Posts tonen met het label Groot Klaas de. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Groot Klaas de. Alle posts tonen

zaterdag 17 mei 2014

Een gedicht van Clyde Lo A Njoe

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor teksten die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over een gedicht van Clyde Lo A Njoe.



door Klaas de Groot
 
Een werk van Clyde Lo A Njoe
Dertig jaar geleden, in 1984, verschijnt Doodwerf,  een bundel gedichten met werk van Lo A Njoe,Ton Luiting, Raoul-Maria de Puydt en Simon Vinkenoog. Het boek is een uitgave van de Kofschip-Kring (Hilversum – Brussel).
Clyde Roël Lo A Njoe  (Aruba,1948) staat erin met beeldende kunst en acht gedichten. Het is zijn tweede publicatie na de bundel Dansen / Baliamentu die in 1983 verscheen bij In de Knipscheer in Haarlem. Na Doodwerf verschijnt er nog een bundel: Echolood bij Kwadraat in Utrecht. Het is dan 1989. Daarna zwijgt de dichter, althans in het openbaar. Maar ja, een dichter mag dan zwijgen, gedichten blijven klinken, zolang er lezers zijn die ogen en oren openhouden. Herlezen is altijd mogelijk.
De beeldend kunstenaar die Lo A Njoe ook is, doet luider van zich spreken. Doodwerf liet werk zien. De omslag van de dichtbundel van Henry Habibe Vukanisch samenzijn  (Haarlem 2008) toont een indringend beeld en de site van Lo A Njoe laat nog veel meer zien.


Dansen / Baliamentu is een kleurrijke bundel. Niet alleen dat er helder gekleurde litho’s van de beeldend kunstenaar in staan,maar ook de vertaling van de gedichten in het Papiaments (door Luis Daal) werkt mee aan de die veelkleurigheid. Net zo goed als het feit dat, de titel zegt het al, de dans een belangrijk motief is. De tango, de rumba , de merengue en vele andere ‘bewegingen’ roepen kleurassociaties op.
Opvallend is nu dat de bundel Echolood, waarin veel elementen uit de beeldende kunst, met name uit de schilderswereld, een rol vervullen, helemaal niet geïllustreerd is. Dat boek roept om kleur, maar de kleuren zitten er alleen in als literair motief. We zien de dichter en de beeldend kunstenaar aan het werk maar de beelden zullen in het hoofd van de lezer moeten ontstaan. En dat gebeurt ook vanaf het eerste gedicht: ‘Ontstaan’ met de eerste regel: ‘Starend in de kern van het trage licht’.

Over een soortgelijk  ontstaan gaat het gedicht ‘Een ingehouden snik’. Dat is een schitterend gedicht uit Doodwerf, het is ook te lezen op de site van Lo A Njoe.

Een ingehouden snik

Een droom, een illusie, een loos moment,
dat je goed aangekomen bent.
De steppe van een ogenblik,
veel korter dan een ingehouden snik.

Terug, terug naar het voorlaatste woord,
dat alleen de tijd heeft gehoord.
Geperst uit een benauwd strottenhoofd,
eer-, eergisteren door dronken tekst verdoofd.

Toevallig als de plooi in het tafelkleed
komt er een kreukel in het blad;
kruipen punten en komma's weg...

Oeroude tover, één pagina breed,
beweegt boven 't blad, ik strijk 't glad,
vóór ik de formule opzeg...

Het gedicht lijkt te gaan over het scheppingsproces. Het is een poëticaal gedicht over wat er op het papier ontstaat in woorden, punten en komma’s. Het papier ligt op een kleed met een kreukel, die zich voortplant naar het papier. En wat er op het  papier komt, is een formule, het is oeroude tover. Het is de magie van het woord dat onder invloed is ontstaan, nu naar buitenkomt en genoteerd wordt. Als een droom, als een illusie. Dan is het loze moment ‘goed aangekomen’. En deze aankomst is alleen paradoxaal te ervaren als ‘de steppe van een ogenblik’. En wat voor een ogenblik: ‘veel korter dan een ingehouden snik’. Maar dat wat ontstaat is een snik, die de ik kan opzeggen. Hij kan het gedicht voorlezen.

Over goede gedichten kan veel gezegd worden, maar nooit alles. Dat is mooi: ‘de steppe van een ogenblik’ moet je zien en de woorden moet je (her)lezen. De paradox moet de lezer voelen. Dat gebeurde ook al in 1984, toen Wim Rutgers een stuk schreef over de eerste bundel van Lo A Njoe met de paradoxale titel ‘De minuut van de constante extase’. In de introductie van het stuk, popgenomen in zijn Dubbeltje lezen, stuivertje schrijven, beklemtoonde hij dat die eerste bundel veel meer aandacht verdiende. Ik denk dat we dat in 2014 nog steeds kunnen zeggen, ook voor de gedichten in Doodwerf en Echolood.


Meer info op http://www.clyderloanjoe.com

zondag 13 april 2014

Ashetu in Indië

door Klaas de Groot


Onlangs verscheen bij uitgeverij Rubinstein in Amsterdam  een forse en mooi uitgevoerde bloemlezing: Album van de Indische poëzie. De samenstellers Bert Paasman en Peter van Zonneveld hebben daarin heel wat ‘Oost-Indische’ liedjes en gedichten bij elkaar gebracht en verdeeld over tien rubrieken. Gelukkig is ook Nederlandstalig Indonesisch werk opgenomen. De makers van al deze  verzen komen uit diverse windstreken, dat spreekt vanzelf.

Één van de auteurs komt zelfs uit West-Indië. Cola Debrot is aanwezig met het sonnet ‘Indisch meisje’, dat is vermoedelijk uit 1936. Debrot zelf bundelde het nooit. Oversteegen nam het wel op in deel 2 van het Verzameld werk.

Indisch meisje

Het innig beeld van haar mij bijgebleven
heeft zich vermengd met laatre werklijkheden.
Tot mijn geluk. Want anders was mijn heden
zeer vaal, o, niet zo glinsterend doorweven.

Ik immers ben geland op vele reden
waar eerst de palmen uit de verte wuiven.
Men ziet daarna de grote stofwolk stuiven
tussen de mensen, wrang en ontevreden.

Zij was zo jong. Zij had zulk lieve handen.
Zij kwam uit Padang en sprak van Indië
met de verschrikte ogen van een hinde
alsof zij in het ver groen land belandde
waar zij steeds mij, ook ik steeds haar beminde…
Dit land is, wreed verwoest, niet meer te vinden.

De samenstellers van de bloemlezing hebben dit gedicht in de tiende rubriek ‘Waar is mijn lief Batavia gebleven?’ ondergebracht. Zij hadden het net zo goed in de zesde rubriek kunnen plaatsen. Die behelst het materiaal over ‘Liefde, erotiek en seks’. Oversteegen schrijft namelijk in het eerst deel van zijn biografie  over Debrot dat het gedicht is geënt op een Nijmeegse jeugdliefde. Het meisje moet Amy geheten hebben.

Het mooie van bloemlezingen is dat iedere lezer altijd nog wel iets weet dat er ‘gemakkelijk’ bij gekund had. Paasman en Van Zonneveld  vragen gelukkig  ook expliciet in hun ‘Woord vooraf’ om aanvullingen. Een passend gedicht lijkt mij ‘Baleh-baleh’ van Bernardo Ashetu, ook een West-Indisch dichter.  Een groot dichter, maar helaas: verborgenheid kleeft hem aan. Het vers staat in de bundel Yanacuna van 1962. Een bundel die onder redactie van Cola Debrot verscheen in de reeks Antilliaanse Cahiers.


Baleh-baleh

Och, dat ik rijk ware
dat ik water had
en land
en wolken,
dat ik rijk ware
en de macht had
om zon en duister,
bloed en adem
te zetten naar mijn wil –
Och, dat ik rijk ware
en het beter had
alleen maar om lang te rusten
om lang en zoet en lang
te rusten een baleh-baleh
met klamboe van rode zijde

Dit gedicht past niet alleen vanwege de titel in het Album, maar vooral ook omdat Ashetu werkt met een wending van Multatuli. In diens Max Havelaar staat de bekende parabel ‘De Japanse steenhouwer’ met daarin de volgende zinnen:
‘Hij zuchtte omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: och dat ik rijk ware om te rusten op eene “baleh-baleh” met “klamboe” van roode zijde.
En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: U zij gelijk gij gezegd hebt.
En hij was rijk. En hij rustte op eene baleh-baleh en de klamboe was van roode zijde’.
(Geciteerd naar de editie van Stuiveling, Amsterdam 1966 / 7, Van Oorschot).


De verbeelding van Ashetu zal misschien wel aangestoken zijn door één van zijn lievelingswoorden: rood. Maar is meer. De ik in het gedicht van Ashetu wil meer hebben dan de steenhouwer, voordat hij rust neemt. Opvallend is dat in het gedicht niet staat ‘rusten op een baleh-baleh’. Zoals Multatuli wel schrijft, en wat in de context past . Misschien zit daar het idee achter dat bij Ashetu de ik ook de rustplek wil zijn en de rust zelf, niet alleen de rustzoeker. Dus  alles wil. Waarmee Ashetu Multatuli naar zich toe haalt en hem gebruikt om de eigen stem te laten horen. Het geeft niet onder welke palmen, Surinaamse of Indische.

zondag 30 maart 2014

Ashetu in Paramaribo

door Klaas de Groot

Vanuit de tuin van het guesthouse Downtown Oasis, aan de Jessurunstraat,  heeft men goed zicht op een zijgevel van de Hendrikschool. De shutters van de lokalen staan meestal open, in afwachting van een verfrissend briesje. In de school liggen voetstappen van zeer veel Surinamers die hun sporen verdiend hebben in de geschiedenis van het land. De dichter Bernardo Ashetu is er één van. Misschien heeft hij in één van de lokalen wel gezien wat hij in de opening van het gedicht  ’t Schoolbord beschrijft:

’t Schoolbord
werd groter en kleiner
werd bijna een cirkel
werd uit zijn rechthoekige
benauwenis gerukt.
[…]
Deze zin geeft een treffend voorbeeld van een ontregelende blik op de wereld. Een blik die Ashetu maakte tot de bijzondere dichter die hij is geworden. Dat ik zong heet de bloemlezing waarin het gedicht is opgenomen.

De voordeur van de school is aan de Henck Arronstraat , ex-Gravenstraat. Waar vroeger de schoolkinderen alle ruimte hadden, staat het nu vol auto’s. Welke kant liep Ashetu op, in de tijd dat hij alleen nog voluit Hendrik George van Ommeren heette? In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw.

Foto © Ridi Klinkhamer


Vaak zal hij de Waterkant opgezocht hebben. Het water van de Surinamerivier en schepen die daar voeren, moeten hem, die later marconist werd, aangetrokken hebben. Een makkelijke route loopt door de Mr. J.C. de Mirandastraat. Dan was en ben je snel bij de rivier. Of hij ging door de Watermolenstraat, richting De Waag en de Platte Brug. Een brug die nu met recht plat heet, nu de Wijdenboschbrug, in de volksmond de Bosjebrug genoemd,  in de verte opbolt. Wie die laatste straat  richting rivier uitloopt, komt bij De Waag. Daar heeft men ‘s avonds helder zicht op de lichtjes aan de Commewijnekant, bij Meerzorg. Een uitzicht dat Johan van de Walle in 1942 lyrisch maakte. In zijn boek Een oog boven Paramaribo schrijft de laatste over het betoverend schijnsel van de maan op het water: ‘Nooit zal ik dat ogenblik vergeten. Als met miljoenen kleine lampjes begon die grote, zacht vloeiende rivier te schitteren en te fonkelen. Zelfs de overzijde van het brede water werd zichtbaar en het leek wel of de wazige bomen aan de overkant niet op het land maar in een geheimzinnig moeras stonden dat zich eindeloos ver uitstrekte.’  Van de Walle ziet dit vanuit de Saramaccastraat. Dus vlakbij de Platte Brug. In 1942 was Ashetu / Van Ommeren dertien jaar en in de buurt.
Was het deze brug die Ashetu ‘zag’ toen hij het schitterende gedicht ‘Wacht lang’ schreef. Het staat in Dat ik zong en in Dat ik je liefheb (2011).

Kleed je aan
en wacht bij de brug.
Wacht lang.
Wacht tot de eerste ster opkomt.
Dit huis zal leeg zijn
en de hele straat zal leeg zijn.
Roep m’n naam
en houd rekening met een kleine
beweging in de modder langs de
gracht en wacht tot ’t licht
van alle sterren de hemel mooi
en bedwelmend heeft gemaakt.
Wacht op me bij de brug.
Wacht lang.

Foto © Klaas de Groot

De marconist Van Ommeren heeft Paramaribo lang geleden verlaten maar de dichter Ashetu niet. Wie vanaf één van de bastions van Fort Zeelandia naar de rivierbocht achter het fort kijkt, met het oog van de dichter, ziet daar een schip liggen. Het is de Aldebaran. Waarschijnlijk genoemd naar de rode ster met dezelfde naam. In het gedicht speelt dus de kleur rood een rol. De kleur die zo vaak in de gedichten van Ashetu voorkomt. Net zoals de roos. Een bloem die de kleur rood oproept, terwijl het woord roos vlak naast het woord rood ligt. Een woordenspel dat ook typerend is voor deze dichter. Het schip ligt in golvend, wiegelend water dat grote aantrekkingskracht heeft.

De ‘Aldebaran’

Pitha roffel

roffel
om de zeilen

want het schip
ligt
voor de hoek
vol
golvend water

met een roos-
neen
en wiegeling
in een
grote magneet.


Dit gedicht staat alleen in het bundeltje Marcel en andere gedichten, dat in 2002 te Paramaribo verscheen bij uitgeverij Okopipi. Het werd net zoals Dat ik  je liefheb samengesteld door Michiel van Kempen. Het boekje is een krachtig bewijs dat Ashetu aanwezig is in Paramaribo. Begin maart 2014 staan er op de poëzieplank van Boekhandel Vaco in de Domineestraat nog twee exemplaren. Ze zijn inmiddels verkocht. Daarvoor in de plaats is Dat ik je liefheb achtergelaten in een tweedehands boekwinkeltje op het Kerkplein, niet ver van de Hendrikschool.

maandag 17 maart 2014

Surinaamse schuttingtaal

Terras van Zus en zo. Foto © Klaas de Groot

door Klaas de Groot

Op zondag is het stil in de straten van klassiek Paramaribo. Wel zijn er veel fietsers te zien. Wie wil fietsen kan een fiets huren op de Grote Combéweg 13A, tegenover  een ingang van de Palmentuin. Daar, op één terrein, is de verzamelplek voor stagiaires  met lang blond haar  guesthouse Zus & Zo,  en een fietsverhuurbedrijf.  Het terras van het guesthouse is een geliefkoosde skypeplek. Luid en duidelijk is te horen dat de vaders en moeders in Nederland op de hoogte gebracht worden van het wel en wee van hun dochters.

Albert Helman, gebroederlijk naast Papa Touwtjie
Foto © Klaas de Groot
Ze zitten met hun rug naar een bijzonder verschijnsel op hetzelfde terrein: een schutting met geschilderde portretten van Surinaamse bekendheden. Het is een goede plek, want binnen een straal van een kilometer staan er heel wat beelden van en monumenten voor andere Surinaamse helden, op het Onafhankelijkheidsplein, bij Fort Zeelandia en aan de Kleine Waterstraat.

De afbeeldingen zijn verbonden door de kleuren van de Surinaamse vlag: rood, groen en wit. Hier en daar versierd met een gele ster. Trefossa, Dobru, Albert Helman met ontspannen blik, Sophie Redmond, een somber kijkende Anton de Kom en andere coryfeeën zijn duidelijk herkenbaar. Allemaal zijn ze van naam voorzien. De lichtelijk vervallen afscheiding wordt er door verfraaid, ook al staan er fietsen voor die hun beste tijd gehad hebben. De gezichten kijken ons sprekend aan. Ze zijn heldere taal op deze schutting.


zondag 19 januari 2014

Boeli van Leeuwen in De Parelduiker

Foto omslag: Rineke Dijkstra
De nieuwe Parelduiker verscheen nog net voor de jaarwisseling. Hieronder een deel van de beschrijving van de uitgever over dit nummer.

Ongepubliceerd werk uit de nalatenschap van Boeli van Leeuwen. Bezorgers Aart G. Broek en Klaas de Groot stelden een bloemlezing uit Van Leeuwens krantenstukken samen. Over de taak, de plicht en de liefde van de schrijver, over de Curaçaoënaars, de verhouding tot Nederland en de paspoortkwestie (ook toen al).

In december 2013 is de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen aan het Letterkundig Museum in Den Haag overhandigd.



dinsdag 17 december 2013

Nalatenschap Boeli van Leeuwen in Letterkundig Museum


De literaire nalatenschap van mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) is toevertrouwd aan het Letterkundig Museum (LM) in Den Haag. Op zondag 15 december werd door het LM de zorg voor deze bijzondere aanwinst publiekelijk onderstreept met de opening van een kleine expositie uit de nalatenschap. Bij die gelegenheid hielden de bezorgers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, elk een praatje, dat hierbij wordt opgenomen.
De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt door uitgeverij In de Knipscheer, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).
 
Aad Meinderts, directeur Letterkundig Museum, overhandigt etsen met de beeltenis van Antilliaanse auteurs aan Boeli's kleindochter Eva Koert. Foto @ Nico van der Ven

Terug naar de bron

door Aart G. Broek
Boeli van Leeuwen

‘Met een enkele lezer ben ik niet tevreden,’ liet Boeli van Leeuwen mij eens weten in een gesprek en hij vervolgde: ‘Hoe meer mensen mij lezen hoe liever het mij is.’ Op woensdag 28 november 2007 overleed Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen, vijfentachtig jaar oud. In maart 2012 overleed ook zijn vrouw, Dorothy Debrot, drieëntachtig jaar oud. Van hun dochters – Elisabeth en Ana – kreeg ik enkele maanden later het verzoek om mij over de literaire nalatenschap van hun vader te ontfermen. Meer in het bijzonder ging het om de archivalia die in de mahoniehouten ‘kast van Boeli’ lagen opgeborgen. De gelukkige omstandigheid deed zich voor, dat ik dit verzoek kon oppakken samen met Klaas de Groot. We ordenden de inhoud. Geselecteerde stukken mochten we meenemen voor nadere bestudering en, zo was het verzoek, onderbrengen in een geëigend openbaar archief voor duurzaam beheer. Dat werd het Letterkundig Museum in Den Haag. Juist omdat Van Leeuwen niet tevreden was met ‘een enkele lezer’.

In de tweede helft van de twintigste eeuw wortelde het Nederlands in de eilandelijke samenleving van Aruba, Bonaire en Curaçao. Er ontstond een gewaardeerde literaire productie. Hieraan zijn vooral de namen verbonden van Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus, Cola Debrot en Jules de Palm. Hoewel er nog steeds in het Nederlands wordt geschreven, krijgt de literaire productie in het Papiaments steeds meer gewicht. De Nederlandstalige literatuur op de eilanden zou langzaam maar zeker tot een historische periode kunnen gaan behoren.
 
Oorkonde bij de Vijverbergprijs, 1961
Waardering
Voor Van Leeuwen was de waardering vanuit Nederland voor zijn werk van cruciaal belang. Niet alleen huisde in Nederland zijn uitgever, eerst Van Kampen (Amsterdam), vervolgens Flamboyant (Rotterdam), daarna en tot nu toe - inmiddels meer dan dertig jaar! - In de Knipscheer (Haarlem). In Nederland werkten de critici die zijn romans, essays en columns lovend bespraken. In Nederland woonde het grote aantal lezers waarnaar hij op zoek was. De gunstige ontvangst aan de Noordzeezijde van het Koninkrijjk was voor hem een levensbron. Die voedde hem en inspireerde hem tot nieuw werk. Van Leeuwen was dan ook bijzonder geroerd door de toekenning van een ‘eregeld’ van de zijde van het Nederlands Letterenfonds kort voor zijn overlijden: een overrompelend gebaar van moederlandse waardering. Hoe eigenzinnig hij zich ook opstelde bínnen de Nederlandstalige letteren, Van Leeuwen wilde er vooral deel van uitmaken.
In lijn hiermee wordt de nalatenschap ondergebracht in het Letterkundig Museum: het mausoleum bij uitstek voor Nederlandstalige literaire nalatenschap. Natuurlijk is hiermee niet aangegeven, dat de kracht van Van Leeuwen en van zijn werk exclusief afhankelijk was van het ‘moederland’. Zeker niet, hij was een yu di tera: een Curaçaoënaar in hart en ziel. Van Leeuwen heeft dikwijls en op uiteenlopende wijzen zijn verbondenheid met het eiland onderschreven en beschreven. Ook in zijn nalatenschap komt die verbondenheid weer prachtig in beeld.

Schrijven
Hoe het ook zij, de Nederlandse taal kwam níet van zijn geboorte-eiland: die taal is eigenlijk wezensvreemd aan de eilandelijke samenleving. ‘Papiamentu is mijn moedertaal,’ benadrukte Boeli me in het eerder aangehaalde gesprek. ‘Wij spraken thuis altijd Papiamentu, ook toen ik van 1936 tot in 1946 met mijn moeder in Nederland woonde. In het Papiamentu SCHRÍJVEN is echter een heel andere zaak!’ Voor het schrijven verkoos Van Leeuwen het Nederlands.
                We brengen zijn Nederlandstalige nalatenschap naar de bron waaruit Boeli dronk - gulzig dronk. Het Letterkundig Museum maakt een eerste kennismaking met de nalatenschap mogelijk in een bescheiden expositie. Hoe meer mensen er kennis van nemen hoe liever het Boeli zou zijn geweest! Weer en weder dienende vinden we een manier om ook zijn eilandgenoten ermee te laten kennismaken.

De presentatie was in handen van - v.l.n.r.- Ernst Hirsch Ballin, Aart G. Broek, Eva Koert, Bert Kienjet, Aad Meinderts, Klaas de Groot, Alwin Toppenberg. Foto @ Nico van der Ven




Een machtig schrijverschap

door Klaas de Groot


In de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen trof mij in het bijzonder de aanwezigheid van een exemplaar van het poëtisch debuut van Van Leeuwen. Tempels in woestijnen heet die bundel, gepubliceerd in 1947. Zoals vele, meer of minder bekende auteurs bekeerde Van Leeuwen zich na een poëtische start tot het proza. Maar gelukkig niet geheel.
In de eerste roman De Rots der Struikeling, bijvoorbeeld, duikt op een gegeven moment een gedicht op. Het heet ‘In dit licht’ en het is zijn bekendste gedicht geworden. Het komt ook terug in een fotoboek dat Van Leeuwen maakte met de Curaçaose fotograaf Carlos Tramm. Misschien interessant is het feit dat Tramm en Van Leeuwen doende waren om tot nog zo’n boek te komen, waarin fotografie en poëzie samenkomen. Hierin zouden gedichten uit Tempels in Woestijnen worden verwerkt.
In Een vreemdeling op aarde, de tweede roman, staan twee gedichten die binnen de prozatekst duidelijk te onderscheiden zijn. Een, alleen in de krant gepubliceerd, gedicht is ‘Patriarch met trio’. Dat is een ode aan de muziekfamilie van Curaçao: de familie Palm. Deze gedichten zijn, samen met een licht scabreus gedicht te vinden op de blog Caraïbisch Uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Daar staan ook gedichten gemaakt door bewonderaars van Van Leeuwen.
 
Manuscript van Boeli van Leeuwen
Verhaal
De drukgeschiedenis van de bundel Tempels in woestijnen heeft een prachtig verhaal opgeleverd. Dat verhaal heet ‘Onkel Patrice’, het staat in Geniale Anarchie. Een hilarisch detail in dat verhaal is het feit dat Van Leeuwen sommige gedichten moest herzien, omdat er niet genoeg loden letters op het eiland voorradig waren. Een treffend voorbeeld van de macht van de techniek over de kunst. Of dit gegeven waar is, doet er niet toe. Het past bij alle andere verhaalelementen waarmee de auteur zijn verslag lardeert. Het Letterkundig Museum mag trouwens erg blij zijn met het geëxposeerde exemplaar. De oplage bedroeg vijftig exemplaren, waarvan er tien mislukten. Van de resterende veertig verkocht Van Leeuwen er acht. Tien gingen er naar vrienden en de overige verdwenen ten gevolge van aanvallen door tropisch ongedierte. Dit vertelt Van Leeuwen ook. U zult begrijpen dat anderen weer iets anders vertellen.
                In het tijdschrift De Parelduiker (2013 / 5) zijn nu twee gedichten uit de bundel opgenomen, waaronder het sonnet ‘Moeder van mijn moeder’. Hierin de majesteitelijke zin: ‘Een vorstin wordt niet gedwongen maar zij gaat’. Waarmee de moeder zich toch de meerdere toont van de dood die haar komt halen. Hier zijn wij bij de eschatologie, een geliefd onderwerp voor Van Leeuwen: het einde der tijden.
 
Portret van Boeli door Bert Kienjet
Krachtig
Opvallend in Tempels is het epische gedicht ‘Isla di Makuaku’. Ooit verklaarde Van Leeuwen dat hij dit gedicht als zijn beste beschouwde. Dat gedicht gaat over een louterend bad in zee en over bepaalde mythische elementen die in verband met dat eilandje met fregatvogels in de Sint Jorisbaai verteld worden. In de bundel staat het als één geheel. Toen ik het eens anders wilde lezen, zette ik spaties tussen de veertig zinnen waaruit het bestaat en het gedicht leek overzichtelijker te worden. Het lag als een Caribisch rif, zo mooi, uiteen.
Hoe Van Leeuwen al meteen in zijn vroegste werk aanwezig is, blijkt uit het gedicht ‘Soldaten’. Aan het eind van het eerste kwatrijn staat: ‘en mijn droom verschijnt’. Dan volgt er een visioen. Deze werkwijze is Boeliaans. Dat weten we nu, na al zijn romans. Tekenend in dit verband is het feit dat de eerste vijf woorden van het eerste gedicht al helemaal Van Leeuwen zijn. Ik ben die ik ben, was een adagium. Het luidt: ‘Ik ben zoals ik ben, nauwelijks denkend aan de duizend wonden, / En soms onnoemelijk bezeerd om één verloren traan. / Ik zie de pijn niet in het verborgen zwoegen der gezonden, / Maar de hand die brak het broodgeworden graan.’
Een krachtig begin van een machtig schrijverschap.

maandag 2 december 2013

Literaire nalatenschap Boeli van Leeuwen: 'Teruggeven aan de bron'

door Elodie Voorbraak

Willemstad - De overdracht van de literaire nalatenschap van de Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen aan het Letterkundig Museum is een besluit dat in onderling overleg en met instemming van de verantwoordelijke nabestaanden werd genomen. Dat laat onderzoeker en auteur Aart G. Broek desgevraagd weten. Sterker nog: Van Leeuwen zelf stond achter de idee zijn werk op deze wijze te bewaren.

Boeli van Leeuwen. Foto @ Klaas de Groot
"Van Leeuwen was een Curaçaoënaar in hart en ziel, maar hij prees zich ook gelukkig met de rol die hij in de Nederlandstalige literatuur speelde. Die verbondenheid wordt onderstreept door de overdracht van zijn nalatenschap naar Den Haag." Broek reageert hiermee op de ophef die is ontstaan sinds hij en zijn collega Klaas de Groot wereldkundig maakten dat de literaire nalatenschap van Van Leeuwen aan het Letterkundig Museum zal worden toevertrouwd. Op 15 december zal die overdracht officieel worden gemaakt. Navraag door de Amigoe eerder deze week hieromtrent leverde de enigszins verontrustende informatie op dat de nabestaanden van Van Leeuwen niet volledig op de hoogte leken te zijn van deze feiten.
Volgens Broek echter gingen aan dit feit jaren van overleg en praten vooraf. Met de nabestaanden van de in 2007 overleden auteur maar ook met de auteur Van Leeuwen zelf, toen die nog in leven was.
"Natuurlijk is hierover gesproken. Zeker toen Van Leeuwen al op hoge leeftijd was. De vraag drong zich op. Dit zijn dingen waarover je na gaat denken wanneer je beseft dat je in de nadagen van het leven rondstruint en er iets te bewaren is."

 Typoscript. Foto @ Aart G. Broek
Taal

Broek benadrukt dat de auteur Van Leeuwen niet alleen voor Curaçao een belangrijk auteur was, maar vooral ook voor de Nederlandse taal en daarmee van belang is in het literaire landschap van die taal.
"Van Leeuwen schreef in het Nederlands, was die taal machtig op een zeer hoog niveau en was daar ook erkentelijk voor. Het was zijn wens om zijn werk uiteindelijk terug te geven aan de bron waar die taal vandaan komt."
Het nadenken en besluiten over de uiteindelijke 'rustplaats' van Van Leeuwens nalatenschap heeft volgens Broek weinig te maken met de vraag 'van wie de auteur Van Leeuwen is.' "Dit gaat niet over een keuze tussen Curaçao of Nederland. Dit gaat over de taal. En daarin heeft Van Leeuwen een bijzondere plaats verworven. Dat overstijgt de discussie. Dit gaat over een nalatenschap van creatief intellectuele waarde voor de Nederlandse taal met daarin gevat het geraamte en de ziel van Curaçao zoals Van Leeuwen dat zag."

De onderzoeker wijst dan ook enige verwijzing naar het op Curaçao niet kunnen vinden van een deugdelijke 'bewaarplaats' van de hand. "Daar gaat het niet om. Er zijn wel degelijk instellingen op Curaçao die deze nalatenschap goed zouden kunnen conserveren. Instellingen zoals het Archivo Nashonal, de Universiteit, de Biblioteka Públiko Kòrsou en de bibliotheek van S.A.L. ‘Mongui’ Maduro. Dat heeft echter niets met deze beslissing te maken gehad. Dit gaat over de betekenis van Van Leeuwen voor de Nederlandse taal."

Familie
Broek laat ook weten dat de familie van begin af aan bij dit moeilijke proces betrokken is geweest. En dat zijzelf om de bemiddeling van Broek heeft verzocht. "Vanzelfsprekend heb ik mij ingespannen om alle betrokkenen zo goed mogelijk te informeren en geïnformeerd te houden. Dit heb ik trachten te doen vanaf het moment dat ik gevraagd ben door de familie om ervoor te zorgen dat de nalatenschap op een Boeli-waardige plaats duurzaam wordt bewaard." De onderzoeker benadrukt verder dat er niets van Van Leeuwens nalatenschap is meegenomen zonder toestemming van de familie en dat hij en De Groot steeds zo zorgvuldig mogelijk hebben geprobeerd te zijn.
"Het is niet gemakkelijk om de eindigheid van een leven, van wie dan ook, in materiële zin onder ogen te zien. Er komt niets nieuws meer. Wat er is, is wat er is. Het is moeilijk te beseffen dat er echt niets meer bij komt. Leden van de familie zijn bij het uitzoeken van het materiaal steeds aanwezig geweest. Heel moedig vond ik dat."

Typoscript. Foto @ Aart G. Broek
Wel instemming
Broek laat ter onderschrijving van het bovenstaande ook weten dat het Letterkundig Museum maanden terug al zijn erkentelijkheid voor het vertrouwen kenbaar heeft gemaakt in een brief aan de familie. "Inmiddels heb ik naar aanleiding van het bericht in de Amigoe natuurlijk contact gehad met de familie. Er is geen dagelijks contact hierover geweest en wellicht dat het persbericht dat wij hebben doen uitgaan hen heeft overvallen. Dat is ongelukkig. Ik meen echter gerustgesteld te mogen zijn. Dit lijkt mij te worden onderstreept door het gegeven dat bij de presentatie van 15 december aanstaande Eva, de kleindochter van Boeli van Leeuwen, aanwezig zal kunnen zijn als vertegenwoordigster van de familie. Hiermee zijn we natuurlijk bijzonder gelukkig."

De familie zelf heeft inmiddels ook laten weten wel achter het besluit te staan om de nalatenschap van de schrijver Boeli van Leeuwen bij het Letterkundig Museum te conserveren. En dat zij graag zouden zien dat de ophef hierover tot rust komt.

zondag 1 december 2013

Archief Boeli van Leeuwen

door Brede Kristensen
  
Kortgeleden stelde Robert van Buiren in een ingezonden stuk dat de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen ‘vanzelfsprekend op Curaçao thuishoort’. Dat lijkt mij ook. Deze dagen heb ik gemerkt (mijn mailadres werd erbij vermeld) dat een onverwacht groot aantal mensen hierop instemmend via mail, telefoon en ingezonden stukken heeft gereageerd. 

Geboortehuis van Boeli van Leeuwen, Casa Blanca, op Curaçao.
Foto C.H.A. Uit: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.

Kennelijk leeft dit onder de mensen. Natuurlijk heeft de familie het volste recht ermee te doen wat ze wil en adviseurs en bemiddelaars in de arm te nemen die haar daarin willen bijstaan. Inmiddels begrijp ik dat ook Boeli zelf het geen slecht idee vond dat zijn literaire nalatenschap in het Letterkundig Museum van Den Haag zou worden gedeponeerd. Dat betekent echter niet dat het publiek er verder niets mee te maken heeft.
Ooit heeft Boeli besloten met zijn literaire werk naar buiten te treden. Zijn romans werden gepubliceerd, gelezen en gewaardeerd. Zo is hij een publieke figuur geworden, deel van de Curaçaose culturele en literaire historie. Een persoon waar Curaçao terecht trots op is. Zijn romans zijn tot op de dag van vandaag een bron van inspiratie, reflectie en bewustwording voor zeer veel mensen hier. Tegen die achtergrond is het ongewenst dat het archief van een zo belangrijk schrijver naar het buitenland verdwijnt.

Nota bene is Curaçao bezig iets aan 'natievorming' te doen. Curaçao moet alles in het werk stellen hier een eigen Letterkundig Museum op te richten dat aandacht schenkt aan de uitzonderlijk grote letterkundige productie van Curaçao met zijn 130.000 inwoners (Cola Debrot, Pierre Lauffer, Charles Corsen, Louis Daal, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Elis Juliana en dan de vele schrijvers en dichters nog in leven) Dat bij gebrek aan een goed onderkomen het archief van Boeli van Leeuwen in bruikleen wordt gegeven aan een museum in Den Haag, is als tijdelijke oplossing oké.
Maar het is in het Curaçaose publieke belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt dat het archief teruggaat naar Curaçao zodra het hier beheerd kan worden. Indien de familie en hun adviseurs het daarmee niet eens zijn, dan zij het zo. Op zijn beurt heeft het publiek het volste recht te laten weten dit zeer te betreuren en de familie te verzoeken het besluit nog eens kritisch onder de loep te nemen. Het argument van de adviseurs dat het archief in Nederland voor meer mensen toegankelijk is, slaat nergens op. 

Klein Kwartier, Curaçao, 1929. Uiterst rechts in matrozenpakje Boeli.
Foto Japa Beaujon

Ook op Curaçao wonen mensen die het archief willen inzien en van Nederlanders, die massaal naar Curaçao reizen voor een straaltje zonlicht, mag verwacht worden dat ze die reis ook willen maken om zich door dit archief te laten voorlichten. Dan de vraag of alle archieven van in het Nederlands schrijvende auteurs in Nederland thuishoren. Dit argument riekt naar inhaligheid. Wat is het meest wezenlijk van waarde? Het werk en de persoon inhoudelijk gezien, of de taal waarin de persoon zich uitdrukt? Mij dunkt het eerste. 

In Nederland is Boeli vrijwel onbekend. Hier is hij een begrip. Daarbij komt dat de geschiedenis van Curaçao moeilijk kan worden los gezien van het Nederlands dat eeuwenlang als belangrijke taal werd gesproken. Overigens denk ik dat het Letterkundig Museum in Den Haag begrip ervoor heeft dat de nalatenschap van een Curaçaos schrijver op Curaçao thuishoort. In Nederland wordt alles gedaan om archieven van bekende schilders en schrijvers vanuit het buitenland naar Nederland terug te halen. Ik neem aan dat niet met twee maten wordt gemeten.

[uit Antilliaans Dagblad, 29 november 2013]


maandag 25 november 2013

Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag

door Rob van Buiren
                                 
Geschokt door het artikel ‘Nalatenschap Boelie naar Den Haag’ in de Amigoe van afgelopen zaterdag [klik hier op CU] wil ik reageren op het bizarre idee om Boelie’s manuscripten, typoscripten en dergelijke in Den Haag op te slaan.
Beeld van Boeli van Leeuwen door Cornelis Zitman

Mijn reactie is die van een bewonderaar en genieter van Boelie’s boeken en essays. Maar tegelijkertijd die van een gesprekspartner van Boelie begin jaren tachtig en eind jaren negentig en begin jaren 2000.

Wij spraken af en toe over literatuur, over de Bijbel, over theologische vragen en over de diepste levensvragen waarmee je in Boelie’s boeken wordt geconfronteerd. Op literair gebied was Boelie zeker mijn meerdere; over theologische vragen kon ik met hem spreken als ware ook hij – zoals ik – theoloog. Voor mij waren die gesprekken altijd verrassend en uitdagend.

Als één van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap van Boelie vanzelfsprekend op Curaçao thuis. In dit verband is het goed om te zeggen dat er op Curaçao ideeën/plannen bestaan voor de stichting van een bescheiden letterkundig museum. Zo’n museum zou gemakkelijk gevuld kunnen worden met veel waardevol materiaal. Ik hoop van harte dat binnen afzienbare tijd deze plannen gerealiseerd kunnen worden.

‘Nalatenschap Boelie naar Den Haag’: het artikel maakt niet goed helder welke afspraken met de familie van Boelie gemaakt zijn. Wel wordt duidelijk dat er door de familie niet gedacht is aan permanente overheveling van Boelie’s nalatenschap naar Den Haag. Evenmin blijkt de familie op de hoogte te zijn van het ‘heugelijke’ feit van de viering op 15 december in Den Haag, voor welke viering de familie ook niet blijkt uitgenodigd te zijn.

Hoe het ook gegaan is in de contacten tussen de familie en de heren Aart Broek en Klaas de Groot: van beide heren mag verwacht worden dat zijzelf de overheveling van Boelie’s nalatenschap naar Den Haag als ongewenst en bizar hadden onderkend. Wie kan er van mening zijn dat de nalatenschap van Curaçaose en/of Antilliaanse schrijvers niet op Curaçao en/of de Antillen thuis horen?

Aart Broek en Klaas de Groot
Deze reactie – waar meerdere mensen op Curaçao reeds achter staan – is dan ook bedoeld om beide heren ervan te overtuigen dat hun plan van overheveling bizar en absoluut ongewenst is: “Heren, laat dit ongepaste plan vallen en gun Curaçao de nalatenschap van eigen schrijvers!”
Velen in onze Curaçaose gemeenschap zullen de aangekondigde overheveling zeker niet wensen.
Het zou goed zijn als meerdere mensen op Curaçao bekend zouden maken dat ook zij willen dat er van dit bizarre, ongepaste plan wordt afgezien en dat er concrete stappen worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum. Mocht u uw instemming met deze reactie kenbaar willen maken, doet u dat dan alstublieft per e-mail aan de volgende adressen: buiren39@gmail.com en bredekristensen@yahoo.com.

[uit Amigoe, 25 november 2013]

Het valt de redactie van dit blog op dat de heer Van Buiren de naam van de door hem bewonderde Boeli van Leeuwen consequent fout schrijft 

zaterdag 23 november 2013

Nalatenschap Boeli van Leeuwen naar Letterkundig Museum

Boeli van Leeuwen (Beurs- en Nieuwsberichten 1960)
De literaire nalatenschap van  mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) wordt toevertrouwd aan het Letterkundig Museum in Den Haag. Op 15 december a.s. zal het Letterkundig Museum de zorg voor deze bijzondere aanwinst onderstrepen met de opening van een expositie uit de nalatenschap. De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).

De nalatenschap bestaat uit diverse manuscripten en typoscripten van de romans en essays waarmee hij bekendheid verwierf. Die tonen het vakkundig bewerken van zijn teksten tot het bewonderde eindresultaat. De nalatenschap bevat ook het nodige werk-in-uitvoering, waarvan fragmenten alsnog gepubliceerd zullen worden.
De opening van de expositie op 15 december wordt begeleid door een toelichting van onder meer de onderzoekers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, en de cineast Sherman de Jesus. De opening wordt muzikaal ondersteund door de pianovertolking van Antilliaanse muziek, waaronder de wals ‘E yobida di ayera’ die Wim Statius Muller componeerde voor Boeli van Leeuwen.
Boeli van Leeuwen. Ets van Bert Kienjet

In een bijdrage aan het  tijdschrift De Parelduiker, dat in december verschijnt, wordt een deel van de nalatenschap van Van Leeuwen toegelicht. Dat artikel vormt een handzame begeleiding van de expositie. De beeldend kunstenaar Bert Kienjet maakte voor de gelegenheid een serie etsen van de belangrijkste Antilliaanse auteurs die het Nederlands kozen voor hun literaire werk: Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus Arion en Jules de Palm. Ook die set wordt gepresenteerd.

U bent uitgenodigd om aanwezig te zijn bij deze veelzijdige presentatie op zondagmiddag 15 december van 14.30 – 16.00. Maak nader kennis met een belangrijke representant van de Nederlandstalige literatuur van de Caribische eilanden en geniet van de muziek, een hapje en een drankje. Ook zal het mogelijk zijn werk van Van Leeuwen, een ets van Kienjet en het nummer van De Parelduiker aan te schaffen.
Typoscript van Van Leeuwens De eerste Adam


De entree is gratis voor museumkaarthouders en abonnees van De Parelduiker. Voor anderen gelden de reguliere museumentreetarieven. Niet bekend met het Letterkundig Museum? Kom dan minstens een uur eerder en neem de tijd voor de vaste tentoonstelling.

Laat het museum even weten of u aanwezig bent, bel 070 – 333 96 66

Tempels in woestijnen van Boeli van Leeuwen, uitgegeven in eigen beheer in 1947

woensdag 23 oktober 2013

Zoet Willemstad: Hoe smaken Punda en Otrobanda literair?

Ondergaande zon op Curaçao. Foto © Stephen Kennedy

door Klaas de Groot

De Nederlandse wandelaar met veel literatuur in het hoofd kan nu weer naar Schiphol. In 2010  wilde Ko van Geemert met zijn literaire stedengids Paramaribo Brasa! dit type lezer door Paramaribo loodsen, nu is Willemstad op Curaçao aan de beurt. Op 26 september presenteerde uitgeverij Bas Lubberhuizen namelijk de tweede tropische wandelgids van Van Geemert:  Dushi Willemstad. Het  is een flink boek geworden, omdat de auteur behalve twee forse wandelingen ook een lange rij cultureel-maatschappelijke “Curaçaose thema’s” wilde beschrijven. Vijf “Curaçaokenners” komen daarenboven in een eigen bijdrage aan het woord.

Hanchi Warda (Wachthuissteeg). Foto © Klaas de Groot

Het boek is duidelijk voor de Nederlandse toerist geschreven. Het feitenmateriaal, de toelichting op die feiten, bijvoorbeeld de introductie tot genoemde auteurs en andere personen is zeer uitgebreid. De samensteller heeft zo nieuwsgierig om zich heen gekeken en is zo gegrepen door het eiland dat hij na thuiskomst onmiddellijk terug wilde. Zijn inleiding heet dan ook ‘Heimwee naar Curaçao’. De heimwee is met name te zien op p. 6. Daar is een nostalgische tekening van Jo Spier afgebeeld uit 1948. Ook de omslag van het boek getuigt van weemoed. Op die omslag staat een oude ansicht met twee keurige echtparen die genieten van zon en zee op het terras van…Hotel Avila. Het hotel dat in 2013 nog steeds één van de grote toeristische trekpleisters is. Dit laatste ook omdat de geest van de schrijver Boeli van Leeuwen er voelbaar rondwaart. De belustheid op het eiland heeft ook een keerzijde: soms is het materiaal overweldigend. Vooral in de afdeling ‘Curaçaose thema’s'.

Beeld bisschop Niewindt. Foto © Michiel van Kempen

Het zal een hele toer zijn om met deze lijvige gids de Curaçaose zon te trotseren. Waarschijnlijk is de beste methode om voor of na een wandeling in de schaduw, onder een fan, de “Curaçaose thema’s” te bestuderen die eventueel zullen opduiken of al opgedoemd zijn. Het stukje over ‘De snèk’ kan het beste voor de wandeling doorgenomen worden. De opmerkingen over ‘Hato’ eigenlijk alvast in het vliegtuig. Stel nu dat je als Nederlander tijdens de wandeling misschien een keer het woord makamba hebt opgevangen, dan wordt het tijd om de opmerkingen over dat woord te verwerken. Het deel dat “Papiamentu” heet, dus over de taal gaat die het meest op Curaçao gesproken wordt, had beter “Papiaments” kunnen heten om vervolgens uitleg te geven over de benamingen ‘Papiamentu’ en het Papiamento. Het is jammer dat in het boek alle drie deze termen door elkaar gebruikt worden. Dit verheldert de toelichting niet. Waarschijnlijk heeft het te maken met het feit dat Van Geemert af en toe wel erg veel hooi op zijn vork neemt, dit zorgt dan voor scheurtjes in de steel van die vork.  

Twee wandelingen door Willemstad vormen de hoofdmoot van het boek. De eerste leidt door Punda, het stadsdeel achter Fort Amsterdam. Opvallend is dat deze wandeling veelal in de buurt van water blijft. Dat komt natuurlijk doordat het binnenvaren van de Annabaai heel wat keren door schrijvers wordt gereleveerd, laat staan bezongen. De kleine zijbaai het Waaigat ligt vlakbij de Scharlooweg, die voor een groot deel in de route is opgenomen. Een heel stuk Pietermaai wordt overgeslagen, maar gaande naar de Penstraat, loopt de wandelaar toch weer met het zout van de zee in zijn neus. De Penstraat wordt vaak genoemd door auteurs, maar eigenlijk zijn die allemaal op weg naar het Octagon en het veelbezongen Avilahotel. Voordat de wandeling terugkeert naar de stad, noemt Van Geemert nog de plek waar de Penstraat eindigt, namelijk Marie Pompoen. Hierbij had hij wel het gedicht van Frits van der Molen mogen noemen. Die schreef in De Stoep ooit het gedicht ‘Marie Pompoen’:  “Op de vlakte van Marie Pompoen / strooien de meisjes haar fatsoen / als bloemen op een vuilnisbelt / en elke lichaamsruil vraagt geld.” Zo luidt de eerste strofe van dit lange gedicht over het openluchtbordeel op die plek. In het stuk over Campo Alegre, één van “Curaçaose thema’s” wordt beschreven hoe het in 2013 gesteld is met de vervanging van Marie Pompoen. En Campo Alegre ligt tenslotte veel verder weg van Willemstad. De toerist komt daar waarschijnlijk alleen als hij de weg kwijt is.

Willemstad: Pietermaai en Punda


De Otrobandaroute is veel meer dan de Pundaroute een wandeling in de stad. De wandelaar loopt dichter bij de huizen, lijkt het. De stegen van deze wijk hebben heel wat literatuur opgeroepen. “Steegjes overschaduwd door ruïnes”, schrijft Walter Palm. Ook de verhalen van de recent overleden Jules de Palm werpen hun licht op deze bijzondere wijk. Van Geemert besteedt hier nogal wat aandacht aan de populaire bisschop Niewindt uit de negentiende eeuw. Hij vermijdt het echter de gedichten te noemen die Cornelis Ch. Goslinga schreef. Goslinga (genoemd in het persoonsnamenregister) dichtte het bundeltje Martinus Joannes Niewindt in vierentwintig sonnetten (uitgegeven in 1987 door De Schans, Werkendam). Na weer een stukje lopen krijgt het  huis Stroomzigt vanzelfsprekend heel wat aandacht, dat was immers het woonhuis van dichter-dokter Chris Engels. Van Geemert meandert zeer gedetailleerd door Otrobanda. Gelukkig kan de wandelaar even bijkomen in de legedarische Nettobar in de Breedestraat, vereeuwigd bijvoorbeeld door auteur Hans Vaders.
Belvederestraat 43/45. Foto © Klaas de Groot

Daarna had Van Geemert nog wel een paar bochten mogen maken teneinde in de Belvederestraat te komen. Daar woonde  op nr 11 en 43/45 de dichteres Aletta Beaujon in haar jeugd. Van haar verscheen in 2009 de Verzamelde gedichten: De schoonheid van blauw ~The Beauty of Blue (Haarlem, In de Knipscheer). In die bundel staat het gedicht

Piscadera bay – Scardana bay

Music near the sea
reminds me of the bay of Piscadera
soft music near the sea
reminds me of the soothing sea of Piscadera
Smooth music makes me lonely
far from all my childhood moods
All alone in a grown up world
I cry for the music of yesterday
and I want to swim again
at Piscadera bay
I want to float again
on the tunes of long ago
I want to be all alone
at Piscadera bay
to think again my childhood thoughts

Na het maken van de wandelingen en het ter harte nemen van alle gegevens zal het de literaire toerist waarschijnlijk duizelen. Daarom is het goed te weten dat niet ver van Willemstad, aan de Otrobandakant een kleine baai ligt waar het goed zwemmen is: de Piscaderabaai. De omgeving aldaar is inmiddels erg toeristisch geworden, maar er is een tijd geweest dat veel Curaçaoënaars in die baai leerden zwemmen. En daar moeten ook eilandbewoners tussen gezeten hebben, die zich later in de literatuur bekwaamd hebben. 

Carel de Haseth bij Boka Tabla. Foto © Michiel van Kempen

De “Curaçaokenners” die aan het woord komen, verschillen gelukkig nogal van invalshoek. Wim Rutgers doet de literair-historische kant met erg veel aandacht voor het proza en erg weinig voor de poëzie. Lucille Berry-Haseth heeft het over het vertalen in het Papiaments, een prima onderwerp in dit verband, met name voor deze vertaalster van heel wat gedichten en van de bekendste roman van Frank Martinus Arion: Dubbelspel. Een groot vriend van Boeli van Leeuwen, Nic Møller, tevens de man van het Avilahotel, schrijft een mooi stuk over Van Leeuwen. De Penstraat komt terug in een anekdotisch relaas van Jan Brokken. De anekdote is een kleurrijke verpakking van een boodschap voor de literaire wandelaar. Die luidt: Curaçao is geen Nederland, want zegt Brokken: ‘Want hoe Nederlands Curaçao van de buitenkant ook oogt, in de ziel van de eilanders meandert de Congo onverstoorbaar verder door het schimmenrijk van de voorvaderen.’
In hoeverre deze waarneming tot begrip of onbegrip leidt, is natuurlijk de vraag. Maar waarom zouden we alles moeten begrijpen, vraagt Carel de Haseth zich af in zijn veelzeggende bijdrage over de vermeende overzichtelijkheid van Curaçao. Ervaar het eiland, dat is beter dan het voortdurend willen begrijpen. Hij vertelt een jeugdherinnering over een haai die hij iedere middag, om ongeveer vier uur, de Annabaai zag binnenzwemmen, een rondje maken om vervolgens weer naar volle zee te verdwijnen. De Haseth eindigt dan met: ‘Wat het dier kwam doen, wat hem dreef, blijft een raadsel. Maar hij hoefde het eiland niet te begrijpen: hij ervoer het zoals het is en beleefde er ongetwijfeld plezier aan. Anders zou hij niet steeds weer terugkomen.’


Ik denk dat  Dushi Willemstad het ervaren van Punda en Otrobanda heel goed kan bevorderen. Niet bij haaien, wel bij (literaire) toeristen, ook van het eiland.

Ko van Geemert, Dushi Willemtad
Amsterdam 2013, Uitgeverij Bas Lubberhuizen
272 p. € 22.50



Banneling tussen sterrengruis: nog een gedicht voor Boeli van Leeuwen

door Klaas de Groot

Over 'De banneling', een gedicht van Hans Vaders. 

In 2011 publiceerden Hans Vaders en Herman van Bergen een opvallende dichtbundel: Kate Moss in Mahaai. Bijzonder omdat de gedichten van Vaders niet zozeer omlijst werden door het beeldend werk van Van Bergen, maar omdat de afbeeldingen zo nadrukkelijk aanwezig zijn. Ze zijn structureel bedoeld. De gedachte is niet geweest: laten we er ook eens een plaatje bij doen.

Zo staat eer op p.24 een prent van Boeli van Leeuwen waarop de schrijver te zien is in de laatste periode van zijn leven. Dat kan iedereen concluderen die de foto’s van Ken Wong, gemaakt op 10 oktober 2007, gezien heeft. Wong schoot ze op de dag dat Van Leeuwen een oeuvregeld werd toegekend door het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Op 28 november van dat jaar overleed de schrijver. Het beeld dat Van Bergen hier geeft, sluit goed aan bij het thema van het verval en de teloorgang, het grote thema van Kate Moss in Mahaai. Op de voorzijde van de afbeelding, p.23, staat het gedicht van Vaders dat hij opdraagt aan Van Leeuwen ‘De banneling’ [zie bericht hieronder - red. CU]. Gedicht en beeld op één blad papier.

Angel Rengell - Magdalene in love


Het gedicht geeft de indruk uit twee delen te bestaan. Strofe I, II, III en VI zijn dan de gedachten van een ik. Strofe IV en V gaan over een hij, die geïntroduceerd wordt als ‘oude banneling’. De ballingschap wordt gepreciseerd als een ‘exil’ waarin een ‘verlosser’ de woorden van de laatste strofe ‘stamelt’. Die woorden zijn ‘in staccato’ een erotisch getinte herinnering. De erotiek  wordt vermengd met Christelijke elementen. De aangesproken vrouw heet Maria en het lichamelijk samenzijn  vond plaats ‘onder het mij zo dierbaar bloedend hout’. Waarmee de lezer terug is bij de eerste strofe, waarin de ik zegt zich ooit gezien te hebben  als ‘de jonge Jezus’. Die ik leeft in de tweede strofe in het besef te bestaan buiten het paradijs, dat ‘ontluisterd’ is. De zondeval heeft plaatsgevonden, misschien is dat de verklaring voor de krachtterm, de vloek in de wending ‘Maar christus wat is / mij nu gebleven’.

Met strofe drie is iets bijzonders aan de hand. De eerste drie versregels passen heel wel bij de tweede strofe: de ik is terecht gekomen tussen kosmisch ‘sterrengruis’; de laatste drie regels sluiten heel goed aan bij de vierde strofe. Terwijl de banneling rust in ‘naaldpulp’, misschien wel dood is, danst de ‘zondebok’. Maar strofe III kan net zo goed als één geheel gelezen worden, zoals gepresenteerd door de dichter. De laatste drie regels tonen een hels beeld, in een surrealistische  zinswending. Die doet denken aan misschien wel de bekendste zin van het automatisch schrijven: 'Le cadavre exquis boira le vin nouveau’. En met dat automatisch schrijven zit de lezer bij het surrealischt element dat aan Kate Moss in Mahaai niet vreemd is.
 
Hans Vaders en Herman van Bergen
Over de opvallende beelden in dit gedicht valt  nog wel meer te zeggen,net als over de manier waarop Van Leeuwen in het gedicht aanwezig is. Bijvoorbeeld in hoeverre het beeld van de het banneling zijn Van Leeuwen aankleeft. Zelf gebruikte hij het in  het verhaal ’Onkel Patrice’, dat teruggaat naar 1947. Ook de overeenkomsten met drie gedichten voor Van Leeuwen, respectievelijk van Helen Lashley, Coco Rais en Shrinivási, zijn  interessant. Die gedichten zijn hier eerder besproken op Caraïbisch uitzicht. Vaders geeft in 'De banneling' zijn beeld van Boeli van Leeuwen. Hun samenwerking in de tijd van het ontstaan van Geniale anarchie moet tot heel wat inzicht geleid hebben. ‘Kijken naar is registreren,  zien is begrijpen’. Die zin uit ‘Door sterren verblind’ in De taal van de aarde,  en één van de adagia van Van Leeuwen, is door Vaders niet over het hoofd gezien.