Posts tonen met het label Jansen van Galen John. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jansen van Galen John. Alle posts tonen

donderdag 16 januari 2014

Boekencafé in Amsterdamse Academische Club

Boekencafé 27 t/m 31 januari
Karin Amatmoekrim. Foto © dsm

In de laatste week van januari is iedereen welkom in het Boekencafé: vijf avonden achtereen gesprekken met topschrijvers in de Amsterdamse Academische Club. De week heeft het thema ‘de zeven hoofdzonden’. Het Boekencafé opent op maandag 27 januari met Jan Siebelink. Toegang gratis.

Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, gesprekken met schrijvers:

-              maandag 27 januari Boekencafé 1: Een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.

Stephan Sanders. Foto © Dennis Duijnhouwer
-              dinsdag 28 januari Boekencafé 2: Poëzie en beeldende kunst verenigd in boek: Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.

-              woensdag 29 januari Boekencafé 3: Het succes van culinaire boeken: Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.

-              donderdag 30 januari Boekencafé 4: Caraïbische letteren: Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.

-              vrijdag 31 januari Boekencafé 5: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.
 
Michiel van Kempen. Foto @©Reza Djoric
Maandag t/m vrijdag: 27, 28, 29, 30, 31 januari 2014
Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur:
• 17.00 uur inloop
• 17.30 uur start gesprek
• 18.30 start gesprek met de zaal
• 18.45 uur borrel en 19.15 uur Clubschotel (optioneel)
Adres: Amsterdamse Academische Club, Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam
Toegang gratis: iedereen welkom.
Wel graag aanmelden: klik hier 
of hier


Vera de Kort

Het Boekencafé is een initiatief van Boekface en is geprogrammeerd door Vera de Kort.

maandag 30 december 2013

Jansen van Galen: niet-moralistisch, weinig comparatief

Rosemarijn Hoefte
door Rosemarijn Hoefte

John Jansen van Galen heeft een kwartet boeiende Surinameboeken op zijn conto staan: Kapotte plantage, Hetenachtsdroom, Het Suriname-syndroom en Laatste gouverneur, eerste president. Nu is er dan de pil getiteld Afscheid van de koloniën, waarin de auteur het Nederlands dekolonisatiebeleid onder de loep neemt. ‘Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit lang aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de onafhankelijkheid over de toekomt van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?’ (p. 18). De kernvraag is: deed Nederland het inderdaad zo beroerd als vaak wordt beweerd?

Om deze vraag te beantwoorden, heeft Jansen van Galen een wel erg lange aanloop nodig over kolonisatie en dekolonisatie in Azië en de Caraïben. Over de laat-koloniale periode merkt hij op dat het Nederlandse kolonialisme vanouds eerder gekenmerkt wordt door paternalisme, ‘waarbij men van bovenaf in detail de zaken voor de inlanders wilde regelen … dan door verstokt kolonialisme’ (p. 570). Het lijkt mij dat paternalisme (the white man’s burden) een onlosmakelijk deel is van het kolonialisme en geen separaat verschijnsel. In deze hoofdstukken buitelen de gebeurtenissen soms over elkaar heen, vooral in de wat vlakke en traditionele delen over Indonesië; in de stukken over de Antillen en met name Suriname voelt de auteur zich zichtbaar beter thuis en heeft zijn beeldende schrijfstijl de overhand. Helaas maakt hij geen verbindingen tussen de ervaringen en het koloniale beleid in Oost en West, terwijl er toch wel aanknopingspunten zijn. Zo schrijft Jansen van Galen over de ‘ethische intentie’ van gouverneur Lely’s goudspoorlijn (p. 146), zonder een duidelijke lijn te trekken naar de ethische politiek die begin twintigste eeuw opgang deed in Nederlands Indië. En in hoeverre is het beleid van gouverneur Johannes Kielstra beïnvloed door zijn ervaringen in Indië?


Na 516 bladzijden zijn we beland bij de ‘onbetaalde rekeningen’ van het Nederlandse dekolonisatiebeleid, zoals zwarte piet, de TV serie over de slavernij, de kwestie-Rawagede, de levering van Nederlandse tanks aan Indonesië, en het officiële Nederlandse beleid jegens  president Bouterse. De auteur somt allerlei episodes tot eind 2012 op, maar komt uiteindelijk niet veel verder dan te constateren dat dit de naweeën zijn van een onvoltooide dekolonisatie. Het zou interessant zijn dit soort incidenten en processen in een internationaler perspectief te plaatsen: wat zijn de Britse, Franse, Belgische, Spaanse en Portugese ervaringen op dit terrein?

De verovering van de Nieuwe Wereld


De kernvraag die de auteur in de inleiding stelt − was het Nederlandse dekolonisatiebeleid zo slecht als vaak wordt beweerd − wordt beantwoord in het laatste hoofdstuk ‘Slotsom’ (pp. 556-577). Jansen van Galen begint met de herinnering aan een interview met voormalig premier Willem Drees in 1980. Drees wees op de ervaringen van Groot-Brittannië in India/Pakistan, België in Congo en Frankrijk in Algerije en Indochina om te constateren dat Nederland het zo gek nog niet had gedaan. Jansen van Galen is het met hem eens. Met zijn verfrissende, niet-moralistische kijk benadrukt hij de onderlinge tegenstellingen en strijdigheden van het Haagse beleid. Hij verklaart fundamentele discrepanties in het beleid door te wijzen op Nederlands pragmatisme, gericht op eigen belang op korte termijn waarbij principes of algemene richtinggevende uitgangspunten geen rol speelden, ‘al werd het beleid tegenover de buitenwacht doorgaans verdedigd met een stellig beroep op beginselen’ zoals democratie, rechtszekerheid en het waarborgen van mensenrechten (pp. 564-565). Het beleid werd geschraagd door financiële afwegingen en het behoud van prestige en machtspositie. Maar in hoeverre week /wijkt dit beleid dan af van andere West-Europese koloniale machten? Ik had ook graag een diepere analyse gelezen over hoe de ervaringen met de Indonesische dekolonisatie wel of geen een rol hebben gespeeld in Suriname of in hoeverre Surinaamse ontwikkelingen de constitutionele verhoudingen tussen Nederland en de Antillen hebben beïnvloed. Van mij had het slotakkoord uitgebreider en comparatiever mogen zijn, eventueel ten koste van de voorgaande hoofdstukken.

Afscheid van de koloniën is oorspronkelijk geschreven als proefschrift, de auteur heeft er echter voor gekozen zijn promotie niet door te zetten. In deze publieksvriendelijke versie ontbreken noten en verwijzingen, maar op p. 18 wordt vermeld dat de ‘wetenschappelijke academische versie’ inclusief noten online beschikbaar is. Merkwaardig genoeg leverde de genoemde link geen hit op.

 John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën; Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam: Atlas Contact, 2013. 608 p., ISBN 978 90 254 3530 1, prijs € 44,95.

[uit Oso 2013, nr. 2]

maandag 7 oktober 2013

Nederlands dekolonisatieproces ambitieus beschreven

John Jansen van Galen
door Walter Lotens

Op de cover van Afscheid van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John Jansen van Galen Afscheid aan de koloniën geschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie geworden.

John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname (een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme), Het Suriname-syndroom (over het beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en daaruit ontstond Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoeanatie) en De toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen).



“Een neger uit Zuremane!”

Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog school liep - Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)



Journalistiek onderzoek

Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde  zijn blik ook vaak naar de oostelijke rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In 2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?” (p.18)  Het boek is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het zo slecht? 


Drie lijvige delen

Afscheid van de koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen 1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden - minder dan een half miljoen inwoners - waar ook veel minder kolonialen woonden. In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië – bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen, de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de auteur.

Kruithuis Nieuw Amsterdam. Foto H. Sevenoaks

In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld, ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942.  De koningin verklaarde in haar toespraak dat het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost, maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt volgens hem weinig af te dingen.

Sint Eustatius

In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in op de zes koloniën in de West - in feite gaat het om kleine eilanden in de Caraïben - die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders, 330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.

Geen eenduidige conclusie

Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen, een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd.” (p. 577)


Afscheid van de koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet gemakkelijk.  Meer dan veertig jaar kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen in het groter historisch geheel. Afscheid van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.

John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN 9789025435301, prijs: € 44,95. 

zaterdag 18 mei 2013

Debat Afscheid van de koloniën

Amusement voor de KNIL-soldaten in Indonesië


Waarom moest Indonesië geleidelijk en Suriname halsoverkop onafhankelijk worden? Waarom waagde Nederland zich op de rand van een oorlog voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's, dat het niet gunde aan Aruba? Waarom eiste Den Haag een volksstemming over de staatkundige toekomst van Nieuw-Guinea en weigerde het die aan Suriname? Zestig jaar al neemt Nederland afscheid van zijn koloniën. Met de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10-10-2010 kwam er nog geen eind aan. John Jansen van Galen beschreef de dekolonisaties in de Oost en de West met al hun tegenstrijdigheden, goede voornemens en faliekante gevolgen in Afscheid van de Koloniën.

John Jansen van Galen schreef eerder Kapotte plantage. Een Hollander in Suriname (1995) en Hetenachtsdroom (2000), over het Surinaamse nationalisme.
Dr. Guno Jones, senior onderzoeker verbonden aan het Migration and Diversity Centre (Vrije Universiteit Amsterdam) gaat met hem in debat.

Datum: 2 juni 2013, van 15.00-17.30 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname, Zeeburgerdijk 19-21, Amsterdam

zaterdag 6 april 2013

Een Nederlandse visie op dekolonisatie

door Jerry Egger


John Jansen van Galen. Foto © Tessa Posthuma de Boer

John Jansen van Galen heeft meer dan 600 bladzijden nodig om in zijn recent verschenen boek, Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942 - 2012, te beschrijven hoe Nederland afstand deed van de meeste gebieden die het in de 17de en latere eeuwen wist te veroveren. Hij liet zich leiden door zijn centrale vraag: hoe de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid zijn te verklaren. Verder stelt hij de geladen vraag of zijn geboorteland het werkelijk zo slecht heeft gedaan. (p. 19) Soms geeft hij tot in de kleinste details weer hoe het eraan toeging en soms zijn het de grote lijnen. Het is wel steeds de Nederlandse visie. Bronnen uit de gebiedsdelen zijn maar weinig geraadpleegd. In de recente periode, vooral die na de jaren ’70 van de 20ste eeuw, kan hij gebruik maken van zijn eigen ervaringen als journalist die op reis ging naar Indonesië en de West en daar vaak leidende politieke hoofdrolspelers wist te interviewen.

De Waterkant in Paramaribo

Het vraagt veel uithoudingsvermogen om zo’n 577 bladzijden aan tekst door te nemen en dan nog de literatuurlijst (11 pp.) om te zien welke bronnen wel en welke niet zijn opgenomen. Het register (12 pp.) biedt de mogelijkheid om snel te zien waar de voornaamste spelers in dit hele proces voorkomen in het boek. Uiteindelijk heeft hij heel wat stof aangedragen om ermee in discussie te gaan, van mening te verschillen en andere dan de eigen conclusies te trekken. De nadruk in deze recensie ligt voornamelijk op ontwikkelingen in de West en minder op Indonesië, terwijl het laatste, zeker in de eerste helft van het boek, in ruime mate wordt beschreven.

De Surinaamse Politiekapel


Hoewel hij aangeeft dat de periode 1942- 2012 wordt behandeld, gaat hij terug in de tijd om het ontstaan van het Nederlandse koloniale rijk te verklaren. Bovendien geeft hij zijn eigen achtergrond. Die komt bekend voor: opgroeien in een klein dorp, Nederlands-Indië centraal stellen in het denken over de koloniën, studeren in Amsterdam en daar terecht komen in de linkse beweging, zelfs een relatie krijgen met een bekende Surinaamse schrijfster en meer van dergelijke ontboezemingen. Je zou hieruit de voorzichtige conclusie kunnen trekken dat Jansen van Galen zichzelf de beroerdste niet vindt om over dekolonisatie te schrijven. De contemporaine periode komt uitgebreid aan bod waarbij politici die nog in leven zijn, worden beschreven. We kennen allemaal de lange tenen van Caraïbische politici. Het zit wel goed in dergelijke handen gelet op zijn achtergrond.
Volgens Jansen van Galen begint het dekolonisatieproces op een nauwkeurig vast te stellen tijdstip. Het is 6 december 1942 wanneer de in ballingschap levende koningin Wilhelmina zich richt tot haar onderdanen vanuit Londen. Na de oorlog belooft zij een rondetafelconferentie waarbij het koninkrijk zal worden aangepast. Tot in de kleinste details vertelt de auteur hoe de rede tot stand is gekomen. Hij weidt uit over de aanval op Pearl Harbor precies een jaar voor die toespraak en geeft en passant ook nog aan dat Feyenoord van Ajax won in Rotterdam. Waar was de redacteur, vraag je je af, die de schrijver een klopje op de schouder gaf en vriendelijk zei dat het leuke details zijn, maar het rode potlood er doorheen haalde, want dat scheelde weer anderhalve bladzijde. Als het consequent was gedaan had dat een behoorlijk afgeslankte publicatie opgeleverd.
Een punt van discussie is de datum die Jansen van Galen gebruikt. De toespraak van Wilhelmina is het Nederlandse moment van dekolonisatie. In de voormalige koloniën kunnen andere tijdstippen worden gegeven. Als verzet een wezenlijk onderdeel is van de geschiedschrijving dan hebben in het geval van Suriname de marrons zich veel eerder vrij verklaard van de kolonisator. Curaçao kan het voorbeeld van Tula aanhalen die al uiting gaf aan de drang naar vrijheid. Dit wordt rigoureus door de auteur van de hand gewezen. Slavenopstanden waren in zijn ogen niet revolutionair maar hadden vaak meer te maken met heilsbewegingen. Latere nationalisten zoals Eddy Bruma en Helmin Wiels op Curaçao zouden de leiders van de opstanden ‘gebombardeerd’ hebben tot ‘boegbeelden van nationalisme en strijd voor onafhankelijkheid.’ (p. 76) Het is al eerder gezegd; dit is een Nederlandse visie op dekolonisatie. Er is weinig ruimte voor lokale perspectieven, initiatieven en opvattingen.
Franz Pavel Killinger wordt opgebracht door de politie, 1911

Van Galen gaat uitgebreid in op de voorlopers die tot 1942 probeerden de officiële Nederlandse opvattingen over de overzeese gebieden te beïnvloeden. Overdaad schaadt. Een selectie had beter gewerkt. De nadruk ligt bijna volledig op Nederlands-Indië. De West wordt in enkele alinea’s, soms enkele bladzijden, afgedaan. De couppoging van Killinger stelt niet veel voor en eigenlijk is hij een ‘operettefiguur’. (p. 129) Hierbij haalt hij de ‘Surinaamse’ historicus Hans Ramsoedh aan. Het is interessant dat hij expliciet verwijst naar de nationaliteit, iets wat hij niet doet bij andere historici. Waarom? Legitimeert dat de kwalificatie van Killinger? Als hij in de Surinaamse kranten van 1910 en 1911 had gekeken, was hij misschien tot een andere conclusie gekomen. Er bestond overweldigende belangstelling voor het proces want deze poging had behoorlijk wat losgemaakt in een kolonie die nauwelijks in de belangstelling van het moederland stond. Maar voor Jansen van Galen heeft ook dit geval niks te maken met dekolonisatie.

Killinger verlaat de rechtbank op weg naar de gevangenis, 1911

Lezers die niet veel weten van Nederlands-Indië worden door Jansen van Galen ingelicht over het opkomende nationalisme waarbij de islam een belangrijke rol speelt. De eerste helft van de 20ste eeuw is van belang om te begrijpen wat na de Tweede Wereldoorlog gebeurt. Verschillende nationalisten krijgen hun opleiding op Europese scholen of gaan zelf naar Europa. Een korte biografische schets van de latere leider Soekarno (pp.165-166) geeft een goed beeld van de ontwikkeling die hij doormaakt en hem uiteindelijk tegenover de kolonisator zal plaatsen. Vooral geschiedenislessen maken hem duidelijk dat de Nederlandse visie op de ontwikkelingen in zijn land wordt gepredikt terwijl de opstand van de Javaanse prins Diponegoro in Atjeh ‘als laaghartig verraad wordt voorgesteld.’ (p. 166) Deze schetsen die van meerdere spelers in het dekolonisatieproces worden gegeven, werken goed in dit boek. Er zijn ook portretten van onder anderen Henck Arron en Betico Croes.

Betico Croes


De nadruk in het boek ligt op ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog. Het onbegrip over en weer speelt een belangrijke rol in het dekolonisatieproces. In het laatste hoofdstuk staat een interview uit die tijd met Willem Drees. Hij kijkt terug op de situatie in Indonesië en vraagt zich af of het anders had gekund. Nederland vond Soekarno na de oorlog een collaborateur met de Japanners. Hij pleegde voortdurend woordbreuk en de manier hoe alles verliep, inclusief de politionele acties, was onvermijdelijk. (p. 556) In zijn ogen had Nederland het zo slecht niet gedaan. Dat is juist het probleem. Er bestaat geen goede of succesvolle dekolonisatie omdat er geen goede of succesvolle verovering van gebieden bestaat. In het eerste deel van het boek suggereert Jansen van Galen min of meer hetzelfde: ‘Zo gaat het koloniale debat in Nederland steeds over het “beheer”, nooit over het “bezit” van koloniën.’ (p. 95)
In het geval van de verschillende Caraïbische eilanden verloopt het proces niet zoals Nederland het graag zou willen. Daar wil het juist heel graag de gebieden afstoten, maar de eilanden staan niet te springen om onafhankelijk te worden. Bovendien maken de Verenigde Staten zich zorgen over wat er zal gebeuren als Nederland zich terugtrekt. Op pagina 479 somt Van Galen problemen van vooral Curaçao en Sint Maarten op: corruptie, dubieuze financiering van projecten, vriendjespolitiek, verstrengeling van belangen en zo meer. Streep de twee Caraïbische eilanden door en zet enkele Zuid-Europese landen daarvoor in de plaats. Dekolonisatie is geen proces dat netjes verloopt.


Ten slotte een voorbeeld met betrekking tot Suriname dat veel zegt over de manier waarop Van Galen kijkt naar dit proces. Hij beschrijft de bouw van het Onafhankelijkheidshotel om gasten in november 1975 op te vangen. Deze bouw werd niet voltooid en uiteindelijk brandde die af, ‘en nog meer dan twintig jaar zal de geblakerde ruïne er in toenemende staat van aftakeling staan. Als het niet zo voor de hand lag zou je het symbolisch noemen.’ (p. 389) Helaas maakt hij zijn verhaal niet af. Uiteindelijk is het gebouw gesloopt. Daar staat nu Royal Torarica, helemaal op eigen kracht ontworpen, gefinancierd en opgezet. Dit laatste past niet in het plaatje van Suriname als het voorbeeld van een mislukte dekolonisatie.

John Jansen van Galen: Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2013. ISBN 978 90 254 3530 1

maandag 11 februari 2013

Afscheid van de koloniën


De dekolonisaties van Nederland in Oost en West, 1942-2010

door John Jansen van Galen

Op 10 oktober 2010 werden de Nederlandse Antillen opgeheven. Maar zijn daarmee de problemen opgelost? De dekolonisatiegeschiedenis van Nederland lijkt een gebed zonder end, met een uiterst grillig verloop. Nederland heeft zijn koloniale politiek altijd verdedigd als een beleid dat werd gedicteerd door vastgestelde beginselen, maar volgens Jansen van Galen werd het in feite steeds bepaald door de nationale belangen van het moment. Hij beschrijft de wisselvalligheden, goede intenties en kortzichtigheid van een kolonisator. Of: hoe het Nederlandse kolonialisme, begonnen als het ‘grootste avontuur’ van de natie, langzaam sputterend als een nachtkaars uitgaat.


Afscheid van de koloniën is geen proefschrift. Dat zou het aanvankelijk wel worden, zoals ook openbaar is aangekondigd, reden waarom ik meen te moeten verantwoorden dat het zover niet gekomen is. Misschien had ik een al te romantische voorstelling van wat een proefschrift moet zijn: verrassende vergezichten, onomstotelijk bewezen stellingen, onweerlegbare, scherpzinnig geformuleerde oordelen. Dat was het allemaal net niet. Opeens leek het mij te pretentieus om er op te promoveren, met alle pomp en praal van dien. Dan maar niet. Ik heb het naar vermogen omgewerkt tot een gewone-mensenboek en hoop maar niet dat de academische herkomst nog door de tekst schemert. Het oorspronkelijke goedgekeurde proefschrift staat hier.

Afscheid van de koloniën. Amsterdam: Contact, 2013. 516 pagina’s. ISBN 978902543530 1 

zaterdag 26 januari 2013

Afscheid van de koloniën

Joop den Uyl en Henck Arron bij de ondertekening van de Surinaamse onafhankelijkheidsverklaring. De dronken Den Uyl sprong in die nadagen van 1975 in zijn onderbroek in het zwembad van Torarica.

Op zaterdag 2 februari 2013 vindt de boekpresentatie van Afscheid van de koloniën van John Jansen van Galen plaats. Waarom moest Indonesië geleidelijk en Suriname halsoverkop onafhankelijk worden? Waarom waagde Nederland zich op de rand van een oorlog ter wille van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s, dat het echter niet gunde aan Aruba? Waarom eiste Den Haag een volksstemming over de staatkundige toekomst van Nieuw-Guinea en weigerde het die aan Suriname?
Het Autonomiemonument op Curaçao. Foto RNW

Zestig jaar al neemt Nederland afscheid van zijn koloniën. Met de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10/10/2010 kwam er nog geen einde aan. John Jansen van Galen beschrijft de dekolonisaties in de Oost en de West met al hun onderlinge tegenstrijdigheden, goede voornemens en faliekante gevolgen. Zijn dit ‘zwarte bladzijden’ of deed Nederland het per saldo ‘zo gek nog niet’?

Bij de presentatie wordt John Jansen van Galen geïnterviewd door Hans Goedkoop. Van Galen is journalist en werkte bij de Haagse Post en voor de VPRO en tegenwoordig voor Het Parool en het radioprogramma Met het oog op morgen van de NOS. Hij schreef boeken over Suriname, Nieuw-Guinea, de jaren zeventig en een aantal biografieën.
John Jansen van Galen

Hans Goedkoop is historicus, biograaf en literatuurcriticus en presentator van Andere Tijden, het historische televisieprogramma van NTR en VPRO. Vorig jaar verscheen van hem De laatste man over zijn grootvader die vanaf 1948 als officier en later bevelhebber diende in Indië.

Afscheid van de koloniën verschijnt bij Atlas-Contact, paperback, 608 blz., € 45,00

zaterdag 2 februari 2013 | 16:00 - 18:00 uur | Boekhandel Schreurs & De Groot, Weteringschans 173, Amsterdam

dinsdag 18 oktober 2011

De verdwijning van Marion Bloem en het gebrek aan nationalisme van Dobru...


Eva Gerlach, winnares van de PC Hooftprijs, bracht een prachtige ode aan Trefossa


Geanimeerde Vierde Caraïbische Letterendag

door Yaela van Dijk-Refos

Op zaterdag 1 oktober 2011 vond de Vierde Caraïbische Letterendag plaats in Theater van ’t Woord op de hoogste etage van de Openbare Bibliotheek Amsterdam.
Gebruikelijk beeld: de dichters in het publiek die in de publieke zendtijd even hun reclameboodschappen wilden laten horen

Het thema van de avond was ‘Over de kunst van het lezen’. Presentator Miriam Illes kondigde de verschillende programma-onderdelen aan. Zij leidde de avond in en stelde de columnisten voor. Achtereenvolgens lazen Eva Gelach, Juliën Ignacio, Myra Römer en F.Starik speciaal voor deze avond geschreven columns voor over hun leeservaringen. Michael Tedja kon door gezondheidsproblemen niet fysiek bij de avond aanwezig zijn, maar had zijn column opgenomen op een audio-opname die afgedraaid werd. De columnisten hebben allen zeer waardevolle bijdragen geleverd die een kritische reflectie geven op het lezen van Caraïbische literatuur.
De columns werden afgewisseld met twee filmfragmenten met straatinterviews, opgenomen door filmer Kris Kristinsson in Amsterdam Zuidoost. Hierin ondervroeg presentator Quinsy Gario (die ook dicht onder de naam T. Martinus) passanten over hun kennis en leesgedrag ten aanzien van Surinaamse en Antilliaanse literatuur.


Het publiek in de foyer, waar - het mocht van de directeur! - lekkere jazzmuziek was te horen

In de pauze (20 min.) die volgde had het publiek gelegenheid om een drankje te bestellen en verkochten Literaire reisboekhandel De Evenaar en Uitgeverij In de Knipscheer boeken van de aanwezige schrijvers.



Franc Knipscheer achter zijn boekentafel

Na de pauze vond er een debat plaats onder leiding van John Jansen van Galen. Deelnemers waren Karin Amatmoekrim, schrijfster van vier romans - haar laatste Het gym in de week voor de Letterendag verschenen, de avond voor de Letterendag zat zijn nnog bij Pauw & Witteman; Jos de Roo, oud-journalist van de Wereldomroep, criticus van de Amigoe en Trouw, tegenwoordig woonachtig op Aruba en werkend aan een proefschrift over de invloed van de Wereldomroep op jonge schrijvers in de jaren ’50 en ’60; en Ismene Krishnadath, schrijfster van jeugdboeken, romans en columns en voorzitter van de Surinaamse Schrijversgroep ‘77. De laatste schrijfster was speciaal voor deze gelegenheid overgevlogen uit Suriname. Schrijfster Marion Bloem, die eigenlijk ook aan het debat zou deelnemen, was aan het begin van de avond aanwezig, maar was opeens met de noorderzon vertrokken.

Naar aanleiding van de hoofdvraag van het debat, “Hoe wordt Caraïbische literatuur in Nederland ontvangen door lezers en recensenten?”, volgde een levendige discussie. Is Surinaamse en Antilliaanse literatuur een onderscheiden ‘richting’ in de wereldliteratuur of moet het niet zo bestempeld worden? Begrijpen mensen uit Nederland deze literatuur wel en is dat laatste eigenlijk noodzakelijk om de literatuur op waarde te kunnen schatten? Vooral Jos de Roo's stelling dat Dobru in zijn nationalistische tijd zo weinig echt nationale metaforen gebruikte, lokte veel reactie uit. Het publiek haakte bevlogen op de discussie in en kreeg zelfs zoveel ruimte van de debatleider dat het panel achter de tafel nog nauwelijks aan verdieping van de discussie toekwam.
Ismene Krishnadath en Jos de Roo: nooit met elkaar eens

Spoken word-artiest T. Martinus sloot de Letterendag af met een performance waarvoor hij gedurende de avond aantekeningen had gemaakt op een flip-over temidden van het publiek.
Spoken word-artist T. Martinus sloot de avond literair af

Na bloemen aan alle deelnemers te hebben overhandigd sloot Miriam Illes om 22.00 het zaalprogramma af. Hierna volgde in de foyer muziek van het latin/jazzcombo Sanne Landvreugd (altsax), Pablo Nahar (contrabas) en Sandip Bhattacharya (tabla). Nog tot 23.00 had het publiek veel te beluisteren en te bepraten. Op naar het eerste lustrum van de Letterendag! Miriam Illes kondigde al aan dat die zal gaan over het thema Muziek & Literatuur.


Bloemen voor v.l.n.r. Myra Römer, Julien Ignacio, Karin Amatmoekrim, Ismene Krishnadath, John Jansen van Galen, Jos de Roo

Vierde Caraïbische Letterendag, een foto-impressie



V.l.n.r. debatleider John Jansen van Galen, jeugdboekenschrijfster Ismene Krishnadath, criticus Jos de Roo en schrijfster Karin Amatmoekrim



Eva Gerlach



Myra Römer



De Amsterdamse stadsdichter F. Starik



Julien Ignacio



John Jansen van Galen geeft het woord aan Gerda Havertong



Het publiek, met vooraan een hakende dichter: Vrouwkje Tuinman



T. Martinus sloot het programma af met een lang, tijdens de avond geschreven rapgedicht

zaterdag 17 september 2011

Vierde Caraïbische Letterendag - De kunst van het lezen

Op 1 oktober 2011 organiseert de Werkgroep Caraïbische Letteren in de Openbare Bibliotheek Amsterdam de Vierde Caraïbische Letterendag, die ditmaal geheel gewijd zal zijn aan de kunst van het lezen.

Verschillende schrijvers en dichters zullen worden aangesproken op hun leesgedrag: wat, wie en hoe lezen ze? En waarom? Vergt het lezen van Caraïbische literatuur in het bijzonder een extra inspanning? Middels columns, debatten, film en spoken word zullen alle aanwezigen op het podium en in het publiek uitgenodigd om na te denken over hun eigen leesgedrag.



Programma

Voor de pauze worden er columns over de leeservaringen van Eva Gerlach, Julien Ignacio, Myra Römer, Frank Starik en Michael Tedja worden voorgedragen. Ook zullen er filmfragmenten worden vertoond met daarin straatinterviews over leesgedrag (filmer: Kris Kristinsson).

Na de pauze debatteren Marion Bloem, Karin Amatmoekrim, Ismene Krishnadath (uit Suriname) en Jos de Roo onder leiding van John Jansen van Galen over de receptie van Caraïbische literatuur.

Spoken word-artiest T. Martinus vat de avond samen. Er wordt afgesloten met Latin jazz van Sanne Landvreugd en Pablo Nahar.

De presentatie is in handen van Miriam Illes.

Literaire reisboekhandel De Evenaar verzorgt een boekentafel.

Openbare Bibliotheek Amsterdam
Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam.
Zaal: Theater van ’t Woord
Datum: Zaterdag 1 oktober 2011
Aanvang: 19.00 uur precies
Toegangsprijs: € 12,50; met OBA-, CJP- of Stadspas € 10,00
Reserveren kan hier.

De Caraïbische Letterendag is mogelijk gemaakt door subsidies van het Amsterdams Fonds voor de Kunst en het Nederlands Letterenfonds.

woensdag 6 april 2011

Een genadeloos zelfportret


door John Jansen van Galen

Is Badal van Anil Ramdas een roman of een autobiografie? Vooral een autobiografie, lijkt het, want alleen een lezer die niets van Anil Ramdas weet, kan het ontgaan dat bijna alle kenmerken van de hoofdpersoon in zijn boek ook die van de schrijver zijn: Harry Badal is een Surinaamse migrant van Hindostaanse afkomst, raakt in conflict met de overheid over zijn proefschrift over asielprocedures, wordt redacteur van De Groene Amsterdammer (‘het Weekblad’) en de bijlage van NRC Handelsblad (‘het Bijvoegsel’) en correspondent in India voor die krant. Hij laat van zich horen in de affaire-Rushdie, presenteert een televisieprogramma van de VPRO over media (Het blauwe licht), houdt in de Rode Hoed een Den Uyllezing waarin hij Nederland verantwoordelijk stelt voor het lot van het onafhankelijke Suriname en schrijft als essayist een aanklacht tegen de Nederlandse literatuur, waarin de migrant zo schromelijk onzichtbaar blijft. Alleen Ramdas’ kortstondige directeurschap van De Balie ontbreekt aan dit cv van Badal.

Diens personalia van Badal zijn huwelijk met een Surinaamse, zijn kinderen en zijn domicilies - een flat in Amsterdam-Zuidoost, een werkkamer bij metrostation Wibautstraat, een woning in een dorp ten zuiden van de hoofdstad dat de schrijver Abcoude noemt - kloppen weer met die van de schrijver.

Ramdas zet zijn hoofdpersoon neer als ‘lui en arrogant’ en als een opschepper die zichzelf één van de meest gelezen correspondenten en in Nederland een soort beroemdheid noemt. Hij is drankzuchtig, verwaarloost zijn gezin en imponeert iedereen om zich heen met een vertoon van encyclopedische eruditie dat elk echt gesprek doodslaat. “Jij wilt niet praten,’’ zegt zijn dochter. “Je wilt colleges geven. En daarmee iedereen duidelijk maken dat ze zoveel niet weten. Dat ze dus dom zijn.’’ “Mensen die niet fatsoenlijk kunnen converseren, zijn niet zo interessant,’’ antwoordt Badal. “Je veracht gewone mensen,’’ besluit zij. “Je kijkt op ze neer.’’

Badal is het verhaal van de ondergang van een jonge, briljante migrant, die in toenemende mate in een isolement raakt. Aanvankelijk oogst hij bijval als vertolker van de intellectuele stem van de Derde Wereld die als essayist ook het zelfverkozen slachtofferschap van migranten op de korrel neemt. Frits Bolkestein nodigt hem zelfs op de thee!

Gaandeweg uit hij ook kritiek op de gevestigde blanke cultuur - zie dat artikel over de door romanciers genegeerde zwarte - en het hele boek door is hij bezig een essay te schrijven over white trash in Nederland, de Tokkies zeg maar. In zijn verslag van die poging spuit Ramdas zijn onvrede over en venijn jegens de aanhang van Wilders en over ‘laconieke intellectuelen’, die menen dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen.

Maar dat essay komt nooit af en de schitterende carrière van Badal verpietert allengs. Zijn betrekking bij NRC Handelsblad raakt hij kwijt. Hij probeert zichzelf wijs te maken dat het komt doordat zijn opvattingen tegenwoordig minder reçu zijn, maar Ramdas kan er niet omheen dat het door de drank komt. De samenleving sluit hem niet uit, hij sluit de samenleving uit. Hij vervreemdt van zijn gezin en waar hij in het begin voortdurend vrienden ontmoet, zit hij op den duur tot diep in de nacht in een Koerdisch cafeetje te Abcoude alleen met ander menselijk drijfhout te drinken. Ten slotte leeft hij in een cocon van eenzaamheid in ‘een studiootje’ te Zandvoort, dat Ramdas afschildert als een rampzalig oord van afbladdering en armzalig vertier.

Ook als romancier kan Ramdas het niet laten de essayist te spelen; dan worden zijn beschrijvingen en dialogen eerder erudiete uiteenzettingen van een kwestie. Zijn stijl is fraai en soepel dat kun je hem wel toevertrouwen met een rijke en rake woordkeus, vaak geestig, met mooie anekdotes (over Indiase militairen in Duitse dienst die in de oorlog op olifanten over het strand van Zandvoort exerceren, en over een timmerman in New Delhi die voor Badal een authentieke kast zal timmeren en daartoe een boek met voorbeelden opdiept dat dan de Ikea-catalogus blijkt te zijn). Alleen ligt over alles de doem van een naderend einde dat de lezer steeds al vermoedt en vreest.

Van deze geromantiseerde autobiografie is voornamelijk dat fatale slot verzonnen. Met niets en vooral zichzelf niet ontziende eerlijkheid portretteert Ramdas in de persoon van Harry Badal zichzelf. Wat bezielt hem om zo’n ontluisterend zelfportret te publiceren? Heeft hij de neiging tot zelfdestructie, die alcoholisten eigen is, willen verwoorden? Dat is gelukt.

[uit Het Parool, woensdag 30 maart 2011]

Foto: Andries Botha's houten olifanten op het strand bij De Panne in 2006. Foto: @ Mark Renders/EPA

donderdag 9 december 2010

Literaire route Paramaribo verdient dikkere pil

John Jansen van Galen over Paramaribo, brasa! Klik op de afbeelding voor een groter formaat.

woensdag 1 december 2010

Presentatie literaire reisgids Paramaribo


Paramaribo brasa! [Ik omhels je, Paramaribo] is een bijzondere reisgids, die laat zien wat de Surinaamse hoofdstad betekent voor het werk van schrijvers en hoe de stad doorklinkt in de romans, verhalen en gedichten van Surinaamse en Nederlandse schrijvers. Kern van Paramaribo brasa! is een literaire stadswandeling, waarbij de belangrijkste schrijvers van vroeger en nu worden besproken en geciteerd, van Albert Helman tot Cynthia Mc Leod, van Bea Vianen tot Clark Accord, van Ischa Meijer tot Anil Ramdas. Met bijdragen van John Jansen van Galen, Nancy de Randamie, Michiel van Kempen, Patrick Meershoek en Els Moor. Zij gaan in op typische Surinaamse kwesties, zoals de Decembermoorden van 1982 en de verwerking daarvan in de Surinaamse literatuur.


Clark Accord, foto @ Koos Breukel

Het boek wordt geïntroduceerd door Noraly Beyer, waarna zij samensteller Ko van Geemert en medewerkers aan het boek Michiel van Kempen en Patrick Meershoek zal interviewen. Na de pauze lezen Karin Amatmoekrim en Antoine de Kom voor uit eigen werk.

Datum: vrijdag 3 december 2010
Aanvang: 20.00 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19-A
1093 SK Amsterdam
Tel: 020 - 693 50 57
Toegang gratis

zondag 31 oktober 2010

Paramaribo brasa!

Uitgeverij Bas Lubberhuizen nodigt u van harte uit voor de boekpresentatie van Paramaribo brasa!, samengesteld door Ko van Geemert.

Paramaribo brasa! is een bijzondere reisgids, die laat zien wat de Surinaamse hoofdstad betekent voor het werk van schrijvers en hoe de stad doorklinkt in de romans, verhalen en gedichten van Surinaamse en Nederlandse schrijvers. Kern van Paramaribo brasa! is een literaire stadswandeling, waarbij de belangrijkste schrijvers van vroeger en nu worden besproken en geciteerd, van Albert Helman tot Cynthia Mc Leod, van Bea Vianen tot Clark Accord, van Ischa Meijer tot Anil Ramdas.

Met bijdragen van John Jansen van Galen, Nancy de Randamie, Michiel van Kempen, Patrick Meershoek en Els Moor. Zij gaan in op typische Surinaamse kwesties, zoals de Decembermoorden van 1982 en de verwerking daarvan in de Surinaamse literatuur.

Datum: zaterdag 3 december 2010
Aanvang: 20.00 uur
Locatie: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19
Amsterdam

Het boek wordt geïntroduceerd door Noraly Beyer, waarna zij samensteller Ko van Geemert en medewerkers aan het boek Michiel van Kempen en Patrick Meershoek zal interviewen.
Na de pauze lezen Karin Amatmoekrim, Annette de Vries, Antoine de Kom, Clark Accord en Thea Doelwijt (foto rechtsonder) (onder voorbehoud) voor uit eigen werk.

Ko van Geemert (1950) kwam vijftien jaar geleden voor het eerst in Paramaribo. Hij keerde vele malen terug en raakte gefascineerd door de stad en haar literatuur. Van Geemert is publicist en stelde in 2008 de literaire gids Amsterdam & zijn schrijvers. Literatuur op locatie samen.


paperback │ 228 pagina’s │ circa 100 illustraties, met plattegrond │ isbn 978 90 5937 262 7 │ € 22,50

Uitgeverij Bas Lubberhuizen│ Singel 389 │ 1012 WN Amsterdam │ 020 618 41 32 │ info@lubberhuizen.nl http://www.lubberhuizen.nl/

Fotos: @ Jean van Lingen

dinsdag 26 oktober 2010

Andries van der Wal bij Eilandgevoel

Woensdagavond 27 oktober vindt de Haarlemse presentatie plaats van de bloemlezing Vaar naar de vuurtoren (zie blogbericht zaterdag 9 oktober 2010) in het programma Eilandgevoel van Mondiaal Literair. Van de drie te interviewen gasten in deze talkshow heeft Antoine de Kom helaas moeten afzeggen. Behalve met Klaas de Groot en John Jansen van Galen spreekt Peter de Rijk nu met Andries van der Wal. De laatste was eind jaren zeventig van de vorige eeuw uitgever van het Rotterdamse Flamboyant/P., een klein gebleven fonds dat toen als een van de weinige Nederlandse uitgeverijen werk uitgaf van belangrijke Antilliaanse auteurs als Charles Corsen, Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion (zie uitgave links), maar ook bijvoorbeeld van de Surinaamse dichteres Johanna Schouten-Elsenhout.

Bij de presentatie lezen zowel Antilliaanse als Nederlandse dichters hun gedicht uit de bloemlezing (over de twaalf eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden) voor: Walter Palm, Frida Winklaar Domacassé, John Zwart, Andries van der Wal, Giselle Ecury en Max Niematz.

Vaar naar de vuurtoren kan vanaf 5 november in de boekhandel gekocht of besteld worden. Of rechtstreeks bij de uitgever: indeknipscheer@planet.nl .

De bloemlezing telt 256 bladzijden en kost 18,50. ISBN 978-90-6265-658-5.


Eilandgevoel
Woensdag 27 oktober 20.00 uur
Zaal open: 19.30 uur
Locatie: MCH, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
De toegang bedraagt 5 euro, koffie en thee inbegrepen
Reserveren vooraf is wenselijk: 023 – 542 3540
www.mondiaalcentrumhaarlem.nl