Posts tonen met het label Coronie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Coronie. Alle posts tonen

dinsdag 8 april 2014

Cultureel Centrum Coronie wil ICT promoten

Ochtendwad in Coronie. Foto © K.D. Dijkstra

door Beta Debidien

Coronie - Het nieuwe bestuur van het Cultureel Centrum Coronie (CCC) wil activiteiten op het gebied van internet en communicatie (ict) promoten in Coronie. Onder leiding van districtscommissaris Harold Sijlbing heef het bestuur besloten een ICT-werkgroep in te stellen in samenwerking met het plaatselijke commissariaat.

Volgens Sijlbing is het de bedoeling om onder andere de CCC-cyber weer dagelijks open te stellen voor jong en oud. Ook moeten er trainingen komen voor de schooljeugd, ambtenaren en andere belangstellenden. "Wij hebben vastbesloten om ICT tot een centraal punt te maken in het beleid van het district", zegt Sijlbing.

Inmiddels is een begin gemaakt met de reparatie van kapotte computers en deze maand nog zullen ambtenaren van de bestuursdienst een nascholingscursus krijgen. Naast de ICT- gerichte zaken heeft het CCC-bestuur ook recreatieve activiteiten in de planning.

Daarnaast is afgesproken dat de talentvolle jeugdschakers die er in Coronie zijn en verenigd zijn in de schaakvereniging Totscha, het CCC-gebouw als oefen- en wedstrijdlocatie mogen gaan gebruiken. Naast de film- en theateravonden, zijn er ook craft-trainingen onder leiding van Cocra Unie in voorbereiding. "CCC moet weer een centrale plaats innemen als het gaat om recreatieve en culturele activiteiten in het district'', aldus Sijlbing.

[Sijlbing is overigens vandaag teruggetreden als districtscommissaris – red. CU]


[uit de Ware Tijd, 07/04/2014]

vrijdag 9 augustus 2013

Coroniaan bedreigt in het Engels na zuippartij

Paramaribo - Edward V. zegt vreemd gedrag te vertonen als hij enkele glazen opheeft. Hij bedreigt mensen in het Engels en gaat anderen achterna met messen. “Ik drink voornamelijk palm. Het is vreemd voor mij dat ik die man in het Engels heb aangesproken. Ik ben Coroniaan toch", zei hij gisteren onbeschaamd. Dit zorgde voor een ludiek moment in de rechtszaal en het publiek kon zijn lach niet onderdrukken.

Ondanks die luchtige ambiance ging het wel om een poging tot moord. Hiervoor stond de man immers terecht. Het geschil tussen Edward V. en het slachtoffer Steven L. begon vreemd. "Ik stond met een politievriend van me te chillen. Plotseling zagen wij dat de man met messen rende achter een jongen. Omstanders hielden hem tegen en hij werd aangehouden", vertelde het slachtoffer over het initieel contact.

Toen begon de ellende pas goed. "Elke keer als hij me zag, noemde hij me 'traitor' (verrader...red.). "I will kill you", volgde meestal meteen erachteraan." Steven L. zegt dat de man hem als een verrader ziet, omdat hij een politieagent als vriend heeft. "Hij denkt dat ik aangifte heb gedaan die eerste keer." Het kwaad bloed tussen de mannen bereikte in april een hoogtepunt.
Ze raakten in een woordenwisseling. Op gegeven moment moet Edward V. twee messen hebben getrokken. Seven L. sloeg op de vlucht, achterna gezeten door de dronken en woedende Coroniaan. Het duo heeft zelfs enkele rondjes gerend om de auto van Steven L. Uiteindelijk kwamen omstanders ertussen en deed de benadeelde opnieuw aangifte tegen de belager.
Het Openbaar Ministerie eiste een celstraf van acht maanden met aftrek van de periode in voorarrest doorgebracht. Kantonrechter Albert Ramnewash vond hem schuldig aan poging tot zware mishandeling en sprak de man vrij van poging tot moord. Het vonnis was conform het voorstel van het OM.

[uit de Ware Tijd, 07/08/2013]


zaterdag 24 november 2012

Coronie herdenkt 150-jarig jubilieum Totness

Klassenbijeenkomst in  Totness, 2007. Foto @ K.D. Dijkstra

door Beta Debidien

Het kokosdistrict Coronie viert zaterdag het 150-jarig jubileum van hoofdplaats Totness. De activiteiten starten met een ‘eenheidsdienst’, een speciale dankdienst, op het Revoplein waar alle religieuze gemeenten aan meewerken. Zondag worden de festiviteiten voortgezet met de traditionele Srefidensi-kranslegging en een receptie.

Het 50-jaar jubilerende Caeciliakoor uit Paramaribo zal een muzikale bijdrage leveren. Het koor werd opgericht en gedirigeerd door Leo Tjon A Kon, die geboren werd in Totness en daar zijn eerste muzikale scholing had genoten. Zaterdag vindt er een 'coconut craft en food market' plaats, waar Coroniaanse kunstenaars hun werken en gerechten te koop zullen aanbieden.
Gouverneur Van Sypesteyn richtte te Totness de eerste zogenaamde 'vestigingsplaats' voor kleinlandbouwers in, waar voormalige slaven onder goede voorwaarden eigen grond konden verkrijgen. Het was de bedoeling om hen economische zekerheid te bieden en zo te voorkomen dat de zij massaal naar de stad zouden trekken. De plantagegrond van Totness werd toen ingericht in kleinlandbouwarealen. Tegelijk met de inrichting werd een markt opgezet in Totness, vlak bij het kanaal dat vele jaren als toegangspoort van Coronie heeft gediend.

[uit de Ware Tijd, 24/11/2012]

Coronie. Foto @ Charl Danoe, 2011



maandag 13 augustus 2012

Jozef Slagveer: Tranen van een journalist

"Huil niet wanneer de zon schijnt, opdat je de sterren niet ziet." 

 Toen men mij vroeg of ik genegen zou zijn een boek te schrijven over het leven van de journalist Jozef Slagveer, realiseerde ik mij terdege, dat het gewoon geen eenvoudige taak is een dergelijk moeilijk onderwerp op boeiende wijze te behandelen. Maar deze beklemming verdween spoedig toen ik overdacht wat ik in zijn dagboek zou kunnen opnemen. Het was of er in mijn geest een luikje openging, waaruit een stroom van herinneringen te voorschijn kwam. Het geeft het verhaal van een dichterschrijver-journalist, dat te snel - of misschien te laat opgroeide, de beschrijving van een leven dat veel tragedie bevatte, niet alleen voor hem - maar ook voor velen die hem dierbaar waren. Ik heb het niet gemakkelijk gevonden de deuren van het verleden te openen en dingen te vertellen die de meeste mensen zelfs aan vrienden niet zouden willen openbaren, of schrijven, om door vreemden te worden gelezen.

Waarom schrijf ik deze korte biografie. Er zijn verschillende redenen. Om te beginnen geloof ik dat het schrijven mij zal helpen mezelf klaarheid te verschaffen aangaande mijn houding tot de wereld om mij heen. Ik geloof dat het ertoe zal bijdragen mijn rechtschapenheid in eigen ogen te herstellen. Maar ook dat het anderen zal helpen. En dit rechtvaardigt naar ik meen, het openen van de deuren van een verleden, dat mij, die het doorleeft heeft, soms - wanneer ik er op terugzie, volkomen ongelooflijk onbestaanbaar voorkomt.

Ik heb lang nagedacht over de manier hoe het levensverhaal van de journalist Jozef Slagveer te beginnen. Ik zou kunnen aanvangen op het ogenblik van hilariteit, toen hij in 1968 debuut maakte met zijn novelle De verpletterde droom Ik zou dan ook kunnen beginnen op het afschuwelijke moment, toen hij voor een open venster stond met tijden van verschrikking en vernedering. Misschien is de juiste manier om het te vertellen zoals het gebeurde. Jozef heeft nooit zijn eigen leven geleefd; het werd bepaald voor hij geboren was.

Zijn ouders waren hopeloos verzot op de kerk. Zijn moeder die positieve denkbeelden had over invloeden voor de geboorte, bracht zoveel tijd in de kerk door als ze maar kon. Ze wenste dat Jozef naar het klooster ging - en omdat zij het heilig beeld van Sint Jozef in de kerk tot vereren toe bewonderde, werd hij naar hem genoemd toen hij eindelijk op 25 januari 1940 ter wereld kwam: Jozef Hubertus Maria. Zijn vader had hem een andere toekomst bedacht. Zijn droom was hem als een grote dichter-schrijver te zien. Jozef heeft vaak getracht de oorsprong van de sterke liefde van zijn ouders voor de dichtkunst op te sporen. Misschien was dat het gevolg van onvervulde dromen, waarvan hij als kind nooit iets geweten heeft. Zijn vader, een man met een sterke wil en toch een gemoedsmens, voelde dat schrijvers degenen zijn met werkelijk talent. Hoe dan ook, zover als mijn herinnering teruggaat was de dichtkunst zijn leven.
Mary's Hope, Coronie. Kerk van Maria Onbevlekte Ontvangenis

Wat Jozef in zijn kinderjaren het meest voor voelde was angst en eenzaamheid. Hij was bang zijn ouders te ontstemmen. Hoewel ze veeleisend waren en veel van hem hielden. Hun toewijding aan zijn loopbaan was voor hen steeds de wonderpoort. Zijn gevoel van eenzaamheid was moeilijk te verklaren. Hij was eenzaam, waarom wist hij niet. Hij voelde zich altijd ontoereikend, en hield nooit van de jongen die hij was. Op de Sint Antonius-school te Mary's Hope, een basisschool, die hij in zijn jeugdjaren bezocht, werd hij altijd Hubert genoemd. In zijn geboorteplaats Totness, stond hij bekend als Hubertus. Als ik in de tijd terug kijk, weet ik dat hij reeds op zijn vijftiende kon dichten. Het eerste gedicht in zijn jonge jaren was:

 Totness


hier ben ik geboren
tussen de erebogen
van de kokospalmen
uit de schoot
van een negerin

hier klonken
de eerste vreugde‑
kreten van mijn vader
en de vroedvrouw
terwijl mijn huilen
moeders hijgen
eenzaam begeleidde

hier wil ik sterven
met erebogen
van kokospalmen
dit is mijn land
mijn eigen land
niemand die me
dit ontnemen kan


Jozef heeft een grote liefde gehad voor Totness. Na de basisschool vertrok hij naar Paramaribo om de Mulo-school te bezoeken. Op de Sint Paulusschool had Jozef nog de dromen van zijn moeder om het priesterambt te bekleden. Na zijn middelbare school (AMS) vertrok hij naar Nederland, met de bedoeling het kloosterleven in te gaan. Maar in Nederland ontdekte hij al gauw dat het niet zijn roeping was. Voor Jozef was het dan ontzettend moeilijk zich zelf te ontvluchten. Hij liet zich toen inschrijven op de Academie en Werkcentrum voor Expressie en ontving een journalistenopleiding aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Na zijn opleiding in de journalistiek ging hij werken bij verschillende dag- en weekbladen en hij debuteerde als dichter in 1959 in de dichtershoek van het Algemeen Handelsblad in Nederland. Ook studeerde hij M.O.-Nederlands en schreef schetsen voor het dagblad Trouw. Hij was tevens hoofdredacteur van Djogo, orgaan van het Surinaams Verbond.

Jozef Slagveer keerde in 1967 terug naar Suriname en werkte op de Hoofdafdeling Pers- en Voorlichting van het ministerie van Onderwijs. Tijdens zijn loopbaan als pers- en voorlichtingsman aan dit ministerie, is hij zich gaan wijden aan het theaterleven. In de jaren 1967 en 1969 schreef hij verschillende toneelstukken die hij heeft laten opvoeren. Enkele van zijn stukken werden in zijn geboortedistrict opgevoerd.

Zijn trots verzette zich er tegen ooit zijn gevoelens te laten blijken. Hij leerde zijn angst en afkeer maskeren met voorgewende onverschilligheid en een manier van doen als sprak eigenlijk alles vanzelf. Hij zocht het avontuur nimmer, maar was er zich van bewust, dat het altijd op de loer lag om hem te overrompelen. De meest alledaagse dingen eindigden bij hem dikwijls in hevige gebeurtenissen. Hij werd voorzichtig en trachtte vooraf te peilen of er in een bepaalde daad mogelijkheden voor emotionele belevenissen verborgen zaten. Het had echter geen zin dit te doen, want op de een of andere manier wist het avontuur hem toch weer te vangen. Zijn vader was opgetogen en zijn moeder bezorgd, hij zelf in het begin gealarmeerd, later berustend. Zo kreeg hij de roep nergens voor terug te deinzen, hoewel hij in werkelijkheid gevecht op gevecht met zichzelf moest leveren om de situatie de baas te blijven.

Eerste persbureau in Suriname
Na zijn ontslag als Pers- en Voorlichtingsman aan het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, begon hij met een nieuwsagentschap. Het was het eerste Algemeen Persbureau in Suriname. Het persbureau Informa werd in 1971 een feit. Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij bewust toegaf aan iets, waarvan hij vooraf wist, dat het loerende avontuur een kans zou krijgen. Aan de Heerenstraat waar hij met zijn persbureau begon, publiceerde hij het Informa-bulletin en het weekblad Aktueel. Daarnaast verzorgde hij een informatief radioprogramma, onder dezelfde naam van het weekblad Aktueel.  [Aanvulling redactie CU: na de militaire coup van 1980 werd Slagveer perswoordvoerder voor de militairen. Hij werd door hen vermoord bij de decembermoorden van 1982.]


Desi Bouterse en Jozef Slagveer


De beste journalist in Suriname
Jozef was een van de beste journalisten in Suriname. Hij was een journalist met een open blik. Hij was altijd als eerste bij het nieuws. Jozef heeft tijdens de regeerperiode van NPK-2, waar Henck Arron de leiding had, een financieel schandaal aan de grote klok gehangen. Willy Soemita, toen minister van Landbouw, belandde in de gevangenis. Het Soemita-dossier Smeergelden affaire die de journalist Jozef Slagveer publiceerde, viel als een slag bij de toenmalige NPK-regering. Jozef was radicaal en schreef de dingen zoals ze zijn. Hij werd daardoor niet overal met een glimlach ontvangen. Hij ging vaak uit op de achtergrond van het nieuws en wist zich nooit uit het veld te slaan.

Zijn publicaties
Jozefs eerste gedichtenbundel was een ode aan zijn geboorte district Coronie. Kosoe dron verscheen in 1969. Hierna verschenen de volgende publicaties:
De verpletterde droom
Sibi busi
Cocaïne doodt Paramaribo
Een vrouw zoals ik
De nacht van de revolutie enz.

8 december 1982
Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Suriname. Jozef die het toenmalige militairbewind kompleet ondersteunde, werd samen met 14 andere burgers op barbaarse wijze vermoord door de militaire machthebbers. Zijn dood is een schok geweest voor de journalistiek in Suriname, niet alleen maar ook voor de Coronianen. Na zijn dood, was de persvrijheid in Suriname opgehouden te bestaan, en werd pas in 1991 tijdelijk hersteld. Suriname heeft na de dood van deze bekende journalist nooit meer een persbureau gehad. Ook de jurist Riedewald, en Gonçalves, districtsgenoten, werden gerekend tot de slachtoffers van de decembermoorden.

 [van Coronianen in beeld, website Coronie] Bouterse en Horb laten Slagveer onder druk een verklaring afleggen

donderdag 12 april 2012

KBF Musical-karavan verovert Nickerie en Coronie


Kinderen die de musical opvoeren op bezoek bij districtscommissaris Hariette Ramdien van Coronie. (Foto: Stichting Projecten)

Ruim 700 kinderen in Nickerie en meer dan 100 personen in Coronie hebben genoten van de Musical-karavan. Ook een groep ouders waren van de partij. Stichting In de Vakantie en Stichting Projecten presenteerden de twee musicals in de districten.

Onder regie en algehele leiding van Sandra Purperhart voerden de kinderen van Saramacca de musical op Pippi Langkowsu in Saramacca. Kinderen van Brokopondo namen de musical Kopro Kanu, naar het boek van Francis Vriendwijk, voor hun rekening.

De thema's zijn gekozen omdat dit jaar tijdens de Kinderboekenfestivals de klassieke jeugdboeken centraal staan. Dat heeft geleid tot spannende, wervelende, kleurrijke en grappige musicals. In Nickerie werden de musicals dinsdag en in Coronie woensdag opgevoerd. Vandaag zullen nog twee voorstellingen zijn in het Cultureel Centrum Suriname (CCS). Deze opvoeringen beginnen om 10 en om 12 uur.

[uit Starnieuws, 12 april 2012]

zaterdag 2 juli 2011

De Hartenwensen van Yvonne Riedewald

Hartenwensen is een boek waarin de auteur op persoonlijke wijze onze begeerte, de natuurlijke levenskracht, belicht. Begeerte bepaalt de keuzes die wij maken. Want zowel in positieve als negatieve zin is begeerte de kracht die alles in werking zet. Een boek dat met poetische en indringende overpeinzingen aanzet tot reflectie.

Yvonne Riedewald, geboren 1943 in Coronie, Suriname, voelde zich al op jonge leeftijd aangetrokken tot de natuur. Uit die eenheid heeft ze tijdens haar groei naar volwassenheid veel positieve energie geput. Middels dit boek Hartenwensen wil zij haar liefde voor de aarde en de natuur delen met iedereen die daarvoor openstaat.

Uitgeverij Boekenbent [printing on demand]
2011 / 9789085708223 / Paperback / 60 pagina's
12,50 euro

dinsdag 17 mei 2011

Kinderen uit Coronie dichten


In het prachtige boek over Coronie, Dromers, Doemdenkers en Doorzetters(2010) door Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk, staan gedichten van kinderen van Coronie, gemaakt tijdens een workshop onder leiding van dichteres Celestine Raalte. Volgens twee thema’s hebben de kinderen gedicht: ‘Mijn droomhuis’ en ‘Wat ik graag zou willen zijn’. Aan de gedichten zien we dat kinderen en jongeren wel degelijk een verbinding hebben met literatuur en zich met deskundige ondersteuning volkomen vrij voelen in het uiten van hun wensen en hun fantasie.

Mijn droomhuis

Mijn droomhuis zou
in de diepste bossen zijn
langs de grootste oceaan

dan hoor ik vogels zingen
slangen sissen, vissen
zwemmen de hele dag

wanneer ik jarig ben dragen
zij culturele klederdrachten
we dansen en eten
onze buikjes rond

we baden elke ochtend gezellig samen
de kleuren van mijn droomhuis
zijn rood groen rose en paars

wanneer ik zo eenzaam ben
laten ze me altijd lachen
mijn vrienden

de slangen vogels vissen
zijn de allerliefste vrienden
die ik in het diepste verste bos
heb gevonden.

Rayenne Zinhagel, 13 jaar

Foto: Coronie, @ Rudi Moeridjan

woensdag 4 mei 2011

Het plantageleven

door Carl Haarnack

In Suriname ligt de geschiedenis op straat. Als u door Paramaribo loopt dan hoeft u eigenlijk alleen het autoverkeer weg te denken om een beeld te krijgen van hoe de stad er honderd jaar geleden uit zag. Op de kaart van Alexander de Lavaux, Generale Caart van de Provintie Suriname, rivieren en districten met alle ontdekkingen van militaire togten, mitsgaders de groote der gemetene plantagien, gecarteert op de nauwkeurigste waarnemingen, uit 1737, vinden we bijvoorbeeld al het Pad van Wanica (nu Indira Gandhiweg). Ook staan op deze kaart de namen van meer dan 400 plantages en hun eigenaren. Wat nu de buitenwijken van Paramaribo zijn waren vroeger plantages: Zorg & Hoop, Geyersvlijt, Ma Retraite, Meerzorg en ga zo maar door. De geografische namen van nederzettingen die we nu op moderne kaarten vinden zijn bijna allemaal namen van plantages die verdwenen zijn. Van de plantagehuizen en de bijbehorende slavenhutten is bijna niets bewaard gebleven. Om een beeld te krijgen van de plantages moeten we te rade gaan bij archieven, slavenregisters, spaarzame dagboeken en een paar zeldzame foto’s.

Op de foto zien we de gebouwen van de suikerplantage Rust & Werk aan het eind van de 19e eeuw. De ijzingwekkende stilte is voelbaar. Het fascinerende aan de Surinaamse geschiedenis is dat je maar naar een oma of opa hoeft te kijken en je zit er midden in. Mijn moeders familienaam bijvoorbeeld is Blom. De Bloms komen van de plantage Sarah (die later werd samengevoegd met Leasowes). In de registers van familienamen die bij de afschaffing van de slavernij in 1863 gegeven werden vinden we een bron aan informatie. Met slechts een paar sprongen vind ik Coffee, geboren in 1817, slaaf op de katoenvelden en kostgronden van de plantage Sarah. Bij de emancipatie krijgt hij de naam Andreas Samuel Blom. In 1840 wordt hij vader van een zoon Robertson Timoteus. In 1843 wordt Heintje geboren. Ik heb anno 2007 een oom die ook Hein Blom heet. De geschiedenis is in Suriname nooit ver weg!
Op de andere foto zien we het plantagehuis van de plantage Sarah Leasowes in Coronie. Coronie werd pas aan het begin van de 19e eeuw door Engelse plantagehouders gecultiveerd. Suriname viel tussen 1804 en 1815 onder Engels bestuur. In die periode kwamen er veel plantagehouders van de Engelse eilanden (bijv. Trinidad, Barbados) naar Suriname. De Engelsen hadden begin 19e eeuw de slavenhandel al verboden. In Suriname was de geest van het abolitionisme nog niet ontwaakt. Door die Engelse aanwezigheid dragen veel plantages in Coronie Engelse namen. Ik denk bijvoorbeeld aan Sarah-Leasowes, Inverness, Hamilton, Perseverance, Maryshope, Totness, Friendship, Clyde en Burnside. Andere familienamen die op de plantage Sarah Leasowes ontstonden zijn Anijs, Boldewijn, Bloemgaard, Blom, Blos, Blijd, Bobson, Bron, Chards, Cichards, Creton, Daniels, Diek, Doorson, Dors, Elzas, Esajas, Fay, Felter, Filemon, Gram, Hards, Hasselbaink, Jacobussen, Jonassen, Kartets, Kasson, Kolf, Kramp, Kulas, Limon, Lunet, Machards, Mettendaf, Nomiss, Paal, Piket, Ravelijn, Redan, Redout, Riards, Riedewald, Rozenblad, Suran, Tevreden, Tolud, Tulp, Willig, Wilsterman, Wijers en Zunder. Deze familienamen kregen de slaven toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft. Op deze plantage vond ook de merkwaardige geschiedenis van Tata Colin plaats.


Er zijn maar weinig geschreven bronnen die ons iets vertellen over het leven van alle dag op de plantage. E.J. Bartelink (1834-1919), zelf kind van een Hollandse plantage-directeur en een slavin, begon in 1855 te werken als blank-officier (opzichter) op de plantage Zeezigt. Later werd hij directeur en schreef op 80 jarige leeftijd zijn levensverhaal Hoe de tijden veranderen; herinneringen van een ouden planter. Hij was, zo zegt hij zelf, “van het zwarte ras met eenig blankenbloed in de aderen.” Dankzij zijn relaas krijgen we een beeld van het leven van de planters:


"De planters van vroeger waren echte smulpapen en feestvierders. Zij hadden geregeld gasten. Van allerlei werd een gelegenheid gemaakt om invitaties uit te zenden. Zoo werd overal in de moestuinen snijbonen geteeld. Vooral werd er vaak werk van gemaakt voor de Kerstdagen. 't Was nu onder heeren planters een wedstrijd wie tegen dien tijd 't eerst snijbonen uit zijn tuin zou oogsten. De gelukkige zond uitnodigingen aan buren en vrienden om bij hem snijbonen te komen eten. Een groot feest werd aangericht dat 3 a 4 dagen duurde en waarbij een weelde en overdaad ten toon werden gespreid, als de planters van nu 't zich niet kunnen voorstellen. De plantagewoningen waren niet zoo poover als thans gestoffeerd. Men vond overal kostbare meubelen, overvloed van zilverwerk, koperen vaatwerk, oud porcelein, fijn tafellinnen, enz. Voor het onderhouden van dit alles beschikte men over een groot aantal dienstboden. Op Zeezigt zorgde voor het huis van den directeur - die niet gehuwd was - een huishoudster, bijgestaan door niet minder dan acht meiden. Als er gasten waren, dan hadden de opzichters 't zoo mogelijk nog royaler dan anders. 't Eenige waartegen zij bezwaar gevoelden, was dat zij tot middernacht op hun souper moesten wachten. Want tot dat uur bleef het gezelschap kaarten, waarna men aan tafel ging.”

Voor de slaven zag het leven er beslist anders uit. Kuhn (1828) schrijft over het voedsel van de slaven: "Zout en peper behoren tot de gewichtigste behoeften van de Negers, en hoe zouden ook de soms ongeloofelijke menigte van taaije spijzen, die met eene zekere gulzigheid genomen worden, verteren, indien daartoe niet het zout en veel peper dienden. De Neger is, overigens, niet kiesch; hij verteert, met graagte, niet zelden visch, vleesch of spek, waaraan reeds een merkelijke graad van bederf aanwezig is; de gewone drank is water; wanneer zij het hebben kunnen, drinken zij gaarne 's morgens switie watra, dat is, heet water, met likka of melassie zoet gemaakt; velen beminnen den sterke drank, en hun liefde is dram, een drank, welke van het schuim en andere uitwerpsels van het suikersap gedistilleerd wordt, soms zoo sterk, maar slechter dan versche rum."

Volgens Van Hoëvell, fel voorstander van afschaffing van de slavernij, was het leven voor de slaven op de plantage onmenselijk zwaar: “Reeds ten vijf ure en op de suikereffekten ten vier ure in den morgen worden de slaven door de reveille uit hunnen slaap gewekt. Dan moeten zij voor de bereiding van hun voedsel zorgen en al spoedig wordt het bevel tot den afmarsch naar de velden gegeven. Komen zij dan des avonds, moede en afgewerkt, terug, dan is de tijd der rust nog lang niet daar. Hebben zij in dat uur voor hunne meesters niet meer te werken, dan moeten zij toch in alle geval weder voor zich zelven zorgen, want geene vlijtige vrouw, die zijne spijs heeft gereed gemaakt, wacht den neger als hij van den akker te huis komt.”

Pak nu uw vergrootglas en kijk nog eens goed naar het midden van de foto van Sarah Leasowes. Ziet u daar twee figuren staan? Zouden we er niet veel voor over hebben als zij eens tot ons zouden kunnen spreken?


[Afbeelingen: collectie Buku Bibliotheca Surinamica]

[Dit artikel werd eerder geplaatst in het blad Obsession]

dinsdag 15 maart 2011

Coronie in de literatuur

door Els Moor

Coronie: wie Dromers Doemdenkers en Doorzetters bekijkt en leest, komt veel onderwerpen tegen die het goed zouden doen in gedichten en verhalen. Toch is er maar weinig literatuur over dit district, evenals over de andere districten en het binnenland. Hieronder volgt een overzicht van proza en poëzie over Coronie. Het is niet veel, maar zeker interessant om te lezen naast Dromers Doemdenkers en Doorzetters. Suriname is niet alleen Paramaribo. Onze prachtige districten en het zo bijzondere binnenland krijgen beslist niet de aandacht die ze verdienen. In vele opzichten zijn de bewoners zwaar achtergesteld. Hoe verder weg, hoe erger het is!

‘De Fuik’Het verhaal ‘De Fuik’ van Eddy Bruma (1925-2000) verscheen voor het eerst in 1952 als ‘De fuke’ in het Fries, in het Surinamenummer van De Tsjerne; vier jaar later in het Nederlands in de bloemlezing Meesters der negervertelkunst en in het Sranantongo als ‘Maswa’ in het tijdschrift Tongoni (1958). De Nederlandse versie is ook verschenen in Verhalen van Surinaamse schrijvers (1989) en in Mama Sranan (1999), beide samengesteld door Michiel van Kempen.
Het verhaal gaat over de urbanisatie die in die tijd het traditionele leven in de districten bedreigt. De centrale figuur in het verhaal is oom Safrie. Stadsbewoners die geen respect hebben voor de voorouders, komen grond kopen, maar Safrie jaagt hen weg. De enorme droogte dreigt echter funest te worden voor het landbouwersbestaan. Zelfs Joewan die door oom Safrie is grootgebracht alsof hij zijn eigen zoon was, vertrekt richting stad. Dat doet oom Safrie veel verdriet.
Eddy Bruma maakte in 1960, ter gelegenheid van de 1-juli-viering van de beweging Wie Eegie Sanie een toneelbewerking van het verhaal over de Coroniaanse vrijheidsheld Tata Colin.

Tata ColinIn 1982 verscheen het boek over Tata Colin van Ruud Mungroo (1938-2003). In 1989 werd het herdrukt. De schrijver deed voor zijn novelle onderzoek naar de gebeurtenissen die zich in de dertiger jaren van de 19de eeuw afspeelden rond de legendarische, charismatische figuur van Tata Colin. Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in 1835, op plantage Leasowes. De slaven daar krijgen moed naar aanleiding van de berichten die uit Paramaribo doorsijpelen over de brand van 1832, aangestoken door Codjo, Mentor en Present en ze gaan zich onder leiding van Tata Colin inzetten voor vrijheid. Dit leidt tot grote ongerustheid onder de slavenmeesters.

.
Beeld van Tata Colin in Totness, Coronie
Foto © Michiel van Kempen



Uiteraard zijn er ook verraders onder de slaven. Tata Colin krijgt een forse aframmeling en verliest zijn spraakvermogen. Pas na drie jaar begint hij weer te praten. Dan spreekt hij zijn medeslaven moed in vanuit het negerziekenhuis en voorspelt hij de naderende opstand, gevolgd door vrijheid. Hij en enkele medeslaven worden echter verraden en naar de stad gebracht voor berechting. Tata Colin krijgt de doodstraf. In Coronie zal hij opgehangen worden als afschrikwekkend voorbeeld. Voor hij echter vervoerd zal worden, is hij ‘ontsnapt’ vanuit zijn cel met gesloten deur … naar het water van de zee. Slaven die terugvliegen naar Afrika, het is een bekend motto uit de orale negerliteratuur. De zwarte Nobelprijswinnares uit Amerika, Toni Morrison, gebruikt het in haar roman De hemelvaart van Solomon (1974) en ook Tessa Leuwsha pakt het motief even op in haar roman Solo een liefde.

Solo een liefdeDe tweede roman van Tessa Leuwsha, Solo een liefde, verscheen in 2009. De hoofdfiguur in deze roman, de jonge vrouw Solana, is sterk geworteld in Coronie. Ze is geboren op plantage ‘Paradise’, die een grote rol in haar leven blijft spelen. Het is een roman over een liefdesrelatie die ook, ingebed in het verhaal, veel informatie geeft over Coronie en de geschiedenis van het district. In de terugblikken naar Solana’s overgrootvader Riedewald Cummings, die na het vertrek van de plantage-eigenaar naar Nederland de verantwoordelijkheid voor de plantage Paradise heeft, zit veel informatie over de zware tijd wanneer de verzilting van de grond begint, de kokospalmen ziek worden en de katoenverkoop daalt. Hij verlaat de plantage en laat de verantwoordelijkheid aan een ander. Dat zie we steeds. Ook Solana’s moeder vertrekt en laat de verantwoordelijkheid voor de plantage aan haar jonge dochter. Solana zelf komt later met haar geliefde in Frimangron terecht, buurt voor ‘vrije negers’ in Paramaribo, maar Coronie laat haar niet los. Het is een boeiend geschreven roman vol diepte en informatie.

Dichters
Enkele bekende Surinaamse dichters zijn afkomstig uit Coronie. Michaël Slory (1935) is er een, die ‘Koronie kawina’ schreef, opgedragen aan kawinazanger Bigi Jones, een lang kawina-achtig gedicht in het Sranan en Nederlands. Iedere tweede regel luidt: ‘Mi ben dape, bato, gongote!’, ‘Ik was er ook bij, waarachtig wel!’ Dat geeft het gedicht een prachtig ritme.
Sombra (1939) dichter en voordrachtskunstenaar in het Sranan en bekende persoonlijkheid binnen de Schrijversgroep 77, heeft gedichten geschreven over zijn geboortedistrict en een verhaal ‘Futumarki fu grebi’ dat hij vaak vertelt, staat in vertaling van Michiel van Kempen onder de titel ‘Voetsporen naar het graf’ in de bundel Hoor die tori! (1990). Het is een echte ‘ondrofinitori’, ‘ondrofini poti mi na skoro/ Sabi so poti mi sidon na bangi.’zijn de laatste woorden in het verhaal van de jager die door ondervinding wijs wordt.
Trudi Guda (1940) is niet afkomstig uit Coronie, maar in haar prachtige bundel poëzie Vogel op het licht, staat wel het korte gedicht:

Strand bij Coronie

Dragen vogels de wind
koelt de zee het strand

Vrijen vogels de wind
zoent de zee het zand, het zand, het zand

En dan Jozef Slagveer (1940-1982): hij was journalist en dichtte ook. Hij was afkomstig van Coronie en hield van zijn district. De laatste strofe van zijn gedicht ‘Totness’ luidt:

[…] hier wil ik sterven
met erebogen
van kokospalmen
dit is mijn land
mijn eigen land
niemand die me
dit ontnemen kan

Hij stierf op 8 december 1982, niet in zijn land met erebogen van kokospalmen, maar vermoord in Fort Zeelandia.
De kindergedichten, resultaten van de workshops van Celestine Raalte in de verschillende scholen van Coronie, staan in het ‘Intermezzo’ van Dromers Doemdenkers en Doorzetters. Lees ze! Ze zijn prachtig. Zulke initiatieven maken de slapende literatuur wakker!


[ook in de Ware Tijd Literair, 12 maart 2011]

Het verhaal van Eddy Bruma, 'De fuik', is te vinden op de site van de DBNL, klik hier

maandag 28 februari 2011

Coronie van bloei- naar slaapperiode

door Charles Chang

De kleuren van zijn topi [hoofddeksel - red.] waren fel rood, groen en geel. Maar nog altijd met zijn stok in zijn hand vertelde Sombra (72) over zijn geboortedistrict Coronie op de laatstgehouden Schrijversavond van S'77 in Tori Oso in Paramaribo. Sombra staat meer bekend als dichter en voordrachtkunstenaar, maar is ook een goede verteller. Hij begon bij het begin.

1801: Coronie werd door een resolutie het zevende district van Suriname. De eerste die zich vestigde, was de Schotse planter Cameron op plantage Burnside (1808). De slaven kwamen niet vanuit Paramaribo, maar via Barbados naar de kust van Coronie. Toen heette Coronie nog Upper-Nickerie. Het district is later vernoemd naar de Coronakreek, een kreek die van Totness naar de Coppenamerivier stroomde.

De Coronakreek bestaat niet meer, maar wel de Coroniaanse hoofdstad die de enige plaats van het district als eigendom van de overheid is gebleven. De rest behoort toe aan de nazaten van ex-slaven. Coronie bestond uit katoenplantages en bloeide nog tot midden van de vorige eeuw. Vele grote namen in de Surinaamse samenleving komen oorspronkelijk uit het district dat bekend staat als ‘land van melk en honing’. “Coronie had de grootste veestapel, een eigen vlag, wapen en volkslied, ” vertelt Sombra.

Hij noemde ook de oorzaken van de achteruitgang van het district. Tien jaar na de afschaffing van de slavernij (1873) werden veel jongeren naar de stad gebracht voor verschillende opleidingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd een aantal gevraagd voor de schutterij. In 1956 waren er drie hoofdonderwijzers geweest die een weddenschap hielden: wie kon de meeste kinderen naar de stad sturen voor mulo-onderwijs. Een aantal Coronianen werd ook overgebracht naar Alliance, Commewijne, voor onderwijs in de landbouw, maar na de opleiding keerde niemand terug naar hun geboortedistrict. "Ye puru a bere, dan blijft alleen de kop en staart over," zegt Sombra metaforisch over de leegloop van jongeren uit het district.

Ook was de achteruitgang van Coronie niet alleen te wijten aan de stopzetting van succesvolle landbouwprojecten en verkeerde aanpak van het zoet- en zoutwaterprobleem, maar ook door het geloof. Sombra: "De bevolking van Sara tot Burnside was EBG en van John tot Mary's Hope was katholiek. Wilde je trouwen met de ander, dan moest je je geloof opgeven."

Tussen het publiek luisterde Desiré Maarbach met weemoed naar de vertelling van Sombra. “Ik ging na de lagere school naar de mulo. Ik heb nog de bloeiperiode van Coronie meegemaakt, en ik geloof sterk dàt je door hard werken vooruitkomt. Coronie kende tijdens de bloeiperiode negen bakkerijen en negen takken van sport! Elk weekend Coronie ‘ben span’! Nu is er alleen nog voetbal. Ik ging nog wel terug, maar niet om er te wonen. Ik ken maar één leeftijdgenoot die terug is gegaan om te wonen en dat is Alex Feller. De jongeren keerden niet terug en de ouderen stierven en wat overbleef, werd kapotgemaakt door de politiek. Mensen kregen banen waarvoor ze weinig hoefden te doen."

.

Maarbach's verhaal vindt weerklank in het boek Dromers, Doemdenkers en Doorzetters waarin Fiene, de moeder van Letitia Vriesde, eerlijk vertelt hoe het komt dat Coronianen lui zijn geworden. Tijdens het tweede deel van de avond hield Els Moor een presentatie over dit boek waarvan een maandenlange tentoonstelling in Fort Zeelandia geweest. Het rijk geïllustreerde boek is opgedeeld in drie delen: vertelling van ouderen, tekeningen en gedichten van kinderen en de architectuur waarmee Coronie zich onderscheidt van de ander districten. "Boeiend, maar ook heel eerlijk," besluit Els Moor.

[uit de Ware Tijd, 28/02/2011]

Foto's: @ Michiel van Kempen

zaterdag 19 februari 2011

Tori Oso-avond over Coronie

De laatste woensdag van februari, de 23ste, is het weer Tori Oso avond van Schrijversgroep ’77. De avond wordt gewijd aan het district Coronie, op speciaal verzoek van Sombra (foto), die er geboren en getogen is. De avond start met slides van Coronie, van de dvd die de FVAS maakte in het kader van het kunstproject Coronie in 2004, waar ook Sombra aan meedeed. Daarna zal Sombra vertellen over de geschiedenis van Coronie en de huidige situatie. Zijn voordracht heet Fa a du kon tak Coronie tan so no no de en is in het Sranan. Hij gaat in op de rol van de kerk en de politiek. Vervolgens presenteert Els Moor het boek Dromers, doemdenkers en doorzetters; verhalen van mensen en gebouwen in Coronie van Fineke van der Veen, Dick ter Steege and Chandra van Binnendijk. Dit boek maakt deel uit van de expositie De verleiding van Coronie, die momenteel te bezichtigen is in Den Haag, Nederland. Het boek zal te koop zijn op de Schrijversgroepavond. Na de pauze zingt Carla Rees over Coronie en Irene Welles leest een verhaal voor. Dan is het tijd voor vragen, opmerkingen en aanvullingen vanuit het publiek. Het belooft een interessante avond te worden.
De toegang is vrij.
Tori Oso. Frederik Derbystraat 76., Paramaribo.
Tijd 20.00 – 22.00u.
Meer info: Sombra (8571510) of Ismene Krishnadath (8912005)

[Bericht van Schrijversgroep '77]

zaterdag 12 februari 2011

Sombra wenst bibliotheek voor Coronie

door Charles Chang


Paramaribo - "Als Coroniaan en om iets terug te geven aan mijn geboortedistrict," zegt Sombra over de donatie van een partij boeken. De dichter heeft op de Tata Colinschool in Coronie honderd boeken aan Jonathan Reinhard overhandigd. De leerling van de tweede brugklas lbgo vertegenwoordigde de jeugparlementariër van Coronie, Mario Boldewijn.

Naast de partij boeken doneerde de bekende Sranandichter en voordrachtkunstenaar ook tien exemplaren van zijn laatste bundel Boskopu Spikri (2009). Vijf daarvan ging naar juf Blijd, in haar hoedanigheid als leerkracht van de Tata Colin LBGO, maar ook als districtraadslid.



Sombra overhandigt vijf boeken van zijn laatste bundel Boskopu Spikri aan Jonathan Reinhard. Juf Blijd die als leerkracht en districtraadslid ook vijf exemplaren krijgt, kijkt toe. De wens van Sombra is dat er een bibliotheek komt voor de Coroniaanse jeugd. (Foto @ Charles Chang)

Tijdens een van zijn optredens in Nederland kwam Sombra in contact met Eduard Buitenman, directeur van Ebu Akademiya, een Surinaamse organisatie in Amsterdam. De dichter maakte toen zijn wens kenbaar aan de organisatie: een bibliotheek in Coronie. Dit leverde hem een zending op van driehonderd boeken, die in 2008 aan de dc van Coronie werd afgegeven. Hoewel er een nieuw gebouw in Totness bestaat met bibliotheek als bestemming, is dit tot de dag van vandaag nog niet ingericht. Sombra weet ook niet waar de boeken zijn ondergebracht, want op de scholen weten ze van niets. Vandaar dat hij de tweede zending persoonlijk bracht naar Coronie.

De boeken zijn van allerlei genres: natuur, sport, wetenschap, economie en kookkunst. Over het leesgedrag bij de Coroniaanse jeugd, zegt juf Blijd: "Bitter weinig! Meer rondhangen en sport – dat is wat ze in hun vrije tijd doen!" Geen van de aanwezige leerlingen heeft ook ooit van Sombra, 'de Prins van Totness', gehoord. Toch is Reinhard die de boeken in ontvangst nam blij met de geste. Hij kondigde meteen een meeting aan voor vrijdag, in de vergaderruimte op Bantaskin. Na de donatie bezocht Sombra ook de Tata Colin-muloschool waar hij enkele voordrachten deed. Zijn bezoek deze week had nog een ander persoonlijke reden: "Sonde mi frijari." Op de laatste woensdag van februari houdt de kunstenaar een vertelling over Coronie in Tori Oso.

[uit de Ware Tijd, 11/02/2011]

vrijdag 4 februari 2011

Expo en boekpresentatie over Coronie in Den Haag

Op zaterdag 12 februari, 16.00 uur vindt in de Haagse Kunstkring, Denneweg 64, Den Haag, de opening plaats van de expositie De Verleiding van Coronie/2, en tevens de boekpresentatie van Dromers, doemdenkers en doorzetters; verhalen van mensen en gebouwen in Coronie. Coronie is het kleinste district van Suriname, met nog geen 3.000 inwoners.

Het begon zoals veel liefdes beginnen, met de verleiding door uiterlijk schoon: de oude houten huizen met de ruime erven; het vele groen; de wuivende kokospalmen. Ook de plaatsnamen intrigeerden: Inverness, Mary’s Hope, Hague, John, Bantaskine, Burnside. Waar kwamen die namen vandaan? Al snel volgden meer vragen: wie wonen hier, wat leeft er achter de rustige façade? Hoe was het hier vroeger; waar zijn de oude verhalen? En welke toekomst heeft dit schaars bewoonde gebied? Kunnen de karakteristiek gebouwen beschermd worden voor verder verval? Is Coronie een voorbeeld van een nostalgisch paradijs, of van een plattelandsstreek die langzaam leegbloedt – zoals elders in de wereld?
.

Langzaam rijpte het idee om de oude huizen en de verhalen van de inwoners te documenteren, vast te leggen voor het nageslacht. Zeker omdat het voor een deel een verdwijnende wereld betreft: veel oude huizen zakken langzaam in elkaar; de ouderen die over vroeger kunnen vertellen zijn van zeer hoge leeftijd. Zo ontstond het boek Dromers, doemdenkers en doorzetters; verhalen van mensen en gebouwen in Coronie.

Coronie is ook een inspiratiebron voor kunstenaars. Op het welkomsbord dat je ziet bij binnenkomst van het district staat: Coronie: Vredig, Vrij en Vriendelijk. Maar al snel merk je, dat onder de zichtbare vredigheid de onvrede broeit. En vrij? Vrij om iedere paar jaar te stemmen, maar niet gehoord te worden? Vriendelijkheid, ja, dat is precies onze zwakke plek, zei iemand, want omdat we vriendelijk zijn, denkt iedereen dat ze ons Coronianen in de maling kunnen nemen. Maar is Coronie wel zo vriendelijk? Nee, zeggen diverse mensen, er heerst achterdocht en jaloezie. Ja, zeggen anderen, het is een heerlijke, rustige plaats om te leven. De paradox van Coronie is een bron van inspiratie voor kunstenaars. Je kunt je eigen projecties maken, je eigen ‘Coronie’ scheppen: de groene rust van Coronie werkt als een spiegel die je eigen dromen, nachtmerries en beelden weerspiegelt.

In de expo De verleiding van Coronie/2 laten acht Surinaamse kunstenaars (en een uit Den Haag) hun visie op Coronie zien. Een ander deel van de expositie, gemaakt door Dick ter Steege en Fineke van der Veen, sluit aan bij het boek en laat de realiteit van Coronie zien. Panelen met bouwhistorische informatie die het resultaat tonen van onderzoek naar de meest karakteristieke gebouwen van Coronie. Foto’s van Coronianen en van fenomenen als het openluchtmuseum en de ruïne van de kokosfabriek – ooit de trots van Coronie.

Over de auteurs

Fineke van der Veen (1947). Opleidingen in onderwijs, journalistiek en beeldende kunst. Zij werkte tot 2006 in diverse beleidsfuncties bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, o.a. op het terrein van gender, vrede en veiligheid, met name in Zuid-Amerika en het Caribische Gebied; Afghanistan en Soedan. Momenteel werkt zij via haar bureau Art & Story (beeld & tekst) aan (internationale) projecten zoals 'Coronie!' en 'Cross Point', een samenwerkingsproject van Europese beeldend kunstenaars.

Dick ter Steege (1949). Na zijn opleiding tot architect aan de TU Delft werkte hij meer dan 30 jaar in een groot aantal ontwikkelingslanden. De laatste tien jaar heeft hij zich gespecialiseerd in de revitalisering van historische steden en gebouwen in o.a. Indonesië, Yemen, Ghana, Roemenië en Azerbeijan. Na een recente opleiding tot bouwhistoricus legt hij zich meer toe op de analyse van gebouwen en historische structuren. Hij is momenteel naast in Suriname actief in Indonesië, Iran, Georgië en Zambia.

Chandra van Binnendijk (Paramaribo, 1953) werkt in Suriname als publicist en redacteur. Na jaren in de journalistiek - voor zowel lokale als Caribische media - verplaatste haar werkterrein zich naar kunst en cultuur, voornamelijk de beeldende kunst. Ze was als schrijfster, samensteller en mederegisseur betrokken bij lokale documentaires en deed onderzoek en productie voor diverse projecten van filmmakers. Voor KIT Publishers schreef zij met co-auteur Paul Faber Sranan, Cultuur van Suriname (1992); Twintig jaar beeldende kunst in Suriname 1975-1995 (1995) en Beeldende kunst in Suriname, de twintigste eeuw (2000). In 2010 was ze betrokken bij de tentoonstelling en het boek Paramaribo SPAN, Hedendaagse beeldende kunst in Suriname en de tentoonstelling en de publicatie Schaafijs en wilde bussen, Straatkunst in Suriname.
.

Dromers, doemdenkers en doorzetters. Verhalen van mensen en gebouwen in Coronie.
Auteurs: Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk,
ISBN 9789460221163
Paperback, 192 pagina’s, € 24,50
Uitgever: KIT Publishers
Verkrijgbaar in boekhandel, bij de uitgever en via internet.

De expositie De verleiding van Coronie/2 in De Haagse Kunstkring, is te zien van 12 februari t/m 1 maart 2011



Afbeeldingen: boven: Roddney Tjon Poen Gie, Close to the ocean, acryl op doek, 155x116 cm; onder: Fineke van der Veen, Coroniaans huisje.

donderdag 13 januari 2011

Dan zal er geen slavernij meer zijn!

door Michiel van Kempen

Ruud Mungroo en Benny Ooft hadden veel gemeen. Ongeveer even oud - Mungroo werd geboren in '38, Ooft in '41 - verkregen beiden een degelijk onderricht in de Nederlandse taal door de fraters en beiden zouden zich literair bijna uitsluitend in die taal ontplooien. Uit hun schooljaren groeiden zelfbewuste, nationalistisch denkende mannen die zich strijdbaar inzetten voor hun politieke idealen, maar die `relaxed' met die idealen omsprongen. Plezierig in de omgang, beschikkend over een royale lach, niet de minsten onder de volgelingen van Bacchus, verrieden zij geen spoor van de hebi's die sommige nationalisten tonen als figuren die niet helemaal lekker in hun vel zitten.

Ook in het werk dat zij naar buiten brachten, lieten Ruud Mungroo en Benny Ooft een opvallende parallel zien. Beiden waren actief in de journalistiek en de filmwereld (Ooft als regisseur, Mungroo kortstondig als acteur in Pim de la Parra's Wan pipel uit 1976). Beiden publiceerden één verhalenbundel (Afanaisa, respectievelijk Silhouetten). Beider belangrijkste werk tot op heden is een novelle die een belangwekkende overgangsperiode uit de Surinaamse geschiedenis verbeeldt: Oofts Avonden aan de rivier (1969) vertelt over de dreigende ontvolking van het binnenland na de komst van de stuwdam, Mungroos Tata Colin (1982) gaat over de beroeringen onder de slaven die hun vrijmaking voelen naderen. Nog een opvallende parallel tenslotte: de literaire productie van de zwagers is moeizaam tot stand gekomen en hun grootste werk is nooit verschenen. Wijlen Benny Ooft zal zijn opus magnum, de roman Tussen palmen en dijken, nooit in druk zien. De roman De erfenis van Ruud Mungroo was volgens uitspraken van de auteur al in 1987 voltooid (een fragment ervan stond in dat jaar in het Surinamenummer van het Vlaamse tijdschrift Deus ex Machina), maar is ook nooit ter perse gebracht.

Tata Colin verscheen in 1982 en werd in 1989 herdrukt. Het boek was Ruud Mungroos hoogste literaire gooi tot op dat moment. Tata Colin overtrof de korte novelle Het raam aanzienlijk in omvang èn kwaliteit. Op het spoor gezet door een artikel in het Bulletin van het Rijksmuseum, Amsterdam was Mungroo aan het gegevens-verzamelen geslagen over de gebeurtenissen die zich in de jaren '30 van de 19de eeuw in Coronie hadden voorgedaan rond de charismatische figuur van Tata Colin. Het verhaal speelt zich af in jet jaar 1835 op de plantage Leasowes. Honend spreekt de slaag George over de vrijheid die `een dwaas als Colin' de slaven in het vooruitzicht heeft gesteld. De lezer wordt middels een flashback meegenomen naar drie jaar eerder, 1832, het jaar van de grote brand van Paramaribo, zoals bekend (en door Rikken in zijn roman Codjo, de brandstichter in 1903 verhaald) aangestoken door Kodjo, Mentor en Present. Tata Colin heeft in die brand het voorteken gezien van de naderende bevrijding. Maar de planters voelen de onrust in de lucht zitten en William Mackintosh, met de verraderlijke Kwadjo aan zijn zijde, zorgt ervoor dat Colin een flinke aframmeling krijgt. In een korte flashback (pp. 34 36) binnen de grote flashback (pp. 4 36) zien we Colins gedachten teruggaan naar hoe hij uit Afrika geroofd werd en als slaaf naar Suriname werd gebracht.

Na zijn wrede straf verliest Colin voor drie jaar zijn spraakvermogen. In die tijd verkrijgen de slaven in de Engelse koloniën hun vrijheid. Op zekere dag begint Tata Colin weer te spreken. Als teken van zijn onafhankelijke geest steekt hij zijn huisje in brand. Hij wordt opgesloten in het negerziekenhuis. Van daaruit tracht hij de andere slaven moed in te spreken en profeteert hij de naderende opstand. Maar door het verraad van de slaag George worden hij en zijn medestanders in de ketens geslagen en naar Paramaribo vervoerd om berecht te worden wegens samenzwering. Tata Colin wordt ter dood veroordeeld (wat er van de anderen wordt, horen we niet), maar het vonnis kan niet voltrokken worden, zoals de oude slavin Peggy verhaalt:

Luister goed, en vertel aan de anderen dat Tata Colin twee dagen geleden Suriname heeft verlaten. Zonder dat de deur van de gevangenis werd geopend, stapte hij door de muur heen naar de rivier en liep over het water naar zee. Hij zal terugkeren wanneer de granmaster en de officiersster aan de hemel samenkomen. Dan zal er, zoals hij ons dat jaren geleden voorspeld had, geen slavernij meer zijn!

Als het gaat om de geschiedenis van Suriname, dan ligt er nog veel terrein braak voor de Surinaamse schrijvers. Veel heldenlevens zijn nog nooit tot onderwerp van een literair verhaal gemaakt, terwijl de herdrukken van Johan Hokstams Boni, Cynthia McLeods Hoe duur was de suiker? en andere romans, Clark Accors De koningin van Paramaribo en ook Tata Colin bewijzen dat er een bijzonder geinteresseerd lezersvolk voor bestaat. De novelle van Ruud Mungroo (want het gebeuren is te beperkt van omvang en de karakters zijn te weinig uitgewerkt om van een roman te kunnen spreken) is een waardevolle bijdrage in literaire vorm aan de geschiedschrijving van Suriname. Het mythische einde de geest van Colin die over de wateren terugzweeft naar Afrika geeft het juiste perspectief aan de hoopvolle verwachting die Colin in de harten van de slaven gelegd heeft en die uiteindelijk in 1863 haar inlossing vond.
Jammer is dat de herdruk niet te baat is genomen om een aantal oneffenheden glad te strijken. Op een aantal plaatsen gaat de stijl in de richting van het cliché: striptaal als `smerige honden', `Gevangen in de greep van de angst', `bittere woede', `jammerlijk verdronk'. De stijl vertoont ook wat onhandigheden. Neem deze zin: Wat zal ons een teken zijn, Tata Colin, zeg het ons zodat we het aan hen die wanhopen, en zich door de blanken die twee oogsten geleden in Coronie aankwamen, laten dopen, omdat ze zijn gaan twijfelen aan onze overwinning, kunnen vertellen. Het is natuurlijk een zin die niemand ooit uit zijn strot kan krijgen. Klunzig is ook: Hij voelde hoe haar nagels zich in zijn vlees boorden, langzaam zakten ze op de vloer neer. Nagels die op de vloer zakken? Enkele taal en drukfouten zijn in de heruitgave niet rechtgezet, maar echt vervelend is de slordige manier waarop wordt omgesprongen met de tijdsaanduidingen. De al eerder vermelde grote flashback speelt zich af in het jaar 1832. Daarin lezen we (p. 19): het feit dat de slavernij volgend jaar wordt afgeschaft in de Britse koloniën. Het volgend jaar is dus: 1833. Maar die afschaffing vond pas plaats in 1834! Als die flashback dan voorbij is, zijn we dus weer terug bij het begin: het jaar 1835. Dan staat er opeens weer (p. 37): Zwoegend op de velden en in de katoenloodsen gingen er drie jaren voorbij. Maar die drie jaren zijn gerekend vanaf 1832! Er had dus moeten staan: waren er drie jaren voorbijgegaan. Overigens is de zin ook anderszins een tenenkrommer: onderwerp is `drie jaren' en dan zouden dus die drie jaren hebben zitten zwoegen in de katoenloodsen... Geheel correct had de zin dus moeten luiden: Zwoegend op de velden en in de katoenloodsen hadden de slaven drie jaren voorbij zien gaan. Zij die schrijven niet als een vak zien vinden dit soort opmerkingen muggenzifterij. Het zij zo, ik neem een boek van de eerste tot de laatste bladzijde serieus.


Foto rechts: standbeeld voor Tata Colin in Totness, Coronie, @ Michiel van Kempen

zaterdag 11 december 2010

Coronie blues!

door Stuart Rahan


Als ik aan Coronie denk, denk ik aan een kort gedichtje. K'koloni, klein maal plettig, Zo je lenne, Zo je valle, Zo je bleke je stene balle. Grappig voor allochtone Coronianen, maar de oer-Coroniaan kan daar niet om lachen. Coronie leeft bij veel Surinamers slechts in de herinnering, omdat een levendige voorstelling weinig tot de verbeelding spreekt. Kokosnoten, honing, varkens en een steeds kleiner wordend gebied als gevolg van de opslokking door de zee zijn reacties die je krijgt als je over Coronie praat. O ja, vergeet de muskieten niet. Over ontwikkeling wordt nauwelijks gesproken want in plaats van een bevolkingstoename tonen bevolkingscijfers aan dat er sprake is van een negatieve geboorteaanwas. Klinkt raar, maar er verlaten meer bewoners hun Coroniaanse geboortegrond dan er Coroniaantjes ter wereld komen. Hoe weinig mensen er wonen, bleek ook tijdens de afgelopen verkiezingen. Toen de stembussen landelijk om 19.00u sloten, wisten Anton Paal en Remie Tarnadi om 19.05u dat zij de nieuwe assembléeleden waren van hun district.

.


Zo snel waren de weinige stemmen geteld in het district, dat rond de drieduizend bewoners telt. Het lijkt allemaal somber als je bedenkt dat ontwikkeling voornamelijk door menselijk kapitaal tot stand komt. Van de volwassenen werkt bijna tachtig procent in overheidsdienst – een vorm van verkapte bijstand – of krijgt geld van Sociale Zaken. Een man op een bank in de schaduw vraagt: “Zie je die drie dames aan de overkant? Ze zijn aan het werk, ze zijn van Milieubeheer.” “Ze zitten te zitten”, zeg ik en ik schiet in de lach. “U lacht”, zegt de man. “Ik kan ook huilen”, zeg ik, “want het is triest.” We praten nog wat tot de man zegt dat ik een andere keer terug moet komen, hij moet nu met de bus naar Paramaribo. Ik neem afscheid. Als ik na een uur dezelfde weg terug wandel, zitten niet alleen de drie dames nog op dezelfde plek, maar ook de man. “Is de bus niet gekomen?”, vraag ik. “Hij komt zo”, is het antwoord. Dit zou zomaar een scenario kunnen zijn uit een slapstick maar helaas is dit de pure werkelijkheid in het Coronie van 2010, opgetekend in Dromers, doemdenkers en doorzetters. Verhalen van mensen en gebouwen in Coronie. De samenstellers zijn Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk en de uitgever is KIT Publishers Amsterdam.

De overwegend verveloze en vaak krom en scheef staande woningen, die overigens ooit in prachtige bouwstijlen zijn neergezet, geven een beeld van een landschap dat langzaam dreigt weg te zakken in een moeras van de eigen vergane folkloristische glorie. De wil en moed om er een halt aan toe te roepen lijken vergaan. Dat Coronie nu op deze manier vastgelegd wordt, is prijzenswaardig. Prijzenswaardig omdat met het tempo van verval wij misschien over enkele decennia zullen zeggen: “Gelukkig hebben wij de foto's nog.” Maar de uitgave van dit historische overzicht kan ook gezien worden als een initiatief om te komen tot serieuze wederopbouw. Het boek bevat ook bouwtekeningen van de bestaande architectuur en met een beetje geld, inzet en creativiteit kan het comateuze kokosdistrict weer tot leven worden gewekt. Jaren geleden verhuisde ik mijn grootmoeder naar Wageningen toen op de vroege ochtend een varken zo groot als een ezel voor mijn auto opdook. Remmen en ontwijken lukten niet meer. Ik sloeg het beest omver. Na een paar seconden stond het beduusd op en liep door als uit een coma ontwaakt. Dit varken kan symbool staan voor Coronie want zoals Coronianen over hun district zeggen: A tranga n'agu, a swit' n'agu nanga a moi n'agu. [Het is sterk als een varken, lekker als een varken en mooi als een varken.]

[uit De Ware Tijd, 2 december 2010]

Foto: Coronie, @ Stephan Ferrier

dinsdag 23 november 2010

Dromers, doemdenkers en doorzetters

Bij KIT Publishers verscheen onlangs Dromers, doemdenkers en doorzetters; Verhalen van mensen en gebouwen in Coronie, van Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk.

"Het begon zoals veel liefdes beginnen, met de verleiding van uiterlijke schoonheid: de oude houten huizen met de ruime erven; het vele groen; de wuivende kokospalmen. Ook de plaatsnamen intrigeerden: Inverness, Mary’s Hope, Hague. Waar kwamen die namen vandaan? Al snel volgden meer vragen: wie wonen hier, wat leeft er achter de rustige façade? Hoe was het hier vroeger; waar zijn de oude verhalen? En welke toekomst heeft dit schaars bewoonde gebied? Kunnen de karakteristiek gebouwen beschermd worden voor verder verval?"

Coronie is een unieke plek met een unieke geschiedenis. Het district grenst in het noorden aan de Atlantische Oceaan, in het westen aan Nickerie, in het zuiden aan Sipaliwini en in het oosten aan de Coppenamerivier. Het district beslaat 3.902 km² en ontleent zijn naam aan de Coronakreek. Aan weerszijden van de huidige autoweg waren vroeger plantages die vanaf 1808 door Engelse en Schotse kolonisten zijn aangelegd. Uit die periode stammen plaatsnamen als Burnside, Totness, Iverness en Hamilton. Het werk op de plantage werd gedaan door slaven. Daar kwam een einde aan na 1 juli 1863, de dag waarop na Engeland en Frankrijk ook Nederland eindelijk de slavernij afschafte.

In 1863 waren er in Coronie een grote suikerplantage, negen katoenplantages en een aantal kleinere plantages met voornamelijk voedselgewassen. De plantage-eigenaren waren niet in staat de nu vrije arbeiders loon te betalen. Het gevolg was dat de arbeiders delen van de plantages tegen gunstige voorwaarden konden kopen. Op de nieuwe percelen werden kokospalmen geplant, een teelt die ook nu nog belangrijk is voor Coronie. Daarnaast zijn de varkensteelt, visserij, rijstbouw van belang. Uit Coronie komt ook de zeer gewaardeerde Parwahoning.

Met deze middelen van bestaan leefden de bewoners van Coronie na 1863 in redelijke welstand, wat ook tot uiting komt in de woningbouw. Uit die tijd stammen de historische houten huizen en (overheids)gebouwen. De meeste bebouwing ligt aan weerszijde van de hoofdweg die parallel aan de zeekust loopt.

Tot de jaren '40 van de vorige eeuw lag Coronie nogal geïsoleerd wegens het ontbreken van een weg. Er was een schelpenrits die diende als weg voor lokaal verkeer. Het district was verder uitsluitend te bereiken over het water. Dit veranderde toen de Saramaccaweg werd doorgetrokken naar Boskamp, de verbinding over water tussen Boskamp en Jenny werd verbeterd en de weg van Jenny doorliep naar de belangrijkste plaats, Totness.

Na de periode van welstand is het district al jaren geplaagd door verval en trekken jongeren weg naar Paramaribo.

In Dromers, doemdenkers en doorzetters wordt een momentopname gepresenteerd: een documentaire van oude huizen en van verhalen van bewoners van Coronie. Gevat in een historisch kader en ruim voorzien van foto's en tekeningen. Daarnaast bevat het boek 48 pagina's bouwhistorisch cahier met dvd.

Expositie rond Coronie

Vredig, Vrij en Vriendelijk is een expositie met als thema het district Coronie, die van 23 tot en met 27 november (19:00 – 21:00 uur) te zien is in De Hal, Grote Combeweg 45, Paramaribo.

In november krijgt het district Coronie op twee verschillende plekken in Paramaribo speciale aandacht. Op 19 november wordt in Fort Zeelandia het boek Dromers, doemdenkers en doorzetters; verhalen van mensen en gebouwen in Coronie, van Fineke van der Veen, Dick ter Steege en Chandra van Binnendijk gepresenteerd. Dan opent daar simultaan ook de expositie De verleiding van Coronie, die nog tot 6 december in het Fort te zien is. Fineke van der Veen, een van de schrijfsters van het boek en zelf ook kunstenares, zag een expositie van beeldende kunst over Coronie als een prachtige aanvulling op de activiteiten in het Fort Zeelandia. In samenwerking met Readytex Art Gallery en een grote groep van haar partnerkunstenaars werd zo het idee voor de expositie Vredig, Vrij en Vriendelijk geboren.

Wel 15 kunstenaars, elk vanuit een eigen invalshoek en een eigen kijk op het district, gaan voor deze expositie aan de slag. Mooi en lelijk; positief en negatief; veelbelovend en ontmoedigend; alles werkt in op de inspiratie. Een ieder vertelt zo op zijn eigen manier, met schilderijen, installaties of andere kunstobjecten in uiteenlopende media, zijn eigen verhaal over het district Coronie. Fineke van der Veen noemt Coronie een district vol paradoxen:

“Een van de eerste dingen die je ziet als je het district Coronie binnenkomt, is het grote welkomstbord aan de linkerkant van de weg met de tekst: Vredig, Vrij en Vriendelijk.
Coronie is vol paradoxen. Onder de zichtbare vredigheid broeit de onvrede. En vrij, wat is vrij? Vrij om aan de kant van de weg te zitten? Vrij om om de zoveel jaar te stemmen, maar niet gehoord te worden? Vriendelijkheid, ja, dat is precies onze zwakke plek, zegt iemand, want omdat we vriendelijk zijn, denkt iedereen dat ze ons Coronianen in de maling kunnen nemen. Maar is Coronie wel zo vriendelijk? Nee, zeggen diverse mensen, er heerst achterdocht en jaloezie. Ja, zeggen anderen, het is een heerlijke, rustige plaats om te leven.
De paradox van Coronie is een bron van inspiratie voor kunstenaars. Je kunt je eigen projecties maken, je eigen ‘Coronie’ scheppen: de groene rust van Coronie werkt als een spiegel die je eigen dromen, nachtmerries en beelden weerspiegelt”.

De participerende kunstenaars zijn: Reinier Asmoredjo, Kenneth Flijders, Soeki Irodikromo, Sri Irodikromo, Rinaldo Klas, Kurt Nahar, Sunil Puljhun, Dhiradj Ramsamoedj, George Struikelblok, Roddney Tjon Poen Gie, Kit-Ling Tjon Pian Gi, René Tosari, Fineke van der Veen, Wilgo Vijfhoven en Hanka Wolterstorff. Het werk op deze expositie is daarom ook bijzonder gevarieerd. De typische en bekende karakteristieken van het district zijn in het werk duidelijk waar te nemen. De oude gebouwen met hun kenmerkende architectuur, de zee, de kustvegetatie en de kokospalmen, de kokosolie en de honing waar Coronie bekend om staat springen duidelijk in het oog. Maar daarnaast zijn ook de andere minder positieve en de minder zichtbare aspecten aanwezig in het werk. De paradoxen waar Fineke het over heeft, het verval, de armoede, de achtergesteldheid, de sluimerende ontevredenheid en ook de potentie die aanwezig is, maar die om verschillende redenen niet tot ontplooiing komt, worden in uiteenlopende stijlen, technieken en media door de verschillende kunstenaars ook uitgebeeld.

Vredig, vrij en vriendelijk; werkelijkheid of illusie, eens of niet eens…., dankzij deze expositie krijgt het publiek de unieke kans, om door de ogen van onze kunstenaars, eens heel anders te kijken naar het district Coronie!

[Readytex Art Gallery Persbericht]

Onderste afbeelding: Rinaldo Klas - Mijn droom, acryl op doek, 148x99 cm.