Posts tonen met het label Ramdharie Stieven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ramdharie Stieven. Alle posts tonen

vrijdag 7 mei 2010

Michaël Slory: 'Ik heb alle moed verloren'

Interview door Stieven Ramdharie

Veertig jaar terug liet Michaël Slory (74) zijn leven in Nederland achter zich om Suriname te helpen opbouwen. Het werd een deceptie. Een van Surinames grootste dichters is nu een gebroken man.

Het gemis van een vrouw in zijn nabijheid, de liefde proeven en lief en leed delen, ervaart de verpauperde dichter als een van zijn grootste decepties. Zo niet de grootste. Op het erf van zijn babyblauw gekleurde houten huis in Paramaribo klinkt berusting in de stem van de 74-jarige Michaël Arnoldus Slory.
Bekroond, maar nooit een dame aan zijn zijde gehad. Geprezen, maar nooit iemand om het mee te delen. ‘Zoveel succes heb ik geboekt’, constateert Suriname’s dichter des vaderlands, ‘en toch heb ik geen vrouw. Meneer, zelfs vuilnismannen in Nederland hebben een vrouw!’
Hij pauzeert even, poetst snel een steen schoon zodat zijn gast kan gaan zitten. ‘Sorry voor de bende hoor’, excuseert de dichter zich, wijzend op de stapels oude kranten van dik tien, twintig jaar terug in een kamer. ‘Ik zou net gaan dweilen.’

Literair grootmeester Michaël Slory, dit jaar precies 40 jaar terug in Suriname na in Nederland jarenlang in kringen te hebben verkeerd van Harry Mulisch en Karel Appel, wilde in 1970 gewoon een Surinaamse vrouw. Geen Haïtiaanse die in Suriname was komen aanwaaien. Ook geen Guyanese. Maar gewoon een Surinaamse. Na al die jaren de schoonheid van de zwarte vrouw te hebben geprezen in zijn werk, werd het tijd ook.
Slory: ‘Maar in dit land kijken ze zo naar uiterlijkheden. Of je een auto hebt. Hoeveel je verdient. Toen ik leraar was, probeerde ik een vrouw het hof te maken. Maar die dame wilde liever een arbeider van de bauxietmijn omdat hij drie keer meer verdiende.
‘Als neger in Holland zou ik al lang een blanke vrouw hebben gehad. Al in 1995, toen ik de mentaliteit van de Surinamers ontdekte, had ik terug moeten gaan naar Nederland. Maar ik ben hier blijven hangen.’

Zijn Republiek Suriname, waarvan de nationalist Slory in 1975 zo’n grote en trotse voorstander was, bestaat dit jaar precies 35 jaar. Het is een land dat deze dagen afkoerst op wellicht de belangrijkste verkiezingen, op 25 mei, in zijn nog prille bestaan. Maar de man die vier decennia terug enthousiast terugkeerde om Suriname te helpen opbouwen, die met zijn politieke poëzie altijd zijn licht liet schijnen over de rumoerige actualiteit in zijn land en die pionierde met zijn werk in de Surinaamse taal, het Sranantongo, is anno 2010 een gebroken man. Berooid vooral. Geen uitgever die zijn ‘moeilijke’ werk, tegenwoordig in het Engels, wil publiceren.

Op straat, of op de markt in Paramaribo waar hij zijn groente koopt, zien ze de winnaar van de Staatsprijs voor Literatuur wel eens voor een zwerver aan. ‘Iemand zei mij gisteren nog dat ik zo bekend was’, zegt Slory, plukkend aan zijn witte baardharen.
‘Bekend? Het helpt me geen moer verder. Ik wou dat ik in het Nederlands had geschreven. Dan had ik er nog iets aan overgehouden. Nu geven ze me een gulden om een biertje te kopen. Het is nogal een somber beeld dat ik schets, hè? Maar dit is mijn leven. Zelfs mijn familie is niet in mij geïnteresseerd. Mijn idealisme is er niet meer. Ik heb alle moed verloren.’
In zijn vertrouwde onderhemd – ‘borstrok’, zoals Surinamers dat noemen – met in zijn ene hand een stapel van zijn vergeelde werken, draagt hij op een namiddag op het erf ‘de Frivole Vrouw’ voor. Op scholen waar hij vanaf de jaren zeventig voordroeg in het Sranantongo, het ‘Negerengels’, wist de jeugd niet wat ze overkwam. Slory: ‘Ze klommen in masten. Ze dachten dat ik een clown was. Het Negerengels was toen niet geaccepteerd. Nu spreekt iedereen het, zelfs de politiek.’

Decennium na decennium hekelde de dichter de patronagepolitiek in zijn land, vandaag de dag nog alom aanwezig. Stem op mij, is het devies van menig Surinaamse politicus, dan zorg ik wel goed voor je. Hij vocht tegen de etnische strijd. Maar ook na 35 jaar onafhankelijkheid is het een constante factor in de Surinaamse politiek. Die kritiek en onafhankelijke geest, zijn ongrijpbaarheid, droegen mede bij aan zijn ondergang, is zijn analyse. Zelfs toen de militairen in 1980 de macht grepen en het Surinaamse nationalisme omarmden, bleef Slory argwanend. Desi Bouterse zag hij nooit zitten, net als talloze politici die de afgelopen 35 jaar beloofden het land op te bouwen, maar uitblonken in corruptie en nepotisme. Op het hindoestaanse radiostation Radika droeg hij toen zijn gedichten voor in het Sranantongo, de taal die in zijn ogen de identiteit van het jonge Suriname moest gaan bepalen. ‘Op straat riepen ze dat ik gedichten voor de militairen moest gaan schrijven. Dobru, een van onze grootste dichters, kwam mij nog halen. Maar ik heb het nooit gedaan.’
Slory houdt Suriname op zijn oude dag nog steeds een spiegel voor. ‘Alles is hier politiek’, benadrukt hij. ‘Omdat ik nooit voor een partij koos, kon ik bijvoorbeeld nooit op tv voordragen. Je moet er voor bedelen. In de militaire tijd, onder Desi Bouterse, droegen figuren voor die nooit iets hadden gepubliceerd. Mensen in dit land zijn rancuneus. Veertig jaar heb ik mij ingezet voor Suriname, voor de Surinaamse taal, maar het werd een ontgoocheling. Als ik lid was van een partij, had ik alles gehad.’

Om de dag pakt de vroegere leraar Spaans de bus en gaat hij de stad in. Om eten te kopen, om zijn gedicht af te leveren bij de krant of om scholen te bezoeken om het Spaans te propageren. Zuchtend: ‘Alle andere leraren Spaans hebben al lang geleden de benen genomen. Of ze zijn dood.’ Hij leeft van zijn lerarenpensioen en van een stukje AOW uit Nederland. ‘Ik leef zuinig.’ Een deel zet hij opzij, voor het geval hij ooit op zijn oude dag in het ziekenhuis belandt. Slory: ‘Als je in het Academisch Ziekenhuis komt als oude man, kun je alvast je doodskist bestellen.’
Nee, bezweert hij, van die 35 jaar onafhankelijkheid heeft hij geen spijt. Hij is eerder teleurgesteld over wat de Surinamers ervan hebben gemaakt. Suriname had zoveel verder kunnen zijn, anno 2010.
Slory: ‘Ik ben teleurgesteld dat zoveel intellectuelen in Nederland toen niet zijn teruggekomen om mee te helpen. Er was na 1975 geen kader om plannen te maken. Suriname ligt nu geïsoleerd in het Caribisch gebied. Op grote conferenties denken ze dat wij bij Hawaii liggen. Ik heb geen spijt, ik wil ook niet klagen. Maar de Surinamer van nu wil vooral een groot huis en een mooie baan. Uiterlijkheden.’



En, ja, steeds weer dat etnische gedoe. Een paar jaar terug, toen de presidentsvraag weer speelde, stelde hij drie vooraanstaande hindoestanen voor die Suriname goed zouden kunnen leiden. Een econoom, verkondigt hij, moet het land opstuwen in de vaart der volkeren. Genoeg scheve gezichten natuurlijk, vooral bij creolen.
Slory: ‘Dan worden ze bang dat een koelie president wordt. Ik ben niet bang voor de hindoestanen, eerder voor mijn eigen mensen. Zoveel heb ik in het Negerengels geschreven en toch ben ik geen neger voor ze. Etniciteit ligt veel dieper bij de creolen dan het lijkt. Als een creool minister wordt, kennen ze je niet meer. Dan denken ze dat ze God zijn. Bij hindoestanen speelt dat niet. Met toenmalig minister Atta Mungra sprak ik gewoon onder een boom.’
Ach, ja, Nederland. Hij werd vaak uitgenodigd, zoals voor Poetry International. Maar Slory ging niet. ‘Wie moet er dan op mijn huis passen? Mulisch behandelde mij toen goed. Weet u, in Nederland fietste ik van Amsterdam naar Rotterdam. Zie je fietspaden in dit land? Ik heb het hier voorgesteld maar niks is ervan terecht gekomen.’

[overgenomen uit de Volkskrant van 30 april 2010]


Foto’s @ Michiel van Kempen

donderdag 9 april 2009

De makste schaapskude van Zuid-Amerika

Verhaal van Stieven Ramdharie in de Volkskrant van 30 maart j.l. onder de kop: ‘Surinaams erfgoed ten prooi aan verval’. Niks nieuws: dat soort artikelen verschijnt periodiek als er weer eens een Nederlandse journalist naar de West wil. Dat verval is er al zo lang als ik weet. Het Zwarte Hof op de hoek van de Zwartenhovenbrugstraat en de Sophie Redmondstraat – ooit een van de statigste panden van Paramaribo – vervalt al minstens dertig jaar, en is een kiek geworden: wat zou er nu weer van zijn ingestort, welke struik steekt daar nu weer uit een raam? Paramaribo werd door de Unesco tot erfgoedmonument bestempeld, maar dat is ook alweer zeven jaar geleden en zeg nou eerlijk: wie ziet daar de glanzende vruchten van? Er moet dus iets actueels aan de hand zijn, en jawel: lerares Mahieda Joemmanbaks is bezig aan een try-out voor een speurtocht die alle zesdeklassers vanaf april door de binnenstad kunnen ondernemen. Wat dat inhoudt, meldt de Volkskrant niet. Een plattegrond? Een hinkelspel? Schrijft juffrouw Joemmanbaks een nieuwe monumentengids? Hoe dan ook, lijkt me een schat van een juffrouw, met een groot hart, en je moet tenslotte bij het kleine beginnen.

Het grote staat volgens mij precies middenin het artikel, en ze moeten daar bij de Volkskrant een superintelligente beeldredacteur hebben, want de sublieme plaat van Guus Dubbeldam drukt precies uit waar het om gaat. Onder de zware schaduw van het beeld van Jopie Pengel zoekt de blik van de juffrouw naar architectonische details, de kin omhoog, alsof het volkslied net heeft geklonken. De gretige leerling die aan een fotoblad sjort, loert intussen van onder zijn voorhoofd naar de boeveningang van het Hof van Justitie. De journalist noteert in het midden van zijn artikel:

‘Wat zijn jullie toch aan het doen?’ vraagt ze verschrikt. De leerlingen noteren elk woord dat ze zegt.

Het Surinaamse onderwijs ten voeten uit: de kinderen opvoeden tot onnozelaars, schapen die namekkeren wat de mefrow of de metter zegt. Niet nadenken, nee: opdreunen, opschrijven, nablaten. De slimmerikken op de eerste banken, wie het zo snel allemaal niet verstaat: eigen schuld dikke bult: achterin! Als je een antwoord op een vraag niet weet, krijg je een mep met een liniaal op je vingers: ‘Weet je ’t nu?’ ‘Ieja, juffrouw.’ In 33½ jaar onafhankelijkheid heeft Suriname het voor elkaar gekregen om datgene wat toch zo langzamerhand een kritische massa van zelfstandig denkende jonge burgers zou moeten zijn, op te voeden tot de makste schaapskudde van het Zuid-Amerikaanse continent (te warm om wol te geven).

Is dat nu allemaal de schuld van de onderwijskrachten? Het traditionele antwoord luidt dan altijd: nee, want ze hebben zo’n laag inkomen dat ze zich in feite al opofferen als ze lesgeven, want tenslotte moeten ze na het lesgeven nog gaan hosselen om wat extra inkomsten te verwerven. Ik zeg: ja, het ligt wel degelijk aan de onderwijskrachten. Als je langs een school in Suriname komt, hoor je twee dingen: of de leerkracht braakt één stroom van woorden over de zwijgende meute uit, of de meute dreunt de van buiten geleerde woorden luidkeels op. Als die onderwijskrachten nu eens even hun kwaak hielden, konden ze even op adem komen, om na te denken of ze misschien niet een intelligente vraag aan hun leerlingen kunnen stellen. Als die leerlingen dan zelf gaan denken, komt het vanzelf wel goed met het erfgoed van Suriname.

Nagekomen mededeling: ik vermoed dat het om deze nieuwe site gaat, heel fraai! http://www.cityofparamaribo.nl/read/home