Posts tonen met het label Verenigde Staten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verenigde Staten. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

De slaaf met de stem

Tessa Leuwsha
 door Tessa Leuwsha

De vrouw die mijn Surinaamse oma opvoedde heette Angelica Louisa Brouwn. Ze was tot haar twaalfde jaar slavin, haar slavennaam was Beckie. Solomon Northup die het boek 12 jaar slaaf naar zijn eigen ervaringen liet opstellen, overkwam in 1841 in Amerika hetzelfde. Toen Northup in slavernij verviel, kreeg hij een andere naam, Platt Epps. Epps, naar een latere eigenaar. Slavernij draaide om het ontnemen van iemands eigenheid. Slaven waren naamloze wezens zonder stem. Met Solomon Northup lag dat anders. Northup was als vrij man geboren. Hij kon lezen en schrijven, speelde viool en beschouwde zich niet minder intelligent dan de blanken die hij had ontmoet en voor wie hij later kwam te werken.

Northups verslag over zijn periode doorgebracht in slavernij was al bij publicatie in 1853 bijzonder. Het verscheen een jaar na Uncle Tom’s Cabin/ De negerhut van oom Tom van Harriët Beecher Stowe, dat handelde over de lotgevallen van slaven die vluchten. De negerhut van oom Tom was de eerste Amerikaanse roman met een zwart persoon in de hoofdrol. Het boek sloeg in Amerika een diepe kloof tussen voor- en tegenstanders van slavernij. Verzon Beecher Stowe, een blanke dochter van een predikant, haar roman, Northup ondervond zijn relaas aan den lijve. Toen Northup in 1841 tot slaaf werd gemaakt, was in het Noorden van Amerika slavernij al afgeschaft. In het Zuiden bestond die nog volop. Aanvoer van verse slaven voor de zuidelijke katoenplantages vormde een probleem. Het kidnappen van vrije zwarten door slavenhandelaren gebeurde regelmatig. Dit overkomt ook Solomon Northup uit de noordelijke staat New York. Northup is gehuwd en heeft twee kinderen, maar hij belandt duizenden kilometers van huis op een slavenmarkt. Daar moet hij helder uit de ogen kijken en zijn mond openen, zodat kopers ook zijn gebit kunnen keuren. Gelukkig voor zijn verkopers heeft Northup aan de zweep in het slavendepot niet al te veel littekens overgehouden. Die zouden blijk geven van een rebelse, weerspannige inborst: geen goed verkoopmateriaal. Toch behoudt Northup, nu Platt, in zijn vreselijke omstandigheid oog voor detail. Hij ruikt de schimmellucht in het ondergrondse vertrek waar hij gevangen wordt gehouden, hoort het kraaien van een haan die de ochtend aankondigt en het ratelen van een koets. Die precisie in waarneming en Platts talent zijn situatie haarscherp te beoordelen maken zijn verslag zo waardevol. Uit een monddood gemaakte, anonieme groep is daar opeens een slaaf die zijn ervaringen voor anderen invoelbaar maakt. Northup bevond zich als slaaf in hetzelfde gebied, waarin Beecher Stowe haar roman situeerde. Hij werkte op verschillende plantages aan de Red River. Een warme, vochtige streek, vergeven van moerassen en van bomen waar een grimmig baardmos uit hangt. Ontsnappen is een illusie die Platt twaalf jaar zal koesteren. In die twaalf lange jaren wandelen mensen in en uit zijn leven. De slavenhouder William Ford, die zijn slaven goed behandelt, maar die opgroeide met de overtuiging dat de ene mens het recht heeft de andere te onderdrukken. ‘Massa’ Ford noemen zijn slaven hem, meester Ford; masra in het Surinaams. Fords tegenhanger is John Tibeats, de gemene blanke, ‘white trash’. Tibeats jaagt op weggelopen slaven om te verkopen. Als Platt het met hem aan de stok krijgt, moet die het bijna ontgelden. ‘Waar zullen we die nikker ophangen’, vraagt een van Tibeats metgezellen. Massa Ford schiet te hulp. Platt is ten slotte een goede nikker, hij werkt hard en is intelligent. In Platts leven spelen ook medeslaven een rol. Niet anders dan een slavenhouder beschouwt Platt zijn lotgenoten, die in slavernij zijn geboren, als los van zichzelf: ongeschoold maar doordrongen van een sterk besef van wat vrijheid moet inhouden. Eliza wordt gescheiden van haar kinderen en verkommert van verdriet. De jonge, opgewekte Patsey trekt de aandacht van haar eigenaar Epps, aan wie ook Platt is doorverkocht. Epps misbruikt haar. Slavernij verdedigt hij met de bijbel: het aan het blanke ras door ‘God’ gegeven recht een ander volk te knechten. Dat Epps seks heeft met zijn slavin is zelfs voor hem moeilijk verkoopbaar. Epps’ vrouw, die de situatie door heeft, zint op wraak: Epps moet Patsey afranselen. Epps besteedt dit uit aan Platt, die gehoorzaamt. ‘Het is nauwelijks te bevatten hoe onderdanig een slaaf die in angst en onwetendheid is grootgebracht geneigd is te kruipen onder de blikken van een blanke’, zegt Northup in zijn verslag. Die opmerking blijkt ook voor Northup zelf te gelden, al was hij ooit een vrij man; hij slaat zich niet als held op de borst.

Northup verdicht de tijd in zijn levensverhaal, zodat de meest kernachtige gebeurtenissen eruit springen (het gros van die twaalf jaren waren ongetwijfeld een eentonige dreun). Daarnaast maken zijn detaillistische observaties dat het relaas leest als een roman, maar dan waar gebeurd. Bijzonder zijn ook de beschrijvingen van het werk en leven op de plantage. Iedere dag maïskoek en spek, slapen op een plank met een stuk hout als kussen, voortdurend angst voor van alles: voor te laat opstaan, voor zweepslagen wanneer er niet genoeg katoen is geplukt, voor ’s nachts bij volle maan te moeten doorwerken. En toch kan Northup haast poëtisch zijn: ‘Er is bijna geen uitzicht zo aangenaam als dat op een uitgestrekt katoenveld dat in bloei staat. Het biedt een aanblik van zuiverheid, als een smetteloze vlakte met lichte, vers gevallen sneeuw.’ Ook is hij in staat begrip op te brengen voor de andere kant. Epps’ zoon van tien rijdt al parmantig rond op zijn pony met een zweep in de hand. Aangeleerd, niet aangeboren, volgens Northup. Het kroost van de doorsnee slaveneigenaar weet niet beter dan dat slavenruggen er zijn om af te ranselen. Dat Northup kan lezen en schrijven, kennis die hij angstvallig voor zijn eigenaren verborgen houdt, blijkt zijn wapen. Na twaalf jaar gevangenschap weet hij zich er zijn vrijheid mee terug te veroveren. Pas dan wordt Platt Epps weer een individu: Solomon Northup.

De Nederlandse historica en journaliste Bianca Stigter herontdekte het in vergetelheid geraakte boek, toen haar partner, filmregisseur Steve Mc Queen, op zoek was naar een verhaal over slavernij. Northups relaas draagt alle elementen voor een succesvol script: schurken die slaven stelen, goede en slechte meesters, de liefde die Solomon Northup blijft koesteren voor zijn vrouw en kinderen. Steve Mc Queen maakte er een verfilming van die hem de Oscar voor beste film opleverde. In de Nederlandse vertaling van Northups levensverhaal, gebracht door uitgeverij Atlas Contact, is een voorwoord opgenomen van Steve Mc Queen en een inleiding van Bianca Stigter.


Solomon Northup: 12 jaar slaaf; Nederlandse vertaling: Leen Van Den Broucke, Inge Kok, Arjaan van Nimwegen, Thijs van Nimwegen; voorwoord Steve Mc Queen, inleiding Bianca Stigter. Uitgeverij Atlas Contact, 2014. ISBN 9789025443603. Oorspronkelijke titel: Twelve Years a Slave. Uitgave van Derby and Miller, 1853

maandag 7 april 2014

Dolend in het beloofde land

Foto © Gotti Almonte
door Tessa Leuwsha

Ayana Mathis droeg haar debuutroman De Twaalf Stammen van Hattie op aan haar moeder en aan haar opa en oma. Net als Mathis zelf zijn zij nazaten van negerslaven op de zuidelijke plantages van Amerika. In dat gegeven ligt de kern van Mathis’ indringende roman, die behendig uitwerkt wat in discussies over slavernij doorgaans niet meer oplevert dan een retorische vraag: welke sporen heeft slavernij nagelaten op de hedendaagse zwarte bevolking? Om dit te onderzoeken creëert Mathis de tienermoeder Hattie Shepherd en plaatst haar in het gesegregeerde Amerika van de twintigste eeuw. Hatties moeder vlucht met Hattie en haar twee zusjes dwars door het bos uit de zuidelijke staat Georgia. Hatties vader is nog maar twee dagen dood, maar de blanken zijn al bezig het naambordje van de deur van zijn smederij te halen en er hun eigen bordje op te hangen. Het doel van de reis is het Noorden: vrijstaat voor zwarten ten opzichte van het door rassenhaat verscheurde Zuiden. Hatties moeder staat in haar trektocht niet alleen: ‘Al die uit het Zuiden ontsnapte zielen gloeiden tegelijkertijd van verwachting in de barre winters van de steden in het Noorden’. Ma Shepherd en haar dochters strijken neer in Philadelphia, waar niemand op armoedzaaiers van het platteland blijkt te wachten. Om aan haar rusteloze moeder te ontsnappen, blijft Hattie hangen aan de eerste de beste man die haar het hof maakt en die haar geen geluk zal schenken. August is bovendien een slechte partij: donkerder van huid dan Hattie zelf. Ze krijgen een tweeling, Hattie noemt hen Philadelphia en Jubilee, hoopvolle namen ‘die niet al op een grafzerk in een familieperk in Georgia stonden gebeiteld’. Maar aan het grimmige verleden valt niet te ontkomen. De zuigelingen krijgen een longontsteking, geld voor medicijnen ontbreekt. De baby’s sterven in Hatties armen. Hattie zal nog tien kinderen krijgen, maar het noodlot dat haar eerstelingen trof vormt haar karakter: ze is innerlijk hard en afstandelijk, niet in staat liefde te geven of te ontvangen.

Arm Amerika, een heel volksdeel draagt de littekens van oude wonden. We volgen Hatties kinderen, stuk voor stuk worstelen ze met oud zeer, overgenomen van hun moeder die op haar beurt geen beter voorbeeld kende. Hatties oudste zoon Floyd is een van de weinigen die als muzikant het donkere Zuiden nog wel eens aandoet. De streek is doortrokken van lynchpartijen en moorddadige blanke meutes. In een razend tempo trekt Floyd van bar naar bar, vooral op de vlucht voor zijn seksuele geaardheid. Floyd ontmoet Lafayette die openlijk gay is, maar als Lafayette om die reden de muziektent wordt uitgetimmerd, blijft Floyd stoïcijns op zijn trompet blazen. In zijn laffe staat van ellende belt Floyd met zijn moeder. Hattie voelt haar zoons wanhoop, maar ze is niet in staat naar hem uit te reiken. Zoon Six is door een ongeval verminkt. Hij verstopt zich urenlang onder de trap, totdat hij in blinde razernij een jongen halfdood slaat. Hattie geeft uit angst voor wraak haar zoon mee met een dominee naar het Zuiden. In een gebedstent krijgt Six koortsachtig de geest. Hij predikt alsof zijn leven er vanaf hangt, zijn toehoorders brullen het uit van enthousiasme. Diep zit het geloof bij Six echter niet. Hij wordt een charlatan, die met zijn vurige preken mensen het geld uit de zak klopt. Voor Hattie doet zich in de vorm van de charmante Lawrence een kans voor op ontsnapping uit haar armzalige, kindervolle bestaan. De kleine Ruthie is zijn kind, ze is net zo lichtkleurig als Hattie en Lawrence en ze lijkt in niets op de klaploper August. August bedoelt het goed met Hattie, maar ook hij is niet in staat de muur die Hattie om zich heeft opgetrokken af te breken. Nog in de auto, weg van huis en haard en met Ruthie op schoot, betwijfelt Hattie of ze haar lot kan ontlopen. Ze gedraagt zich zuur tegen de levensgenieter en beroepsgokker Lawrence. Als Lawrence haar met Ruth op een bankje parkeert, zodat hij zijn handen vrij heeft voor een goksessie, neemt Hattie de benen terug naar haar kinderschaar.

Tessa Leuwsha
Hattie heeft haar kinderen in het leven weinig meer te bieden dan hun bijzondere namen: Billups, Six, Bell, zoals destijds ook de tweeling. Goed vergaat het hen geen van allen, ook Hatties dochters niet. De een is rijk getrouwd maar eenzaam, de ander wordt geplaagd door stemmen in haar hoofd. Steeds weer blijkt de liefdeloze opvoeding van Hattie een mentaal breekijzer. Zelfs kleindochter Sala, de vierde generatie Shepherd, geboren in 1980, torst de familielast met zich mee. Alleen de tijd heelt wonden: Hattie is al zestig jaar weg uit Georgia wanneer ze bij kleindochter Sala ingrijpt.


Ayana Mathis schreef in een rauwe, heldere taal een roman van epische proporties en met bijbelse symboliek. Aartsvader Jakob stuurde zijn twaalf zonen vooruit naar het heilige land. Hattie ging haar kinderen voor in haar geloof in de Amerikaanse droom, maar ze trof geen vruchtbare bodem. Hatties verhaal en dat van vele andere Afro-Amerikanen uit de vorige eeuw zou met wat meer opvang en begeleiding heel anders zijn geweest. Over die tragiek schreef ook Mathis’ grote voorbeeld Toni Morrison. Van vrijheid alleen valt immers niet te leven.



Ayana Mathis: De Twaalf Stammen van Hattie; Nederlandse vertaling: Harm Damsma en Nick Miedema. Amsterdam: Uitgeverij Atlas Contact, 2013. ISBN 9789025441418. Oorspronkelijke titel: The Twelve Tribes of Hattie. New York: Alfred A. Knopf

zondag 30 maart 2014

Shocking images from America's race war – in pictures

A new project uses vintage photography to explore race in US history. From mock lynch mobs to Ku Klux Klan members and people in 'blackface', here are some of the most astonishing – and disturbing – images from America in the 1800s

Mirror of race: antique photographs show the history of race in black and white




A carte de visite of an amateur theatrical group presenting a mock lynching, c1880, by WG Thuss, Emil Kollein and Otto Giers (Nashville, Tennessee). Collection: Greg French


A hand-coloured glass slide copy of a carte de visite from 1863 titled 'The Scourged Back', by McPherson and Oliver (New Orleans). Collection: Joan Gage


A carte de visite of anonymous men in Ku Klux Klan uniforms, 1868, by Robinson and Murphy (Huntsville, Alabama). Collection: Greg French


A carte de visite with the words 'Oh! How I Love the Old Flag! – Rebecca: A Slave Girl from New Orleans', 1864 by Charles Paxson (New York ). Collection: Joan Gage


A tintype of four men with blacked faces, 1880s. Collection: Gregory Fried


A tintype of woman and a girl with a black doll, c1875. Collection: Greg French


A daguerreotype of the abolitionist campaigner Frederick Douglass, c1845. Collection: Greg French


A tintype of a group of anonymous men, 1880s. Collection: Greg French


Carte de visite inscribed with 'Learning Is Wealth', by Charles Paxson (New York), 1864. Collection: Greg French


A tintype of a black attendant, with his face obliterated, holding a white child in a studio portrait, c1870. Collection: Gregory Fried.


[from theguardian.com, Friday 28 March 2014]

donderdag 6 maart 2014

Apple weigert boek Charles Bukowski vanwege ‘getrimde vagijn’

Apple weigert de verhalenbundel Fuck Machine van Charles Bukowski in de iStore te verkopen. Dat meldt uitgeverij Lebowski vandaag.

“Your content, Fuckmachine en andere verhalen van alledaagse waanzin, has one or more issues that must be resolved”. De issues zijn, naar wij aannemen, titel (waar inderdaad geen woord Chinees bij zit) en afbeelding (van een keurig getrimde vagijn) op het omslag. Wij eisen van Apple dat dit meesterwerk van Bukowski, een American Classic, uiterlijk op zaterdag 8 maart, de dag van de Bukowski Party én Internationale Vrouwendag, te koop zal zijn in de store, anders zetten we een Moszko op de zaak.

Het is deze maand precies twintig jaar geleden dat de Amerikaanse schrijver en dichter overleed. Uitgeverij Lebowski heeft daarom besloten klassiekers uit het oeuvre van Bukowski weer uit te geven.

Het Amerikaanse bedrijf heeft al eerder publicaties geweigerd, onder andere het boek De hartsvriendin van Heleen van Royen wegens links naar pornowebsites.


[naar Tzum, literair weblog, 5 maart 2014]

zondag 23 februari 2014

Black Women who Changed America


“I believe unconditionally in the ability of people to respond when they are told the truth. We need to be taught to study rather than believe, to inquire rather than to affirm.” -- Septima Poinsette Clark (1898-1987), educator and civil rights activist.

Mrs. Clark developed the literacy and citizenship workshops that played an important role in the drive for voting rights and civil rights for African Americans. She became known as the "Queen Mother" or "Grandmother of the American Civil Rights Movement." Martin Luther King, Jr. commonly referred to Clark as "The Mother of the Movement." Learn more about her life's work at http://www.biography.com/people/septima-poinsette-clark-38174.

Photo by Brian Lanker is the cover of I Dream a World: Portraits of Black Women who Changed America.

zaterdag 22 februari 2014

Internationale Workshop Creatief Schrijven

Op woensdag 12 maart is er in Tori Oso in Paramaribo een bijzonder interessante workshop over creatief schrijven vanuit een bepaald engagement.  De inleidsters van deze workshop zijn Ming Holden (USA), Karin Lachmising (Suriname ) en Carry-Ann Tjong-Ayong (Sunriname/Nederland).

Ming Holden is een award-winning schrijfster en ontwikkelingswerker. Haar  non-fictieve debuut, The survival girls,  over een groep vrouwen in een vluchtelingenkamp in Nairobi, heeft veel belangstelling getrokken. Zij is als vrijwilligster actief geweest in Mongolië, Rusland, Ecuador, Bolivia en de USA. Schrijven over mensen in humanitaire nood is voor haar een goede manier om de aandacht op deze problematiek te vestigen. Momenteel probeert zij met een crowd-funding project fondsen te generaliseren om meer bekendheid te geven aan de situatie van Syrische vluchtelingen in Turkije.  

Karin Lachmising debuteerde vorig jaar met haar poëziebundel Nergens groeit een boom die haar aarde niet vindt. De bundel kreeg lovende kritieken in De Ware Tijd Literair. Met gevoelige poëzie toont Karin haar engagement met de milieuproblematiek van ons land, die vooral binnenlandbewoners in een pijnlijke positie manoeuvreert.

Carry Tjong Ayong werd in Nederland bekend als activiste. Zij vertegenwoordigde de politieke partij GroenLinks in de provinciale Staten. Als gevolg van een hersenbloeding werd zij in 2000 halfzijdig verlamd. Dat maakte haar niet minder geëngageerd. Zij zet zich in voor binnenlandbewoners in Suriname, houdt voordrachten, schrijft poëzie en kinderboeken.

De workshop duurt van 18.00 – 21.00u en is bestemd voor participanten met enige ervaring in creatief schrijven. Deelname is vrij, maar in verband met het beperkte aantal plaatsen, moet men zich wel registreren. Dit kan via schrijversgroep77@gmail.com of telefonisch 520513, 8784120 of 8912005. De workshop wordt gesponsord door de Amerikaanse Ambassade.  

dinsdag 18 februari 2014

How the Puerto Ricans saved Afro-Cuban Jazz

by Robin Lloyd


“If it wasn’t for the Puerto Rican community of Spanish Harlem, of the South Bronx, Afro Cuban music would never have survived in this country, and expanded to the heights that it has.”—Bobby Sanabria from the film “From Mambo to Hip Hop”

The extremely quotable drummer, percussionist, producer
 and educator Bobby Sanabria. 
Photo © Joe Conzo, Jr.

Cuban musicians came to New York in the 1940s and 1950s to play jazz, and they gave their African-influenced rhythms to the jazz world.  By the late 1950s and into the 1960s, however, the flow of these musicians slowed to a trickle and then stopped.  Revolution, political upheaval and tensions between the Cuban and US governments made it difficult, if not impossible, for them to leave the island.
The Puerto Ricans, who from the 1930s on had settled in the South Bronx, in Brooklyn, and in Spanish Harlem had a good working relationship with the Cubans, because they shared some ancestry, history and culture.  Notable Latin Jazz musicians like Tito Puente and Ray Barretto were of Puerto Rican descent.  The generation of New York-born Puerto Ricans, who came to call themselves Nuyoricans, also had close ties with the black community, particularly where music was concerned.

“A Nuyorican is a person from Puerto Rican descendants whose parents are from Puerto Rico, grows up in South Brooklyn, Spanish Harlem, El Barrio or the South Bronx, and grows up listening to Jazz, Afro-Cuban music, Funk, R&B, Rock, and has a Jewish sense of humor.”—Bobby Sanabria interview Fox News Latino 2012

The Nuyoricans picked up Afro Cuban music and mixed it with jazz and blues, then later with urban pop and dance music.  They made these mixtures into a uniquely American sound.

“It is Afro Cuban music, their rhythms, etc.  But in New York, the way we play it in New York is a whole different animal.  This music gets here and all of a sudden, boom, it advances even to a more rapid rate.  Afro Cuban jazz is a New York creation.  So, therefore, it’s just as American as apple pie, or Jimi Hendrix, or Aerosmith.”  --Bobby Sanabria, PBS series Latin Music USA

[van kplu.org]



*

woensdag 5 februari 2014

Carlo Jones & The Surinam Kaseko Troubadours

by Chris Smith

In many ways, it makes more sense to think of New Orleans as a northern Caribbean port than as a southern American one.  There has been a long musical interchange between the city and the islands, stretching back to slavery times, when slave owners fleeing the Haitian rebellion brought their human property to Louisiana.  In the thirties, Belasco's Orchestra from Trinidad recorded an irresistible Sally You Not Ashamed? which is the same tune as Ai Ai Ai (Creole Song), cut by the Wooden Joe Nicholas band for American Music in 1949.  More recently, New Orleans R&B was one of the building blocks of ska, delivered to Jamaica by radio, records and visiting artists.  Today the circuit continues to operate, as the Neville Brothers, for instance, incorporate Haitian and reggae elements into their music.  The music of Carlo Jones and his band, of which more later, is yet another example, and a very striking one, of way musical ideas have travelled between opposite ends of the Caribbean, with the intervening islands seemingly used as stepping stones.
 
 Tremé Brass Band


Tremé Brass Band
First, however, the Tremé Brass Band (or Tremè, as the artwork annoyingly, and illiterately, refers to them).  This outfit are a hot item in New Orleans - I'm writing this section of the review the day after they won the 1997 Big Easy Entertainment Award for best traditional brass band - and listening to the nine lengthy performances on this CD, it's easy to understand why. The lineup includes the unbelievable sousaphone of Kirk Joseph, late of the Dirty Dozen, who plays lines which would tax a good string bassist, and young trumpeter Kermit Ruffins, leader of the Rebirth Jazz Band at age 12, and now heading up the Barbeque Swingsters, who were best traditional jazz band in the same award ceremony, incidentally.  (On four numbers, Joseph is replaced by Jeffrey Hills, who is very good, but not in the same virtuosic league.)  Percussion is provided by veterans Lionel Batiste on bass drum and bandleader Benny Jones on snare, between them whipping the music along to a nonstop second line strut.  The melody line also includes James Andrews (second trumpet), Corey Henry (trombone), Fredric Kemp (soprano and alto saxes), and Stackman Callier on tenor sax.  The sax players are both alumni of the Fats Domino band, and their alliance with the younger players, out of the contemporary funk bands, is part of what makes the Tremé such an exciting combination.

New Orelans Second Line. By Bob Graham

I don't intend to suggest that the sax men are stuck in their ways, or that the youngsters have no grounding in tradition.  On the contrary, the latter seem to have mastered everything in the jazz tradition, from the earliest freewheeling heterophony to the newest freewheeling heterophony.  They also have a good grip on everything in between - hear Ruffins and Andrews two-trumpet solo on Chinatown, My Chinatown, pick 'n' mixing stylistic notions from Louis Armstrong, Dizzy Gillespie and Roy Eldridge to add to their own ideas.  Both sax players, but especially Callier (and Roger Lewis, who replaces him on the numbers where Kirk Joseph also sits out) also have a complete grasp of the jazz lexicon, taking in everything from old time New Orleans woodwind sounds to Dexter Gordon, John Coltrane and beyond.  On Back O'Town Blues, Lewis's post-Coltrane solo seems to fly in on a wire like the Fairy Godmother in pantomime, work its magic, and scoot off again.  I'm not implying, by this that the solo is arbitrary or ill-conceived; the Tremé's freewheeling, wide-ranging ethos, which grabs any style or idiom it fancies, accommodates it quite happily.

Lewis's solo is, in fact, about the only reason to listen to Back O' Town, which at 11' 13" is far too long, and too obviously trying in its rowdiness to meet the expectations of the audience at the New Orleans Music Factory, where it was recorded. (If the expression "Put your hands together!" were made illegal, I would not object.) It also points up the shortcomings of Lionel Batiste's vocal style: his dry delivery, half-way between singing and chanting, seems, here and elsewhere, to be distanced from the lyrics. As so often with jazz bands, and for some reason especially Crescent City ones, blues is viewed as a structure, rather than as a vehicle for emotional expression, and the same comment applies when Batiste sings gospel. It may be that he wants to make it clear that when he sings Jesus Is On The Mainline he's doing so as an entertainer, not a worshipper, but the effect is that the sung portions of this number fail as both religion and entertainment.

That said, I should point out that Batiste's singing is fine on the title track because, deriving from Mardi Gras Indian chants, it emphasises rhythm rather than melody.  Along with Food Stamp Blues (usually known as Ain't Got No Foodstamps), Gimme My Money Back comes from the repertoire of the younger bands, but the rest of the set is firmly in the older New Orleans parade band tradition, from the blowsy, swaying Hindustan to standards like Oh Lady Be Good, and the spirituals Just A Closer Walk With Thee and The Old Rugged Cross, which is played at a hard to handle, but very effective, foot-dragging, on-the-way-to-the cemetery tempo. I'm told that Just A Closer Walk has been established by a Japanese researcher of statistical (and masochistic) bent as the most often recorded of all jazz tunes. Much-recorded though it is, the Tremé's version breathes new life into the number, among other things by using When The Red Red Robin Comes Bob-bob-bobbing Along as a quote and counter-melody!

Speaking of Japan, on the four live tracks, the band is augmented by two anonymous tourists from the Land of the Rising Sun on banjo and piano. Since they are unmiked, it's not possible to hear whether their playing matches their chutzpah, but the band seem to have been content to have them along for the ride, and they are not a drawback; as indicated above, I have reservations about the vocals, but that apart this is a very enjoyable CD.
Carlo Jones & The Surinam Kaseko Troubadours

Carlo Jones & The Surinam Kaseko Troubadours 
At the other end of the Caribbean, on the northeast coast of South America, are the Guyanas, which, reading from left to right, were formerly British, Dutch and French colonies. They've always been regarded locally as part of the West Indies, and certainly Guyana, where I lived as a child when it was still British Guiana, fits that cultural and economic bill, from cricket to crops. Going out there in 1959, the Dutch ship we were on spent three days in Paramaribo, the capital of Surinam, and I still have hazy memories of bone-white Dutch architecture transplanted to the tropics, and much clearer memories of superb ice cream.  Of the music, naturally, I learned nothing, but seeing a CD by Carlo Jones & The Surinam Kaseko Troubadours in Sterns last year, I thought that a lineup of alto saxophone, sousaphone, banjo, trumpet, skraki (a bass drum with cymbals atop), snare drum and trombone was bound to be of interest. Apart from anything else, the similarity to the New Orleans parade bands was most intriguing. In the event, kaseko turned out to be my discovery of 1996.

Surinam is a multi-racial society, like Guyana, as a result of the former colonial powers' habit of moving labour around their empires as necessary, and the Indian, Indonesian and Amerindian peoples of Surinam all have their own musical cultures; gamelan, khawali and ghazal are among the styles to be found, along with modern Indian and Javanese pop. More relevant to this recording, however, is Melville Herskovits' famous observation, with reference to the Bush Negro descendants of runaway slaves, that African culture in the New World is best preserved in Surinam. Kaseko is very evidently an African-American music, highly polyrhythmic in a manner that's strongly reminsicent of both the New Orleans parade bands and the Mardi Gras Indians, but more complex than either. Indeed, according to the CD notes, kaseko was considerably influenced by New Orleans jazz in the thirties, so that the lineup similarities may be more than coincidence. Furthermore, bandleader and saxophonist Carlo Jones refers to his band members as jazzmen, and older people apparently still refer to kaseko as jazz.

Since the thirties, the music has taken on board other influences, seemingly blending in all the new sounds without deleting any of the older ones; during the forties and fifties, Cuban mambo, son and montuño were all the rage, and in the sixties and seventies calypso and Haitian compas were stirred in to the pot. The resulting music is given an unstoppable drive by the tuba, drums and banjo, over which are laid the polyphonic improvisations of jazz, the sinuously sexy lines of Cuban music, and the big, brassy, call-and-response riffs of soca and compas.  All these ingredients are evidently mixed in with distinctively Surinamese elements, from the drum music of the Bush Negroes to Christian hymnody: the three main genres played by the Troubadours are the medium tempo bigi poku (which refers to the centrality of the bass drum in this style), the slow, solemn groot bazuinkoor - hymns with added rhythm - and winti poku, named after the winti, which are the spirit deities of the Bush Negroes.

All the tunes on the disc are instrumentals, but in view of their titles, and the descriptions given, it seems that they may have - or once have had - lyrics.  Na So Mi Yere So, Sani De Na Uma Koto, for instance, is said to be a set of innuendoes about what lies under women's skirts, while Todo No Habi Wiwiri Ma' Tyari Loso, which means "the frog is hairless but full of lice" effortlessly wins my "surreal title of the year" award.  The official language of Surinam is Dutch, but these tune titles are in a creole of Dutch, English, French, Spanish and Hebrew (!) called taki-taki, which is the day-to-day means of communication among the different ethnic groups. Sometimes, it's easy enough for an English speaker to understand: Wi De G'we, Wan Dey Unu Sa Miti Baka, the final track, is obviously "we're going away, one day we'll meet again;" it would be harder to deduce, however, that Bigi Emeri Fu Ban Ban Dyari Siton Graman "commemorates Big Emelius with his hydrocele who lived in Bang Bang's yard."


All this discussion - which is assisted by the New Grove, and by the CD's very useful notes - is perhaps peripheral to the main point. Kaseko is an irresistibly joyful, jumping music; according to Grove, it's played for setdansi - which I'm sure needs no translation - and for "various festive occasions." On this record, it's delivered by a team of immensely able musicians, both as ensemble players and soloists. André Jones's sousaphone playing easily stands comparison with Kirk Joseph's, while Carlo Jones brings an unstoppable flow of invention to the alto saxophone; he is, incidentally, a virtuoso of the reed squeak, always doing it at the right time, and never overdoing it. The brass players seem telepathic in the way they cede the front line to one another, switching instantly from melody to riffing support, and never clashing or competing for the limelight.  If I have discussed kaseko mainly in terms of the influences on it from outside, that's because I know more about them than I do about Surinamese music. For me, and I suspect for most readers of this review, the joy of discovering kaseko will reside equally in the delightful exuberance of the music, and in that music's evident connectedness to sounds running the length of the Caribbean island chain, from Trinidad to the Crescent City where this review began.

Arhoolie CD 417
MW Records MWCD 3011

[from www.mustrad.org.uk]

dinsdag 21 januari 2014

American literature massively overrated: Jhumpa Lahiri at Jaipur Literature Fest

Jhumpa Lahiri
Jaipur - Indian American author Jhumpa Lahiri believes that American literature is massively overrated and that current reading habits are transformed by the mainstream.

"Our reading habits are transformed by the mainstream and to be frank, I find American literature massively overrated," the 46-year-old author said at the ongoing Jaipur Literature Festival on Saturday.

Lahiri was in conversation with American author Jonathan Frazen, British writer Jim Crace and Chinese author Xiaolu Guo who has also written books in English during the session "The Global Novel".

"It is shameful that there is lack of translation in the American market. I know I am making a judgment, but I guess that is what it is. Living out of the US gives you a completely different perspective," said the author.

Panelists during Saturday's session were unanimous that the English language served as a common bridge to link different cultures and reach out to more people.

Lahiri's most recent fiction The Lowland, a tale of two brothers set in Kolkata of the 1960s was nominated for the 2013 Man Booker Prize but did not win it.
 
Jonathan Franzen. Photo @ Greg Martin
The London-born daughter of immigrants from West Bengal who is famed for her novels and short stories about immigrant experiences relocated to Italy two years ago. She said she felt compelled to compare the literary scenario in America and in Italy.

"I was very surprised to find the number of translated books in Italy. Seven of their best books of the year were translations of works from different countries," she said.

The author said she was currently reading in Italian to overcome her superficial knowledge of literature in that language.

"I have lived in America and was exposed to Anglophone literature like many of you. But it was freeing to see such kind of recognition given to other works in other countries," Lahiri said.

Outlining the journey of her books, beginning with an initial rough idea to the ultimate draft, Lahiri said she never knew how a book would eventually turn out or what its climax entailed.

"I never have an idea in my mind beforehand. I just expect to be happy and satisfied when I am finished with the book," she said.

Lahiri is the author of three previous books and with her debut collection of stories, Interpreter of Maladies, bagging her a Pulitzer Prize.


[from The Times of India, January 18, 2014]

vrijdag 13 december 2013

Pigot accused of larceny at UConn

Diguan Pigot
Srorrs, Conn. -- A 19-year-old former Olympian from Suriname has been accused of illegally using credit cards owned by a teammate on the UConn swim team and faces larceny and other charges. Diguan Denzel Pigot competed in the 100-meter breaststroke for Suriname at the 2012 London Olympics. He was arraigned Wednesday in Rockville Superior Court.

UConn police say Pigot made purchases totaling nearly $13,000 using the cards between September of last year and May of this year and tried to make another $27,000 in illegal purchases that were canceled.
Defense attorney Frank Russo tells the Journal Inquirer that Pigot is cooperating in the police investigation.
Police say Pigot acknowledged setting up accounts on various websites using his teammate's credit card information. Russo says Pigot was dismissed from UConn and is now at the University of Miami.

[from m.espn.go.com/AP, December 12, 2013]

Starnieuws voegt hieraan toe:
Hesdy Pigot (Nieuw Front/NPS), die afgelopen maand toegelaten is als lid van De Nationale Assemblee, zegt aan Starnieuws dat hij diep geschokt is door het gebeurde. "Ik bid de Almachtige om kracht. Ik ga zo snel mogelijk naar Amerika om mijn zoon bij te staan", zegt Pigot diep geraakt door het gebeurde. "Dit had ik niet verwacht. Ik wil zo snel mogelijk bij mijn gezin zijn", merkt Pigot op.


zondag 24 november 2013

The Rich Culture of the Virgin Islands

Bamboula

Mention the word "Bamboula" and few Virgin Islanders today will know what you're talking about. We once did. The Bamboula was an African-derived dance, music and drumming tradition that flourished in the Virgin Islands prior to the 20th century; it is cousin to the "Bomba”, an African-inspired folkloric tradition that still thrives in Puerto Rico.

This tradition "can be traced" to the Congo River region of Africa writes Margot Lieth-Phillip, Ph.D, in the preface of Zoop, Zoop, Zoop: Traditional Music and folklore of St. CroixSt. Thomas and St. John. Some researchers speculate the Bamboula might have also made its way to New Orleans.

But the Bamboula was not merely a form of entertainment. In the book Old Time Masquerading in the Virgin Islands by Robert Nichols, a local Virgin Islander named Chas Emmanuel says: "the bamboula functioned as the eyes and the ears of the society and served both as a local tabloid and scandal sheet rolled into one."

What became of this art form? Nichols says "strong social pressure" from the colonial establishment led to the decline of the Bamboula as a folkloric expression.

In the following video listen and watch the dance, as these women talk about the history of Bamboula and its role in the struggle for freedom and equality throughout Caribbean. Learn how they keep the Bamboula tradition going, proud to be not only an American but an American Virgin-Islander.

[from Colors, November 2013]

vrijdag 22 november 2013

Cynthia McLeod gaf lezing Berkeley

Cynthia Mc Leod gaf een lezing aan de University of Berkeley, California, op 14 november 2013. Zij werd ingeleid door Jeroen Dewulf, hoofd van de Netherlandic Studies in Berkeley.

 

vrijdag 30 augustus 2013

Dino Bouterse in Panama gearresteerd

Dino Bouterse op de cover van Parbode
Dino Bouterse, de zoon van de Surinaamse president Desi Bouterse, is in Panama gearresteerd. De Amerikaanse politie zou in Panama een val hebben opgezet omdat Bouterse betrokken zou zijn geweest bij wapenhandel.
Dino Bouterse is al vaker betrokken geweest bij internationale criminele activiteiten. In 2005 werd hij veroordeeld tot 8 jaar cel voor drugs- en wapensmokkel. Daarvan zat hij maar 3 jaar uit.

Criminele activiteiten
Bouterse is actief in de goudwinning in Suriname, maar zijn naam duikt steeds weer op in verband met criminele activiteiten. Dino ziet zichzelf op termijn als opvolger van zijn vader als president.
De aanhouding komt voor zijn vader op een pijnlijk moment. In Paramaribo is Bouterse gastheer van veel Zuid-Amerikaanse staatshoofden. Die zijn daar bijeen voor het overdragen van de voorzittershamer van de samenwerkingsorganisatie UNASUR aan de Surinaamse president.
De opening van de bijeenkomst is een paar uur uitgesteld. Het is niet bekend of dat te maken heeft met de arrestatie in Panama.

Drugssmokkel
Dat de arrestatie valt op het moment dat Suriname regionaal in de schijnwerpers staat, lijkt geen toeval te zijn. Het is bekend dat de Amerikanen al geruime tijd vinden dat Suriname te weinig doet tegen drugssmokkel.
Het is een publiek geheim dat met name Dino door de buitenlandse inlichtingendiensten in de gaten werd gehouden.

[tekst van de NOS, 30 augustus 2013]


de Ware Tijd van 30 augustus 2013 meldt:

Paramaribo - In de zaak waarin Dino Bouterse (40), zoon van de president van Suriname, is aangehouden, is ook een zekere Edmund Quincy Muntslag door de Amerikaanse autoriteiten in verzekering gesteld. Beide mannen zijn vrijdagmiddag in een rechtbank in Manhattan, New York voorgeleid.

Muntslag zou met Bouterse hebben samengespannen om tussen december 2011 en deze maand cocaïnezendingen naar de VS te organiseren. Zo blijkt uit de ten laste legging waar de Amerikaanse krant New York Daily News inzage in heft gehad.Bouterse zou zich bij de smokkelpoging waarvoor hij nu is aangehouden ook hebben bewapend met een granaatwerper en andere vuurwapens.
Volgens de tenlastelegging zou Munstslag op 25 juli voorbereidingen hebben getroffen op een airport in Suriname om 10 kilo cocaine uit te voeren. Twee dagen later zou Bouterse de drugs die gestopt waren in een koffer op een internationale vlucht hebben gezet.

Vrijdag was nog onduidelijk wat de exacte route is geweest die de drugs heeft afgelegd om de VS te bereiken, zegt New York Daily News. Ook is onduidelijk op welk moment Bouterse de granaatwerper tevoorschijn heeft gehaald. "Tijdens en in verband met de drugssmokkel zwaaide de verdachte met vuurwapens waaronder een lichte anti-tankwapen, waarmee granaten kunnen worden gelanceerd en pistolen", staat in de tenlastelegging.

Antitankwapen

Bouterse wordt drugssmokkel en illegaal vuurwapenbezit ten laste gelegd en Muntslag wordt aangeklaagd voor cocaïnesmokkel. Ze riskeren gevangenisstraffen van maximaal levenslang, menen de autoriteiten.


maandag 12 augustus 2013

Prince gaf verrassingsconcerten/Prince naar Curaçao

Een van de weinige foto's van Prince gisteravond. Foto @ Andreas Terlaak

Prince heeft gisteravond bij een verrassingsconcert in de Amsterdamse poptempel Paradiso zijn fans in verbazing achtergelaten. Ze moesten het volle pond betalen (100 euro), maar kregen een erg kort optreden voorgeschoteld.
Om 19.30 uur begon een concert dat zo'n twee uur duurde. Rond middernacht gaf Prince een tweede concert, maar daarin speelde hij negen nummers minder. Onder meer 'Purple Rain' en '1999' ontbraken.
Fans die het eerste concert hadden gemist, konden op de valreep nog op de zwarte markt aan een kaartje voor het tweede optreden komen.

Strenge regels
De regels bij de concerten waren extreem streng. Fans die foto's maakten werden resoluut uit de zaal gezet en aantekeningen maken mocht ook niet.
Prince geeft wel vaker verrassingsoptredens, zoals vorige maand bij North Sea Jazz in Rotterdam. Er zijn berichten dat hij vanavond weer een concert geeft in Paradiso, maar dat is niet bevestigd.

[van NOS.nl, 12 augustus 2013]


Prince vervangt Usher op CNSJF

De superster Usher heeft zijn optreden op het Curaçao North Sea Jazz Festival (CNSJF) geannuleerd. Popartiest Prince zal Usher vervangen en zodoende zaterdag 31 augustus het Sam Cooke podium betreden. Woordvoerder van het festival Percy Pinedo noemt de komst van Prince ‘een geluk bij een ongeluk’.
,,Wij hebben heel wat gedaan om deze gast te krijgen. Om te horen te krijgen dat Usher niet meer komt, zo vlak voor het festival, is natuurlijk flink schrikken. Bij de afzegging van Usher moesten wij naarstig op zoek naar een vervanger”, vertelt Pinedo.

[uit Antilliaans Dagblad, 11 augustus 2013]

zaterdag 10 augustus 2013

Nederland kon vrijgelaten Amerikaanse slaven goed gebruiken – voor Suriname

Afro-Amerikanen die in de rijstvelden werken

door Ewout Lamé

Suriname viert dit jaar 160 jaar Chinese – en 140 jaar Hindostaanse immigratie, maar misschien had daar nog een jubileum bij gekund: de Amerikaanse immigratie. In de negentiende eeuw had de Nederlandse regering serieuze plannen om vrijgelaten slaven uit de Verenigde Staten naar Suriname te halen.
Geseling van een slaaf. Afb. van Marcel verdier

Plantagehouders in Suriname kijken in de jaren zestig van de negentiende eeuw zenuwachtig naar buurman Brits-Guyana. Na Groot-Brittannië (1833) en Frankrijk (1848) wordt het echt tijd dat Nederland de slavernij afschaft. Maar planters en de regering vrezen voor een terugval in de productie, zoals in Guyana. De kolonie heeft snel nieuwe arbeidskrachten nodig, en graag zo goedkoop mogelijk. Een ander land in de regio wil juist graag van zijn zwarte bevolking af: de Verenigde Staten, op dat moment in een burgeroorlog verwikkeld door de slavernij. In de Amerikaanse heersende klasse zijn blanke voorstanders van afschaffing van de slavernij, maar die binden daar een voorwaarde aan: de Afro-Amerikanen moeten eruit.
“Ze wilden het land voor de blanken alleen”, vertelt de Amerikaanse historicus Michael Douma via Skype. Douma, universitair docent aan de James Madison Universiteit in de Staat Virginia, spreekt Nederlands met een licht accent, maar is vooral bekend met het Nederlands van de negentiende eeuw. Hij schrijft een boek over een opmerkelijk plan: de werving van zwarte vrijgelaten Amerikanen voor Suriname.
Abraham Lincoln

Caribisch Gebied
Zwarten en blanken konden in de Verenigde Staten niet samenleven, dachten de blanke machthebbers. Het was te duur om ze terug naar Afrika te sturen, dus waarom niet naar het Caribisch Gebied? Zwarten pasten beter in dat klimaat, was het idee. De Amerikaanse president Lincoln, die tijdens de Amerikaanse burgeroorlog op 1 januari 1863 de emancipatieverklaring uitvaardigde, was geen uitzondering. Douma: “Na de emancipatie hebben wij Amerikanen dat gedeelte van onze geschiedenis weggestopt. We zien Abraham Lincoln graag als een bevrijder, terwijl ook hij de zwarte Amerikanen het liefst wilde wegsturen.”
Zo zond Lincoln vijfhonderd Afro-Amerikanen naar een eiland voor de kust van Haïti. “Het werd een fiasco, ze stierven bijna allemaal. De Amerikaanse kustwacht moest de overlevenden komen redden”, vertelt Douma.

Suikerrietpers in een suikerplantage

Migratie
In de zomer van 1862 kreeg president Lincoln van het Amerikaanse Congres een budget van 600.000 dollar om de migratie van Afro-Amerikanen te bevorderen. In juli 1862 meldden de Nederlanders zich. Ze waren al een paar jaar bezig om arbeidskrachten te werven voor Suriname, en dat kostte steeds meer geld. “De Nederlanders hadden het idee dat de Afro-Amerikanen voor weinig geld naar Suriname zouden komen en hard zouden werken”, zegt Douma. “Het is opvallend dat ze alleen maar aan de economie dachten, ze hadden geen enkele humanitaire motieven.”
Douma, die eerder een proefschrift schreef over Nederlandse immigranten in de Verenigde Staten, deed archiefonderzoek in Den Haag en Amerika, waar hij de diplomatieke correspondentie tussen de Nederlandse en de Amerikaanse regering uitploos. Voor de Nederlanders woog mee dat de voormalige slaven al bekend waren met het belangrijkste gewas van Suriname: suikerriet. “Ze hebben nooit een gewenst aantal immigranten genoemd, maar ze dachten zeker aan vijf tot tienduizend man”, vermoedt Douma.
Suikerriet

Diplomaten
De Nederlandse diplomaten in Amerika zien echter weinig in het plan, zo blijkt uit de documenten. “De ambassadeur in Washington schreef: de zwarten willen niet weg uit Amerika, en degenen die weg willen zijn van weinig nut voor de Surinaamse economie.”
Uiteindelijk werd bedacht dat Nederlandse consuls in Amerika vrijgelaten slaven zouden werven en ze een vijfjarig contract zouden aanbieden. “Maar die consuls, zakenmannen die vaak geen Nederlands spraken, kregen er niet voor betaald”, vertelt Douma. Ze hadden er dan ook niet zo’n zin in. “Vaak hadden ze nog nooit met zwarten te maken gehad, ze voelden zich als een slavenhandelaar.”
De Nederlandse ambassadeur stelde nog voor om de consuls een vergoeding te geven, maar die suggestie haalde het niet. “De Nederlanders wilden die arbeidskrachten voor een koopje, ik maak geen grapje.” Douma denkt dat als de Nederlanders meer moeite hadden gedaan er misschien een paar honderd Afro-Amerikanen de stap hadden gewaagd. Nederland sloot een officieel verdrag met de VS, maar dat werd uiteindelijk niet behandeld door de Amerikaanse Senaat. “Toch stond Washington toe dat de Nederlanders aan werving deden.”
Er is niet bekend hoe zwarte Amerikanen over het plan dachten, maar Douma gaat ervan uit dat het weinig aanlokkelijk was. De pogingen van de Britten om creolen te werven voor Guyana en Belize hadden evenmin veel succes. “Je bent net bevrijd van de slavernij en er wordt je gevraagd je huis op te geven, naar een onbekend land te gaan, waar je een nieuwe taal moet leren. Geen wonder dat ze geen zin hadden om te migreren.”
Titelblad van het proefschrift van Juda van Praag

Gebroeders
Van het plan kwam dus uiteindelijk niets terecht: reden voor de Nederlandse regering om contractarbeiders in Azië te werven. Toch wil Douma niet uitsluiten dat er toch Afro-Amerikanen naar Suriname zijn verhuisd. De activiteiten van de gebroeders Van Praag, van wie er één in Paramaribo, één in Boston en één in Den Haag woonde, zijn daarbij belangrijk.
“De Van Praags kregen een contract om vrijgelaten slaven te werven in de Staat Massachusetts, en de documenten tonen aan dat ze daadwerkelijk zijn gaan zoeken”, zegt Douma. “Ze hadden regelmatige scheepstransporten tussen Amerika en Suriname, dus het kan zijn dat er mensen aan boord zijn gesprongen.”
Douma, die nog nooit in Suriname is geweest, zou graag hier verder onderzoek doen. “Misschien dat in de volkstellingen mensen opduiken die in Amerika zijn geboren.”

[van de blogspot van Ewout Lamé, 22 juli 2013]


donderdag 8 augustus 2013

Centering Woman

Caribbean women - black, white and brown, free and enslaved, migrants and creoles, rich and poor - are assembled in this book and their lives examined as they battled both against male domination and among themselves for social advantage. Professor Beckles uses the method of narrative biography with its appealing sense of immediacy of women's language, script and social politics, to expose the gender order of Caribbean slave society as it determined and defined the everyday lives of women. He also seeks to explore the effectiveness of women's actions as they searched for freedom, material betterment, justice and social security.

Centering Woman: Gender Discourses in Caribbean Slave Society
by Hilary M. Beckles
ISBN-13: 9781558762046
Publisher: Wiener, Markus Publishers, Incorporated
Publication date: 1/28/1999

Pages: 212
Price $ 120,- and up

maandag 24 juni 2013

Verzet tegen slavernij

door Sandew Hira

Ik ben onlangs gedoken in de Encyclopedia of Slave Resistance and Rebellion, een tweedelige uitgave onder de redactie van Junius Rodriquez, in totaal 743 pagina’s. De encyclopedie bevat een enorme hoeveelheid detailgegevens over verzet tegen slavernij in de Amerika’s.

Rodriguez heeft een geweldige job gedaan. Hij laat met veel gedetailleerde verhalen zien dat het beeld dat historici uit het wetenschappelijk kolonialisme schetsen over slavernij als zouden Afrikanen gedwee slavernij hebben geaccepteerd, volledig vals is. Maar nog belangrijker is de manier waarop hij dat gedaan heeft. Hij toont de Afrikanen als strategische analisten die heel goed nadachten over hoe ze een machtig systeem van Europese slavernij konden bevechten. Het systeem dat ze bevochten was een wereldsysteem. De kolonie was te allen tijde onderdeel van een machtig leger in Europa dat klaar stond met een geweldige vuurkracht en onmetelijke militaire capaciteiten om iedere opstand neer te slaan.

Het verzet begon al in Afrika. Toen ze eenmaal aan bood waren gebracht van de schepen, was de geest van verzet nog niet gebroken. De Afrikanen waren geketend in het ruim van de schepen. Ze spraken elkaars talen niet. Ze wisten niet waar ze naartoe gingen. Er waren geen mogelijkheden om te vluchten. Vanuit een strategisch opzicht zijn er twee mogelijkheden: zelfmoord of moord. De getraumatiseerde Afrikaan koos voor de eerste optie. De zelfbewuste Afrikaan koos voor de tweede optie. Maar die optie was niet altijd beschikbaar. De mogelijkheid tot verzet kwam van vrouwen en kinderen die meer bewegingsvrijheid hadden op de schepen.

Neem het geval van de opstand op het schip Bristol. Op dat schip had Captain Tomba, een Afrikaan die getekend was in het ruim, het plan opgevat om het schip te veroveren. Maar de meeste mannen waren te bang om hem te joinen. Eén man en een vrouw deden mee. Op een avond zag de vrouw dat vijf matrozen die op wacht stonden, lagen te slapen. Zij gaf Tomba een hamer waarmee hij zijn ketenen kapot sloeg. Hij wist drie matrozen te vermoorden, maar in dat proces werd alarm geslagen.Tomba werd gevangen genomen. De kapitein executeerde hem en liet zijn medestrijder zijn hart en lever opeten als straf. Daarna werd hij op wrede wijze vermoord. De vrouw werd gezweept en met een mes over haar hele lichaam bewerkt totdat ze stierf. Intussen moest de rest van de tot slaaf gemaakte Afrikanen toekijken naar dit alles.

Voor de getraumatiseerde Afro’s is de nederlaag het belangrijkste feit om te herdenken. Voor de assertieve en zelfbewuste Afro’s is de daad van verzet het belangrijkste feit om te herdenken.

In de kolonie nam het verzet tegen slavernij verschillende vormen aan. De belangrijkste vorm was de algehele opstand. Twee opstanden hebben de aandacht getrokken. De opstand in de Nederlandse kolonie Berbice (Guyana onder Nederlands bestuur) onder leiding van Coffy en Accara en de opstand op Haïti onder leiding van Toussaint Louverture.

Beide opstanden brachten de kolonie langere tijd onder controle van Afrikanen. In Berbice hadden de vrijheidsstrijders een belangrijk deel van de kolonie gedurende 14 maanden onder controle. In Haïti hebben ze definitief een onafhankelijke zwarte staat weten te vestigen. Het verschil tussen nederlaag en overwinning werd bepaald door leiderschap. In Berbice was er een splitsing in de leiding. Coffy hoopte door onderhandelingen met de Nederlanders een situatie te bereiken waarbij een deel van het land in Nederlandse handen bleef en een ander deel een vrije zwarte staat zou worden. Acara geloofde het niet en trok zijn eigen lijn van verzet. De Nederlanders kregen steun van troepen uit Suriname en wisten de opstand uiteindelijk neer te slaan. De Nederlandse criminelen executeerde 128 Afrikanen op wrede wijze en herstelden slavernij in Berbice. Ze werden geradbraakt (de botten gebroken met ijzeren staven), opgehangen en levend verbrand.

In Haïti hadden ze al vroeg geleerd dat een compromis over slavernij niet mogelijk was. De Franse criminelen zouden geen onafhankelijke zwarte staat tolereren. L’Ouverture wist dat zonder een groot en goed getraind leger het niet mogelijk was om stand te houden. Zijn grote verdienste is dat hij wist hoe je zo’n leger moest opbouwen en onderhouden. Hij trainde de soldaten en wist een strak management van het leger op te zetten. Door zijn strategisch inzicht was hij in staat het Franse leger – en ook de Engelsen die de Fransen kwamen helpen – te verslaan.

Deze twee algemene opstanden brachten een heel land voor kortere of langere tijd onder controle van zwarten die slavernij afschaften in hun gebied. Ze vormen waardevolle lessen in de strijd voor vrijheid.


[van Starnieuws, 24 juni 2013]

Theater and Dance of the African Diaspora

ArtLab.sr presents: Workshop uit America: Theater and Dance of the African Diaspora. Met Aminata Cairo en Kathi Bentley.
 
Aminata Cairo
Aminata Cairo is anthropology  professor op Southern Illinois University Edwardsville.  Zij heeft professioneel gedanst met Syncopated Inc. en Sankofa Dance Theater.  Zij specialiseert zich in West Afrikaanse en Afrikaans Diaspora dansvormen.  Zij heeft een lange geschiedenis als dans docent en als uitvoerster van dansprojecten in Suriname.

Kathi Bentley
Kathi Bentley is theater professor op Southern Illinois University Edwardsville.  Zij specialiseert zich in multicultureel en slavernij theater.  Zij heeft professioneel als acteur en regisseur gewerkt.  Twee jaar geleden heeft zij de Du in Suriname bestudeerd en heeft samen met Tolin Alexander Na Mini Du geschreven.  Zij heeft het stuk geproduceerd en geregiseerd en zowel in Suriname en Amerika laten uitvoeren.

Datum: zaterdag 29 juni 2013
Tijd: 15:00 – 18:00u
Toegang: 20 SRD

De Werkplaats van ArtLab.sr
Verlengde Gemenelandsweg 194, Paramaribo
Beperkt aantal plaatsen – So sign up early
Aanmelding: email: artlab@sr.net
Tel: 8220849/6106989
431915 (ma t/m wo 17.00-19.00 u)