Evenals bij mijn vorige beschouwing moet ik vooropstellen het proefschrift (nog) niet te hebben gelezen, echter wél de samenvatting die op de website van RUG te vinden is en die biedt voorlopig voldoende gegevens voor heroriëntatie en een bijgesteld oordeel. Het negativisme dat van het bericht “Bevolking profiteert (...)” afstraalde blijkt een te persoonlijke inkleuring te zijn geweest van de niet met name genoemde boodschapper, maar een negatieve ondertoon kan Van Maanen niet worden ontzegd.
Van Maanens uitgangspunt
Het uitgangspunt van Van Maanen was de vraag welk profijt de Surinaamse bevolking heeft van het gebouwde erfgoed in de historische binnenstad van Paramaribo sinds het is opgenomen op de werelderfgoedlijst van de Unesco. Dit heeft hij getoetst aan de claims van de Unesco dat het bijdraagt aan integratie van de diverse etnische bevolkingsgroepen en dat het architecturale koloniale erfgoed in Suriname van “uitzonderlijke algemene waarde” is. De conclusie van Van Maanen is dat Unesco’s erkenning van het historisch erfgoed grote problemen met zich heeft gebracht voor de regering en dat het de diverse etnische groeperingen níet dichter bij elkaar heeft gebracht. Alhoewel deze conclusies op zich correct zijn, ben ik van mening dat zijn uitgangspunt niet correct is.
De crux van Van Maanens betoog ligt besloten in zijn fundamentele afwijzing van Unesco’s claim dat erfgoed een algemene waarde heeft: “Erfgoed is altijd controversieel, overal ter wereld. Wie aan de macht is, beslist wat erfgoed wordt. In Suriname, waar niet één bevolkingsgroep naar aantal dominant is, is dit misschien nog meer waar dan elders. Noch de bevolking, noch de beleidsmakers zijn werkelijk betrokken bij het punt wat werkelijk Surinaams erfgoed is. Dat is waarom pogingen in de richting van ‘natievorming’, zoals de Unesco het benoemt, nauwelijk kans van slagen hebben.”
Ik ben het volledig eens met Van Maanen dat niet kan worden gesteld dat het hebben en koesteren van erfgoed zou leiden tot natievorming, maar hij gaat mijns inziens de fout in met zijn afwijzing van de algemene, universele waarde van erfgoed. Want ‘waarde’ in díe zin kán en mág niet worden gerelateerd aan ‘opbrengst’. Dat erfgoed is een niet meer te scheiden amalgaam van geschiedenis, inzet, kunst en kunde, dat een merkteken heeft gevormd voor in dit geval land en volk van Suriname en dáárom ‘de moeite waard’ om in stand te houden.
Cultureel erfgoed
Die instandhouding moet duurzaam zijn en is - mede daardoor - kostbaar. Het is dan ook noodzakelijk dit kostbare bezit te exploiteren, zowel in materiële als in immateriële zin. In materiële zin is Paramaribo’s erfgoed als kunstschat een ‘unique selling point’ om toerisme naar Suriname te bevorderen. Het is niet aan mij om dat in geld uit te drukken, maar het is duidelijk dat Suriname zich als zodanig reeds succesvol heeft gepositioneerd en dat plaatsing van de historische binnenstad van Paramaribo op de werelderfgoedlijst van de Unesco daarbij een machtig hulpmiddel is.
Exploitatie in immateriële zin is uiteraard een moeizamer verhaal, daarvoor is het nu eenmaal immateriëel: ongrijpbaar en dus ook nooit in geld uit te drukken. De historische binnenstad van Paramaribo is een essentieel en niet weg te denken deel uit de wordingsgeschiedenis van land en volk van Suriname, en dus is de vraag, via een aan 1500 inwoners van Paramaribo toegestuurde vragenlijst hiertoe uitgenodigd, of de Surinaamse burger, Indiaan, Creool, Hindostaan, Javaan of wat dan ook, zich hierbij betrokken voelt, volstrekt misplaatst. De vraag had moeten worden gesteld wat de overheid eraan heeft gedaan om de burger te betrekken bij geschiedenis en karakteristieken van Suriname. Eerst als daaraan optimaal is voldaan kan het erfgoed instrumenteel zijn bij natievorming.
Waterkant, Paramaribo
Daarmee zijn we beland bij de overheid, die plaatsing op de werelderfgoedlijst heeft aangevraagd, en de problemen die het met zich heeft gebracht. Hier is mijns inziens niet zozeer het probleem wíe heeft bepaald, zoals Van Maanen suggereert, Suriname onderscheidt zich daarin ook niet van andere landen, maar wat de overheid ermee heeft gedaan. De grote problemen die Van Maanen opsomt van niet naleving van voorschriften en gebrek aan geld voor duurzaam onderhoud, zijn onmiskenbaar aanwezig en vormen als zodanig één grote aanklacht tegen de regering, die kennelijk de consequenties van haar daad niet heeft kunnen of willen overzien.
Van Maanen heeft voor zijn onderzoek de culturele benadering van de regering geanalyseerd, deskundigen geïnterviewd en de houding van de verschillende etnische groeperingen ten aanzien van het architecturale erfgoed in kaart gebracht. Die culturele benadering, zo zegt hij, blijkt twee verschillende richtingen uit te gaan. Aan de ene kant wordt geprobeerd de culturele diversiteit in stand te houden, onder andere door financiële ondersteuning van tentoonstellingen en door uiteenlopende etnische groepen georganiseerde bijeenkomsten. Aan de andere kant schijnt de regering te proberen een ‘Surinaamse identiteit’ te doen ontstaan. De beslissing om de binnenstad van Paramaribo te nomineren voor de werelderfgoedlijst van de Unesco past volgens Van Maanen in het kader van eerder genoemd beleidsvoornemen.
Epiloog
De observatie van Van Maanen dat het de moeite waard is om op te merken dat van de 244 als monument aangemerkte gebouwen er niet één van oorsprong Hindostaans of Javaans is, geeft er blijk van dat hij geen enkele voeling heeft met de Surinaamse werkelijkheid en onvoldoende historisch besef om zich te realiseren dat de monumenten op de lijst dateren van vóór de Hindostaanse en Javaanse immigratie.
Van Maanen heeft voor zijn onderzoek de culturele benadering van de regering geanalyseerd, deskundigen geïnterviewd en de houding van de verschillende etnische groeperingen ten aanzien van het architecturale erfgoed in kaart gebracht. Die culturele benadering, zo zegt hij, blijkt twee verschillende richtingen uit te gaan. Aan de ene kant wordt geprobeerd de culturele diversiteit in stand te houden, onder andere door financiële ondersteuning van tentoonstellingen en door uiteenlopende etnische groepen georganiseerde bijeenkomsten. Aan de andere kant schijnt de regering te proberen een ‘Surinaamse identiteit’ te doen ontstaan. De beslissing om de binnenstad van Paramaribo te nomineren voor de werelderfgoedlijst van de Unesco past volgens Van Maanen in het kader van eerder genoemd beleidsvoornemen.
Epiloog
De observatie van Van Maanen dat het de moeite waard is om op te merken dat van de 244 als monument aangemerkte gebouwen er niet één van oorsprong Hindostaans of Javaans is, geeft er blijk van dat hij geen enkele voeling heeft met de Surinaamse werkelijkheid en onvoldoende historisch besef om zich te realiseren dat de monumenten op de lijst dateren van vóór de Hindostaanse en Javaanse immigratie.





