Posts tonen met het label literatuurwetenschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuurwetenschap. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving

Geschiedschrijving: het is maar met welke bril je het bekijkt.
Foto © Michiel van Kempen

door Ruben Bakker

Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’ Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de ondertitel van de bundel Verkenningen in de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.

In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal, dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies? En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan. De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays, geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici. Hiermee beslaat de bundel - die in twee delen is uitgekomen -  zo’n 656 pagina’s in totaal.

Door de veelheid aan essays worden veel aspecten die relevant zijn voor de historiografie van Suriname belicht. Zo benadrukt Chan Choenni de urgentie en het belang van ‘oral history’, gaat Mildred Caprino in op (de mogelijkheid van) vrouwengeschiedenis en bespreekt Hilde Neus de rol van historische romans voor de geschiedschrijving. Naast het gezichtspunt en de plek in de Surinaamse geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen is er ook aandacht voor de ontwikkelingen in de historiografie van andere voormalige kolonies.

De breedheid van de onderwerpen en de veelheid aan auteurs maken de essaybundel echter ook kwetsbaar. Doordat de essays erg los van elkaar staan, komt herhaling nogal eens voor en wordt de lezer niet altijd aangemoedigd om ook het volgende essay te lezen. Dit had voorkomen kunnen worden door de essays meer te rubriceren, zodat er een duidelijker opbouw ontstaat. Ook was het wellicht beter geweest als alle essayisten aan het einde van hun artikel concrete aanbevelingen deden van hoe de historiografie van Suriname verbeterd kan worden. Nu is dat slechts bij enkele essays het geval. Want weet de lezer uiteindelijk wat er concreet moet veranderen om de Surinaamse historiografie een ‘geschiedenis van het volk’ te maken?

In ieder geval is daar een dappere poging toe gedaan en is veel kennis gebundeld.
De tweedelige bundel vormt een belangrijke bijdrage aan de Surinaamse historiografie en houdt bovendien de lezer een spiegel voor: een eigen geschiedenis maak je zelf!


Maurits S. Hassankhan, Jerome L. Egger, Eric R. Jagdew (samenstellers): Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deel 1 en 2. Paramaribo: Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), 2013. ISBN: 978-99914-7-254-6

donderdag 15 mei 2014

Afscheidscollege Ieme van der Poel

Ieme van der Poel. Foto © Michiel van Kempen

Na een dienstverband van ruim 28 jaar gaat Prof. dr. Ieme van der Poel, hoogleraar in de Franse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, met emeritaat. Op vrijdag 16 mei om 15.00 uur zal zij haar afscheidscollege geven, getiteld Pioniers of paria’s? ‘Gastarbeiders’ in de literaire verbeelding.

Ieme van der Poel heeft als bijzondere leeropdracht Postkoloniale literatuur meegekregen. Zij publiceerde veel over postkoloniale theorie, Franse intellectuele geschiedenis en auteurs uit Noord-Afrika, met name uit de Maghreb (Assia Djebar en vele anderen). Zij leidde het NWO-research project: "Diasporic Writing: A Comparative History of the New Moroccan Literatures in French, Spanish and Dutch", 2006-2010. In 2004 werd Van der Poel door de Franse minister van Cultuur geslagen tot Chevalier dans l´ordre des Arts et des Lettres.

De voorzitter van het Departement Taal- en Letterkunde van de Universiteit van Amsterdam, prof. dr. H.A. van der Liet, nodigt collega’s en belangstellenden van harte uit dit college en de receptie na afloop daarvan bij te wonen.

Plaats afscheidscollege: Aula van de Universiteit van Amsterdam
Singel 411 (hoek Spui), Amsterdam
Plaats receptie: idem

Het wordt op prijs gesteld als collega-hoogleraren in toga aan het cortège deelnemen

Ieme van der Poel geeft college aan promovendi in de Caraïbische literatuur, 2012.
Foto © Michiel van Kempen

dinsdag 13 mei 2014

College over Eric de Brabander

Wim Rutgers. Foto © Michiel van Kempen
A.s. vrijdag 16 mei wordt een werkcollege gewijd aan de roman Het hiernamaals van Doña Lisa van de Curaçaose auteur Eric de Brabander. Het college wordt gegeven door prof. dr Wim Rutgers van de Universiteit van de Nederlandse Antillen/University of Curaçao. Dit gebeurt in de reeks colleges over Antilliaanse en Surinaamse literatuur Caraïbische dromen, aan de Universiteit van Amsterdam. Studenten en andere belangstellenden krijgen ruim de gelegenheid met prof. Rutgers van gedachten te wisselen. Het college is publiek toegankelijk.

Datum: vrijdag 16 mei 2014, 13.00 tot 16.00 uur
Plaats: PC Hoofthuis, Spuistraat 134, Amsterdam, zaal 4.04

zondag 11 mei 2014

Rihana Jamaludin over de wording van De zwarte Lord

Rihana Jamaludin. Alle foto's © Michiel van Kempen

door Michiel van Kempen

Al in 1983 had Rihana Jamaludin het idee voor een roman die vanaf het begin de titel De zwarte Lord droeg. Zij speelde met de gedachte aan verschillende boeken, onder meer om een kinderboek te schrijven. Uiteindelijk pakte zij in 2002 het schrijfwerk weer op en zij smeedde de verschillende concepten aaneen tot de grote historische roman De zwarte Lord die, 525 pagina’s dik, in 2009 zou verschijnen.
Pagina uit het werkschrift
met schetsen van de
figuren van la Troupe

Dat vertelde de auteur op een werkcollege op vrijdag 8 mei j.l. in de reeks Caraïbische dromen aan de Universiteit van Amsterdam. Zij had een werkschrift/plakboek meegebracht aan de hand waarvan zij de wording van de roman illustreerde. Dat zij voorstellingen van 19de-eeuwse schrijvers/tekenaars als P.J. Benoît en Théodore Gray tot uitgangspunt nam voor bepaalde beschrijvingen in haar boek. Hoe zij zich trachtte voor te stellen welke kleding er in het midden van de 19de eeuw werd gedragen in Nederland en in Suriname en welke vlinders er in Zuid-Amerika rondvlogen. De geschiedenis van enkele Nederlandse gouvernantes die naar Suriname verhuisden om daar emplooi te zoeken, had zij bestudeerd. Hoe foto’s van gekleurde modellen haar hielpen zich een voorstelling te maken van het uiterlijke van bepaalde personen.

Het werkschrift bevat ingeplakte foto's van gekleurde modellen, zoals dit Molukse model

In het werkschrift staan ook verschillende eerste versies van fragmenten die later in de roman zijn terechtgekomen, bijvoorbeeld van de toneelteksten die in het tweede deel van het boek voorkomen en die een belangrijke rol spelen bij de theatergroep La Troupe die uit Frans Guyana is overgekomen naar Suriname.
Toneelfragment in het werkschrift

De schrijfster merkte op dat zij het gemakkelijker vond om zich te verplaatsen in een lichtgekleurde vrouw als ik-figuur dan in een slaaf – een ‘eis’ die bijvoorbeeld Egmond Codfried in zijn recensie had gesteld. Bovendien zou een roman geschreven vanuit het perspectief van een Nederlandse gouvernante de toegang voor een Nederlands publiek tot een verhaal over de nadagen van de slavernij gemakkelijker maken.


Uiteraard ging zij ook in op de altijd precaire verhouding tussen historische werkelijkheid en fictie. Een roman moet getrouw zijn aan de historische werkelijkheid, maar de auteur heeft de vrijheid om bepaalde zaken in te vullen of aan te vullen.


Dat deed Jamaludin door een toneelgroep uit Frans Guyana op te voeren, die onder invloed van Das Kapital van Karl Marx, kritische voorstellingen bracht op de theaterplanken in Paramaribo. Jamaludin stond daarbij voor ogen hoe het Doe-theater van Henk Tjon en Thea Doelwijt maatschappijkritische stukken bracht in de jaren ’70 en ’80. De Frans-Guyanese groep wordt dan ook geconfronteerd met vervolging of een rechtszaak. Open vraag natuurlijk of zo’n toneelgezelschap in 1848 überhaupt wel de kans zou hebben gekregen om kritisch theater op de planken van Thalia te presenteren.

Intensief lezen van romanfragmenten, rechts de schrijfster Rihana Jamaludin

woensdag 7 mei 2014

College over en met Rihana Jamaludin

A.s. vrijdag 9 mei wordt een werkcollege gewijd aan de lijvige historische roman De zwarte Lord van Rihana Jamaludin. Dit gebeurt in de reeks colleges over Antilliaanse en Surinaamse literatuur Caraïbische dromen, van prof. Michiel van Kempen aan de Universiteit van Amsterdam. Van Kempen zal de inleiding van het college verzorgen en vervolgens in gesprek gaan met de schrijfster. Ook de studenten en andere belangstellenden krijgen ruim de gelegenheid met Rihana Jamaludin van gedachten te wisselen. Het college is publiek toegankelijk.

Datum: vrijdag 9 mei 2014, 13.00 tot 16.00 uur
Plaats: PC Hoofthuis, Spuistraat 134, Amsterdam, zaal 4.04

zondag 6 april 2014

Bijzondere hoogleraar Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis

Faculteit der Geesteswetenschappen - Departement Neerlandistiek of departement Geschiedenis, archeologie en regiostudies

Publicatiedatum 1 april 2014
Opleidingsniveau Gepromoveerd
Salarisindicatie De bijzondere leerstoel is een onbezoldigde functie
Sluitingsdatum 2 mei 2014
Functieomvang 8 uur per week
Vacaturenummer 14-092

De Faculteit der Geesteswetenschappen verzorgt onderwijs en onderzoek met een sterk internationaal profiel in een groot aantal disciplines op het gebied van taal, geschiedenis en cultuur. De faculteit is gevestigd in het centrum van Amsterdam en onderhoudt intensieve contacten met vele culturele instellingen in de hoofdstad. Aan de faculteit zijn ruim duizend medewerkers verbonden en circa 8.000 studenten volgen er onderwijs.


Werkzaamheden
Aard en inhoud van de leerstoel
De bijzondere leerstoel Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis is in 2000 ingesteld in de Faculteit der Geesteswetenschappen. De stichting Indisch Herinneringscentrum (IHC), de huidige naam van de initiatiefnemer, ‘informeert en verhaalt op waardige, inhoudelijke en beeldende wijze over de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië en over de Indische gemeenschap vanaf 1900 tot heden. Het verrijkt kennis, bewustwording en empathie en zet aan tot nadenken over de toenmalige gebeurtenissen, actuele situaties en het eigen handelen.’ (Missie IHC).
De bijzondere leerstoel is gericht op de postkoloniale herinneringscultuur in de naoorlogse periode. De focus ligt daarbij op de dynamiek van de herinnering en op vormen van cultuurtransfer die deze beïnvloeden (migratie, repatriëring, globalisering). De bijzondere hoogleraar draagt in onderwijs en onderzoek bij aan een beter begrip van de betekenis van het koloniale verleden voor de samenleving van vandaag en morgen.
De bijzondere hoogleraar is verantwoordelijk voor het initiëren, uitvoeren en begeleiden van onderzoek en het geven van onderwijs op het gebied van de koloniale geschiedenis, herinneringscultuur, postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis, met aandacht voor de actualiteit van deze vakgebieden.

Voorheen werd deze leerstoel bezet door
prof. Pamela Pattynama


Onderwijs en onderzoek
De bijzonder hoogleraar draagt bij aan het onderwijsaanbod op het gebied van Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis en verzorgt colleges op het terrein van de leerstoel. Behalve keuzeopties in de bachelorfase en in de onderzoeksmaster maakt scriptiebegeleiding deel uit van het door de hoogleraar te verzorgen onderwijs. Ook vervult zij/hij een stimulerende rol in het aantrekken en begeleiden van promovendi en participeert de hoogleraar in de wetenschappelijke netwerken voor relevant onderzoek.
De bijzondere hoogleraar verricht onderzoek op het gebied van de leeropdracht en publiceert de resultaten in vaktijdschriften en in media voor een breder publiek. Het onderzoek wordt ondergebracht in het Instituut voor Cultuur en Geschiedenis.

Taken
De taken van de bijzondere hoogleraar zijn globaal de volgende:
  • geven van onderwijs op het gebied van Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis;
  • begeleiden van scripties;
  • verrichten van onderzoek en het begeleiden van promotieonderzoek;
  • optreden als schakel tussen het Indisch Herinneringscentrum en de UvA;
  • zorgen voor een zo groot mogelijke ‘uitstraling’ van de leerstoel door een actief en wervend optreden binnen en buiten de UvA.

Profiel
De bijzondere hoogleraar voldoet aan de volgende functie-eisen:
  • letterkundige, cultuurhistoricus;
  • zeer goede onderzoekskwaliteiten, blijkend uit een academisch proefschrift en andere hoogwaardige wetenschappelijke publicaties en activiteiten;
  • brede en aantoonbare expertise op het gebied van het Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis (in binnen- en buitenland);
  • grote vertrouwdheid met en goede contacten in de sector;
  • toegang tot de media en het maatschappelijk debat;
  • in staat om te functioneren als schakel tussen het Indisch Herinneringscentrum en de UvA;
  • goede onderwijskwaliteiten: een enthousiast, inspirerend en wervend docent;
  • goede contactuele eigenschappen, organisatorische vaardigheden en leiderschapskwaliteiten.
Inlichtingen
De bijzondere hoogleraar wordt geselecteerd door het curatorium van de bijzondere leerstoel. Het curatorium, dat zich tijdens de selectie kan laten bijstaan door een of meer adviseurs, bestaat uit de volgende leden: prof. dr. T.L. Vaessens, prof. dr. J.C. Kennedy en de heer C.N.J. Neisingh. Het curatorium doet een voordracht aan het bestuur van het Indisch Herinneringscentrum, die de instemming behoeft van de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen en het College van Bestuur. Het houden van een proefcollege kan onderdeel uitmaken van de sollicitatieprocedure.
Voor nadere inlichtingen kunnen geïnteresseerden zich wenden tot:

Aanstelling
De bijzondere hoogleraar is gemiddeld één dag per week beschikbaar voor het uitoefenen van de aan het bijzondere hoogleraarschap verbonden taken. Het bijzondere hoogleraarschap leidt niet tot een dienstverband bij Het Indisch Herinneringscentrum of bij de UvA en kent geen formele bezoldiging. Wel is per jaar een bedrag van maximaal € 20.000 beschikbaar ter dekking van de kosten die met de uitoefening van de taken gemoeid zijn, te besteden in overleg met het curatorium, en om de beschikbaarheid van de bijzondere hoogleraar te realiseren. Het bijzondere hoogleraarschap is niet verenigbaar met een dienstverband aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de UvA. De bijzondere hoogleraar wordt telkens benoemd voor een periode van vijf jaar.
Sollicitatie
Sollicitaties kunnen tot en met 2 mei 2014 worden gericht aan het curatorium van de bijzondere leerstoel Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis, p/a Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen, vergezeld van een curriculum vitae, een publicatielijst en drie sleutelpublicaties die naar het oordeel van de sollicitant haar of zijn kandidatuur bij uitstek ondersteunen, en voorstellen voor een onderzoeksproject en een collegereeks. De sollicitatiebescheiden kunnen, in compact pdf-formaat, worden gezonden aan: solliciteren2014-fgw@uva.nl, onder vermelding van het vacaturenummer 14-092.
Acquisitie wordt niet op prijs gesteld


dinsdag 25 maart 2014

The 33rd Annual West Indian Literature Conference

UWI Barbados

Call for Papers 

The 33rd Annual West Indian Literature Conference will take place on October 2-4, 2014, at the University of the West Indies-Cave Hill, Barbados. This year’s theme is “Literature, Culture and the Environment.” The deadline for submitting abstracts is May 17, 2014. 

Description:  “Living landscapes have their own pulse and arterial topography and sinew which differ from ours but are as real – however far-flung in variable form and content – as the human animal’s … the vibrancy or pathos in the veined tapestry of a broken leaf addresses arisen consciousness through linked eye and ear in a shared anatomy that has its roots in all creatures and all things” (Wilson Harris “Living Landscapes”)
The physical contours of the Caribbean have been so radically transformed by colonial conquest, plantation and state-sponsored “development” from the seventeenth to the present century that establishing a historically informed sense of place is inevitably fraught. Our interactions with the world around us are not only written on the environment, but in the textual and spatial expressions of our imagination.  The relationships across landscape and language, location and representation are significant to a Caribbean cultural praxis that contemplates notions of displacement and territory, routes and rootedness, performance and personhood.  In order to examine the social and cultural implications of the diverse interplay of environment and cultural/literary text, the 33rd Annual Conference of West Indian Literature invites papers and panel proposals on topics that are relevant to the conference theme.
Barbados

Issues to be addressed might include: ecocriticism and environmental poetics; territorialising identities; geography and cultural iconography; literary cartography and Caribbean spaces; performing places, cultivated spaces; visual and scribal representations of the Caribbean; revisiting Sylvia Wynter’s “Plot and Plantation” paradigm; and inscribing the exotic on the “blank slate of the Caribbean archipelago” [Or Debunking the romanticization of Caribbean culture as a site of the exotic?].

Abstracts should not exceed 250 words in length, and should include (1) a title, (2) name, status and institutional affiliation of the presenter(s), (3) a contact email address, and (4) a mailing address. Please also let us know if you require any special equipment. Papers will be a maximum of twenty (20) minutes in length.
Abstracts or proposals for panels comprising three papers should be emailed by May 17, 2014 to kerry.lucas@cavehill.uwi.edu;  nicola.hunte@cavehill.uwi.edu orandrew.armstrong@cavehill.uwi.edu.


Barbados sunset



maandag 3 maart 2014

Achter de verhalen 5: Terug naar de tekst?


Vrije Universiteit Brussel
Brussel, 26-28 maart 2014
Paleis der Academiën - Hertogsstraat 1 - 1000 Brussel

Achter de verhalen, het algemene congres voor de moderne Nederlandse literatuurstudie, is aan zijn vijfde editie toe. Na twee afleveringen in België (Leuven en Gent) en twee in Nederland (Nijmegen en Utrecht) is Brussel aan de beurt. Het congres vindt plaats van woensdag 26 tot vrijdag 28 maart 2014 aan de Vrije Universiteit Brussel, onder de auspiciën van het Studiecentrum voor Experimentele Literatuur (SEL) en het Centrum voor Literatuur, Intermedialiteit en Cultuur (CLIC).

Elke congresdag begint en eindigt met een keynote-lezing. De sprekers zijn Gillis Dorleijn (Rijksuniversiteit Groningen), Ralf Grüttemeier (Carl von Ossietzky Universität Oldenburg), Frans-Willem Korsten (Universiteit Leiden), Pieter Verstraeten (KU Leuven), Sven Vitse (Universiteit Utrecht) en Nachoem M. Wijnberg (Universiteit van Amsterdam).

De centrale vraag van het congres is welke plaats de tekst in de modern-letterkundige neerlandistiek inneemt, met andere woorden in welke vormen teksten vandaag bestudeerd worden, of zij hun plaats moeten heroveren in de literatuurstudie dan wel nooit weggeweest zijn en zonder complexen met andere onderzoeksobjecten gecombineerd kunnen worden. In concreto staan zowel een aantal aspecten van de tekst centraal en allerlei transformaties ervan als de mogelijke invalshoeken. Aan elk van die thema’s wordt een congresdag besteed. Enerzijds komen verkenningen van nieuwe onderzoeksgebieden en methodologische reflecties aan bod en anderzijds worden concrete tekstanalyses gepresenteerd. Elke congresdag legt andere accenten.

Dag 1: Aspecten
De laatste jaren tekenen zich interessante vernieuwingen af in de studie van teksten, zoals in het onderzoek van stijl, ruimte, personages en objecten. Hoe geven plaatsen en settings in literatuur (bv. stad vs. platteland) betekenis aan de tekst? Wat voor personages (helden of anti-helden, types of psychologisch uitgewerkte figuren) bevolken de Nederlandse literatuur? Hoe evolueert ‘het personage’ binnen een oeuvre of in de loop van de literatuurgeschiedenis? Ook de voorstelling van materiële objecten in literatuur verdient onze aandacht: gebruiksvoorwerpen, machines en technologie, geld en handelwaar wijzen naar de ideologie van teksten en moeten een plaats krijgen in de interpretatie ervan.

Dag 2: Invalshoeken
Vele van de theoretische invalshoeken die de literatuurwetenschap ontwikkeld heeft om de literaire tekst te bestuderen, zoals ideologiekritische interpretatie, discoursanalyse en narratologie, worden vandaag nog altijd in de praktijk gebracht. Andere verdienen een actualisering of een explicietere reflectie. Achter de verhalen 5 wil graag ruimte bieden voor reflectie over tekstgerichte methodes in het algemeen en over enkele velden in het bijzonder: hoe kunnen we vandaag bijdragen tot het begrip van literaire genres in de moderne Nederlandse literatuur? Op welke basis interpreteren we teksten? Hoe activeert de tekst het bewustzijn van de lezer? Wat is de potentiële bijdrage van een geactualiseerde thematologie en motievenstudie?

Dag 3: Transformaties
Literaire teksten zijn geen statische of onveranderlijke objecten. Zij hebben een specifieke ontstaansgeschiedenis, zijn gedurende hun bestaan aan allerhande veranderingen onderhevig en manifesteren zich daarbij in diverse verschijningsvormen, ook in andere dan louter tekstuele media. Binnen het deel ‘Transformaties’ willen we onderzoekers aan het woord laten die zich bezighouden met onderwerpen als tekstgenese, vertaling, intermedialiteit, adaptatie, teksteditie, kortom: met teksten in de verschillende fasen en stadia van hun bestaan en in de vele vormen en gedaantes die zij hierin kunnen aannemen.

Inschrijving
Wie het congres wil bijwonen, kan zich nog tot 17 maart 2014 aanmelden via achterdeverhalen5@gmail.com of het webformulier op de congreswebsite.

Deelname aan Achter de verhalen 5 is in principe gratis. Wel wordt een bijdrage van 20 euro per dag gevraagd voor de congrescatering (broodjeslunch, koffie en andere dranken; borrel op vrijdag). Niemand is echter verplicht hiervan gebruik te maken, het staat iedereen vrij op eigen gelegenheid te gaan lunchen. Het diner op donderdagavond vindt plaats in restaurant La Manufacture aan de Onze-Lieve-Vrouw Van Vaakstraat 12 / 12 Rue Notre-Dame du Sommeil en is alleen voor sprekers en genodigden.

Praktisch
Alle informatie over het programma, de locatie, mogelijke accommodatie en inschrijving vindt u op de website: www.vub.ac.be/events/2014/achterdeverhalen5

Organisatie
Lars Bernaerts, Elke Depreter, Lieselot De Taeye, Hans Vandevoorde en Marc van Zoggel

donderdag 27 februari 2014

Biografen geven college over Anton de Kom

Alice Boots en Rob Woortman. Foto © Michiel van Kempen

Alice Boots en Rob Woortman, de biografen van Anton de Kom, geven op vrijdag 28 februari een college aan de Universiteit van Amsterdam over Anton de Kom. Hun omvangrijke biografie verscheen in 2009 en kreeg in de pers een bijzonder goed onthaal. In 2010 werden het biografenechtpaar bekroond voor hun werk met de E. du Perronprijs. De rechten van de biografie zijn inmiddels verkocht voor verfilming van het levensverhaal van De Kom.

Het college is publiek toegankelijk en vindt plaats in de collegereeks Caraïbische Dromen en wordt ingeleid door prof. Michiel van Kempen. Het vindt plaats in het PC Hoofthuis, Spuistraat 138 te Amsterdam, in zaal 4.04 (4de verdieping) en begint om 13.00 uur. De toegang voor belangstellenden is gratis en vooraf aan melden hoeft niet.

woensdag 5 februari 2014

Colleges Surinaamse en Antilliaanse literatuur


Op vrijdag 7 februari begint de nieuwe collegereeks Caraïbische dromen - De literatuur van Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen die prof. Michiel van Kempen geeft aan de Universiteit van Amsterdam. Er is een gloednieuwe reeks samengesteld, waarbij zo wel klassieke als de allernieuwste teksten worden gelezen. Vele gasten maken hun opwachting: schrijvers en gastdocenten van beide zijden van de oceaan. De colleges worden gegeven in zaal 4.04 van het PC Hoofthuis, Spuistraatc 138 te Amsterdam. Het vooraf gelezen hebben van de te behandelen tekst is voorwaarde om aan het college te kunnen deelnemen.
Wie graag de reeks of enkele coleges bijwoont kan zich per mail aanmelden:
M.H.G.vanKempen@uva.nl


Aanbevolen voorkennis

Jos de Roo, ‘Hollandse hovaardij; Moderne Surinaamse schrijvers over Nederland’.
Wim Rutgers, ‘De Nederlandse Antillen en Aruba’. Het gaat om 2 hoofdstukken uit: Theo D’haen (red.), Europa buitengaats; Koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen. Deel I. Amsterdam: Bert Bakker, 2002, pp. 199-246,  resp. 247-288.




Colleges


  1. vrij 7 februari 2014: Algemene inleiding I
  2. vrij 14 februari 2014: Algemene inleiding II, boek: Jacco Hogeweg – Een donjuan in de West
  3. vrij 21 februari 2014: Albert Helman elke student leest een ander boek van Helman
  4. vrij 28 februari 2014: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, in aanwezigheid van de biografen van Anton de Kom, Alice Boots en Rob Woortman
  5. vrij 7 maart 2014: Mijn zuster de negerin van Cola Debrot
  6. vrij 14 maart 2014: Onsterfelijk van Guillermo Rosario, in aanwezigheid van de vertaalster, en dochter Libèrta Rosario
  7. vrij 21 maart 2014: we lezen gezamenlijk een tekst van Derek Walcott en bezoeken in Den Haag de onthulling van een muurtekst met een gedicht van Walcott
  8. vrij 28 maart 2014: roostervrij
  9. vrij 4 april 2014: Rubber van Madelon Szekely-Lulofs. Gastcollege door Dr Gabor Pusztai (Universiteit van Debrecen Hongarije) – ‘Antikoloniale concepten in het werk van Madelon Lulofs en Laszlo Szekely'
  10. vrij 11 april 2014: Dubbelspel van Frank Martinus Arion. En vertoning van de film Yu di Korsóu in aanwezigheid van cineaste Cindy Kerseborn
  11. vrij 18 april 2014: collegevrij (Goede Vrijdag)
  12. vrij 25 april 2014: ‘Praatjes voor de West, de invloed van de Wereldomroep op jonge schrijvers in het Caraibisch gebied’, door Jos de Roo. Te lezen tekst: De rots der struikeling van Boeli van Leeuwen
  13. vrij 2 mei 2014: Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod, met vertoning (fragmenten van) van de film van Jean van de Velde. Gastcollege over Surinaamse en Antilliaanse talen door dr Annelies Roeleveld
  14. vrij 9 mei 2014: De zwarte Lord van Rihana Jamaludin, in aanwezigheid van de auteur
  15. vrij 16 mei 2014: Het hiernamaals van Doña Lisa van Eric de Brabander, gastcollege door Prof. Wim Rutgers (Universiteit van de Nederlandse Antillen)
  16. vrij 23 mei 2014, laatste college, De man van veel van Karin Amatmoekrim, in aanwezigheid van de auteur,

woensdag 29 januari 2014

Del travestismo femenino

Realidad social y ficciones literárias de una impostura
Foto @ Gesronh Muringen

Del travestismo femenino. Realidad social y ficciones literarias de una impostura se enmarca en el debate contemporáneo sobre la masculinidad de las mujeres a través de prácticas transgenéricas dentro del patriarcado. Una ambigua y compleja tradición que este ensayo trata de afrontar apelando a una diversidad de orientaciones críticas, desde las teorías feministas posmodernas hasta los estudios culturales en boga. Además de indagar en el significado de la praxis travestista en la experiencia cotidiana mediante el análisis de algunos casos reales, el libro inspecciona en la función de esta estrategia en la literatura y en otras manifestaciones artísticas.

José Ismael Gutiérrez es Profesor Titular de Teoría de la Literatura y Literatura Comparada en la Universidad de Las Palmas de Gran Canaria. Entre sus obras destacan: Manuel Gutiérrez Nájera y sus cuentos (1999), Cartografías literarias del exilio (2005), Perspectivas sobre el modernismo hispanoamericano (2007) y Reinaldo Arenas: entre el placer y el infierno (2007). Coautor de Literatura y pensamiento. Canarias en el siglo XX (2004); Ínsulas forasteras. Canarias desde miradas ajenas (2009). Editor de Identidad y simulación (2009) y coeditor de La estirpe de Telémaco. Estudios sobre la literatura y el viaje (2004) y La luz no interrumpida (2012).


José Ismael Gutiérrez
Del travestismo femenino.
Realidad social y ficciones literarias de una impostura
49,00 €
Vigo, Editorial Academia del Hispanismo, 2013, 316 pp.
ISBN 978-84-15175-70-4
www.academiaeditorial.com



vrijdag 20 december 2013

(Post)koloniale literatuur nu ook pluricontinentaal bekeken


door Karwan Fatah-Black

Op het omslag van Shifting the Compass; Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, geredigeerd door Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel van Kempen,  prijkt een kaart met daarop prominent een windroos in beeld en een tekening van een zeventiende-eeuws scheepje. Het vaartuigje oogt weifelend; hoewel het vóór de wind lijkt te gaan, wappert een van de zeilen doelloos langs de mast. Aan de randen van de kaart zien we drie onherkenbare continenten.
De bundel is een verzameling essays waarin verschillende auteurs pogingen doen om de Nederlandse koloniale literatuur en geschiedenis te bezien vanuit een pluricontinentaal perspectief. Daarmee verschuiven de auteurs de verteltrant richting de veelheid aan verbindingen en relaties die er ontstonden als gevolg van de Nederlandse kolonisatie in de Amerika's, Afrika en Azië. In plaats van de nog steeds dominante nadruk op de relatie en verhouding tussen kolonie en kolonisator, zoeken de auteurs juist naar de verbindingen tussen 'Oost'  en 'West'. Deze opzet is geslaagd. Hoewel dergelijke bundels vaak maar moeizaam tot coherentie en eenheid komen, lukt het in Shifting the Compass wel degelijk overtuigend een stap voorbij het postkolonialisme te zetten.
V.l.n.r. Olf Praamstra, Adriaan van Dis, Ena Jansen
Foto © Michiel van Kempen

Naast de academische artikelen die de hoofdmoot van de bundel vormen, verzorgen Adriaan van Dis en Giselle Ecury aan het begin en het einde van het boek een persoonlijke reflectie op het thema. Van Dis doet dat vanuit zijn rijke ervaring in postkoloniale literaire kringen, om te eindigen met een bespiegeling over wat postkoloniale schrijvers heeft verbonden: ervaringen met racisme, discriminatie, maar vooral ook het onderzoek naar de Nederlandse cultuur en het verschil met het eigene. Ecury schetst een genealogische geschiedenis die reikt van de Antillen tot Duitsland en die eindigt rond de opening van een museum in het gebouw dat ooit haar overgrootmoeders shap (winkel) was. De twee stukken leggen sterk de nadruk op levenslopen en familiegeschiedenissen, wat ook een aantal andere artikelen in de bundel kenmerkt. Naast dergelijke ‘microgeschiedenissen’ biedt de bundel ook onderzoeken naar koloniale inspiratiebronnen voor Nederlandse literatuur, en meer historische bijdragen.

Het is uiteraard niet mogelijk om alle artikelen in de zo uiteenlopende bundel recht te doen, mijn aantekeningen in het boek zelf en op mijn kladblok overschrijden ruim de gestelde limiet aan het aantal woorden dat in OSO beschikbaar is voor een recensie. Het zal moeten volstaan om er drie stukken wat meer uit te lichten, en in een afrondende alinea de balans van het gehele project op te maken.

Rudolf Mrazek
Foto © Michiel van Kempen

Op het stuk van Van Dis volgt het artikel van Rudolf Mrazek. In vier delen bespreekt hij het overlappende werk en leven van drie mannen: Dr. Louis Schoonheyt, Chalid Salim, en Anthony van Kampen. De belangrijkste decors voor het verhaal zijn de gevangenenkampen Boven Digoel waar vanaf het einde van de jaren 1920 tot 1943 (vermeende) Indonesische communisten werden opgesloten en Jodensavanne waar (vermeende) Indische nazi-sympathisanten tijdelijk vast zaten. Aan de randen van het uiteenvallende Nederlandse imperium schetst Mrazek hoe Schoonheyt, geïnterneerd in Jodensavanne vanwege zijn NSB-sympathieën na vijftien jaar arts te zijn geweest in Boven Digoel, er niet aan ontkomt de parallel te zien tussen hemzelf en de opgesloten communisten. Salim daarentegen, in zijn jonge jaren als communist opgesloten in Boven Digoel, schrijft zelfs na de massamoord van Soeharto op de Indonesische communistische beweging bewonderingsvol over ‘onze president’. De vervlechting van de verhalen en levenslopen en de schuivende ideologische perspectieven lenen zich voor bespiegelingen over de manier waarop aan  geschiedenis en literatuur betekenis wordt gegeven en hoe die zelden goed lijken te rijmen met de beleving van degenen die de ideologisch geïnterpreteerde gebeurtenissen doormaakten.
Nicole Saffold Maskiel
Foto © Michiel van Kempen

Een andere bijdrage aan de bundel waarin de interkoloniale uitwisselingen en netwerken sterk worden geïntegreerd is het mooie onderzoek van Nicole Saffold Maskiel naar de lange lijnen van slaafeigendom tussen de Nederlandse Caraïben en Nieuw Nederland (tegenwoordig New York). In het artikel bespreekt Maskiel de lange ketens van slaafeigendom die door de geschiedenis van de Noord Amerikaanse heersende klasse lopen. Via de familie Stuyvesant die van Curaçao naar Nieuw Amsterdam ging, is slavernij onlosmakelijk onderdeel van de familiegeschiedenis van het vooraanstaande geslacht Bayard geworden. Maskiel laat zien dat via interkoloniale en interimperiale handelsverbindingen slaafgemaakte Afrikanen in Noord Amerika terecht kwamen, en hoe de vertrouwdheid met het eigendom van mensen door overerving van generatie op generatie werd doorgegeven.
Michiel van Kempen
Foto © Sanne Landvreugd

Suriname en de Caraïben keren in de gehele bundel regelmatig terug. Aan het eind van de verzameling zit een stuk van Michiel van Kempen waarin hij onderzoekt hoe men in ‘nieuwe naties’ literatuur begint te lezen, en komt tot ‘postkoloniale canonformatie.’ Hij richt zich in het stuk met name op Suriname, maar het gebrek aan resultaat van de Surinaamse canoncommissie haalt de angel wat uit het stuk. Het is duidelijk dat er ook zonder een formele canon, iedereen met kennis van de Surinaamse literatuur zonder problemen een lijst op zou kunnen stellen van belangrijke werken. Typisch Surinaams-Nederlandse vraagstukken, zoals of de diaspora wel op zo’n lijst mag figureren spelen natuurlijk onmiddellijk op. Van Kempen legt veel nadruk op de celebrity culture dynamiek in Suriname. In het stuk van Van Kempen blijft het ‘pluricontinentale’ aspect buiten beeld.

Over het geheel genomen is de bundel een boeiende verzameling van stukken geworden. Het verschuiven van de aandacht van postkoloniaal naar pluricontinentaal is door de meeste auteurs met succes omarmd. De redacteuren zijn er in geslaagd om in een pluricontinentaal project een lezenswaardige en belanghebbende eenheid te creëren.

Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel van Kempen (ed.), Shifting the Compass; Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature. Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars, 2013. 286 p., ISBN 978 14 4384 228 0,  prijs £ 44,99.




vrijdag 22 november 2013

Colloque rend hommage à Aimé Césaire


L'Ecole normale supérieure de la rue d'Ulm (Paris) rend hommage à son ancien étudiant, Aimé Césaire. Cet hommage est rendu le 12 et 13 décembre 2013 à l'occasion de la sortie chez CNRS Editions d'un épais volume critique et génétique contenant l'essentiel de son oeuvre littéraire et critique, et de l'inauguration d'une salle Césaire à l'Ecole.

Aimé Césaire

Aimé Césaire (1913-2008) a fréquenté l’Ecole Normale Supérieure de la rue d’Ulm plusieurs années (de 1935 à 1939) et singulièrement la bibliothèque de Lettres, très bien fournie. C’est le lieu où il a passionnément parfait sa culture française tout en en préparant le rejet violent.  Lequel se concrétisera en 1939 par la parution de la première version du si célèbre Cahier d’un retour au pays natal, appelé à de nombreuses reprises jusqu’à la version dite définitive de 1956.
En cette année du centenaire de sa naissance, l’ENS a donc naturellement souhaité s’associer aux hommages rendus en de nombreux lieux à l’écrivain majeur de la bataille anti-coloniale, mondialement reconnu. Le groupe de chercheurs internationaux, rassemblés au sein de l’équipe ITEM / CNRS /ENS, a entrepris depuis quelques années un travail critique et génétique sur les processus de la création césairienne, qui se concrétise dans un fort volume intitulé Poésie, Théâtre, Essais et Discours, à paraître en même temps que le colloque lui-même.


Cette équipe propose un programme de colloque sur deux journées. Des écrivains qui ont dialogué avec Césaire – de vive voix et dans leurs écrits - rendront compte de leur relation à l’écriture du poète martiniquais, tandis que seront présentés en contrepoint l’itinéraire intellectuel d’un écrivain qui fut à la croisée de plusieurs mondes ainsi que les traits essentiels de l’apport scientifique d’une entreprise placée sous le signe de la génétique textuelle.


LE 11 décembre, VEILLE DU 1ER JOUR DE COLLOQUE
New Morning
Concert spécial Aimé Césaire.


PREMIERE JOURNEE – 12 décembre

MATIN (10h-12h)

- Mot d’ouverture : A. James Arnold

- Daniel Delas : Lectures / Ecritures d’Aimé Césaire (1935-1955). Naissance d’une poétique

- A. James Arnold : De l’importance d’une approche génétique de l’œuvre de Césaire


APRES-MIDI (14h30 – 17h)

Panel 1 (animé par Jean Khalfa) : quelle compréhension nouvelle de l’œuvre de Césaire engage une édition critique à dominante génétique ?        

- Exposés de Pierre-Marc de Biasi et Marc Cheymol, sur l’approche de la collection Planète Libre

- Exposés de P. Laforgue (poésie), A. J. Arnold (essais), A. Tshitungu Kongolo (théâtre), J. Couti (Le Cahier d’un retour au pays natal)




DEUXIEME JOURNEE – 13 décembre


Matin (10h-12h)
Panel 2 (animé par Daniel Delas) : Comment des écrivains d’aujourd’hui approchent l’écriture du poète, du militant politique, de l’historien et du dramaturge.
         
- Exposés de Nimrod, D. Maximin, M. Norvat, J. Darras
Débat


Après-Midi (14H30-17h)
Panel 3 (animé par A. James Arnold) : « Aimé Césaire, de la carrière américaine à l’Afrique. Un itinéraire intellectuel ».
         
- Exposés de K. Gyssels (Césaire et Damas), R. Furlong (Césaire et Maunick), Daniel Delas et Georges Ngal (Césaire l’Africain).
Débat



LE 12 décembre, SOIR DU 1ER JOUR DE COLLOQUE
Salle des Actes, ENS, 45 rue d'Ulm, 75005 Paris.
18h : vernissage de la plaque salle Césaire. Présentation du volume Césaire dans la collection « Planète libre » en présence des directeurs de la collection (Marc Cheymol et Pierre-Marc de Biasi). Cocktail.

Claire Riffard
Equipe "manuscrits francophones du Sud"
ITEM-CNRS
61, rue Pouchet,75017 PARIS
Tel : 01 40 25 12 20
http://www.item.ens.fr/index.php?id=14033



zaterdag 26 oktober 2013

Critical Caribbean Symposium 2013: Kamau Brathwaite

Van 22-23 november is er op de Bahama's een literaire conferentie waarbij het werk van Kamau Brathwaite centraal staat. Brathwaite wordt als volgt omschreven: “Since the early 1950s, Kamau Brathwaite has been one of the leading producers of Caribbean cultural and intellectual discourses. Not just an award winning poet, the richness of Brathwaite’s verse is paralleled only by the depth of his scholarly essays in literary criticism, cultural theory, and history. With groundbreaking works including Four Plays for Primary Schools (1964), Rights of Passage (1967), Black an Blues (1976), Roots (1993), The Development of Creole Society in Jamaica, 1770-1820 (1971), History of the Voice: the Development of Nation Language in Anglophone Caribbean Poetry (1986)), Braithwaite’s place as a major contemporary poet, philosopher and original literary voice of the Caribbean has been well-established.”

Voor meer informatie klik hier

zaterdag 21 september 2013

De toekomst van de studie van de (post)koloniale Nederlandse literatuur

Aan de Universiteit van Amsterdam vond op vrijdagmiddag 20 september 2013 een debatbijenkomst plaats, georganiseerd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Michiel van Kempen, over de toekomst van de studie van de (post)koloniale literatuurstudie in Nederland. Wetenschappers van verschillende universiteiten bogen zich over vragen naar de status en richting van dit veld van literatuurwetenschap. Hieronder de inleiding die Michiel van Kempen gaf ter opening van de bijeenkomst.

door Michiel van Kempen
Michiel van Kempen en Adriaan van Dis

Het veld van de studie van de postkoloniale literatuur van Nederland is enorm in beweging. Het lijkt alsof er een wisseling van de wacht gaande is. Academici die zich bezig hielden met (post)koloniale literatuur concentreerden zich 25 jaar geleden voornamelijk rond de Werkgroep Indische Letteren.  Vooral in Leiden werd de Oost een speerpunt van onderzoek, terwijl aan de UvA na het terugtreden van Bert Paasman in 2004 een bijzondere leerstoel voor de Indische letteren werd gecreëerd. Aandacht voor de West was veel minder breed en kwam er pas later met de Werkgroep Caraïbische Letteren en een leerstoel in Amsterdam vanaf 2006. De studie van de Zuid-Afrikaanse literatuur, vroeger gedoceerd aan verschillende universiteiten, concentreert zich in recente jaren enkel nog rond de bijzondere leerstoel Afrikaans aan de UvA.

De Indische Letteren hebben altijd een breed publiek aan zich weten te verbinden, maar dat publiek is sterk vergrijzend, en de academici van 25 jaar geleden maken plaats voor een jongere generatie (de bestaande universitaire posten lijken overigens snel te verdwijnen). Met die verandering van de wacht, lijkt zich ook een paradigmaverschuiving voor te doen. De academici rond Indische Letteren waren de mensen van de literatuurgeschiedenis van de realia, van de smakelijke, anekdotische literatuurgeschiedenis, verpakt in goed vertelde verhalen. Dat was ook wat hen altijd verbond met een breed publiek. De expansie van de – vooral Angelsaksische, in mindere mate Francofone – postkoloniale literatuurwetenschap lijkt aan deze generatie geheel voorbij te zijn gegaan.

Een nieuwe generatie literatuurwetenschappers heeft wel weet van die postkoloniale literatuurwetenschap, en maakt (mogelijk vanuit die wetenschap aangestuurd) andere keuzes dan die van de traditionele literatuurgeschiedenis en tekstanalyse. Zij zoekt nadrukkelijk de raakvlakken op met cultural studies, plaatst literaire verschijnselen in een sterk cultuurhistorische context, in een discours-analytisch denkkader of analyseert met middelen die zijn aangereikt door de mediastudies, of vanuit gender- en diversiteitsperspectief.

Bij mijn weten bestaat er op dit moment enkel aan de Open Universiteit  een masterprogramma over koloniale cultuur en literatuur; er zijn daar ook plannen om postkoloniale studies nog meer te integreren in het interdiscplinaire onderwijs- en onderzoeksprogramma van de faculteit Cultuurwetenschappen.

In Utrecht is er een Postcolonial Studies Initiative. Dat is geen onderzoeksinstituut maar samenwerkingsverband van onderzoekers van zeer divers pluimage en geaffilieerd met universiteiten in binnen- en buitenland. Van de circa 40 aangesloten onderzoekers vermelden er 4 dat zij ook bezig zijn met Nederlandse postkoloniale literatuur. De Universiteit Utrecht kent ook een Engelstalige minor Postcolonial Studies waar studenten worden ingewijd in de theoretische en methodogische  aspecten van postcolonial studies.

Leiden heeft een Platform for Postcolonial Readings (Isabel Hoving, Sarah de Mul), dat enigszins met dat van Utrecht te vergelijken is, zij het dat het veel bescheidener is naar omvang.

Het KITLV kent een jaarlijkse brede multidisciplinaire cursus Caraïbistiek; één college daarvan is gewijd aan Caraïbische literatuur.

In Antwerpen is er The Postcolonial Literatures Research Group at the University of Antwerp, maar richt zich sterk tot de literatuur die in verband staat met de Franstalige koloniën.



Enkele uitgangspunten

Dit overziende wil ik graag met u nadenken over enkele uitgangspunten die ik hier bij wijze van aanzetten tot discussie formuleer over wat de Nederlandse (post)koloniale literatuurstudie zou moeten of zou kunnen inhouden.

Belangrijkste uitgangspunt zal moeten zijn dat de postkoloniale literatuurstudie haar terrein duidelijk afbakent en een unieke plek opeist. De literatuur van Oost, West en Zuid is breed en complex naar te bestuderen tijd, talen en culturen, en heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op de Nederlandse literatuurgeschiedenis met belangwekkende auteurs als Multatuli, Daum, Couperus, Dermout, Helman, Debrot, Haasse, Van Dis, Cairo, Roemer, Ramdas. Het gaat allerminst om een quantité négligeable, maar om een corpus auteurs en teksten dat vanuit de neerlandistiek gespecialiseerde aandacht verdient, al was het alleen maar omdat die literatuur ook een belangrijke doorwerking heeft in de multiculturele literatuur van het Nederland van nu. De studie van de postkoloniale literaturen van Nederland zal zich duidelijk moeten realiseren dat zij niet de overlap zal moeten maken met het veld van andere disciplines waarmee zij wel raakvlakken heeft. Niemand zit te wachten op neerlandici die de literatuur geschreven in het Frans, Engels, Spaans enz. analyseren (tenzij vanuit comparatistisch oogpunt). Niemand wacht erop tot neerlandici zich begeven op het terrein van de Black Studies, de global studies, van de Angelsaksische postcolonial criticism, van de slavernijstudie zoals die door historici aan verschillende universiteiten nu aandacht krijgt, van de antropologische verhaalanalyse. Wel zal zij met al deze disciplines voeling moeten houden, en ook het multidisciplinaire onderzoek mee vorm moeten geven. Goede samenwerking met universiteiten elders in de wereld en vooral ook met instellingen in de voormalige Nederlandse koloniën kan de positie van het vakgebied alleen maar versterken.
Karin Amatmoekrim en Hafid Bouazza

Een ander uitgangspunt is dat de postkoloniale Nederlandse literatuurwetenschap niet gaat in de richting van wat in de voormalige koloniën zelf prioriteit heeft of verdient:  de wording van de nationale literaturen, maar dat zij de focus legt op die verschijnselen die een directe band met Nederland hebben, en die ook een zekere mate van urgentie hebben voor de multiculturele samenleving van dit moment. Vanzelfsprekend behoort de wijze waarop de Nederlandse samenleving in beeld komt bij tweede en derde generatie Indische, Surinaamse en Antilliaanse auteurs (Marion Bloem, Alfred Birney, Ellen Ombre, Karin Amatmoekrim) tot het aandachtsveld. En natuurlijk zal er ook aandacht moeten zijn voor die andere culturen van de multiculturele samenleving die niet direct gelieerd zijn aan de voormalige koloniën: die van schrijvers met een link naar de Marokkaanse wereld (Benali, Bouazza, Stitou, Boudou, El Bezaz,  Laroui, Benzakour) en die van auteurs met wortels in andere landen als Kader Abdolah, Yasmine Allas, Özkan Akyol enz.). Tenslotte zal de verbeelding van de multiculturele samenleving door witte schrijvers als Joost Zwagerman, Robert Vuijsje, Stephan Sanders, Diederik Samwel evenzeer interessant zijn vanuit postkoloniaal perspectief; die andere framing zal onvermijdelijk waardevolle nieuwe interpretaties van hun werk opleveren.

Literatuurwetenschappers bijeen in Berkeley, California, september 2011


Te bediscussiëren kwesties

Vanuit deze ideeën zouden onze gedachten moeten gaan over een aantal kwesties
Inhoudelijk
-          Hoe kan de postkoloniale literatuurwetenschap haar bestaansrecht bewijzen en vanuit welk paradigma of welke paradigmata kan daar het beste invulling aan worden gegeven, zonder te vervallen in het eindeloze methodenpluralisme waarin de postcolonial studies zijn terechtgekomen? Hoe wordt het veld afgebakend? Wat is er Nederlands aan die neerlandistiek? In welke mate heeft de inmiddels al traditioneel geworden (structurele) tekstanalyse daarin (nog) een plaats? En in hoeverre blijven de traditionele geografische grenzen intact, of kunnen die/moeten die geïncorporeerd worden binnen een groter verband.
De drie Amsterdamse bijzonder hoogleraren
 postkoloniale literatuurwetenschap bijeen op
 Curaçao, waar gewerkt werd aan de opzet
 van een Masters Literatuurwetenschap aan de UNA,
 januari 2009. V.l.n.r. Pamela Pattynama,
 Ena Jansen en Michiel van Kempen 

Inbedding
-          Hoe kunnen vanuit een stevig theoretisch fundament researchresultaten zo worden gepubliceerd dat zij een redelijke mate van publieksvriendelijkheid behouden, en zo ook een ruim publiek betrekken bij het vak? Bij welke gremia van de samenleving  moet de postkoloniale literatuurstudie allereerst aansluiting zoeken? Wat kunnen die gremia betekenen voor het maatschappelijke en universitaire draagvlak van het vak? Hoe kan het beste worden ingegaan tegen de tendens van afbraak van postkoloniale instellingen als gevolg van de bezuinigingen van de laatste jaren (Moluks Museum, KIT, KITLV, NiNsee, MC Theater enz.)?

Internationale inbedding
-          Hoe kunnen er structurele verbanden gelegd worden met onderzoeksinstellingen in de voormalige koloniën (Indonesië, Suriname, de voormalige Antillen, Zuid-Afrika)? Hoe kan die internationale samenwerking en uitwisseling het best gestalte krijgen?

Institutionele vormgeving

-          Wat is nu de beste institutionele omgeving waarbinnen de postkoloniale literatuurstudie kan floreren? Moet er een paraplu gecreëerd worden die de verschillende deelvelden overhuift? Moet dat dan een gewoon hoogleraarschap zijn of een andere vorm krijgen? Is een gewoon hoogleraarschap haalbaar, hoe ligt dit politiek in de academische wereld, en waar kan het  draagvlak daarvoor (ook materieel) met de meeste kans van slagen gevonden worden?