Posts tonen met het label Papiamentu. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Papiamentu. Alle posts tonen

zondag 11 mei 2014

Janchi Beaujon - Liña pa liña

Tin m’a skibi pa mi mes
i benta afó alabes
Otro m’a skibi djis pa prèt
For di a ku be te zèt
Ma tur m’a skibi, liña pa liña,
pa mi dushi galiña



[Eerder verschenen in de Amigoe , 7 mei 2014]



vrijdag 18 april 2014

Frank Martinus Arion in vier facetten

door Wim Rutgers
  
Woensdag 9 april werd in Cas di Cultura op Aruba de documentaire van Cindy Kersseborn over Frank Martinus Arions leven en werk gepresenteerd. Bij die gelegenheid sprak Wim Rutgers over Frank Martinus Arion in vier facetten. Hierbij volgt de integrale gesproken tekst.

Over Dubbelspel heeft Frank Martinus Arion ooit beweerd: “In het zo schrijven als ik doe zit een strategie; ik hanteer bekende middelen en kom zo rustig bij de burger binnen om hem dan te bombarderen met nieuwe inzichten… ” (HP 29 juni 1974)

Frank Martinus Arion is een veelzijdig auteur, die in de loop der jaren een flink aantal literaire werken gepubliceerd heeft, waaronder diverse poëziebundels, een verhalenbundel, een essaybundel en een vijftal dikke romans, zoals Dubbelspel (1973), Afscheid van de koningin (1975), Nobele wilden (1979), De laatste vrijheid (1995) en De deserteurs (2006). Met elkaar meer dan zeventienhonderdvijftig  bladzijden proza.

Maar hij is toch vooral de auteur van één boek gebleven, het romandebuut Dubbelspel, waarvan er meer dan honderdduizend en vervolgens dankzij de eerste bibliotheekactie ‘Nederland leest’ van 2006 in totaal bij elkaar een kleine miljoen exemplaren over de toonbank zijn gegaan.
Ik heb me dat proberen voor te stellen, hoeveel dat is: als ik de boeken naast elkaar in de boekenkast zet: een rij van 25 kilometer, van hier tot San Nicolas  [afhankelijk van de wijze van uitgeven [paperback of pocketbook]. En dan heb ik hierbij de vertalingen nog niet meegerekend! In het Duits, Engels en Deens. En dan tenslotte ook  in het Papiamentu - het werd dan ook tijd.


Ik zal niet zozeer ingaan op de roman Dubbelspel die zich afspeelt op een derde zondag in november in 1969 of in het begin van de jaren zeventig, maar wat opmerkingen rond  het werk van Frank maken, die ik wil verdelen in vieren:
Taal en klasse;
Taal en structuur;
Taal en publiek;
Taal en cultuur,
waarna ik tot een afsluiting kom. Mooi in vijf delen, evenals de roman Dubbelspel zelf.

Taal en klasse
Hiervoor biedt het meest recente boek van Frank, de essaybundel Intimiteiten van het schrijven (2009) handige aanwijzingen, omdat hij daarin over taal en literatuur schrijft.

“Het is met de literatuur gesteld als met alle andere domeinen van het leven: ze is gebonden aan sekse, ras, klasse, godsdienst en natie.” Het is in de literatuur natuurlijk vooral de vraag wat je met deze categorieën doet.

In die recente bundel Intimiteiten van het schrijven gaat Frank uitgebreid in een tot artikel bewerkt openbaar college ‘Literatuur als vermakelijk onderzoek’ in op ‘de geboorte van Dubbelspel’.

Frank zegt dat het zijn ‘voornemen was om een sociaal psychologische dwarsdoorsnede te tekenen van de gemeenschap Curaçao waar een progressief politiek handelen aan geknoopt zou kunnen worden…’ (Intimiteiten 2009: 108)

Taal en structuur
“In het zo schrijven als ik doe zit een strategie; ik hanteer bekende middelen en kom zo rustig bij de burger binnen om hem dan te bombarderen met nieuwe inzichten… ”

"Wakota"
Dubbelspel is in zijn vorm klassiek met de vijf bedrijven: De morgen en de ochtend; De middag en de schemering; De schemering; Naspelen. Deze vijf klassieke bedrijven kennen een eenheid van tijd (die derde zondag in november), plaats (in en rond Wakota) en handeling (het dominospel). Bovendien lijkt het nog mogelijk om verteltijd (de tijd die je nodig hebt om te lezen) en de vertelde tijd (de tijd die zich in het verhaalheden afspeelt) te laten samenvallen, als je ’s zondags ‘s morgens het boek openslaat en het aldoor door lezend in de schemering tot de laatste bladzijde gebracht hebt. Dat is het bekende voor de geoefende lezer: ik hanteer bekende middelen…
Maar waar de traditionele klassieke uiteindelijk held stervend en snevend ten onder gaat, zien we hier niet minder dan zes hoofdpersonen en een positieve boodschap aan het slot: het  nieuwe inzicht …

Frank gaat in zijn roman een driedubbel spel met de lezer aan:
Psychologisch in de tekening van de zes hoofdpersonen op een cruciaal moment in hun leven
Sociaal met zijn dwarsdoorsnede van het eiland Curaçao, zijn mensen en hun ideeënwereld
Politiek met een dubbele boodschap meer van het eiland te houden en het met eigen middelen op te bouwen.
Dat hij dat laatste wil door middel van het maken van wabitafels waarvoor hij het eiland zal moeten kaalkappen, schrijven we dan maar toe aan een dichterlijke visie en vrijheid.
Met zijn fel protest tegen de op het eiland economisch dominerende vreemdelingen in het algemeen en de Nederlandse kolonisators in het bijzonder, past Dubbelspel in de tijdgeest rond de dertigste mei 1969.

Balanceeract met het publiek
Taal en publiek
Wie in het Papiamento schrijft, publiceert voor een eigen publiek. Maar wie in het Nederlands publiceert, krijgt met een dubbelpu­bliek te maken, namelijk de Nederlands­talige (en in merendeel Europese) lezer voor wie het Nederlands eigen is maar de in deze taal beschreven Caribische cultuur min of meer of geheel vreemd én de eigen Caribische lezer die leest over de eigen culturele realiteit in de 'vreemde' Neder­landse taal.

Taal en cultuur
Frank schreef poëzie in het Papiamentu en Nederlands en gebruikt voor zijn proza de Nederlandse taal. Iemand die uitsluitend het werk dat in één taal geschreven is, met uitsluiting van de andere taal, in ogenschouw neemt, krijgt niet meer dan een onvolledig beeld. Frank: twee talen, een persoon, een oeuvre. Dat brengt ons tot een volgend – laatste - punt: de Antilliaanse literatuur is in haar algemeenheid – evenals de Caribische en de Europese – multilinguaal maar desondanks geeft ze uitdrukking aan een gezamenlijke cultuur: de Antilliaanse, de Caribische, de Europese cultuur.

Omslag van de Duitse vertaling
Dobbeltes Spiel

In een studie over het ‘tragische levensgevoel bij Cola Debrot’ onderzocht Frank Martinus de relatie tussen de in het Nederlands schrijvende Debrot en de Spaanstalige Unamuno, die elkaar in het existentialisme ontmoeten – niet een negatief existentialisme maar een existentialisme waarin illucidatie mogelijk blijkt. Ik citeer Debrot via Frank: “Wij moeten wel een duidelijk onderscheid maken tussen de Europese en Antilliaanse existentialisten. De Europeanen leggen het accent op het echec, de Antillianen (…) zijn er zich van bewust dat de mens in een precaire situatie verkeert maar zij beseffen eveneens dat een mogelijkheid van illucidatie steeds aanwezig is. (…) Het tragische levensgevoel bij Unamuno en bij Debrot is dus niet pessimistisch, maar vol hoop en strijdvaardigheid, vol vitaliteit.” (Intimiteiten 91; 99) Aldus Debrot, aldus Frank Martinus Arion, aldus Dubbelspel met zijn positieve einde.

“In het zo schrijven als ik doe zit een strategie; ik hanteer bekende middelen en kom zo rustig bij de burger binnen om hem dan te bombarderen met nieuwe inzichten… ” (HP 29 juni 1974)

Literatuur is vervreemdend en vernieuwend: literatuur vervreemdt van het vertrouwde en maakt vertrouwd met het vreemde. De verrassende conclusie van Frank op dat Debrot symposium van 1986 [De eenheid van het kristal (1988)] was dan ook – sprekend over Debrots tragische levensgevoel en vergelijkend met Unamuno: “Debrot stelde voor de Antilliaanse literatuur in te delen in drie scholen: de Spaanse, de Nederlandse en de Papiamentse. Hoe merkwaardig dat hij die was voorbestemd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nederlandse school beschouwd te worden, moet worden gezien als de grootste vertegenwoordiger van de Spaanse school.”

Ik kom tot een afsluiting
Debrot publiceerde zijn in 1949 geschreven toneelstuk Bokaal aan de lippen in 1951. De door May Henriquez en Jules de Palm gemaakte vertalende bewerking ervan zag het licht in de jaren zeventig onder de titel ‘Kelki na boka’.

In een nabeschouwing constateerde Debrot toen dat de oorspronkelijke tekst een ‘disharmonie toonde van taal en mentaliteit’ en dat de vertaling van May Henriquez ‘in feite de oorspronkelijke tekst bleek te zijn’ (VW 7: 287-288) Ik citeer Debrot: “Het spel was herboren. Het was tot leven gewekt. Het vertoonde een eenheid van taal en mentaliteit. Het had een eigen bestaan verworven.”  Het werd op 30 mei 1975 door Thalia voor het eerst opgevoerd in het goede oude Centro Pro Arte.

Tot slot: Ik ga niet mee met de gedachte van enige mogelijke disharmonie tussen taal en mentaliteit in net Nederlandstalige Dubbelspel maar wens Changá in het Papiaments zeker het tweede deel van Debrots observering – de eenheid van taal en mentaliteit – in de vertaling van Lucille Berry-Haseth toe: met de vertaling van Dubbelspel  - Changá  “a yega kas”!

zaterdag 5 april 2014

Leven en werk van Guillermo Rosario (4 en slot)

Libèrta Rosario
Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 4, het slot van haar uitgewerkte collegetekst.


Nr.16 Guillermo kreeg veel onderscheidingen en prijzen gedurende zijn leven. Hij werd Ridder en daarna Officier in de Orde van Oranje Nassau, kreeg de Literatuur Prijs van het Cultureel Centrum Curaçao, de Sticusa Prijs, de ‘Tapushi di Oro’(Gouden Aar) voor zijn verdiensten van het Papiaments, een bronzen borstbeeld in de Openbare Bibliotheek van Curaçao en de Chapi di Plata (Zilveren Schoffel) de Biënnale Prijs Pierre Lauffer.


Nr. 17 In 1996 ging ik naar Curaçao om mijn vader Guillermo te interviewen. Ik wilde hem beter leren kennen. In het begin moest ik steeds tegen hem zeggen dat ik niet als zijn dochter, maar zijn collega tegenover hem zat. Op den duur ging het beter en mocht ik hem zelfs tutoyeren. Guillermo ging me steeds meer vertellen over zichzelf, zijn zware maar gelukkige jeugd. Dat hij op school al opkwam voor de zwakkeren en tegen onrecht. Zijn moeder had een keer tegen hem gezegd dat hij het net als zijn vader steeds opnam voor anderen en er uitendelijk vaak alleen voor stond.

Ik had Guillermo beloofd dat ik mijn eerste vertaling van E Rais ku no ke muri zou herschrijven. Ik had het boek in 1974 vertaald, maar het is nooit uitgegeven. Blijkbaar was Nederland toen nog niet toe aan een boek over een tot slaaf gemaakte held.
Eind 2012 ben ik weer begonnen met de vertaling van het boek. Ik heb samen met mijn zoon Joeri een stappenplan gemaakt en we hebben 7 maanden aan de vertaling gewerkt. Ik vond het een uitdaging om het boek vorig jaar uit te geven, 150 jaar na de afschaffing van de slavernij en 10 jaar na het overlijden van mijn vader Guillermo. 
 

Nr. 18  Het Feest is afgelopen. Afscheid van Guillermo E. Rosario in de kerk van Sta. Famia op 31 juli 2003.Guillermo overleed op 26 juli 2003, de Nationale Dag van Curaçao, het eiland waar hij veel van hield.
 Op de vraag wie Guillermo Rosario was kan ik antwoorden dat hij een veelzijdig persoon was.

Hij was voetballer, schrijver, dichter, verhalenverteller, toneelschrijver, aannemer, politicus, uitvinder, leider, liefhebber van het Papiaments, en bovenal een ‘Yu di Kòrsou’, een Curaςaoënaar.Hij was altijd op zoek naar uitdagingen, nieuwe inspirerende mensen, gelijkgestemden, meer erkenning en begrip voor wat hij deed. Hij was een pionier op vele terreinen, werd daardoor vaak verkeerd en soms niet begrepen, een sociaal bewogen man met een scherpe pen, een grote mond en een klein hartje. Ik ben blij en dankbaar dat ik hem als vader en voorbeeld mocht hebben.




Nr. 19 Het gedicht Papiaments.


Papiamentu

M’a tambe
Bo ta manera nos rank’i anglo
Ku pa kuantu nan trap’é
Ranka su yerbanan
Marchitá su flornan
I asta distruí su rais
E ta bolbe lanta kabes
I ku kada yobida
E ta krese
Ku mas forsa
I mas bunitesa ku antes!


[Saká for di Mi Negrita Papiamentu di Guillermo E. Rosario]


Papiaments

Maar je bent ook als
De rank van de anglo
Die hoe vaak ze ook op haar trappen
Haar bladeren weghalen
Haar bloemen vertrappen
En zelfs haar wortel vernielen
Toch schiet ze weer omhoog
En na elke regenbui
Zal ze met meer kracht
En meer schoonheid groeien
Dan voorheen.  


[Uit Mijn negerinnetje Papiamentu van  Guillermo E. Rosario ]

[Klik hier voor deel 1deel 2 en deel 3]

woensdag 2 april 2014

Leven en werk van Guillermo Rosario (3)

Libèrta Rosario.
Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 3 van haar uitgewerkte collegetekst.





Nr. 12  Guillermo heeft veel geschreven over de opstand van 30 mei 1969. Hij heeft zelfs een nummer van zijn tijdschrift Opinyon daaraan gewijd.
In de jaren zestig was het slecht gesteld met de economie op Curaςao. De prijzen stegen, maar de lonen niet. Hierdoor nam de koopkracht van de bevolking af. Het zware en vuile werk werd voornamelijk door de zwarte bevolking gedaan, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Veel blanken woonden in afgesloten luxe woonoorden, waar de zwarte bevolking amper mocht komen. Het Papiaments was verboden in de Statenraad. Er waren amper zwarten in de politiek.


Een langdurig arbeidersconflict tussen de directie van Wescar, die verantwoordelijk was voor de ontwikkeling van de CAO’s, en de Curaςaose Federatie van Werknemers, escaleerde en leidde tot een staking van veel Shell-arbeiders. In de nacht van 29 mei op 30 mei kwamen ongeveer 4000 arbeiders  samen onder leiding van onder andere Wilson ‘Papa’ Godett, Amador Nita en Stanley Brown. Om druk op de Staten uit te oefenen, vertrok de stoet richting Fort Amsterdam. Onderweg begonnen de arbeiders te plunderen en sloten meer mensen zich bij hen aan. Vanaf dat moment was de staking geen arbeidersconflict meer, maar een volksopstand die de politie niet meer in staat was in goede banen te leiden. Toen Wilson ‘Papa’ Godett, leider van de havenarbeiders,  zwaar gewond raakte en twee betogers door politiekogels werden gedood, sloeg de vlam in de pan. Willemstad stond in brand. Er werden op verzoek van het kabinet van gouverneur Nicolaas ‘Cola’ Debrot Nederlandse mariniers ingezet die alles na 24 uur onder controle kregen. Er vielen tientallen gewonden.

Naar aanleiding van de opstand richtten Wilson ‘Papa’ Godett, Amador Nita en Stanley Brown de politieke partij Frente Obrero Liberashon 30 di Mei op. Guillermo is ook lid geweest van die partij. Volgens hem is die opstand erg belangrijk geweest: er vond een mentaliteitsverandering plaats. Vóór 30 mei 1969 waren de beste banen in handen van de blanken, bijna alle hoofden van dienst waren blank en protestant. Daarna zag je overal gekleurde mensen. De wijken, waar vroeger alleen blanken woonden, werden steeds meer bewoond door gekleurde Curaçaoënaars.  

Dat was anders in de tijd dat Guillermo samen met anderen in 1944 de Democratische Partij (DP) had opgericht. De leiding was toen blank. In die periode begon Guillermo serieus te schrijven, voornamelijk in het Papiaments. Eerst voor het partijblad en later ook romans en gedichten. Hij was bezig met zijn roman Pa motibu di mi koló (Door mijn huidskleur) toen hij daarover ruzie kreeg met de DP. Later veranderde hij de titel in E Angel pretu (De zwarte engel).

In de jaren 60 stapte Guillermo uit de DP, die nog erg machtig was. Na de breuk met de DP begon Guillermo met UnPoko. Het was eerst een politiek orgaan en werd daarna een krant. Niemand wilde het drukken. Men was bang voor represailles van de DP. Als je tegen de DP was kon je van alles verwachten, van gevangenisstraf tot werkeloosheid. Guillermo kocht toen een stencilmachine en gaf de krant als stencil uit. Hij onderhield zijn gezin ermee en dertig andere gezinnen leefden van het krantje. Ik kan me herinneren dat wij, de oudste kinderen thuis, elke week moesten helpen met het stencilen, sorteren, nieten en vouwen van de krant. Elke maandag kwam de krant uit in een oplage van 5000 exemplaren. Guillermo verspreidde de krant zelf over het eiland.

Later stopte Guillermo met UnPoko om bij de overheid te gaan werken. Dezelfde overheid die hem jaren had tegengewerkt en twee keer onterecht in de gevangenis had laten belanden. Volgens Guillermo had men hem die baan bij de overheid niet aangeboden om hem tot zwijgen te brengen. Hij heeft 16 jaar in het casino gewerkt, eerst als controleur en daarna als hoofcontroleur van alle casino’s.



Nr13 Respect was een woord dat erg belangrijk was voor Guillermo. Hij was altijd bereid dat te geven, maar wilde dat ook van een ander krijgen. Hij dwong met zijn verschijning veel respect af. Ook wist hij jongeren uit de buurt enthousiast te maken voor zijn projecten. Hij was een soort buurtvader en werd door veel jongeren ook ‘tata’ genoemd. Hij gaf een keer samen met een buurjongen uitleg van zijn spel ‘Ninichibol’ (Knikkerspel) aan de toenmalige gouverneur Ben Leito.


Nr 14 Guillermo was lid van veel commissies en verenigingen zoals van de Commissie Spelling van het Papiaments, mede-schrijver en voorzitter Commissie Vlag van Curaçao, voorzitter Vereniging van Curaçaose Schrijvers, lid van de Stuurgroep ‘Nieuw Beleid’ Eilandgebied Curaçao, vice-voorzitter Comité Herdenking 30 mei 1969.



Nr 15 In 1943 schreef Guillermo zijn eerste roman Un drama den hanchi Punda (Een drama in een steeg in Punda). Hij kwam in conflict met de kerk omdat de twee hoofdpersonen in het boek, een broer en een zus, verliefd waren op elkaar. In 1963 schreef hij E Rosa di mas bunita (De mooiste roos) ter ere van de afschaffing van 100 jaar slavernij (vertaald in het Engels als The most precious rose). Hij droeg het gedicht op aan Tula. Andere titels van zijn boeken zijn : De arbeider uit Klip, Vier Azen, En God heeft jouw kleur, Mijn negerin Papiaments, Liefde en Opoffering (vertaald in het Engels als Sacrifice and Love), Macho, Avonturen van Geinchi, Ik houd van Curaçao.


Guillermo schreef ook toneelstukken: Waarde van een cent, Dit is mijn moeder, Wat een ‘Yaya’(Voedster), De straatveger.  De onlangs overleden ontwerper Oscar Ravelo heeft de meeste omslagtekeningen gemaakt van de boeken van Guillermo. 













[Klik hier voor deel 1 en deel 2 en deel 4]

dinsdag 1 april 2014

Papiaments: ‘Blijven ontwikkelen en inzetten als onderwijstaal’

Een kop uit de Extra van 5 september 2007: VPCO verbiedt Papiamentu op de scholen

Dat schrijft Jamila Baaziz van het Caribisch Netwerk. Zij sprak onder meer met een van de aanwezigen tijdens het symposium, georganiseerd door Splika en de Sectie Papiaments van Levende Talen. Hoofdvraag van het symposium: “Wat is nu de positie van het Papiaments in Nederland en in Europa?” De taal is een van de vier erkende talen in het Koninkrijk, samen met Nederlands, Fries en Engels. Het Fries is echter beschermd via het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. Een dergelijke bescherming is voor het Papiaments nog niet tot stand gekomen. Om deze stap te maken kan Splika wel de kennis gebruiken van de voorvechters van het Fries.

Een andere stap naar Europese erkenning, ligt volgens rechtshistoricus Bastiaan van der Velden, spreker tijdens het symposium, in de verankering van Papiaments in wetgeving. De taal is volgens hem nog niet voldoende juridisch vastgelegd in lokale en nationale wetgeving. Dat bescherming nodig is, zo blijkt tijdens het symposium, is duidelijk te zien op Bonaire. Dat zegt Gerladine Dammers van Akademia Papiamentu uit Bonaire, een van de hoofdsprekers van het congres. Sinds de inlijving van het eiland bij Nederland als bijzondere gemeente op 10-10-10, gaat het steeds minder goed met het Papiaments. Volgens Dammers wordt Nederlands in het dagelijks leven en op scholen belangrijker, waardoor Papiaments in de verdrukking komt. “Ook een gebrek aan voldoende leermiddelen, Nederlandse onderwijsinspecteurs die het Papiamentstalige onderwijs niet kunnen beoordelen en geld om lesmateriaal verder te ontwikkelen speelt hierbij een rol”, aldus Dammers.

Splika zet zich onder meer in voor de Antilliaanse cultuur, de officiële erkenning van het Papiaments en het gebruik van deze taal als instructietaal in het onderwijs. De stichting is sinds kort ook lid van het Europese Bureau voor Kleine Talen.

[uit Amigoe, 31 maart 2014]


Leven en werk van Guillermo Rosario (2)

Libèrta Rosario in het PC Hoofthuis (Faculteit
 Geesteswetenschappen van de UvA).
Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 2 van haar uitgewerkte collegetekst.






Nr. 6  Een gemengd korfbalteam bestaande uit mijn ouders, Hilda, de zus van mijn moeder, Rosa, de zus van mijn vader en Vicente, hun oudste broer. Officieel was een gemengd sportteam niet toegestaan door de katholieke kerk.



Nr. 7  Door de sport gingen er steeds meer deuren open voor mijn vader. Zo reisde hij als official samen met twee andere officials, de heer Mordy S. Maduro, de toenmalige vice-voorzitter van de FIFA en de heer Odulio Willems van de NAVU (Nederlands Antilliaanse Voetbal Unie), naar het WK Voetbal in Stockholm in 1958.


Nr. 8  Mijn vader, die ook een goede atleet was, organiseerde samen met andere sportjournalisten de Vacantie Sport Olympiade voor de Schooljeugd tussen 10 en 15 jaar in 1956. De Olympiade kende verschillende sporten zoals atletiek, voetbal, volleybal, basketbal, tennis en zwemmen, en werd een groot succes.


Nr. 9 Mijn vader Guillermo en mijn moeder Elsa.
Guillermo hield van schrijven, lezen, sporten en ook van vrouwen. Hij hield van ons, zijn 20 kinderen en van zijn echtgenote Elsa, zijn steun en toeverlaat. Zij was de rust zelve, een lieve en zorgzame moeder die een groot gedeelte van haar leven heeft gewijd aan haar 11 kinderen en haar echtgenoot Guillermo. Helaas is ze te vroeg gestorven en heeft ze niet echt kunnen genieten van haar vrijheid toen wij allemaal het huis uit waren.


Nr. 10 Guillermo, die erg creatief was, heeft een familielogo bedacht dat is ontworpen door Oscar Ravelo. Het bestaat uit 20 rozen en een chuchubi (spotlijster) middenin. Iedere roos stelt een kind voor. De grote roos is Guillermo die zichzelf vergelijkt met een chuchubi. In het logo staat ‘Inisiativa nunka abatí Rosario’, Rosario is nooit ontmoedigd geraakt door de initiatieven die hij heeft genomen. Guillermo zou nooit het hoofd buigen en tijden van nood en tegenslag altijd te boven komen. De chuchubi moest net als Guillermo als voorbeeld dienen voor de 20 roosjes.


Nr. 11 In 1969 verscheen bij de Bezige Bij E Rais ku no ke muri (Onsterfelijk), een roman geschreven door Guillermo over de tot slaaf gemaakte Tula. Guillermo had E Rais ku no ke muri geschreven in een tijd dat er sociale onrust heerste op Curaςao, vóór de opstand van 30 mei 1969. In E Rais ku no ke muri, net als in de meeste van zijn boeken, stelde Guillermo de zwarte Curaçaoënaar centraal. Guillermo is de eerste en tot nu toe de enige Afro-Curaςaoënaar die een boek geschreven heeft, misschien heeft durven schrijven? over de slavernij op Curaçao. Ook op dat gebied was hij een pionier, een rebel als je hem zo zou willen noemen.
Net als veel andere schrijvers had Guillermo zijn eigen Tula gecreëerd, die in het begin van zijn boek Kato heette. Hij vond dat de tot slaaf gemaakte Tula een speciale plaats moest hebben in het hart van de Curaçaoënaar, meer dan Brion of Bolívar. Tula was voor Guillermo een Curaçaoënaar en symbool voor de vrijheid. Volgens Guillermo behoorde men zich te identificeren met Tula. Het was Guillermo’s idee om een standbeeld voor Tula op Rif te laten plaatsen.

Elk jaar verzon Guillermo een toepasselijk thema voor zijn kerstkaarten. In 1969 ontwiep Oscar Ravelo het omslag van Guillermo’s kerstkaarten naar voorbeeld van het omslag van E Rais ku no ke muri. Hier stond Guillermo (Tula?) zelf centraal.


[Klik hier voor deel 1 en hier voor vervolg deel 3]

De toekomst van het Papiaments

Curaçao – “Papiaments is een deel van mijn identiteit,” zegt socioloog Johan Oldenboom over het belang van deze taal voor hem. “We moeten er trots op zijn”, stelt hij tegenover Caribisch Netwerk tijdens een symposium over de positie van het Papiaments in Nederland en Europa. Hoe het Papiaments kan overleven is daar een van de centrale vragen.
Johan Oldenboom. Foto © Thijs Tromp

Papiaments
Het gaat goed en slecht met het Papiaments. De positieve kant is dat de taal bij veel mensen in het hart zit en als één van de vier talen van het Koninkrijk ook officieel erkend is. Het negatieve is dat het Papiaments in Europa nog geen erkende minderheidstaal is en de taal op Bonaire zelfs in de verdrukking raakt. En dat terwijl het Papiaments voor veel Antillianen juist de logische basistaal is voor een goede toekomst.

Blijven ontwikkelen
Een van de conclusies van het symposium in Den Haag, georganiseerd door SPLIKA, is daarom dat de taal zich moet blijven ontwikkelen. Het goed beheersen van het Papiaments -de moedertaal voor de meeste mensen uit Bonaire, Curaçao en Aruba – is cruciaal om andere talen en vakken op school te kunnen begrijpen. En dat vergroot de kansen op verdere ontwikkeling en perspectief.

Bonaire
Met het Papiaments op Bonaire gaat het sinds 10-10-’10 echter steeds minder goed, constateert Gerladine Dammers van Akademia Papiamentu uit Bonaire. Dit komt doordat het Nederlands steeds belangrijker wordt op school en ook in het dagelijks leven. Het Papiaments raakt hierdoor een beetje in de verdrukking. Ook een gebrek aan voldoende leermiddelen, Nederlandse onderwijsinspecteurs die het Papiamentstalige onderwijs niet kunnen beoordelen en geld om lesmateriaal verder te ontwikkelen speelt hierbij een rol, aldus Dammers.

Juridisch
De positie van het Papiaments loopt daarnaast gevaar doordat de taal nog niet voldoende juridisch is vastgelegd in lokale en nationale wetgeving. Rechtshistoricus Bastiaan van der Velden raadt daarom aan om het Papiaments steviger te verankeren in wetten. Dat maakt het makkelijker om vervolgens erkend te worden in bijvoorbeeld Europa.

Bonaire. Foto © Zsuzsanna Pusztai


Fries
De stap naar Europa kan vergemakkelijkt worden als organisaties als SPLIKA de kennis gebruiken van de voorvechters van het Fries. Daarom is SPLIKA sinds kort ook lid van het Europees Bureau voor Kleine Talen. De Friezen zijn de Antillianen al voorgegaan in hun strijd om brede erkenning en helpen graag om dit pad voor het Papiaments te vereenvoudigen.

Binnen handbereik
Met een beetje hulp, inzet om juridische stappen te nemen voor wetgeving en in het onderwijs aan te blijven dringen op het belang van het Papiaments, is de stap om extra Europese fondsen te krijgen voor de ontwikkeling van de taal daarom op termijn binnen handbereik. “En dat is belangrijk, want het Papiaments verbindt ons met elkaar, of je nou op een van de eilanden geboren bent of in Nederland”, aldus Oldenboom.


[van versgeperst.com, 29-03-2014]

maandag 31 maart 2014

Leven en werk van Guillermo Rosario (1)

Libèrta Rosario. Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 1 van haar uitgewerkte collegetekst.


door Libèrta Rosario


Goedemiddag allemaal,

Leuk dat jullie gekomen zijn bij dit college over Onsterfelijk, mijn vertaling van het boek E Rais ku no ke muri van mijn vader Guillermo E. Rosario en over de persoon Guillermo Rosario.
Ik zal jullie aan de hand van foto’s en verhalen meenemen op een reis door het leven van mijn vader Guillermo met de vraag: Wie was Guillermo Rosario?



Nr. 1 Het beeld dat ik als klein kind van mijn vader had, was dat van een strenge man, die bijna altijd achter zijn typemachine zat te schrijven en die nooit zomaar gestoord wilde worden. De eetkamer was vaak verboden terrein voor ons, zijn kinderen, wanneer hij thuis was. En als je het toch waagde langs te lopen en hem te storen dan moest je hem in ieder geval met drie woorden aanspreken, bijvoorbeeld ‘bon dia tata’, goedemorgen pappa. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit hoorbaar iets terugzei. Maar het kon ook zijn dat ik zo snel voorbij liep dat ik geen tijd had om daar echt op te letten.



Nr. 2 Naarmate ik ouder werd, vond ik dat mijn vader toegankelijker werd. Hij had zijn territorium toen ook uitgebreid naar de ‘sala’, de zitkamer. Daar ontving hij zijn bezoek en werd hij ook vaak geïnterviewd. Op zulke momenten en als hij aan de telefoon was, leek hij erg ontspannen en hoorde ik hem soms zelfs hard lachen. De gesprekken gingen meestal over een door hem geschreven artikel, sport of politiek.



Nr. 3 In zijn jonge jaren was mijn vader een goede sporter. Toen hij op Aruba als timmerman bij de Lago werkte, was hij in zijn vrije tijd de ster van de voetbalclub RCA, waarvan hij de mede-oprichter was.


 

Nr. 4 Terug op Curaçao, wist hij als speler met verschillende clubs kampioen te worden, zoals met sportclub Ajax.



 Nr. 5 Ook zijn organisatorisch talent kwam toen steeds meer tot uiting. Zo was hij mede-oprichter van de sportclub Ajax Curaçao en van de sportclubs Curaçao Deportivo en Independiente. Bij de laatste club leerde hij mijn moeder Elsa kennen. Ze vormden samen met Luis Daal, in het midden zittend op de foto, links van mijn vader en Rafael, broer van mijn vader, links staande op de foto, het eerste bestuur van Independiente Sporting Club. Mijn moeder was de eerste vrouw in het bestuur.

[Klik voor deel 2]

vrijdag 28 maart 2014

Bencho ta Rebeldia

Bencho ta rebeldia - Olga J. Buckley

Bencho wordt een tiener en gaat zich steeds meer verzetten. Hij vindt dat hij goed doet op school en zodoende moet iedereen hem met rust laten. Desondanks schrikt hij van zichzelf een keer dat hij met vuistslagen op de lessenaar van Meneer Willems slaat. Hoe zal het met Bencho verder gaan. Zal hij een middenweg kunnen vinden en de uitdagingen die hem te wachten staan kunnen aangaan?

Olga Buckley
Olga J. Buckley werkte jarenlang in het onderwijs op Aruba. Daarnaast schrijft zij kinderboeken en ook gedichten. Het eerste boek in de Bencho-serie is in 2006 verschenen met als titel Bencho ta dual. Vlak daarna in 2008 kwam Bencho ta gana un bais uit. Olga heeft twee dichtbundels uitgebracht Curashi (2002) en Sin wak patras (2008). Als dichteres nam zij in 2005 deel aan het literair festival Crusa Lama; het variant van de Nederlandse “Winternachten” op Aruba en Curaçao.

Olga Buckley is een fervente voorstander van het voorlezen aan opgroeiende kinderen. Vandaar dat ze in 2007 het project “Bon Nochi Drumi Dushi” voor het stimuleren van het voorlezen in het leven riep. De Stichting “Bon Nochi Drumi Dushi” geeft aandacht aan het voorlezen aan jonge kinderen door onder andere families thuis te bezoeken om voor te lezen en ouders te informeren over het belang van het voorlezen. De stichting heeft een serie van DVD’s uitgebracht zodat ouders ook zelf aan de slag kunnen.

Papiamento | hardcover | 85 pagina’s | UNOCA | Aruba | 2013

ISBN  978 99904 1 8279




 .

maandag 24 maart 2014

'Een boze neger die zijn eigendommen komt ophalen; dat is emancipatie'

Otrabanda. Foto © ANP

door Meindert Fennema 

Vloekend haalde de Curaçaose kunstenaar Yubi Kirindongo zijn kunstwerk uit het museum in Willemstad, zag Meindert Fennema. 'Zijn kunstwerk had meer ruimte nodig, maar die ruimte werd hem door de curator van de tentoonstelling, Jennifer Smit, niet gegund.'

Het oude militaire hospitaal van Curaçao, gelegen in Otrabanda, is thans een museum. Het souterrain, dat eigenlijk begane grond is, is door een overstroming onbruikbaar geworden. De 'bel-etage' die je met een lange trap bereikt bevat vier zalen, gescheiden door twee brede gangen die elkaar in het midden kruisen.

In één van die zalen hangen een aantal zeer waardevolle schilderijen van Nederlandse schilders: Jan Toorop, Carel Willink, de meester-vervalser Van Meegeren en Isaac Israëls (in het Museo di Korsou gespeld als Isaak Israels). 'Het is een wonder dat ze nog niet gestolen zijn' zegt bestuursvoorzitter Carlos Weeber, in Nederland als architect bekend onder de naam Carel Weeber.

Twee andere zalen staan vol met antiek meubilair, zodanig opgesteld dat het iets van een zolderverkoop heeft. Slechts één zaal bevat schilderijen van Antilliaanse kunstenaars.

Yubi Kirindongo


Heethoofd
Vorige maand werd een speciale tentoonstelling geopend over het thema 150 jaar emancipatie (1863-1913). Die tentoonstelling bevat kunstwerken van hedendaagse Curaçaose kunstenaars, waaronder Felix de Rooy en Yubi Kirindongo. Kirindongo is de bekendste beeldend kunstenaar van Curaçao. Tot 1 juni is hij te zien in het museum Beelden aan Zee, met een overzichtstentoonstelling onder de titel 'Rebel in Art & Soul'. Yubi Kirindongo is het prototype van de Antilliaan die de Tweede Kamer liever niet meer ziet komen. Hij kwam in 1965 als verstekeling op een vrachtschip naar Europa. Bij aankomst werkte hij als ziekenverpleger en als bokser, maar hij kwam in de gevangenis terecht. Daar kwam hij in aanraking met de kunst. De catalogus van Beelden aan Zee zegt het zo: 'Eenzelfde heethoofd, steeds achtervolgd, en toch in staat tot het maken van grootse kunstvoorwerpen.'

De meeste kunstwerken in het Museo di Korsou zijn opgesteld in de gangen van het museum. Twee staan er op de veranda, of liever twee stonden op de veranda. Want Kirindongo heeft zijn kunstwerk daar weggehaald. Het stond zijns inziens teveel ingeklemd. Zijn kunstwerk had meer ruimte nodig, maar die ruimte werd hem door de curator van de tentoonstelling, Jennifer Smit, niet gegund. 
Jennifer Smit
Foto © Michiel van Kempen

'Makamba'
Toevallig was ik in het museum voor een interview toen de Curaçaose kunstenaar, samen met een vriend, zijn kunstwerk kwam ophalen. Vloekend en tierend sleepte hij het gevaarte de trap af. Ik kon niet alles verstaan, want mijn Papiaments laat te wensen over, maar ik hoorde hem wel roepen dat hij de professional was en zij de amateur. Jennifer Smit stond een beetje wit weggetrokken in de deuropening terwijl het piece de résistance van haar tentoonstelling afgebroken werd. Ik hoorde hem 'makamba' roepen en iets over de kut van haar moeder.

Het was een perfecte illustratie van de emancipatie: een boze neger die zijn eigendommen komt ophalen en een huilende blanke vrouw die machteloos toekijkt.

De cameraploeg was helaas net vertrokken.

Meindert Fennema is emeritus hoogleraar en columnist voor Volkskrant.nl. Vorig jaar verscheen zijn eerste roman Het slachthuis.



[van de Volkskrant.nl,  21/03/14]

Commentaar van Felix de Rooy op Facebook:
Jennifer Smit kiko ta pasando ku bosnan. Ku e artikulo aki ku yen remarkenan di rasista den e komentarionan aki. Ta kon por ta tin mandamentu di mama asina aki. Ku yen dje kosnan aki... Nunka no por tin harmonia na kórsou den nada, hasta den Arte e kosnan aki tin di pasa,pa tin brongosamentu di hende su kara. Anto pa e skirbido ku un tintu rasista tin di mustra kon e palabranan racista ta kontrodisi otro Makamba ku neger. E skirbido a haña un bon opotunidat di hasi esei. E skirbido Hulandes Meindert Fennema a pone un bon saus den e stoba aki. Laga e hendenan ku lesa e artikulo aki ku un smaak stinki den nan boka. Abo Jennifer komo makamba i Yubi komo neger. Anto otronan tin di katigora Webeer tambe komo e artitekto ku a wórdu korona komo e artiktekto di mas ma;u ku hulanda a konse. Aiiiii no Laga yiu,ami ta keda hari mi ta kontentu ku mi nómber no a wórdo menshoná den e porkeria aki, hasta Feliz tambe ta wórdu hinka den e asuntu aki, sin ku Felix sa. hahahahahahahahahahahahahahhahahahhahahahahahahahahahahahahahhahahhahahahhahahahhhhhahahahhahahhahahahahahahahhaahahhahahahahahhahahahhahhahahahahaahahhahahahah Felix de Rooy

dinsdag 18 maart 2014

Eerbetoon aan culturele voorgangers: Pater Paul Brenneker en Elis Juliana

door Ieteke ‘Inchi’ Witteveen

Verzamelen, bewaren, documenteren en overdracht van kennis van ouderen, het bestuderen van de geschiedenis en geheugen van onze mensen van binnen uit. Alleen op die manier kan de gedachtenwereld van onze bevolking begrepen worden. 
Paul Brenneker, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 

Dé pioniers voor deze grote culturele taak op Curaçao zijn ongetwijfeld Pater P.H.F. (Paul) Brenneker (1912–1996) en Elis Juliana (1927-2013). In het kader van de viering van Kulturismo 2009 zette de Fundashon National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM). samen met APNA de schijnwerpers op deze grondleggers van cultureel onderzoek en van de nationale collectie cultureel erfgoed. Dat gebeurde via een expositie Altá di Kòrsou, over de voornaamste altaren van Curaçao een publicatie Altá i Santunan di Kòrsou en de onthulling van een naambord op de patio van het gebouw waar NAAM is gevestigd, bekend als de oude leeszaal.

Paul Brenneker, een bevlogen katholieke geestelijke van de Orde van Dominicanen, geboren op 7 mei 1912 in Limburg, liet bij zijn overlijden op 7 februari 1996, een grote culturele erfenis achter: ruim honderd publicaties, prenten, foto’s, gedichten, een grote collectie met geluidopnames van zang en verhalen en duizenden artefacten, die hij samen met zijn vriend Elis Juliana vanaf de jaren vijftig verzamelde op Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Maarten, St. Eustatius en Saba. Door publicaties als Lekete Minawa (1958) Benta - oude liederen- (1959), Curaçaoensia – volkskundige aantekeningen over Curaçao (1961), Brua (1966), en de tien delen Sambumbu (1969 -1975) geeft hij ons toegang tot directe bronnen voor nader onderzoek. Naar de ontwikkeling van Guene bijvoorbeeld als voorloper van het Papiamentu, naar volksreligie en verzet tegen de slavernij. Of voor het opdoen van inspiratie voor artistiek werk, zoals musici als Angel Salsbach, Etzel Provence in de jaren zestig, gevolgd door Ronchi Matthew tot Izaline Calister voor het scheppen van Curaçaose jazz. Brenneker combineerde zijn liefde voor de lokale cultuur met naastenliefde. Dat laatste maakte hij duurzaam via de stichting voor daklozen (Stichting Kas Pa nos Tur) en broodlozen (Stichting Pam Pa mi Ruman). 

Elis Juliana, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 


Elis Juliana werd op 8 augustus 1927 in Nieuw Nederland, tussen de Oranjestraat en Penstraat, geboren. Het was de tijd dat Shell migranten uit het hele Caribische gebied naar Curaçao bracht. De radio deed zijn entree, de showbizz en het verenigingsleven vierden hoogtij. Geconfronteerd met de veranderingen van de moderne tijd ging de jonge Juliana op zoek naar de eigen identiteit, die van zichzelf en die van het Curaçaose volk. Hij begon als voordrachtkunstenaar. Al spoedig ontpopte hij zich als een artiest van velerlei kunnen, - dichter, verteller, tekenaar, beeldhouwer, verhalenschrijver - , maar hij begaf zich ook op het pad van onderzoeker naar de eigen cultuur. Wat begon uit nieuwsgierigheid en om inspiratie op te doen voor verhalen en voordrachten, groeide uit tot een passie: het bezoeken van ouderen als bron van informatie en kennis. Daarbij ontmoette hij Paul Brenneker. Door hun verschillende culturele achtergrond, - een Curaçaose volksjongen en een Limburgse priester - , vulden ze elkaar bij dit etnografische veldwerk voortreffelijk aan. Elis Juliana kan bogen op een lijst van ruim 50 publicaties, waaronder zijn eerste dichtbundel Flor di datu, ziin verhalen als Wazo riba ròndu (1967, 1981, 1988), Guia Etnológiko I, II, III en zijn filosofie OPI I, II, III, IV, Organisashon Planifikashon Independensia (1979, 1980, 1983, 1988).

De grote verdienste van het onderzoek van Brenneker en Juliana is dat zij de cultuur van de jaren van voor en tijdens de modernisering in de twintigste eeuw op een systematische wijze hebben gedocumenteerd. Ze verzamelden een onvervangbare schat aan informatie met een rijkdom aan gegevens uit de orale geschiedenis, maar ook vele objecten, als getuigenis van de materiële culturele erfenis. Die objecten variëren van huisgerei, documenten, religieuze objecten tot muziekinstrumenten en kunst. De collectie zelf is in 2001 officieel overgedragen aan de Fundashon NAAM. Een representatief deel daarvan is ten toon gesteld in het Curaçaos Museum en Museo Tula en vanaf 17 september tot 12 februari 2010 in de expositie Altá di Kòrsou, bij NAAM.

Wat nog onvoldoende aandacht heeft gehad is de unieke verzameling van 1400 liederen, muziek en verhalen die Brenneker en Elis Juliana in de jaren vijftig, zes jaren lang op eigen kracht en met heel veel inzet hebben verzameld en dat in 1975 is overgedragen aan de Fundashon Zikinza, toen ondergebracht bij het Centraal Historisch Archief aan de Roodeweg. Angel Salsbach, initiatiefnemer en secretaris van Fundashon Zinkinza, memoreerde hun werk bij de opening van het documentatiecentrum Zikinza in 1975 aldus:
Curaçao. Foto © Bea Moedt

“Seis aña largu Elis i Brenneker a kana ku aparatonan primitivo, riba nan mes forsa sin medionan finansiero nesesario i kolektá e herensha kultural di e masa di pueblo Antiano ku tantu a wòrdu kritiká den “El Curaçao que se va”.
E prome kontako tabata ku Iya di Wanota ku e tempu ei, esta mas ku 10 aña pasá, tabatin 80 aña di edat. Mulando su maishi chikitu riba un piedra el a kanta e prome kantika “Zuntan, zuntan zun klintan”. Despues a tumba pa Seru Fortuna i otro luganan na Kòrsou i Boneiru. E kamindanan tabata kamindanan di problema, pasobra ta kon ta kanta un kantika di rema boto, planta maishi, kap palu, koba buraku sintá den un stul di zoya den kas o riba un banki pariba di kas? Hopi biaha un pal’i basora ku a funkshoná komo rema, chapi o piki a sirbi komo yabi pa habri porta di kanto. Pero hopi biaha tambe mester a bai kas i bolbe bèk despues ora machi o pachi su kurpa tin mas grasia.” (uit: na Apertura di Sentro di Dokumentashon Zikinza, Angel Salsbach, 7 di februari 1975)


De serie ‘Het Nationaal Museum vormen we tezamen’ verschijnt ook in Extra en The Daily Herald. Reacties op en suggesties voor bijdragen zijn van harte welkom. U kunt National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM) bereiken op het Johan van Walbeeckplein 13, telefoon (09) 462 1933, fax (09) 462 1936, e-mail: info@naam.an, website www.naam.an

[van de website van NAAM, 19-09-2009]