
Woord van Ellen Klinkers bij de presentatie van
De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975; Van koloniale tot nationale ordehandhaving, Leiden, 9 december 2011.
Allereerst wil ik graag Jan Wiarda, Cyrille Fijnaut en

Gert Oostindie bedanken omdat zij deze studie mogelijk hebben gemaakt en in mij het vertrouwen hebben gesteld dit boek te schrijven. De advies- en leescommissie bedank ik voor het begeleiden van het onderzoek. Een bijzonder woord van dank gaat ook uit naar de mensen die zo openhartig vertelden over hun ervaringen bij de Surinaamse politie. Zij lieten mij zien hoe het was om te werken onder vaak moeilijke omstandigheden, waar de documenten vooral de bestuurlijke kant van de politiegeschiedenis schetsten. Ik denk met veel plezier aan die gesprekken terug en waardeer enorm de gastvrijheid waarmee ik in Nederland en Suriname door hen ben ontvangen. Veel dank daarvoor!
Hoe kreeg de Surinaamse politie vorm in relatie tot de politieke en sociale ontwikkelingen tussen 1863 en 1975, toen Suriname onafhankelijk werd? De wording van de Surinaamse politie is een gevolg van keuzes die zowel in Suriname als in Nederland werden gemaakt, ingegeven door gebeurtenissen in beide landen of in de regio. Gerelateerd aan het politieoptreden wordt in het boek ook een beeld gegeven van de heersende criminaliteit en de veranderende opvattingen daarover in de loop der jaren. Een overtreding of handeling die in de ene periode was toegestaan of werd getolereerd, kon in een andere worden gecriminaliseerd en aangepakt, zoals bijvoorbeeld het gebruik van opium en ganja in het begin van de twintigste eeuw of Chinese gokspelen in de jaren dertig.
Deze studie begint op 1 juli 1863, de dag dat de slavernij werd afgeschaft en het korps marechaussee opgericht. Dat was, anders dan de naam doet vermoeden, een civiel politiekorps, maar wel bemand met Europese militairen die naar de politiedienst overstapten. Het was een tijd dat de samenleving in snel tempo veranderde en complexer werd door de komst van contractarbeiders uit Azië en West-Indië. Enerzijds baande de afschaffing van de slavernij de weg voor een vrije, moderne samenleving waarin recht en ordehandhaving een nieuwe betekenis kregen. Anderzijds probeerde het koloniale bestuur de traditionele verhoudingen in de Surinaamse samenleving zoveel mogelijk te behouden. De politie ontstond in deze onzekere context van behoud en verandering.
Ruim een halve eeuw later, in de jaren dertig van de twintigste eeuw, brak er opnieuw een periode van onzekerheid aan. De wereldwijd heersende economische crisis bracht armoede en werkloosheid in Suriname, maar ook een politiek bewustzijn en oppositie tegen het koloniale bestuur. Bekritiseerd vanuit het communisme, lag het kolonialisme in Azië al langer onder vuur. De vrees van bestuurders dat communisme en nationalisme ook in Suriname terrein zouden winnen, nam toe. De politie stond in die crisisjaren in dienst van een voor Suriname ongekend repressieve overheid. Het met geweld uiteendrijven van een groep sympathisanten van Anton de Kom in 1933 waarbij twee doden en meerdere gewonden vielen, is de beruchtste politieactie uit die tijd. Maar ook de kritische pers, de vakbonden en signalen van onvrede en een kritisch politiek bewustzijn werden niet geduld en de kop in gedrukt.
De operationele taak van de politie groeide naarmate de legitimiteit van het koloniale gezag werd uitgedaagd en de politieke instabiliteit steeg. Wat dat betreft wordt het heersende beeld in de wetenschappelijke literatuur over de politie bevestigd, waarin het verband wordt gelegd tussen ingrijpende maatschappelijke veranderingen en reorganisaties in de politieorganisatie of intensivering van het politiewerk.
Maar al waren er periodes waarin de aandacht van het koloniale bestuur voor politieorganisatie en optreden verscherpte, tot een krachtige en goed georganiseerde organisatie zou de Surinaamse politie zich in de koloniale tijd nooit ontwikkelen. De koloniale kas beschikte niet over de middelen een efficiënt korps in te richten. Dat was al zo vanaf de oprichting van het korps in de negentiende eeuw, maar na de eeuwwisseling nam de bereidheid van de Nederlandse regering om te investeren in de verlieslijdende kolonie verder af. Het korps zou het tekort aan mankracht, materieel en opleiding gedurende de koloniale tijd nooit te boven komen.
De oorspronkelijke ambitie van koloniaal bestuurders een korps in te richten met Nederlanders met een militaire achtergrond, bleek al snel niet te realiseren. Er waren te weinig militairen die de overstap naar de politie wilden maken en degenen die dat wel deden, bleken lang niet altijd geschikt te zijn. Bovendien werd duidelijk dat deze militairen kennis over de samenleving en de gesproken talen van de bevolking misten, kennis die nodig was om een geschikte politieman te zijn. Na een krampachtige poging Surinaamse en Europese politiemensen te scheiden in twee verschillende korpsen, werd eind negentiende eeuw het korps gewapende politie opgericht. Dat korps zou in snel tempo ‘versurinamiseren’ met in de eerste decennia van de twintigste eeuw vooral Creoolse, maar ook Hindostaanse en enkele Javaanse politiemannen in dienst.

Maar hoewel duidelijk werd dat de politie niet kon functioneren zonder de lokale politieman, waren er tegelijkertijd bestuurders in Nederland en Suriname die twijfelden aan de trouw van diezelfde politieman. Welke kant zou die kiezen in het geval van een opstand tegen het koloniaal bestuur? Die ambigue houding tegenover de politie, was een van de redenen voor het handhaven van de militaire troepenmacht. Regelmatig werd voorgesteld het leger op te heffen en een sterk gemilitariseerde politie ervoor in de plaats te stellen, maar zover zou het nooit komen. Het leger had taken in het grensgebied en in het binnenland zoals in de eerste decennia van de twintigste eeuw toen door de goudkoorts en rubberhausse het staatsgezag zich steeds verder uitbreidde naar dat moeilijk te bewaken binnenland. Maar ook vanwege de twijfels over de stabiliteit en betrouwbaarheid van de politie hield het bestuur vast aan het leger als een loyaal bondgenoot van het koloniale gezag.
Van de politieman werd verwacht dat hij minder hard en meer preventief zou optreden dan de militair. Maar tegelijkertijd leverden militairen ook een bijdrage aan de vorming van politiemannen, vervulden zij politiediensten en traden leger en politie soms gezamenlijk op. Begin twintigste eeuw verklaarde procureur Hofstede Crull dat van het korps gewapende politie in Suriname andere diensten mochten worden verwacht dan van de Nederlandse gemeentepolitie. Het politiekorps had volgens hem ‘een dubbele roeping’ en moest militair zijn georganiseerd om bij ordeverstoring met snelheid en daadkracht te kunnen optreden. Het resultaat was uiteindelijk toch een systeem van ordehandhaving waarin militaire en civiele taken niet altijd strikt gescheiden waren.
De Tweede Wereldoorlog betekende het einde van het traditionele kolonialisme en het begin van nieuwe staatkundige verhoudingen, vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van 1954. Suriname en de Nederlandse Antillen verwierven recht op zelfbestuur. Het binnenlands bestuur, en dus ook de politie, viel vanaf dat jaar rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de Surinaamse regering. De buitenlandse betrekkingen en daarmee ook het leger, dat in Suriname doorging als de Troepenmacht in Suriname – de TRIS − bleven een verantwoordelijkheid van het Koninkrijk, de facto van Nederland.
Het spanningsveld tussen de in het Statuut gemaakte scheiding tussen buitenlands- en binnenlands bestuur, en dus ook tussen de verdediging tegen een buitenlandse vijand en tegen een binnenlandse tegenstander werd zichtbaar toen eind 1968 een grensconflict uitbrak tussen Guyana en Suriname. De problemen ontstonden toen de Guyanese politie Surinaamse arbeiders uit het betwiste gebied verdreven. De regering-Pengel, die op dat moment Suriname bestuurde, was voorstander van een militair antwoord op de Guyanese actie. De Nederlandse regering, die besliste over de inzet van de troepenmacht, weigerde dat, al steunde ze inhoudelijk het Surinaamse standpunt over de grensbepaling. Pengel vond een uitweg uit dat dilemma door een politie-eenheid op te richten, de zogenaamde defensie politie, om het gebied te bewaken en te beschermen. Aanvankelijk dienden mannen van het korps gewapende politie, naderhand vooral vrijwilligers die in dienst waren geweest bij de troepenmacht. En al zou het in de ruim anderhalf jaar dat het conflict zich voortsleepte niet tot een gewapend treffen komen, de aanpak ervan maakte duidelijk hoe lastig het was de staatkundige spelregels in de praktijk toe te passen.
De banden tussen de Surinaamse en de Nederlandse politie verstevigden juist na de instelling van het Statuut. Was er tijdens de koloniale periode in Nederland nauwelijks belangstelling voor de ontwikkeling van een gedegen en gemoderniseerd politieapparaat, na 1954 volgden Nederlandse adviseurs elkaar in snel tempo op. Samenwerkingsverbanden en scholingsmogelijkheden namen toe in het kader van technische samenwerking.
Het is niet verwonderlijk dat het koloniale politiebeleid haar sporen had achtergelaten. Praktisch gezien werd het verwaarloosde politieapparaat geconfronteerd met een tekort aan personeel, gebrekkig materieel, weinig vakkennis en een onduidelijke organisatiestructuur. Waardering voor militaire elementen bleef bestaan. Het korps had behoefte aan kennisvermeerdering om zich organisatorisch en technisch te kunnen ontwikkelen en om evenwicht te brengen in repressieve en preventieve taken. Nieuwe inzichten en samenwerking kwamen het korps ten goede dat moest opereren onder moeilijke omstandigheden en in een politiek verdeelde wereld, zoals duidelijk werd toen in 1973 demonstraties het land wekenlang in zijn greep hielden.
Hulp en samenwerking dienden echter evengoed het Nederlandse belang; bescherming van Nederlandse burgers en buitenlandse industriële belangen – in het bijzonder de bauxietindustrie. Ze compenseerden niet alleen de verloren invloed op het veiligheidsbeleid in de koloniale tijd, maar dienden ook de internationale aanpak van veiligheid die als gevolg van migratie, toegenomen reizigersverkeer tussen beide landen en grensoverschrijdende criminaliteit een nieuwe dimensie zou krijgen.

Deze studie eindigt met het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1975. In ruim een eeuw was Suriname veranderd van een koloniale, op slavernij gebaseerde samenleving tot een onafhankelijke staat. De onafhankelijkheid, de staatkundige scheiding tussen Nederland en Suriname, vormde geen direct breekpunt in de politiegeschiedenis. Die volgde vijf jaar later, toen militairen het hoofdbureau van politie beschoten en de macht grepen. Een nieuw, ongekend moeilijk hoofdstuk van de Surinaamse politiegeschiedenis brak aan.
Ellen Klinkers,
De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975; Van koloniale tot nationale ordehandhaving. Amsterdam: uitgeverij Boom, 2011.