Posts tonen met het label Broek Aart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Broek Aart. Alle posts tonen

zondag 19 januari 2014

Boeli van Leeuwen in De Parelduiker

Foto omslag: Rineke Dijkstra
De nieuwe Parelduiker verscheen nog net voor de jaarwisseling. Hieronder een deel van de beschrijving van de uitgever over dit nummer.

Ongepubliceerd werk uit de nalatenschap van Boeli van Leeuwen. Bezorgers Aart G. Broek en Klaas de Groot stelden een bloemlezing uit Van Leeuwens krantenstukken samen. Over de taak, de plicht en de liefde van de schrijver, over de Curaçaoënaars, de verhouding tot Nederland en de paspoortkwestie (ook toen al).

In december 2013 is de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen aan het Letterkundig Museum in Den Haag overhandigd.



dinsdag 17 december 2013

Nalatenschap Boeli van Leeuwen in Letterkundig Museum


De literaire nalatenschap van mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) is toevertrouwd aan het Letterkundig Museum (LM) in Den Haag. Op zondag 15 december werd door het LM de zorg voor deze bijzondere aanwinst publiekelijk onderstreept met de opening van een kleine expositie uit de nalatenschap. Bij die gelegenheid hielden de bezorgers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, elk een praatje, dat hierbij wordt opgenomen.
De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt door uitgeverij In de Knipscheer, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).
 
Aad Meinderts, directeur Letterkundig Museum, overhandigt etsen met de beeltenis van Antilliaanse auteurs aan Boeli's kleindochter Eva Koert. Foto @ Nico van der Ven

Terug naar de bron

door Aart G. Broek
Boeli van Leeuwen

‘Met een enkele lezer ben ik niet tevreden,’ liet Boeli van Leeuwen mij eens weten in een gesprek en hij vervolgde: ‘Hoe meer mensen mij lezen hoe liever het mij is.’ Op woensdag 28 november 2007 overleed Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen, vijfentachtig jaar oud. In maart 2012 overleed ook zijn vrouw, Dorothy Debrot, drieëntachtig jaar oud. Van hun dochters – Elisabeth en Ana – kreeg ik enkele maanden later het verzoek om mij over de literaire nalatenschap van hun vader te ontfermen. Meer in het bijzonder ging het om de archivalia die in de mahoniehouten ‘kast van Boeli’ lagen opgeborgen. De gelukkige omstandigheid deed zich voor, dat ik dit verzoek kon oppakken samen met Klaas de Groot. We ordenden de inhoud. Geselecteerde stukken mochten we meenemen voor nadere bestudering en, zo was het verzoek, onderbrengen in een geëigend openbaar archief voor duurzaam beheer. Dat werd het Letterkundig Museum in Den Haag. Juist omdat Van Leeuwen niet tevreden was met ‘een enkele lezer’.

In de tweede helft van de twintigste eeuw wortelde het Nederlands in de eilandelijke samenleving van Aruba, Bonaire en Curaçao. Er ontstond een gewaardeerde literaire productie. Hieraan zijn vooral de namen verbonden van Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus, Cola Debrot en Jules de Palm. Hoewel er nog steeds in het Nederlands wordt geschreven, krijgt de literaire productie in het Papiaments steeds meer gewicht. De Nederlandstalige literatuur op de eilanden zou langzaam maar zeker tot een historische periode kunnen gaan behoren.
 
Oorkonde bij de Vijverbergprijs, 1961
Waardering
Voor Van Leeuwen was de waardering vanuit Nederland voor zijn werk van cruciaal belang. Niet alleen huisde in Nederland zijn uitgever, eerst Van Kampen (Amsterdam), vervolgens Flamboyant (Rotterdam), daarna en tot nu toe - inmiddels meer dan dertig jaar! - In de Knipscheer (Haarlem). In Nederland werkten de critici die zijn romans, essays en columns lovend bespraken. In Nederland woonde het grote aantal lezers waarnaar hij op zoek was. De gunstige ontvangst aan de Noordzeezijde van het Koninkrijjk was voor hem een levensbron. Die voedde hem en inspireerde hem tot nieuw werk. Van Leeuwen was dan ook bijzonder geroerd door de toekenning van een ‘eregeld’ van de zijde van het Nederlands Letterenfonds kort voor zijn overlijden: een overrompelend gebaar van moederlandse waardering. Hoe eigenzinnig hij zich ook opstelde bínnen de Nederlandstalige letteren, Van Leeuwen wilde er vooral deel van uitmaken.
In lijn hiermee wordt de nalatenschap ondergebracht in het Letterkundig Museum: het mausoleum bij uitstek voor Nederlandstalige literaire nalatenschap. Natuurlijk is hiermee niet aangegeven, dat de kracht van Van Leeuwen en van zijn werk exclusief afhankelijk was van het ‘moederland’. Zeker niet, hij was een yu di tera: een Curaçaoënaar in hart en ziel. Van Leeuwen heeft dikwijls en op uiteenlopende wijzen zijn verbondenheid met het eiland onderschreven en beschreven. Ook in zijn nalatenschap komt die verbondenheid weer prachtig in beeld.

Schrijven
Hoe het ook zij, de Nederlandse taal kwam níet van zijn geboorte-eiland: die taal is eigenlijk wezensvreemd aan de eilandelijke samenleving. ‘Papiamentu is mijn moedertaal,’ benadrukte Boeli me in het eerder aangehaalde gesprek. ‘Wij spraken thuis altijd Papiamentu, ook toen ik van 1936 tot in 1946 met mijn moeder in Nederland woonde. In het Papiamentu SCHRÍJVEN is echter een heel andere zaak!’ Voor het schrijven verkoos Van Leeuwen het Nederlands.
                We brengen zijn Nederlandstalige nalatenschap naar de bron waaruit Boeli dronk - gulzig dronk. Het Letterkundig Museum maakt een eerste kennismaking met de nalatenschap mogelijk in een bescheiden expositie. Hoe meer mensen er kennis van nemen hoe liever het Boeli zou zijn geweest! Weer en weder dienende vinden we een manier om ook zijn eilandgenoten ermee te laten kennismaken.

De presentatie was in handen van - v.l.n.r.- Ernst Hirsch Ballin, Aart G. Broek, Eva Koert, Bert Kienjet, Aad Meinderts, Klaas de Groot, Alwin Toppenberg. Foto @ Nico van der Ven




Een machtig schrijverschap

door Klaas de Groot


In de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen trof mij in het bijzonder de aanwezigheid van een exemplaar van het poëtisch debuut van Van Leeuwen. Tempels in woestijnen heet die bundel, gepubliceerd in 1947. Zoals vele, meer of minder bekende auteurs bekeerde Van Leeuwen zich na een poëtische start tot het proza. Maar gelukkig niet geheel.
In de eerste roman De Rots der Struikeling, bijvoorbeeld, duikt op een gegeven moment een gedicht op. Het heet ‘In dit licht’ en het is zijn bekendste gedicht geworden. Het komt ook terug in een fotoboek dat Van Leeuwen maakte met de Curaçaose fotograaf Carlos Tramm. Misschien interessant is het feit dat Tramm en Van Leeuwen doende waren om tot nog zo’n boek te komen, waarin fotografie en poëzie samenkomen. Hierin zouden gedichten uit Tempels in Woestijnen worden verwerkt.
In Een vreemdeling op aarde, de tweede roman, staan twee gedichten die binnen de prozatekst duidelijk te onderscheiden zijn. Een, alleen in de krant gepubliceerd, gedicht is ‘Patriarch met trio’. Dat is een ode aan de muziekfamilie van Curaçao: de familie Palm. Deze gedichten zijn, samen met een licht scabreus gedicht te vinden op de blog Caraïbisch Uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Daar staan ook gedichten gemaakt door bewonderaars van Van Leeuwen.
 
Manuscript van Boeli van Leeuwen
Verhaal
De drukgeschiedenis van de bundel Tempels in woestijnen heeft een prachtig verhaal opgeleverd. Dat verhaal heet ‘Onkel Patrice’, het staat in Geniale Anarchie. Een hilarisch detail in dat verhaal is het feit dat Van Leeuwen sommige gedichten moest herzien, omdat er niet genoeg loden letters op het eiland voorradig waren. Een treffend voorbeeld van de macht van de techniek over de kunst. Of dit gegeven waar is, doet er niet toe. Het past bij alle andere verhaalelementen waarmee de auteur zijn verslag lardeert. Het Letterkundig Museum mag trouwens erg blij zijn met het geëxposeerde exemplaar. De oplage bedroeg vijftig exemplaren, waarvan er tien mislukten. Van de resterende veertig verkocht Van Leeuwen er acht. Tien gingen er naar vrienden en de overige verdwenen ten gevolge van aanvallen door tropisch ongedierte. Dit vertelt Van Leeuwen ook. U zult begrijpen dat anderen weer iets anders vertellen.
                In het tijdschrift De Parelduiker (2013 / 5) zijn nu twee gedichten uit de bundel opgenomen, waaronder het sonnet ‘Moeder van mijn moeder’. Hierin de majesteitelijke zin: ‘Een vorstin wordt niet gedwongen maar zij gaat’. Waarmee de moeder zich toch de meerdere toont van de dood die haar komt halen. Hier zijn wij bij de eschatologie, een geliefd onderwerp voor Van Leeuwen: het einde der tijden.
 
Portret van Boeli door Bert Kienjet
Krachtig
Opvallend in Tempels is het epische gedicht ‘Isla di Makuaku’. Ooit verklaarde Van Leeuwen dat hij dit gedicht als zijn beste beschouwde. Dat gedicht gaat over een louterend bad in zee en over bepaalde mythische elementen die in verband met dat eilandje met fregatvogels in de Sint Jorisbaai verteld worden. In de bundel staat het als één geheel. Toen ik het eens anders wilde lezen, zette ik spaties tussen de veertig zinnen waaruit het bestaat en het gedicht leek overzichtelijker te worden. Het lag als een Caribisch rif, zo mooi, uiteen.
Hoe Van Leeuwen al meteen in zijn vroegste werk aanwezig is, blijkt uit het gedicht ‘Soldaten’. Aan het eind van het eerste kwatrijn staat: ‘en mijn droom verschijnt’. Dan volgt er een visioen. Deze werkwijze is Boeliaans. Dat weten we nu, na al zijn romans. Tekenend in dit verband is het feit dat de eerste vijf woorden van het eerste gedicht al helemaal Van Leeuwen zijn. Ik ben die ik ben, was een adagium. Het luidt: ‘Ik ben zoals ik ben, nauwelijks denkend aan de duizend wonden, / En soms onnoemelijk bezeerd om één verloren traan. / Ik zie de pijn niet in het verborgen zwoegen der gezonden, / Maar de hand die brak het broodgeworden graan.’
Een krachtig begin van een machtig schrijverschap.

maandag 2 december 2013

Boeli (3)

Trudi Guda. Foto © Michiel van Kempen
door Trudi Martinus-Guda

Hierbij steun ik graag het initiatief van de heer Van Buiren en anderen om te komen tot een Letterkundig museum op Curaçao, waar de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen geheel of gedeeltelijk kan worden ondergebracht. Uiteraard als zijn erfgenamen het hiermee eens zijn. Ik hoop wel dat de oprichting van een dergelijk museum een eind zal maken aan de bestaande literaire ‘apartheid’. Ik bedoel hiermee het onderscheid in bejegening tussen schrijvers wier werk een vermeend pro-Nederlands (Europees) karakter zou hebben en die men beschouwt als representanten van de Nederlandse groep c.q. Nederland op Curaçao, en diegenen wier werk een vermeend anti-Nederlands (Europees, what about Curaçaos?) uitgangspunt zou hebben, die beschouwd worden als representanten van een eigenzinnige niet-Nederlandse bevolking, en om die reden met negatieve reserve tegemoet worden getreden. Hiertoe behoren overigens ook niet-Nederlandse schrijvers wier werk wel binnen het gewenste perspectief valt, of wier werk bruikbaar is voor de Nederlandse politiek van het moment, hetgeen de bejegening toch positief kan beïnvloeden.

Met name Aart Broek die kennelijk bezig is, geheel volgens bovengenoemde gedachtelijn, de onverdeelde literaire nalatenschap van Van Leeuwen in het Nederlands Letterkundig Museum onder te brengen, houdt zich al jaren bezig met Nederlands-nationalistische verdeel-en-heers activiteiten binnen het Curaçaose literaire domein. Al dan niet aangestuurd/gesubsidieerd door politiek Den Haag.
Het huwelijk van Boeli van Leeuwen met
 Dorothy Debrot in 1947, ingezegend door
 ds Eldermans.
 Uit Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.

Ik hoop daarom van harte dat het initiatief om te komen tot een Curaçaos Letterkundig museum zal slagen. We hebben immers al musea voor postzegels en munten! Wat de schrijvers zelf betreft is een dergelijke onderneming, denk ik, zeker oké. Als echtgenote van Frank Martinus Arion moet ik helaas melden dat het kopje koffie waar Boeli van Leeuwen Frank voor uitnodigde, niet is doorgegaan vanwege Boeli’s overlijden. Ik herinner me verder dat, nadat hij zich weer op Curaçao vestigde (begin jaren tachtig) Frank, om de Curaçaose schrijvers bij elkaar te brengen, een barbecue organiseerde bij ‘kluizenaar’ Tip Marugg thuis op Pannekoek. Deze ontmoeting werd het begin van regelmatig contact, voorheen niet bestaand, tussen Tip en Boeli van Leeuwen. Volgens mij zouden/zullen de schrijvers zelf het wel eens zijn met de oprichting van een neutraal, bonafide Letterkundig museum waar zowel werk van Boeli als van andere schrijvers, alsook informatie over hun literaire activiteiten, een permanent thuis zullen kunnen vinden. In het belang van Curaçao en van de literatuur.

[uit Amigoe, 27 november 2013]


Literaire nalatenschap Boeli van Leeuwen: 'Teruggeven aan de bron'

door Elodie Voorbraak

Willemstad - De overdracht van de literaire nalatenschap van de Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen aan het Letterkundig Museum is een besluit dat in onderling overleg en met instemming van de verantwoordelijke nabestaanden werd genomen. Dat laat onderzoeker en auteur Aart G. Broek desgevraagd weten. Sterker nog: Van Leeuwen zelf stond achter de idee zijn werk op deze wijze te bewaren.

Boeli van Leeuwen. Foto @ Klaas de Groot
"Van Leeuwen was een Curaçaoënaar in hart en ziel, maar hij prees zich ook gelukkig met de rol die hij in de Nederlandstalige literatuur speelde. Die verbondenheid wordt onderstreept door de overdracht van zijn nalatenschap naar Den Haag." Broek reageert hiermee op de ophef die is ontstaan sinds hij en zijn collega Klaas de Groot wereldkundig maakten dat de literaire nalatenschap van Van Leeuwen aan het Letterkundig Museum zal worden toevertrouwd. Op 15 december zal die overdracht officieel worden gemaakt. Navraag door de Amigoe eerder deze week hieromtrent leverde de enigszins verontrustende informatie op dat de nabestaanden van Van Leeuwen niet volledig op de hoogte leken te zijn van deze feiten.
Volgens Broek echter gingen aan dit feit jaren van overleg en praten vooraf. Met de nabestaanden van de in 2007 overleden auteur maar ook met de auteur Van Leeuwen zelf, toen die nog in leven was.
"Natuurlijk is hierover gesproken. Zeker toen Van Leeuwen al op hoge leeftijd was. De vraag drong zich op. Dit zijn dingen waarover je na gaat denken wanneer je beseft dat je in de nadagen van het leven rondstruint en er iets te bewaren is."

 Typoscript. Foto @ Aart G. Broek
Taal

Broek benadrukt dat de auteur Van Leeuwen niet alleen voor Curaçao een belangrijk auteur was, maar vooral ook voor de Nederlandse taal en daarmee van belang is in het literaire landschap van die taal.
"Van Leeuwen schreef in het Nederlands, was die taal machtig op een zeer hoog niveau en was daar ook erkentelijk voor. Het was zijn wens om zijn werk uiteindelijk terug te geven aan de bron waar die taal vandaan komt."
Het nadenken en besluiten over de uiteindelijke 'rustplaats' van Van Leeuwens nalatenschap heeft volgens Broek weinig te maken met de vraag 'van wie de auteur Van Leeuwen is.' "Dit gaat niet over een keuze tussen Curaçao of Nederland. Dit gaat over de taal. En daarin heeft Van Leeuwen een bijzondere plaats verworven. Dat overstijgt de discussie. Dit gaat over een nalatenschap van creatief intellectuele waarde voor de Nederlandse taal met daarin gevat het geraamte en de ziel van Curaçao zoals Van Leeuwen dat zag."

De onderzoeker wijst dan ook enige verwijzing naar het op Curaçao niet kunnen vinden van een deugdelijke 'bewaarplaats' van de hand. "Daar gaat het niet om. Er zijn wel degelijk instellingen op Curaçao die deze nalatenschap goed zouden kunnen conserveren. Instellingen zoals het Archivo Nashonal, de Universiteit, de Biblioteka Públiko Kòrsou en de bibliotheek van S.A.L. ‘Mongui’ Maduro. Dat heeft echter niets met deze beslissing te maken gehad. Dit gaat over de betekenis van Van Leeuwen voor de Nederlandse taal."

Familie
Broek laat ook weten dat de familie van begin af aan bij dit moeilijke proces betrokken is geweest. En dat zijzelf om de bemiddeling van Broek heeft verzocht. "Vanzelfsprekend heb ik mij ingespannen om alle betrokkenen zo goed mogelijk te informeren en geïnformeerd te houden. Dit heb ik trachten te doen vanaf het moment dat ik gevraagd ben door de familie om ervoor te zorgen dat de nalatenschap op een Boeli-waardige plaats duurzaam wordt bewaard." De onderzoeker benadrukt verder dat er niets van Van Leeuwens nalatenschap is meegenomen zonder toestemming van de familie en dat hij en De Groot steeds zo zorgvuldig mogelijk hebben geprobeerd te zijn.
"Het is niet gemakkelijk om de eindigheid van een leven, van wie dan ook, in materiële zin onder ogen te zien. Er komt niets nieuws meer. Wat er is, is wat er is. Het is moeilijk te beseffen dat er echt niets meer bij komt. Leden van de familie zijn bij het uitzoeken van het materiaal steeds aanwezig geweest. Heel moedig vond ik dat."

Typoscript. Foto @ Aart G. Broek
Wel instemming
Broek laat ter onderschrijving van het bovenstaande ook weten dat het Letterkundig Museum maanden terug al zijn erkentelijkheid voor het vertrouwen kenbaar heeft gemaakt in een brief aan de familie. "Inmiddels heb ik naar aanleiding van het bericht in de Amigoe natuurlijk contact gehad met de familie. Er is geen dagelijks contact hierover geweest en wellicht dat het persbericht dat wij hebben doen uitgaan hen heeft overvallen. Dat is ongelukkig. Ik meen echter gerustgesteld te mogen zijn. Dit lijkt mij te worden onderstreept door het gegeven dat bij de presentatie van 15 december aanstaande Eva, de kleindochter van Boeli van Leeuwen, aanwezig zal kunnen zijn als vertegenwoordigster van de familie. Hiermee zijn we natuurlijk bijzonder gelukkig."

De familie zelf heeft inmiddels ook laten weten wel achter het besluit te staan om de nalatenschap van de schrijver Boeli van Leeuwen bij het Letterkundig Museum te conserveren. En dat zij graag zouden zien dat de ophef hierover tot rust komt.

zondag 1 december 2013

Archief Boeli van Leeuwen

door Brede Kristensen
  
Kortgeleden stelde Robert van Buiren in een ingezonden stuk dat de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen ‘vanzelfsprekend op Curaçao thuishoort’. Dat lijkt mij ook. Deze dagen heb ik gemerkt (mijn mailadres werd erbij vermeld) dat een onverwacht groot aantal mensen hierop instemmend via mail, telefoon en ingezonden stukken heeft gereageerd. 

Geboortehuis van Boeli van Leeuwen, Casa Blanca, op Curaçao.
Foto C.H.A. Uit: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.

Kennelijk leeft dit onder de mensen. Natuurlijk heeft de familie het volste recht ermee te doen wat ze wil en adviseurs en bemiddelaars in de arm te nemen die haar daarin willen bijstaan. Inmiddels begrijp ik dat ook Boeli zelf het geen slecht idee vond dat zijn literaire nalatenschap in het Letterkundig Museum van Den Haag zou worden gedeponeerd. Dat betekent echter niet dat het publiek er verder niets mee te maken heeft.
Ooit heeft Boeli besloten met zijn literaire werk naar buiten te treden. Zijn romans werden gepubliceerd, gelezen en gewaardeerd. Zo is hij een publieke figuur geworden, deel van de Curaçaose culturele en literaire historie. Een persoon waar Curaçao terecht trots op is. Zijn romans zijn tot op de dag van vandaag een bron van inspiratie, reflectie en bewustwording voor zeer veel mensen hier. Tegen die achtergrond is het ongewenst dat het archief van een zo belangrijk schrijver naar het buitenland verdwijnt.

Nota bene is Curaçao bezig iets aan 'natievorming' te doen. Curaçao moet alles in het werk stellen hier een eigen Letterkundig Museum op te richten dat aandacht schenkt aan de uitzonderlijk grote letterkundige productie van Curaçao met zijn 130.000 inwoners (Cola Debrot, Pierre Lauffer, Charles Corsen, Louis Daal, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Elis Juliana en dan de vele schrijvers en dichters nog in leven) Dat bij gebrek aan een goed onderkomen het archief van Boeli van Leeuwen in bruikleen wordt gegeven aan een museum in Den Haag, is als tijdelijke oplossing oké.
Maar het is in het Curaçaose publieke belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt dat het archief teruggaat naar Curaçao zodra het hier beheerd kan worden. Indien de familie en hun adviseurs het daarmee niet eens zijn, dan zij het zo. Op zijn beurt heeft het publiek het volste recht te laten weten dit zeer te betreuren en de familie te verzoeken het besluit nog eens kritisch onder de loep te nemen. Het argument van de adviseurs dat het archief in Nederland voor meer mensen toegankelijk is, slaat nergens op. 

Klein Kwartier, Curaçao, 1929. Uiterst rechts in matrozenpakje Boeli.
Foto Japa Beaujon

Ook op Curaçao wonen mensen die het archief willen inzien en van Nederlanders, die massaal naar Curaçao reizen voor een straaltje zonlicht, mag verwacht worden dat ze die reis ook willen maken om zich door dit archief te laten voorlichten. Dan de vraag of alle archieven van in het Nederlands schrijvende auteurs in Nederland thuishoren. Dit argument riekt naar inhaligheid. Wat is het meest wezenlijk van waarde? Het werk en de persoon inhoudelijk gezien, of de taal waarin de persoon zich uitdrukt? Mij dunkt het eerste. 

In Nederland is Boeli vrijwel onbekend. Hier is hij een begrip. Daarbij komt dat de geschiedenis van Curaçao moeilijk kan worden los gezien van het Nederlands dat eeuwenlang als belangrijke taal werd gesproken. Overigens denk ik dat het Letterkundig Museum in Den Haag begrip ervoor heeft dat de nalatenschap van een Curaçaos schrijver op Curaçao thuishoort. In Nederland wordt alles gedaan om archieven van bekende schilders en schrijvers vanuit het buitenland naar Nederland terug te halen. Ik neem aan dat niet met twee maten wordt gemeten.

[uit Antilliaans Dagblad, 29 november 2013]


maandag 25 november 2013

Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag

door Rob van Buiren
                                 
Geschokt door het artikel ‘Nalatenschap Boelie naar Den Haag’ in de Amigoe van afgelopen zaterdag [klik hier op CU] wil ik reageren op het bizarre idee om Boelie’s manuscripten, typoscripten en dergelijke in Den Haag op te slaan.
Beeld van Boeli van Leeuwen door Cornelis Zitman

Mijn reactie is die van een bewonderaar en genieter van Boelie’s boeken en essays. Maar tegelijkertijd die van een gesprekspartner van Boelie begin jaren tachtig en eind jaren negentig en begin jaren 2000.

Wij spraken af en toe over literatuur, over de Bijbel, over theologische vragen en over de diepste levensvragen waarmee je in Boelie’s boeken wordt geconfronteerd. Op literair gebied was Boelie zeker mijn meerdere; over theologische vragen kon ik met hem spreken als ware ook hij – zoals ik – theoloog. Voor mij waren die gesprekken altijd verrassend en uitdagend.

Als één van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap van Boelie vanzelfsprekend op Curaçao thuis. In dit verband is het goed om te zeggen dat er op Curaçao ideeën/plannen bestaan voor de stichting van een bescheiden letterkundig museum. Zo’n museum zou gemakkelijk gevuld kunnen worden met veel waardevol materiaal. Ik hoop van harte dat binnen afzienbare tijd deze plannen gerealiseerd kunnen worden.

‘Nalatenschap Boelie naar Den Haag’: het artikel maakt niet goed helder welke afspraken met de familie van Boelie gemaakt zijn. Wel wordt duidelijk dat er door de familie niet gedacht is aan permanente overheveling van Boelie’s nalatenschap naar Den Haag. Evenmin blijkt de familie op de hoogte te zijn van het ‘heugelijke’ feit van de viering op 15 december in Den Haag, voor welke viering de familie ook niet blijkt uitgenodigd te zijn.

Hoe het ook gegaan is in de contacten tussen de familie en de heren Aart Broek en Klaas de Groot: van beide heren mag verwacht worden dat zijzelf de overheveling van Boelie’s nalatenschap naar Den Haag als ongewenst en bizar hadden onderkend. Wie kan er van mening zijn dat de nalatenschap van Curaçaose en/of Antilliaanse schrijvers niet op Curaçao en/of de Antillen thuis horen?

Aart Broek en Klaas de Groot
Deze reactie – waar meerdere mensen op Curaçao reeds achter staan – is dan ook bedoeld om beide heren ervan te overtuigen dat hun plan van overheveling bizar en absoluut ongewenst is: “Heren, laat dit ongepaste plan vallen en gun Curaçao de nalatenschap van eigen schrijvers!”
Velen in onze Curaçaose gemeenschap zullen de aangekondigde overheveling zeker niet wensen.
Het zou goed zijn als meerdere mensen op Curaçao bekend zouden maken dat ook zij willen dat er van dit bizarre, ongepaste plan wordt afgezien en dat er concrete stappen worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum. Mocht u uw instemming met deze reactie kenbaar willen maken, doet u dat dan alstublieft per e-mail aan de volgende adressen: buiren39@gmail.com en bredekristensen@yahoo.com.

[uit Amigoe, 25 november 2013]

Het valt de redactie van dit blog op dat de heer Van Buiren de naam van de door hem bewonderde Boeli van Leeuwen consequent fout schrijft 

zaterdag 23 november 2013

Nalatenschap Boeli van Leeuwen naar Letterkundig Museum

Boeli van Leeuwen (Beurs- en Nieuwsberichten 1960)
De literaire nalatenschap van  mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) wordt toevertrouwd aan het Letterkundig Museum in Den Haag. Op 15 december a.s. zal het Letterkundig Museum de zorg voor deze bijzondere aanwinst onderstrepen met de opening van een expositie uit de nalatenschap. De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).

De nalatenschap bestaat uit diverse manuscripten en typoscripten van de romans en essays waarmee hij bekendheid verwierf. Die tonen het vakkundig bewerken van zijn teksten tot het bewonderde eindresultaat. De nalatenschap bevat ook het nodige werk-in-uitvoering, waarvan fragmenten alsnog gepubliceerd zullen worden.
De opening van de expositie op 15 december wordt begeleid door een toelichting van onder meer de onderzoekers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, en de cineast Sherman de Jesus. De opening wordt muzikaal ondersteund door de pianovertolking van Antilliaanse muziek, waaronder de wals ‘E yobida di ayera’ die Wim Statius Muller componeerde voor Boeli van Leeuwen.
Boeli van Leeuwen. Ets van Bert Kienjet

In een bijdrage aan het  tijdschrift De Parelduiker, dat in december verschijnt, wordt een deel van de nalatenschap van Van Leeuwen toegelicht. Dat artikel vormt een handzame begeleiding van de expositie. De beeldend kunstenaar Bert Kienjet maakte voor de gelegenheid een serie etsen van de belangrijkste Antilliaanse auteurs die het Nederlands kozen voor hun literaire werk: Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus Arion en Jules de Palm. Ook die set wordt gepresenteerd.

U bent uitgenodigd om aanwezig te zijn bij deze veelzijdige presentatie op zondagmiddag 15 december van 14.30 – 16.00. Maak nader kennis met een belangrijke representant van de Nederlandstalige literatuur van de Caribische eilanden en geniet van de muziek, een hapje en een drankje. Ook zal het mogelijk zijn werk van Van Leeuwen, een ets van Kienjet en het nummer van De Parelduiker aan te schaffen.
Typoscript van Van Leeuwens De eerste Adam


De entree is gratis voor museumkaarthouders en abonnees van De Parelduiker. Voor anderen gelden de reguliere museumentreetarieven. Niet bekend met het Letterkundig Museum? Kom dan minstens een uur eerder en neem de tijd voor de vaste tentoonstelling.

Laat het museum even weten of u aanwezig bent, bel 070 – 333 96 66

Tempels in woestijnen van Boeli van Leeuwen, uitgegeven in eigen beheer in 1947

dinsdag 8 oktober 2013

Gekleurde lessen uit Curaçao


Kleur het Sintfeest rustig bij en blijf vooral dansen, zingen en lekker eten 

door Aart G. Broek

Na de gewelddadige revolte van mei '69 op Curaçao dienden niet alleen de gouverneur, de premier en de hoofdcommissaris een zo donker mogelijke huidskleur te hebben, maar ook Sinterklaas. Op het eilandelijke Peter Stuyvesant College (PSC) – een school voor havo/VWO - kleurde Sinterklaas en verbleekten de Zwarte Pieten uit protest tegen onderdrukking en racisme van het moederland. Eigenlijk diende het feest voorgoed van het eiland verbannen te worden.

Na enkele jaren was op het PSC Sinterklaas weer wit. De Zwarte Pieten werden weer flink zwart geschminkt met een moeilijk verwijderbaar smeersel, óók al waren zij zelf reeds meer of minder donker gekleurd. Op alle andere scholen was het niet anders. Was er niets veranderd? Jawel, op korte termijn zou minder radicaal worden gehandeld, maar op de lange duur zouden meer ingrijpende ontwikkelingen volgen.

Zwarte Piet op Curaçao./ Foto nu.nl


Zoals gebruikelijk meenden ook in de jaren tachtig honderden ouders (waaronder ik zelf), dat onze kinderen - van zeer uiteenlopende etniciteit – Sinterklaas moesten begroeten bij zijn aankomst in de haven van Willemstad. Hij was blank. Hij reed op een wit paard (misschien wel het enige op het eiland) en zijn tientallen Zwarte Pieten waren zwart-zwart geschminkte eilandbewoners van diverse huidskleuren, zij hadden geen paard (zelfs geen ezel), zij liepen, deelden snoepgoed uit, lieten een enkel kind schrikken, maakten kinderen aan ’t lachen, buitelden over elkaar, en zongen luidkeels: Papiamentstalige sinterklaasliederen op swingende Caraïbische ritmes!

Die Sinterklaas-hits duwden moederlandse liedjes moeiteloos de kade af. Onder de bezielende leiding van Enid Hollander zongen Curaçaose kinderstemmen Sinterklaas in het Papiaments het eiland over, muzikaal ondersteund door de meest populaire band van het eiland: Doble R die werd geleid door Rignald Recordino.

Niet alleen de liederen veranderden van taal en ritme, ook Sinterklaas werd 'bijgeschoold'. Gezien de achtergrond van de kinderen, werd de Goedheiligman toch echt geacht niet alleen in het Nederlands (de officiële taal) te kunnen spreken, maar sowieso ook een persoonlijk woord in het Engels, Papiaments en Spaans te kunnen richten tot de peuters en kleuters. Vele peuters vonden de Zwarte Piet overigens maar een engerd: het eiland bestaat grotendeels uit gekleurde mensen, maar de heftig zwart geschminkte Pieten zagen er – mogelijk mede door hun kleurrijke pakken en gevederde petten en hun capriolen - toch nadrukkelijk anders uit dan ieder was gewend. Zwarte Piet was waarschijnlijk voor ieder kind – ongeacht de huidskleur – toch vooral een 'ander' en niet iemand om zich mee te identificeren.

Sinterklaas vaart binnen in het Waaigat. Foto Festival Solo Arte


Het Papiaments Antillianiseerde het feest. De Sint spreekt tegenwoordig allereerst de taal van het eiland: ook het Papiaments werd een officiële taal. De Papiamentstalige liedjes van Enid Hollander, Rignald Recordino en Zjozjoli zijn 'klassiekers' geworden en worden jaarlijks volop gespeeld, terwijl ook nieuwe hits zich aandienen. De Pieten verven zich inmiddels in allerhande kleuren die eerder aan het carnaval doen denken dan aan het traditionele Sinterklaasfeest. Langzaam maar zeker wordt het Sinterklaasfeest steeds uitbundiger en wordt het feest nieuwe kleur-, muziek- en dansvariaties meegegeven. Kortom, het feest begint een warming-up voor het carnaval te worden. Van een bestraffende Sint is sowieso al lang geen sprake meer. De Sint is gedienstig. Zwarte Pieten maken de dienst uit. Sinterklaas (blank) en tientallen Pieterknechten (zwart, groen, geel, blauw, rood, oranje)varen jaarlijks de haven binnen onder luid gejuich van honderden kinderen en hun ouders, zowel autochtone eilandbewoners als Nederlandse passanten.

Aan het afschaffen van het Sinterklaasfeest wordt op Curaçao niet gedacht. De uitspraak van wethouder Van Es - 'Tijd om afscheid te nemen van Zwarte Piet' - bereikte vorig jaar ook het eiland. In die eilandelijke samenleving is echter al lang en breed bekend, dat je Sinterklaas zwart kunt maken en Nederlandse stagiaires voor Zwarte Piet kunt laten spelen zoveel je wilt ... Maar met die wisseling van kleuren wordt geen enkele garantie ingebouwd dat kleurrijke politieke bestuurders van het eiland en van de overheids-nv’s meer integer en minder corrupt zullen zijn dan blanke koloniale voorgangers.

Foto @ jannetopcuracao

Kortom; laat je niet leiden door overspannen verwachtingen van een radicale ommezwaai. Kleur het feest rustig bij en blijf vooral dansen, zingen en lekker eten.

Sinterklaas blijft dan ook op het eiland komen. Hij komt met Zwarte Piet. De weersvoorspellingen in het moederland mogen slecht zijn, op het eiland schijnt de zon. Curaçao kent zelden slecht weer. De kinderen van Enid en Riginald zingen dan ook: Mi kurason ta bati, budikudum / Mi pia ta tembla, rikitikitum, / ma tog mi ta kontentu ... ta luna di San Nikolas. M’n hart slaat hard, boedikoedoem / M’n knieën knikken, rikketikketoem, /maar toch ben ik blij ... want het is de maand van Sint Nicolaas.

Er is in dezen wel een voorbeeld te nemen aan Curaçao.

[van joop.nl, 8 oktober 2013]

donderdag 26 september 2013

Dushi Willemstad

door Aart G. Broek

Welkomstwoord’ bij gelegenheid van de presentatie van Ko van Geemert, Dushi Willemstad (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2013) in het MC Theater, Westergasfabriekterrein Amsterdam, donderdag 26 september, 17 uur.

Het verzoek van de redacteur/auteur Ko van Geemert om u toe te spreken heb ik enigszins misnoegd ontvangen. Het artikel dat ik wilde bijdragen aan het boek dat wordt gelanceerd, Dushi Willemstad, was terzijde geschoven door Van Geemert. Voor mijn beschrijving van een bezoek aan Tip Marugg - die jarenlang woonachtig was op de vroegere plantage Pannekoek, ver buiten Willemstad – was geen plaats. Zo had Van Geemert gemeend, mogelijk op goede maar voor mij minder plezierige gronden. Een kort welkomstwoord voor Dushi Willemstad vond ik dan ook weinig aanlokkelijk. Ik dacht: ‘Zoek het verder ook maar uit zonder mij!’ Of, wat vriendelijker geformuleerd, de publicatie kan uitstekend zonder een tekst van mij ín de uitgave, dan kan de publicatie ook uitstekend zonder een tekst van mij ter ondersteuning van de lancering ervan.

Het verzoek van Van Geemert bereikte mij echter toen ik in ‘dushi Willemstad’ verbleef. Dat stemt mild, al was het maar door de verzengende hitte in augustus/september. Bovendien zat ik ook enkele malen op het terras van het hotel Avila dat op het omslag van het boek staat en werd daar door de vriendelijke ambiance, een witte wijn en een verkoelende passaatwind ontdaan van mijn twijfel. Natuurlijk mocht ik niet kleinzielig zijn, moest ik het boek welkom heten en diende ik uw belangstelling ervoor te voeden. Vooruit!

Ik weet dus van één tekst dat die er níét in staat, maar welke teksten er wél in staan, weet ik niet. Dat blijft nog even een verrassing, al doen het omslag en een aangekondigde bijdrage van de hand van Nic Møller – eigenaar van voornoemd hotel – vermoeden dat persoon en werk van Boeli van Leeuwen ter sprake komen. Het terras van Avila had Van Leeuwen tot ‘a home away from home’ gemaakt, hij hield er audiëntie, tekende exemplaren van zijn boeken, charmeerde er dames en schoffeerde er politieke, artistieke en intellectuele zwaargewichten.

Boeli van Leeuwen, ets, Bert Kienjet, 2009


Hoort Avila eigenlijk wel tot Willemstad? In de negentiende eeuw lag het indrukwekkende gebouw dat nu onder meer de lobby en kantoorruimtes van het hotel omvat, buiten de stad, buiten Willemstad. Het vormde ooit zelfs het ‘landelijke’ buitenverblijf van de gouverneurs die bestuurlijk huisden in het paleis dat in het fort in de Punda ligt. Willemstad omvatte: de Punda, Otrobanda, Scharloo en Pietermaai. De wijk waar Boeli van Leeuwen woonde – Van Engelen – was ooit een plantage, ver weg van Willemstad. Het maakt in ieder geval nieuwsgierig waar Van Geemert de grenzen van Willemstad legt. Het valt niet te ontkennen dat, ondanks de groei van Willemstad in de afgelopen honderd jaar, de plantage Pannekoek, waar Tip een woning huurde, nog steeds niet bij Willemstad hoort. Een bijdrage over een tocht naar Marugg schiet voorbij het doel van de uitgave – begrip gloort.

Havenmonding Willemstad, brugverbinding Punda / Otrobanda


In die stad heeft ooit één wijk niet alleen de belangrijkste personages voor romans maar ook de meeste lezers ervan opgeleverd: Otrobanda. Tussen ca. 1920 en 1935 werden ruim een dozijn Papiamentstalige romans geschreven, die de rooms-katholieke moraal verdedigde. Wie zich daar niet aan wist te houden, zou kommerlijk ten ondergaan, zo wilde de nadrukkelijke boodschap. Deze tendensromans – van de hand van Willem Kroon, Manuel Fray en Miguel Suriel – waren vooral bedoeld voor mannen met een ambachtelijke achtergrond, hun vrouwen en jong volwassen kinderen. Die woonden in Otrobanda en liepen gevaar om te worden ‘opgeslokt’ door de westerse genoegens die de uitdijende raffinaderij met zich meebracht. Deze romans waren grotendeels gesitueerd in Otrobanda.

Molenplein, Otrobanda, Willemstad.


Het zal niet meevallen een kwalitatief interessant fragment in de Papiamentstalige romans te vinden, dat zou kunnen tippen aan de beschrijving die Tip Marugg ons achterliet van Otrobanda, de wijk waar hij werd geboren en opgroeide. Dat fragment verscheen in het Curaçaose tijdschrift Kristòf en werd natuurlijk ook opgenomen in zijn verzameld werk (De hemel is van korte duur [2009]). Hoe het ook zij, enige kennis van de Curaçaose letteren maakt in ieder geval nieuwsgierig naar wat Van Geemert binnen de grenzen van Willemstad de moeite waard vindt om onze aandacht op te vestigen. Die Papiamentstalige romans wel of juist niet?

Pasfoto van Tip Marugg


Wandelend door ‘dushi Willemstad’ in de hitte van eind augustus/begin september werd ik alleen maar meer nieuwsgierig naar het gelijknamige boek van Van Geemert. Hoe hadden schrijvers van eilandelijke bodem eigenlijk naar hun stad gekeken? Zij niet alleen. Doen literaire passanten ook mee of worden die buiten het literaire Willemstad gelaten? Hoe hadden die passanten erop gereageerd, er zich door laten inspireren? Door de stegen, pleintjes, forten, het waaigat, de grote stadshuizen, de erven, de markten, de bars, winkels, de begraafplaatsen, de openluchtbordelen in de mondi aan de stadsrand, de kust, de haven, binnenwateren met mangroven ... en bovenal door de mensen van zo een divers pluimage. Wandelend door ‘dushi Willemstad’ wist ik Van Geemert te vergeven, dat hij mij buiten het boek had gelaten. En straks, wanneer ik door de bladzijden van Dushi Willemstad struin, zullen de laatste kruimels aan wrevel ongetwijfeld worden weggeveegd.

Gouverneurspaleis, Punda, Willemstad


Want ... voor wie zich aan ‘dushi Willemstad’ overgeeft, merkt hoe louterend de stad werkt. Het zal met het gelijknamige boek niet anders zijn. Kortom, mijn welgemeende felicitaties voor de uitgever, Bas Lubberhuizen, voor Hein Aalders, de redactionele steun achter de coulissen, en bovenal voor Ko van Geemert, auteur en redacteur, met deze verleiding om zich langdurig in dushi Willemstad te verpozen.

[foto's © Aart G. Broek, tenzij anders vermeld]

zaterdag 14 september 2013

Drie kunstenaars, drie technieken

Een expositie van brons, keramiek en schilderijen opent op zondag 15 september in de Amsterdamse galerie Stam: Rudy Henriquez vertoont bronzen beelden, Patrick Mezas keramiekwerk en Luurd van der Dussen schilderijen.

Een uiterst gevarieerde tentoonstelling van drie technieken uitgevoerd door drie zeer verschillende kunstenaars.
               
Patrick Mezas (Curaçao 1954) werkt zeer realistisch en wil zijn beelden  zo natuurgetrouw mogelijk weergeven. In de  werkplaats van zijn vader maakte hij als kleine jongen al beeldjes en speelgoed van hout en kon hij zijn fantasie tot leven brengen. Als kunstenaar heeft hij zich door de jaren heen steeds meer toegelegd op het maken van portretten maar Patrick maakt ook stand­beelden, diersculpturen en  reliëfs in opdracht. Zijn werk wordt zowel in brons als kunsthars gegoten of uitgevoerd in klei.

Het robuuste doch sierlijke werk van Rudy Henriquez (Curaçao 1958) heeft een volledig eigen beeldtaal. Op het eerste gezicht lijkt eenvoud het sleutelwoord maar bij nadere beschouwing heeft het vaak een  verrassende diepgang en gelaagdheid. Een duidelijk statement is Rudy niet vreemd….

Luurd van der Dussen  (Haarlem 1967) legt zich toe op het maken van realistische olieverfschilderijen. Zijn stijl houdt het midden tussen fotorealisme en het lossere impressionisme.
In zijn werk laat hij de lichtinval sterk de sfeer bepalen. De onderwerpen van zijn schilderijen variëren van desolate landschappen tot sfeervolle Amsterdamse stadsgezichten.

De tentoonstelling gaat zondag 15 september feestelijk van start.
Om 15.30 uur wordt er officieel geopend en zal er gesproken worden door Maria Elena Cuartas.
Vanaf 14.00 uur bent u echter al van harte welkom.
Maria Elena Cuartas, tweede van links, tijdens het erediner voor Derek Walcott in 2008. Links van haar Tom van Deel, rechts Annette de Vries, Ernestine Comvalius, Aart Broek, Erich Zielinski. Geheel rechts Jos de Roo. Foto Bert Nienhuis


Galerie Stam  15 sep. 2013 tot 2 nov. 2013

Adresgegevens
Galerie Stam, Prinsengracht 356s, 1016 JA Amsterdam
Tel. 06-50975955
Openingstijden:
Wo 11.00 tot 17.00
Do 11.00 tot 17.00
Vr 11.00 tot 17.00
Za 11.00 tot 17.00

zaterdag 10 augustus 2013

Leinders verdedigt 'zijn' Tula

door Otti Thomas

Den Haag - In aanloop naar de herdenking van de slavenopstand van 17 augustus 1795, kropen tientallen mensen afgelopen weekend in de huid van Tula. Sprekers, publiek en dichters zochten in Den Haag naar de gedachten die de beroemde vrijheidsstrijder destijds had en naar manieren om in zijn voetsporen te strijden tegen moderne vormen van onderdrukking. De bijeenkomst werd georganiseerd door de Dutch Caribbean Book Club en was de tweede in een reeks activiteiten waarmee de Openbare Bibliotheek in Den Haag aandacht schenkt aan de afschaffing van de slavernij, 150 jaar geleden. De opkomst was niet zo groot als tijdens de officiële opening op 19 juli, maar met 170 tot 200 bezoekers toch hoger dan verwacht.

Ronnie Martina © foto Henk Looman


Afgewisseld met de voordracht van gedichten over Tula en een tekst uit de voorstelling Op zoek naar oom Tom door Raymi Sambo, gaven drie sprekers hun visie op de slavernij. Voormalig Antillenhuis-voorlichter Ronnie Martina sprak onder meer over de obstakels die er nog zijn voor er daadwerkelijk gesproken kan worden over vrijheid, waaronder het gevoel van minderwaardigheid waar veel Caribische Nederlanders nog mee kampen en gebrek aan liefde voor het Papiaments, maar ook overdreven vaderlandsliefde, de armoede op de eilanden en vooral onverschilligheid en onwetendheid.

Initiatiefneemster en mede organisator Guiselle Starink-Martha
 en acteur Raymie Sambo 
© foto Henk Looman


Letterkundige Aart G. Broek analyseerde de wijze waarop dichters en schrijvers sinds 1863 de slavernij hebben verwoord, variërend tot dankbaarheid voor de afschaffing tot hernieuwde aandacht voor de creoolse cultuur. Een belangrijke rol was weggelegd voor Pierre Lauffer, die als een van de eerste schrijvers aandacht vroeg voor Tula en waardering voor al het moois van de Curaçaose cultuur, gevolgd door Pacheco Domaccassé die in 1972 het toneelstuk Tula bracht.

De meeste aandacht ging echter uit naar Jeroen Leinders. De regisseur van Tula the Revolt kreeg veel vragen over zijn keuzes bij de verfilming van het verhaal. ‘Tula lijkt een lulletje rozenwater, die achter de feiten aanloopt. U gaat voorbij aan het historisch feit dat de opstand was voorbereid,’ zei bijvoorbeeld Rubin Severina, voorzitter van belangenorganisatie Splika. Een ander vroeg waarom de marteling van Tula en zijn medestrijders niet in beeld is gebracht.

Aart G. Broek © foto Nico van der Ven


‘Er zijn veel verschillende Tula's,’ antwoordde Leinders. ‘Als je kijkt naar de blanke visie die er was over Tula, dan was hij een misdadiger en oproerkraaier, die zo snel mogelijk moest worden opgepakt, maar in de ogen van de lokale bevolking was Tula een groot krijgsheer. Als je je erin verdiept, is er geen andere conclusie mogelijk dan dat beide verhalen niet kunnen kloppen,’ aldus Leinders.
De filmmaker stelde vervolgens dat uit Tula's historisch feitelijke voorkeur voor een staking een veel vredelievendere houding sprak dan bij de vrijheidsstrijders op Haïti. ‘Als Tula een bloeddorstige strijder zou zijn geweest, dan had de plantage-eigenaar dat nooit overleefd.’ Leinders zei verder dat er wel bronnen zijn waarin gesproken wordt over een voorbereiding van de opstand, maar dat er geen eenduidig en geloofwaardig bewijs is over die wijze van voorbereiding of het belang daarvan tijdens de opstand. ‘Als we het wel hadden meegenomen in het verhaal, dan zou het voor discussie hebben gezorgd en daarmee de aandacht hebben afgeleid van Tula's strijd.’

Jeroen Leinders

Leinders bracht de marteling van Tula en zijn medestrijders niet in beeld omdat daarmee de indruk kon ontstaan dat het een specifiek vonnis was voor de opstandelingen, terwijl het een gebruikelijke straf was in die tijd. ‘Het was geen daad van agressie, maar een straf. We hebben het vonnis laten uitspreken, zelfs twee keer, omdat de verbeelding vele malen sterker is dan ik kan tonen. Zeker vanwege de kilheid waarmee het vonnis wordt voorgelezen,’ aldus Leinders.

Panel met: Aart Broek, Jeroen Leinders en Ronnie Martina © foto Henk Looman


De keuzes waren er uiteindelijk allemaal op gericht om het verhaal van Tula geloofwaardig en feitelijk te vertellen en daarmee de huidige generatie Curaçaoënaars en vooral Nederlanders bewust te maken van het verleden en het trauma dat daarmee gepaard gaat, zei Leinders. ‘Onze intentie met de film was om voor discussie over het onderwerp te zorgen. Voor en tijdens de herdenking van de slavernij op 1 juli was er in Nederland wel aandacht voor de slavernij, maar de meeste Nederlandse media schrijven er niet meer over. Een film heeft gelukkig een langere looptijd.’

[Ontleend aan Amigoe, 6 augustus 2013.]

woensdag 24 juli 2013

Nederlandse machteloosheid in de tropen

door Aart G. Broek

Premier Rutte bezocht de Nederlands-Caraibische eilanden. Zijn publieke mededelingen waren als het aansteken van een kaars onder de heldere tropenzon bij een krachtige passaatwind: een symptoom van Nederlandse machteloosheid. Tja, dat Rutte die machteloosheid zo pontificaal tentoonspreidt, wil wel enige verbazing wekken bij de eilandbewoners.

Paleis van de gouverneur en protestantse kerk, Willemstad, Curaçao


De premier vloog naar de andere zijde van het Koninkrijk ter kennismaking, om de handel te bevorderen én om de eilandelijke bestuurders de les te lezen over bestuurlijke integriteit, over inperken van overheidsbemoeienis en over de gesloten Nederlandse staatsbeurs. En passant werd duidelijk gemaakt dat de staatkundige structuur niet meer ter discussie wordt gesteld, alleen nog om een eiland naar een zelfstandige status buiten het Koninkrijk te begeleiden. Rutte meende dat die bestuurders verbaasd waren over het gemak waarmee de onafhankelijkheid kon worden verkregen. Eén telefoontje naar de premier was genoeg om het roer om te gooien en er kon worden afgestevend op een ontkoppeling van Nederland!

'Ter bevordering van de Nederlandse handel'
De eilandelijke bestuurders toonden geen verbazing over het snel regelen van onafhankelijkheid. Op de eilanden weten zelfs de geiten dat de eilanden al sinds 1954 formeel het recht hebben om uit het Koninkrijk te stappen wanneer de eilandelijke bevolking dat wenselijk acht. In de jaren 1970 – 1990 heeft Nederland zich met verve ingespannen om de eilanden uit het Koninkrijk te duwen, wat niet lukte: het overgrote deel van de bewoners piekerde er niet over het Nederlanderschap op te geven. Ook nu is er slechts een bescheiden groep die staatkundige onafhankelijkheid daadwerkelijk koestert. Kortom, een telefoontje is al decennia een optie waar geen eilandelijke bestuurder gebruik van zal (kunnen) maken. Verbazing over Rutte die versleten sloffen voor nieuw meent te kunnen verkopen.
Landschap Benedenwindse eilanden: mondi


Alleen nog spreken over onafhankelijkheid? Wel nee. Wanneer de bevolking van Sint Maarten meent, dat het – net als Saba, Sint Eustatius en Bonaire – een ‘gemeente’ (openbaar lichaam) van Nederland moet worden, dan is dat óók bespreekbaar. Er zijn naast Nederland nog drie landen in het Koninkrijk: Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Mocht Bonaire menen dat het beter af is als het een autonoom land wordt, bijvoorbeeld tesamen met Curaçao, dan wordt dat ongetwijfeld besproken. Verbazing over Rutte die meent de eilandbewoners de mond te kunnen snoeren. Dat lukte zelfs in de slaventijd niet: de uiterst kritische, Papiamentstalige tambú bleef gezongen, bespeeld en gedanst worden.

Rutte liet zijn achterban nog weten dat er geen euro meer de oceaan overging. Het wordt tijd dat de eilanden hun broek zelf ophouden. Lariekoek, ook na de miljarden steun van enkele jaren terug blijft de Nederlandse staatskas tientallen miljoenen overmaken om de eilandelijke samenlevingen te ondersteunen. Niet alleen is er de bekostiging van de verdediging van de eilanden en van alle mogelijke ‘gemeentelijke’ aangelegenheden op Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Zo worden er nog jaarlijks tientallen miljoenen uitgetrokken voor de financiering van de kustwacht, van de rechterlijke macht, de Koninklijke Marechaussee (ruim honderdvijfentwintig man/vrouw), het – uit Nederland aangestuurde – Recherche Samenwerkingsteam (RST), en de Vertegenwoordiging van Nederland met posten in Aruba, Sint Maarten en Curaçao (ten dele ‘buitenposten’ van de AIVD). Aan deze entiteiten op de eilanden hangt een flink prijskaartje - verbaasd?

Agent van politie
Nederland is met deze professionele en krachtdadige organisaties diep de eilandelijke samenlevingen binnengedrongen. Ondanks die nauwe justitiële, politiële en bestuurlijke betrokkenheid van Nederland bij de eilanden hebben de (drugsgerelateerde) criminaliteit en gewelddadigheden ongekende omvang kunnen krijgen en blijken tal van eilandelijke bestuurders zich er langdurig mee te kunnen inlaten. Verreikender ingrijpen is nauwelijks doenlijk: je kunt niet nóg meer ambtenaren sturen; op ieder hoek van de straten in het centrum een tank is ook geen optie. Kortom, Rutte heeft zich primair op de hoogte laten stellen van de mate waarin Nederland grip op de eilandelijke samenlevingen en bestuurscultuur heeft verloren én van de mogelijkheden die grip te herstellen. Het huidige Nederlandse beleid biedt echter weinig mogelijkheden om dit herstel daadwerkelijk binnen afzienbare tijd te realiseren. Wat Rutte dan nog rest zijn woorden om de feitelijke gang van zaken te maskeren. Dat Rutte de Nederlandse machteloosheid zo slecht weet te verdoezelen, wekt onvermijdelijk verbazing bij de eilandbewoners. Verbazing over Rutte die meent zijn Nederlandse achterban zo gemakkelijk eenzijdig te kunnen informeren, én verbazing over de Nederlandse achterban van Rutte die zich zo gemakkelijk zand in de ogen laat strooien.

[Foto's © Aart G. Broek / column oorspronkelijk verschenen op website Joop.nl]

maandag 1 juli 2013

Stilstaan bij vooruitgang



door Aart G. Broek

Op 1 juli 1863 maakte een proclamatie van koning Willem III formeel een einde aan slavernij in het Koninkrijk der Nederlanden. In Suriname en op de Nederlands-Caribische eilanden werden God, de koning en de gouverneur feestelijk geprezen. De slaveneigenaren werden financieel gecompenseerd en de slaven werden vrije burgers. ‘Willem III schonk vrijheid,’ zo schreef de Antilliaanse literair auteur Boeli van Leeuwen, ‘aan de negers van Curaçao en sliep ’s nachts rustig achter zijn brede baard. Dat de kinderen van zijn eigen volk vijftien uur per dag als beesten werden afgejakkerd voor één dubbeltje per dag, was in die wereld zó normaal dat hij voor het slapengaan er niet eens over nadacht.’
Arabier met een slavin, naar Bruno Zach, ca. 1920

Het had honderden jaren genomen om slavernij als mensonwaardig te zien en te verbieden. Lang niet iedereen was er honderdvijftig jaar geleden gelukkig mee dat de slavernij werd afgeschaft. Als verkopers van slaven zagen Afrikaanse koningen hun markt instorten. Zij bepleitten dan ook de voortzetting van de handel in slaven. In grote delen van Latijns-Amerika werd de slavernij pas enkele decennia later afgeschaft, aan het eind van de negentiende eeuw. De plantages zouden zonder slavenarbeid weer jungle worden, zo meenden de eigenaren en aandeelhouders. Naar de Arabische wereld waren in de loop van de eeuwen miljoenen Afrikaanse slaven verkocht. Ook die handel werd gekoesterd, evenals in sommige Afrikaanse landen zelf. Meer dan eens bleef de slavernij zelfs bestaan tot op de dag van vandaag.

In dit licht is de afschaffing van de slavernij in 1863 het meer dan waard om bij stil te staan. Een belangwekkende bijdrage aan de arbeidsemancipatie van mensen. Nederland was geen voorloper geweest. Wij plooiden ons onder invloed van de macht van grotere mogendheden als Engeland en Frankrijk. Die hadden het voortouw genomen en waren eerder overgegaan tot het afschaffen van slavernij. Evenals in Nederland waren ook in die landen de arbeidsomstandigheden van de eigen arbeiders tenhemelschreiend. Schrijvers als Charles Dickens en Victor Hugo zouden er hun onderwerpen aan ontlenen. Ze dwongen tot nadenken. Hugo’s Les misérables weet ook nu nog, als film, diep te ontroeren. Het nam nog decennia om dergelijke arbeidsomstandigheden uit eigen land te verbannen. De organisatie van arbeiders in en door vakbonden speelde hierin een invloedrijke rol.

Zo bezien is de emancipatie van de slaven onderdeel van een wereldbrede ontwikkeling naar verbetering van arbeidsvoorwaarden voor tientallen miljoenen mannen, vrouwen en jongeren. En de ontwikkeling naar de wereldwijde afschaffing van kinderarbeid. Dat proces is nog volop gaande. Moderne media maken het mogelijk om dagelijks uitgebreid geïnformeerd te worden over erbarmelijke arbeidsomstandigheden elders in de wereld. Diezelfde media maken duidelijk dat er wereldwijd inspanningen plaatsvinden om daarin verbetering te brengen.

In Nederland blijken wij daar op allerlei manieren mee verbonden. Onze afwijzing van door kinderhanden gemaakte kleding is daarvan een indringend voorbeeld. Het is echter zaak om ook in eigen land alert te blijven. Het individuele ondernemerschap oogt goed. Het roept echter ook beelden op uit het begin van de vorige eeuw. Beelden van lange rijen mannen bij een fabriekspoort die hoopvol maar tevergeefs wachten op werk voor die dag. De onrust die de zzp-koeriers deze dagen bij de posterijen veroorzaken, zijn een teken aan de wand. Mensen blijven niet wachten aan de fabriekspoort. Er zullen zzp’ers in andere velden volgen. Menswaardige arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden blijven onze aandacht vereisen.

Kinderarbeid, Ghana


Slaven en meesters, schrijvers en vakbonden, georganiseerde groepen en moedige individuen spanden zich in om werkomstandigheden te verbeteren. Met succes. Zij vormen voorbeelden om zich aan op te trekken en vooral ook om alert te blijven en om inspiratie op te doen. Vandaag met plezier aan de slag kunnen gaan, is het werk van generaties vóór ons. Een indrukwekkende vooruitgang. Daar mogen we wel bij stilstaan.

[van managementssite.nl]