roué Verveer, na
De
Oorlog de tweede grote historische serie van de NTR.
Nakomelingen van slaven joegen de oplevende publieke belangstelling aan. Wat
daarbij hun - bewuste of onbewuste - strategie was: de wrede en dramatische
kanten van deze geschiedenis benadrukken. Aanzetten. Soms ook overdrijven. In
elk geval niet: relativeren. Toen de drijvende kracht achter het monument,
Barryl Biekman, een ronde maakte langs Tweede Kamerleden om steun te krijgen
voor haar plan vroegen de geschrokken parlementariërs: had het niet wat minder
gekund? Nee, want dan hadden ze waarschijnlijk niet geluisterd. Het was nodig
om de aandacht te krijgen.
Maar de strategie kon ook groteske vormen aannemen. De Surinaamse econoom
Armand Zunder kwam in 2008 naar buiten met de claim dat Nederland 379 miljard
euro compensatie moest betalen aan vooral nakomelingen van Afrikaanse slaven in
Suriname. Hij baseerde dat bedrag op berekeningen die nogal wankel waren
opgebouwd.
Zou het kunnen dat sommige mensen juist door dit soort claims weinig van de
slavernijgeschiedenis willen weten? Dat ze juist daardoor deze geschiedenis
niet serieus nemen?
 |
| Elmina |
Het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische slavenhandel was aanzienlijk.
Het door historici becijferde percentage van 5 procent is verraderlijk, omdat
dat is gebaseerd op de vlaggen waaronder Europese slavenschepen van Afrika naar
de Nieuwe Wereld voeren. In West-Afrika waren de Nederlanders invloedrijker dan
de 5 procent suggereert. Vanuit hun handelsposten - met als centrum het kasteel
van Elmina aan de kust van huidig Ghana - werden ook Afrikaanse slaven geleverd
aan Portugese schepen, soms aan Engelse schepen of aan Amerikaanse.
Ongeveer twee eeuwen lang, van 1637, toen de West-Indische Compagnie het
kasteel van Elmina veroverde op de Portugezen, tot het begin van de 19de eeuw,
opereerde Nederland in het hart van de overzeese handel in Afrikanen. Er was
een periode, vanaf 1689 tot halverwege de volgende eeuw, dat Portugezen een
handelspas in Elmina moesten halen om verderop aan de Afrikaanse westkust
slaven te mogen kopen - zo hadden de landen het onderling afgesproken.
 |
De slavernij van Francico Cafferata, Plaza Sicilia, Buenos Aires, Argentinië.
Foto © Roberto Fiadone |
Hoofdschuldigen
Als je de trans-Atlantische slavenhandel wilt opdelen in schuldige Europese
naties, dan waren er twee hoofdschuldigen (Portugal en Groot-Brittannië) en
drie meelopers: Spanje, Frankrijk en Nederland. Al kun je misschien zeggen dat
een onderscheid naar Europese landsgrenzen misleidend is, omdat de
trans-Atlantische slavenhandel van meet af aan een West-Europese business was
waarin allerlei belangen en verantwoordelijkheden door elkaar liepen.
 |
| Een suikermolen in Brazilië. Schilderij van Frans Post |
De Nederlandse geschiedenis van slavenhandel en slavernij ligt niet alleen in
Suriname of op de Antillen, maar ook in bijvoorbeeld Brazilië. De compagnie
verscheepte tussen 1636 en 1645 bijna 25.000 Afrikaanse slaven naar toenmalig
Nederlands-Brazilië. En in de 18de en 19de eeuw voeren Portugees-Braziliaanse
schepen rechtstreeks naar Elmina om daar, en verderop in West-Afrika, slaven te
kopen. Weggevoerde Afrikaanse slaven en hun nakomelingen waren tot ver in de
19de eeuw de grootste bevolkingsgroep in de Nieuwe Wereld, bouwden die wereld
op - dat is ook Nederlandse geschiedenis.
Hoe die geschiedenis tot op de dag van vandaag doorwerkt, is in Brazilië goed
te zien. Het land is niet de vrolijke meltingpot waarvoor het vaak wordt gehouden.
In Brazilië hanteren de publieke universiteiten nu raciale quota: ze zijn
verplicht een vastgesteld aantal studieplekken te reserveren voor jongeren met
een zwarte of gekleurde huid. Het is een erfenis van de (Nederlandse)
slavenhandel en slavernij.
 |
| De slavernij in Afrika |
Een kleine tweeënhalve eeuw, van 1637 tot 1872, was het kasteel van Elmina in
Nederlandse handen en in die tijd groeide het uit tot een van de voornaamste
centra van de slavenhandel in West-Afrika. Het kasteel is nu een
bezienswaardigheid die bij bezoekers uit de hele wereld hevige emoties
losmaakt, niet in de laatste plaats bij Afro-Amerikanen, Jamaicanen of
Surinamers op zoek naar hun roots. Het gebouw was een bewaarplaats van hun
voorouders die uit het Afrikaanse binnenland werden aangevoerd en als vee werden
bewaard in kale stenen holen, alvorens ze naar de Europese schepen werden
geleid.
Het kasteel van Elmina was ook het regiecentrum van de Nederlandse slavenhandel
die langs de hele West-Afrikaanse kust plaatsvond - vanuit deze plek werd die
mensenhandel grotendeels aangestuurd.
Bij de opgeleefde aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden begint het
verhaal vaak bij de verscheping van de samengepakte en geketende Afrikanen -
het gruwelijkste deel van deze trans-Atlantische historie. Verder gaat het
vooral over de slavernij in Amerika en het Caribisch gebied, waar de
weggevoerde Afrikanen voor 80 procent in suikerrijke gebieden belandden,
merendeels om er te werken op de plantages. Het zijn de nakomelingen van de
slaven die deze geschiedenis levend houden, en het grootste en meest recente
deel ligt daar.
 |
| Tekening van een slavenschip |
Wat daaraan vooraf is gegaan, hoe het allemaal is begonnen, hoe de slavenhandel
in West-Afrika verliep, blijft almaar schimmig. Er wordt weliswaar geregeld
gewezen op 'Afrikaanse collaborateurs' die de slaven hebben verkocht aan de
Europeanen, maar hoe die contacten verliepen en wat de rol van Afrikanen zelf
was, wordt nooit helemaal duidelijk. Er is veel minder over bekend. Afrikaanse
volken die in het binnenland oorlog voerden of uit commercieel gewin mensen
roofden, lieten geen archieven of handelscorrespondentie na. De Europeanen die
dat wel deden, kwamen tot het einde van de 19de eeuw het binnenland niet in.
Er speelt nog iets anders. Bij degenen die aandacht vragen voor deze
geschiedenis - in Nederland vooral mensen van Surinaamse en Antilliaanse
herkomst - proef je weinig behoefte om naar de Afrikaanse zijde te kijken.
De geschiedenis van slavernij in Amerika en het Caribisch gebied is voor velen
zo pijnlijk en heeft zo lang weinig aandacht gekregen, tenminste hier in
Nederland, dat eerst en vooral de grote schande ervan wordt belicht -
begrijpelijk. Daarbij wordt een overzichtelijke tweedeling gemaakt: mensen van
Afrikaanse herkomst zijn eeuwenlang geknecht en vernederd, en mensen van Europese
afkomst maakten zich daaraan schuldig.
 |
| Henry Louis Gates |
Ook in de Verenigde Staten wordt de Afrikaanse rol in deze geschiedenis vaak
genegeerd, schreef Henry Louis Gates in 2010 in
The New York Times. De geromantiseerde geschiedversie die volgens
hem sterk leeft: voorouders van zwarte Amerikanen werden uit Afrika weggeroofd
door evil white men.
Als je je
verdiept in hoe leven en (slaven)handel in en rond het kasteel van Elmina zijn
verlopen, ontdek je echter dat de Nederlanders, de Europeanen, tot aan het
einde van de 19de eeuw weinig tot niets hadden te vertellen in West-Afrika. Ze
verbleven in hun forten en handelsposten aan de kust, met enkele tientallen
mannen, of hooguit een paar honderd. Ze kwamen het moeilijk doordringbare en
levensbedreigende binnenland niet in. Dat hoefde ook niet, want de
(slaven)handel kwam naar hen toe. Afrikanen hadden de slavenhandel volledig in
handen tot het moment dat de slaven aan de Europeanen werden overgedragen.
Slavernij en slavenhandel waren al alom aanwezig op het continent voordat de
Europese zeevaarders subsaharaans Afrika bereikten. Afrikanen vielen in
slavernij door oorlog (gevangenen), door een veroordeling van een lokale leider
of door een schuld. Het land gold als gemeenschappelijk bezit; slaven
daarentegen waren een vorm van privébezit. Voor West-Afrikaanse volken was het
niet vreemd om slaven te ruilen tegen spullen. Zo kon de trans-Atlantische
slavenhandel beginnen en grootschalig en langdurig doorgaan.
 |
| John Thornton |
Afrikaans systeem
De Amerikaanse afrikanist John Thornton gaat zelfs zo ver de trans-Atlantische
slavenhandel door westerlingen 'de uitgroei' van een Afrikaans systeem te
noemen. Hij draait het om. Hij bekijkt deze geschiedenis vanuit Afrika, in
plaats van vanuit Europa of Amerika. Hij zegt in wezen: neem de Afrikaanse rol
in deze trans-Atlantische geschiedenis eens serieus. Pas dan begrijp je hoe
deze verstrekkende mensenhandel zich heeft kunnen voltrekken, zonder dat de
Europeanen de mankracht en de militaire middelen hadden om Afrikaanse leiders
en koopmannen hun wil op te leggen.
Historici in Ghana zeggen min of meer hetzelfde: de trans-Atlantische
slavenhandel is niet los te zien van het inheemse, Afrikaanse systeem van
slavernij. Ze waren met elkaar vervlochten. Toen vanuit Europa de
trans-Atlantische slavenhandel werd beëindigd (formeel aan het begin van de
19de eeuw; in werkelijkheid staken slavenschepen zeker tot 1866 de oceaan over)
bleef het inheemse systeem bestaan. Tot 1900 bestonden in het binnenland van de
Goudkust nog markten waar mensen als vee werden verhandeld.
Uit oude ooggetuigenverslagen blijkt nog iets sterkers: de voornaamste
leveranciers van slaven vanuit het achterland van de Goudkust, de Ashanti,
waren verbolgen dat de Europeanen aan het begin van de 19de eeuw wilden stoppen
met de slavenhandel. De koning van de Ashanti wilde graag doorgaan. Het was
lucratieve business. En waar moest hij anders heen met zijn oorlogsgevangenen
en de mannen en vrouwen die in het noorden werden geroofd en die hij als
centrale macht ontving? Ashanti-koning Osei Bonsu vroeg zich in 1820 tegenover
de Britse gezant Joseph Dupuis ook af: waarom vinden de Britten de handel in
mensen opeens slecht terwijl ze die eerst goed vonden?
 |
| Slaven. Uit Inhuman bondage van David Brion Davis |
De Afrikaanse betrokkenheid, voor alle duidelijkheid, doet niets af aan de
Europese of Nederlandse rol. De West-Europeanen die in Afrika mensen opkochten
en verscheepten, cultiveerden een dubbele moraal: wat thuis niet mocht, mocht
ver van huis wel. Ze zetten hun eigen ethiek aan de kant, uit economisch gewin.
En ze ontwikkelden een racistische ideologie om de mensenhandel en slavernij
goed te praten.
De Afrikaanse betrokkenheid maakt deze geschiedenis voor de slachtoffers en hun
nakomelingen ook niet minder pijnlijk - eerder pijnlijker. Maar een serieuze
geschiedenis verdient serieuze aandacht. Dat betekent ook het loslaten van
verhullende stereotypen over witte daders en zwarte mensen die louter
slachtoffer waren. Ook de geschiedenis van de trans-Atlantische slavenhandel is
grijs.
Marcel van Engelen (1971) is journalist en schrijver, onder meer van
Het kasteel van Elmina dat vrijdag
uitkwam bij uitgeverij De Bezige Bij.
[uit de Volkskrant, 18/05/13]