| De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan in zijn werkkamer. Foto @ Mineke de Vries |
door Mineke de Vries
Het past de Amsterdammers om nooit meer over de Gouden Eeuw
te spreken zonder óók te spreken over het leed en het onrecht van de slavernij.
Dat zijn de woorden van Eberhard van der Laan, burgemeester van Amsterdam,
uitgesproken tijdens de plechtige herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij
op 1 juli 2013. We spraken met hem onder andere over de schijnbare
onverenigbaarheid tussen de twee jubilea die de stad Amsterdam in 2013 vierde -
naast ‘150 jaar afschaffing slavernij’
ook ‘400 jaar grachtengordel’ - en over de verantwoordelijkheid van de stad
Amsterdam en die van hem als burgemeester daarin.
Vanuit zijn kamer in het stadhuis aan de Amstel kijkt hij
rondom door grote glazen wanden zijn stad in. Een letterlijke transparantie die
ook hem past, Eberhard van der Laan, Amsterdammer onder de Amsterdammers. Een
emotionele man, die zich in de lange dagen die hij werkt, vastbijt in de
idealen die hij nastreeft. Die graag praat, maar ook goed luistert. Die wil
leren en ervaren. Een man die geraakt kan worden en vooral iets wil doen met
datgene wat hij hoort.
Ook in de pijnlijke geschiedenis van het slavernijverleden
verdiepte hij zich terdege. “Ondanks dat geschiedenis mijn hobby is, wist ik hier
te weinig van. Op school leerden we er amper over, ja het boek De Negerhut van oom Tom. De
slavernijgeschiedenis zit niet in ons collectieve geheugen, dat moeten we echt
veranderen.” Op de herdenking zelf kijkt hij goed terug. “Het was indrukwekkend
en emotioneel. Waardig en opgewekt tegelijk, dat maakte het tot een zeer bijzondere
dag.”
Excuses of erkenning?
Op de herdenking klonken eenentwintig kanonschoten, net zoals op 1 juli1863 in Paramaribo, waarmee
45.000 slaafgemaakten vrije mensen werden. Van der Laan: “Bijna niet voor te
stellen aantallen. Bijna niet voor te stellen leed.” In de toespraken werden woorden
van spijt en berouw geuit, zo door Lodewijk Asscher namens de regering. Ook Van
der Laan sprak over de schaamte over wat is gebeurd. “We zijn belast met deze
geschiedenis. En wanneer wij samen onze
toekomst willen maken, is het immense leed dat onze voorouders de hunne
aandeden ook onze pijn. Woorden van spijt en berouw horen daarbij.” Van
der Laan realiseert zich dat velen hopen op excuses. “Als ik echter kijk naar
de inhoud van de woorden spijt en berouw voelt het voor mij niet dat excuus daaraan
iets zou toevoegen. Bovendien, hebben we onze excuses al niet aangeboden als we
spreken van spijt?” Tevens voelt hij een aarzeling excuses te maken door latere
generaties. “Is het niet erg gemakkelijk excuus te maken voor iets wat anderen deden?
Hoe waardevol is dat? Tot slot moeten we eerlijk genoeg zijn om te kijken naar
de juridische consequenties, waarbij het uiten van excuses mogelijk een basis
zou scheppen voor herstelbetalingen. En daaraan moeten we mijns inziens niet
beginnen.”
Op de herdenking klonken eenentwintig kanonschoten, net zoals op 1 juli
Voor Van der Laan is het belangrijkste dat we als nazaten
van de plantage-eigenaren het leed dat is aangedaan volledig erkennen. “Dat is
genoeg, dat is namelijk waarmee je verder komt. Niet met het indienen van
claims, want daarmee kijk je paradoxaal genoeg juist de verkeerde kant op. Zo
continueer je de ongelijkheid. En die is voorbij. Maar de pijn erkennen is wel
degelijk nodig om mensen nu en in de toekomst goed te kunnen laten samenleven.”
![]() |
| Gevelsteen op het fronton van een huis aan het Amsterdamse Rokin. Foto Museum Geelvinck |
De neus op de feiten
Aan de grachtengordel, de trots van Amsterdam - die zelfs op de werelderfgoedlijst staat - vinden we de huizen van voormalige bewindhebbers van de West Indische Compagnie en de directeuren van de Sociëteit van Suriname, die zorg droeg voor het bestuur van Suriname én de aanvoer van slaven. Een concentratie van deze huizen ligt in de Gouden Bocht van de Herengracht. Bij één van die huizen op Herengracht 502, de ambtswoning van de burgemeester uit 1672 werd in 2004 een gedenksteen geplaatst.
Aan de grachtengordel, de trots van Amsterdam - die zelfs op de werelderfgoedlijst staat - vinden we de huizen van voormalige bewindhebbers van de West Indische Compagnie en de directeuren van de Sociëteit van Suriname, die zorg droeg voor het bestuur van Suriname én de aanvoer van slaven. Een concentratie van deze huizen ligt in de Gouden Bocht van de Herengracht. Bij één van die huizen op Herengracht 502, de ambtswoning van de burgemeester uit 1672 werd in 2004 een gedenksteen geplaatst.
Dit jaar viert Amsterdam feestelijk haar ‘400 jaar grachtengordel’,
naast 150 jaar afschaffing slavernij. Een lastige combinatie zo op het eerste
gezicht. Toch vindt Van der Laan het terecht het gelijktijdig te vieren. “De
verbinding is juist goed. De grachtengordel betekent de kracht van Amsterdam. Wat
in de 18e eeuw Parijs was, in de 19e eeuw Londen, in de
20e eeuw New York, was in de 17e eeuw Amsterdam. Maar
liefst 70 procent van de wereldeconomie in de Gouden Eeuw was gebaseerd
op Amsterdam. De eigenwaarde, het zelfrespect moeten we ook hieraan ophangen.
We mogen trots zijn, maar moeten tegelijkertijd blijven praten over de
keerzijde. De geschiedenis van Amsterdam met haar schitterende vruchten, daar
zitten inderdaad zwarte bladzijden tussen.” Maar zonder de aandacht voor de
fysieke panden kun je geen kennis opdoen over het verleden, we worden
letterlijk met de neus op de feiten gedrukt. “Juist het geïmponeerd raken door
de hoeveelheid fraaie grachtenpanden geeft inzicht.”
Hij ziet het als kans dit jaar bij al zijn toespraken die
andere kant te belichten. “Of ik nu voor een zaal chique mensen sta of een
economische lezing voor achthonderd Amsterdamse ondernemers houd, ik draag mijn
kennis over, wat altijd leidt tot meer begrip.”
Burgemeesters tijdens
slavernij
Het is een bekend gegeven dat regenten het systeem in stand
hielden en burgemeesters meewerkten aan
de slavenhandel. Vanuit zijn rol als burgmeester nu probeert Van der Laan zich
te verplaatsen in die tijd. Vanwege de driehoek van de handel - West Afrika,
Antillen, Surinme, Nederland - was de slavernij in Amsterdam niet zichtbaar. Slechts
de producten (suiker, koffie, tabak) kwamen naar Amsterdam als handelswaar, niet
de slaven. “Men had hierdoor weinig besef van wat er aan de andere kant van de
wereld gebeurde, de mensen hier in Amsterdam zagen de slaafgemaakten nauwelijks.
Mensen toen wisten een fractie van wat wij nu weten. Bovendien moeten we niet
vergeten - zonder te bagatelliseren -
dat hun context anders was, mensen leefden in een bloederiger, hardere wereld
dan wij.” Het is moeilijk ons te verplaatsen in die tijd. “We kunnen naderhand mensen
niet collectief gaan veroordelen. We kennen ze niet. We weten niet wat we zelf
gedaan zouden hebben. Er zijn dramatische psychologische onderzoeken die
aantonen dat we allemaal iets dergelijks in ons hebben als het erop aankomt,
daar wil ik liever niet aan denken.”
Nadenkend kijkt Van der Laan door zijn raam naar het beeld
van Spinoza, die uitkijkt over de Amstel. “Voor mij is Spinoza een wijze leermeester,
maar heb je hem ooit gehoord over de periode van de slavernij? Van iemand die
toch bepaald niet bang was, valt het me eigenlijk tegen dat hij er nooit iets over
heeft gezegd.”
De pijn zit zo diep
Van der Laan voelt zich persoonlijk verantwoordelijk goed om
te gaan met de slavernijgeschiedenis. ‘’Je spreekt mensen, leest erover en pas
dan ervaar je hoe het leed zijn sporen heeft getrokken. Dat werd me pijnlijk
duidelijk toen ik op de Afrikadag in Paradiso na mijn lezing werd aangesproken
door een Keniaanse minister, het prototype van een trotse, zelfverzekerde
vrouw. Ze bedankte me uitbundig, ik had haar dag gemaakt door over slavernij te
praten. Ik was diep geraakt dat zelfs bij zo’n zelfbewuste vrouw de pijn zo
diep zit.”
Zo bleef ook het boekje van Margo Morisson hem bij, waarin een
vader aan het eind van zijn leven zijn zoon inlicht over het feit dat diens
moeder ter vrije beschikking stond aan de plantage-eigenaar. Van der Laan: “Als
dit met je gebeurt, hoe laag wordt dan je zelfbesef, het is een onvoorstelbare
aanslag op je zelfwaarde als je te koop bent, of ter beschikking staat van
iemand. Deze dingen mogen we niet vergeten, ze spelen nog steeds door in de
nazaten van de slaafgemaakten. Als je bijvoorbeeld al leest dat van de mensen
die pesten, de helft zelf is gepest, kun je de lijn doortrekken naar wat deze
gevolgen zijn.”
| Eberhard van der Laan Foto @ Mineke de Vries |
Elkaar aanspreken
Bovendien moeten we niet vergeten dat het ‘pas’ 150 jaar
geleden is, aldus Van der Laan: “Bij
Napoleon zit er maar twee handdrukken tussen. De korte tijd is geen
verontschuldiging om 150 jaar later je verantwoordelijkheid niet te nemen. Als
nazaten van de plantage-eigenaren moeten we ons doodschamen, maar elkaar wel
blijven bejegenen om het goed te beseffen. We dienen mensen die er geen begrip
voor hebben, er principieel op aan te spreken. Amsterdam heeft zich schuldig
gemaakt, maar dankt een deel van zijn rijkdom aan de slavernij. Dat schept de
verplichting dat je je verdiept in het leed om het te begrijpen, temeer daar er
in Amsterdam velen uit de herkomstlanden wonen. Hoe kun je dan zo’n
geschiedenis weglaten? Ik wil me sterk maken om dingen te bedenken om samen te
komen. We moeten er met allen die in deze stad wonen iets moois van maken.”
Het stemt Van der Laan tevreden dat er dit herdenkingsjaar
zoveel aandacht is en dat er zoveel exposities zijn, die naast de
grachtengordel ook de slavernij laten zien. Hieruit blijkt dat het één niet
meer zonder het ander kan. “Zo is er de expositie Swart op de Gracht -
Slavernij en de Grachtengordel en
persoonlijk vind ik de formule
voor de expositie De Gouden eeuw maar nu
met zwarte bladzijde een schitterende vondst; naast elk schilderij hangt
een kanttekening vanuit een ander perspectief. Het is de kunst dingen zo om te buigen
dat ze kunnen inspireren. Je kunt de geschiedenis niet uitpoetsen maar er wel
op terugkijken en ervan leren. Zo zou je ook de beeltenissen op grachtenpanden
die overduidelijk verwijzen naar de tijd van slavernij kunnen ombuigen. Daar
zouden we een kunstenaar bij moeten betrekken om dat te realiseren. Ik wil
daarover nadenken.”
![]() |
| Antilliaanse man. Foto @ Bea Moedt |
Antillen
Zelf was Van der Laan nooit op de Antillen of in Suriname. “Het stond vaak op mijn buitenlandlijst
in de tijd dat ik minster was. Als echte calvinist ben ik echter van mening dat
je elk overheidsdubbeltje moet omdraaien. Ik vroeg me af waarom iedereen daar naartoe
moest en dacht vaak: doe gewoon je werk. Wel kreeg ik in mijn ministerstijd veel
te maken met de Antilliaanse gemeenschap, met name die in Rotterdam. Ik heb me
uitermate veel zorgen gemaakt om de Antilliaanse kinderen die naar Nederland
komen. Nog altijd ben ik van mening dat er echt een goede inburgering dient te
zijn om kansen van deze generatie te verbeteren. Ook als advocaat zag ik veel mensen
uit de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap. Als verzekeringsexpert, onder
andere in de Bijlmer stond ik moeders bij in huurzaken. Ze wilden hun kinderen
geven wat ook anderen hadden, maar konden hun huur niet meer betalen. Ik
begreep ze. Kreeg ook begrip voor het matriarchale aspect in deze
samenlevingen. Wat mij opviel als advocaat was dat je de kerels vrijwel nooit
zag, ik had daar mijn vraagtekens bij, vaak waren ze werkloos. Het is treurig
als kinderen niet de gewoonheid ervaren van ouders die samen voor hen knokken.”
Amsterdam voorbeeld
Als stadsbestuur van Amsterdam willen wij een
verantwoordelijke hoofdstad zijn. We dienen de juiste attitude te hebben, een
voorbeeld te zijn voor hoe we in het leven staan. Het op zoek zijn naar je verantwoordelijkheid
wil ik uitstralen naar onze burgers maar ook naar de rest van Nederland. Als
stad willen we de jaarlijkse herdenking continueren, zij het in bescheidener
mate dan nu en geven we subsidie aan NiNsee, om het behoud van ons
gemeenschappelijk verleden. Ik vind dat ook het rijk dat zou moeten doen. Verder
wil ik ten aanzien van het onderwijs dat kennis over deze geschiedenis wordt
overgebracht. We mogen het één nooit meer los zien van het ander. Onze burgers
zijn enthousiast, dat merken we, er is verbinding en er blijkt veel respect te
zijn voor de gemeente Amsterdam. We zijn op de goede weg. Waar ik kansen zie om
te praten over deze geschiedenis zal ik dat niet nalaten.” Kansen grijpen
betekent voor Van der Laan automatisch dat hij ook de kansen opzoekt.
“Ook staatsrechtelijk gezien moeten we ons er niet ‘van af
maken’ Ik vind dat we ons terdege moeten bedwingen in het te gemakkelijk
roepen: zoek het zelf uit. Het grootste goed dat we kunnen bieden is het leveren
van een bijdrage aan het zelfvertrouwen van elk mens, van een volk als geheel.
Want dat is het meest essentiële voor elk mens. Als er iets is wat we van ons
slavernijverleden hebben geleerd, is het dat. We hebben de verantwoordelijkheid
elkaar daarbij te ondersteunen. Wij als stad steken daarvoor onze nek uit.”




.jpg)





