Posts tonen met het label Dewnarain Jerry. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dewnarain Jerry. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

De dichter en het woord

door Jerry Dewnarain

Bij uitgeverij In de Knipscheer is Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord verschenen, een multimediaal eerbetoon aan drie Surinaamse dichters: Trefossa, Shrinivási en Dobru.
In een opstel ‘Over nationale letterkunde’, gepubliceerd in Sticusa-Journaal van 1974 ontvouwde Albert Helman zijn visie op de vijf ontwikkelingsfasen in het ontstaan van een eigen literaire productie in de dekoloniserende landen. In de derde fase kenmerkt Helman de Surinaamse poëzie als volgt: ‘Er ontstaan sterker op het lokale milieu betrokken gedichten en echte streekverhalen en streekromans, al dan niet in de algemeen gangbare cultuurtaal of in een van de “vernaculars”. Gemakshalve worden beide taalsoorten (het Nederlands en het Sranan) vaak dooreengemengd, of opzettelijk, terwille van de lokale kleur, incidenteel of exclusief gebruikt. De gedichten zijn meest van lyrisch-protesterende aard of illustreren populaire slogans.’ De derde fase is de periode van eind jaren ’50 en de jaren ’60: veel protestliteratuur, volop ontplooiing van de volkstalen, verdieping in de historische anekdotiek. Voorbeelden hiervan zijn: ‘gronmama’ (Trefossa), ‘Suriname’ of ‘De dichter en het woord’ (Shrinivási) en ‘Holi Phagwa 1973’ of ‘geen plaats’ (Dobru).

Buste van Trefossa op de hoek van het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo.
Foto © Michiel van Kempen

Met andere woorden de periode 1957-1975 stond in het teken van het engagement met het volk, de strijdliteratuur en de nationale of nationalistische literatuur. Daarbij moet ook worden aangetekend dat deze periode verrassend veel werk opleverde dat meer dan een kwart eeuw later als gecanoniseerd zou gelden. Trefossa, Shrinivási en Dobru maken zeker deel uit van de Surinaamse poëziecanon. Dat bewijst ook de keuze van de dichters. Maar deze drie ‘groten’ zijn niet de enige grote Surinaamse dichters... er zijn er veel meer in dit poëzieland. In de inleiding van Cynthia Abrahams staat: ‘De gedichten zijn gekozen uit het werk van de drie meest geliefde dichters van Suriname, Trefossa, Shrinivási en Dobru.’ (p. 12) En Mavis Noordwijk zegt in een interview: ‘De manier waarop Trefossa typische Sranan-woorden en uitdrukkingen in zijn poëzie gebruikt, geeft een meerwaarde aan het Sranan. Hij is voor Suriname van buitengewoon grote betekenis zowel voor de literatuur als voor de cultuur geweest. Trefossa gebruikte in zijn vertalingen vaak beelden die aansluiten bij de Surinaamse belevingswereld’. (p. 28)

Shrinivási, april 2014
Foto © Michiel van Kempen
Shrinivási is de dichter die tegenstellingen overbrugt of met elkaar verzoent: die tussen het district en de stad of die tussen religies (hindoeïsme en christendom). Maar hij brengt ook talen bijeen, want hij schrijft in het Nederlands, Hindi, Sarnámi, wat hij steeds vergezeld doet gaan van een eigen vertaling in het Nederlands. Shrini is eigenlijk ook de dichter van ballingschap en vervreemding. Een terugkerend thema is de pijn van ballingschap en vervreemding. Het gedicht ‘Deháti’ uit Anjali is zo een voorbeeld (p. 48). Dobru is het Sranan-woord voor dubbel en is afgeleid van zijn initialen R(obin) R(aveles). Terugkerende thema’s in zijn werk zijn: vaderlandsliefde, het bekritiseren van sociale wantoestanden, de eenwording van het Surinaamse volk, liefde en armoede. Al in 1965 schreef hij zijn gedicht ‘Wan’ of ‘Wan bon’, geïnspireerd door het nationaal jeugdcongres dat in Paramaribo werd gehouden. Dit gedicht is intussen uitgegroeid tot het nationale gedicht en neemt in de multiculturele Surinaamse maatschappij een centrale plaats in (p. 76). De boom staat symbool voor Suriname en de bladeren voor de diverse bevolkingsgroepen in het land, dat één moet worden.

Saxofoniste Sanne Landvreugd speelt mee op de cd.
Foto © Michiel van Kempen
Kortom Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een mooie, informatieve en zeer creatieve uitgave waarin poëzie van drie stonfutu Surinaamse dichters Trefossa (Henny de Ziel), Dobru (R. Raveles) en Shrinivási (Martinus Lutchman) is verwerkt tot prachtige muziek op dvd. Dave MacDonald (singer/songwriter) componeerde muzikale gedichten die worden vertolkt door een groep artiesten, onder wie Desiree Manders, Claudio Ritfeld, Julya Lo’ko, Martin Buitenhuis, Zanillya Farrell, Raj Mohan, Sim’Ran, Norman van Geerke, Sarah-Jane Wijdenbosch en Sanne Landvreugd. Er is gestreefd naar een harmonieus samengaan van woord en muziek, een ‘blend’ van literatuur en muziek; zo verwoordt Cynthia Abrahams het in haar inleiding (p. 12). Het is ongetwijfeld een bijzondere manier van documenteren van de rijkdom van gemeenschappelijk Surinaams cultureel erfgoed. Ieder van de drie dichters heeft zijn eigen prachtig vormgegeven deel van het boek gekregen, met veel foto’s, informatie over hun leven en werk door kenners en uiteraard een keuze uit hun gedichten.

De invloed van de drie behandelde dichters op de Surinaamse literatuur is bijzonder groot. Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een sieraad voor elke liefhebber van de Surinaamse literatuur. Ook jongeren kunnen op een moderne manier kennis maken met dit muzikaal bewerkte culturele erfgoed en zelfs aangespoord worden werken van Surinaamse dichters te gaan lezen en deze creatief te gebruiken.
Cynthia Abrahams

Cynthia Abrahams, Hein Eersel, Geert Koefoed (samenstelling en inleidingen): Tiri fu den wortu ... di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord. Dobru, Shrinivási, Trefossa. Drie Surinaamse dichters op muziek gezet. Boek en dvd. Haarlem: In de Knipscheer i.s.m. IKO Foundation, 2014. ISBN 978 90 6265 852 7


De ondernemer-auteur Clark Accord

Waarom schreef Clark Accord niet over
homoseksualiteit?
door Christine F. Samsom

Afgelopen zondag, elf mei, was het alweer drie jaar geleden dat Clark Accord, de schrijver van een aantal spraakmakende boeken, op vijftigjarige leeftijd overleed. De stichting met zijn naam, de Clark Accord Foundation (CAF), die ongeveer een jaar na zijn dood onder voorzitterschap van zijn zus Mavis Accord werd opgericht, heeft de herinnering aan Clark levend gehouden en in die korte tijd veel werk verzet. Dat kwam tot uiting tijdens de lezing die de neerlandicus Jerry Dewnarain onlangs hield tijdens de ondernemersavond van de KKF en tijdens de Clark Accord-lezing door de zakenvrouw Karin Refos vier dagen later in Tori Oso.

Elke dinsdagavond worden in het KKF-gebouw lezingen georganiseerd die interessant kunnen zijn voor ondernemers. Jerry Dewnarain, secretaris van de CAF, heeft op zes mei met een powerpoint-presentatie duidelijk gemaakt dat het schrijven en publiceren van een boek of het opzetten van een stichting als de CAF net zo’n onderneming kan zijn als het opzetten van een bedrijf. Hij noemt de doelstellingen van de CAF: aandacht geven aan de literaire erfenis van Clark Accord en jongeren stimuleren om te gaan schrijven. Via de Clark Accord-lezingen, werkt de CAF aan het eerste doel. Het tweede doel probeert de foundation te bereiken door het organiseren van workshops creatief schrijven, presentaties op scholen, lesbrieven, literaire tours voor leerlingen en het houden van de ‘Clark Accord Sori Yu Talenti’-schrijfwedstrijd voor jongeren tussen vijftien en dertig jaar. De eerste wedstrijd resulteerde in 2013 in de bundel Het geheim van Ston Oso en andere verhalen, de titel ontleend aan het winnende verhaal van Hetty Amatodja die onlangs met nieuwe publicaties uitkwam.

Jerry Dewnarain. Foto © Michiel van Kempen

Jerry Dewnarain laat dan het leven van Accord de revue passeren: Als Clark na de middelbare school naar Nederland vertrekt, gaat hij verpleegkunde studeren en daarna visagie, een vak dat zich bezighoudt ‘met het accentueren van de sterke kanten van een gezicht en het camoufleren of corrigeren van de minder sterke kanten’, zegt de vrije encyclopedie ‘Wikipedia’. Is dat niet wat hij ook als schrijver zal toepassen en waaruit zijn ondernemerszin al blijkt? Jarenlang maakt hij als visagist furore in Wenen, de charmante hoofdstad van Oostenrijk en komt de modewereld hem tegen in vooraanstaande bladen als Marie Claire, Elle en Vogue. De koningin van Paramaribo, intussen vertaald in het Engels, Duits, Spaans en Fins, waarvan in 2011 de 31ste druk verschijnt. Dewnarain legt de nadruk op de keuze van Accord voor taboedoorbrekende en maatschappijkritische thema’s in zijn boeken: prostitutie in een preutse, schijnheilige samenleving in zijn eerste roman, een onmogelijk liefdesverhaal in het bos in Tussen Apoera en Oreala (2005) en gokverslaving in Bingo!, zijn derde roman (2007). Het kiezen van herkenbare, boeiende, uit het leven gegrepen thema’s en het gebruik van een eenvoudige, beeldende schrijfstijl verhoogt volgens Dewnarain het leesplezier, het aantal lezers en daarmee de verkoopcijfers, en is dat niet waar het ondernemers om gaat? Blijft één vraag bij mij hangen: waarom schreef Clark Accord - zelf gay - niet over homoseksualiteit om een ander taboe in onze samenleving te noemen?
Terug in Amsterdam legt hij zich via cursussen toe op de schrijfkunst en na veel onderzoek komt hij in 1999 uit met zijn debuutroman die al snel een groot succes wordt:


Op vrijdag negen mei herinnert de voorzitter van de CAF in haar inleiding het vooral jonge gehoor aan de lijfspreuk van haar broertje: ‘Kan niet bestaat niet!’ Osje Braumuller, bigiman fu Tori Oso, geeft aan, hoe Clark, als liefhebber van een bourgondische levensstijl én als ondernemer, heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van het culinair toerisme in Suriname. De monoloog, De gevallen vrouw bestaat niet, door Clark zelf geschreven en ooit uitgevoerd door Helen Kamperveen, wordt in Tori Oso prachtig vertolkt door Renate Galdij onder regie van Michael Austin. Zelfverzekerd, zakelijk, verleidelijk, leidt zij het publiek naar de keynote speech van Karin Refos die onder de titel ‘Jong ondernemerschap in relatie tot vrouwelijk leiderschap’ de Clark Accord-lezing verzorgt (in een outfit die Clark zeker zou zijn bevallen, als hij erbij was geweest). Met verve brengt Karin drie uitgangspunten naar voren voor de jonge schrijvers-in-spe die in spanning de uitslag van de ‘Sori yu Talenti’-wedstrijd nog even moeten afwachten. Voor succesvol ondernemerschap, ... en schrijven is ondernemen..., moet je een aantal zaken goed in de gaten houden: je moet ambitie hebben, de juiste attitude in de omgang met mensen en een goed financieel beheer. Daarnaast moet je maatschappelijk betrokken zijn en je ondernemerschap kunnen combineren met creativiteit. Je moet vasthouden aan je droom, spaarzaam zijn, discipline hebben, je kennis willen vergroten en vooral’... je moet hard werken! KAN NIET BESTAAT NIET! 

Souvenir van een verleden

Poelepantjebrug Paramaribo
door Jerry Dewnarain

‘Ik probeer zo waarheidsgetrouw mogelijk te zijn, zodat de historische waarde ervan niet verloren raakt’, schrijft Tjait Ganga in de inleiding (episode 1) van zijn boek dat eind april 2014 uitkwam. Ganga’s boek Souvenir van een verleden. Autobiografische verhalen omvat persoonlijke herinneringen vanaf de vooroorlogse jaren tot het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. Het is belangrijk dat Ganga zich bewust is van de noodzaak om zijn herinneringen juist weer te geven, want levensverhalen zijn wetenschappelijk ‘lastig’, ze zijn subjectief en gekleurd. Ter voorkoming van de valkuilen ‘subjectiviteit’ en ‘gekleurde bril’, dienen deze altijd gecheckt te worden. Bovendien moeten ze in een context geplaatst worden. Verifiëren en vergelijken kan dus door middel van ‘harde middelen’, zoals kranten, archieven en internet. Bovendien zullen de oudere lezers van dit boek vaak Ganga’s herinneringen herbeleven. Mijn moeder is zo een voorbeeld. Ze is ongeveer tien jaar jonger dan Ganga en heeft het boek met plezier gelezen. Zij vindt de herinneringen van Ganga herkenbaar en deze zijn nostalgisch. Als meisje van de Koningstraat en zelf ook ex-onderwijzeres herkent zij vele episodes die in het boek zijn beschreven.

Souvenir van een verleden is een egodocument. Egodocumenten zijn documenten over persoonlijke gebeurtenissen en levenservaringen. Het begrip is een verzamelterm om autobiografieën, memoires, dagboeken, persoonlijke brieven en dergelijke teksten mee aan te duiden, kortom, alle teksten waarin de auteur schrijft over eigen handelen en gevoelens. De nadruk wordt gelegd op het ego, het ik, dat de kern van het egodocument uitmaakt. Deze definitie maakt ook duidelijk dat de auteur het egodocument bewust creëert met een welbepaald motief. Dit motief is het overbrengen van zijn verhaal om anderen zowel te informeren als te beïnvloeden. Wat is het historische belang van Ganga’s persoonlijke herinneringen oftewel het documenteren van gewone mensen in het recente verleden?
Houten woningen van Brits-Indische contractarbeiders

Er zijn weinig schriftelijke bronnen over gewone mensen. In archieven is materiaal te vinden ‘over’, maar nooit ‘door’ de gewone man. Levensverhalen bieden een menselijke maat om processen, die het verstand vaak te boven gaan, te kunnen begrijpen. Ze bieden ook mogelijkheden om grote zwart-wit tegenstellingen te nuanceren, zoals de horrorverhalen uit de dertiger en veertiger jaren te Baka Crepy (episode 3) of over liefde en huwelijk (episode 14), enzovoort. Via levensverhalen kom je dichter bij de ‘grote geschiedenis’. Herkenning en empathie daarvoor kunnen daardoor tot stand komen. In het onderwijs kun je jongeren hiermee sneller bij de officiële historie betrekken. Een voorbeeld: ‘De toenmalige minister van Onderwijs de heer drs. Ronald R. Venetiaan heeft tijdens zijn twee ambtsperioden alles in het werk gesteld om dat nobele doel [van onderwijsvernieuwing] te bereiken... het is goed om deze [en andere] namen te vermelden, aangezien deze schoolbegeleiders van het eerste uur, het land hebben doorkruist om de nieuwe curricula op alle basisscholen te implementeren. Het model van de Didaktische Analyse heeft zeker het didaktisch handelen van leerkrachten verbeterd!’ schrijft Ganga. (pp. 193-194)

Van mijn vader hoorde ik zo vaak de verhalen over de ‘Poerpangie-broki’ waar mijn grootvader uit Saramacca aan het begin van de vorige eeuw landbouwproducten verkocht. Ganga schrijft het volgende over deze brug: ‘De Poelpantje brug was de belangrijkste verbinding tussen Paramaribo en Para pasie, Domburg, Paranam, en de rest van het binnenland. Deze brug was een ijzeren ophaalbrug die, zo ver mij bekend, door de Amerikanen was gebouwd. Deze brug over de Domineekreek is in de historie bekend als “Poerpangi-broki”.’ (pp. 106-107) Een foto van deze brug staat op pagina 107. Het is jammer dat Ganga niet over de economische activiteiten rondom de Poerpangi-broki vertelt. Hindostaanse landbouwers uit Saramacca voeren enkele dagen over de Saramaccarivier en het Saramaccakanaal om uiteindelijk hun producten op ‘Poerpangi’ (Domineekreek) te verkopen. Zij raakten bevriend met hun creoolse klanten en vaak genoeg overnachtte mijn grootvader ook bij deze creoolse broeders totdat hij zijn producten had verkocht. Toen al begon de verbroedering en samenwerking tussen de hindostanen uit de districten en de stadscreolen!

Souvenir van een verleden is onderverdeeld in 29 episoden. Bij het lezen van het boek snap ik waarom Ganga niet kiest voor hoofdstukken maar voor episoden. Elke episode staat op zichzelf en zou als het ware een aflevering van een soap- of tv-serie kunnen zijn. De foto’s verduidelijken het verhaal en sommige zijn waardevol voor de Surinaamse geschiedenis, zoals de foto van de brug over de Domineekreek (zie ook omslag van het boek). Het boek leest prettig en is zeker een aanwinst die onder meer het leven schetst van personen en een beeld geeft van bepaalde delen van Paramaribo en districten, met name ook Nickerie en de zeereis ernaartoe, enkele decennia lang van de vorige eeuw, bekeken vanuit het vertelperspectief van Tjait Ganga.

Tjait Ganga: Souvenir van een verleden. Autobiografische verhalen, 244 pp. Paramaribo, 2014. ISBN 978-99914-7-287-4


zaterdag 10 mei 2014

Clark Accord Foundation Para-tour 2014

Jerry Dewnarain
Foto © Michiel van Kempen
door Jerry Dewnarain

Op 16 april 2014 is de Clark Accord Para-tour gehouden met ruim 30 studenten van  verschillende  middelbare scholen. Er werden diverse activiteiten ontplooid met de studenten. In dit artikel wordt de nadruk gelegd op de literaire activiteit van de Para-tour. Deze tour werd georganiseerd door de Clark Accord Foundation Suriname. Het doel van deze tour was onder andere literatuur op een ‘andere’ manier te beleven dan die in het traditionele onderwijs wordt ervaren. In de klas worden studenten doodgegooid met literaire begrippen zoals thema’s, motieven, verteltijd, vertelde tijd, flashbacks, leidmotief, vooruitverwijzing etcetera. Stukjes fragmenten uit boeken worden door de docent gekozen en voorgelezen in de klas. Of de studenten de fragmenten werkelijk herkennen en zich er een beeld van kunnen vormen, is vaak moeilijk te bewijzen, omdat de beleving of herkenning niet aan de student zijn expressie te merken is. Ook kunnen zij tijdens de boekbesprekingen geen goede mening vormen over een boek, want – we komen weer op hetzelfde punt neer – zij herkennen de inhoud van het boek niet of ze beleven het verhaal niet rechtstreeks.

Bij de Para-tour werd niet de nadruk gelegd op de schoolse literaire mechanismen. Centraal stond de leeservaring (de beleving van het verhaal) en met name de herkenning van de inhoud van een van de literaire werken van Clark Accord. Tijdens de tour werd zijn laatste roman Plantage d’Amour die postuum is uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar (2011) belicht. De meeste studenten hadden deze roman gelezen en de ruimte, oftewel de plaatsen die in dit boek zijn beschreven, werden tijdens deze tour zoveel als mogelijk aangedaan.
Het verhaal speelt zich af, zoals de titel dat ook aangeeft, op plantage d’Amour in de Para. Deze plantage is echter niet aangedaan vanwege de slechte staat van de weg die leidt naar d’Amour. Maar plantage Berlijn is wel bezocht. Deze oude plantage vervult immers een belangrijke rol in het verhaal over Kenneth Campbell, de hoofdfiguur. Deze Campbell is al zevenentwintig jaar niet in Suriname geweest. Nadat zijn relatie een fiasco is geworden, omdat zijn vriendin geen kinderen van hem wil, vindt hij dat de tijd rijp is om terug te gaan naar zijn geboorteplaats. Back to the roots, naar plantage Berlijn. Hier leert hij de exotische Nadira kennen, die met hem de geheimen van zijn familie ontrafelt. Niet alleen Nadira’s schoonheid blijkt onweerstaanbaar, maar ook de drang zijn bloedlijn voort te zetten en het roemrijke plantageverleden van zijn familie herleeft in deze roman. En dit gevoel wilde de Clark Accord Foundation  met de jongeren delen. Hoe werd dat gedaan?
Clark Accord

Er werd een lesbrief ontwikkeld waarin het verhaal, de tekst, centraal stond. De tekst kwam tot leven door gebruik te maken van didactische werkvormen zoals muziek en drama! Vaak hebben volwassen geen flauw idee hoeveel kracht zit in deze twee expressievormen die jongeren leuk vinden. Zo was Clark Accord dol op de muziek van onder andere Papa Touwtjie. Toen de studenten de bus instapten draaide de muziek van Papa Touwtjie in de mooie grote bus. Voor sommigen was de muziekkeuze een verrassing, omdat deze zanger bekend staat om zijn opzwepend en vulgair taalgebruik in zijn liedjes. Maar Touwtjie heeft ook vele mooie ‘nette’ liederen gezongen. ‘Son ten’ is er een van en dit lied werd afgedraaid. De sfeer zat er goed in bij de jonge studenten. Iedereen werd wakker en enkelen zongen zelfs mee. Op Para werd een korte stop gemaakt bij de Coropinakreek. De kreek heeft een functie in het boek. Deze functie moesten de studenten zelf achterhalen! Het duurde niet lang en het antwoord werd gegeven, omdat zij de ruimte hadden herkend: ‘De kreek stroomt door naar plantage Berlijn waar je ook lekker kan zwemmen!’

De tweede stop werd gemaakt bij de internationale luchthaven te Zanderij. De bus stopte langs de weg pal naast de landingsbaan (richting Berlijn), omdat hoofdstuk 1 van het boek begint met de vliegreis die de hoofdfiguur maakt naar Suriname. Hij zit in het vliegtuig en Accord beschrijft de gevoelens van de Kenneth Campbell vlak voordat het vliegtuig landt. Er wordt een kort fragment gelezen over wat er allemaal in het vliegtuig gebeurt kort na de landing. De studenten zien naast zich de uitgestrekte landingsbaan en de Zanderij-savanne. Naast Campbell zit een mevrouw, een medepassagier die ietwat zenuwachtig is en aan de SLM-vliegramp denkt. Ze raken in gesprek, want opeens zwenkt het vliegtuig naar een kant. ‘De vrouw grijpt mijn hand. Waaai! Mi masra! Mi Jezus Mijn Heer, mijn Jezus’!, gilt ze. Het toestel is terug in de normale stand. “Ik vlieg niet graag”, verontschuldigt ze zich. Snel keer ik mijn gezicht naar het raam. De aarde is nu angstaanjagend dichtbij. Inheemse dorpen liggen kriskras door elkaar alsof zij door een enorme hand zijn uitgestrooid. We vliegen rakelings over de daken van gedroogde palmbladeren op houten palen. Uit het niets doemt de grens tussen de natuur en maakbaarheid op: glooiend witte zandvlakte vloeit over in strak grijs asfalt. Fel licht markeert de landingsbaan. Ondanks het tijdstip lonken de lampen langs de baan uitnodigend naar de hemel.’  De lezer van het fragment stopt met lezen van dit fragmentje en laat de tekst even tot de luisteraars doordringen, zodat zij de tekst kunnen verwerken door deze te herkennen! Niet ver van de stopplaats van de bus zien wij het inheemse dorp Hollandse Kamp… . wat is het nut geweest van het lezen van dit fragment? De studenten zaten vol aandacht te luisteren naar de tekst en keken ook naar buiten tijdens de wenkjes van de lezer. Voor een heel kort moment waren deze buspassagiers in de huid gekropen van Kenneth Campbell en beleefde heel kort een ‘fictieve’ landing! Een mooie manier om tekst dichter bij studenten te brengen waardoor zij die tot zich maken door deze te ervaren en te beleven! En zo ging het door : plaatsen waar gestopt werd, werden in contact gebracht met het verhaal.

Coropinakreek. Foto © Emielnl


Mening van vwo-studente Annenia Emanuels, 17 jaar
 De trip naar de Para voelde aan alsof het boek tot leven kwam. Het leek alsof het verhaal van het boek op een of ander manier werd gefilmd. Ik zag plantage Berlijn en de kreken. Bij de Coropinakreek bijvoorbeeld kon ik mij een duidelijke voorstelling maken hoe de hoofdfiguur Kenneth Campbell samen met zijn chauffeur zijn gezicht waste als teken van zijn komst naar Suriname. Op Berlijn zag je dat blauwe huis waar Clark zijn verhaal schreef, de kerk in het centrum van het dorp. Kortom alles wat Accord verteld heeft in het boek kon je je verbeelden. Ik kon zo Accords liefde voor zijn geboorteland ook voelen.


zaterdag 12 april 2014

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoelt vind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. Ze gebruikt verschillende stijlen en daarom is het voor mij een reisverslag. Door haar manier van verslag doen, goed gedocumenteerd, krachtig van observatie, en opgesmukt met een veelheid aan ontluisterende details weet Ellen Ombre de lezer veel duidelijk te maken omtrent haarzelf. Ze voert de lezer mee naar een zeereis op een vrachtschip met alleen maar mannen. Als sterke en zelfbewuste vrouw bereikt ze haar bestemming: Benin.
Ombre kent het gebied van een vorige keer. Ze verbleef er enkele maanden tijdens haar bezoek aan een bevriende Nederlandse arts die zich daar tijdelijk samen met haar man had gevestigd. Ombre veegt de vloer aan met tal van even goedbedoelde als mislukte ontwikkelingsprojecten, analyseert de moeizame verhoudingen tussen Afrikanen en westerse hulpverleners, toont de treurigheid van zwarte Amerikanen op zoek naar hun Afrikaanse roots en beschrijft - mede aan de hand van herinneringen aan haar jeugd in Suriname - een deel van haar eigen (familie)geschiedenis.

Voodoo-danser in trance in Quidah, Benin. Foto © Kwekudee


In totaal was Ombre drie maanden weg. Eerst tien dagen op zee. De reis per schip ervoer ze als heel prettig. Ze kon zich langzaam voorbereiden op waar ze heen ging. Bovendien werd ze verzorgd; de maaltijden kreeg ze op tijd en dat voortdurende heen en weer wiegen was voor haar heel behaaglijk. ‘Het is alsof je niet gek bent en toch bent opgenomen in een rusthuis. Ik was de enige passagier op een groot vrachtschip. Daardoor kon ik redelijk anoniem blijven, want de andere mensen aan boord moesten gewoon hun werk doen en dat geeft een enorme afstand, die ik overigens zeer waardeer. Als passagier kun je bijvoorbeeld samen met de officieren eten, maar ik wilde dat niet. Ik vind gezamenlijk eten nogal intiem, het ligt heel dicht bij andere vormen van intimiteit en dat wilde ik vermijden. Die boot bleek volgeladen met allerlei rotzooi. Oude auto's, oude computers tot en met koelkasten die vol zaten met cfk’s. Ik had weleens horen mompelen dat Afrika de chemische dumpplaats van Europa was, maar ik had niet verwacht daar zo direct mee geconfronteerd te worden. Dat ik in Benin en dus aan de Slavenkust terechtkwam, was echt toeval. Als die kennis van mij die ik jaren geleden heb opgezocht niet naar Benin maar naar Kenya was uitgezonden, was ik waarschijnlijk daarheen gegaan’, vertelt Ombre aan verslaggever Marja Vuijsje in april 1996. (http://www.opzij.nl)

Voodoo-markt Abomey, Benin. Foto © Kwekudee

Wat Ombre in eerste instantie bezighield was ontwikkelingssamenwerking. Ze was geboeid door het feit dat er al zolang Nederlandse hulpverleners naar Benin gingen. In een voorlichtingsboekje las zij dat er een directe relatie was tussen die ontwikkelingshulp en het feit dat Benin na de treinkapingen in de jaren zeventig een aantal Molukse nationalisten had opgenomen. Dus wilde zij onderzoeken wat er van die hulp terechtkwam. Maar deze interesse kwam ook vanwege Suriname natuurlijk. Hier maakte ze zelf mee hoe een land van het ene vijfjarenplan naar het volgende tienjarenplan voortsukkelde. Haar bezoek aan Quidah was dus niet zozeer bedoeld de plek te zien waar vandaan misschien ook een aantal van haar voorouders naar Suriname werd gebracht.

Reisverslagen zijn sinds de koloniale expedities en ontdekkingsreizen in de zestiende eeuw onlosmakelijk verbonden met een autobiografische ik-verteller die zich op onbekend terrein begeeft. Deze ik-verteller en hoofdpersoon is heldhaftig en avontuurlijk en de hoofdpersoon krijgt als het ware ‘mannelijke’ eigenschappen. De onbekende oorden waarheen gereisd wordt, worden vaak beschreven als van verlangen in klassiek vrouwelijke termen zoals schoonheid. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben feministische literatuurwetenschappers in Amerika en in Engeland een groot aantal reisteksten met vrouwelijke ik-verteller/reiziger belicht. Vergeten negentiende-eeuwse reisteksten van vrouwen werden herontdekt en uitgegeven. Voor Suriname is bijvoorbeeld belangrijk het reisverslag van Elisabeth van der Woude (1657-1698). In haar Memorije van ’t geen bij mijn tijt is voorgevallen beschreef Elisabeth van der Woude haar reis naar Guyana, de Wilde Kust, in 1676 en 1677. Als 19-jarige verliet zij het vaderland om samen met haar vader, broer, zus en honderden anderen een kolonie te stichten aan de rivier de Oyapoc in het huidige Frans-Guyana. Een expeditie die al snel op een mislukking uitliep. Een half jaar na aankomst keerde Elisabeth alweer terug in haar geboortedorp Nieuwe Niedorp. Haar vader en zus waren overleden, haar broer was achtergebleven in de West. Zelf werd Elisabeth op haar thuisreis enige tijd gevangen gehouden door de beruchte Duinkerkse kaperkapitein Jean Bart. Het opmerkelijke en intrigerende verslag is onderdeel van een kroniek die zeventig jaar beslaat. In een boekje in zakformaat beschreef Elisabeth van der Woude familieaangelegenheden, plaatselijk nieuws, maar ook (inter)nationale gebeurtenissen.

Kim Isolde Muller studeerde af op de Memorije van Elisabeth van der Woude. Haar speurtocht naar de historische context leverde interessante informatie op. Niet alleen Elisabeth en haar familie kregen zo meer gestalte, ook over de reis naar Guyana werd bijzonder materiaal gevonden wat voor Surinaamse literatuurwetenschappers en historici heel belangrijk kan zijn. (http://www.dbnl.org)
Gravure uit Posts Reinhart

Een ander voorbeeld van een bijzonder reisverslag is van Maria Elisabeth Post (1755-1812). Zij schreef onder andere De negerslaaf als goede wilde en Reinhart, of natuur en godsdienst.
Reinhart of natuur en godsdienst (Amsterdam, 1791-92), een roman, is gedeeltelijk een bestrijding van de slavernij, gedeeltelijk echter ook een verdediging van de goede slavenmeester. In het levensverhaal van Violet, de eerste slaaf van haar held Reinhart, treffen wij het klassieke beeld van de goede wilde aan. De roman Reinhart werd geschreven naar aanleiding van het verblijf van haar broer H.H. Post in Guiana. Hij bezat waarschijnlijk een plantage in Demerara. (Zie H.D. Benjamins, ‘Oude verdichte verhalen over Guiana’, in de ‘West-Indische Gids’, jrg. VII (1925/26), pp. 17-30, [en zie potverdrie vooral het proefschrift van Bert Paasman – red. CU].) Reinhart beschrijft met afschuw de slavenhandel en slavernij op de plantage, tijdens een reis in het binnenland geeft hij nauwgezet het leven van de Indianen weer, enigszins geïdealiseerd in de geest van de goede-wilde-traditie. Opvallend is het hoe de woeste, tropische natuur en het landschap, met flora en fauna, tot leven gewekt wordt. Vanuit haar stad Arnhem vertoefde de auteur in haar verbeelding in het moerassige Wildekustgebied, de savannen en de door de rivieren doorsneden oerwouden - haar geheel onbekend.

De verhalen van ontdekkingsreizigers en missionarissen wekten grote beroering onder de Europese geleerden. Daarin werd verhaald van onbeschaafde, heidense wilden, die een veel gelukkiger leven leidden dan de beschaafde, christelijke Europeaan. Men trok in de 18de eeuw de voor de hand liggende conclusie: de beschaving is de bron van alle kwaad, retournons à la nature. Dit bracht grote veranderingen in leven en streven van het 18de-eeuwse Europa. Ook in de literatuur: de belangstelling der schrijvers werd gericht op de primitieve mens in het tropische decor. Eerst vooral op de Indianen. Langzamerhand was het onvermijdelijk, dat ook de neger en dus de negerslaaf deel kreeg aan de Europese mythe van de goede wilde. Een vroeg voorbeeld is de bekende 17de-eeuwse roman van Aphra Behn: Oroonoko, or The royal slave, waarin de held een Surinaamse slaaf is. Het spreekt vanzelf dat men moeilijk in de slavernij kan blijven geloven, wanneer de slaaf als goede wilde (als voorbeeld voor de verdorven Europeaan) beschouwd wordt. Dit verhaal vormt dan ook tevens een kroniek van de vroegste geschriften tegen de slavernij.

Een jonge odysseus & El Negro en ik

door Jerry Dewnarain

De Rotterdamse schrijver, danser, reiziger en NRC-columnist Raoul de Jong (1984) reisde op zijn negentiende maanden alleen door Afrika, maakte een pelgrimstocht naar Rome en verbleef op zijn eenentwintigste drie maanden in New York met slechts vijftig dollar. Hij reisde enkele jaren met de trein, bus of per vliegtuig heen en weer tussen zijn woonplaats Rotterdam en die van zijn moeder, Marseille in Frankrijk. Op een dag besloot hij die afstand op eigen benen af te leggen. Letterlijk en figuurlijk, omdat hij vond dat reizen met het vliegtuig hem niets spannends opleverde. Met Google Maps, Ryan Air en Wikipedia kreeg Raoul het gevoel dat hij alles met één druk op de knop kon bereiken. Ongetraind en onvoorbereid vertrok hij in de zomer van 2012 vanuit Rotterdam voor een wandeling van twaalfhonderd kilometer naar Marseille. In november 2013 verscheen zijn boek De grootsheid van het al over zijn wandeltocht en zijn zoektocht naar geluk. Tijdens zijn tocht wordt hij ook vergezeld door vrienden en medewandelaars. Samen beleven zij heel wat spannende avontuurtjes, zoals de Griekse held Odysseus uit de Ilias en de Odyssee van Homerus die ook beleefde. Het verschil is wel dat Raoul niet op oorlog ging maar op avontuur en als avonturier ook erg geniet van de plaatselijke bevolking en haar eten. ‘La gourmandise, ik zou zeggen: alles wat mooi is aan het leven in een pot alcoholische besjes gestopt, maar het is: lekker eten. Dat is voor iedereen anders, voor Virginie zijn het bijvoorbeeld twintig jaar oude beschimmelde kaasjes. Voor mij is het de zelfgemaakte dessertwijn van Hélène. Die we met een beetje geduld ook gewoon in onze koude Nederlandse keukens kunnen maken.’ (p. 226). Het komt niet vaak voor dat jonge reizigers in hun reisavontuur het hebben over eten. Dit boek is zonder twijfel een leuke expeditie die ooit heeft plaatsgevonden van een jongeling als Raoul. En het verslag daarvan is een serie verhaaltjes die grappig of ontroerend zijn, of allebei, die ik met plezier heb gelezen. Tenslotte komt de jonge Odysseus ook tot de conclusie dat iedereen aardig is, overal. Iedereen heeft een verhaal, iedereen is interessant en van iedereen kun je houden, dat is wat hij uit zijn reis begreep. ‘We zijn allemaal familie. En wat we allemaal het liefste willen is samenzijn. Het enige wat je hoeft te doen om dat te merken is kenbaar maken dat dat zo is voor jou.’ (p. 277).
Raoul de Jong: De grootsheid van het al. Een hedendaagse odyssee; 286 pp.; illustraties: Elizabeth Tomasetti. Amsterdam: De Bezige Bij, 2013. ISBN 9 789023 483205


Een ander interessant boek over reizen is El Negro en ik van Frank Westerman. Dit boek verscheen in 2004 en is onlangs heruitgegeven. De schrijver komt door een reis in Noord-Spanje in contact met het opgezette lichaam van een zwarte man. Deze neger blijft hem fascineren. Wie was hij? Waar kwam hij vandaan? Wie heeft hem geprepareerd? Het leek een obscure vondst die Westerman in december 1983 deed. Lifterstoeval bracht hem in het kleine natuurhistorische museum van Banyoles, honderd kilometer boven Barcelona, waar hij oog in oog kwam te staan met de opgezette neger. Op het voetstuk omschreven als ‘bosjesman uit de Kalahari’, ‘El Negro’ genoemd. Het boek kan geclassificeerd worden tot  literaire non-fictie. Literaire non-fictie bevat slechts gegevens uit de werkelijkheid, in principe wordt niets door de auteur verzonnen, hij houdt zich bij de feiten. Tegelijkertijd bedient hij zich van literaire middelen waar het de vormgeving betreft: zinsbouw, beeldspraken, structuur van het boek. In een andere aflevering zal dit boek uitgebreid besproken worden.

maandag 7 april 2014

Louis Couperus, een Nederlandse schrijver met Surinaamse trekken

Jerry Dewnarain
Jerry Dewnarain, redacteur van de Ware Tijd Literair,  is literatuurdocent aan de bacheloropleiding van het IOL in Paramaribo. Met zijn studenten heeft hij een voorstelling in elkaar gezet over de Nederlandse schrijver Louis Couperus (1863-1923). We zagen de voorstelling op 26 maart in Tori Oso. Zwarte magie was een belangrijk thema. Zeer herkenbaar voor Suriname.  Behalve Louis Couperus kwamen nog twee auteurs die over ‘zwarte magie’ schreven aan bod: Goena Goena (1889) van P.A. Daum en Ismene Krishnadath met haar roman Satyem (1995), over een vrouw die in 1917 vanuit Java naar Suriname komt en zich redt met heksachtige streken. Ook in Goena Goena is een heksachtige vrouw een belangrijk personage. Zij verstaat de kunst om doelen te bereiken voor mensen middels de traditionele Javaanse geestenwereld. Het leuke aan de voorstelling is dat de uitgebeelde passages - vooral die uit Couperus’ werk - welke zo ver teruggaan in de tijd, helemaal in de Surinaamse sfeer gebracht werden, de heks sprak zelfs een heksachtig Sranan.

door Jerry Dewnarain

Wat Madame Bovary is voor de Franse literatuur, is Eline Vere voor de Nederlandse. Louis Couperus (1863-1923) is een van de grote Europese schrijvers van het fin de siècle. Hij is, zou je kunnen zeggen, de Nederlandse tegenhanger van Flaubert. Hij werd in die tijd veel vertaald. In Engeland was hij zeer populair, en ook in het Duits is hij vertaald, al tijdens zijn leven. Hedendaagse schrijvers zien in hem een voorbeeld. Ik geloof dat er weinig zichzelf respecterende auteurs zijn die niet een aantal romans van Couperus hebben gelezen, om van hem de kunst af te kijken. Hij is een reus op wiens schouders veel moderne auteurs staan. Qua stijl was Couperus een typisch negentiende-eeuwse verteller, maar zijn romans zijn moderner en onderscheiden zich door psychologische diepgang, een grote variatie van thema’s en levendige dialogen. Hij had de gave om zijn personages in enkele pennenstreken te karakteriseren. Met name in De stille kracht. Dat is toch wel zijn meesterwerk. Daar komen personages in voor die nog steeds je buren of familieleden zouden kunnen zijn. Als je dat boek leest, denk je, o ja, dat is die en die, en die zou zoals dat personage kunnen reageren. Dan heb je helemaal niet het gevoel dat het honderd jaar geleden speelt, want iedereen in Suriname weet wat wisi, voodoo of zwarte magie is. Dit hebben de bachelorstudenten op woensdag 26 maart aan het publiek proberen duidelijk te maken: dat literatuur universeel is en dat Suriname niet uniek is.

Louis Couperus


Zijn grote romans lezen als soapopera’s avant la lettre. Daarbij was Couperus een veelzijdig en buitengewoon productief schrijver. Hij begon als dichter, dat is niet helemaal je van het.
Daarna kwam hij met Eline Vere en een aantal Haagse romans. Met zijn romandebuut (1889) stal de Haagse dandy de harten van zijn lezers. Wat Flaubert over zijn heldin zei (‘Emma Bovary, c’est moi!’), had Couperus met evenveel recht over de zijne kunnen zeggen: ‘Eline Vere, dat ben ik!’

Hij schreef ook sprookjes en een serie koningsromans over een fictief rijk. Dat waren eigenlijk actuele romans waarin hij schreef over wat een koning kon overkomen in de periode dat anarchisme en socialisme opkwamen. Couperus was heel gevoelig voor modieuze tendensen. Van oudsher wordt de stilistische brille van Couperus bewonderd. Hij schreef heel effectief en tegelijk in een licht geparfumeerde stijl met weelderige krullen. Je ziet in één oogopslag dat je Couperus leest. En niet Marcellus Emants, Lodewijk van Deyssel of een andere tijdgenoot. Je slaat een boek open en weet gelijk: dit is Couperus. Hoe komt dat? Dat is wat de liefhebbers natuurlijk zo geweldig aan hem vinden, maar dat maakt hem soms ook ontoegankelijk voor jonge mensen. Couperus kan ellenlange zinnen maken met veel komma’s en soms moet je vier, vijf regels zoeken naar het onderwerp. En niet iedere jonge lezer heeft het geduld om dat op te brengen.
De thematiek is natuurlijk actueel. Ik wijs mijn studenten daar wel eens op, op de funeste invloed van bijvoorbeeld de roddel, zoals in het Haagse milieu van toen. Dat kun je bijna vergelijken met het cyberpesten van tegenwoordig. De uitsluiting van iemand, de valsheid en de kleinheid van de zielen. Wat dat met iemand kan doen. Je kunt het moeiteloos naar nu doortrekken.


zaterdag 29 maart 2014

‘Anansitori zijn niet bedoeld voor kinderen’

Gerrit Barron
Interview met Gerrit Barron

door Jerry Dewnarain & Christine F. Samsom

... een opmerkelijke uitspraak aan het eind van ons interview met de kinderboekenschrijver Gerrit Barron. ‘Anansi is een oplichter, een dief. De tori over hem werden/worden verteld door volwassenen op onder andere ded’oso en zijn bedoeld als agersitori.’ We staan op het punt Tori Oso te verlaten na een twee uur durend interview waar de twee redacteuren van de Ware Tijd Literair hebben geluisterd naar de woordenstroom van deze bekende Surinamer-in-hart-en-nieren.

Vorig jaar vierde Gerrit Barron zijn veertigjarig schrijversjubileum. Wat heeft hem gestimuleerd om schrijver te worden? We hoeven ons interview niet te beginnen met de vraag: ‘Wie’s je vader, wie’s je moeder?’ Hij begint zelf te vertellen: ‘Schrijver word je niet zomaar. Het heeft alles te maken met je wordingsgeschiedenis. De ervaringen om je heen hebben je beïnvloed.’


Hij werd in 1951 geboren in Moengo in een gezin van elf kinderen uit Coroniaanse ouders, met voorouders uit onder andere India en St. Lucia. Zijn vader is werkzaam bij Suralco als security guard en in zijn vrije tijd als landbouwer. Gerrit woont als tiener midden in de ‘apartheid’, de klassentegenstellingen in het bauxietstadje Moengo van de jaren zestig. Daar vertelt hij indringend over. Met het verzet daartegen is zijn nationalistische kijk op de Surinaamse samenleving begonnen. Na het mulo - waar hij kennis maakt met het werk en de persoon van Dobru en waar hij zich al bezighoudt met het schrijven van gedichten, maar ook met toneel, dans en voordracht - vertrekt hij naar de stad om op het Algemeen Pedagogisch Instituut (API) voor onderwijzer te studeren. Hij maakt de grote stakingen van 1973 mee met als dieptepunt de dood van de vakbondsman Abaisa en publiceert in dat zelfde jaar zijn eerste gedichtenbundel, Falawatra.

In 1974 vertrekt hij naar Nederland, haalt er zijn hoofdakte en werkt als remedial teacher. Veel gezinnen verlaten in die tijd vóór de onafhankelijkheid Suriname. Hij merkt hoe de Surinaamse kinderen worstelen met het onderwijs in Nederland. Er zijn geen boeken voor hen. Voor het eerst komt het idee bij hem op om boeken te gaan schrijven voor het Surinaamse kind.


Toch debuteert Barron met poëzie voor volwassenen: Falawatra (1973), Bloeddruppels op mijn kussensloop (1975) en Surinamensje in powesi (1977). Na terugkeer in 1977 komt hij het volgende jaar uit met zijn eerste kinderboek, Een lach en een traan, mede geïnspireerd door de regisseur en poppenkastspeler Henk Zoutendijk. Sinds 1978 schrijft hij voor kinderen en wordt de meest gelezen auteur van Suriname. Een lach en een traan (1978) gaat over het alledaagse leven van kinderen in een gezin, maar Barron beschrijft het verhaal met pedagogisch vermanende vinger, zoals eigenlijk in al zijn kinderboeken te merken is. Het gezin bestaat uit vader Johan, hindostaan, moeder Thea, creoolse (wat nadrukkelijk vermeld wordt) en hun vier kinderen: een meisje van zeventien, drie jongens van respectievelijk vijftien, elf en tien. De jongsten, Harold en Kela, zijn nogal eens ondeugend en halen allerlei kattenkwaad uit. Maar alles komt steeds weer goed, want het is een leuk gezin en bij de Soravasinghs ‘wordt er meer gelachen dan boos gekeken.’

Titri en Toto (1979) is voor kinderen van de laagste klassen die net hebben leren lezen. Het is een verhaaltje over aka, Surinaamse roofvogels. Barron wil hiermee zijn jonge lezers ook bewust maken van de flora en fauna van Suriname. Via de Stichting Kinderkrant verscheen Bij Anoekoe in het dorp (1980). De twee jongens uit Een lach en een traan, Harold en Kela Soravasingh, gaan in het Surinaamse binnenland logeren en beleven er allerlei avonturen. Het is een vlot leesbaar verhaal van 31 bladzijden. De overzichtelijke bladspiegel, de duidelijke letter en niet het minst de tekeningen van Paul Woei maken dit boek aantrekkelijk voor kinderen. Er gingen meer dan 20.000 exemplaren van over de toonbank van winkels naar scholen.

Een boek voor wat oudere kinderen is Barrons Kamla en de vergulde man (1981). Oom Tapi vertelt een fantastisch verhaal aan Kamla en Astrid over de indianen en hun hoofdman Lindo - een vergulde man - en de witte veroveraar Jan Pieter Jansen. De koning is er nog steeds maar heeft zich onzichtbaar gemaakt. ’s Nachts droomt Kamla. Ze wil Lindo zoeken en wordt geholpen door de bakru (geest) Kimpo en heel wat dieren als sneki, owrukuku, aboma, anyumara, aasgier en schildpad.

Avonturen van Kira en Kisa (1984) is bedoeld voor kleine kinderen. In het bos krijgt een kapasi (gordeldier) vijf jongen in het hol van de slang. Als het bos brandt wordt een jong door een roofvogel gevangen, de moeder wordt de prooi van de jager die ook nog twee andere kleintjes vangt en meeneemt. Alleen Kira en Kisa blijven over. Ze moeten zich nu grotendeels zelf redden, graven een groot hol, zoeken eten, enzovoort. Ze proberen de twee gevangen kapasi te bevrijden, maar dat mislukt.

Het geheim van de Goslar (1984) is een spannende detective. Harold en Kela gaan bij hun oom en tante in Paramaribo logeren. Ze leren de stad kennen via een buurjongen Steven. Deze heeft een papier van de kapitein van de Goslar uit 1940. Steven vertelt over het zinken van het schip midden in de Surinamerivier toen de wereldoorlog ook naar Suriname oversloeg. Wat was er allemaal aan boord? Wat had de Duitse kapitein te verbergen? De drie jongens besluiten op onderzoek te gaan. Barron schreef met dit boek een gefantaseerd verhaal dat van historische gegevens gebruik maakt: het is een traditionele detective in Surinaamse setting. Barron verwerkte ook enkele politiek-sociale elementen. De eigen omgeving is natuurlijk iets wat de jeugd aanspreekt.

Het wrak van de Goslar in de Surinamerivier. Foto © Raw Fotografie


Opgevoed met westerse helden als Tarzan en Winnetou uit Amerikaanse kinderboeken en de olifant Babar uit de Franse kinderliteratuur, streeft Gerrit Barron doelbewust naar het creëren van eigen helden met wie Surinaamse kinderen zich kunnen identificeren in het proces van dekolonisering: Boni, Barron, Jolicoeur. Hij ziet het kinderboek als een middel om je eigen identiteit te ontdekken, trots te zijn op jezelf. ‘Daarom’, zegt hij, ‘zijn mijn boeken meer familieboeken, waarin niet alleen kinderen, maar alle gezinsleden zich kunnen herkennen.’ Nationalisme is voor Barron geen gepasseerd station. Daarin heeft Dobru hem geïnspireerd. Wie zijn wij? Kennen we ons land? Harold en Kela, de twee kinderen die in verschillende van zijn boeken voorkomen, brengt hij van het district Saramacca naar de stad: Het geheim van de Goslar, vandaar naar het binnenland: Bij Anoekoe in het dorp en naar Fort Buku in een binnenkort te verschijnen boek.

Behalve in Avonturen van Kira en Kisa gaat het ook in Titri en Toto en Het verhaal van Bati en Dew onder andere over de natuur van Suriname, maar ook saamhorigheid en medeleven spelen een belangrijke rol, zoals ook in De kinderen van Sadoema, waarin bakru-kinderen met een beperking blijken te zijn die hulp nodig hebben. Alle kinderboeken van Barron noemen is ondoenlijk. Het zijn er in ieder geval heel veel! Als extra verrassing geeft hij de laatste jaren bij elk boek een poster cadeau, als alternatief voor de Donald Duck-, Dora- en Assepoester-posters die in zoveel kinderkamers aan de muur hangen. In alles merk je het: Gerrit Barron wil kinderen én volwassenen trots maken op het eigene.

Hij is blij met het jaarlijkse Kinderboekenfestival, al spreekt hij liever van een Kinderfestival met het boek als thema. Bereiken we ons doel, namelijk van het kind een leisibakru maken? En wat doet het Minov? Barron verwijt het Minov een groot gebrek aan visie, het eigene komt in het onderwijs weinig of niet aan bod. In alle landen om ons heen worden kinderboeken van eigen bodem op school gebruikt, in Suriname niet. Het Minov is een conservatief bolwerk, waar teveel mensen zitten die ons onderwijs zien als een verlengstuk van het Nederlands onderwijs. Ten slotte, er is nog zoveel meer te zeggen over deze ‘lusumbe’ (duizendpoot). Zo heeft hij naast zijn bakru om kinderboeken te schrijven, ook spelletjes uitgegeven als Taxibo, die hier spelen. En hij heeft iets met plattegronden en landkaarten, waarin helden van Suriname een speciale plaats innemen en gebergten een nieuwe, Surinaamse naam krijgen. Zijn boodschap geeft hij ook door via zijn radiostation in Moengo, ‘Barrons Omroep Bedrijf’ (BOB).

Voor Barron geldt: ‘Sabi Su’ fosi, bifo yu kari kari ‘I love Su’!

zondag 16 maart 2014

Zwarte magie in Tori Oso op 26 maart


Voor het vak Moderne Letteren doen studenten van de Opleiding Nederlands bij het Instituut voor de Opleiding van Leraren in Paramaribo een project rond de Nederlandse schrijver Louis Couperus uit de 19de eeuw. Hij heeft een grote rol gespeeld in de Nederlandse (koloniale) literatuur. Ook herdenkt men dit jaar zijn 150ste geboortedag. Op de S’77-Tori Oso-avond van maart (26 maart) zullen de studenten fragmenten uit zijn oeuvre uitbeelden op verschillende manieren: dans, drama, poëzie, vertelkunst etc.
De beroemdste scène uit De stille kracht: Leonie van
Oudijck (Pleuni Touw) wordt bespuwd met  rode sirih

Uit de fragmenten zal duidelijk worden dat literatuur universeel is, want veel zal ook voor ons herkenbaar zijn. Zo zal het thema zwarte magie/goena goena/bonu/voodoo een belangrijke rol deze avond vervullen. De studenten beloven een spetterende presentatie onder leiding van hun docent, tevens literatuurcriticus bij De Ware Tijd Literair, Jerry Dewnarain.

zondag 9 maart 2014

Een ode aan ... Lise

Plantage Alliance gezien vanaf de Commewijnerivier (SSM)

door Jerry Dewnarain

In 2014 verscheen het boek Een ode aan ... Lise van de auteur Irene Welles-Burke. Het boek telt 58 pagina’s en brengt, zoals de titel aangeeft, een ode aan een Surinaamse vrouw: Elisabeth Alma Burke-Stewart. Wie is deze vrouw en waarom is zij in haar leven zo een bijzondere vrouw geweest? Elisabeth (Lise) Burke werd geboren op 7 januari 1920 te Paramaribo en stierf op 16 juli 2012. Lise kwam uit een stonfutu EBG-gezin. Haar moeder misi Jet was een van de steunpilaren van de Zuiderstadskerk. De dominees, onder hen Guily Polanen, waren bij haar kind aan huis. De familie heeft op plantage Alliance gewoond waar vader Christiaan een leidende functie had op de suikerfabriek. Vader Christiaan had ook een dyari (Burke-dyari) [erf] aan de Steenbakkersgracht waar de kinderen, als hun moeder op de plantage was, door ma Caro, de moeder van hun moeder, werden opgevangen om naar school te gaan. Hier groeide Lise op en ze bezocht de Comeniusschool (glo) aan de Domineestraat. Daarna ging ze naar de christelijke school aan de Gravenstraat, tegenover de hoek van de Prinsessenstraat, een uloschool. Vervolgens naar de Graaf von Zinzendorfschool, mulo, van de EBG die in 1928 werd opgericht. Lise vertrok in 1948 naar Nederland om er Engels en Frans te studeren. Ze studeerde ook in Parijs. Na haar studie keerde zij terug naar Suriname en gaf haar krachten aan het onderwijs. Zij heeft als leerkracht gewerkt op het Miranda Lyceum en was jaren docent en onderdirecteur van het Christelijk Pedagogisch Instituut.

Lise Burke was een harde werker, altijd goed gehumeurd, zette zich in, pakte alles aan. Lette niet altijd goed genoeg op of ze voor haar moeite betaald werd. Ze was een vrouw met veel talenten, een die respect afdwong. Ze was een goed verzorgde, zelfbewuste zwarte vrouw die zich niet de wet liet voorschrijven. Een rolmodel voor velen, want Lise was ook een sociaal bewogen mens. Ze werd benoemd tot onderdirecteur in het jaar toen de oecumenische kweekschool, het CPI, werd opgericht, waarvan André Vonsee de directeur werd. Ze had een goed contact met de studenten en met haar prachtige stem werd zij vaak uitgenodigd voor solo-optredens tijdens kerkdiensten en feestelijke gelegenheden. Bij het nationaal jeugdkoor onder leiding van Tjon A Kong hielp ze onder andere de muziek bij het koor erin te krijgen... Ilse was ook medeoprichter van de YWCA op 12 juni 1948. Lise is tot het eind van haar leven lid geweest van de YWCA en heeft veel gedaan om generaties Surinaamse vrouwen les te geven in Engels en/of Frans, ook via deze organisatie. Ook was ze een trouw lid van de Soroptimist Club Paramaribo. Vanwege haar kennis van de Franse en Engelse taal heeft zij vaker delegaties begeleid naar onder andere Afrika. Lise heeft ook eens een groep uit Suriname begeleid naar het Pan African Festival dat om de twee jaar in Ghana wordt gehouden. Een ode aan ... Lise is de titel van het boekje. Dat klopt ook. Zij is een voorbeeldfiguur geweest, een familielid van schrijfster Irene Welles-Burke. Het boekje bevat naast de duidelijk gedrukte, prettig leesbare tekst, veel illustraties die een goed beeld geven van de ‘nabije geschiedenis’.

Irene Welles-Burke: Een ode aan ... Lise; ontwerp, lay-out en fotografie: Soekirman Moeljoredjo. Paramaribo: Suriprint, 2014. ISBN 978-99914-7-260-8


zaterdag 8 maart 2014

Boek Surinaamse vrouwen in de geschiedenis?

Foto: Moniza Reit

door Jerry Dewnarain

Al jaren verschijnt het Jaarboek voor vrouwengeschiedenis. Het zevende nummer, dat uitkwam in 1986 (bij uitgeverij SUN te Nijmegen) was (als eerste) gewijd aan vrouwen in de koloniën. Veel bijdragen gaan over vrouwen in de Oost, enkele over hen in de West. Wim Hoogbergen en Marjo de Theije geven een overzicht van ‘Surinaamse vrouwen in de slavernij’. Marjo Oomens praat over veelwijverij in de negentiende eeuw en Maria Lenders over misi Hartman, een zendelinge voor de EBG. Deze uitgave biedt een uitdaging om meer vrouwen in Suriname tebeschrijven. Deze uitdaging is nog maar beperkt opgepakt.

Voor het Caraïbisch Gebied is dat anders. De zeer productieve auteur Verene Shepherd (van de University of the West Indies, Jamaica) heeft een bundel voor de middelbare scholen gemaakt ter introductie van Women in Caribbean History, en wel van het gebied gekoloniseerd door Engeland (Kingston: Ian Randle Publishers, 1999). Dit was een project van de afdeling Sociale Geschiedenis van de universiteit, en ze heeft dan ook dankbaar gebruik gemaakt van een aantal researchassistenten. De hoofdstukken zouden we in Suriname zo over kunnen nemen: eerst de inheemsen, de planters, de tot slaaf gemaakten, de vrije zwarten en kleurlingen en vervolgens de andere immigranten. Met aan het einde van elk hoofdstuk - heel belangrijk - stof voor de studenten om verder te lezen en bronnen voor de docenten. Net als bij het Nederlandse boek, 1001 Vrouwen in de Nederlandse geschiedenis, zou voor de twintigste eeuw kunnen gelden dat alleen vrouwen die al overleden zijn worden besproken.


In de onderstaande lijst gaat het slechts om een druppel op de hete plaat. Het zijn vrouwen die niet meer in leven zijn. Er is een keuze gemaakt, dat wil zeggen dat deze lijst onvolledig is. Het gaat in dezen om vrouwen die een bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van Suriname op elk gebied. Zij hoeven dus niet in Suriname te zijn geboren. De volgorde van de namen is niet alfabetisch en niet volgens een bepaalde periode.
 
Nola Hatterman, Na Desi!, 1952
Ma Pansa: stammoeder van vele Pansa’s in Balingsoela, Bendekonde en andere dorpen. Toen Ma Pansa in de slaventijd met haar man Adjako wegvluchtte van de plantage, verstopte zij rijstkorrels in haar dikke vlechten, zodat ze die kon planten als ze in het binnenland aankwam. Zij was de eerste die daarmee rijst introduceerde in Boven-Suriname.

Miep Dekker, 1922-2002: zendingsarts van het Zeister Zendingsgenootschap. Haar eerste standplaats was Kabel. Vanaf oktober 1960 werkte Miep Dekker in Botopasi. Vanaf maart 1962 tot haar pensionering in 1989 was ze werkzaam in Ladouani. Door de Binnenlandse Oorlog bleef Miep Dekker ruim twee jaar langer dan haar pensioengerechtigde leeftijd op haar post, omdat ze de mensen in het binnenland niet in de steek kon laten. Dat was typerend voor haar plichtsbesef en haar grote liefde voor Suriname.

Jaja Dande: een Saamaka gaanmuye (wijze vrouw), de moeder van granman Johannes Arabi, naar wie het ziekenhuis te Djumu is genoemd.

Mata Gauri: hindostaanse contractarbeidster die veel sociaal werk heeft verricht.

Tetary: hindostaanse contractarbeidster die in verzet kwam. Opvallend genoeg is het een moslimvrouw geweest die
meer dan enige leider het beste voorbeeld is geweest van de vasthoudendheid, opoffering en strijdbaarheid die de hindostanen hebben getoond in hun strijd tegen het kolonialisme.

Grace Schneiders-Howard, 1869-1968: politica en socialiste, was de eerste vrouw die gekozen werd in de Staten van Suriname in 1938.

Sophie Redmond, 1907-1955: eerste zwarte vrouwelijke dokter in Suriname en toneelschrijfster.

Elisabeth van der Woude, 1657-1698: schrijfster van reisverslagen en egoducumenten. Egodocumenten van Nederlandse vrouwen uit de 17de eeuw zijn nogal zeldzaam.

Maria Susanna du Plessis, 1739-1795: was een plantagehoudster in Suriname. Du Plessis stond bekend als een van de meest wrede plantagehoudsters in de Surinaamse geschiedenis.

Koningin Wilhelmina, 1880-1962: in het binnenland hangen er nog steeds foto’s van haar! En het standbeeld te Fort Zeelandia.

Coba Cobelens: directrice van drukkerij Eldorado. De drukkerij die nadrukkelijk haar stempel zou zetten op de jaren 1957-1975. Onder het strenge bewind van Coba Cobelens rolden daar vele zeer verzorgde uitgaven van de persen. Eldorado drukte Moetete, maar ook het werk van praktisch alle auteurs rond dit tijdschrift, alsook de boeken die vanaf 1969 uitkwamen bij het Bureau Volkslectuur.

Silvia Wilhelmina de Groot-Rosbergen, 1918-2009: was wetenschapper en Surinamist, gespecialiseerd in de geschiedenis van de Surinaamse marrons en zich bewegend op het grensvlak van geschiedenis, sociologie en antropologie.
Elfriede Baarn-Dijksteel

Nola Henderika Petronella Hatterman, 1899-1984: kunstenares. In 1953 vestigde zij zich als beeldend kunstenaar in Suriname. Na haar dood werd door oud-studenten het Nola Hatterman Instituut opgericht.

Johanna Isidoro Eugenia Schouten-Elsenhout, 1910-1992: was dichteres. Elsenhout debuteerde in 1962 in het tijdschrift Soela en kwam daarna met twee poëziebundels in het Sranan: Tide ete (Vandaag nog, 1964) en Awese (Begeesterd, 1965).

Isabella Richards, onderwijzeres en parlementariër van 1963-’69.

Elfriede Baarn-Dijksteel, 1948-2010: heeft zich met hart en ziel ingezet voor cultuurbehoud van Afro-Surinamers en was jarenlang voorzitter van de culturele organisatie NAKS. Daarnaast vervulde zij een voortrekkersrol op het gebied van gender en ontwikkeling.

Wilhelmina Angelica Adriana Merian Rijburg alias Maxi Linder, 1902-1981: was een Surinaamser prostituee die tot ver over de grenzen van Suriname bekend is, doordat er in 1999 een roman van Clark Accord verscheen over het leven van deze vrouw.

Carmelita Fereira, 1955-2013: was heel sociaal voelend en heeft zich ingezet voor de belangen van sociaal zwakkeren. Ferreira was hoofdbestuurslid van de Nationale Partij Suriname (NPS) en is tien jaar lang volksvertegenwoordiger geweest in de periode 2000-2005 en van 2005-2010.

Betsy Ramkaly Gonesh (Zuster Gonesh), 1908- ?: begon op haar twintigste de speciale opleiding voor vroedvrouwen, die speciaal opgezet was voor vroedvrouwen die in de landelijke districten te werk zouden worden gesteld. Ze staat te boek als de eerste hindostaanse vroedvrouw in Suriname.


Het is duidelijk, dat vrouwen in het verleden een kleine rol speelden in overgeleverde geschriften. In het leven vol strijd en moeilijkheden zullen ze zeker belangrijk geweest zijn. Maar als heldinnen de geschiedenis ingegaan? Zoals Boni en andere helden? Wel is de moeder van Boni natuurlijk een belangrijke figuur, die, zwanger van haar meester, vluchtte en beviel van haar zoon in een marrondorp. Ze is vastgelegd in het toneelstuk van Bruma. Deze lijst geeft voorbeelden van vrouwen die besproken zouden kunnen worden in een Surinaams alternatief van het Nederlandse vrouwenboek. 1001 zullen wij niet halen!


dinsdag 25 februari 2014

De avonturen van Platvis en Rondvis

door Jerry Dewnarain


Anjumara en Sriba is een mooi kinderboek met twee sprekende Surinaamse vissen! Deze vissen, Anjumara en Sriba beleven een avontuur in hun eigen omgeving. Neen, ze maken geen geweldige, dure wereldreis. Ze dromen ook niet van een rijk leven.  Zij beleven hun avontuur net in hun vijver, hun woonplaats,  een kanaal en de nabije ruimte daarom heen. Gerard R. Maynard beschrijft de belevenissen van Anjumara (Rondvis)  en Sriba (Platvis) volgens een mooi stappenplan. Hij schept eerst een mooie sfeer en een begin voor zijn verhaal om vervolgens climaxen op te bouwen.
Wateroverlast in Paramaeibo. Foto Facebook

Vissen leven in het water dus water is voor hen belangrijk, en vooral veel water: ‘Het was in de grote regentijd, toen er lang geleden heel veel regen vanuit de hemel naar beneden viel. Ook ’s nachts bleef het doorregenen. De riolen, de goten en ook het grote kanaal konden de grote hoeveelheid regenwater niet snel genoeg afvoeren. Ze waren tot aan de rand gevuld.’ (p.7) Maynard geeft het bovenstaande fragment zo beeldend weer, dat de lezer de zware regens als het ware voor zich ziet vallen. ‘Op bepaalde plekken stroomde het water zelfs over de oevers heen. Hierdoor kwamen veel straten en erven in de stad onder water te staan,’ (p.8). Welk kind kan zich dit niet verbeelden? In grote delen van Paramaribo is dit beeld te zien, maar ook in de districten en tot ver in het binnenland! De schrijver kaart een probleem aan dat bekend is: wateroverlast of overstromingen door zware regens.
Meerpersoonsmaaltijd: anyumara (anjoemara)

Maar hij maakt van dit probleem een mooi verhaal. En dat fleurt het leven van een kind op: het leven is niet alleen kommer en kwel. Hij laat zien dat een probleem ook een andere zijde heeft. Hij sleept de lezer met spanning mee in een belevenis. Hij sleurt hen met de waterstroom mee zoals de losgeraakte viseitjes in het verhaal ook door het water meegesleurd worden naar de lager gelegen gebieden. De lezer beleeft de reis van de twee visseneitjes die later Anjumara en Sriba zullen worden. Hij kruipt in de huid van deze vissen en hiermee slaagt de schrijver in zijn doel: de lezer het boek tot aan de laatste bladzijde te laten lezen! Na een lange zwerftocht komen de twee eitjes tot stilstand tussen de stengels van de grassprieten in de vijver. Normaal was er geen verbinding tussen de vijver en het kanaal, maar door de zware regenval was er een smalle waterweg ontstaan die deze twee voor korte tijd met elkaar verbond. Het is ongetwijfeld zo dat de schrijver een goede observator is. Ik vermoed dat hij net als ik als kind in sloten en kanalen heeft gezwommen. In het grote weiland van mijn vader ontstonden dit soort natuurlijke verbindingen van smalle waterwegen tussen vijver en de sloot of het kanaal. Bij het zwemmen werd je ook geprikt door de kleine, venijnige rode mieren die door het water waren meegesleurd en zich genesteld hadden om de watersnood te overleven. Ook dit is de schrijver niet ontgaan: ‘Sommige visseneitjes bleven bijvoorbeeld vaststeken in het hoge gras waar ze ten prooi vielen aan mieren…’ (p.8). De Sriba kon overigens evengoed een kwikwi geweest zijn. Districtskinderen zullen dit beeld vast wel herkennen: de vele kwikwi-nesten in sloten en vijvers tijdens de grote regentijd.
Kwartpersoonsmaaltijd: sriba, gevangen in de Kabaleborivier
Foto © roughfish.com.

Een week nadat de visseneitjes in de vijver waren terechtgekomen, gebeurde iets heel bijzonders met hen. Ze begonnen namelijk plotseling uit zichzelf te bewegen. Eerst heel langzaam en daarna steeds sneller. Je kon door het dunne schaaltje in elk eitje een babyvisje zien bewegen. De vissen aten van de vele druiven uit de boom die langs de vijver groeide. De druiven vielen in de vijver wanneer de vogels die ook kwamen eten. En zo werden Sriba en Anjumara groter en groter. Sriba werd een grote platte vis en Anjumara een grote ronde vis. Heel mooi is de groei van deze vissen weergegeven. In verhaalvorm  wordt eigenlijk ook op een pedagogische manier de kleine lezers kennis bijgebracht. Sriba en Anjumara worden vrienden en samen beleven zij het ene avontuur na het andere. Via andere dieren uit het dierenrijk, bijvoorbeeld de vogel Roodborstje,  komen Platvis en Rondvis erachter dat zij vissen zijn. Hun soortgenoot Pataka leert hun dat er ook roofvissen bestaan: vissen die elkaar opeten. Maar deze gemene les van Pataka levert niet veel voor hem op. ‘ ”Jullie echte namen zijn Sriba en Anjumara. Geloof me maar, in het kanaal hiernaast zwemmen veel van jullie soorten rond”, zei Pataka overtuigend. “Ben jij ook een anjumara?”, vroeg Rondvis. “Nee, ik ben Pataka. Een roofvis.” “Een roofvis? Hoe bedoel je?”, vroeg Rondvis haastig. “Roofvissen leven van andere kleinere vissen, dat moest jij toch weten?” Om groot en sterk te kunnen worden moet ik elke dag enkele sriba’s opeten. Pataka’s zijn namelijk dol op sriba’s’, antwoordde hij.’(p. 21/22)

 Maynard bouwt stap voor stap de spanning bij dit fragment op (maar ook verder in het boek) middels de dialoog tussen Platvis en Pataka om uiteindelijk met een soort ‘deus et machina’ te komen voor Sriba die niet opgegeten wil worden door Pataka. Zijn maat Rondvis grijpt in: ‘Daar hoef jij je geen zorgen om te maken Platvis, zolang ik hier ben zal niemand jou iets kunnen aandoen. We blijven altijd vrienden en ik zal je altijd blijven beschermen tegen roofvissen als Pataka.’ Met deze woorden had Rondvis-Anjumara zijn vriendje Platvis-Sriba gerustgesteld. Zo zijn er nog meerdere verrassende dialogen in het boek. Dit verhaal leent zich goed voor een animatiefilm! Al met al heeft Maynard een prettig boek geschreven. Het is een eenvoudig verhaal, maar de spanning in de dialogen maakt dat het boek tot de laatste bladzijde wordt uitgelezen. En dat is het bijzondere van dit boek! En niet te vergeten de luchtige en functionele tekeningen van de auteur!

Gerard R. Maynard, Anjumara en Sriba, Paramaribo: Stichting Projekten, 2014.