Posts tonen met het label Enthoven Victor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Enthoven Victor. Alle posts tonen

dinsdag 19 februari 2013

Een slavenschip binnenstebuiten gekeerd


door Victor Enthoven
Aan boord van een slavenschip

Mijn eerste kennismaking met slavenschepen was in 1986 - 1987 tijdens een werkcollege van de Friese Amerikaan Johannes Postma, de schrijver van The Dutch in the Atlantic Slave Trade, 1600-1815 (Cambridge 1990). Ik heb toen geprobeerd om met gebruikmaking van het Rotterdams notarieel archief en het archief van de Middelburgsche Commercie Compagnie in Middelburg te achterhalen of er ten behoeve van de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel specifieke slavenschepen zijn gebouwd. Het is me toen niet gelukt daarop een bevredigend antwoord te geven. Alleen al daarom ben ik blij met deze Amsterdamse dissertatie. De Leusden was een van de laatste schepen van de West-Indische Compagnie (wic) die slaven vervoerden en bovendien het enige schip dat exclusief voor dit doel werd ingezet. Maar of de Leusden ook als specifiek slavenschip is gebouwd, blijft onduidelijk. De directie van de WIC besloot in 1719: ‘tot welke deese equipagie een bequaem schip ingecoct off getimmerd zal werden’ (p.125).

Globaal bestaat het boek uit drie delen: het eerste deel geeft de context en de achtergrond van de trans-Atlantische slavenhandel. Hierin komen onderwerpen aan bod als Nederland en de trans-Atlantische slavenhandel, het slavenschip, en de WIC en het vervoer van Afrikaanse slaven. Deel twee gaat over de Leusden, de tien slavenreizen en de ondergang van het schip. Het derde deel bevat de documentatie van noten en bijlagen. De transcripties van tientallen originele documenten in de bijlagen maken het boek al waardevol.

Het boek gaat over een slavenschip, meer in het bijzonder over het vervoer van slaven in de Leusden van Afrika naar de Nederlandse bezittingen St. Eustatius, Berbice en Suriname. Per reis vervoerde het schip zo’n zes- tot zevenhonderd Afrikanen. Tijdens de tiende en laatste reis verging op 1 januari 1738 de Leusden voor de monding van de Marowijnerivier in Suriname. Van de 716 slaven aan boord overleefden slechts zestien de ramp. Het is niet gelukt per reis een ‘winst/verliesrekening’ op te stellen. Wel omvat de geschiedenis van dit slavenschip voor een belangrijk deel de geschiedenis van de WIC.

Het slavenschip Wildfire, 1860 (daguerrotypie)

Het verhaal van de Leusden begint traag met ruim 120 pagina’s achtergrond. In feite vormt dit deel een uitgebreide samenvatting van de huidige stand van zaken van het onderzoek naar het Nederlandse aandeel in trans-Atlantische slavenhandel, slavenschepen en de WIC als slavenhandelaar. Nuttig, maar een beetje saai voor de ingevoerde lezer en niet vernieuwend genoeg voor een proefschrift. De hoofdschotel vormt deel vier. In ruim zestig pagina’s wordt de geschiedenis van de Leusden verteld. Vanaf het besluit van de directie in 1719 tot en met reis negen. Per reis komen vaste thema’s aan bod, zoals de uitrusting van het schip, de handelsgoederen, de bemanning, de aankoop van de slaven in Afrika en de verkoop van ‘de lading’ in de Nieuwe Wereld. Deel 5 beschrijft de dramatische gebeurtenissen van de ondergang van de Leusden in 1738.

Het boek is in mijn optiek erg sterk, maar aan de andere kant ook uitermate zwak. Het (archief)onderzoek is minutieus uitgevoerd. Ik heb de indruk dat elke snipper papier waarop de Leusden voorkomt, gezien is. Het ontbreken van een vraagstelling, daarentegen, leidt tot onvoldoende analyse van het verzamelde materiaal. In dat opzicht had meer internationale literatuur, ik denk hierbij aan bijvoorbeeld de publicaties van Stephen D. Behrend, tot interessante vragen en analyses over de Nederlandse slavenhandel kunnen leiden. Gelukkig dat het verzamelde materiaal in extenso in de tabellen, noten en bijlagen beschikbaar is, ook digitaal. In dat opzicht is dit proefschrift meer een bronnenpublicatie, waar velen nog dankbaar gebruik van zullen maken.

Leo Balai, Het Slavenschip Leusden; Slavenschepen en de West-Indische Compagnie, 1720-1738. Zutphen: Walburg Pers, 2011. 368 p., isbn 978 90 5730 729 4, prijs € 34,50. [Digitaal beschikbaar op de webpagina van de Universiteit van Amsterdam, URL: http://dare.uva.nl]

[uit Oso 2012.2]



zondag 14 oktober 2012

Boston Brand onzorgvuldig uitgegeven





door Victor Enthoven

Rond het midden van de achttiende eeuwen ontvluchtten jaarlijks ongeveer 250 slaven de Surinaamse plantages. Meer dan de helft van hen keerde na verloop van tijd uit eigen beweging terug, wat niet wegneemt dat elk jaar ongeveer meer dan honderd slaven in de bossen achterbleven. Na verloop van tijd ontstonden er verspreid over de kolonie verschillende Marrongemeenschappen. Ten oosten van de Commewijne, niet ver van de Tempatiekreek, vestigden de Okanisi of Ndyuka zich. In 1757 begon op de houtplantage La Paix de zogenaamde Tempatie-opstand, toen enige honderden Nduyka-marrons de plantage aanvielen. De strijd rond de Temaptiekreek zou tot 1760 duren.

Een van de opstandelingen was Boston Brand, ook wel bekend als Basiton of Boston van Berenburg. Hij was een tot slaafgemaakte Afrikaan die eerst in Jamaica verbleef en waarschijnlijk rond 1749 in Suriname arriveerde waar hij in 1766 stierf. Hij was een van de leiders van de Ndyuka die kon lezen en schrijven. Door zijn correspondentie met het koloniale bestuur in Paramaribo heeft hij mede de vrede in het oosten van Suriname bewerkstelligt. Hij schreef in het Engels, maar zijn brieven werden in het Nederlands vertaald omdat niet alle bestuurders het Engels machtig waren.

Frank Dragtenstein, sinds 2001 als onderzoeker verbonden aan het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam, wil met dit boek de brieven van Boston een plaats geven in de rij getuigenissen van ex-slaven. Centraal hierbij staat het belichten en analyseren van de doorslaggevende rol van Boston in het bereiken en het behouden van de vrede van 1760. Daarbij komen vragen aan de orde over zijn positie binnen de Ndyukagemeenschap, zijn plaats in het beleid van het koloniale bestuur in Paramaribo en zijn rol in het machtspel tussen het gouvernement en de leiders van de marrons.
                 
Het boek valt in twee delen uiteen. Het eerste deel van 180 pagina’s vormt de inleiding en context van de Tempatieopstand en de analyse van de brieven van Boston. In een bijlage van circa veertig bladzijden worden de vertaalde brieven en enkele andere stukken weergegeven.

In zes hoofdstukken wordt het verhaal van Boston Brand verteld en de rol die hij tijdens de opstand heeft gespeeld. De brieven maken duidelijk voor welk dilemma de Marrons stonden: een onzeker bestaan in vrijheid versus een zeker bestaan in slavernij. Boston had in het begin een optimistische kijk op de afloop van het conflict. Daarom maande hij de ‘opperhoofden’ om niet al te veeleisend te zijn in hun vordering van noodzakelijke goederen in ruil voor vrede. Het was voor hem dan ook een teleurstelling toen bleek dat er geen harmonische verhouding met Paramaribo in het verschiet lag. Uiteindelijk werd er vrede gesloten op basis van een ruil van gevluchte slaven tegen goederen. Dragentein concludeert dat de invloed van Boston groot is geweest bij het tot stand brengen van de vrede. In de bijlage zijn 31 brieven opgenomen. Hiervan zijn er ongeveer achttien van de hand van Boston Brand.

Het eindresultaat vind ik vrij matig. Het gebrek aan redactie zorgt dat de boodschap van het boek slecht toegankelijk is. De structuur van de inleiding is onduidelijk en de tekst is niet vlot geschreven. Verder worden sommige brieven die in de bijlage zijn opgenomen, eveneens volledig in de tekst weergegeven. Verder is het jammer dat de auteur het werk van Van den Bouwhuijsen, De Bruin en Horeweg uit 1988 weinig heeft gebruikt. In de bibliografie is dit standaardwerk over de Tempatie-opstand zelfs niet opgenomen. Voor de opgenomen brieven in de bijlage wordt geen verantwoording gegeven, terwijl de brieven zelf niet geannoteerd zijn. Veel lezers zullen bijvoorbeeld niet weten wat een posthouder is. Kortom, dit interessante en relevante onderwerp, want zoveel brieven zijn er niet van ex-slaven overgeleverd, had een veel beter verzorgd boek verdient.

 

Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede; De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763. Amsterdam: NiNsee/Amrit, 2009. 233 p., isbn 978 90 74897 53 2, prijs € 15,00.

[uit Oso 2012.1]



zaterdag 13 oktober 2012

De WIC in kaarten

door Victor Enthoven


De Grote atlas van de West-Indische Compagnie, deel 1 is een publicatie waar superlatieven op zijn plaats zijn. Het boek beslaat de periode van de Eerste of Oude West-Indische Compagnie wic en is samengesteld op basis van authentieke manuscriptkaarten, plattegronden en getekende topografische afbeeldingen over de jaren 1621-1674. Het is een gebonden uitgave op houtvrij 170 grams kunstdrukpapier, met circa 550 kaarten en topografische afbeeldingen, die prachtig zijn gereproduceerd. De tekst is in het Nederlands en het Engels, de pagina’s meten 56 x 40 cm, met stofomslag, in een cassette. Totaalgewicht 12 kg. Hoe recenseer je een dergelijk monumentaal en massief boek? Op je knieën op de grond.

Plantage Cornelis Vriendschap


Het boek is geografisch van opbouw en kent zes delen: 1) De Atlantische Oceaan en de wic, 2) Nieuw-Nederland, 3) het Caribische gebied en de Wilde Kust, 4) Brazilië, 5) West-Afrika en 6) de cartografie van de wic. De meeste aandacht gaat uit naar Nieuw-Nederland (met Nieuw-Amsterdam, het huidige New York, 1624-1664) en Brazilië (1624/1630-1654) waar de helft van het boek betrekking op heeft. Daarnaast biedt dit deel een overzicht in kaart en beeld van de vroege wic-vestigingen op de Antillen, aan de zogenoemde Wilde Kust van de Guyana’s met onder meer het latere Suriname, aan de Goudkust en de Slavenkust in West-Afrika en in Angola. En verder van de diverse Nederlandse verkenningen en vlootacties in het Atlantisch gebied en langs de Pacifische kusten van Zuid- en Midden-Amerika.

Kaart van het Caraibisch gebied uit Ottens atlas


De wic was niet de enige Nederlandse speler in de Atlantische wereld en produceerde niet als enige kaarten − dat deden ook andere Nederlandse ondernemers − en er werd ook kaartmateriaal in het buitenland gemaakt. Dit geeft een probleem bij de selectie: welke kaarten neem je wel op en welke niet? Mijns inziens zouden er drie verschillende uitgangspunten kunnen zijn: 1) kaarten gemaakt in opdracht van of onder auspiciën van de wic (laten we dit wic-kaarten noemen), 2) kaarten van de Nederlandse Atlantische bezittingen (in dit geval zouden dan ook de in het buitenland geproduceerde kaarten moeten worden opgenomen) of 3) in Nederland geproduceerde kaarten van de Atlantische wereld (inclusief de niet-Nederlandse nederzettingen). De samenstellers zijn hier niet uitgekomen.
Zowel de titel als het deel over de cartografie van de wic suggereren dat het uitgangspunt is: kaarten gemaakt in opdracht van of onder auspiciën van de wic van de Nederlandse Atlantische bezittingen, maar dit wordt nergens duidelijk en helder geformuleerd. Veel materiaal uit de zogenaamde atlas van Johannes Vingbooms is opgenomen, terwijl onduidelijk is welke kaarten hij wel voor de wic heeft geproduceerd en welke niet. Daarnaast zijn er kaarten van niet-Nederlandse bezittingen opgenomen, zoals van de monding van de Río de Porcos op de noordwest kust van Cuba of van de eilanden Guadeloupe, Nevis en Montserrat. Aan de andere kant ontbreken de manuscriptkaarten van wic-‘bewinthebber’ Johannes de Laet uit zijn Navigatiën naer West-Indiën; extracten uyt verscheydene schrijvers (z.j.), in bezit van de New York Public Library. Bij een dergelijk kostbaar en ambitieus project had de selectie beter doordacht moeten zijn.

Het is een prachtige uitgave, maar een gemis bij zo’n omvangrijk werk is een index, vooral van persoonsnamen. Wellicht dat deze omissie wordt hersteld in deel 2, over de Tweede of Nieuwe West-Indische Compagnie, 1675-1791, dat in oktober/november 2012 zal verschijnen. Daarin zal ongetwijfeld Suriname een prominente rol spelen. Suriname was echter niet van de wic, maar in bezit van de Sociëteit van Suriname. Hoe zullen de samenstellers zich daaruit redden? Ik kan niet wachten.

Bea Brommer & Henk den Heijer (red.), Grote atlas van de West-Indische Compagnie/ Comprehensive Atlas of the Dutch West India Company, deel 1; De Oude WIC/The Old WIC, 1621-1674. Voorburg: Asia Maior/Atlas Maior, 2011. 416 p., isbn 978 90 74861 33 5, prijs € 350,00.

[uit Oso 2012.1]