Posts tonen met het label Afrika. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Afrika. Alle posts tonen

zaterdag 17 mei 2014

Jennifer Cooke

Jennifer Cooke, een jonge dame met Gambiaans en Surinaams bloed, is geboren in Amsterdam in 1986. Ze groeide op in het centrum van Amsterdam waar ze haar basisonderwijs volgde. Daarna volgde de IVKO, waar ze afstudeerde toen ze 17 was. Op dat moment ging al haar aandacht en tijd naar de wereld van de muziek.

Jennifer was erg succesvol met haar dansgroep “FDC”. Ze was al aan het trainen met deze groep vanaf haar twaalfde, en de groep trad al 6 jaar op voor verschillende Nederlandse en internationale artiesten als: Ja Rule, Ginuwine, Dru Hill en vele anderen. Maar Jennifer wist al vroeg dat ze één doel had, en dat was: zingen! Na het behalen van haar diploma zette ze haar danscarrière op een laag pitje en ging verder in allerlei andere bezigheden zoals; schrijven van nummers, opnemen en leren hoe het werkt in de muziekindustrie.
Haar officiële eerste single kwam in 2008 uit, deze heette: “You Got it Goin”. Dit werd een internationaal succes, het nummer werd gedraaid op radiostations in verschillende landen, zoals in Rusland en Engeland en eindigde in de top 100. In 2009 volgde het nummer: “Permission Granted” (remix gemaakt door Ryan Marciano & Sunnery James). De Single eindigde in de 100 van Beatport en werd veel gedraaid door bekende Dj’s.

Na een aantal jaar had Jennifer een eigen repertoire en trad op met verschillende Nederlands en internationale artiesten als: Alain Clark, Glennis Grace, Leona Lewis, Kelly Rowland. Haar repertoire bevat vele nummers uit de jaren 80, 90 en hits die we allemaal mee kunnen zingen. Naast haar liveshow treedt Jennifer ook op bij grote House Dj’s als: Gregor Salto, DJ Chuckie en Roog en bij grote festivals en evenementen als Hed Kandi NL, clubs en besloten feesten. Ze weet altijd het publiek op te zwepen met haar energieke verschijning en zorgt er voor dat iedereen de tijd van zijn leven heeft.
Jennifer heeft ook verschillende Nederlandse nummers uitgebracht zoals “Ik zou niet weten hoe” voor Stichting Stop Kinder Misbruik en “Someone Loves You” samen met StylesCo ft. Damaru. Deze laatste plaat is ruim 100.000 keer bekeken in slechts 3 weken.




.

zondag 13 april 2014

Op de vleugels van de draak

China, het Nationaal Centrum voor de Uitvoerende Kunsten. Foto © Ray Wise

door Els Moor

De titel Op de vleugels van de draak van het nieuwe boek van de universele schrijfster van Vlaamse komaf Lieve Joris klinkt opwindend. Wie of wat is die draak? En wie vliegen mee op zijn vleugels? Al gauw wordt dat duidelijk. Het uit Europa overgekomen kapitalisme is de draak en op zijn vleugels vliegen China en Afrika een nieuwe toekomst binnen met veel onderlinge handel, welvaart en armoede, zakelijkheid, geweld en bedrog.

Lieve Joris is in 1953 in Vlaanderen geboren. Ze studeerde journalistiek in Nederland en werkte daar bij verschillende kranten. Reizen is haar grote onderwerp. In 1986 verscheen haar eerste boek, De golf. Daarna volgden er nog elf, allemaal over reizen in Afrika, Oost-Europa en de Arabische wereld. Op de vleugels van de draak uit 2013, waarin ook China een grote rol speelt is haar laatste. Het exemplaar uit 2014 dat wij hebben, is al de zesde druk! Dat zegt wel iets over het werk van deze vaak bekroonde schrijfster.

Het werk van Lieve Joris is voor Suriname uitermate interessant en vaak herkenbaar. In De hoogvlaktes uit 2008 bijvoorbeeld schrijft zij over het binnenland van Congo, waar de bewoners dagelijks grote afstanden lopen naar hun kostgronden, terug met veel hout en cassave op hun rug, omhoog en omlaag, door modder en moeilijk begaanbare bossen. Kent u het Surinaamse binnenland? Ook de invloed van het christelijke denken is er herkenbaar en de problemen om er het onderwijs draaiend te houden.
Lieve Joris

Lieve Joris schrijft journalistiek, maar haar werk heeft ook veel literaire kwaliteit. Ze heeft haar heel eigen manier van kijken naar situaties en mensen. Vaak is het voor haar anders wat ze ziet en beleeft, maar nergens heeft ze de afstand van een buitenlandse - vaak Europese - auteur die een ‘ontwikkelingsland’ bezoekt en alles zo goed weet en met arrogantie bekijkt.

In Op de vleugels van de draak vertelt Lieve Joris wat er gebeurt als volken die geen koloniale ervaringen samen hebben gehad (zoals bijvoorbeeld Suriname en Nederland wel) met elkaar aan de slag gaan, vooral op commercieel gebied. Na jarenlang door veel Afrikaanse landen gereisd te hebben, komt Lieve Joris aan het begin van dit boek in Dubai, op de grens van een Arabische republiek, richting China. In Dubai zijn veel Afrikanen die koopwaren uit China komen halen, om daar in hun eigen land winst mee te maken. Die waren worden in grote containers naar de verschillende landen gestuurd. Ook met die containers gebeurt veel, vooral als de Afrikaan de vracht eigenlijk niet kan betalen. Van daar gaat de schrijfster naar verschillende steden in China, waar ook veel Afrikanen wonen of komen handelen. Er zijn er nogal wat die gestudeerd hebben aan Chinese universiteiten en er daarna gebleven zijn om hun studievak uit te oefenen en daarnaast... handel te drijven. Er zijn ook veel Afrikanen tijdelijk in China, puur om producten te kopen voor de handel in hun land. Chinese waren zijn goedkoop! Afrikanen worden niet altijd menselijk behandeld in China, vooral als het om geld draait. Ook speelt racisme vaak een rol.

Etienne, een Afrikaanse kennis van Lieve Joris in China, zegt erover: ‘De Chinezen die ons zwarte duivels noemen, zijn onwetend. Ze gaan ervan uit dat alle Afrikanen in de brousse wonen. Over onze steden weten ze niets, ze hebben alleen films over de slavernij gezien. Sommige Chinezen vinden dat Afrikanen stinken, terwijl ze zichzelf in de winter maandenlang niet wassen. Dan ruikt het in de bus als in een schapenhok!’(pp. 59-60)

Veel steden van het kapitalistische China zijn modern, met veel dure huizen en zaken, druk verkeer, heel luxe wagens, en alle soorten restaurants met eten van verschillende streken in de wereld, uiteraard ook Afrikaans. Zo’n consumptiemaatschappij in steden, zo stellen wij ons het ‘communistische China’ niet voor, maar na Mao Zedong zijn er veel veranderingen gekomen, hoewel ook veel armoede op het platteland is blijven bestaan. Op een socialistische wijze met je geld omgaan, dat is er meestal niet bij! En de Afrikanen die goedkope goederen naar hun land willen sturen, ondervinden maar al te vaak veel dyugudyugu.

Lieve Joris legt makkelijk contact met mensen, overal waar ze komt. Ze wordt dan ook vaak thuis of in een restaurant uitgenodigd door degenen met wie ze kennis heeft gemaakt. Contacten zijn open en gemakkelijk en daardoor komt ze veel en op een eigen wijze, te weten van het land waar ze verblijft. Over het China van deze tijd waarover vanuit Europa maar mondjesmaat informatie komt. Het land blijft nog dat oude beeld houden van een communistische dictatuur. De meeste verhalen uit China komen uit de steden Guangzhou, Beijing, Shanghai en Jinhua. Wij lezers krijgen een goed beeld van hoe men in een andere samenleving zaken doet en wat de psychologische gevolgen zijn van ontmoetingen met andere culturen, zoals tussen China en Afrikaanse landen. Heel bijzonder aan dit boek is dat het nu eens niet gaat over de westerse wereld en hun relatie met de zogenaamde ‘derde wereld’, ‘ontwikkelingslanden’, maar dat het draait om ontmoetingen tussen Afrikanen en Aziaten. De westerse wereld blijft totaal op de achtergrond!


Tot slot een citaat: Lieve Joris reist in China per trein met studenten en docenten naar een conferentie. Li Baoping, die ook in Afrika geweest is en daar nare dingen meegemaakt heeft met een controleur in de trein, praat erover met Lieve Joris: ‘Wij hadden in China een filosoof die Confucius heette’, vervolgde Baoping tegen de controleur, hij zei: ‘Iedereen houdt van geld, maar laten we het op een eerlijke manier verdienen.’ Al die tijd zat zijn paspoort in het borstzakje van de controleur. Nu gaf die het hem terug en zei: ‘Scheer je weg.’ Baoping heeft zitten vertellen met een mengeling van plezier en afgrijzen. Nu lacht hij bevrijd. Confucius in een trein in Kameroen, denk ik, dat is eens wat anders dan de blijde boodschap van Christus of de leer van Mohammed. (p.146)

Lieve Joris: Op de vleugels van de draak. Reizen tussen Afrika en China. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Augustus, 2013. Zesde druk 2014. ISBN 978-90-450-24 2461-5


zaterdag 12 april 2014

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoelt vind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. Ze gebruikt verschillende stijlen en daarom is het voor mij een reisverslag. Door haar manier van verslag doen, goed gedocumenteerd, krachtig van observatie, en opgesmukt met een veelheid aan ontluisterende details weet Ellen Ombre de lezer veel duidelijk te maken omtrent haarzelf. Ze voert de lezer mee naar een zeereis op een vrachtschip met alleen maar mannen. Als sterke en zelfbewuste vrouw bereikt ze haar bestemming: Benin.
Ombre kent het gebied van een vorige keer. Ze verbleef er enkele maanden tijdens haar bezoek aan een bevriende Nederlandse arts die zich daar tijdelijk samen met haar man had gevestigd. Ombre veegt de vloer aan met tal van even goedbedoelde als mislukte ontwikkelingsprojecten, analyseert de moeizame verhoudingen tussen Afrikanen en westerse hulpverleners, toont de treurigheid van zwarte Amerikanen op zoek naar hun Afrikaanse roots en beschrijft - mede aan de hand van herinneringen aan haar jeugd in Suriname - een deel van haar eigen (familie)geschiedenis.

Voodoo-danser in trance in Quidah, Benin. Foto © Kwekudee


In totaal was Ombre drie maanden weg. Eerst tien dagen op zee. De reis per schip ervoer ze als heel prettig. Ze kon zich langzaam voorbereiden op waar ze heen ging. Bovendien werd ze verzorgd; de maaltijden kreeg ze op tijd en dat voortdurende heen en weer wiegen was voor haar heel behaaglijk. ‘Het is alsof je niet gek bent en toch bent opgenomen in een rusthuis. Ik was de enige passagier op een groot vrachtschip. Daardoor kon ik redelijk anoniem blijven, want de andere mensen aan boord moesten gewoon hun werk doen en dat geeft een enorme afstand, die ik overigens zeer waardeer. Als passagier kun je bijvoorbeeld samen met de officieren eten, maar ik wilde dat niet. Ik vind gezamenlijk eten nogal intiem, het ligt heel dicht bij andere vormen van intimiteit en dat wilde ik vermijden. Die boot bleek volgeladen met allerlei rotzooi. Oude auto's, oude computers tot en met koelkasten die vol zaten met cfk’s. Ik had weleens horen mompelen dat Afrika de chemische dumpplaats van Europa was, maar ik had niet verwacht daar zo direct mee geconfronteerd te worden. Dat ik in Benin en dus aan de Slavenkust terechtkwam, was echt toeval. Als die kennis van mij die ik jaren geleden heb opgezocht niet naar Benin maar naar Kenya was uitgezonden, was ik waarschijnlijk daarheen gegaan’, vertelt Ombre aan verslaggever Marja Vuijsje in april 1996. (http://www.opzij.nl)

Voodoo-markt Abomey, Benin. Foto © Kwekudee

Wat Ombre in eerste instantie bezighield was ontwikkelingssamenwerking. Ze was geboeid door het feit dat er al zolang Nederlandse hulpverleners naar Benin gingen. In een voorlichtingsboekje las zij dat er een directe relatie was tussen die ontwikkelingshulp en het feit dat Benin na de treinkapingen in de jaren zeventig een aantal Molukse nationalisten had opgenomen. Dus wilde zij onderzoeken wat er van die hulp terechtkwam. Maar deze interesse kwam ook vanwege Suriname natuurlijk. Hier maakte ze zelf mee hoe een land van het ene vijfjarenplan naar het volgende tienjarenplan voortsukkelde. Haar bezoek aan Quidah was dus niet zozeer bedoeld de plek te zien waar vandaan misschien ook een aantal van haar voorouders naar Suriname werd gebracht.

Reisverslagen zijn sinds de koloniale expedities en ontdekkingsreizen in de zestiende eeuw onlosmakelijk verbonden met een autobiografische ik-verteller die zich op onbekend terrein begeeft. Deze ik-verteller en hoofdpersoon is heldhaftig en avontuurlijk en de hoofdpersoon krijgt als het ware ‘mannelijke’ eigenschappen. De onbekende oorden waarheen gereisd wordt, worden vaak beschreven als van verlangen in klassiek vrouwelijke termen zoals schoonheid. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben feministische literatuurwetenschappers in Amerika en in Engeland een groot aantal reisteksten met vrouwelijke ik-verteller/reiziger belicht. Vergeten negentiende-eeuwse reisteksten van vrouwen werden herontdekt en uitgegeven. Voor Suriname is bijvoorbeeld belangrijk het reisverslag van Elisabeth van der Woude (1657-1698). In haar Memorije van ’t geen bij mijn tijt is voorgevallen beschreef Elisabeth van der Woude haar reis naar Guyana, de Wilde Kust, in 1676 en 1677. Als 19-jarige verliet zij het vaderland om samen met haar vader, broer, zus en honderden anderen een kolonie te stichten aan de rivier de Oyapoc in het huidige Frans-Guyana. Een expeditie die al snel op een mislukking uitliep. Een half jaar na aankomst keerde Elisabeth alweer terug in haar geboortedorp Nieuwe Niedorp. Haar vader en zus waren overleden, haar broer was achtergebleven in de West. Zelf werd Elisabeth op haar thuisreis enige tijd gevangen gehouden door de beruchte Duinkerkse kaperkapitein Jean Bart. Het opmerkelijke en intrigerende verslag is onderdeel van een kroniek die zeventig jaar beslaat. In een boekje in zakformaat beschreef Elisabeth van der Woude familieaangelegenheden, plaatselijk nieuws, maar ook (inter)nationale gebeurtenissen.

Kim Isolde Muller studeerde af op de Memorije van Elisabeth van der Woude. Haar speurtocht naar de historische context leverde interessante informatie op. Niet alleen Elisabeth en haar familie kregen zo meer gestalte, ook over de reis naar Guyana werd bijzonder materiaal gevonden wat voor Surinaamse literatuurwetenschappers en historici heel belangrijk kan zijn. (http://www.dbnl.org)
Gravure uit Posts Reinhart

Een ander voorbeeld van een bijzonder reisverslag is van Maria Elisabeth Post (1755-1812). Zij schreef onder andere De negerslaaf als goede wilde en Reinhart, of natuur en godsdienst.
Reinhart of natuur en godsdienst (Amsterdam, 1791-92), een roman, is gedeeltelijk een bestrijding van de slavernij, gedeeltelijk echter ook een verdediging van de goede slavenmeester. In het levensverhaal van Violet, de eerste slaaf van haar held Reinhart, treffen wij het klassieke beeld van de goede wilde aan. De roman Reinhart werd geschreven naar aanleiding van het verblijf van haar broer H.H. Post in Guiana. Hij bezat waarschijnlijk een plantage in Demerara. (Zie H.D. Benjamins, ‘Oude verdichte verhalen over Guiana’, in de ‘West-Indische Gids’, jrg. VII (1925/26), pp. 17-30, [en zie potverdrie vooral het proefschrift van Bert Paasman – red. CU].) Reinhart beschrijft met afschuw de slavenhandel en slavernij op de plantage, tijdens een reis in het binnenland geeft hij nauwgezet het leven van de Indianen weer, enigszins geïdealiseerd in de geest van de goede-wilde-traditie. Opvallend is het hoe de woeste, tropische natuur en het landschap, met flora en fauna, tot leven gewekt wordt. Vanuit haar stad Arnhem vertoefde de auteur in haar verbeelding in het moerassige Wildekustgebied, de savannen en de door de rivieren doorsneden oerwouden - haar geheel onbekend.

De verhalen van ontdekkingsreizigers en missionarissen wekten grote beroering onder de Europese geleerden. Daarin werd verhaald van onbeschaafde, heidense wilden, die een veel gelukkiger leven leidden dan de beschaafde, christelijke Europeaan. Men trok in de 18de eeuw de voor de hand liggende conclusie: de beschaving is de bron van alle kwaad, retournons à la nature. Dit bracht grote veranderingen in leven en streven van het 18de-eeuwse Europa. Ook in de literatuur: de belangstelling der schrijvers werd gericht op de primitieve mens in het tropische decor. Eerst vooral op de Indianen. Langzamerhand was het onvermijdelijk, dat ook de neger en dus de negerslaaf deel kreeg aan de Europese mythe van de goede wilde. Een vroeg voorbeeld is de bekende 17de-eeuwse roman van Aphra Behn: Oroonoko, or The royal slave, waarin de held een Surinaamse slaaf is. Het spreekt vanzelf dat men moeilijk in de slavernij kan blijven geloven, wanneer de slaaf als goede wilde (als voorbeeld voor de verdorven Europeaan) beschouwd wordt. Dit verhaal vormt dan ook tevens een kroniek van de vroegste geschriften tegen de slavernij.

vrijdag 11 april 2014

Bolo ta di pueblo (7 en slot)

Fred de Haas over Frantz Fanon

Geweld en ‘Nation Building’
Frantz Fanon was geen gewelddadig persoon, geen voorstander van geweld. De toon in Les damnés de la terre kan soms oorlogszuchtig klinken, maar we moeten begrijpen dat Fanon de eerste was die begreep dat een vorm van geweld genezend kan werken voor mensen die onderdrukt zijn.

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre, die het Voorwoord schreef van  Les damnés de la Terre in de uitgave van 1961, drukte zich in dit opzicht wel heel fel uit:
‘Je moet doden: met het elimineren van een Europeaan sla je twee vliegen in één klap’.
Zo’n uitspraak is verontrustend. Fanon zelf maakte geen propaganda voor het gebruik van geweld en zag het hoogstens als een tussenstadium. Immers, Fanon leefde in een gekoloniseerde wereld waar mensen werden onderdrukt, vernederd, bedreigd, veracht, uitgebuit en dienstbaar gemaakt. De enige mogelijkheid die de gekoloniseerde had was in opstand te komen. Net zoals vroeger de slaven in opstand kwamen.

Tula - Edsel Selberie
Foto © Michiel van Kempen
Op Curaçao begon het met de opstand van Tula in 1795 en werd pas veel later voortgezet met de gewelddadigheden van 1969.

Ook de Curaçaose Partido Soberano heeft een periode gekend waarin gewelddadige taal aan de orde van de dag was. De leider van de partij, Helmin Magno Wiels, heeft dit soort taal vaak gebezigd, totdat hij, strateeg als hij was, besloot dat het genoeg was en tijd om zich meer als staatsman op te stellen. Het is zeker zijn bedoeling niet geweest dat zijn opvolgers weer hun toevlucht zouden nemen tot beledigende en bedreigende taal. Degenen die zich binnen de PS hier nog aan schuldig maken kunnen moeilijk worden beschouwd als waardige opvolgers van een leider die zijn leven heeft moeten geven in de strijd om zijn volk te verheffen en te bevrijden van kwalijke invloeden.

Curaçao is het stadium van politiek geweld voorbij. Ondanks allerlei misstanden is het land nog steeds democratisch en wordt er gestreden via het woord. En wie aperte leugens vertelt, kan er zeker van zijn dat hij/zij vandaag of morgen wordt ontmaskerd en aan de kant geschoven.

Fanon leefde in het door de Fransen gekoloniseerde Algerije en we weten allemaal dat de Fransen alleen met veel geweld uit de kolonie verdreven konden worden. Dat verklaart de felheid waarmee Sartre het kolonialisme met woorden bestreed en min of meer opriep tot het gebruik van geweld. Zo hebben Kaapverdië, Guinee-Bissau, Mozambique en Angola zich met geweld bevrijd van het Portugese kolonialisme dat van geen wijken wilde weten.

Obama ontvangt de Nobelprijs voor de Vrede.
Foto © Harry Wad
Toen de Amerikaanse President Obama in 2009 – een beetje vroeg -  de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, zei hij: ‘Het kwaad in de wereld bestaat. Een vredelievende beweging zou de legers van Hitler niet hebben kunnen tegenhouden. Geen enkele vorm van onderhandelen zou de leiders van Al-Qaida ervan kunnen overtuigen hun wapens neer te leggen. Zeggen dat oorlog noodzakelijk is, betekent nog niet dat je cynisch bent, maar het betekent veelal dat je inzicht hebt in de Geschiedenis, in de onvolmaaktheden van de mens en de grenzen van het verstand’. Zijn woorden zouden zonder meer ook van toepassing zijn geweest op het kolonialisme.

Er is moed voor nodig om af te rekenen met de resten van het kolonialisme. En niet alleen moed, maar ook verbeeldingskracht, overtuiging en zeker ook een grote mate van edelmoedigheid, een eigenschap waarvan de onlangs overleden Nelson Mandela de belichaming was. Hij heeft het voorbeeld gegeven hoe je op basis van gelijkwaardigheid met een oude kolonisator kon omgaan.

De politieke rol van ‘het volk’
We betreden nu een moeilijk terrein. We zijn het eens met Fanon als hij pleit voor een directe democratie waarbij de vertegenwoordigers van de politieke partij(en) – natuurlijk op basis van weldoordachte programma’s -  de uitvoerders zijn van de volkswil. Hoe beter een volk is opgeleid hoe beter het de consequenties van bepaalde beslissingen zou kunnen overzien. Hoe minder een volk is opgeleid des te vatbaarder is het voor politieke manipulatie en des te gevaarlijker is het om het volk beslissingen te laten nemen op belangrijke terreinen. De ene keer zal het een politieke partij goed uitkomen als er een referendum zou worden gehouden, maar een andere keer zou dat wel eens minder goed kunnen uitkomen, namelijk wanneer vermoed wordt dat de wens van het volk niet in overeenstemming is met wat een bepaalde politieke partij graag zou willen.

Voor Curaçao zou deze kwestie wel eens kunnen gaan spelen wanneer in 2015 de situatie van de afgelopen vijf jaar door de Rijksministerraad geëvalueerd gaat worden en er besluiten moeten worden genomen over de (consensus) Rijkswetten van het Koninkrijk. Het is hier niet de plaats om in te gaan op de wensen van de Curaçaose politieke partijen, maar het minste wat ik hen tegen die tijd zou willen toewensen is wijsheid en onbaatzuchtigheid waarbij het welzijn van het volk voorop zou moeten staan. De rijkdom van het land - de taart - mag niet worden opgegeten door graaiende bestuurders, nee, de taart is van het volk. In andere - Papiamentse -  woorden die ik hoorde in een van de uitzendingen van de Partido Soberano: ‘Bolo ta di pueblo’.

En de leden van de PS die dit niet zouden hebben begrepen zou ik willen verwijzen naar hun eigen site en naar de uitzending van hun eigen Ingrid Sánchez van 27-06-2013 getiteld ‘Palabra’.

De oude globalisering
Mentaliteitsverandering
De mentaliteit van de mensen wordt nu in hoge mate beïnvloed door een ander soort vervreemding dan die welke werd gecreëerd door het kolonialisme. Die andersoortige  vervreemding wordt in de hand gewerkt door de invloed van de globalisering en het Internet. De jeugd ziet wat er allemaal te koop is in de wereld aan luxe, pornografie, spelletjes en wat al niet meer. Logisch dat de gedachte bij hen opkomt dat dit het ideaal is waarnaar moet worden gestreefd. Die gedachte wordt nog gevoed door het spook van de werkloosheid, functioneel analfabetisme, gebrek aan sociale controle, gebrek aan scholing, de aanwezigheid van armoedige leefomstandigheden enz. Afleiding en valse zekerheden worden gezocht bij de telenovelas, de Zuid-Amerikaanse soaps die ervoor zorgen dat de kritische geest afgestompt raakt en niet in de gaten heeft dat het land op een incompetente manier wordt bestuurd. En bij gebrek aan werk wordt er do0r sommigen geld verdiend door het uitoefenen van misdadige praktijken.

Samenwerking, geen imitatie
Fanon heeft duidelijk aangegeven hoe dekoloniserende landen een nieuwe maatschappij zouden moeten inrichten. Dat moet een maatschappij zijn met eigen waarden en met behoud van zaken die goed zijn en hun nut hebben bewezen. Van belang is het streven naar goede sociale omstandigheden, verdraagzaamheid, solidariteit en democratie. Voor het bouwen aan een nieuwe maatschappij is intelligentie nodig, vernieuwend denken en zelfvertrouwen.

Er moet vooral niet worden geprobeerd om Europa of Amerika na te doen of een pathologische bewondering te koesteren voor een Europa dat zijn succes mede te danken heeft aan de schoffering van de gewoonste menselijke waarden. Denk daarbij aan de uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking van de Amerika’s, de slavernij en de apartheid. Maar laten we, aldus Fanon, verder geen tijd daaraan besteden: ‘Kom op, broeders, we hebben veel te veel werk te doen om ons te amuseren met achterhoedespelletjes. Europa heeft gedaan wat het moest doen en achteraf beschouwd heeft Europa dat goed gedaan; laten we ophouden met Europa te beschuldigen maar wel duidelijk zeggen dat het moet stoppen met een grote mond op te zetten. We hoeven geen angst meer te hebben voor Europa en laten we ophouden met het te benijden (Les damnés de la terre, p. 231/232)’.

Stagiaire in het Surinaamse binnenland
Samenwerken met Europa c.q. Amerika kan altijd, maar dat mag nooit leiden tot neokolonialisme en het opdringen van Europese of Amerikaanse modellen. Het is beter om jezelf dwars door alle fouten en moeilijkheden heen te worstelen en te zoeken naar een eigen oplossing. Als je een Europese staat van je land wil maken kan je beter het lot van je land toevertrouwen aan Europeanen, want, zegt Fanon letterlijk: ‘die kunnen dat beter dan de meest begaafde onder jullie (Les damnés… p. 232)’. Natuurlijk mogen er best Europeanen in hun voormalige kolonie aanwezig zijn, maar wel op andere voorwaarden dan voorheen en zeker niet in de gedaante van superieure betweters.
Fanon laat overigens duidelijk merken dat er voor hem ook geen sprake kan zijn van het voortdurend terugkruipen en beschutting zoeken in een slachtofferrol of je terug te trekken  binnen de eigen – veilige – groep. Je moet de moed kunnen opbrengen om dat station achter je te laten en gewoon aan het werk te gaan.

Overigens moeten we wel een kanttekening maken bij de situatie van de mensen in de oude Afrikaanse koloniën. Als de bewoners van die arme landen zien hoe de eigen megalomane dictators en hun kliek zich verrijken ten koste van hun land, is het moeilijk voor hen om Europa niet te zien als het paradijs waar ze graag naartoe zouden gaan. Vandaar die al tientallen jaren durende  ‘illegale’ oversteek van Afrika naar Europa in wrakke bootjes, omgebouwde auto’s of zelfs achter het landingsgestel van een vliegtuig. Met de bekende, fatale gevolgen, waaronder het vluchtelingendrama van Lampedusa.

Afrikaanse vluchtelingen op een gammele boot voor de kust van Lampedusa.
Foto © Telegraph

Het is niet de bedoeling van Fanon dat de voormalige gekoloniseerde volken de Europeanen gaan haten: ‘Nee, de Derde Wereld verwacht dat ze de Derde Wereld helpen om de mens te rehabiliteren, om overal eens en voor al de mens te laten zegevieren (Les damnés… p. 230)’.

Laten we blijven luisteren naar Fanon. Aimé Césaire zei in een interview met Daniel Maximin in het tijdschrift Présence Africaine (no 126): ‘[…] teruggrijpen op Fanon is nuttig omdat dit uiteindelijk een teruggrijpen is naar de visie die veel verder ziet dan de gewone blik…’. Fanon was een humanist. Fanon was voor samenwerking en niet voor een zwart nationalisme of afrocentrisme. Het zou absurd zijn om onder de vlag van Fanon haatzaaiende redevoeringen te houden, oude wrokgevoelens op te poken of je terug te trekken op het gepasseerde station van een al te benauwde eigen identiteit. Dan zou je Fanon pas echt niet hebben begrepen.



Tenslotte
In bovenstaand betoog zijn genoeg elementen aanwezig die bouwstenen kunnen leveren voor het denken over een nieuwe samenleving voor de Benedenwindse eilanden. Er moet  in dit proces ook een belangrijke rol zijn weggelegd voor mensen die hebben gestudeerd en die in staat moeten worden geacht de vaardigheden die ze hebben verworven toe te passen in de praktijk. Ik heb het over de Curaçaose intellectuelen. Die zouden ervan moeten afzien hun kennis en kunde in dienst te stellen van regeringen die ondemocratisch zijn en voor een deel bestaan uit mensen die alleen hun eigen belang of een bepaald groepsbelang dienen in plaats van het landsbelang. Bursalen zouden moeten gaan studeren in het Caribisch gebied en door de regering van hun land verplicht worden om na hun studie voor vijf of tien jaar naar hun land terug te keren om mee te helpen aan de opbouw van de nieuwe samenleving.

IJsverkoper op Aruba
Niemand weet hoe de ABC (ei)landen er over 50 jaar uit zullen zien. Zal op Bonaire het eigen eilandsbestuur een doekje voor het bloeden zijn en zal het eiland (als het nog een bijzondere gemeente van Nederland is) alleen nog worden bestuurd door autochtone Nederlanders? Volgens Fanon zou dit laatste best het geval kunnen zijn. Als je van je eiland een Europees eiland wil maken kan je het bestuur volgens hem het beste aan Europeanen overlaten. Die weten hoe dat moet. En Aruba? Zal het nog zo hecht samenwerken met Nederland? Zal de Nederlandse taal nog zo worden beschermd en gecontinueerd omdat de Arubaanse jongeren in Nederland gaan studeren? Zullen er over 100 jaar nog wel Arubanen zijn? Als je de migrantenaantallen bekijkt en ziet hoeveel Latijns-Amerikanen er elk jaar definitief op het eiland achterblijven dan zouden er wel eens geen Arubanen meer kunnen zijn.

School op Curaçao
Curaçao zal, denk ik, een eigen koers gaan varen, in de geest van Fanon. Het land is gewikkeld in een langdurig proces dat zich uitstrekt over enkele decennia. Zolang duurt het voordat de kinderen van nu volwassen zijn. Drastische beslissingen lijken me in dit verband roekeloos en niet zinvol. Er is niets mis met het streven naar steeds grotere onafhankelijkheid van Nederland, maar daarvoor is het nodig om nog geruime tijd te werken aan de bewustwording van het volk, het inrichten van een op de mogelijkheden van het individu toegesneden onderwijssysteem met ruime aandacht voor het leren van een ambacht en de verbetering van de leef- en werkomstandigheden. Het land moet veilig zijn, een goedwerkend justitieel apparaat hebben met mensen die niet onder druk gezet kunnen worden of bedreigd, een politiekorps dat adequaat kan functioneren en een regering die bestaat uit intelligente, integere personen die door elke screening komen. Wanneer er op een gegeven ogenblik een voldoende groot aantal Curaçaoënaars te vinden is dat niet bang is om Procureur-Generaal of rechter te worden, is Curaçao al een stuk opgeschoten. Pas dan kan je echt spreken van een Dushi Kòrsou!

Het is ook van het grootste belang dat er definitief wordt gekozen voor een (wereld)taal waarin, behalve in de moedertaal, vervolgonderwijs moet worden gegeven.

Fanon is een moeilijke auteur, maar hij verdient het om gelezen en herlezen te worden door politici, leraren en elke geïnteresseerde. Hij was een jonge, briljante, non-conformistische denker die het welzijn van de mens centraal had staan en gekant was tegen elke vorm van duister nationalisme of weerzinwekkend blank of zwart racisme. Hij stond voor onderling respect, nadenken over jezelf in betrekking tot de Ander, solidariteit, het bestrijden van onderdrukking, manipulatie en anti-democratische krachten.

donderdag 10 april 2014

Marcel van Engelen winnaar M.J. Brusseprijs 2014 met Het kasteel van Elmina

Marcel van Engelen
Foto © Bert Reinders
Marcel van Engelen heeft de M.J. Brusseprijs 2014, de prijs voor het beste journalistieke boek, gewonnen. Dit heeft de jury zojuist bekend gemaakt. Van Engelen ontvangt de M.J. Brusseprijs 2014 voor Het kasteel van Elmina. In het Spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika (De Bezige Bij).

Volgens het juryrapport gaat de M.J. Brusseprijs naar een boek: ‘...waarin engagement, nauwkeurigheid, moed en relativeringsvermogen samenkomen. Naar een boek dat gaat over de concrete pijnlijke geschiedenis van de slavenhandel die het heden kleurt maar die niet op het conto van één historische partij kan worden geschreven. Naar een boek dat de mentaliteitsgeschiedenis rondom slavernij vanuit verschillende perspectieven onthult en verheldert.’

Het boek werd gekozen uit 145 inzendingen. De overige genomineerden waren:

Kees Kooman – Eerlijk over later (Bertram + de Leeuw)
Ariejan Korteweg – Surplace (De Geus)
Fokke Obbema – China en Europa (AtlasContact)
Eva Vriend – Het nieuwe land (Balans)
Een eervolle vermelding is er voor Surplace van Ariejan Korteweg: ‘Surplace is volgens de jury als correspondentenboek een modelboek, een zowel compositorisch als analytisch ijzersterke beschouwing waarmee de auteur zijn eigen correspondentschap met terugwerkende kracht van een nieuwe dimensie voorziet.’

De prijs is vernoemd naar journalist M.J. Brusse (1873-1941) die tientallen jaren dagelijks reportages en feuilletons schreef voor onder andere De Telegraaf en de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Veel van zijn stukken werden in boekvorm gebundeld.

De M.J. Brusseprijs is een initiatief van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Aan de prijs is een geldbedrag van € 10.000 verbonden. De jury bestond dit jaar uit Hubert Smeets (voorzitter), Carla Joosten en Beatrijs Ritsema.

Lira Correspondentenprijs

Vandaag is ook de Lira Correspondentenprijs uitgereikt. Winnaar Koert Lindijer, correspondent in Oost-Afrika voor onder meer NRC Handelsblad en NOS Radio 1, ontving een oorkonde en geldbedrag van € 5.000. Op 21 maart werd al bekendgemaakt dat Lindijer de prijs voor de beste freelance buitenlandcorrespondent had gewonnen.

De jury van de Lira Correspondentenprijs 2014 – Birgit Donker (voorzitter), Wio Joustra en Djoeke Veeninga – had eerder uit 34 inzendingen de volgende zes correspondenten genomineerd:
Koert Lindijer. Foto © NRC

Remco Andersen, standplaats Beiroet (de Volkskrant / Elsevier / De Morgen)
Caroline de Gruyter, standplaats Brussel/Wenen (NRC Handelsblad)
Koert Lindijer, standplaats Oost-Afrika (NRC Handelsblad)
Guus Valk, standplaats Washington (NRC Handelsblad / NRC Next)
Fred de Vries, standplaats Zuid-Afrika (Vrij Nederland / De Groene Amsterdammer / Elsevier / de Volkskrant )
Marjolein van de Water, standplaats Rio de Janeiro (de Volkskrant / De Morgen)

De prijs is een initiatief van Stichting Lira  en het Fonds Bijzondere Jounalistieke Projecten en wordt dit jaar voor de tweede keer uitgereikt. De prijs is vorig jaar uitgereikt aan Bram Vermeulen, standplaats Turkije. Lira en het Fonds BJP willen met deze prijs aandacht vragen voor het belang van goede berichtgeving over het buitenland.

woensdag 9 april 2014

Bolo ta di pueblo (5)

Frantz Fanon
Fred de Haas over Frantz Fanon


Schuldgevoel: niet nodig
Bijna niemand onder de weldenkende mensen in de zwarte/gekleurde gemeenschappen binnen en buiten Afrika zit erop te wachten dat degenen die zich in het verleden schuldig hebben gemaakt aan kolonisatie en slavenhandel snikkend op de knieën vallen en berouwvol om vergiffenis smeken. Van belang is alleen dat nu en in de toekomst iedereen met hetzelfde respect wordt behandeld, dat de historische waarheid niet wordt verdoezeld en dat nieuwe generaties zich bewust blijven van wat er in het verleden is gebeurd.

Op bladzij 185 van Peau noire, masques blancs zegt Fanon zelf: ‘Ik, gekleurde mens, heb niet het recht om de blanke man een schuldgevoel tegenover mijn ras op te dringen. Ik, gekleurde mens, heb niet het recht om na te denken over middelen die het mij mogelijk zouden maken om het gevoel van eigenwaarde van de oude Baas te vertrappen […]. Moet ik soms van de blanke man van vandaag vragen zich schuldig te voelen over de slavenhandel van de 17e eeuw?’
 
Oorlogsmisdaden in Algerije
In hetzelfde essay waarschuwt hij blank en zwart (‘Peau noire…’ p. 187) ‘à s’écarter des voies inhumaines qui furent celles de leurs ancêtres afin que naisse une communication authentique’ ( = om de onmenselijke wegen van hun voorouders te verlaten zodat er echte communicatie kan ontstaan).

Het is een groot misverstand om uit het werk van Fanon te willen begrijpen dat hij de blanke zou haten. Nee, het enige dat Fanon verafschuwde was het kolonialisme, de onderdrukking, de onrechtvaardigheid en de uitbuiting. In het begin van zijn boek zegt hij al op bladzij 10: ‘ik wil mijn broeder, Zwarte of Blanke, ertoe brengen om op krachtige wijze het betreurenswaardige kleed af te schudden dat is geweven door eeuwen van onbegrip’.
Voor alle duidelijkheid: Fanon had nooit een hekel aan de Fransen, maar wel aan het Frankrijk dat, bevrijd van het nazidom, na de Tweede Wereldoorlog bloedbaden aanrichtte in Sétif (1945) of Madagascar (1974) en dat, na bewezen diensten, de Senegalese en Marokkaanse soldaten in de kou liet staan.

Fanon was een humanist. Fanon was een halve eeuw geleden wijzer dan vele anderen nu. En hij was pas 36 jaar toen hij stierf!
 
Generaal De Gaulle spreekt met Senegalse soldaten

Geweld in de oude koloniën na de onafhankelijkheid
Na het vertrek van de koloniale machthebbers zijn er vreselijke dingen gebeurd in Afrika. In Mauritanië heeft de slavernij zijn kop opgestoken, in Zuid-Afrika zijn Zimbabwaanse migranten levend verbrand en aan stukken gehakt, migranten uit Bénin zijn uit Guinea verdreven, in Ruanda heeft er genocide plaatsgevonden, in Mali staan Christenen en Moslims elkaar naar het leven, in Egypte worden de Kopten vervolgd, in Centraal Afrika wordt er gemoord, in Zuid-Soedan dreigt er een burgeroorlog, in Libië discrimineert men zwarten uit Centraal- en West-Afrika.

Een paar krantenkoppen en berichten uit de Volkskrant van het afgelopen jaar:

11/01/2013: Frankrijk begint militaire interventie in Mali.
28/03/2013: Veiligheidsraad sanctioneert militaire interventiemacht in Congo.
22/04/2013: 185 doden bij gevechten in Baga, Nigeria.
15/12/2013: etnisch geweld in Zuid-Soedan.
27/12/2013: Massagraven in Zuid-Soedan
28/12/2013: Chaos in Centraal Afrikaanse Republiek. Land balanceert op de rand van burgeroorlog.


Al dat geweld en die intolerantie die zijn losgebarsten na de onafhankelijkheid, zijn te wijten aan de heersende inheemse klasse die de koloniale bestuurders is opgevolgd. Fanon heeft in zijn tijd herhaaldelijk gewaarschuwd voor de machtswellust, het egoïsme, de inhaligheid en de schijnheiligheid van die regerende klasse.

In vergelijking met wat er in Afrika gebeurt is Curaçao een beschaafd land, maar het ontbreekt het merendeel van de bevolking nog steeds aan de juiste scholing en aan politiek inzicht. Daardoor laten de mensen zich voorlopig helaas nog makkelijk meeslepen door loze beloftes van schijnheilige politici.

Behoud van de eigen cultuur: Afrika en Curaçao
In de Afrikaanse gebieden werden de stamculturen ter plekke door de koloniale onderdrukkers ontkend, verstikt of vernietigd.
De Afrikanen die via de slavenhandel op Curaçao en elders in het Caribisch gebied arriveerden behielden slechts flarden van eigen culturen, omdat het heterogene groepen mensen betrof die uit verschillende Afrikaanse gebieden afkomstig waren. En zelfs die paar restanten van eigen (taal en) cultuur werden door de kolonisator zoveel mogelijk ontkend en vernederd. De Curaçaose cultuur werd op die manier een dubbele slag toegebracht.

McDonald's Curaçao

De intellectuelen die door studie aan de Nederlandse Universiteiten voortkwamen uit de groep kleurlingen werden – noodgedwongen - beklagenswaardige imitators van de Westerse cultuur waarvan ze niet schroomden zelfs de leugens over te nemen. Maar gedane zaken nemen geen keer en Fanon heeft in Les damnés de la terre hiervoor de waarschuwende vinger opgeheven: ‘laten we geen tijd verdoen met […] weerzinwekkend kopieergedrag’. En om de weg te wijzen naar een authentiek cultureel leven voegt hij eraan toe (p. 163): ‘vechten voor de nationale cultuur betekent op de eerste plaats vechten voor de bevrijding van het land, de fysieke baarmoeder waaruit de cultuur kan ontstaan. Er is geen culturele strijd die zich zou kunnen ontwikkelen los van de strijd van het volk’.

Dat betekent dus dat er geen culturele strijd kan zijn die losstaat van de politieke strijd. Pas als er geen sprake meer is van achterstelling kan er sprake zijn van een van een nationale cultuur en van nieuwe perspectieven. De verwezenlijking van dit alles is echter een langdurig proces. Deelname aan dit proces is daarom vaak ontmoedigend.

[wordt vervolgd]


dinsdag 8 april 2014

Bolo ta di pueblo (3)

Frantz Fanon
Fred de Haas over Frantz Fanon

Het witte ‘ideaal’ en de ‘Makamba Pretu’
Europa, het rijke Westen, is in de verbeelding van de zwarte en gekleurde mens altijd een paradijs geweest. En de kleur ‘wit’ werd van oudsher (en nog steeds) geassocieerd met Europa en het ‘ideaal’. Fanon: ‘Voor een zwarte is er slechts één bestemming. En die heeft een witte kleur (Peau noire…, p. 139)’.

Het beste bewijs voor deze stelling is het verschijnsel dat veel gekleurde mensen in de loop der tijden hebben geprobeerd het witte ideaal van taal en cultuur zoveel mogelijk te verinnerlijken. Zo iemand noemde/noemt men op Curaçao een Zwarte Hollander, een Makamba Pretu.

De Makamba Pretu is het volmaakte product van de volmaakte kolonisatie.

De Curaçaose schrijver Frank Martinus die in zijn Afscheid van de Koningin (De Bezige Bij, 1975) een amusante en meedogenloze analyse maakte van het hypocriete postkoloniale denken schrijft over die ‘gearriveerde Neger’ het volgende (Afscheid van de Koningin, p. 97): “Die gearriveerde Negers beschikken soms over vooroordelen over hun eigen mensen, die alles slaan wat je uit de mond van de meest domme blanke kunt optekenen. Ze beschikken ook steevast over de simpele, liberale filosofie: wie hard werkt (en spaart) komt er altijd, een filosofie die natuurlijk heel moeilijk is te ontzenuwen als ze de algemene deugdelijkheid ervan alleen maar met zichzelf willen bewijzen: ‘Kijk-maar-naar-mij’. […]. Het vervelendste bij dit alles is, dat je nooit met al te harde argumenten hun illusies kunt doorprikken omdat je je hoe dan ook een beetje solidair met ze blijft voelen. Niet vanwege hun kleur, nee, maar omdat je weet dat ze niet zo lang geleden nog arm moeten zijn geweest.”

Op alle Caribische eilanden zijn er voorbeelden van dit fenomeen te vinden. Ook op de Franse Antillen waar de schrijfster Mayotte Capécia voor Fanon gold als een van die zwarte figuren die zo dicht mogelijk tegen de blanken en hun westerse cultuur wilden aanschurken en de blanken allerlei prachtige eigenschappen toedichtten.
Fanon gruwde van mensen die uit infantiele overwegingen een blanke man of vrouw aan de haak wilden slaan. Hij zegt nogal bot: ‘De liefde is verboden terrein voor de Mayotte Capécia’s van alle landen’ (Peau noire… p. 36). Niet dat die uitspraak veel heeft uitgehaald.

Een groot aantal Antillianen, bijvoorbeeld, zijn in die tijd om studieredenen de Oceaan overgestoken en in Nederland getrouwd met blanke vrouwen. Terug op Curaçao moesten ze spitsroeden lopen onder de spottende blikken van hun landgenoten (bij die Nederlandse vrouwen had je immers geen ‘pakkes’) en soms duurde het niet lang of zo’n huwelijk liep op de klippen.

Onbewust wilde men door dat soort gemengde huwelijken het ‘zwarte ras witter maken’. Op Curaçao heette dat ‘drecha rasa’ (= het ras / de kleur verbeteren) en in Latijns-Amerika heeft men het over ‘afinar la raza’, wat op hetzelfde neerkomt. Fanon had er een eigen, spottende term voor: ‘lactification’ (= vermelking). De kleur van melk is bekend.

Wat Fanon dacht van de ‘Makamba Pretu’, de zwarte die van binnen wit was, heeft hij op niet mis te verstane wijze te kennen gegeven. Een voorbeeld uit Afrika.
Een van de Afrikaanse leiders op wie hij vanwege diens ‘witte’ gedrag heftige kritiek had, was de voormalige, zwarte President van Ivoorkust, Félix Houphouët-Boigny (1905-1993) die hij beschouwde als een ‘stroman’ en een ‘handelsreiziger’ voor het Franse kolonialisme in Afrika: ‘Als een gekoloniseerde als de heer Houphouët-Boigny niet langer denkt aan het racisme, aan de ellende van zijn volk en aan de schaamteloze exploitatie van zijn land en zelfs niet meer in staat is om gehoor te geven aan de in zijn onderdrukte volk kloppende hartslag van de bevrijding en bovendien alle macht namens zichzelf uit handen geeft aan Bigeard en types als Massu (Franse generaals, FdH), moeten we niet aarzelen te zeggen dat we hier te maken hebben met verraad, medeplichtigheid en een verkapte aansporing tot moord’ (Pour la Révolution africaine, p. 120).
Félix Houphouët-Boigny

In sterk afgezwakte vorm zou je deze kritiek ook kunnen toepassen op figuren uit de vroegere Antilliaanse politiek van na 1954.
Toch moeten we niet vergeten dat ook deze mensen kinderen van hun tijd waren en hen achteraf niet te hard vallen om hun houding. Zoals Fanon al zei: het is beter om je niet bezig te houden met wat er allemaal in het verleden is vertoond en het verdient de voorkeur om door te gaan en aan de toekomst te werken.

Tegenwoordig proberen jongeren in Afrika vanwege een schrijnend gebrek aan mogelijkheden om zich te ontwikkelen via een relatie met een blanke Europeaan/ Europese naar Europa te komen. Internetcafé’s worden om die reden druk bezocht. Als ze contact maken hebben ze vaak geen idee wat daarachter verborgen kan zitten. Dat kunnen heel goed seksueel gestoorden zijn of schurken die hen in een prostitutienetwerk willen lokken onder mooie beloftes van andersoortig werk. Jonge Afrikaanse vrouwen gaan op die manier een duistere toekomst van moderne slavernij tegemoet, een nachtmerrie waaruit ze bijna niet meer kunnen ontwaken.
Ook jonge, Afrikaanse mannen proberen zo aan een miserabel leven in hun land te ontsnappen. Hun ultieme doel is een visum voor Europa te bemachtigen. Ook zijn ze bereid tot concessies en te trouwen met alle blanke vrouwen die maar voorhanden zijn.
In zijn hoedanigheid van psychiater zegt Fanon: ‘de zwarte lijkt in zijn gedrag op een geobsedeerd type mens. […] de gekleurde mens probeert zijn identiteit te ontvluchten en zijn aanwezigheid op de wereld tot nul te reduceren’ (Peau noire…, p. 48).

Foto © Andrea Farias


Fanon zag in Frankrijk genoeg voorbeelden van jonge Afrikanen die voor een visum zelfs bereid waren om van seksuele oriëntatie te veranderen: ‘in Europa hebben we een paar vrienden aangetroffen die pederast zijn geworden. Passieve pederasten, weliswaar. In dat geval was er geen sprake van een neurotisch soort homoseksualiteit; het was voor hen gewoon een middel waar ze hun toevlucht toe namen zoals anderen souteneur werden’. (Peau noire…, p. 146).
Ook haalt Fanon voorbeelden aan van het gedrag van Antillianen die geobsedeerd zijn door hun verlangen om seks te hebben met een blanke vrouw: ‘als ze nog maar net in Le Havre (een havenplaats in Noordwest Frankrijk, FdH) zijn aangekomen, gaan ze naar de bordelen. En als ze dan dat inwijdingsritueel tot de ‘echte mannelijkheid’ hebben volbracht, nemen ze de trein naar Parijs’ (Peau noire…, p. 58). Een paar bladzijden verder zegt hij wat ie ervan denkt: ‘deze seksuele mythe – het zoeken naar een blank lichaam – mag niet langer vanwege een vervreemde psyche een levend begrip voor elkaar in de weg staan’. (Peau noire…, p. 66).
Haar: big business. Foto © Gotti Almonte

De zwarte mens moet, zegt Fanon, dus nooit ontkennen dat hij zwart is. Dat is verraad aan zichzelf en leidt tot ontgoocheling. Tegenwoordig zien we nog steeds symptomen van dat verlangen om blank te willen zijn. In de Amsterdamse Bijlmer zijn tal van (verboden) middeltjes achter de toonbank te koop om een zwarte huid lichter van kleur te maken. En er wordt nog steeds druk gebruik van gemaakt…

Een kapster uit de Bijlmer vertelde het volgende aan het Parool (november 2009): de meeste vrouwen met kroeshaar hebben liever geen kroeshaar. Ze willen Europees haar: steil en glad. Het is niet dat ze niet trots zijn op hun afkomst. Het is vooral praktisch: met Europees haar kun je meer kanten op. Maar toch: ze ziet om zich heen dat veel donkere mensen in de Bijlmer bleekmiddelen gebruiken om een blanke huid te krijgen. Vooral Afrikanen hebben graag een lichtere teint. De bleekmiddelen zijn illegaal, kankerverwekkend en overal te koop.

[wordt vervolgd]

zaterdag 22 februari 2014

Chimamanda Adichie: The danger of a single story



 Wie deze lezing met Nederlandse vertaling wil zien, klikke hier.

Stilstaan bij de sporen

door Mineke de Vries


Het is zo lang geleden. Het viel allemaal wel mee. We kennen die geschiedenis inmiddels wel. Het houdt toeristen weg. Laten we het positieve erfgoed vieren in plaats van stilstaan bij de pijn. Vijf uitspraken over de zwarte tijd van slavernij, die berusten op vijf mythes, stelt Valika Smeulders die promoveerde op haar onderzoek naar slavernij in Curaçao, Ghana, Suriname en Zuid Afrika. Op 1 juli 2013 stonden we stil bij 150 jaar afschaffing slavernij, maar ook bij de nog zichtbare sporen in de huidige samenleving. De conclusie moest worden getrokken dat op Curaçao de invloed van de slavernijgeschiedenis eerder toeneemt dan afneemt.

Beyoncé Knowles
Photo Thanksgiving Special
Het gaat niet om de mate van wreedheid tijdens de slavernij, maar om wat mensen verloren en opnieuw moeten opbouwen. Het gevoel je daarbij te moeten conformeren aan de Europese maatstaf betekent al dat je niet op gelijke voet staat. Het idee ‘hoe lichter hoe beter’ zit diepgeworteld en als zelfs de commercie hierop inspeelt - licht haar is gewoon te koop en iemand als Beyoncé promoot het - onderschrijf je deze norm. Naast uiterlijk wordt de mate van succes afgemeten aan geld, waarbij rijkdom belangrijker blijkt dan hoe je elkaar behandelt. Smeulders: “De aantrekkingskracht van geld en macht als nawerking van het slavernijverleden vind ik erg heftig.”

Van huis uit kreeg Valika mee een bijdrage aan de maatschappij te leveren; haar Surinaamse ouders gingen na de onafhankelijkheid vanuit Nederland terug naar Suriname om het land op te bouwen. Op haar negende verhuisde ze met moeder en zus terug naar haar geboorteland Curaçao. “Zowel thuis als op het Peter Stuyvesant College spraken we veel over de koloniale geschiedenis en maatschappelijke verschillen.” Met die bagage ging ze in Leiden Talen en Culturen van Latijns Amerika studeren. Ze kwam terecht in managementfuncties voor milieuprojecten, maar bleef daarnaast schrijven voor Antilliaanse bladen en rolde zo in de onderzoeksjournalistiek waar ze in opdracht van ministeries en gemeenten de positie van Antillianen in Nederland onderzocht, hun problemen met het vinden van een baan, aansluiting in de samenleving. “Je zag in de jaren negentig een groep Antillianen naar Nederland komen met een armere achtergrond, die moeite had hun weg te vinden.” Vanuit het onderzoek naar slavernij-erfgoed in Nederland voor het boek Op zoek naar de stilte kreeg ze bij de Erasmus Universiteit Rotterdam de mogelijkheid onderzoek te doen naar omgang met het slavernijverleden in Ghana, Curaçao, Suriname en Zuid Afrika, waarmee Valika uiteindelijk zeven jaar bezig was en wat resulteerde in haar proefschrift Slavernij in perspectief: Mondialisering en erfgoed in Suriname, Ghana, Zuid-Afrika en Curaçao’.
Valika Smeulders. Foto Mineke de Vries

Mondiale inbedding
Het onderzoek in de verschillende landen was intensief. In Zuid Afrika was ze bijna drie maanden, naar de andere landen ging ze met regelmaat terug. Op Curaçao werd het werk bemoeilijkt doordat de ontwikkeling niet stil stond in die jaren.“Het onderzoeksmateriaal veranderde onder mijn handen en daarmee mijn analyses. In 2005 was er één museum over slavernij, het Kura Hulanda, maar toen Museo Tula, een tentoonstelling bij NAAM en Savonet volgden, haalde Curaçao - waar altijd het minst te zien was - Suriname in.” Dit had te maken met de mondiale inbedding, Unesco wilde meer aandacht en Curaçao kon niet achterblijven. Het gaf het eiland een impuls om er meer van te tonen.”
Valika onderzocht wat mensen drijft maar ook hoe je van elkaar en de positieve factoren uit elk land kunt leren. Om haar inzichten te delen werkt ze mee aan tentoonstellingen (Doorbreek de Stilte, Zwart&Wit, Kleurrijk Koninkrijk), panels, geeft presentaties, colleges, schrijft artikelen en leverde een bijdrage aan de nieuwe website van NiNsee: Slavernij en Jij. Tevens schreef ze mee aan Black Heritage Tours die voert langs de schaamteloze afbeeldingen van onderdrukking op gevels, waarbij pijnlijk duidelijk wordt dat Amsterdam is gebouwd op slavenhandel. Ook het feit dat haar proefschrift downloadbaar is, past binnen het idee dat dit gedachtegoed voor iedereen toegankelijk moet zijn.

Ghana behield eigenheid
Zowel de Curaçaose als Surinaamse samenleving, gevormd door koloniale geschiedenis, moest haar identiteit opnieuw uitvinden, waarbij het meten aan de Europese standaard de eigenheid van mensen onder druk zette “Dit werd me helder in Ghana, waar mensen het contact met hun eigen cultuur wel konden behouden. Ghanezen zijn trots, zelfbewust, stralen zelfvertrouwen uit. Ze lopen in traditionele kleding, spreken hun oorspronkelijke talen, behielden eigen geloof en eetgewoontes. En omdat hun huidige maatschappelijke positie wordt bepaald door wat hun familie in het verleden deed, weten ze heel goed wie ze zijn. In Curaçao, Suriname zijn we pas sinds kort aan het zoeken wie we zijn.” Het feit dat het spreken over het koloniale verleden nog zo’n moeilijk onderwerp is op Curaçao heeft te maken met de groepen die er samenleven. De Europese onderdrukker is niet weg; men moet een nieuwe samenleving opbouwen waar nazaten van onderdrukker en onderdrukte samenleven. In Ghana was daarvan geen sprake, ook in Suriname was een andere balans tussen bevolkingsgroepen - overwegend afstammelingen van slaven of contractarbeiders - die een nieuwe samenleving vormden. De afwezigheid van daders maakte dat men daar feller kon praten over datgene wat was gebeurd. Dat is een ander verhaal op Curaçao, waar kinderen van daders en slachtoffers gezamenlijk de samenleving moeten vormen.

Peggielane Bartels, een Amerikaanse van Ghanese afkomst, werd in 2008
de eerste vrouwelijke koning van Otuam, een plaats met 7.000
 inwoners in Ghana

Het verschil trouwens met oudere vormen van slavernij in Ghana is dat er geen raciale component bij kwam kijken. Ondanks dat de één zich verheven voelde boven de ander kon het de gemeenschap niet in tweeën verdelen op basis van huidskleur; er was geen standaard waaraan de ander zich moest aanpassen. “Het feit dat de lokale slavernij in Ghana nog steeds bestaat en niet bespreekbaar is, is een taboe waaraan serieus gewerkt moet worden”, aldus Smeulders.

Zuid Afrika’s apartheid
Ook in Zuid Afrika speelt het slavernijverleden geen dusdanige rol als op Curaçao, wat voortkomt uit het feit dat apartheid de slavernij ‘overschaduwde’. De apartheid, die duurde tot Mandela in 1994 aan de macht kwam, is veel dichterbij dan de Tweede Wereldoorlog, laat staan het slavernijverleden. De pijn ervan wordt gevoeld door mensen die het zelf meemaakten, in plaats van de pijn van voorouders. Daarbij was in Zuid Afrika sprake van een ander soort slavernij: slaven - gehaald uit West en Oost Afrika en de gebieden rond de Indische Oceaan - werden niet te werk gesteld in overzeese gebieden, maar werkten op lokale basis in de tuinbouw en in de wijngaarden om producten te verbouwen voor de VOC.
Smeulders: “Zuid Afrika heeft mij veel geleerd in de relatie tussen zwart en wit. Een achterstand van Zuid Afrikanen wordt verklaard vanuit de apartheid, niet uit de slavernij. De slaafgemaakten hadden diverse huidskleuren, maar tijdens de apartheid werden de donkersten uit éigen volk het meest gediscrimineerd, niet dus de afstammelingen van de slaven. De huidige situatie vloeit voort uit dié geschiedenis, waardoor dat nu meer een politiek issue is dan slavernij.”
Potlood in je haar. Foto Hans Neleman (zefa/Corbis)

Om racisme in de toekomst te voorkomen riep Mandela op te praten over de geschiedenis, maar het ook te tonen in musea, in het brede verband van alle geschiedenis (zoals ook de Joden die naar Zuid Afrika kwamen vanwege de Holocaust). Ondanks dat gaat het langzaam, stelt Smeulders: “In musea wordt erover gesproken, maar op straat? Ik vond het schrijnend te ervaren dat Kaapstad na zonsondergang opeens wit werd, waaraan je zag dat de gekleurde en zwarte bevolking economisch gezien nog steeds een achterstand heeft. De sociale segregatie zoals we die kennen in het Caribisch gebied ging hier veel verder omdat het werd vastgelegd in de wet. Dat is anders dan ‘alleen’ onderdrukking; vastgelegd in de wet betekent dat de pas bepaalde waar je werd toegelaten.” De wetten werden tijdens de apartheid gemaakt op basis van meten: zo bepaalde de potloodregel - bleef een potlood zitten in je haar of niet - of je behoorde tot zwart danwel gekleurd of wit. Het paradoxale voordeel van een wet was dat deze kon worden afgeschaft en vervangen door wetten die diversiteit erkennen.

Curaçao Otrabanda Brionplein.
Curaçao’s worsteling
Op Curaçao liggen zaken subtieler, er is geen wet die kan zorgen voor omkering in beleid. Ideeën over mensen voortvloeiend uit het slavernijverleden kunnen ongereguleerd doorwerken. “Het speelt onderhuids en ondanks dat segregatie van alle tijden is, lijkt het of verschillen tussen zwart en wit groter zijn dan dertig jaar geleden, je zou bijna spreken van apartheid: openbare plekken lopen minder door elkaar, je krijgt onderhand witte en zwarte stranden, wat vroeger niet zo was omdat de meeste stranden toen gratis en vrij toegankelijk waren. Hoe meer mensen een podium krijgen, hoe scherper de tegenstellingen, hoe groter de tweedeling. Erover praten kan mensen naar elkaar toebrengen zoals in Zuid Afrika, maar zaken ook aanscherpen zoals op Curaçao. Toch hoeft de behoefte aan erkenning van het slachtoffer en het herdenken van een gezamenlijk verleden een land niet te verdelen. “Curaçao moet wel bedenken wat voor samenleving het met elkaar wil vormen. Daarvoor zijn denkers nodig die boven de hedendaagse groepsbelangen kunnen uitstijgen en politici die niet uit zijn op eigen voordeel, maar zich inzetten voor de samenleving als geheel. Niet elk land heeft het geluk een Nelson Mandela te hebben, maar we kunnen wel Zuid Afrika als voorbeeld nemen om beleid met visie voor diversiteit te ontwikkelen, waarbij bewustwording leidt tot een trotse rainbow nation.”

“Het is goed dat er in Nederland zoveel nieuwe frisse ideeën en activiteiten zijn. Veel reguliere instellingen die nooit meededen, durven nu wel te tonen dat koloniale rijkdom is gebouwd op onderdrukking, wat bijdraagt aan de openheid die we nodig hebben, een aanzet tot een nieuwe golf bewustwording. We vieren tenslotte ook allemaal 4 en 5 mei, dus waarom niet gezamenlijk 1 juli?” Naar aanleiding van de herdenkingen en debatten wordt veel problematiek onder de loep genomen met de vraag of er verband is met de slavernij. “Vaak is dat er niet rechtstreeks, maar de maatschappelijke ongelijkheid komt wel voort uit het feit dat ook de afstammelingen van slaafgemaakten geen gelijke kansen en zeggenschap kregen.” De volgende vraag is volgens Smeulders wat je doet met die maatschappelijke problemen: “Gebruik je ze als excuus om voort te kabbelen, krijgt het probleem steeds andere gezichten. Wil je echt wat veranderen, moet worden geanalyseerd waarom mensen anderen onderdrukken om er zelf beter van te worden, in het verleden en in het heden.” 

Weerlegging van de mythes
De vijf bovengenoemde mythes liggen ten grondslag aan het wegstoppen van ons verleden. Is ‘al 150 jaar geleden’ niet kort als je beseft dat tien tot vijftien generaties leden onder slavernij? En voor wie viel het overigens mee? Kennen we de persoonlijke verhalen van mensen die nog in het schip overleden, die werden uitgebuit en doodgeslagen? Hoe trots kan een mens zijn op het positieve erfgoed dat is gebouwd op uitbuiting van anderen? Het toelaten van die pijn en erkenning ervan is de eerste stap op weg naar genezing. Vervolgens: toeristen blijken overal ter wereld met grote interesse tentoonstellingen over slavernij te bezoeken. Kortom, we moeten af van de eenzijdige belichting van vertellers die ofwel affiniteit hebben met de machthebbers, ofwel met de onderdrukten. “Het presenteren van het slavernijverleden zegt uiteindelijk vooral iets over de bereidheid te praten over de sociaal-economische verhoudingen van toen, maar vooral van nu.”

Het vergt moed en wijsheid de pijn te erkennen, maar vooral er zonder eigenbelang en zonder oordeel over te spreken. Pas dan ontstaat ruimte voor een breder perspectief en een oprechte manier van samenleven.

maandag 3 februari 2014

Nieuwe editie El Negro en ik van Frank Westerman



Gouden Uil-winnaar El Negro en ik van Frank Westerman verschijnt ter gelegenheid van de Boekenweek 2014 (8 t/m 16 maart) in een nieuwe editie.

In zijn studententijd staat Frank Westerman in een Spaans museum oog in oog met een opgezette Afrikaan – El Negro. Wie is deze mens? En wie heeft zijn lichaam geprepareerd? De auteur volgt El Negro op diens omzwervingen van Parijs (1831) via Barcelona (1888) naar de Pyreneeën – waar hij tot 1997 stond tentoongesteld. Onderweg toont hij El Negro als spiegel van zijn tijd; aan naamloze zwarte die, genageld op zijn voetstuk, het Europese denken over slavernij, kolonialisme en racisme in een schrijnend licht plaatst. Al reizend stelt Frank Westerman zich de indringende vraag; wat zegt El Negro over ons, hier en nu?

Frank Westerman (Emmen, 1964) studeerde tropische cultuurtechniek aan de Wageningense universiteit. Hij was correspondent van de Volkskrant en NRC Handelsblad in Belgrado en Moskou. Als schrijver brak hij door met De graanrepubliek (1999), Ingenieurs van de ziel (2002), Ararat (2007), Dier, bovendier (2010) en Stikvallei (2013), waarvan binnen enkele maanden meer dan 20.000 exemplaren zijn verkocht. Zijn El Negro en ik (2004) is bekroond met de Gouden Uil Literatuurprijs.

Over  El Negro en ik:
El Negro en ik schittert omdat het zo subtiel is. Het verweeft het persoonlijk met het beschouwende. Het is een nooit eindigend verhaal dat graaft in een mensengeschiedenis en tegelijk vooruitblikt. Het is een moedig boek.’ – juryrapport Gouden Uil
Frank Westerman. Foto © Keke Keukelaar

Boekenweek 2014
De Boekenweek 2014 die plaatsvindt van 8 t/m 16 maart heeft als thema Reizen. Dit thema is Frank Westerman op het lijf geschreven en hij treedt dan ook op in diverse plaatsen:
5 maart, 19 uur boekhandel Paagman, Den Haag
8 maart, 20 uur boekhandel Boek en Koek, Maarn
9 maart, 15 uur bibliotheek Wageningen (onder voorbehoud)
10 maart, 15 uur bibliotheek Zoetermeer
11 maart, 20 uur, bibliotheek Loosduinen
12 maart, 20 uur, bibliotheek Middelburg
13 maart, 20 uur, boekhandel Jansen en De Feijter, Velp
14 maart, 20 uur, boekhandel Daan Nijman, Roden
15 maart, 20 uur, De Harmonie, Boek & Bal, Leeuwarden
16 maart, 15 uur, Literair cafe 'Schrievers aan de Hunze', Spijkerboor (Drenthe)

Frank Westerman, El Negro en ik | verschijnt 27 februari
Paperback | 256 pag. | ISBN 978 90 234 8931 3 | Verkoopprijs: ca. € 12,50
Ook verkrijgbaar als e-book