Posts tonen met het label Debrot Cola. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Debrot Cola. Alle posts tonen

zondag 4 mei 2014

Verzet uit de West

Helman geschilderd door
Anton Faverey
Albert Helman en Cola Debrot.
5 mei 2014 13:00 - 15:00
CBK Zuidoost, Anton de Komplein 120, 1102 DR Amsterdam

Op 4 en 5 mei 2014 staan in 26 Amsterdamse huizen weer de verhalen van Amsterdamse verzetsstrijders centraal binnen het programma Huizen van Verzet. Dit jaar is er speciale aandacht voor onderbelichte verhalen, zoals de verhalen over verzetsstrijders afkomstig uit de voormalige koloniën. Noraly Beyer vertelt over de Surinaamse verzetsstrijder, schrijver en politicus Albert Helman.

Acteur Raymi Sambo zal voorlezen uit een tekst van Karin Amatmoekrim over Cola Debrot. De Antilliaanse Nicolaas (Cola) Debrot had tijdens de Tweede Wereldoorlog als huisarts een praktijk in Amsterdam-West. In combinatie met een vrijheidslunch vanaf 13.00 uur tot 15.00 uur.

In dit kader zal Noraly Beyer op 5 mei om 13:00 in het CBK Zuidoost het verhaal van de Surinaamse verzetsstrijder Albert Helman vertellen. Helman, pseudoniem van Lou Lichtveld (1903-1996) was schrijver, journalist, componist en politicus en actief in het Nederlands verzet. Hij falsificeerde onder andere persoonsdocumenten, publiceerde verzetsverzen en protesteerde tegen de Kultuurkamer. Ook volgde Helman na diens arrest beeldhouwer en verzetsstrijder Gerrit van der Veen op als redacteur van het illegale blad De Vrije Kunstenaar. Na de oorlog vertrok hij naar Suriname waar hij de functie minister van Onderwijs en Volksontwikkeling en minister van Volksgezondheid vervult.


Cola Debrot
Cola Debrot
Acteur Raymi Sambo zal voorlezen uit een tekst over Cola Debrot. De Antilliaanse Nicolaas (Cola) Debrot had tijdens de Tweede Wereldoorlog als huisarts een praktijk in Amsterdam-West. Hier verrichtte hij in het geheim verzetspraktijken, zoals het falsificeren van persoonsdocumenten. Ook ontving hij in zijn dokterspraktijk vaak bezoek van schrijver W.F. Hermans. Hermans schreef later over zijn vriend Debrot in het werk De laatste resten tropisch Nederland (1969). Debrots leven en daarbij zijn verzetsdaden zullen verhaald worden in een speciaal voor 4 en 5 mei geschreven tekst door schrijfster Karin Amatmoekrim.

vrijdag 18 april 2014

Frank Martinus Arion in vier facetten

door Wim Rutgers
  
Woensdag 9 april werd in Cas di Cultura op Aruba de documentaire van Cindy Kersseborn over Frank Martinus Arions leven en werk gepresenteerd. Bij die gelegenheid sprak Wim Rutgers over Frank Martinus Arion in vier facetten. Hierbij volgt de integrale gesproken tekst.

Over Dubbelspel heeft Frank Martinus Arion ooit beweerd: “In het zo schrijven als ik doe zit een strategie; ik hanteer bekende middelen en kom zo rustig bij de burger binnen om hem dan te bombarderen met nieuwe inzichten… ” (HP 29 juni 1974)

Frank Martinus Arion is een veelzijdig auteur, die in de loop der jaren een flink aantal literaire werken gepubliceerd heeft, waaronder diverse poëziebundels, een verhalenbundel, een essaybundel en een vijftal dikke romans, zoals Dubbelspel (1973), Afscheid van de koningin (1975), Nobele wilden (1979), De laatste vrijheid (1995) en De deserteurs (2006). Met elkaar meer dan zeventienhonderdvijftig  bladzijden proza.

Maar hij is toch vooral de auteur van één boek gebleven, het romandebuut Dubbelspel, waarvan er meer dan honderdduizend en vervolgens dankzij de eerste bibliotheekactie ‘Nederland leest’ van 2006 in totaal bij elkaar een kleine miljoen exemplaren over de toonbank zijn gegaan.
Ik heb me dat proberen voor te stellen, hoeveel dat is: als ik de boeken naast elkaar in de boekenkast zet: een rij van 25 kilometer, van hier tot San Nicolas  [afhankelijk van de wijze van uitgeven [paperback of pocketbook]. En dan heb ik hierbij de vertalingen nog niet meegerekend! In het Duits, Engels en Deens. En dan tenslotte ook  in het Papiamentu - het werd dan ook tijd.


Ik zal niet zozeer ingaan op de roman Dubbelspel die zich afspeelt op een derde zondag in november in 1969 of in het begin van de jaren zeventig, maar wat opmerkingen rond  het werk van Frank maken, die ik wil verdelen in vieren:
Taal en klasse;
Taal en structuur;
Taal en publiek;
Taal en cultuur,
waarna ik tot een afsluiting kom. Mooi in vijf delen, evenals de roman Dubbelspel zelf.

Taal en klasse
Hiervoor biedt het meest recente boek van Frank, de essaybundel Intimiteiten van het schrijven (2009) handige aanwijzingen, omdat hij daarin over taal en literatuur schrijft.

“Het is met de literatuur gesteld als met alle andere domeinen van het leven: ze is gebonden aan sekse, ras, klasse, godsdienst en natie.” Het is in de literatuur natuurlijk vooral de vraag wat je met deze categorieën doet.

In die recente bundel Intimiteiten van het schrijven gaat Frank uitgebreid in een tot artikel bewerkt openbaar college ‘Literatuur als vermakelijk onderzoek’ in op ‘de geboorte van Dubbelspel’.

Frank zegt dat het zijn ‘voornemen was om een sociaal psychologische dwarsdoorsnede te tekenen van de gemeenschap Curaçao waar een progressief politiek handelen aan geknoopt zou kunnen worden…’ (Intimiteiten 2009: 108)

Taal en structuur
“In het zo schrijven als ik doe zit een strategie; ik hanteer bekende middelen en kom zo rustig bij de burger binnen om hem dan te bombarderen met nieuwe inzichten… ”

"Wakota"
Dubbelspel is in zijn vorm klassiek met de vijf bedrijven: De morgen en de ochtend; De middag en de schemering; De schemering; Naspelen. Deze vijf klassieke bedrijven kennen een eenheid van tijd (die derde zondag in november), plaats (in en rond Wakota) en handeling (het dominospel). Bovendien lijkt het nog mogelijk om verteltijd (de tijd die je nodig hebt om te lezen) en de vertelde tijd (de tijd die zich in het verhaalheden afspeelt) te laten samenvallen, als je ’s zondags ‘s morgens het boek openslaat en het aldoor door lezend in de schemering tot de laatste bladzijde gebracht hebt. Dat is het bekende voor de geoefende lezer: ik hanteer bekende middelen…
Maar waar de traditionele klassieke uiteindelijk held stervend en snevend ten onder gaat, zien we hier niet minder dan zes hoofdpersonen en een positieve boodschap aan het slot: het  nieuwe inzicht …

Frank gaat in zijn roman een driedubbel spel met de lezer aan:
Psychologisch in de tekening van de zes hoofdpersonen op een cruciaal moment in hun leven
Sociaal met zijn dwarsdoorsnede van het eiland Curaçao, zijn mensen en hun ideeënwereld
Politiek met een dubbele boodschap meer van het eiland te houden en het met eigen middelen op te bouwen.
Dat hij dat laatste wil door middel van het maken van wabitafels waarvoor hij het eiland zal moeten kaalkappen, schrijven we dan maar toe aan een dichterlijke visie en vrijheid.
Met zijn fel protest tegen de op het eiland economisch dominerende vreemdelingen in het algemeen en de Nederlandse kolonisators in het bijzonder, past Dubbelspel in de tijdgeest rond de dertigste mei 1969.

Balanceeract met het publiek
Taal en publiek
Wie in het Papiamento schrijft, publiceert voor een eigen publiek. Maar wie in het Nederlands publiceert, krijgt met een dubbelpu­bliek te maken, namelijk de Nederlands­talige (en in merendeel Europese) lezer voor wie het Nederlands eigen is maar de in deze taal beschreven Caribische cultuur min of meer of geheel vreemd én de eigen Caribische lezer die leest over de eigen culturele realiteit in de 'vreemde' Neder­landse taal.

Taal en cultuur
Frank schreef poëzie in het Papiamentu en Nederlands en gebruikt voor zijn proza de Nederlandse taal. Iemand die uitsluitend het werk dat in één taal geschreven is, met uitsluiting van de andere taal, in ogenschouw neemt, krijgt niet meer dan een onvolledig beeld. Frank: twee talen, een persoon, een oeuvre. Dat brengt ons tot een volgend – laatste - punt: de Antilliaanse literatuur is in haar algemeenheid – evenals de Caribische en de Europese – multilinguaal maar desondanks geeft ze uitdrukking aan een gezamenlijke cultuur: de Antilliaanse, de Caribische, de Europese cultuur.

Omslag van de Duitse vertaling
Dobbeltes Spiel

In een studie over het ‘tragische levensgevoel bij Cola Debrot’ onderzocht Frank Martinus de relatie tussen de in het Nederlands schrijvende Debrot en de Spaanstalige Unamuno, die elkaar in het existentialisme ontmoeten – niet een negatief existentialisme maar een existentialisme waarin illucidatie mogelijk blijkt. Ik citeer Debrot via Frank: “Wij moeten wel een duidelijk onderscheid maken tussen de Europese en Antilliaanse existentialisten. De Europeanen leggen het accent op het echec, de Antillianen (…) zijn er zich van bewust dat de mens in een precaire situatie verkeert maar zij beseffen eveneens dat een mogelijkheid van illucidatie steeds aanwezig is. (…) Het tragische levensgevoel bij Unamuno en bij Debrot is dus niet pessimistisch, maar vol hoop en strijdvaardigheid, vol vitaliteit.” (Intimiteiten 91; 99) Aldus Debrot, aldus Frank Martinus Arion, aldus Dubbelspel met zijn positieve einde.

“In het zo schrijven als ik doe zit een strategie; ik hanteer bekende middelen en kom zo rustig bij de burger binnen om hem dan te bombarderen met nieuwe inzichten… ” (HP 29 juni 1974)

Literatuur is vervreemdend en vernieuwend: literatuur vervreemdt van het vertrouwde en maakt vertrouwd met het vreemde. De verrassende conclusie van Frank op dat Debrot symposium van 1986 [De eenheid van het kristal (1988)] was dan ook – sprekend over Debrots tragische levensgevoel en vergelijkend met Unamuno: “Debrot stelde voor de Antilliaanse literatuur in te delen in drie scholen: de Spaanse, de Nederlandse en de Papiamentse. Hoe merkwaardig dat hij die was voorbestemd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nederlandse school beschouwd te worden, moet worden gezien als de grootste vertegenwoordiger van de Spaanse school.”

Ik kom tot een afsluiting
Debrot publiceerde zijn in 1949 geschreven toneelstuk Bokaal aan de lippen in 1951. De door May Henriquez en Jules de Palm gemaakte vertalende bewerking ervan zag het licht in de jaren zeventig onder de titel ‘Kelki na boka’.

In een nabeschouwing constateerde Debrot toen dat de oorspronkelijke tekst een ‘disharmonie toonde van taal en mentaliteit’ en dat de vertaling van May Henriquez ‘in feite de oorspronkelijke tekst bleek te zijn’ (VW 7: 287-288) Ik citeer Debrot: “Het spel was herboren. Het was tot leven gewekt. Het vertoonde een eenheid van taal en mentaliteit. Het had een eigen bestaan verworven.”  Het werd op 30 mei 1975 door Thalia voor het eerst opgevoerd in het goede oude Centro Pro Arte.

Tot slot: Ik ga niet mee met de gedachte van enige mogelijke disharmonie tussen taal en mentaliteit in net Nederlandstalige Dubbelspel maar wens Changá in het Papiaments zeker het tweede deel van Debrots observering – de eenheid van taal en mentaliteit – in de vertaling van Lucille Berry-Haseth toe: met de vertaling van Dubbelspel  - Changá  “a yega kas”!

woensdag 16 april 2014

Cola Debrotprijs voor Lucille Berry-Haseth

Lucille Berry-Haseth op de Amsterdamse presentatie van de biografie van Pierre Lauffer.
Foto © Michiel van Kempen
Afgelopen zondag is bekendgeworden dat de Cola Debrot-prijs 2014 is toegekend aan dichter, vertaalster en Papiamentu-activiste Lucille Berry-Haseth.

Lucille Berry-Haseth (Curaçao, 1937) voelde zich al op jonge leeftijd aangetrokken tot taal en cultuur. Deze belangstelling loopt als een rode draad door haar hele carrière. Ze zag het altijd als haar bijzondere taak een enthousiaste ambassadrice te zijn van de ‘Défense et Illustration’ van haar moedertaal, het Papiaments. In 1990 publiceerde zij de dichtbundel Resonansia (Resonantie). Hieruit zijn verschillende gedichten opgenomen in het standaardwerk over de Antilliaanse letterkunde Pa saka kara, dat in het Nederlands is verschenen onder de titel De kleur van mijn eiland.

Zij heeft als vertaalster en redactrice een grote bijdrage aan beide werken geleverd. In 2010 verscheen So ku palabra (Alleen met woorden), een dichterlijke, melancholieke meditatie over haar leven, haar werk en de mensen die zij heeft gekend en liefgehad. Door haar vertalingen van literaire werken (o.a. Dubbelspel van Frank Martinus Arion in 2011), eerdere publicaties en het organiseren en deelnemen aan talrijke literaire evenementen, heeft zij een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling en het bevorderen van het correcte gebruik van de Papiamentse taal. Kort geleden droeg zij ook bij aan de literaire wandelgids Dushi Willemstad.

Vorig jaar kreeg zij van de Fundashon pa Planifikashon di Idioma (FPI) op 21 februari, de Internationale Dag van de Moedertaal, een plakkaat (plaka di mérito) als erkenning van haar veelzijdige werk ten behoeve van de promotie van haar moedertaal Papiamentu. Voor haar hele activiteit heeft zij nu de Cola Debrotprijs gekregen. De prijs wordt in mei uitgereikt.

dinsdag 8 april 2014

Cola Debrot belicht door Karin Amatmoekrim en het Requiem van Mozart

Karin Amatmoekrim
Theater na de Dam - 4 mei West Words | Moed

In de grote zaal van Podium Mozaïek wordt een muzikale en theatrale vertelling uitgevoerd rondom het thema ‘Moed’ met Het Koor van Meneer de Wit en 4 jonge solisten. Zij zingen een (verkorte) versie van het Requiem van Mozart. De gesproken tekst erbij is van auteur Karin Amatmoekrim. In deze tekst wordt de Antilliaanse schrijver en arts Cola Debrot belicht, die tijdens de Tweede Wereldoorlog huisarts was in Amsterdam West. Debrot ondernam tijdens de oorlog tal van verzetsactiviteiten zoals het stencilen en verspreiden van illegale pamfletten.
Plaats: Podium Mozaïek, Amsterdam
Datum: zondag 4 mei 2014
De uitvoering is aansluitend op de kranslegging bij het monument ‘De zittende vrouw’ aan de Bos en Lommerweg. Aanvang 20.45 uur.
Dit programma is een samenwerking van Podium Mozaïek, SLAA, 4 en 5 mei comité, Huizen van Verzet, Herdenkingscomité en Stadsdeel West.



zaterdag 15 februari 2014

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (3 en slot)

door Walter Palm

De tweede vraag is in hoeverre deze novelle autobiografisch is, want de hoofdpersoon Frits Ruprecht is op dezelfde dag geboren als de auteur Cola Debrot, namelijk op 4 mei 1902.  


Zijn biograaf Jaap Oversteegen rept in de biografie Gemunt op wederkeer (1994) over Cola Debrot niet over een halfzus van Cola. Ook ontkende Cola Debrot dat hij ooit een halfzus heeft gehad. Als ik de biograaf van Cola Debrot en Cola Debrot zelf mag geloven, dan is Mijn zuster de negerin niet autobiografisch in de zin dat Cola Debrot een halfzus gehad heeft. Wel schrijft Jaap Overstegen dat Cola Debrot veelvuldig last had van depressies. Is Mijn zuster de negerin in die zin autobiografisch dat Cola Debrot net als Frits Ruprecht last had van depressies?

Een derde vraag is in hoeverre Mijn zuster de negerin nog actueel is. Deze novelle speelt zich af tegen de achtergrond van een etnisch gesegregeerde samenleving waarbij als erecode gold dat een vader de opleiding van zijn buitenechtelijk kind betaalde. De vraag is of Curaçao bijna tachtig jaar na het verschijnen van deze novelle nog steeds een etnisch gesegregeerde samenleving is. En de vervolgvraag is of deze erecode nog steeds actueel is.

Walter Palm (rechts), naast hem met open mond Gilbert Wawoe, en daarnaast Quito Nicolaas

vrijdag 14 februari 2014

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (2)

Landhuis Ascension, Curaçao
door Walter Palm


  • De vorm van Mijn zuster de negerin: een literaire thriller met  een magisch-realistische inslag

Mijn zuster de negerin is een spannende thriller met twee spanningslijnen.

Wat het spannend maakt is dat vanaf het begin van de novelle het onderscheid tussen feit en fictie wazig is. Stond de nicht van Frits Ruprecht nu echt achter de opengeklapte jaloezieën? Lagen zijn overleden ouders in het dichte huis naast elkaar met de ogen wijd open gericht naar het plafond? Was Karel nu echt zo vijandig tegen hem of had hij woorden gehoord die nooit uitgesproken waren?  Zweeft daar inderdaad de schim van Maria? Shakespeare zou zeggen “To be or not to be. That is the question”.

Wat het ook spannend maakt is dat Frits gaat twijfelen of Maria nu echt de dochter is van Theodoor zoals beweerd wordt. Hij vindt het verdacht dat zijn vader Alexander Ruprecht de opleiding van Maria heeft betaald. Dit is veelal een teken dat het zijn buitenechtelijk kind is.

Aan het slot van de novelle volgt de ontknoping. Nee, het is niet de schim van Maria die door het huis dwaalt. En ja, Maria is inderdaad de dochter van zijn vader, het is dus zijn halfzus.


Ook in de short story Don’t look now uit 1971 van de bekende thrillerschrijver Daphne du Maurier vervaagt de grens tussen realiteit en fictie. Deze short story gaat over een echtpaar dat een dochter verliest. In Venetië ontmoeten zij een helderziende die hen vertelt dat hun overleden dochter met hen in contact wil komen om hen te waarschuwen voor gevaar. Zij menen een schim te zien van hun dochter.        

De in 1935 gepubliceerde Mijn zuster de negerin heeft een magisch realistische inslag in de zin dat het zich afspeelt op het grensvlak van werkelijkheid en ingebeelde werkelijkheid. De dubbelzinnige perspectieven van deze novelle versterken de magische suggestie.

De koetsier Pedritoe die de jongen Frits Ruprecht verhalen vertelt over “prinsessen die zingen in den hemel, over het spook dat als witte ezel verschijnt met een blauwe ster tussen zijn rechtopstaande oren” versterkt de magisch realistische sfeer in deze novelle.

Ook in een gedicht als “Wie weet Malinda” dat geen deel uitmaakt van Mijn zuster de negerin,  is de magisch realistische sfeer aanwezig. Dit gedicht van Cola Debrot is ontleend aan het verhaal van Ma Linda dat op Bonaire wordt verteld. In dit verhaal ontmoet een jongeman op een begrafenis een mooie jonge weduwe met een diabolische maar tegelijkertijd engelachtige glimlach. Zij nodigt hem uit om haar op haar plantage te bezoeken. Als hij besluit om op haar uitnodiging in te gaan, kan hij de plantage niet vinden. Als hij het zoeken opgeeft en naar huis terugkeert, blijkt hij een oude man geworden te zijn met grijze haren, een gerimpeld gezicht en een duistere oogopslag.
 
Cola Debrot geschilderd door Carel Willink
Een van de beste vrienden van Cola Debrot was Carel Willink. Hij was getuige bij het huwelijk van Cola Debrot met Estelle in mei 1936. Deze bekendste magisch realistische Nederlandse schilder heeft in 1936, een jaar dus na het verschijnen van Mijn zuster de negerin, een intrigerend portret van Cola Debrot geschilderd


Slot

Na herlezing van Mijn zuster de negerin blijven drie vragen, waar ik zelf geen antwoord op heb, mij intrigeren, namelijk: (1) is  Mijn zuster de negerin met zijn magisch realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad (1967) van  de Colombiaanse auteur en Nobelprijswinnaar  (1982) Gabriel García Márquez ?; (2) in hoeverre is deze novelle autobiografisch ?  en (3) wat is de actualiteitswaarde van deze novelle uit 1935?

Om bij de eerste vraag te beginnen. Gabriel García Márquez maar ook een schrijver als de Chileense auteur Isabel Allende die La casa de los espíritus (1982) schreef, zou niet vreemd opkijken van de passage in Mijn zuster de negerin waarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand of iets met gloeiende ogen” als hij in “Miraflores” de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan.

Zo wist Gabriel García Márquez te vertellen dat hij als kind opgroeide bij zijn grootouders en dat hij een keer geen slaap kon vatten vanwege gesnurk in zijn slaapkamer. Toen hij zich daarover beklaagde bij zijn grootvader antwoordde die dat hij sliep in de slaapkamer van zijn overleden tante en dat die altijd hevig snurkte!  Alsof een snurkende overleden tante de gewoonste zaak ter wereld is. 


In de Nederlandstalige magisch realistische literatuur zijn De trap van steen en wolken (1940) van Johan Daisne en De komst van Johan Stiller (1960) bekende magisch realistische romans.

Maar schrijft Cola Debrot nu in de magisch realistische stijl of juist in expressionistische stijl met explosieve passages als: (a) “De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond””; (b) als hij de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan “was het of iemand of iets met gloeiende ogen uit de duisternis een sprong naar hem terug maakte, hem bij de schouders greep, hem in de oren gilde”; en (c) “Op het ogenblik, dat hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders slaapkamer: “Maria is de dochter van uw vader !!””?

Bij de passage “De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond”” dringt bij mij zich de associatie op met het gekwelde schilderij “De schreeuw” uit 1893 van de Noorse schilder Edvard Munch dringt zich bij de lezer op.  In dit expressionistisch schilderij staat tegen de achtergrond van een ondergaande zon een wanhopige figuur te schreeuwen. Het lijkt wel of de hele omgeving met hem mee schreeuwt.

[voor deel 3 en slot, klik hier]


donderdag 13 februari 2014

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (1)

Cola Debrot. Portret door Nicolaas Porter
door Walter Palm

Inleiding

Jules de Palm vertelde me eens een kostelijke anekdote over Cola Debrot. Cola Debrot en hij moesten eens iemand met de auto afhalen bij het Centraal Station in Amsterdam. Cola Debrot zat achter het stuur en Jules de Palm naast hem. Aangekomen bij het Centraal Station parkeerde Cola Debrot de auto pardoes en pontificaal voor de uitgang van het Centraal Station, terwijl dat uitdrukkelijk verboden was. Prompt werd hij daarop aangesproken door een agent. Cola Debrot wees toen naar Jules de Palm  en zei tegen de agent “Ziet u die man die naast mij zit? Dat is een gevaarlijke gek. Van hem moet ik de auto hier parkeren”. Verbouwereerd droop de agent af.

Bij het herlezen van Mijn zuster de negerin met het oog op mijn presentatie over dit boek op 9 november 2013 bij de “Dutch Caribbean Book Club” moest ik erg denken aan deze anekdote, want bij herlezing trok tot mijn stomme verbazing de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat.

Onderstaand ga ik eerst in op de inhoud van dit boek en vervolgens op de door de auteur gekozen vorm.


  • Beknopte inhoud van Mijn zuster de negerin: “Een zuster gevonden, een minnares verloren”

De dertigjarige hoofdpersoon Frits Ruprecht is na een afwezigheid van veertien jaar terug op zijn geboorte-eiland om zijn erfenis af te wikkelen. Aangezien zijn ouders zijn overleden en hij geen broer of zus heeft is hij de enige erfgenaam. De erfenis bestaat uit een woonhuis in de stad, het bijbehorend koetshuis met daarin geparkeerd de oude Ford en de plantage Miraflores.

Maar er is ook een andere reden waarom hij is terug gekeerd. Hij heeft genoeg van Europa waar hij als zestienjarige naar toe was gegaan. Hij wil “bij een negerin leven” en hij haatte “in Europa de bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie”.
...bleke gezichten, met hun visachtige kilheid...

Reeds op het schip waarop hij aankomt, overhandigt de notaris hem de sleutels van de stadswoning, het koetshuis en de plantage Miraflores. Achter zijn rug wordt gefluisterd dat hij zijn vader al veel geld heeft gekost en dat het niet lang meer zal duren alvorens hij ook deze erfenis er doorheen zal jagen. Een  uitnodiging van de notaris om bij hem thuis een hapje te eten met zijn vrouw en hun dochter Tonia, slaat Frits Ruprecht beleefd maar resoluut af.

Als hij het schip verlaten heeft en hij alleen op de kade staat moet de eerste opwelling  van “niets dan heerlijkheid” de nodige plaats inruimen voor een bepaalde sombere en wordt hij overvallen door zelfmoordneigingen (“Frits werd tegelijk bevangen door het gevoel maar dadelijk hara-kiri te zullen plegen”). Hij weet de zelfmoordneigingen te bedwingen en hij wandelt van de kade  naar zijn stadswoning. Onderweg verbeeldt hij zich dat zijn nicht die zo’n hekel aan hem had, hem weer staat uit te lachen achter een van die opengeklapte jaloezielatten.

Bij de stadswoning aangekomen doet zijn ouderlijk huis hem denken aan een mausoleum. Hij durft niet naar binnen te gaan, want volgens zijn gevoel waren zijn ouders niet begraven op het kerkhof, maar lagen zijn ouders “in het dichte huis naast elkaar met de ogen wijd open gericht naar het plafond”.

Hij stapt in de oude Ford van zijn vader en rijdt niet naar het kerkhof om het graf van zijn ouders te bezoeken, maar gaat naar “Miraflores”. Op weg stopt hij bij zijn jeugdvriend Karel die inmiddels districtmeester is geworden. De aanvankelijke amicale sfeer van het gesprek slaat om als Karel opmerkt dat hij graag had gezien dat Frits een schim was gebleven en nu niet in levende lijve voor hem had gestaan met jaloezie opwekkende verhalen over Europa. Deze opmerking schiet Frits in het verkeerde keelgat. Hij breekt het gesprek abrupt af en beent boos weg. Hij stapt in de auto en rijdt weg.

Als Frits vertrokken is, vraagt hij zich af of Karel inderdaad zo onvriendelijk was geweest of dat hij misschien woorden had gehoord die nooit zijn uitgesproken, want  behalve zelfmoordneigingen, heeft hij ook  hallucinaties.

Tegen zonsondergang komt hij aan in Miraflores. Rentmeester Wantsjo doet het hek voor hem open. De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond”.

Aangekomen bij het landhuis schreide “diep in hem een oude, bijna dode stem” als hij denkt aan zijn moeder die vaak schommelde op het terras van het landhuis. Het gevoel dat hij nooit meer zijn moeder zou zien schommelen op het terras vervult hem van “een grote bijna misselijke leegheid”.

Hij loopt het landhuis binnen. Als hij de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan “was het of iemand of iets met gloeiende ogen uit de duisternis een sprong naar hem terugmaakte, hem bij de schouders greep, hem in de oren gilde”. Doodsbleek slaat hij de deur van de slaapkamer dicht.

“Miraflores” is voor Frits Ruprecht “a trip down memory lane”. Jeugdherinneringen dringen zich op. Hij ziet nog voor zich hoe hij vroeger ging jagen met Karel die hem nu zo vijandig bejegent en hoe zijn nicht met haar helderblauwe ogen en goudkleurige haren hem vaak uitlachte.

Maar vooral moet hij denken aan Maria, de kleindochter van de rentmeester, die samen met hem is opgegroeid en waarmee hij vaak op een bankje in de palmentuin zat te luisteren naar koerende duiven.

Hij heeft gehoord dat Maria nu onderwijzeres is in de stad en dat zijn vader  haar opleiding had bekostigd. Hij vindt dat verdacht want waarom zou zijn vader de studie van Maria betalen. “Wat den mens het meest verraadt, blijft nog steeds zijn eigen hart”, merkt hij op. Was zijn vader ook de vader van Maria en niet Theodoor zoals de officiële vader van Maria heet. Ondertussen lijkt hij in het schemerdonker een schim van Maria te zien in het huis, maar dat kan niet, want Maria is onderwijzeres en woont in de stad. 

Voor alle zekerheid gaat hij in het achterhuis naar de voormalige slaapkamer van Maria. Tot zijn verbazing is zij daar. Zij is heel blij om hem te zien en zij is na veertien jaar een volwassen vrouw geworden. Maar net als zij intiem worden, klinkt er gerammel aan de voordeur. Frits gaat ontstemd naar de voordeur en treft daar Wantsjo aan. Boos laat hij hem niet uitpraten. “Op het ogenblik, dat hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders slaapkamer: “Maria is de dochter van uw vader !!””  Na deze dramatische anticlimax blijft Frits onthutst en ontnuchterd  achter. En zo heeft hij een zuster gevonden, maar een minnares verloren.

[vervolg klik hier]

woensdag 5 februari 2014

Colleges Surinaamse en Antilliaanse literatuur


Op vrijdag 7 februari begint de nieuwe collegereeks Caraïbische dromen - De literatuur van Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen die prof. Michiel van Kempen geeft aan de Universiteit van Amsterdam. Er is een gloednieuwe reeks samengesteld, waarbij zo wel klassieke als de allernieuwste teksten worden gelezen. Vele gasten maken hun opwachting: schrijvers en gastdocenten van beide zijden van de oceaan. De colleges worden gegeven in zaal 4.04 van het PC Hoofthuis, Spuistraatc 138 te Amsterdam. Het vooraf gelezen hebben van de te behandelen tekst is voorwaarde om aan het college te kunnen deelnemen.
Wie graag de reeks of enkele coleges bijwoont kan zich per mail aanmelden:
M.H.G.vanKempen@uva.nl


Aanbevolen voorkennis

Jos de Roo, ‘Hollandse hovaardij; Moderne Surinaamse schrijvers over Nederland’.
Wim Rutgers, ‘De Nederlandse Antillen en Aruba’. Het gaat om 2 hoofdstukken uit: Theo D’haen (red.), Europa buitengaats; Koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen. Deel I. Amsterdam: Bert Bakker, 2002, pp. 199-246,  resp. 247-288.




Colleges


  1. vrij 7 februari 2014: Algemene inleiding I
  2. vrij 14 februari 2014: Algemene inleiding II, boek: Jacco Hogeweg – Een donjuan in de West
  3. vrij 21 februari 2014: Albert Helman elke student leest een ander boek van Helman
  4. vrij 28 februari 2014: Wij slaven van Suriname van Anton de Kom, in aanwezigheid van de biografen van Anton de Kom, Alice Boots en Rob Woortman
  5. vrij 7 maart 2014: Mijn zuster de negerin van Cola Debrot
  6. vrij 14 maart 2014: Onsterfelijk van Guillermo Rosario, in aanwezigheid van de vertaalster, en dochter Libèrta Rosario
  7. vrij 21 maart 2014: we lezen gezamenlijk een tekst van Derek Walcott en bezoeken in Den Haag de onthulling van een muurtekst met een gedicht van Walcott
  8. vrij 28 maart 2014: roostervrij
  9. vrij 4 april 2014: Rubber van Madelon Szekely-Lulofs. Gastcollege door Dr Gabor Pusztai (Universiteit van Debrecen Hongarije) – ‘Antikoloniale concepten in het werk van Madelon Lulofs en Laszlo Szekely'
  10. vrij 11 april 2014: Dubbelspel van Frank Martinus Arion. En vertoning van de film Yu di Korsóu in aanwezigheid van cineaste Cindy Kerseborn
  11. vrij 18 april 2014: collegevrij (Goede Vrijdag)
  12. vrij 25 april 2014: ‘Praatjes voor de West, de invloed van de Wereldomroep op jonge schrijvers in het Caraibisch gebied’, door Jos de Roo. Te lezen tekst: De rots der struikeling van Boeli van Leeuwen
  13. vrij 2 mei 2014: Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod, met vertoning (fragmenten van) van de film van Jean van de Velde. Gastcollege over Surinaamse en Antilliaanse talen door dr Annelies Roeleveld
  14. vrij 9 mei 2014: De zwarte Lord van Rihana Jamaludin, in aanwezigheid van de auteur
  15. vrij 16 mei 2014: Het hiernamaals van Doña Lisa van Eric de Brabander, gastcollege door Prof. Wim Rutgers (Universiteit van de Nederlandse Antillen)
  16. vrij 23 mei 2014, laatste college, De man van veel van Karin Amatmoekrim, in aanwezigheid van de auteur,

donderdag 23 januari 2014

Literaire Tertulia van Dutch Caribbean Book Club

Amateuristische lezing van Debrot door Walter Palm


Eerste druk 1935
door Henry Habibe

Op initiatief van Dutch Caribbean Book Club (DCBC) werd op 9 november 2013 in Den Haag voor de zoveelste keer aandacht besteed aan de bekende novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot. Spreker, de heer Walter Palm, gaf daarvan wat hij zelf noemde ‘een andere visie’  dan de reeds bestaande. Hij deelde mee dat hij bij een herlezing van de novelle ‘tot zijn verrassing tot een andere kijk’ was gekomen, namelijk: ‘de labiele geestestoestand van de hoofdpersoon trok mijn aandacht en niet zozeer de rassenrelaties waar deze novelle uit 1935 om bekend staat’. Hierna volgde een samenvatting van het bewuste werk en kwam de spreker, na een vrij onsamenhangende uiteenzetting over wat hij als de ‘vorm’ beschouwde, tot de conclusie dat Mijn zuster de negerin een ‘magisch-realistische inslag’ heeft.

Opmerkelijk is dat het niet tot de spreker schijnt te zijn doorgedrongen dat het hier gaat om een raciaal thema (Négritude). De hoofdpersoon geeft – aldus Debrot - de voorkeur aan een negerin boven de blanke vrouw in Europa. Tegen het einde van het verhaal, nadat de hoofdpersoon een hele tijd gemijmerd heeft over het zwarte meisje uit zijn jeugd, voelde hij ‘onweerstaanbaar de drang in zich opkomen om naar de kamer van Maria [het negermeisje uit zijn jeugd] te gaan’. Debrot heeft dit thema op een hoogst eigen wijze behandeld.
Editie 1955

In plaats van de novelle aan een min of meer stilistische benadering te onderwerpen en zoveel mogelijk binnen een passende historische context, wijkt Palm daarvan af en gaat op zoek naar aspecten van psychologische aard (hallucinaties, zelfmoordneigingen) en  veronderstelt dat daarmee reeds van een ‘magisch-realistische inslag’ sprake is.  Hij gaat als volgt te werk. Nadat hij (aan het begin) als een tweede ‘reden’ had gegeven waarom de hoofdpersoon naar Curaçao teruggekeerd was, week hij af van het raciale thema en probeerde elders voorbeelden te vinden (dus uit andere werken) om daarmee de vermeende ‘magisch-realistische inslag’ van Mijn zuster de negerin te signaleren. Dit is wat ik een ‘extra-literaire vlucht’ zou willen noemen. De spreker verlaat immers de tekst, die hij zich voorgenomen had te bespreken. Zo verwijst hij naar een kort verhaal van Daphne du Maurier (‘Don’t look now’) omdat daarin sprake is van ‘het zien van een schim’. Meent hij misschien dat hij zodoende het Magisch Realisme reeds gedefinieerd heeft? Ook deelt hij mee dat het gedicht ‘Wie weet Malinda’ van Debrot ‘geen deel uitmaakt van de novelle’. Desalniettemin stelt hij (zonder het aan te tonen!) dat de ‘magisch-realistische sfeer’ uit dat gedicht ook in  de novelle aanwezig is.
Elfde druk

De spreker meende bovendien dat, aangezien Debrot bevriend was met de Nederlandse magisch-realistische schilder Carel Willink, zijn novelle ook elementen moet bevatten van het Magisch Realisme. Zonder deze literaire tendens te hebben gedefinieerd of minstens aan te geven wat hij daaronder verstaat, gaat hij over tot de volgende verkondiging: ‘Is Mijn zuster de negerin met zijn magisch-realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman, zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad van de Colombiaanse auteur Gabriel García Márquez?’ (Palm noemt ook La casa de los espíritus van Isabel Allende).

Uit Palms verhaal blijkt niet wat hij met ‘magisch realistische inslag’ bedoelde. De ene keer gaat hij bij Du Maurier te rade (wiens tekst uit 1971 dateert, terwijl die van Debrot uit 1935), een andere keer baseert hij zich op de ‘sfeer’ uit een heel andere tekst van Debrot, in de veronderstelling dat beide werken vanzelfsprekend dezelfde ‘sfeer’ moeten ademen. Het toppunt van deze ‘amateuristische’ benadering wordt aan het eind bereikt met de vrij groteske uitspraak: ‘García Márquez, maar ook (...) Isabel Allende (...) zouden niet opkijken van de passage in Mijn zuster de negerin waarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand  of iets met gloeiende ogen” als hij in Miraflores de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan’. Beide Latijns-Amerikaanse auteurs zouden – volgens mij – juist in lachen uitbarsten bij het constateren dat Ruprecht de schrik te pakken had (‘… Doodsbleek smeet hij [Ruprecht] de deur weer dicht. Het angstzweet brak hem uit…’). In de werken van García Márquez en Allende gaat het juist niet om het zich distanciëren van de ‘mysterieuze’ verschijnselen, maar om een ‘zich daarin onderdompelen’ om die op een min of meer indringende wijze te omschrijven. Dat gebeurt soms aan de hand van sterk hyperbolische elementen.
Derde druk

Fantastische verhalen hebben altijd bestaan. Het Magisch Realisme is echter een postmodernistische stroming in de schilderkunst, die zich ook in de literatuur manifesteerde en wel aan het eind van de jaren veertig met werken als El Reino de este mundo van de Cubaan Alejo Carpentier. Men denke daarbij ook aan werken als Kafka’s De Metamorfose. Mijn zuster de negerin willen beschouwen als een novelle met een ‘magisch realistische inslag’ is louter een wishfull thinking van de heer Palm.

Er kan gesteld worden dat deze bijeenkomst van de Dutch Caribbean Book Club geslaagd was. Alleen was er niet voldoende gelegenheid om te discussiëren. Vooral het gesproken ‘In memoriam Jules de Palm’ door de bekende Arubaanse pianist Alwin Toppenberg omvatte veel interessante informatie over de Curaçaose schrijver. De moderator, Darlène Westmaas, kweet zich goed van haar taak. Er heerste een heel ontspannen sfeer onder het publiek. Het succes was mede te danken aan de inspanningen van de actieve voorzitter van Dutch Caribbean Book Club, Magda Lacroes.


maandag 2 december 2013

Boeli

V.l.n.r. Boeli van Leeuwen,.Chris Engels, Aletta Beaujon, W.F. Hermans, Cola Debrot, Elis Juliana.

door Ko van Geemert

Net las ik de ingezonden brief (25 november) van Rob van Buiren, onder de titel: ‘Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag’. Hij schrijft: “Als een van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap vanzelfsprekend op Curaçao thuis.” Zeker!

Er blijken ‘concrete stappen te worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum’. In de afgelopen jaren waarin ik me verdiepte in de literatuur op en over het eiland stuitte ik niet op een dergelijk initiatief, maar blijkbaar heb ik iets gemist. Tot de komst van dit Curaçaos Literair Museum ben ik blij dat de nalatenschap van zo’n bijzondere, in het Nederlands schrijvende auteur in een mooi archief/museum terecht is gekomen, al is dat in Nederland.

Curaçao

[uit Amigoe, 26 november 2013]

donderdag 24 oktober 2013

Literaire middag Dutch Caribbean Book Club

Het zout van Bonaire

Dutch Caribbean Book Club nodigt u uit voor een literaire middag op zaterdag 9 november 2013 van 12.00 tot 16.00 uur in Theater De Vaillant Den Haag. Heeft u de roman Mijn zuster de negerin van Cola Debrot gelezen? En wilt u deelnemen aan een boeiende discussie waarbij Walter Palm als discussieleider zal optreden? Bezoek dan deze literaire middag.
1e druk van Mijn zuster de negerin (1935)

Ook het boek Bonaire, zout en koloniale geschiedenis van Boi Antoin en Cees Luckhardt komt aan de orde. Cees Luckhardt geeft een lezing hierover. We zullen tevens stilstaan bij het heengaan van Jules de Palm. Alwin Toppenberg zal een ‘in memoriam’ uitspreken. In november bestaat Dutch Caribbean Book Club 1 jaar. We blikken terug op onze activiteiten en kijken vooruit naar onze bijeenkomsten in 2014. Dansgroep Caribbean Dance Flamboyan zal acte de présence geven met dansstijlen als de Seú en de onvergetelijke Remailo.

Aanmelden: dutchcaribbeanbookclub@gmail.com
Toegang: € 5,00
Datum: zaterdag 9 november 2013 van 12.00 tot 16.00 uur
Locatie: Theater De Vaillant, Hobbemastraat 120, 2526 JS Den Haag
Routebeschrijving: http://www.devaillant.nl/over-het-theater/adres-en-openingstijden/item172 Parkeren: In de omgeving van Theater De Vaillant kunt u van 9.00-24.00 uur alleen tegen betaling parkeren. Pinnen of chippen.

Bezoek onze website: www.dutchcaribbeanbookclub.wordpress.com





maandag 16 september 2013

In de straten van de hemel (4 en slot)

door Antoine de Kom

Dit jaar werd in februari de staatsgreep van 25 februari 1980 herdacht. Aan die staatsgreep is de naam Revolutie gegeven. Op televisie werden oude beelden vertoond. Coupplegers van weleer vertelden hun stoere verhalen. De President sprak genodigden toe bij het monument dat bestaat uit de resten van het stukgeschoten hoofdbureau van politie. De President benadrukt de waardigheid van de Surinamers. Hij veroordeelt Nederland. Hij wil de stoffelijke resten van mijn grootvader terughalen naar Suriname.
Politiebureau Paramaribo in brand geschoten

Wanneer ik de President hoor spreken, is het alsof de klok 150 jaar wordt teruggezet. Het is alsof ik een vorst zie die de slavernij opnieuw afkondigt. Hij noemt dat natuurlijk geen slavernij. Hij heeft het over vooruitgang van alle Surinamers, over goede bestaansvoorwaarden, versterking van wat nodig is. De tegenstellingen in het land moeten worden overbrugd, de Nederlandse jurisdictie is wat hem betreft een poging tot vernedering van zijn stand.

Suriname is een land geworden dat verhullende symboliek heel hard nodig heeft. Zo hard dat de nieuwe staatssymbolen beginnen te verkruimelen. Want symbolen kunnen de waarheid niet verhullen. Die waarheid is dat er in dat land nieuwe meesters zijn opgestaan die de oude tegenstelling tussen heer en horige alleen maar hebben herhaald en bepaald niet hebben opgeheven.

Vuilnis in Paramaribo
        
Stel dat je dit niet zou weten. Dat je dit vergezicht, dit gesternte, niet kon zien. Hoe zou je dan toch merken dat er iets grondig mis is in het land? Door niet omhoog maar goed om je heen te kijken. Door je bewust te zijn van de gevoelens die dat bij je oproept. Begin simpelweg in familiekring, onder bekenden, of door te letten op toevallige ontmoetingen. Menige ontmoeting in Suriname heeft mij beklemd. Je voelt namelijk dat de ‘conspiracy of silence’, ook wel bekend als de ‘omertà’, het misdadige zwijgen, er altijd is, ook al lijkt dat niet zo. Want het verzwegen onrecht kleurt op de achtergrond elk contact. Met sommige mensen kun je dat openlijk bespreken. Ook dan wordt het gesprek beheerst door het verzwegen onrecht.
Foto @ Dinktinx

In Suriname ontstaat een nieuw zelfbewustzijn dat in de media, vooral de staatsmedia, sterk overheerst: de geschiedenis wordt vervalst, de nadruk ligt op discipline en hygiëne, op vooruitgang en heroriëntatie, de eigen weg. Een eigen weg, dat is prijzenswaardig, maar de prijs is hoog. Niet lang geleden heeft de President geklaagd over het gebrek aan ‘communicatie’ tussen de rechterlijke macht en zijn kabinet. Dat is inmiddels goedgemaakt. Er heeft een gesprek plaatsgevonden. Daarna werd het stil. De stilte, het zwijgen heeft zich uitgebreid.

De economie bloeit. Bloedt, moet ik zeggen. De nadruk ligt op een smalle basis, de exploitatie van uitputbare hulpbronnen zoals het goud. Dat wordt gewonnen op een manier die de leefgemeenschappen en het milieu ernstig aantast. Dan is er de georganiseerde drugshandel, voorzien van een handelsroute naar Equatoriaal Guinea, een land waarvan de heerser vooral zichzelf en de zijnen verrijkt en dat een slechte mensenrechtenreputatie heeft. Zijn vriendschap met de President is er een die doet denken aan de kameraadschap tussen boekaniers.

Cola Debrot schreef over de boekanier. Deze kent twee grondervaringen: de moed der inhaligheid en de angst die uit daden voortkomt die het licht van de openbaarheid schuwen. Want, zo vul ik aan, wat met de kogel is verkregen, kan nooit door woord en symbool worden verhuld. En als woord en symbool tekortschieten, dan treden daarvoor in de plaats het zwijgen, de omertà, het niet willen laten zien, de loochening.

Foto @ geva 

Suriname is een land geworden waar de mensen in drie zones leven: een lichte, een duistere en een grijze. De tegenstelling tussen dit zwart en dit wit is vooral een tegenstelling geworden tussen eerlijk en oneerlijk, schoon en vuil, legaal en crimineel. De cultuur van de straffeloosheid is net zoals in de slaventijd dominant.

Het laatste dat Cola Debrot voor zijn heengaan schreef, was een gedicht naar aanleiding van een droom. Hij schreef het in het Nederlands en in het Spaans. De eerste regel luidt: ‘In de straten van de hemel hebben wij ons verstand verloren’. In het Spaans: ‘En las calles del cielo hemos perdido nuestro sentido’.

Het woord ‘sentido’ betekent veel meer dan alleen verstand, namelijk zintuig, bewustzijn, gevoel, begrip, inzicht, betekenis en richting. Ik ben Cola Debrot zeer dankbaar. Hij wijst namelijk op een uitweg uit de tegenstellingen tussen overheersing en onderwerping waarin de trans-Atlantische Surinaamse gemeenschap gevangen is geraakt. In wat de straten van de hemel leken, zijn wij verward geraakt. Het streven naar iets dat buiten ons ligt, zal altijd futiel blijven. Begeerte en angst zullen ons beklemmen zolang er wordt beknot, geketend en mensen dingen zijn. Bevrijding uit deze eigenzinnigheid is alleen mogelijk door te komen tot een onbaatzuchtige levenshouding die ik wil noemen: sufri. In deze houding vallen vorm en wezen samen. Het is een innerlijke houding die bevrijdt.
Paramaribo gezien vanaf de Surinamerivier. Foto @ H. Engelen

Mijn grootvader sprak van een erfelijk minderwaardigheidsgevoel dat zelfrespect in de weg staat. Ik wil daaraan toevoegen dat de onbaatzuchtige levenshouding die sufri heet, bijdraagt aan de oplossing van dit probleem. Sufri is voor ieder die een vrije Surinaamse gemeenschap wil, in en buiten een waardig en rechtvaardig Suriname. Sufri wil dat niemand iets tekortkomt, sufri is geweldloos, sufri wil zichtbaar zijn op straat en op het internet. Sufri kan niet worden gekocht of verkocht. Wie sufri is, luistert naar ieders verhaal, en deelt verdriet en angst. Sufri wil opgaan in de hoofden en de harten. Sufri is geen programma. Het is een open keten van principes. Die keten, dit sleutelsymbool in ons opnemen en uitleven met elkaar is de ware ontketening. Een ontketening van boeien niet alleen, ook een ontketening van energie en liefde. De toegang tot de straten van de hemel.

Dames en heren. Ik hoop dat ik mijn belofte heb waargemaakt. Dat wij vanaf vandaag meer mens kunnen gaan worden, meer Surinaams verenigd, waardig, zoals wij dat hebben gedroomd en al dromend kunnen gaan verwerkelijken, elke dag, waar wij ook zijn. Heri libi te na dede – Ons leven lang tot de dood aan toe. Onze innerlijke kracht kan het juk van onderwerping overwinnen. Nu en in de toekomst. De duistere zone hoort in het felle zonlicht van onze vastberadenheid weg te bleken. De gevallen engelen onder ons kunnen hun naakte schande niet blijven verhullen. Wij bepalen dat. Wij zijn onze eigen leiders.

Dit is de licht bewerkte tekst van de derde Cola Debrot-Lezing, gehouden op 21 juni 2013 te Amsterdam. Deze tekst is gepubliceerd in de vijf-en-vijftigste jaargang van Hollands Maandblad, nummer 789-790, augustus/september 2013.





vrijdag 13 september 2013

In de straten van de hemel (2)

Danseressen bij de viering van 150 jaar afschaffing slavernij op het binnenplein van Fort Zeelandia, Paramaribo
door Antoine de Kom

Wanneer je zoiets als slavernij overkomt, heb je te maken met een traumatische ervaring die diepingrijpende gevolgen kan hebben. Trauma is verwonding, en verwonding laat littekens achter waar je nog lang last van kunt krijgen als slachtoffer. Als er een slachtoffer is, dan is er ook een dader. De dader draagt ook de gevolgen van zijn daad met zich mee. De dader kan ook twee kanten op. Die zien er anders uit dan bij de slaaf. De dader, de meester, kan zijn daden loochenen en doen alsof die niet bestonden. Gewoon samen doorgaan heet dat ook wel. De dader kan het ook gooien op omstandigheden die als excuus dienen. Dan erkent hij zijn daad en dat is moeilijk te verkroppen. Slavernij was namelijk in de ogen van de meester eeuwenlang normaal, algemeen geaccepteerd, gezien als Gods wil ook, maar nu niet meer. Door bezitsdrang en behoudzucht van de nog levende slavenhouders (zoals die in het huidige Afrika bijvoorbeeld) is de moderne slavernij hardnekkig en moeilijk helemaal uit te roeien. Dat maakt ons terugkijkers en herdenkers een ongemakkelijke derde partij  naast dader en slachtoffer, want wij kunnen erkenning, ontkenning, bekennen, verzet of onderwerping, schuld en boete niet van ons afschudden noch op onze schouders nemen. Dit geldt vooral de nazaten van daderzijde. Aan de slachtofferkant is er nog steeds voelbare pijn.

Keti koti: afschaffing van de slavernij, 2013. Foto @ Michiel van Kempen

Er was nog een tweede uitweg die de dader kon kiezen: die is de weg van de overdekking met het tegendeel. De dader neemt dan de houding aan van de zedenmeester. Aldus behoudt hij zijn oude gedroomde superioriteit. Zeden-meester. De dader ‘schenkt’ de slaaf even minzaam als onverschillig diens ‘vrijheid’. Dat is pas echt erg!

Nee, nog erger misschien is dat wij de slavernij en de afschaffing daarvan herdenken. Herdenken is een vorm van verdringen. Want met de herdenking wordt de slavernij een dag der vrijheden, één dag in het jaar, en verder basta. Het heeft er dus alle schijn van dat het tussen meesters, slaven, en hun beider nazaten niet echt meer goed kan komen.

Ik had beloofd dat u opgewekt, verkwikt en vrolijk de zaal zult verlaten. Ik moet nu toegeven dat ik verder dan ooit van de verwezenlijking van die belofte verwijderd ben geraakt. Hier helpen geen geintjes meer. Ook dooddoeners als dat de tijd alle wonden heelt, bieden geen uitkomst. Ik krijg de sterke neiging om te doen alsof het hele probleem van de slavernij dan maar in de ijskast moet. De hevige impuls om maar te gaan dansen en te gaan feesten om het allemaal maar te vergeten. De dans der machtelozen dansen is eigenlijk de klassieke uitweg die ik over het hoofd heb gezien. Dansen konden de slaven immers af en toe ook en daarbij leefden zij hun verdriet en woede uit. Denk maar aan de tambú op Curaçao, recent ijzingwekkend documentair verfilmd door Catrien Ariëns.
Still uit de film The Night Holds Me Back van Catrien Airëns

Ik wil het er niet bij laten zitten. Ik wil blijven proberen om een oplossing te vinden voor het perverse probleem van meester en slaaf. We zagen dat die elkaar begonnen te worden: de meester raakte verslaafd en de slaaf won aan beangstigende macht. Innerlijk raakten beiden aangetast. Wij zijn hun nazaten. Ik ben een nazaat van beiden. Velen onder ons zijn dat ook. Dat is een belangrijk gegeven. Dat we nazaten zijn van meester en slaaf. Dat komt steeds vaker voor door de vermenging van etniciteiten die tegenwoordig steeds vaker regel is.
Anton de Kom, grootvader van Antoine

Misschien heb ik een kleine aanwijzing die grote gevolgen kan hebben over het hoofd gezien. Uit ervaring weet ik dat een impasse in een onderzoek, een onderzoek in een zware zaak, betekent: dat je niet goed genoeg naar jezelf hebt gekeken. Het wordt tijd dat ik dat doe. Als je naar jezelf kijkt, leg je je eigen historische wortels bloot. In de wording van een individu herhaalt zich de wording van een gemeenschap. Zo belichaamde mijn grootvader de strijd tussen meester en slaaf vanuit de geestelijke positie van de slaaf. Hij vocht om eigenheid, zelfwaardering en onderlinge verbondenheid. Hij slaagde erin om zijn streven te verbreden door met de vroegere overheerser het verzet aan te gaan tegen een nieuwe overheerser, het monsterlijke gedrocht dat fascisme en nazisme heet. Mijn grootvader gaf zijn wezen aan de vrijheid van zijn volk, de Surinamers, mijn grootvader gaf zijn leven voor de vrijheid van blank en zwart, voor de gewezen meester en de gewezen slaaf. Zijn boodschap was: we kunnen elkaar toch weer vinden en ons verenigen, ook, zelfs als medelanders.

Mooi gesproken, maar in alle bescheidenheid, ik zit door die slavernij nog steeds met de gebakken peren. Ik moet nog steeds van die slavernij een suikerbeest maken. Maar hoe? Mijn gewoonlijke truc tot nu toe was: poëzie. Een dichter is bijzonder vrij en kan dus zijn fantasie gebruiken om tegenstellingen en ellende weg te toveren. Dichten is een vorm van feesten die niet meteen als feesten opvalt maar het wel is. Met een eigen poëzie kun je dansant zeggen: lees die maar, daarin rechtvaardig ik mezelf terwijl ik eigenlijk een onooglijk vat vol ongerijmdheden ben.
 
Slave dance (spel 2006)
Die weg sta ik mijzelf niet langer toe. Daarmee loop ik opnieuw de kans van alles over het hoofd te zien. Ik weet het. Want in mijn poëzie heb ik geprobeerd om wat is geweest te symboliseren. We leven als mensen in een woud van symbolen. Kijk om je heen. De werkelijkheid is niet wat ze is, maar wat ze betekent voor de mensen. En het zijn de mensen die symboliseren maken en zo hun werkelijkheid gestalte geven, ja voltrekken. Zo vormen de mensen hun wereld en zo kunnen zij die ook weer omvormen. Daarin ligt de macht van de cultuur. De slaaf, de katibo, de katibu, heeft zijn tambú en die helpt hem om weer meester over zichzelf te worden. Dat is het grootste goed denkbaar. Daardoor kun je pas echt leven en echt feesten. Het scheppend omvormen van symbolen is een krachtig wapen. Ik heb ooit in de township Langa in Kaapstad geroepen dat goede dichters een wapenvergunning zouden moeten hebben vanwege hun scheppend vermogen.

Maar welke symbolen moeten er dan worden omgevormd? Is er een sleutelsymbool? En wie kan bij de sleutel? Vroeger had ik als kind in Suriname altijd een sleutelhanger op zak. Het was een bijzondere, stalen sleutelhanger met het symbool van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maat­schappij, een oud koloniaal zeilschip, en in die sleutelhanger zat een oprolbare centimeter. Eigenlijk deed ik er alleen de kleine sleutel van mijn koffertje aan dat ik gebruikte om mijn spullen in op te bergen. Veel had ik niet. De sleutelhanger is nu een zuiver symbool omdat ik het ding al lang kwijt ben. Maar als symbool is het voor mij van grote waarde. Ik wil er niet voor pleiten om van alles maar weg te gooien, dat is verkeerde symboliek. De sleutelhanger wacht op de nieuwe sleutel voor ons slavernij-probleem. Met symbolen kun je spelen en al spelend kun je nieuwe betekenissen en nieuwe waarden toekennen. Spelenderwijs, ongemerkt, verzet je de bakens.

Chusan. KNSM.Tekening van Frits Hoogstrate


We moeten op zoek naar het sleutelsymbool. Dat wordt een zoektocht naar de graal en we weten dat die niet meteen te vinden is. Op zo’n moment kom ik altijd in de verleiding om een boekenkast te laten omvallen. Toen ik ongeveer zestien was, ging ik naar de Bijlmer waar Frank van Kanten woonde: jurist, leraar, vertaler. Ik zou hem gaandeweg als mijn goeroe gaan beschouwen. Hij waarschuwde me dat ik niet teveel moest gaan lezen. Zelf deed hij dat wel. Hij wist ongelofelijk veel af van de Caraïbische geschiedenis af, bezien vanuit zijn creoolse standpunt. Bij hem vergeleken voelde ik mij beschamend wit.
Maze (2012) door Ginoh Soerodimedjo

Nu ik het over goeroes heb, denk ik ook aan René de Rooy. Die was pas echt Caraïbisch. Een veelzijdig kunstenaar. In Paramaribo was hij mijn leraar Spaans. Hij opende een wereld voor mij. Hij bouwde aan een nieuwe identiteit, een vrij kunstenaarschap, hij leerde ons in jezelf en over jezelf heen te kijken. Daar kwam bij dat hij een huidziekte had, vitiligo, waardoor hij zijn donkere huidskleur verloor en steeds witter werd. Zijn kwaal was voor mij een opluchting. Ik was dus niet de enige die in de verkeerde kleur zat. Ik had vaak gedacht dat het beter was om zwart te zijn. Gelukkig ben ik van die gedachte teruggekomen. René de Rooy leefde voor hoe je de schaamte voorbij kunt.
               
Slavenmasker. Aquarel van Jean Baptiste Debret,
 in Ana Maria de Moraes, O Brasil dos viajantes
 (Sao Paulo and Rio de Janeiro, 1994). Ook in Jean
 Baptiste Debret, Viagem Pitoresca e Historica
 ao Brasil (Editora Itatiaia Limitada, Editora da
 Universidade de Sao Paulo, 1989, herdruk
 van de Parijse editie uit 1954 door R. De Castro Maya.
Dames en heren, ik heb mij jarenlang geschaamd voor mijn kleur die de kleur van de meester is. Ik voelde mij een minderwaardige witte raaf. Eigenlijk ging het om veel meer dan kleur. Ik zat met de meester en de slaaf in mijzelf hopeloos in de knoop. Door mijn grootvader wilde ik voor de zwarte zaak staan. Maar hij had er ook toe bijgedragen dat ik zo wit was geboren. Hij had in zijn ruimhartigheid een blanke vrouw getrouwd en daarmee de liefde laten prevaleren boven de zware zaken waarover ik het hier heb. Mijn vader deed hetzelfde. Ik zat er maar mee.

Nu wil ik hier u niet lastigvallen met mijn kleurperikelen. Ik heb het erover omdat het zo’n kleine aanwijzing is waardoor we verder kunnen komen met het slavernijprobleem. We kunnen namelijk ons voordeel doen met een geluk bij een ongeluk: dat de meester wit is en de slaaf zwart. Als dat nou eens symbolisch gaat schuiven. dan komen we verder. De invloed van mijn grootvader gaat verder dan ik voor mogelijk hield. Hij heeft intuïtief voor kleurmenging gezorgd en daarmee de weg geopend naar een nieuwe manier van verhouden waarin kleur en meester-zijn of slaaf-zijn losmakelijk aan elkaar worden verbonden.
Anton de Kom en zijn kinderen in 1937

Ik zie dat nu – let op de symboolverschuiving – als een vorm van bevrijding. Hij heeft mij ertoe gedwongen voor de zware zwarte slavernijzaak te gaan staan terwijl ik in een lichte kleur leef. Dat is nieuwe symboliek, kleur verkennen heet dat. Door mij in het kleurledige, een vacuüm te werpen dwong hij mij op zijn bevrijdende weg voort te gaan.

[vervolg, deel 3, klik hier]