![]() |
| Joke van Leeuwen. Fioto © ANP |
De ook in Suriname bekende schrijfster Joke van Leeuwen
hield op 24 oktober - kort voordat zij de AKO-literatuurprijs won met haar boek
Feest van het begin - de Albert Verweylezing aan de universiteit Leiden onder
de titel: Voor en na de
vanzelfsprekendheid. Zij deed in die lezing uitspraken die ook voor ons
belangrijk zijn. Als een Vlaming zegt dat iemand ‘merkwaardig’ is, dan moet je
niet boos worden, want dan bedoelt hij ‘opmerkelijk’. Elk land heeft zo zijn eigen
vanzelfsprekendheden, ook elke cultuur, elke religie, elk verhaal, ook elk
kinderverhaal. Kinderen zijn extra gevoelig voor het omdraaien van
vanzelfsprekendheden, dat heeft Joke van Leeuwen goed begrepen, gezien alle
gouden en zilveren Griffels die ze in de loop van haar schrijverschap heeft
verworven. Opvoeders zijn druk bezig jonge kinderen vanzelfsprekendheden bij te
brengen: ‘dat een vork er is om in een stukje boterham te prikken en niet in je
been, dat een sigarettenpeuk niet om op te eten is’. Van Leeuwen vindt dat
kinderen teveel in een keurslijf worden gepropt, ook door de
speelgoedindustrie. Kreeg het kind vroeger gewoon een zak blokken of lego, waar
het zelf mee aan de slag kon, nu zijn de dozen voorgeprogrammeerd met clichés
en o wee, als er een stukje kwijtraakt. Met een brandweermannetje moet je een
brand blussen, het kan absoluut geen baby zijn, of een vader, laat staan een
moeder. En dan blijkt ook nog dat jongetjes horen te vechten en meisjes worden
beziggehouden met roze hartjes en popsterretjes.
![]() |
| ...onaangepaste meisjes... |
Toen ze ongeveer tien jaar was, begon Van Leeuwen te
beseffen ‘hoeveel ideeën er als vanzelfsprekend over meisjes en vrouwen werden
gedebiteerd’. Zij noemt het een ‘dressuur in onvrijheid’. Wie haar kinderboeken
kent, weet dat haar hoofdpersonen vaak onaangepaste meisjes zijn die uitblinken
in niet-vanzelfsprekendheden. In Een huis met zeven kamers zit Piesie op de
tafel, niet op een stoel, ze heeft een rare koffer en spreekt met drie woorden.
Kinderen vinden dat prachtig, zoals ze onconventionele Pippi Langkous
bewonderen. Als Joke het in haar lezing heeft over de kinderboekenschrijver
‘die zich voorover buigt, lessen wil leren, het allemaal beter weet, of de
lezers volgens verwachtingen wil binnenloodsen in een kleine, herkenbare
wereld’ dan denk ik aan veel Surinaamse kinderboeken waarin kinderen braaf
moeten zijn en gestraft worden als ze dat niet zijn. Als we alleen maar uitgaan
van wat wij vanzelfsprekend vinden, dan kweken we kinderen op tot angstige
volwassenen die alleen maar naäpen wat anderen zonder gevaar hebben voorgedaan.
Van Leeuwen somt dan in haar lezing een aantal
tegenstellingen op en noemt daarbij boeken die niet uitgaan van het
vanzelfsprekende en waarin gespeeld wordt met vaste verhoudingen: groot-klein (Alice
in Wonderland), ervaren-onervaren, weten-niet weten,
afhankelijk-onafhankelijk, belangrijk-onbelangrijk. Steeds worden rollen
omgedraaid.
![]() |
| Albert Verwey |
Kinderboeken moeten niet kinderachtig zijn maar kinderlijk,
de schrijver moet weer worden als een kind. Er moet geen kloof zijn tussen
volwassenen en kinderen, maar een brug. Ze moeten om hetzelfde kunnen huilen en
lachen. De vader van Joke van Leeuwen, de bekende theoloog Gerrit van Leeuwen,
schreef begin tachtiger jaren een paar artikelen over naïviteit die ik nooit
ben vergeten en ik zie in de lezing van dochter Joke dezelfde inspiratie. Naïviteit
heeft een negatieve klank: ‘Doe niet zo naïef!’ Maar het woord betekent ook:
openhartig, ongekunsteld, ongedwongen, onbevangen, eenvoudig, puur. En dat zijn
eigenschappen die elke kinderboekenschrijver zou moeten bezitten. ‘Dichter is
hij die op iedere leeftijd weer kind kan zijn’, citeert Van Leeuwen ten slotte de
geleerde en schrijver Albert Verwey (1865-1937), naar wie de jaarlijkse lezing
werd genoemd.
* De lezing is hier na te lezen.















