![]() |
| Shrinivási in de jaren '60 |
Shrinivási zie ik voor het eerst op de Mathoora-muloschool in Groningen waar ik in de examenklas zit. Klas B4, januari 1984. De dichter Shrini is op bezoek. Er is een reden: de revolutie wordt vier jaar op 25 februari. Dichters doen scholen aan om vaderlandsliefde aan te kweken onder de ‘kinderen van de revolutie’. Het doel heiligt de middelen: literaire kunst wordt ingezet om politieke doelen te bereiken. Surinaamse dichters leren ons hun (geëngageerde) poëzie voor te dragen. Mijn juf Nederlands haalt mij uit de klas en samen met Shrini wordt het gedicht ‘suriname’ uit Wortoe d’e tan abra (1974, p. 44) in de pauze aan mij voorgelegd. Tijdens de oefening van ‘Suriname’ is hij soms uitermate fel in zijn voordrachtstechniek. Hij laat mij zien dat door de revolutie onder andere het nationalistische gevoel werd bevorderd. Nationale dichters werden op een voetstuk geplaatst, doordat hun werken extra aandacht kregen. Na enkele oefeningen ben ik gereed om het gedicht voor te dragen op het kermisterrein van Groningen bij de viering van vier jaar Dag van de Revolutie! Ik had als 16-jarige muloleerling nooit eerder over Shrinivási gehoord. De ontmoeting met deze Surinaamse dichter was warm. Zijn gedicht ‘Suriname’ sprak mij zo aan, dat ik de bloemlezing Wortoe d’e tan abra nooit meer heb ingeleverd bij de kleine schoolbib. Shrini leerde mij echter kritisch te kijken naar de revolutie, maar ook de kleine dingen te waarderen, het Andere en de reizen die hij de klas vertelde.
Zijn anekdotische vertellingen over zijn reizen herken ik nu pas in zijn laatste bundel Hecht en Sterk.
Heel de wereld had hij doorreisd
tot
hij voor deze oever ligplaats koos
hij hoorde uit de groene horizon
een stem, een lokkend geluid
dat het weinige licht ontduisterde
de droeve dag ontbitterde. (p. 58)
Deze edele bewoner van Suriname (Shrinivási) legt
paradijselijke momenten waarop het nu al zichtbaar is vast. Hiermee wordt
bedoeld dat hij voor deze oever kiest, die niet per se een land hoeft te zijn,
maar misschien een mystiek punt uit het Andere. Het leven van Shrinivási is
blijkbaar het gaan en komen met Suriname als oriëntatiepunt geweest. Hij kan
de kleine dingen waarnemen en analyseren onder andere door zijn reizen in
veel landen in het Caraïbisch Gebied, in Latijns-Amerika, in Europa en in
India. Dat vele reizen beïnvloedt ook de wijze waarop hij dingen waarneemt.
Ook hebben het reizen en elders wonen zijn horizon verbreed.
Op dit vlak is Shrinivási zeker niet de enige, want ook
Bea Vianen (1935) heeft door haar vele reizen (1976-1986) onder andere in
Latijns-Amerika, mooie poëzie geschreven. In haar derde dichtbundel Over de grens (1986) bewijst Vianen
dat zij een scherp oog heeft voor het landschapsschoon of een fijn oor voor
de samenklank van vogels, wind en water. Het gedicht ‘Echtbreuk’ is een
voorbeeld:
De koningspalmen langs het schelpenpad
ruisten bescheiden en de krekels schenen
met elkaar te hebben afgesproken, ieder
afzonderlijk en met zachte halen het uur
te doen.
Shrini doet min of meer hetzelfde: de bewondering voor dat
wat alledaags is, het gewone menselijke en het ‘Andere leven’, het leven ná
dit leven, het transcendente:
Lotosblad
dat het water
raakt
en
niet raakt
van deze wereld
en
niet van deze wereld (p. 11).
Of in het gedicht ‘Curaçao, 2009’:
Strakke wind
in de kroon van een kokospalm
zijn takkenstelsel
achterwaarts gedrukt
door de passaat.
Vianens Zuid-Amerikaanse gedichten gaan over Peru (Cuzco,
Lima), Ecuador (Quito), Colombia. Deze gedichten spreken van onrust, van
angst en nostalgie. Shrini reist in 1973 ook in dezelfde landen! Hij komt in
contact met de schrijnende armoede, honger, militaire dictatuur en de grote
welvaartsverschillen in deze landen. Dit reizen heeft ook bij Shrini gevolgen
gehad: verandering van perspectief brengt een andere kijk op oude waarden met
zich mee, de verruiming van zijn horizon maakt het oog kritischer:
Als ik kijk naar de bergen
weet ik tenminste
zij waren al eerder gestorven
zij hebben om mij gelachen
toen ik hen levend waande
niet begreep
hun greep
muurvast om dit land (p.72).
Dit gedicht roept bij mij sferen op van Juan Rulfo’s Pedro Paramo (1955) waarin de ruimte,
vooral de bergen, en het thema dood onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.
Ook de ‘zij’ in het gedicht: wie kunnen dat zijn: de bergen, geesten in het
hiernamaals of het Andere? Rulfo heeft de historische werkelijkheid van de
Mexicaanse staat Jalisco in Pedro Paramo verdicht tot de literaire
werkelijkheid van Comala, tot een ‘dorp in het stookgat van de aarde, in de
bek van de hel’. Het is een verdoemd oord aan het einde van de wereld, een
vagevuur waar de geesten van overleden bewoners rondwaren zonder hoop op
genade. Omdat de grenzen van tijd en ruimte er zijn verdwenen, lijkt de
vervloeking eeuwig en vooral alomtegenwoordig. De enige ‘verlossing’, zo
suggereren enkele passages, is misschien de vernietiging van de mens, de
wederkeer naar het stof waaruit hij is geboren.
Dit laatste wordt, mijns inziens, ook heel duidelijk
verderop in het gedicht van Shrini:
als ik kijk naar de bergen
de sfinxen van de dood
zij wier geheim
mij niet verborgen is
weet ik
er is geen weg terug
er is geen weg terug
nu niet
en nooit meer (pp. 72-73).
Hecht en Sterk
staat als bundel op zichzelf. Je hoeft niet alles van Shrinivási gelezen te
hebben om de poëzie in deze bundel te begrijpen. De dichtbundel geeft als geheel, gelet op de volgorde van
Shrini’s oeuvre, steeds hetzelfde soort poëzie. Het is dezelfde manier van
gedichten maken vanaf het begin tot dit nieuwe werk. En toch heeft Hecht en Sterk een eigen karakter. De
accenten liggen namelijk anders. Deze dichtbundel begint als een verhaal van
verlangen, van dromen, van een visioen van harmonie en eenheid. Thema’s over
pijn in het persoonlijk leven en de extase van het samenzijn (harmonie) treft
de lezer ook aan. Maar al die dromen over eenheid en de verzoening tussen
mensen komen niet altijd uit. Er is ook desillusie, woede, machteloosheid in Hecht en Sterk te bespeuren. Deze
nieuwe poëzie van Shrini is heel herkenbaar: zij vertelt een levensverhaal
van heel veel levens, van aanvaarding van het leven zoals het is of zoals de
zon schijnt: soms fel en soms achter de donkere, grijze wolken. Dit
levensverhaal is echter niet uniek. Wat deze poëziebundel wel uniek maakt is,
hoe de 86-jarige dichter deze thema’s in poëtische woorden of taal stampt.
Een van de dingen die je van een mens op deze hoge leeftijd kunt verwachten,
is het teruggaan naar de jeugd, naar het kind zijn, naar de dierbare herinneringen
die nog steeds glanzen als je eraan terugdenkt:
Ik keek het briefje na
dat naar de hemel kroop
ik als een kind
geloofde vast
dat God het zou ontvangen
en kind
gebleven ben ik (p. 24).
Maar ook nieuwe herinneringen bevat deze bundel. Shrini
heeft een ‘open’ oog voor alles wat hij nu meemaakt. Het zijn als het ware
herinneringen in de maak, bijzondere, kleine dingen die hij nu, hier en op
Curaçao meemaakt. Hij is ontvankelijk voor het bijzondere, voor het ‘Andere’
in de dingen van deze wereld:
In banen zonlicht
door spleten in de plankenwand
draaien en dansen
stofdeeltjes
als in een vrolijk, opgewonden
ban ban pasa un rondo (p. 25).
Maar zij die de werken van Shrini kennen, zullen ook de
beschouwelijke gedichten in Hecht en
Sterk herkennen: gedichten over vragen met betrekking tot het leven, de
dood en het samenzijn. Wat dat betreft is de samenstelling van Hecht en Sterk niet nieuw, maar waar
de dichter het accent wil leggen, zal de lezer zelf moeten ontdekken als hij
de gedichten leest.




