Posts tonen met het label Neus Hilde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Neus Hilde. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving

Geschiedschrijving: het is maar met welke bril je het bekijkt.
Foto © Michiel van Kempen

door Ruben Bakker

Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’ Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de ondertitel van de bundel Verkenningen in de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.

In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal, dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies? En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan. De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays, geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici. Hiermee beslaat de bundel - die in twee delen is uitgekomen -  zo’n 656 pagina’s in totaal.

Door de veelheid aan essays worden veel aspecten die relevant zijn voor de historiografie van Suriname belicht. Zo benadrukt Chan Choenni de urgentie en het belang van ‘oral history’, gaat Mildred Caprino in op (de mogelijkheid van) vrouwengeschiedenis en bespreekt Hilde Neus de rol van historische romans voor de geschiedschrijving. Naast het gezichtspunt en de plek in de Surinaamse geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen is er ook aandacht voor de ontwikkelingen in de historiografie van andere voormalige kolonies.

De breedheid van de onderwerpen en de veelheid aan auteurs maken de essaybundel echter ook kwetsbaar. Doordat de essays erg los van elkaar staan, komt herhaling nogal eens voor en wordt de lezer niet altijd aangemoedigd om ook het volgende essay te lezen. Dit had voorkomen kunnen worden door de essays meer te rubriceren, zodat er een duidelijker opbouw ontstaat. Ook was het wellicht beter geweest als alle essayisten aan het einde van hun artikel concrete aanbevelingen deden van hoe de historiografie van Suriname verbeterd kan worden. Nu is dat slechts bij enkele essays het geval. Want weet de lezer uiteindelijk wat er concreet moet veranderen om de Surinaamse historiografie een ‘geschiedenis van het volk’ te maken?

In ieder geval is daar een dappere poging toe gedaan en is veel kennis gebundeld.
De tweedelige bundel vormt een belangrijke bijdrage aan de Surinaamse historiografie en houdt bovendien de lezer een spiegel voor: een eigen geschiedenis maak je zelf!


Maurits S. Hassankhan, Jerome L. Egger, Eric R. Jagdew (samenstellers): Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deel 1 en 2. Paramaribo: Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), 2013. ISBN: 978-99914-7-254-6

maandag 19 mei 2014

22 meter aan rood haar


door Hilde Neus

Gabriel García Márquez was een groot deel van zijn leven journalist, en heeft dat beroep nooit afgeschud, het was zelfs de basis van zijn literatuur. Het motto van de roman Over liefde en andere duivels (1994) is een stelling van de roomse kerkgeleerde Thomas van Aquino, die schrijft over ‘de gaafheid van herrezen lichamen’: ‘Het schijnt dat de haren veel minder goed herrijzen dan de andere delen van het lichaam.’
In 1949 wordt de journalist Márquez gevraagd de ruiming van de grafkelders van het klooster van Sint-Clara te verslaan, omdat er een nieuw hotel zal worden gebouwd (nu een sofitel). Hij gaat ernaar toe en kijkt de werkzaamheden met verbazing aan. Maar wat de werkelijkheid tart, is het nieuws: ‘Al bij de eerste slag van de pikhouweel sprong de deksteen in stukken, en kwam uit de crypte een levendige haardos met een diepe koperkleur naar buiten golven ... die nog vastzat aan een meisjesschedel. Uitgerold mat het haar 22 meter en 11 centimeter.’

Hier toont zich de meester in Márquez. Hij maakt gebruik van een verlichtingsfoefje, een redactiestukje om datgene wat erna komt, vast te ankeren in de werkelijkheid. Dat erna is de roman: het verhaal over de prachtige Sierva Maria de Todos los Angeles, de verwaarloosde dochter van een markies en een creoolse handelaarster in slaven. Het twaalfjarige meisje wordt gebeten door een dolle grijze hond met een witte vlek op zijn kop. Ze heeft aanvankelijk geen ziekteverschijnselen, maar haar vader laat haar op bevel van de bisschop in het klooster van Sint-Clara opnemen om de duivel in haar uit te drijven. Dit wordt het werk van Cayetano Delaura, een knappe jonge pater met zwart haar en een witte pluk op zijn voorhoofd. Zijn doel bereikt hij niet, omdat de twee waanzinnig verliefd worden op elkaar. In de tragedie die volgt schetst Márquez vooral de hypocrisie van de kerk en stelt hij het celibaat aan de kaak. De slavernij speelt een belangrijke rol in dit verhaal dat zich ruim twee eeuwen geleden afspeelde in de Columbiaanse stad Cartagena. Voor mij is dit het ultieme Márquez-boek, vanwege de barokke taal in buitengewone samenhang met de materie.

Misschien heeft de auteur voor een andere roman een prachtige openingsregel geschreven. Maar ik vind dit wel het allermooiste slot ooit: ‘De bewaakster die haar kwam voorbereiden op de zesde sessie van de duiveluitdrijving trof haar gestorven van liefde aan in bed, met stralende ogen en de huid van een pasgeborene. De stekeltjes van haar haren verrezen als bruisende belletjes uit haar kale schedel, men zag ze groeien.’

Gabriel García Márquez: Over de liefde en andere duivels, oorspronkelijke titel: Del amor y otros demonios, Nederlandse vertaling: Adri Boon. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1994


zondag 16 maart 2014

Toni Morrison in een Caraïbische anthologie?

Keti koti Paramaribo

door Jules Rijssen en Lucia Nankoe
Lucia Nankoe

In de Ware Tijd Literair van 1 maart 2014 verscheen met als titel ‘Vlieg terug naar Afrika’ een recensie van Hilde Neus over het boek De slaaf vliegt weg onder redactie van Lucia Nankoe en Jules Rijssen (Arnhem: uitgeverij LM Publishers, december 2013). [Klik hier]

Jules Rijssen

Een gemiste kans van de recensent om een unieke publicatie te bespreken, hoe de doorwerking van de slavernij wordt verbeeld in het werk van hedendaagse Caraïbische kunstenaars. Het is een gemiste kans indien de inleiding tot de bundel die als sleutel dient niet goed wordt gebruikt oftewel gelezen. Natuurlijk kan de bundel gelezen worden zonder de inleiding te raadplegen en dan wordt de lezer geconfronteerd met het thema doorwerking en verbeelding van de slavernij in verschillende kunstgenres te weten: poëzie, het korte verhaal, essays, fragmenten van historische romans, biografische portretten, storytelling, theater, cinematografie. Verschillende genres die over hetzelfde thema gaan, want dat is de essentie van een anthologie, zoals we weten.
George Padmore

De lezer maakt in De slaaf vliegt weg ook kennis met het denkwerk van Caraïbische en Afrikaanse filosofen én letterkundigen die bij velen uit het Caraïbisch Gebied onbekend (gebleven) zijn. Bijvoorbeeld het denkkader van de grondleggers van de invloedrijke Négritude-beweging die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw in Parijs opbloeide met Caraïbische vertegenwoordigers in de personen van George Padmore (Trinidad), Aimé Césaire (Martinique), Léon-Gontran Damas (Frans-Guyana). De invloed van deze beweging was en is nog steeds terug te vinden in artistiek werk van verschillende kunstenaars en niet alleen bij hen die afkomstig zijn uit het Caraïbisch Gebied. In onze bundel is er ook prachtig werk opgenomen van Léon-Gontran Damas en van Ina Césaire; ja, de talentvolle dochter van Aimé.

Ook wordt er geschreven door de auteur Ernest Pépin (Guadeloupe) over de visie van de in 2011 overleden Caraïbische denker en essayist Édouard Glissant (Martinique), over de identiteit en ontwikkeling van de Caraïbische cultuur. Glissant bedacht hiervoor het concept Antillianité. Zijdelings wordt het denkwerk over meervoudige Caraïbische identiteiten van de onlangs overleden Brits-Jamaicaanse socioloog, cultuurwetenschapper en grondlegger van de British Cultural Studies - ook bekend als The Birmingham School of Cultural Studies - Stuart Hall aangestipt.
Édouard Glissant

Het is wederom een gemiste kans dat de recensent de inleiding niet goed heeft gelezen en daardoor de opzet van de bundel versmalt tot slechts de vraag welke rol historische romans vervullen in de beeldvorming met betrekking tot de slavernijgeschiedenis. Dat was daadwerkelijk het onderwerp van het symposium uit 2009 in de Muiderkerk te Amsterdam. We hebben op pagina 8 aangegeven, met het oog op 150 jaar afschaffing Nederlandse slavernij (sommigen onder ons praten liever over 140 jaar), het thema van de beeldvorming op te rekken naar kunst in het algemeen. En niet alleen de historische roman te beschouwen, omdat deze slechts één cultuurbron is. De lezer wordt op het verkeerde been gezet door de recensent doordat ze vermeldt welke teksten ontbreken in plaats van aan te geven wat er wel wordt gepresenteerd. Waarom de magnifieke Noord-Amerikaanse Toni Morrison in een Caraïbische anthologie opnemen?

Nicolaas Porter - Facing truth

De mens krijgt culturele informatie vanuit verschillende kunstbronnen van waaruit beïnvloeding uitgaat. Op basis van deze beïnvloeding en ontstane (positieve of negatieve) beeldvorming wordt vaak het debat gevoerd. En niet alleen aan de keukentafel, onder de markt of bij de bushalte. Maar ook op heuse maatschappelijke en wetenschappelijke podia. Daarnaast hebben wij ook aangegeven dat kunst fungeert als doorgeefluik én bewaarders [sic] van nationale en individuele identiteiten en idem herinneringen.

De bloemlezing De slaaf vliegt weg richt zich niet slechts op kenners. Neen, met de bundel willen wij ook de lezer bereiken die geen of geringe kennis heeft van het wetenschappelijke debat over bijvoorbeeld de complexe processen van beeldvorming en taal die zich in ons denken voltrekken. En met dat doel hebben wij gepoogd dit in begrijpelijk taalgebruik te beschrijven.

Maar ook hier constateren wij dat de recensent de theoretische discussie over beeldvorming verengt en versimpelt. Ze schrijft: ‘Mijns inziens betekent het begrip beeldvorming binnen het literaire kader het ontstaansproces van een beeld (in fictie) over een persoon of groep mensen dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid of de feiten overeen hoeft te komen. Als de samenstellers bedoelen dat beeldvorming een visualisatie is die bestaat uit het vertalen van een gedachte naar een beeld of uitdrukkingsvorm, dan klopt de bundel wel.’
Foto Anabella

In onze Caraïbische bundel komen literaire kaders en verschillende kunstgenres ter sprake. Daarnaast bespreken we in onze beschrijving over beeldvorming de kunstzinnige wereld en de realiteit van het leven van alledag. Mede vanuit dát perspectief moet de inleiding tot de bloemlezing gelezen worden. Hiermee overstijgen we de gedachte dat (literaire) kunst een weerspiegeling is van de samenleving en de actualiteit. Ten derde gaan wij ook in op de kracht en invloed van taal. Want taal beïnvloedt niet alleen in hoge mate onze gedachten maar stuurt ze ook aan.

Ten vierde, nog een gemiste kans om thema’s als familie, taal, overleveringen, tradities, opvoeding, opleiding, levensvisie, en -houding, geschiedenis, politieke verhoudingen en samenleving die de kunstenaars in de bundel beïnvloeden en hoe deze aspecten terugkomen in hun werk niet aan te halen.

Hilde Neus bespreekt geen van de bijdragen uit De slaaf vliegt weg diepgaand en haalt alleen Surinaamse auteurs aan op Suzanne Diop na.

Het beoordelen en appreciëren van het werk vraagt dus het nodige van de lezer en/of toeschouwer om overeenkomsten en parallellen tussen verschillende Caraïbische landen te zien.

De slaaf die terugvliegt naar Afrika behoort daardoor tot één van de denkconstructies die tot op heden opgaat voor grote delen van het immense Caraïbisch Gebied dat zich uitstrekt tot de metropolen van West-Europa en de Verenigde Staten.

Ten slotte: ‘terug naar Afrika’, is dat cynisch bedoeld door de recensent, vroeg een lezer over de kop. Ziedaar de sturing van taal!

Wij hebben een Caraïbische bloemlezing samengesteld met bijdragen van beeldend kunstenaars als Letitia Brunst (Suriname), Frank Creton (Suriname), Remy Jungerman (Suriname), Natasja Kensmil (Nederland), Elis Juliana (Curaçao), Ras Ishi Butcher (Barbados) en literaire bijdragen van Rudy Bedacht (Suriname), Ina Césaire (Martinique), Fausten Charles (Trinidad), Léon-Gontran Damas (Frans-Guyana), Gilda Dannarag (Suriname), Margot Dijkgraaf (Nederland), Suzanne Diop (Senegal), Glenn Helberg (Curaçao), Rihana Jamaludin (Suriname), Cynthia Mc Leod (Suriname), Lucia Nankoe (Suriname), Quito Nicolaas (Almere), Anil Ramdas (Suriname), Jules Rijssen (Suriname), Ernest Pépin (Guadeloupe) en Ini Statia (Aruba). En de vertalers: Carmen Lie, Henne van der Kooy en France Olivieira. Het woord is nu aan de lezers!

Nederland, 9 maart 2014


zondag 9 maart 2014

1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis

De heilige Cunera
door Els Moor

In 2013 kwam in Nederland een boek uit met wetenswaardigheden over 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. De eerste is Cunera, beschermheilige tegen keel- en veeziekten, uit de vierde eeuw na Christus, de laatste is Karin Adelmund (1949-2005), vakbondsbestuurster en politica van de PvdA. Het is een loodzwaar boek met 1555 pagina’s en weegt minstens 1½ kilo. De tekst is samengesteld door historica Els Kloek, hoofd van het instituut voor digitale naslagwerken, het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en de vormgeving is van Irma Boom. Die vormgeving maakt het tot een boek dat je ondanks de zwaarte met plezier doorbladert en heeft een functionele systematiek, wat het zoekwerk vergemakkelijkt. Heel aantrekkelijk is dat er bij veel van de besproken vrouwen in de tekst zwart-witafbeeldingen van die vrouwen staan en dat na iedere periode meer dan dertig portretten in kleur op volle pagina’s worden weergegeven van geschilderde portretten en uit de laatste eeuwen foto’s. De 1001 vrouwen zijn uit verschillende tijdperken, de middeleeuwen tot en met de 16de eeuw, de 17de, 18de, 19de en 20ste eeuw en wat betreft die laatste eeuw: alleen vrouwen die niet meer leven. Alle vrouwen passen binnen een categorie, een rubriek, waarvan er ook een register is. Enkele voorbeelden van die rubrieken: adel, elite en politie/ beeldende kunst/ dicht- en letterkunde/ kerk en godsdienst/ onderwijs en wetenschappen/  podiumkunsten/ maatschappij en emancipatie (inclusief feministen)/ sport/ toverij en hekserij.


Voor ons is de rubriek koloniën belangrijk. Daar vinden we behalve vrouwen uit de Kaapkolonie, Brazilië, Oost-Indië, Amerika en de Antillen uiteraard ook Surinaamse vrouwen en in Suriname wonende Nederlandse vrouwen die in de Surinaamse en/of Nederlandse geschiedenis een rol gespeeld hebben. Zo staat in deze rubriek Elisabeth Samson (1715-1771), een zwarte zakenvrouw over wie Cynthia Mc Leod-Ferrier binnen de serie ‘Bronnen voor de studie van Afro-Surinaamse samenlevingen’ een uitgebreide bijdrage heeft geleverd (1993). Ook Maria Susanna du Plessis (1739-1795) komt voor onder ‘koloniën’. Zij was dochter van welgestelde ouders, trouwde jong en werd al vroeg weduwe. Ze hertrouwde met Frederik Cornelis Stolkert, eigenaar van plantage  Nijd en Spijt. Met dit huwelijk liep het mis. Haar bekendheid heeft ze te danken aan haar wreedheid als slavenhoudster. Er werden veel verhalen over haar verteld. Het bekendste is dat over slavin Alida van wie zij uit jaloezie (haar echtgenoot zou een oogje op haar hebben) een van haar borsten afsneed die ze aan haar echtgenoot als maaltijd voorzette. Bekendheid in de geschiedenis kun je dus krijgen door goede daden en hoge prestaties maar ook door gruweldaden. Er is veel over Susanna geschreven. Van Hilde Neus-van der Putten kwam in 2003 een studie over Susanne du Plessis uit, de eerste monografie over een blanke vrouw uit de Surinaamse plantagegeschiedenis. Helaas is deze belangrijke studie vanuit Suriname niet opgenomen, terwijl wel andere literatuur genoemd wordt over Du Plessis.

Betje Wolf en Aagje Deken
We kijken even naar de verschillende periodes in het boek. Welke rol speelden vrouwen daarin? In de middeleeuwen domineerden adel en kerk, vaak met veel machtsstrijd. Logisch dat er onder de in deze periode genoemde vrouwen veel adellijke vrouwen en nonnen zijn.
De 17de eeuw heeft de bijnaam ‘Gouden Eeuw’. Dat zegt veel over welvaart en bloei van kunst en cultuur. Veel vrouwen uit de hoogste kringen komen voor, vooral ook uit ‘het huis van Oranje’. In de tweede helft van de eeuw komt er veel geweld en neemt de welvaart af, met als dieptepunt 1672, het ‘Rampjaar’. Naast de ‘hoge vrouwen’ zijn er al veel vrouwen die kunsten beoefenen.
De 18de eeuw is de eeuw van de verlichting. Maatschappelijk komt er meer aandacht voor de vrouw, vooral ook voor de moeder. Het bekende schrijfstersduo Betje Wolff en Aagje Deken besteedde in hun werk aandacht aan de moeders, maar waren ook tegen de slavernij. ‘Adel en elite’ beginnen af te nemen, onderwijs en opvoeding krijgen meer aandacht.

De 19de eeuw is de tijd van industrialisatie en democratisering. Vrouwen beginnen op te komen voor hun rechten. Voor het eerst worden er in deze periode vrouwen beschreven met grote sportprestaties.
En dan de twintigste eeuw met veel bekende namen van al overleden vrouwen. Vrouwen spelen nu een rol in de politiek en het feminisme krijgt vorm in deze eeuw. Veel kunstenaressen en schrijfsters zijn er, met name ook van kinderboeken. Verzetsstrijdsters in de Tweede Wereldoorlog hebben een plaats gekregen. En wie is de jongste van allemaal? Ja, Anne Frank (1929), het Joodse meisje, dat met het gezin moest onderduiken in het ‘Achterhuis’. Ze schreef daar in haar dagboek. In 1944 werd er verraad gepleegd en vielen de Duitsers het Achterhuis binnen. Anne en haar zus kwamen in het concentratiekamp Bergen Belsen terecht, waar ze in 1945, niet lang voor de bevrijding, stierven. Door haar, gelukkig bewaarde, dagboeken is Anne Frank wereldberoemd geworden.

Dit zijn enkele beelden van wat we in 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis tegenkomen. Een aantrekkelijk boek. Je blijft bladeren. Maar de vrouwen die een rol speelden in Suriname? Sommige grote figuren zijn helemaal niet genoemd. Wie ik het meest mis is Nola Hatterman (1899-1984), kunstenares, die in 1953, kennis gemaakt hebbend met Surinaamse kunstenaars van ‘Wie eegie sanie’ naar Suriname verhuisde en daar een kunstopleiding opzette. Ze was dé grote stimulator van werkelijk Surinaamse kunst. Nola voelde zich naar eigen zeggen ‘een neger’. Ze komt niet in het boek voor! Maria Sybilla Merian (1647-1717), gelukkig wel. Deze vrouw van Duitse afkomst heeft lang in Nederland gewoond. Met haar twee dochters ging ze in 1700 naar Suriname en tekende en schilderde daar reptielen, insecten, amfibieën in combinatie met prachtige planten en bloemen: schitterend werk. Veel boeken over haar leven en werk zijn verschenen. Jammer dat ‘Maria Sybilla Merian & dochters’ van Ella Reitsma niet genoemd is, een biografie met veel afbeeldingen van haar werk. Uit de negentiende eeuw is er niemand uit Suriname in het boek en uit de twintigste eeuw alleen Sophie Redmond, arts en schrijfster.

Hoe heeft het onderzoek dat aan de basis van dit boek plaatsvond zich afgespeeld? Is het zo’n beetje toevalzoeken geweest? Is de biografie van Nola Hatterman door Ellen de Vries niet bekend? De samenstelster Els Kloek is toch specialiste op internetgebied, in internetonderzoek? 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis is een aantrekkelijk boek, maar is het ook wetenschappelijk verantwoord?
Els Kloek (samenstelling): 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Nijmegen: uitgeverij Vantilt, 2013. ISBN 978 94 6004 141 9


maandag 3 maart 2014

Vlieg terug naar Afrika

Henk Vos - Vliegende man (brons)

door Hilde Neus

De meest indrukwekkende versie die ik ooit las van de slaaf die terugvliegt naar Afrika, is in de roman De hemelvaart van Solomon van de zwarte Amerikaanse auteur Toni Morrison. Het is het verhaal van Macon Dead, wiens zoon beweert dat zijn opa Solomon kon vliegen en als een adelaar weggezeild is naar Afrika. Het is jammer dat dit verhaal niet is opgenomen in De slaaf vliegt weg (samenstelling Lucia Nankoe & Jules Rijssen). Maar ook de vermelding van het motief in het verhaal over Tata Colin van Ruud Mungroo zou hier niet hebben misstaan. Dit motief van de titel van de bundel komt verder voor als afbeelding van Elis Juliana, met een kleine verklaring erbij. De kern wordt gevormd door lezingen, gepresenteerd op het internationale symposium over de relatie tussen historische romans en de beeldvorming van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Waar en wanneer deze bijeenkomst werd gehouden staat in een noot vermeld; in de Muiderkerk in 2009. De centrale vraag is of en welke historische romans een rol spelen in de beeldvorming over het slavernijverleden. En hoe ze doorwerken in de hedendaagse discussies en in de persoonlijke beleving van de nazaten. De samenstellers proberen deze vragen in de inleiding te beantwoorden. Ze slagen daar maar deels in, omdat er veel voorbeelden aangehaald worden die allerlei kunstvormen bevatten, maar geen historische romans zijn. Het artikel van Suzanne Diop, ‘Het Eerste Internationaal Congres van Zwarte Schrijvers en Kunstenaars’ (pp. 29-33) is zo’n voorbeeld dat niet over historische romans gaat. (Kijk ook naar het onterechte gebruik van hoofdletters in de titel!)

Mijns inziens betekent het begrip beeldvorming binnen het literaire kader het ontstaansproces van een beeld (in fictie) over een persoon of groep mensen dat niet noodzakelijkerwijs met de werkelijkheid of de feiten overeen hoeft te komen. Als de samenstellers bedoelen dat beeldvorming een visualisatie is die bestaat uit het vertalen van een gedachte naar een beeld of uitdrukkingsvorm, dan klopt de bundel wel. Dan is de opname van veel stukken in de bundel, zoals de verhouding tussen etnische groepen getoond in de film Wan Pipel, wel verantwoord. Er zijn natuurlijk allerlei gevoelige zaken die uitvloeiselen zijn van de slavernij, en zodra die gevisualiseerd worden heb je ook een bepaalde vorm van beeldvorming.
Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd

De inhoud van de bundel werkt dus vervreemdend omdat je van de auteur, zelf literatuurwetenschapper, een andere insteek zou verwachten. En zeker als dan blijkt dat er allerlei stukken zijn opgenomen die niet op het symposium voorbij zijn gekomen, terwijl de bijdrage van M. van Kempen, die er wel bij was, vanwege een tekort aan beschikbare redactionele ruimte is teruggetrokken. Dan roept dit vragen op.
Bij zo een titel en inleiding waren mijn verwachtingen anders. Dat neemt niet weg dat de stukken bijna allemaal iets met de slavernij te maken hebben, maar het gevaar is dat de lezer met zo een gevarieerde waaier aan informatie toch blijft zitten met vragen over de context. Je kunt die dan op internet opzoeken, maar is dat de bedoeling van de bundel? Al in het eerste stuk, van Nankoe zelf (‘Reverence’) heeft ze het binnen vier pagina’s over Toussaint Louverture, Edwi[d]ge Danticat, de kunstenaar Basquiat, de zanger Maxwell en de Neville Brothers, auteur Simone Schwartz-Bart en de kunstenaar Frankétienne. Alles wordt even aangestipt en daardoor mist het stuk diepgang.

Cynthia Mc Leod vraagt zich in haar bijdrage af of het aan te bevelen is dat de lezer zich een beeld vormt van de geschiedenis via historische romans. Daar wil ze zich, ondanks de geweldige verkoopcijfers van bijvoorbeeld Hoe duur was de suiker?, niet over uitlaten. ‘Dat zou de uitkomst van het symposium moeten zijn’, is haar mening.

Ik denk dat een symposium over dit onderwerp ook geen uitsluitsel kan geven, daarvoor is het onderwerp te breed en te gecompliceerd. Wel is duidelijk dat historie in vele vormen verwerkt kan worden, letterlijk en figuurlijk. In literatuur, schilderijen, beelden, poëzie en zang, alle denkbare kunstvormen. En door over de slavernij na te denken en die uit te drukken in kunst, kunnen de nazaten van de slaven tevens aan een stukje rouwverwerking doen. En de nazaten van de slavenhouders kunnen zich plaatsvervangend schamen na zich verwonderd te hebben over de verschrikkingen die in die tijd plaats hebben gevonden. Eenieder doet dat op zijn eigen manier. Dat blijkt wél duidelijk uit de inhoud van deze bundel. Met bijdragen van onder meer Anil Ramdas, Rudy Bedacht, Remy Jungerman en Rihana Jamaludin, om maar wat Surinaamse auteurs in deze bundel te noemen.

Lucia Nankoe & Jules Rijssen (samenstelling): De slaaf vliegt weg. Beeldvorming over slavernij in de kunsten. Arnhem: LM Publishers, 2013. ISBN 978-94-6022-274-0

maandag 10 februari 2014

Ingekomen reacties

door Christine F. Samsom

Dat er op een uitgesproken mening in de Ware Tijd Literair reacties komen is niet ongewoon. Daar zijn we altijd blij mee. Het betekent dat de literaire pagina goed wordt gelezen. Discussies kunnen tot meer diepgang leiden. Dat er op de ‘Srefidensi/Zelfdenken’-special van zaterdag 25 januari 2014 drie reacties kwamen was toch een verrassing.
Eva Essed-Fruin

Erg blij zijn we met de verduidelijking van Eva Essed-Fruin over Trefossa’s betrokkenheid bij ons volkslied in zijn huidige vorm, waarbij zij putte uit haar rijke ervaring. Hieronder haar reactie:

‘Jammer dat je niet even de pagina’s 101-104 van Ala poewema foe Trefossa (1977) hebt opgeslagen, waarin de totstandkoming van het volkslied wordt beschreven. Aan Henny de Ziel is nooit verzocht een Nederlandstalige strofe te dichten. De toenmalige Raad van Ministers wilde de tweede strofe van het door dominee Hoekstra geschreven volkslied als eerste gebruiken en vroeg via Frank Essed aan Henny om een strofe in het Sranan te maken, wat hij binnen enkele dagen deed. Deze door hem geschreven tekst is de officiële geworden. Omdat De Ziel de Nederlandse tekst erg negatief vond heeft hij enkele regels gewijzigd. De twee eerste en de laatste regel heeft hij gehandhaafd, de regels “Doch dat elk zich dan ook schame/ Die zijn ere maakt te schand!/ Recht en waarheid te betrachten,/ Zeed’lijk rein en vroom en vrij,/ Al wat slecht is te verachten,”, verving hij door “Hoe wij hier ook samen kwamen/ Aan zijn grond zijn wij verpand./ Strijdend houden we in gedachten:/ Recht en waarheid maken vrij:/ Al wat goed is te betrachten,”. Het woordje “strijdend” heeft de Raad van Ministers vervangen door “werkend”. De eerste strofe is hoogstens een bewerking van de traditionele tekst, waarbij de stijl van Hoekstra zoveel mogelijk is gehandhaafd. Het is beslist onjuist om Trefossa op grond hiervan stijfheid in het Nederlands te verwijten. Deze strofe is ook niet opgenomen in Ala poewema..., alleen in de commentaar.’ Tot zover Eva Essed-Fruin...

Hilde Neus. Foto © Michiel van Kempen
Neerlandicus Hilde Neus heeft zich de kritiek op de lezing van Lila Gobardhan erg aangetrokken:

‘Soms ga je naar een activiteit met bepaalde verwachtingen, maar je kunt je ook laten verrassen. Ik was dan ook teleurgesteld over de bespreking van Lila Gobardhans lezing door Els Moor. Haar bespreking bestaat uit opmerkingen over wat ze aan kwaliteit van het Sranan binnen de Trefossa-poëzie had verwacht, maar tegelijkertijd is haar artikel voornamelijk een opsomming van zaken die al eerder besproken zijn, vooral door Hein Eersel. De opdracht aan de verzorger van de Trefossa-lezing is niet uitsluitend een analyse van het werk van Trefossa. Vene zijn lezing (2011) bijvoorbeeld ging daar niet uitsluitend over en Eddy van der Hilst (2010) analyseerde werk van Johanna Schouten-Elsenhout. Aan de inleidster was gevraagd om over Trefossa en taal te praten; een brede opdracht. Mijns inziens heeft ze dat op zeer indringende wijze gedaan door vooral de dagboeken als bron te gebruiken, geheel in de traditie van haar werk als onderzoekster van archieven. Al eerder is daar kort uit geciteerd in het Mutyama-nummer over Trefossa (1990), maar die citaten werden niet binnen zo’n uitgebreide context geplaatst. Cynthia Abrahams heeft in 2010 het Trefossa-archief waartoe de dagboeken behoren mogen overdragen aan het Nationaal Archief van Suriname (NAS).
Het sterke van de lezing van Gobardhan was vooral dat ze liet zien hoe Trefossa zich als persoon al op jonge leeftijd uitdrukte op een nadenkende en zelfs poëtische wijze, die duidelijk de voorbode was van de verbinding tussen zijn levenshouding, het benaderen van talen en hoe hij daarmee omging in zijn kunst. Iemand met een andere dispositie en minder introspectie had geen sonnetten van zulke kwaliteit kunnen produceren. Zijn zwakke gesteldheid maakte dat hij alles overdacht en zijn leven zag in uitdagingen. Die is hij ook aangegaan met taal. Door het lezen van de dagboeken en de inbeddingen van citaten in Gobardhans lezing, blijkt dat hij al vanaf zijn jonge jaren worstelde en zijn producten niet uit zijn mouw schudde. Hij heeft veel moeite gehad om over kleine dingen heen te stappen, dingen die later heel wat groter bleken te zijn (zijn hartproblemen). We hebben een breder beeld gekregen van de mens achter deze grote kunstenaar. Misschien was een aantal zaken reeds bekend, maar de precaire wijze waarop de dichter daar zelf mee omging was dat beslist niet. Er zijn stromingen binnen de literatuur die een literair werk als autonoom gegeven willen zien, zonder welke biografische gegevens van de auteur dan ook daarbij te betrekken. Maar uit deze lezing bleek duidelijk hoe het leven van de man en de levenslust waarmee hij zijn problemen oppakte en er kleine dingen van maakte, zijn werk heeft getekend.’

Alphons Levens
Alphons Levens, actief lid van de Schrijversgroep ’77 en publicist, is niet blij met de opmerking van Johan Roozer tijdens de zesde Trefossa-lezing, dat er ‘weinig is gebeurd op literair gebied’ en stelt zich op achter het artikel ‘Van de redactie’: ‘Ik ben het volkomen eens met “Van de redactie. Srefidensi in de literatuur” in de Ware Tijd Literair. Ik zat namelijk op woensdagavond 15 januari 2014 (...) in het auditorium van Self Reliance en wist ook niet wat ik hoorde toen Johan Roozer dat zei.’ Waarvan akte...


maandag 6 januari 2014

Slavernij. Een geschiedenis


door Hilde Neus

De herdenking van de afschaffing van de slavernij begon officieel op 1 juli 2013 en kan dus nog wel even doorgaan. Er is zo veel over dit onderwerp verschenen. Zeker ook de Walburg Pers heeft dit jaar nogal wat in dit item geïnvesteerd. Deze uitgeverij heeft van oudsher veel aandacht voor Suriname en een serie prachtige boeken gepubliceerd, zoals platenboeken over Maria Sibylla Merian, Stedman en Benoit. Dirk Tang, de auteur, was werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek en heeft al heel wat werk over dit onderwerp op zijn conto: diverse uitgaven van Sailing Letters Journa’/ Brieven boven water (1 t/m 5, Walburg Pers), maar ook Zwart. Het beeld van de zwarte mens in de Nederlandse illustratiekunst 1880-1980, KB.
Fabbio Fabbi - De slavenmarkt

In zijn voorwoord tot Slavernij. Een geschiedenis geeft Tang aan dat dit een van de vele geschiedenissen is die over slavernij geschreven kunnen worden. Hij brengt nuanceringen aan in het begrip, want slavernij was van situatie tot situatie anders, en kan als mensonterend kader niet overal over één kam worden geschoren. In dit koffietafelboek (klinkt raar, met zo’n onderwerp, maar wat kwaliteit van uitgave en fotomateriaal betreft wel binnen dit genre vallend) vertelt hij vooral over de betrokkenheid van Nederland bij de slavernij, en dan wel tot 1873. Het omslag geeft de ambiguïteit van het begrip slavernij goed weer. Bovenaan drie daguerreotype-foto’s uit 1850 van Amerikaanse slaven door Joseph T. Zealy met op hun gezicht het leed getekend. Uit deze serie foto’s zijn ook afbeeldingen van de ruggen bekend, waarop de ‘boom’ van littekens van de zweepslagen in de huid gegrift is. Onderop zien we een geromantiseerd schilderij van het type ‘Oriëntalisme’. Dit is het begrip waarmee de onderzoeker Edward Said de beeldvorming over het Oosten door het Westen verklaarde. Op de voorgrond mooie, blije, roddelende en zichzelf in de spiegel bekijkende meisjes op zebravellen, gekleed in vloeiende gewaden met sieraden. De hongerige blikken van de veelal oudere mannen en het ene meisje dat als een koe wordt tentoongesteld, maken dat de kijker begrijpt dat het hier om een vrouwenmarkt gaat. Het schilderij is van Edwin Long, uit 1875.
Tang schetst de slavernij vanaf de oudheid en geeft aan dat het systeem altijd heeft bestaan: volkeren trokken rond en lieten verslagen vijanden voor zich werken. Ook tijdens de middeleeuwen werden hele groepen mensen verplaatst in Europa om als lijfeigenen en horigen te werk gesteld te worden. Dat ook in de Oost slavernij een normale situatie was, blijkt wel uit de vele bronnen die Tang heeft gebruikt. Na de zeereizen van Columbus, onder invloed van de adviezen van pater De Las Casas om geen inheemse volkeren langer te knechten vanwege het hoge sterftecijfer, startte men de trans-Atlantische slavenhandel. Hierbij werden meer dan 12 miljoen mensen getransporteerd van Afrika naar de Nieuwe Wereld. In Portugal en Spanje waren ondernemers al in de vijftiende eeuw vertrouwd met de inzet van Afrikaanse slaven.

Ook in de Oost was er een levendige handel. Vooral de Verenigde Oost-Indische Compagnie is winstgevend geweest voor de Nederlandse markt. Tang beschrijft de verschillen tussen de VOC en de West-Indische Compagnie, die veel minder opbracht. Voor ons aanzienlijk minder bekend is het feit dat in de Arabische landen de slavernij ook welig tierde. De slaven werden niet ingezet op plantages, meer in de huishoudens. Er is veel minder boekhouding bewaard gebleven, maar de schattingen van transport lopen van 10 tot 18 miljoen mensen en dit doet niet onder voor de trans-Atlantische handel. In de hoofdstukken 6 en 7 komt vooral Suriname aan bod, in bijna 100 pagina’s. In veel publicaties wordt vaak gegeneraliseerd over de slavernij. In dit zeer leesbare boek kunnen geïnteresseerden kennis opdoen, vergelijken en nuanceren. En zo is dit boek een zeer waardevolle bijdrage aan de discussie over de slavernij.

Dirk J. Tang: Slavernij. Een geschiedenis. Zutphen: Walburg Pers, 2013. ISBN 978-90-5730-905-2

zaterdag 4 januari 2014

Slavernij verbeeld

Rug van de 1e druk van Wolbers,
 Geschiedenis van Suriname, 1861.
Foto: Buku Bibliotheca Surinamica
door Hilde Neus

De afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam heeft dit jaar een speciale tentoonstelling gehouden met boeken over de slavernij. Gastconservatoren waren Kenneth Boumann en Carl Haarnack, allebei van Surinaamse origine en verwoede verzamelaars van antiquarische werken over Suriname. Naast werken uit de collectie van de Universiteit van Amsterdam zelf, hebben zij ook boeken en andere zaken tijdelijk beschikbaar gesteld. Deze zijn afgebeeld in een publicatie van De boekenwereld, die voor ongeveer de helft is gevuld met informatie over historische Surinaamse (en andere) werken, gerelateerd aan de slavernij.

Als afsluiting van de tentoonstelling werd op 22 september 2013 een zondagmiddagsalon gehouden onder leiding van Michiel van Kempen, die een discussie over de rol van Afrika binnen de slavernij leidde tussen Leo Balai (Het slavenschip Leusden..., 2011), Marcel van Engelen (Het kasteel Elmina..., 2013) en Alberta Opoku, journaliste met Afrikaanse roots. Ik was in Nederland en bij de discussie aanwezig, samen met vele andere Surinamers. De conservator van de universiteit van Amsterdam was enthousiast, omdat Surinamers niet het doorsneepubliek van de Bijzondere Collecties uitmaken, en hij beloofde meer exposities voor deze doelgroep.

Een deel van de afbeeldingen, uitgekozen door Jörgen Raymann en zijn dochter Melody, is tot mooie banners gemaakt en in de bibliotheek van AdeKUS getoond rondom 1 juli. Van elke banner was er ook een exemplaar met Engelse vertaling. De volgorde van de tentoonstelling was nogal willekeurig; er waren geen bronnen of jaartallen bij vermeld. Omdat ook een verhaal als rode draad ontbrak, gaf de collectie een nogal gechargeerde indruk. Deze expositie van banners is momenteel te bezichtigen in Fort Nieuw-Amsterdam.

Bladerend door deze uitgave realiseer ik me weer wat voor een prachtige collectie we hier bezitten in de bibliotheek van de Stichting Surinaams Museum. Veel van de werken die geëxposeerd werden in Amsterdam zouden we hier ook aan het publiek kunnen tonen. En dan het echte boek, niet slechts een afbeelding op een banner.

Diverse auteurs: Slavernij verbeeld. In: De Boekenwereld, jrg. 29, nr. 4. Amsterdam: Vantilt & Bijzondere collecties van de UvA, juli 2013.

vrijdag 3 januari 2014

Heer in slavernij

Johann Dieterich Horst en zijn zonen
door Hilde Neus

De roman Gentleman in slavernij van Janny de Heer, recentelijk uitgegeven bij In de Knipscheer, neigt naar De zwarte lord van Rihana Jamaludin, verschenen in 2009 bij KIT Publishers. Zelfs het Engelse woord in de titel ontbreekt niet. De tijd waarin beide verhalen zich afspelen is de eerste helft van de negentiende eeuw. Waar in Jamaludins boek een jonge blanke vrouw de hoofdrol speelt, is dat in de roman van De Heer een jongeman van Duitse komaf, die om de familieboedel te redden gaat werken in Suriname. Hij begint als blankofficier, wat beslist geen vetpot is. Johann Dieterich Horst is van nature een goed mens en kan zich moeilijk verenigen met het slavernijsysteem. Zijn vele aanvaringen met planters die een slechtere inborst hebben maken dat wel duidelijk. Achter in de roman staat een groot aantal bronnen vermeld, alhoewel die uit de diverse archieven niet zijn gespecificeerd, en dus moeilijk na te trekken. Deze roman is een gefictionaliseerde biografie. Horst heeft werkelijk bestaan en zijn stamboom is ook nagetrokken. De namen zijn terug te vinden in het ‘Manumissieboek’ (Ten Hove & Dragtenstein, BSS 19, 1997). Verder zijn de details zoals het leven op de verschillende plantages door de auteur ingekleurd met allerlei informatie uit hedendaagse bronnen. Dat is jammer, want er is een aantal reisbeschrijvingen uit de tijd waarin Horst in Suriname verbleef, waaruit de auteur een beter en gedetailleerder tijdsbeeld had kunnen destilleren (bijvoorbeeld: Quandt - ook een Duitser - 1807, Teenstra 1828, Van Breugel 1842, allemaal digitaal op de site van dbnl, afdeling Suriname, in te zien.)
Janny de Heer. Foto © Sanne Landvreugd

Een gefictioneerde biografie, de spellingscorrector zet er een rood streepje onder en maakt er ‘gefrictioneerde’ van [maar het moet zijn: gefictionaliseerde – red. CU]. Waar Jamaludin er in slaagt een negentiende-eeuws verhaal à la Jane Austen op te voeren, doet de roman van De Heer onwaarachtig aan. Dit komt omdat de fricties ontelbaar zijn. Het is eigenlijk beschamend dat een echte ‘Suriname’-uitgeverij als In de Knipscheer geen goede redacteur met kennis over Suriname op het boek heeft gezet. Het standpunt ‘het is een roman’ is valide, maar fouten tegen de natuur kunnen mijns inziens echt niet. Al op pagina 24, bij de aankomst van Horst in Suriname, frons ik mijn wenkbrauwen: ‘Tien dagen later doemde de kust van Guyana op. In de verte ontvouwde zich een lange strakke strook donkere bossen waarvan ze, dichterbij gekomen, de spiegeling in het water zagen schitteren.’ Erg onwaarschijnlijk met die modderbanken voor onze kust! Volgens mij verwart de auteur hier Suriname met Curaçao. ‘De volgende ochtend was hij al vroeg op weg naar de haven. Vanaf het ochtendgloren vertrokken de tentboten naar de plantages en hij wilde met de eerste mee’ (p. 27). In Suriname is het verkeer op de rivieren afhankelijk van het getij, wat varieerde. Er waren dus geen vaste tijden waarop de boten vertrokken. Men voer weg uit Paramaribo bij eb, omdat de rivier dan harder richting zee stroomde en de mannen zich minder hoefden in te spannen tijdens het roeien. Vanaf Nieuw-Amsterdam vertrok men bij vloed de Commewijnerivier op, dan had men het tij mee. Dit zijn details die storend werken voor een lezer die in Suriname woont.

Maar ook het verhaal komt bij mij erg dun over. De auteur beschrijft Horst als een integer, diepvoelend mens. Hij raakt verliefd op de mooie slavin Candasie, maar laat haar van het ene op het andere moment vallen als hij begrijpt dat ze meer weet over de verdwijning van een gevluchte slavin. ‘Sindsdien leefde hij met de brokstukken van een in de kiem gesmoorde liefde en een verloren gelegenheid die alles voor hem had betekend.’ Alles? Mijn liefde zou echt niet zo snel zijn verdwenen, zeker niet als ik enig begrip had voor het leed van de slaven. Een jaar later blijkt dat Candasie een kind heeft gekregen van Horst. ‘Als ik het had geweten’, fluisterde hij, ‘was hij niet als slaaf geboren.’ (p. 143) In Suriname is een kind automatisch slaaf als zijn moeder dat is. Hij had dus vóór de geboorte van de jongen Candasie moeten manumitteren. Hij koopt het kind vrij. Na een reis naar Duitsland waarbij hij de landerijen van zijn ouders verkoopt, keert hij in 1844 terug naar Suriname. Daar begint hij een relatie met een dochter van Candasie - Carolina, een mulattin. Ook haar koopt hij vrij. Haar moeder weigert aanvankelijk mee te werken omdat slaven gescheiden van vrijen moeten leven en zij ‘haar dochter niet meer zou zien’. Nu was dit echt niet de realiteit in Suriname, de plantages lagen relatief dicht bij elkaar. Horst krijgt enkele kinderen met Carolina. De Heer neemt ook de kolonisering van de boeren in Groningen op in haar roman en schetst zo de ellende van de vele ziektes die daarmee gepaard gingen. Ook de aanloop naar de emancipatie op 1 juli 1863 komt aan bod. Op de plantage Lust en Rust leeft Horst rustig met zijn gezin totdat hij besluit zijn zonen naar Duitsland te sturen om te gaan studeren. Hij vergezelt ze en allen keren uiteindelijk terug naar Suriname, waar hij in 1878 overlijdt.
Romans met een beschrijving van diverse perioden uit de Surinaamse geschiedenis kunnen een mooie aanvulling zijn op wat er al geschreven is over slavernij. Maar dan spreken we wel de hoop uit dat gespecialiseerde correctoren van uitgeverijen met een fijne kam door het werk gaan en storende onjuistheden eruit halen. Een auteur mag de nodige ambities hebben, maar dient zich ook goed te onderleggen en te laten adviseren door kenners. In dit geval van de historie van Suriname wel te verstaan.

Janny de Heer: Gentleman in slavernij. Haarlem: In de Knipscheer, 2013. ISBN 978-90-6265-832-9


dinsdag 31 december 2013

De toover-lantaarn van Mr. Furet



door Peter Meel

De Toover-lantaarn van Mr. Furet van W.E.H. (Willem) Winkels (1818-1893) vertelt het verhaal van de blankofficier Péon Charles Prêt. Op de Surinaamse suikerplantage Atroce (!), waar hij te werk is gesteld, wordt hij Paauw genoemd. Volgens de schrijver is het lot van de blankofficier ‘eene aanhoudende teleurstelling, eene altijd durende marteling, een immer diep smartende toestand van de grievendste vernederingen’ (p. 6). Péon werkt zich zeven dagen per week uit de naad voor een fooi, verblijft in een schamel onderkomen waar ratten, kakkerlakken en muskieten vrij spel hebben, zit onder de knoet van de directeur van de plantage aan wie hij dagelijks rapporteert over de verrichtingen van de slaven, klaagt steen en been over de hitte, de kwaliteit van het voedsel, het verbod om omgang te hebben met slavinnen en zijn heimwee naar Nederland, en overlijdt na een leven vol ontberingen in grote eenzaamheid.

Het manuscript van dit fictieve verhaal dateert uit 1840 en bestaat uit achttien tekeningen en een reeks bijbehorende teksten die in het bezit zijn van het Surinaams Museum. Het is op initiatief van deze instelling dat het verhaal in een fraaie editie op de markt is gebracht en voor een breed publiek wordt ontsloten. Zowel de tekeningen, die vervaardigd zijn met waterverf, als de bijschriften tonen het artistieke en satirische talent van Winkels, die – geboren in Amsterdam – in 1839 de oversteek naar Suriname waagde en korte tijd zelf blankofficier was alvorens hij besloot in zijn bestaan te voorzien als boekhandelaar, boekbinder en beheerder van een leesbibliotheek. Naast De Toover-lantaarn maakte Winkels nog tientallen andere tekeningen en schreef hij meerdere satirische teksten die deels in de lokale pers werden gepubliceerd. Hij overleed op 75-jarige leeftijd in Paramaribo.

In Het leven van een blankofficier gaat Hilde Neus in op de overlevering van het (goed geconserveerde) manuscript. Ze laat op een overtuigende wijze zien dat Winkels in De Toover-lantaarn zowel de spot drijft met de slavenmeester en zijn entourage (onder wie de blankofficier) als met de slavenpopulatie. Winkels keerde zich tijdens zijn leven niet principieel tegen de slavernij en meende dat de emancipatie van de slaven op korte termijn tot mislukken gedoemd zou zijn. Tegelijk benadrukte hij de menselijke eigenschappen van laatstgenoemden en bekritiseerde hij de koloniale overheid die geen voortvarendheid betrachtte om slaven te alfabetiseren en op een hoger ontwikkelingsniveau te brengen. Naar zijn oordeel werd door deze laksheid de vooruitgang van Suriname getraineerd.

Het portret dat Winkels van de blankofficier schetst blijkt in belangrijke mate te corresponderen met het beeld dat oprijst uit andere (historische) bronnen. De blankofficier was duidelijk de ondergeschikte van de plantagedirecteur, die hem toezichthoudende taken opdroeg tegen een karig loon en maximaal wenste te profiteren van diens kennis van en invloed op de slavenmacht. En inderdaad waren zijn leefomstandigheden dermate zwaar dat hij het doorgaans maar enkele jaren in deze functie volhield. De begeerde promotie naar de positie van plantagedirecteur was maar voor een enkele blankofficier weggelegd.

De hertaling voor de jeugd van De Toover-lantaarn van Mr. Furet door Hilde Neus is eveneens een aantrekkelijke uitgave geworden. Neus volgt de oorspronkelijke tekst zo nauwkeurig mogelijk. Wel heeft zij het taalgebruik vereenvoudigd (kortere zinnen, simpeler woordkeus) en voorziet zij passages af en toe van toelichtende tussenzinnen die op een soepele wijze in de hoofdtekst zijn geïntegreerd. Het belangrijkste verschil met de volwasseneditie is dat het jeugdverhaal als een toverlantaarnvoorstelling door ‘oom Winkels’ zelf wordt gepresenteerd en dat de verteller een van de kinderen is die deze voorstelling bijwoont. Deze verteller kent Winkels persoonlijk en maakt van deze voorkennis gebruik door in de beginpagina’s van het verhaal hem als schrijver en voormalig blankofficier bij de jonge lezers te introduceren. Ook door deze lezers met ‘je’ aan te spreken worden deze actief bij de personages en hun handelingen betrokken en kunnen zij zich met de lotgevallen van Péon identificeren, zoals in mei 2013 tijdens presentaties op het Kinderboekenfestival in Paramaribo bleek.

De drie in harde kaft uitgegeven publicaties zijn met zorg gedrukt en in een handzame cassette samengebracht. Ze maken voor een groot publiek een document toegankelijk dat licht werpt op het negentiende-eeuwse Surinaamse plantageleven bezien door de ogen van een functionaris die het koloniaal gezag vertegenwoordigde en meehielp het regime van de overheerser in stand te houden. Als intermediair tussen de werkelijke machthebbers en de slavenmassa en als sociaal laaggeplaatste blanke had zijn positie tegelijk iets ambivalents en werd zijn loyaliteit niet zelden op de proef gesteld. Winkels weet dit ook voor de lezer van de twintigste eeuw maar al te inzichtelijk te maken.


W.E.H. Winkels, De toover-lantaarn van Mr. Furet, Suriname, 1840; W.E.H. Winkels, De toverlantaarn van meester Furet, 1840. Jeugduitgave; Hilde Neus, Het leven van een blankofficier. Paramaribo: Stichting Surinaams Museum, 2013. Libri Musei Surinamensis 7a, 7b en 7c. 43 p., 59 p. en 59 p., prijs SRD 100,- voor de gehele cassette, SRD 30,- per deel.

[uit Oso 2013, nr. 2]

zaterdag 23 november 2013

Doris Lessing overleden

door Hilde Neus
 
Doris Lessing. Foto @ Reuters
Ze heeft veel voor me betekend in mijn formatieve jaren, Doris Lessing. Als jonge vrouw van 18 kreeg ik van mijn moeder Het zingende gras (1950) cadeau. Een verpletterend verhaal over een vrouw uit Zuid-Rhodesië die om de verkeerde redenen trouwt en terechtkomt in het onherbergzame achterland. Haar man is ziekelijk, zodat zij het land en de werkers moet beheren. Vanwege haar karakter kan ze hier niet mee omgaan en er ontstaat een unheimische, erotisch getinte relatie met een van de zwarte arbeiders. Hij vermoordt haar omdat hij niet meer tegen de racistische manier kan waarop ze haar werknemers behandelt. Maar het eigenaardige en beklemmende van deze roman is, dat je tegelijkertijd het gevoel krijgt dat hij het uit mededogen doet; hij verlost haar uit haar leven. Lessing is in 1919 geboren in Perzië, maar groeide op in Zimbabwe en heeft de ervaring met interraciale verhoudingen dus uit de eerste hand.

Daarnaast las ik in die tijd ook Het Gouden Boek (1962), een dikke pil over een vrouw die vier dagboeken bijhoudt om vat te krijgen op de emotionele chaos in haar binnenste. Deze roman is voor veel vrouwen een handboek geworden en Lessing is daarom ook geproclameerd tot het boegbeeld van het feminisme. Maar ze zou Lessing niet zijn als ze niet steeds zichzelf opnieuw uitvond en voor geen enkele groep spreekbuis wilde zijn. Wel bleef ze de intermenselijke verhoudingen fileren. In latere jaren schreef ze meer science fiction, over de mislukkingen van de mensheid, ook in fictieve toekomstige samenlevingen. Algemene erkenning voor haar werk kreeg ze in 2007, in de vorm van de Nobelprijs voor de literatuur. Op 17 november 2013 is een groot schrijfster heengegaan.


maandag 29 juli 2013

Paraan boven alles

door Hilde Neus
Foto © Nicolaas Porter


In ‘Paranen tussen stad en bos: Een complexe Afro-Surinaamse ontwikkelingsgang vanuit de slavernij’ schetst Alex van Stipriaan de bijzondere positie van de mensen uit de Para, een positie tussen stad en bos. Vanuit de historische situatie werkten de mensen in de Para op houtplantages, waardoor ze meer dagelijkse ruimte hadden om te bewegen. Veel meer dan op suiker- of koffieplantages. Deze bewegingsvrijheid maakte hen tot mensen met trots, en de plantage-eigenaren zorgden er dan ook voor om op de gronden directeuren neer te zetten die niet tegen hun haren in zouden strijken. Weglopen was immers gemakkelijk. Toch kozen ze daar niet voor omdat het leven op de plantage voordelen bood boven het onzekere leven in het bos. Vanwege de nabijheid hadden ze veel contacten met de marrons. Aspecten als uitingen van winti waren belangrijk. Tot aan de officiële opheffing van het verbod op openbare winti-bijeenkomsten in 1970 werden deze vooral in de Para gehouden. En nog steeds. Ook de overdracht van de ebg-godsdienst beschrijft de auteur. Vele opmerkelijke personen in de samenleving komen uit de Para (Venetiaan, Belliot, Pengel en Derby). Niet verwonderlijk als je kijkt naar de onafhankelijke rol die ze zichzelf toebedeelden. De gehechtheid binnen de groep bleek door de aankoop van gezamenlijke gronden na 1863 en het trouwen binnen het gebied. Geen sakafasi-mentaliteit. Van Stipriaan beschrijft de historie vanuit de bronnen op levendige wijze. Dat maakt zijn stuk zeer prettig leesbaar. Daarnaast brengt hij een extra dimensie in het artikel door niet alleen het verleden te beschrijven, maar ook door het ‘reparations’- debat erbij te betrekken: hoe geëmancipeerd was de Paraan al voor de afschaffing van de slavernij?
 
Foto © Nicolaas Porter
Jerry Egger schetst in ‘Langzaam ontwaken: sociaaleconomische ontwikkelingen van creolen, 1873-1940’ de mogelijkheden en beperkingen van de nakomelingen der slaven. Na het staatstoezicht moesten de creolen in hun eigen onderhoud voorzien. Dat geschiedde vooral in de kleinlandbouw, en later ook in de goudindustrie en de balata bleeding-activiteiten. Als bron gebruikt Egger de Koloniale Verslagen, die vanaf 1851 werden opgetekend: niet alleen droge cijfers, maar vaak interessante observaties, die het geheel een meerwaarde geven. Zo stappen de auteurs ervan meer en meer af van de negatieve beeldvorming waar de beschrijvingen van de activiteiten der creolen bol van stonden, hoewel de productie in de kleinlandbouw niet voldeed aan de koloniale verwachtingen.
Vanaf 1884 stimuleerde gouverneur Van Sypesteyn de goudwinning, waarin het overigens javanen en hindostanen verboden was te werken. In navolging van Guyana ving ook Suriname aan met balata-export. Dit natuurrubber leverde heel wat op, zowel voor de arbeiders als voor de staat. In de guyaba-ten - tijdens de dertiger jaren - vielen beide inkomstenbronnen weg, waardoor de economische situatie erg achteruitging, mede ook vanwege de wereldcrisis. Bauxiet en tewerkstelling binnen de ambtenarij maakten de positie van creolen weer wat beter. Leuk dat Egger een egodocument van Elizabeth Singh en zijn eigen familiegeschiedenis opvoert om het verhaal kracht bij te zetten. Beide artikelen bevatten informatie, die heel wat ideeën (vooroordelen) binnen de samenleving bijstellen. Zeer de moeite waard om te lezen dus.


Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

zondag 30 juni 2013

Elmina: kasteel of hellekrocht

door Hilde Neus

Het woord kasteel heeft iets romantisch, maar in het geval van Elmina gaat dat niet op. De vesting aan de Goudkust van West-Afrika (nu Ghana) die werd ingenomen door de West-Indische Compagnie (WIC) in 1637 was allerminst een prettig oord. De Nederlanders verzamelden er de slaven die verscheept werden naar de Nieuwe Wereld. Marcel van Engelen, de auteur van Het kasteel van Elmina. In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika, heeft het verhaal van het fort, zijn omgeving en de barbaarse slavenhandel opgetekend. Hij beschrijft naast de bouw en de strijd om het fort, de verschillende geschriften van mensen die over hun verblijf ter plaatse hebben geschreven, de rol van de mensen om fort en dorp heen, ook uitgebreid de rol die de Ashanti speelden in deze mensenhandel en de herkomst van de geroofden. Met het boek wil de auteur aantonen dat de historie niet zo zwart-wit is, maar veel ingewikkelder dan meestal wordt aangenomen.

Toegangsbrug tot het kasteel van Elmina


Het is lastig om bij zijn les te blijven, omdat de schrijver allerlei gegevens door het boek strooit, in niet-chronologische volgorde. Nederland veroverde het fort in 1637 op pagina 21 en Sao Jorge da Mina werd door de Portugezen gebouwd in 1482 op pagina 23. Hij combineert harde feiten met eigen meningen, waardoor de lezer in verwarring raakt. Op pagina 27 verbaast de auteur zich over het feit dat er meer Afrikanen naar de Nederlandse koloniën zijn getransporteerd dan naar de Verenigde Staten.

Er is een uitvoerig onderzoek gedaan naar de bewegingen van de slavenschepen, vastgelegd in ’n uitgebreide, uitstekende en vrij volledige database,
(http://www.slavevoyages.org/tast/assessment/estimates.faces), deze wordt genoemd, maar er worden andere cijfers gebruikt. Daarnaast legt Van Engelen anderen heel wat uitspraken in de mond (‘Oh my god’, zei een blanke Amerikaanse vrouw toen ze weer buiten stond, p. 24), dit is erg storend omdat er verder geen uitleg aan wordt gegeven. Verder komt het woord ‘misschien’ erg vaak voor.

Van Engelen haalt heel wat bronnen boven water, doorbreekt heel wat stereotiepe beelden (de slavenhandel in Afrika ging nog lang door na de afschaffing van de handel in 1808, ook zonder de inbreng van de Europeanen) en bekijkt de geschiedenis van allerlei kanten. Hij prijst zichzelf met het feit dat hij heel wat bronnen heeft blootgelegd en verwerkt in zijn boek. (Terug in Nederland bezocht ik bibliotheken, raadpleegde ik historici en nam ik een duik in de archieven, p. 32). Maar wat is de meerwaarde daarvan als je de bronnen niet duidelijk in voetnoten verwerkt? Kleine moeite lijkt me zo. Een uitgebreide boekenlijst per hoofdstuk is dan leuk en aardig, maar de schrijver verwacht toch niet dat de lezer zelf gaat uitpluizen wat waar staat en wie wat geschreven heeft? Een grove misser mijns inziens, vooral omdat hij zulke interessante egodocumenten heeft gevonden, die ook belangrijk kunnen zijn als bron voor anderen.
In dit jaar van 150 jaar afschaffing van de slavernij zien we een grote productie in Nederland aan werken over dit onderwerp. Dit boek is bedoeld als populair-wetenschappelijke uitgave, voor een groot publiek. De schrijver heeft behoorlijk wat subsidie van diverse instanties ontvangen om het te schrijven. Misschien is zijn opdracht voorin het boek wel tekenend: ‘ter nagedachtenis aan mijn vader’, en niet ‘aan de mensen die zijn weggevoerd uit West-Afrika’. Ik ben een kritische lezer, en ondanks dat de auteur vermeldt dat hij 3 jaar een relatie had met een meisje van Surinaamse afkomst, betrap ik hem hier en daar toch op neerbuigendheid ten opzichte van de Afrikanen. Het boek is bruya, en ondanks alle invalshoeken zweemt het naar eurocentrisme. Misschien iets voor bij het volgende lustrum: een nazaat die over Elmina schrijft?


Gezicht op Elmina. Willlem Troost (1812-1893). Elmina was de poort waardoor veel tot slaaf gemaakte Afrikanen naar de Nieuwe Wereld (en dus ook Suriname) werden vervoerd. Elmina ligt in het huidige Ghana. Toen heette het nog Goudkust, een lang vergeten Nederlandse kolonie.

Dat dit niet a priori vol sentimentaliteit hoeft te zijn, bewijst Ellen Ombre. In een klein artikel in De Groene Amsterdammer van 13 juni 2013 schrijft ze over een schilderij van Willem Troost (1812-1893) met een romantisch zicht op Fort Elmina, dat aan haar werd vermaakt door Silvia de Groot (wetenschapper met veel kennis over de marrons, overleden 2009). Ombre geeft aan hoe het schilderij in haar bezit kwam, maar staat ook zeer kritisch ten opzichte van de toekomst van het kunstwerk: wat is de beste plek? Het verbaast haar dat de bijdrage van de Afrikanen aan de slavenhandel in Suriname vaak wordt verwaarloosd in het discours over slavernij. Zou ze van mening zijn dat Elmina voor haar voorouders een hellekrocht is geweest?

Marcel van Engelen: Het kasteel van Elmina. In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika.  Amsterdam: De Bezige Bij, 2013. ISBN 978 90 234 7704 4


woensdag 12 juni 2013

Het vijfendertigste Kinderboekenfestival



door Els Moor

5 X 7 = 35! Zeven is ’n geluksgetal. Vijf maal zeven betekent dan veel geluk! En dat is zo: het vijfendertigste Kinderboekenfestival dat van 27 mei tot en met 1 juni gehouden werd in Paramaribo, bracht veel kinderen geluk, welzijn. En ‘welzijn’ is het thema van de afgelopen drie jaren dat nu afgesloten werd.
Kusuwe

Het festival begon in 1999 en dit was het veertiende jaar. Ieder jaar vindt het plaats in twee districten en tot slot in de stad. Er is veel ervaring opgedaan door de vaste medewerkers.
Het vijfendertigste festival omvatte subthema’s. Donderdag was de Carifesta-dag met aandacht voor Caraïbische cultuur, kunst en kookkunst. Kunstenaars/schrijvers uit verschillende landen/eilanden waren daarbij aanwezig (in augustus is Suriname gastland van Carifesta!). Vrijdag bracht iets nieuws: ‘Dag van de financiële educatie’. Met een workshop voor kinderen door ‘Aflatoun’: een wereldwijde organisatie die kinderen wil inspireren zich sociaal en economisch te versterken om veranderingen in hun leven te bewerkstelligen én te werken aan een vooral eerlijker wereld. Een nuttig initiatief in deze tijd waarin té vaak eigenbelang en geldzucht centraal staan! Een folder van Aflatoun met het motto ‘Onderzoek, Denk, Ontdek en Doe!’ is verkrijgbaar bij het PCOS.
Zaterdag was de dag van ‘Welzijn’. Bezoekers liepen vrij naar de stands die hun interesse hadden en musicals werden bezorgd door kinderen uit Atjoni, Commewijne en Paramaribo, onder leiding van Sandra Purperhart. Tijdens de afsluiting werd het nieuwe thema voor de komende jaren door Yvonne Caprino bekend gemaakt: ‘Groei’. Een thema dat aansluit bij ‘Welzijn’.

Foto © Peter de Rijk

Gesprekken
Een heer komt in onze stand. We vragen hem wat hij vindt van dit festival. ‘Heel goed’, antwoordt hij. Waarom hij dat vindt: ‘De kinderen ontdekken de wereld.’ Dit antwoord inspireert ons om rond te lopen en meer mensen vragen te stellen over hun werk op het Kbf in verband met het thema. 

Onderweg naar Yvonne Caprino, hoofd van de leiding van PCOS, vragen we een jongen wat hij van het boekenfestival vindt. ‘Leerrijk en leuk!’ roept hij en zijn armen gaan omhoog.
Over thema’s zegt Yvonne: ‘We proberen ervoor te zorgen dat de thema’s niet verloren gaan. Eerst hadden we “Milieu”, daarna “Communicatie” en nu “Welzijn”. Het is een continue verbreding, een groei. “Groei” wordt dan ook het volgende thema. Groei op het gebied van educatie zien we vooral bij kinderen die van peuter tot tiener elk jaar weer gekomen zijn naar ons festival. Vorming, groei in ontwikkeling op een prettige manier, dat willen we. We leggen een accent op leesplezier. Op een gegeven moment grijpt een kind zelf naar een boek en wordt een lezer. Dat is “Vorming”.’
Ans Engel


Ans Engel werkt samen met het Wereld Natuur Fonds. De aantrekkelijke kinderboeken, uitgegeven in het Nederlands of Engels én Nederlands, staan centraal. A Turtle. De Droom van een Zeeschildpad en Het activiteitenboek van de zeeschildpad hebben grote belangstelling van de kinderen. ‘We zijn samen met hen bezig tegen de vervuiling van water, vooral door plastic, waar de dieren niet tegen kunnen en uiteraard ook tegen het stelen van de eieren, waardoor de soort dreigt uit te sterven. De kinderen zijn betrokken. “Overleven” is het thema dat samenhangt met “Welzijn”.’ In de stand zijn kinderen bezig met activiteiten in verband met het thema. Ze maken zelfs schildpadden!
Marja Themen-Sliggers

Marja Themen-Sliggers van onze kinder- en jeugdredactie en schrijfster, onder andere van de nieuwe verhalenbundel Elf, zegt: ‘Onderwijs en Volksontwikkeling moeten ervoor zorgen dat er aan “Welzijn” gewerkt wordt. Dit door ervoor te zorgen dat schoolkinderen en gehandicapten in tehuizen en vormingsinstituten welzijn voelen, maar ook zelf door activiteiten aan hun welzijn kunnen werken. Een jongere die niet kan lopen, kan in zijn wagen door een andere jongere rondgereden worden, zodat hij ook wat ziet. Surinaamse liedjes draaien en samen zingen met kinderen die niet kunnen lezen en schrijven, en veel vertellen op eenvoudige wijze. Dat brengt ontwikkeling naar “Welzijn”. Alle kinderen, ook die met een beperking, hebben recht op “Welzijn”.’
Ed Hogenboom

Ed Hogenboom van VACO die ook een stand heeft waar boeken te koop zijn, vindt het Kinderboekenfestival ‘ontzettend nuttig’ omdat het kinderen laat zien hoeveel boeken er zijn waar ze naar hartenlust in kunnen bladeren. Ze zien van alles wat ze nog nooit gezien hebben. Wat je nog niet wist, vind je in boeken. Het thema ‘Welzijn’ vindt hij belangrijk. De kinderen verbreden hun gezichtsveld en dat zorgt voor ‘welzijnsverbreding’.

Els Jap A Joe heeft een stand over ‘geheimschrift’. De kinderen lossen geheimen op. Ze gaan daardoor begrijpen dat ze eigenlijk met van alles iets kunnen doen. Els houdt rekening met niveauverschillen. Sommigen lossen een eenvoudig geheimschrift op en als dat nodig is worden ze geholpen. Anderen kunnen zelf al een ‘geheimschrift’ maken. Met het thema ‘Welzijn’ is zij het helemaal eens.

Ook Indra Hu komt aan het woord. In haar stand laat ze kinderen knutselen aan de hand van verhalen in haar boeken. Haar trapje is: Lezen ..& Leren..& Doen! Er zijn zelfs kinderen die samen of alleen een eigen boekje maken. Haar Zigzagboekje met plaatjes voor heel jonge kinderen is dan het voorbeeld. Over ‘Welzijn’: ‘De kinderen leren zich uiten op een eigen manier en hebben er plezier in.’

Marcel Leune, vaste medewerker van PCOS, begeleidt kinderen die in een ruimte vol computers er op mogen werken. Hij had gehoopt dat de kinderen gingen zoeken naar onderwerpen die betrekking hebben op hun schoolvakken. Maar nee... ze gaan niet op zoek naar wetenswaardigheden... ze doen ‘games’. Ze spelen. ‘Maar ze hebben het naar hun zin, “Welzijn” dus’, zegt hij laconiek.
Hilde Neus

Hilde Neus is de auteur van de bewerking voor de jeugd van De Toover-lantaarn van Mr. Furet uit 1840 van W.E.H. Winkels. Met schitterende illustraties van de schrijver. Het is een verhaal over een blankofficier op een slavenplantage. Het boek is er een van drie die in één band uitgegeven zijn door het Surinaams Museum. Het museum heeft ook een stand met aan de wanden heel grote mooie illustraties uit de boeken. Waarom staan ze hier? Hilde antwoordt dat er veel behoefte is aan mooie boeken die het geschiedenisonderwijs op de basisscholen ondersteunen. Het boek met de bewerking voor de jeugd wordt dan ook apart verkocht. Ze is blij dat net nu het boek uit is, er een Kinderboekenfestival is, waardoor het boek bekendheid krijgt. In het boek komt het tegenovergestelde van welzijn tot uiting: de blankofficier uit Holland die weinig geld krijgt van zijn meester, slecht behandeld en gediscrimineerd wordt. Hij is menselijk met de slaven en enkelen van hen waarderen hem. Maar hij sterft in eenzaamheid. Je ziet hier wat er gebeurt als je géén welzijn hebt!
Christine Feenstra

Christine Feenstra, medewerkster van PCOS, is de schrijfster van de eerste vijf Amaisa-boekjes. Die kwamen eigenlijk uit in het kader van een taalproject voor moeders met jonge kindjes in negen dorpen aan de Boven-Suriname. Maar de boekjes bleken ook elders een enorm succes. Ze voldoen aan de behoefte van veel kinderen om te lezen over een herkenbare belevingswereld, met duidelijke tekeningen erbij. ‘Welzijn’? Christine: ‘Welzijn zit in zoveel aspecten van het leven. Taalgevoeligheid speelt een grote rol hierbij. Kunnen zeggen wat je wilt uiten! De boekjes helpen kinderen om het moeilijke Nederlands met plezier te leren en niet bang te zijn ervoor!

Soecy Gummels heeft altijd leiding gegeven aan de vrouwen van de schrijversgroep Wagina uit Wageningen. Vijfenveertig boekjes zijn er al verschenen sinds 2006. Het doel: betaalbare boekjes maken uit de eigen leefwereld. ‘Samenwerking is essentieel bij zo’n project’, zegt Soecy. Niet met elkaar concurreren, maar elkaar aanvullen! Elkaar feedback geven! Ze zijn erin geslaagd, de dames uit Wageningen en wij kunnen adviseren dat er in dorpen in districten en in het binneland schrijversgroepjes ontstaan die samenwerken met het ‘Welzijn’ van de kinderen voor ogen. We willen ze altijd, indien nodig, helpen.

Gerrit Barron - dit jaar is hij veertig jaar schrijver. In de zeventiger jaren sloot hij aan bij het streven om ‘eigi sani’ uit te dragen. Binnenkort maken we een pagina over zijn werk. Hij ziet ook dat momenteel kinderliteratuur groeit in Suriname en steeds belangrijker wordt. ‘Suriname leert’, zegt hij lachend. ‘Het gaat om een “eigen literatuur”, net als in Latijns-Amerikaanse landen.’ Kinderen houden van zijn boeken. Ze hebben verschillende niveaus. Barron kijkt ook naar de nabije toekomst. Hoe gaat het verder? De wereld en ook de literatuur wordt gedigitaliseerd. Suriname moet daar ook mee bezig zijn. Welzijn? Barron kijkt naar het land: ‘Zolang er armoede is, hebben we geen welzijn. Vanuit ons eigen “zijn” moeten we het ontdekken.’ Wat het Kbf betreft vraagt hij zich af: ‘Is het nu een Kinderboekenfestival of een Kinderfestival? Lang niet alle stands werken met boeken. Er moet een evaluatie komen!
Els Moor

Ook de Ware Tijd heeft een stand. Daar leren kinderen wat een krant is en doet. Ze doen veel kennis op, zien bijvoorbeeld ook hoe belangrijk advertenties zijn. Die zorgen ervoor dat de krant financieel blijft bestaan en goedkoop verkocht kan worden. De kinderen interviewen in groepjes met een medewerker van de krant mensen over belangrijke zaken in de samenleving. Wateroverlast bijvoorbeeld! Ook mogen ze in groepjes een krantje maken. ‘Als kinderen gevoed worden met kennis, dan werk je aan hun “Welzijn”’, zegt een van de ‘dWT’-medewerkers.

Dat is een mooi slot voor dit artikel waarmee we PCOS, al 13 jaar organisator en uitvoerder van het Kinderboekenfestival, willen complimenteren met hun inzet, hun creativiteit en doorzettingsvermogen. Vechten om tot ‘Welzijn’ te komen voor het festival en de ‘groei’ te bevorderen! Grantangi!