Posts tonen met het label Ombre Ellen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ombre Ellen. Alle posts tonen

zaterdag 12 april 2014

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoelt vind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. Ze gebruikt verschillende stijlen en daarom is het voor mij een reisverslag. Door haar manier van verslag doen, goed gedocumenteerd, krachtig van observatie, en opgesmukt met een veelheid aan ontluisterende details weet Ellen Ombre de lezer veel duidelijk te maken omtrent haarzelf. Ze voert de lezer mee naar een zeereis op een vrachtschip met alleen maar mannen. Als sterke en zelfbewuste vrouw bereikt ze haar bestemming: Benin.
Ombre kent het gebied van een vorige keer. Ze verbleef er enkele maanden tijdens haar bezoek aan een bevriende Nederlandse arts die zich daar tijdelijk samen met haar man had gevestigd. Ombre veegt de vloer aan met tal van even goedbedoelde als mislukte ontwikkelingsprojecten, analyseert de moeizame verhoudingen tussen Afrikanen en westerse hulpverleners, toont de treurigheid van zwarte Amerikanen op zoek naar hun Afrikaanse roots en beschrijft - mede aan de hand van herinneringen aan haar jeugd in Suriname - een deel van haar eigen (familie)geschiedenis.

Voodoo-danser in trance in Quidah, Benin. Foto © Kwekudee


In totaal was Ombre drie maanden weg. Eerst tien dagen op zee. De reis per schip ervoer ze als heel prettig. Ze kon zich langzaam voorbereiden op waar ze heen ging. Bovendien werd ze verzorgd; de maaltijden kreeg ze op tijd en dat voortdurende heen en weer wiegen was voor haar heel behaaglijk. ‘Het is alsof je niet gek bent en toch bent opgenomen in een rusthuis. Ik was de enige passagier op een groot vrachtschip. Daardoor kon ik redelijk anoniem blijven, want de andere mensen aan boord moesten gewoon hun werk doen en dat geeft een enorme afstand, die ik overigens zeer waardeer. Als passagier kun je bijvoorbeeld samen met de officieren eten, maar ik wilde dat niet. Ik vind gezamenlijk eten nogal intiem, het ligt heel dicht bij andere vormen van intimiteit en dat wilde ik vermijden. Die boot bleek volgeladen met allerlei rotzooi. Oude auto's, oude computers tot en met koelkasten die vol zaten met cfk’s. Ik had weleens horen mompelen dat Afrika de chemische dumpplaats van Europa was, maar ik had niet verwacht daar zo direct mee geconfronteerd te worden. Dat ik in Benin en dus aan de Slavenkust terechtkwam, was echt toeval. Als die kennis van mij die ik jaren geleden heb opgezocht niet naar Benin maar naar Kenya was uitgezonden, was ik waarschijnlijk daarheen gegaan’, vertelt Ombre aan verslaggever Marja Vuijsje in april 1996. (http://www.opzij.nl)

Voodoo-markt Abomey, Benin. Foto © Kwekudee

Wat Ombre in eerste instantie bezighield was ontwikkelingssamenwerking. Ze was geboeid door het feit dat er al zolang Nederlandse hulpverleners naar Benin gingen. In een voorlichtingsboekje las zij dat er een directe relatie was tussen die ontwikkelingshulp en het feit dat Benin na de treinkapingen in de jaren zeventig een aantal Molukse nationalisten had opgenomen. Dus wilde zij onderzoeken wat er van die hulp terechtkwam. Maar deze interesse kwam ook vanwege Suriname natuurlijk. Hier maakte ze zelf mee hoe een land van het ene vijfjarenplan naar het volgende tienjarenplan voortsukkelde. Haar bezoek aan Quidah was dus niet zozeer bedoeld de plek te zien waar vandaan misschien ook een aantal van haar voorouders naar Suriname werd gebracht.

Reisverslagen zijn sinds de koloniale expedities en ontdekkingsreizen in de zestiende eeuw onlosmakelijk verbonden met een autobiografische ik-verteller die zich op onbekend terrein begeeft. Deze ik-verteller en hoofdpersoon is heldhaftig en avontuurlijk en de hoofdpersoon krijgt als het ware ‘mannelijke’ eigenschappen. De onbekende oorden waarheen gereisd wordt, worden vaak beschreven als van verlangen in klassiek vrouwelijke termen zoals schoonheid. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben feministische literatuurwetenschappers in Amerika en in Engeland een groot aantal reisteksten met vrouwelijke ik-verteller/reiziger belicht. Vergeten negentiende-eeuwse reisteksten van vrouwen werden herontdekt en uitgegeven. Voor Suriname is bijvoorbeeld belangrijk het reisverslag van Elisabeth van der Woude (1657-1698). In haar Memorije van ’t geen bij mijn tijt is voorgevallen beschreef Elisabeth van der Woude haar reis naar Guyana, de Wilde Kust, in 1676 en 1677. Als 19-jarige verliet zij het vaderland om samen met haar vader, broer, zus en honderden anderen een kolonie te stichten aan de rivier de Oyapoc in het huidige Frans-Guyana. Een expeditie die al snel op een mislukking uitliep. Een half jaar na aankomst keerde Elisabeth alweer terug in haar geboortedorp Nieuwe Niedorp. Haar vader en zus waren overleden, haar broer was achtergebleven in de West. Zelf werd Elisabeth op haar thuisreis enige tijd gevangen gehouden door de beruchte Duinkerkse kaperkapitein Jean Bart. Het opmerkelijke en intrigerende verslag is onderdeel van een kroniek die zeventig jaar beslaat. In een boekje in zakformaat beschreef Elisabeth van der Woude familieaangelegenheden, plaatselijk nieuws, maar ook (inter)nationale gebeurtenissen.

Kim Isolde Muller studeerde af op de Memorije van Elisabeth van der Woude. Haar speurtocht naar de historische context leverde interessante informatie op. Niet alleen Elisabeth en haar familie kregen zo meer gestalte, ook over de reis naar Guyana werd bijzonder materiaal gevonden wat voor Surinaamse literatuurwetenschappers en historici heel belangrijk kan zijn. (http://www.dbnl.org)
Gravure uit Posts Reinhart

Een ander voorbeeld van een bijzonder reisverslag is van Maria Elisabeth Post (1755-1812). Zij schreef onder andere De negerslaaf als goede wilde en Reinhart, of natuur en godsdienst.
Reinhart of natuur en godsdienst (Amsterdam, 1791-92), een roman, is gedeeltelijk een bestrijding van de slavernij, gedeeltelijk echter ook een verdediging van de goede slavenmeester. In het levensverhaal van Violet, de eerste slaaf van haar held Reinhart, treffen wij het klassieke beeld van de goede wilde aan. De roman Reinhart werd geschreven naar aanleiding van het verblijf van haar broer H.H. Post in Guiana. Hij bezat waarschijnlijk een plantage in Demerara. (Zie H.D. Benjamins, ‘Oude verdichte verhalen over Guiana’, in de ‘West-Indische Gids’, jrg. VII (1925/26), pp. 17-30, [en zie potverdrie vooral het proefschrift van Bert Paasman – red. CU].) Reinhart beschrijft met afschuw de slavenhandel en slavernij op de plantage, tijdens een reis in het binnenland geeft hij nauwgezet het leven van de Indianen weer, enigszins geïdealiseerd in de geest van de goede-wilde-traditie. Opvallend is het hoe de woeste, tropische natuur en het landschap, met flora en fauna, tot leven gewekt wordt. Vanuit haar stad Arnhem vertoefde de auteur in haar verbeelding in het moerassige Wildekustgebied, de savannen en de door de rivieren doorsneden oerwouden - haar geheel onbekend.

De verhalen van ontdekkingsreizigers en missionarissen wekten grote beroering onder de Europese geleerden. Daarin werd verhaald van onbeschaafde, heidense wilden, die een veel gelukkiger leven leidden dan de beschaafde, christelijke Europeaan. Men trok in de 18de eeuw de voor de hand liggende conclusie: de beschaving is de bron van alle kwaad, retournons à la nature. Dit bracht grote veranderingen in leven en streven van het 18de-eeuwse Europa. Ook in de literatuur: de belangstelling der schrijvers werd gericht op de primitieve mens in het tropische decor. Eerst vooral op de Indianen. Langzamerhand was het onvermijdelijk, dat ook de neger en dus de negerslaaf deel kreeg aan de Europese mythe van de goede wilde. Een vroeg voorbeeld is de bekende 17de-eeuwse roman van Aphra Behn: Oroonoko, or The royal slave, waarin de held een Surinaamse slaaf is. Het spreekt vanzelf dat men moeilijk in de slavernij kan blijven geloven, wanneer de slaaf als goede wilde (als voorbeeld voor de verdorven Europeaan) beschouwd wordt. Dit verhaal vormt dan ook tevens een kroniek van de vroegste geschriften tegen de slavernij.

maandag 1 juli 2013

Zicht op Fort Elmina

De zwerftocht van een uniek schilderij door de driehoek  Goudkust-Suriname-Nederland




door Ellen Ombre

Het schilderij Zicht op Fort Elmina door Willem Troost hing een tijd bij mij thuis in Paramaribo. Het had de Transatlantische driehoek bereisd.

Cornelis J.M. Nagtglas, de laatste gouverneur van het vroegere wingewest aan de Goudkust, het huidige Ghana, had het bij zijn afscheid in 1871 van de Nederlandse regering cadeau gekregen.
De historica Silvia de Groot verwierf het bijna een eeuw later door bemiddeling van vrienden. Zij kenden de kleindochter van Nagtglas die het schilderij op zolder had staan en het graag afstond aan iemand die meer van Elmina wist.

In 1970 begeleidde De Groot vier ‘Bosnegergranmans’ naar hun gebied van herkomst, de Westkust van Afrika. Ze publiceerde een reisverslag van dit legendarische bezoek met de grootopperhoofden uit het binnenland van Suriname aan  Ghana, Togo, Benin en Nigeria. Daar werden van de zeventiende tot de negentiende eeuw de voorouders van de ‘bosnegervolken’ die door deze Granmans werden bestuurd in slavernij weggevoerd.

Over de hele Goudkust had de West-Indische Compagnie (WIC) in de periode van haar bestaan een tiental forten in handen, uitgestrekt over een kuststreek van zestig mijl. Elmina, in 1637 door Johan Maurits op de Portugezen veroverd en tot 1872 in Nederlandse handen, was ruim tweehonderd jaar de belangrijkste Nederlandse vestiging op de West-Afrikaanse kust. In de kelders van het fort wachtten de slaven, ontmenselijkt, op afvoer.

Surinaamse Granmans in Afrika, groot in zijn eenvoud werd dadelijk na lezing mijn lesmateriaal. Op de Nederlandse landkaart kon ik feilloos reizen van Appelscha naar Zierikzee, dat had ik vroeger in Paramaribo als kind al bij aardrijkskunde geleerd, Elmina lag niet op de route. Laat staan Kumasi, Abomey, of Kano, plaatsen die toen volgens het Europees beeld van ‘Het zwarte continent’ een onderontwikkelde periferie van de beschaafde wereld waren.   
De zorgvuldigheid waarmee De Groot met gegevens in het boek omspringt, haar inlevingsvermogen in een haar vreemde cultuur en de betrokkenheid bij de Granmans en hun gevolg is voorbeeldig. Het verwijt van de Granmans dat hun voorouders destijds met medewerking van de ‘eigen broeders’ tot de vermaledijde slavernij werden veroordeeld en aan de blanken verkocht, maakt de collaboratie van Afrikanen in de Transatlantische mensenhandel in een paar zinnen een schrijnend feit. Dat Afrikanen handelspartners van de WIC waren, wordt in Suriname doorgaans geloochend, alsof het een uitgebreide incestueuze familie van ‘brothers en ‘sisters’ betreft.

Het verbaast me telkens weer dat clubjes die zich sterk maken voor herstelbetaling aan nazaten van slaven het handelsaandeel van de Afrikanen onbesproken laten en zich liever wentelen in sentiment. Zoals op Blakamandei, de Dag der Zwarte beschaving. Die wordt uitbundig gevierd, men paradeert door de straten van Paramaribo in Afrikaanse gewaden die in Accra, Lomé of Cotonou al tot de mottenballen zijn veroordeeld, want wie het zich kan veroorloven wordt daar het liefst in Armani, en anders in H&M gezien.
Ook stadscreolen laten zich verkleed op Blakamandei bewonderen. Een groot deel van hen kroop tot vlak voor de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 liever in de huid van blanke of joodse voorouders om door de lichtkleurige elite te worden binnengehaald. Zwart was toentertijd negatief: Nelson Mandela werd  in Zuid Afrika gecriminaliseerd, Niggers with an attitude in de VS tot het getto veroordeeld, Martin Luther Kings droom was nog niet verwerkelijkt en de koninklijke Beyoncé nog niet verwekt.
Silvia W. de Groot (Foto Buku)

Silvia de Groot overleed op 26 mei 2009. Ik wist dat ze zou sterven, maar werd er toch door overvallen. Een week voor haar dood belde ze zoals ze na mijn noodgedwongen vertrek naar Suriname bijna wekelijks deed. Ik hoorde haar anders beheerste, diepe stem fragmenteren, nam het eerstvolgende vliegtuig naar Amsterdam en was op tijd. ‘Hoe gaat het toch?’ vroeg ze, de ogen gesloten, met ononderbroken belangstelling.

Twee dagen na haar crematie moest ik alweer terug naar Suriname, vergezeld van een drang over haar dood te schrijven, bij herhaling over haar te vertellen en haar zo levend te houden. Ze had mijn belangstelling voor de geschiedenis van West Afrika gewekt en gevoed, was er voor me geweest en op een dag verdween ze voorgoed.
Ze vermaakte me het unieke schilderij, schonk het liever niet aan een museum, bang dat er in een depot vergetelheid wachtte; de geschiedenis van de West werd doorgaans weggemoffeld, vond ze.
De aandacht die het nieuwe Rijksmuseum aan de koloniale periode schenkt, zou haar hebben opgebeurd.
Wat zo’n schilderij al niet losmaakt en aanhaalt.
Ik probeerde het tegen de tropen te beschermen; de hygrometer hield de vochtigheidsgraad bij, de luchtmelker produceerde dagelijks een paar liter water, de airco onderdrukte de hitte binnenskamers. Angst dat de kleurvaste poep van kamrawintje’s het schilderij zou belagen, was gegrond.

Waar in Paramaribo zou Zicht op fort Elmina, dit negentiende-eeuws erfgoed, onder de juiste klimatologische omstandigheden kunnen worden bewaard en getoond? De plaatselijke museumdirecteur had eens te kennen gegeven niet van schilderijen te houden. Nog een zorg: bij de onafhankelijkheid in 1975 werd Suriname door Nederland een kunstwerk van Jacob van Ruysdael geschonken. Het lag een tijd lang in het Paleis aan het Onafhankelijkheidsplein in een hoekje op de grond. Bij wie en onder welke omstandigheden het zich nu bevindt valt niet te achterhalen.

150 jaar geleden, 1 juli 1863, keti koti, werd de slavernij in Suriname  afgeschaft.

Ik heb het doek door Willem Troost naar Amsterdam meegebracht en laten restaureren om gezien te worden: Zicht op fort Elmina, een schaarse herinnering aan de Atlantische driehoeksverhouding.

Vanaf 15 juni is Zicht op fort Elmina te zien op Slavernij verbeeld, de tentoonstelling van Bijzondere Collecties van de UvA, Rokin Amsterdam, naast het Allard Pierson Museum.


[Eerder gepubliceerd in De Groene Amsterdammer, 13 juni 2013; de tekst zal ook verschijnen in het augustusnummer van Parbode.]

zondag 30 juni 2013

Elmina: kasteel of hellekrocht

door Hilde Neus

Het woord kasteel heeft iets romantisch, maar in het geval van Elmina gaat dat niet op. De vesting aan de Goudkust van West-Afrika (nu Ghana) die werd ingenomen door de West-Indische Compagnie (WIC) in 1637 was allerminst een prettig oord. De Nederlanders verzamelden er de slaven die verscheept werden naar de Nieuwe Wereld. Marcel van Engelen, de auteur van Het kasteel van Elmina. In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika, heeft het verhaal van het fort, zijn omgeving en de barbaarse slavenhandel opgetekend. Hij beschrijft naast de bouw en de strijd om het fort, de verschillende geschriften van mensen die over hun verblijf ter plaatse hebben geschreven, de rol van de mensen om fort en dorp heen, ook uitgebreid de rol die de Ashanti speelden in deze mensenhandel en de herkomst van de geroofden. Met het boek wil de auteur aantonen dat de historie niet zo zwart-wit is, maar veel ingewikkelder dan meestal wordt aangenomen.

Toegangsbrug tot het kasteel van Elmina


Het is lastig om bij zijn les te blijven, omdat de schrijver allerlei gegevens door het boek strooit, in niet-chronologische volgorde. Nederland veroverde het fort in 1637 op pagina 21 en Sao Jorge da Mina werd door de Portugezen gebouwd in 1482 op pagina 23. Hij combineert harde feiten met eigen meningen, waardoor de lezer in verwarring raakt. Op pagina 27 verbaast de auteur zich over het feit dat er meer Afrikanen naar de Nederlandse koloniën zijn getransporteerd dan naar de Verenigde Staten.

Er is een uitvoerig onderzoek gedaan naar de bewegingen van de slavenschepen, vastgelegd in ’n uitgebreide, uitstekende en vrij volledige database,
(http://www.slavevoyages.org/tast/assessment/estimates.faces), deze wordt genoemd, maar er worden andere cijfers gebruikt. Daarnaast legt Van Engelen anderen heel wat uitspraken in de mond (‘Oh my god’, zei een blanke Amerikaanse vrouw toen ze weer buiten stond, p. 24), dit is erg storend omdat er verder geen uitleg aan wordt gegeven. Verder komt het woord ‘misschien’ erg vaak voor.

Van Engelen haalt heel wat bronnen boven water, doorbreekt heel wat stereotiepe beelden (de slavenhandel in Afrika ging nog lang door na de afschaffing van de handel in 1808, ook zonder de inbreng van de Europeanen) en bekijkt de geschiedenis van allerlei kanten. Hij prijst zichzelf met het feit dat hij heel wat bronnen heeft blootgelegd en verwerkt in zijn boek. (Terug in Nederland bezocht ik bibliotheken, raadpleegde ik historici en nam ik een duik in de archieven, p. 32). Maar wat is de meerwaarde daarvan als je de bronnen niet duidelijk in voetnoten verwerkt? Kleine moeite lijkt me zo. Een uitgebreide boekenlijst per hoofdstuk is dan leuk en aardig, maar de schrijver verwacht toch niet dat de lezer zelf gaat uitpluizen wat waar staat en wie wat geschreven heeft? Een grove misser mijns inziens, vooral omdat hij zulke interessante egodocumenten heeft gevonden, die ook belangrijk kunnen zijn als bron voor anderen.
In dit jaar van 150 jaar afschaffing van de slavernij zien we een grote productie in Nederland aan werken over dit onderwerp. Dit boek is bedoeld als populair-wetenschappelijke uitgave, voor een groot publiek. De schrijver heeft behoorlijk wat subsidie van diverse instanties ontvangen om het te schrijven. Misschien is zijn opdracht voorin het boek wel tekenend: ‘ter nagedachtenis aan mijn vader’, en niet ‘aan de mensen die zijn weggevoerd uit West-Afrika’. Ik ben een kritische lezer, en ondanks dat de auteur vermeldt dat hij 3 jaar een relatie had met een meisje van Surinaamse afkomst, betrap ik hem hier en daar toch op neerbuigendheid ten opzichte van de Afrikanen. Het boek is bruya, en ondanks alle invalshoeken zweemt het naar eurocentrisme. Misschien iets voor bij het volgende lustrum: een nazaat die over Elmina schrijft?


Gezicht op Elmina. Willlem Troost (1812-1893). Elmina was de poort waardoor veel tot slaaf gemaakte Afrikanen naar de Nieuwe Wereld (en dus ook Suriname) werden vervoerd. Elmina ligt in het huidige Ghana. Toen heette het nog Goudkust, een lang vergeten Nederlandse kolonie.

Dat dit niet a priori vol sentimentaliteit hoeft te zijn, bewijst Ellen Ombre. In een klein artikel in De Groene Amsterdammer van 13 juni 2013 schrijft ze over een schilderij van Willem Troost (1812-1893) met een romantisch zicht op Fort Elmina, dat aan haar werd vermaakt door Silvia de Groot (wetenschapper met veel kennis over de marrons, overleden 2009). Ombre geeft aan hoe het schilderij in haar bezit kwam, maar staat ook zeer kritisch ten opzichte van de toekomst van het kunstwerk: wat is de beste plek? Het verbaast haar dat de bijdrage van de Afrikanen aan de slavenhandel in Suriname vaak wordt verwaarloosd in het discours over slavernij. Zou ze van mening zijn dat Elmina voor haar voorouders een hellekrocht is geweest?

Marcel van Engelen: Het kasteel van Elmina. In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika.  Amsterdam: De Bezige Bij, 2013. ISBN 978 90 234 7704 4


donderdag 21 februari 2013

Liber Amicorum Els Moor


Ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag heeft Els Moor een vriendenboek gekregen. Het werd haar officieel aangeboden op zondag 22 juli van het afgelopen jaar ten huize van Hilde Neus, die samen met Jan Bongers de redactie voerde van het boek. De titel is Uitlandig. In het nawoord zeggen de samenstellers: Ze is van hier, hoewel ze voor sommigen altijd een uitlandige blijft.

Els Moor betekent veel voor de literatuur in Suriname. Het is dan ook een bundel over en met literatuur in 22 nieuwe bijdragen, allen zeer passend in de Surinaamse context. De bijdragen zijn geschreven door Jannus H. Mulder, Lila Gobardhan-Rambocus, Marja Themen-Sliggers, Joop Vernooij, Thea Doelwijt & Marijke van Geest, Ed van den Boogaard, Ismene Krishnadath, Michiel van Kempen, Cynthia Mc Leod, Wim Rutgers, Robertine Romeny, Jerry Egger, Hilde Neus, Cobi Pengel, Jerry Dewnarain, Anne Huits, Guus Rekers, Ellen Ombre, Christine F. Samsom, Anne Marie Uhlenbeck, Marieke Visser en Jabón. Het omslag is van Nicolaas Porter.

 Els Moor was er erg blij mee.

Voor meer informatie over de artikelen en de bundel: Hilde Neus: heneus@sr.net
ISBN 978-99914-7-186-0

Els Moor op het Kinderboekenfestival 2012. Foto © Schrijversvakschool Paramaribo

donderdag 7 juni 2012

Gasbommen, lemmetjes en rijst zetten (4 en slot)

Nut en noodzaak van taalverbastering in de literatuur

door Karin Amatmoekrim

Ellen Ombre

Natuurlijk was Accord niet de eerste die bijdroeg aan de Surinaams-Nederlandse literatuur. Wij slaven van Suriname van Anton de Kom kan gezien worden als een uitgesproken anti-koloniale roman, waarin de schrijver de geschiedenis van zijn volk uit handen van de kolonisator nam en het zich voor het eerst eigen maakte. Een andere herschrijving van de geschiedenis kwam in de vorm van de postkoloniale succesroman van Cynthia McLeod, Hoe duur was de suiker. Emancipatie op taalgebied nam onder meer vorm in het werk van Edgar Cairo, die met zijn taalexperimenten een lans of drie heeft gebroken. Schrijvers als Astrid Roemer, Thea Doelwijt en Ellen Ombre brachten complexiteit aan in wat te gemakkelijk als een tweedimensionale literatuur gezien kon worden; zij sneden thema’s als homoseksualiteit en gekte aan binnen de eigen Surinaamse literatuur.

Meer nog dan zijn collega-auteurs, maakte Clark de Surinamer bewust van het eigene. Anders gezegd; hij gaf als schrijver van het volk, als geen ander ook een stem aan het volk. Dat deed hij, zoals gezegd, door ook te schrijven in het verbasterde Nederlands van het volk. Hij gaf in feite weer wat hij in het leven zag en hoorde. Salman Rushdie noemde de postkoloniale literatuur een vorm van ‘terugschrijven’ aan de oude overheersers, namelijk; het schrijven van een eigen literatuur en geschiedenis, vaak in de taal van de oud kolonisator.

Dit raakt direct aan Clarks strijd om elke uitdrukking, elk woord, ele schijnbaar verkeerd gebruikte werkwoord precies op de plaats te laten staan waar hij hem bedacht had. Het is een vorm van literaire emancipatie met Clark als fakkeldrager van de postkoloniale literatuur in Nederland.

Maar ook op andere manieren is zijn oeuvre doordrenkt van wat het volk aan verhalen had:

Apoera; foto J. Willemsen

Met De koningin van Paramaribo zette hij een personage neer dat ondanks haar exotische leven – een prostituee in het verre Paramaribo – de universele waarden van een mensenleven vorm gaf. In Tussen Apoera en Orelia maakte hij de gewaagde keuze om te schrijven over een Indiaanse liefdesgeschiedenis in het regenwoud – verder van het bed bestaat voor de Westerse lezer bijna niet. Het is een van de weinige romans die zo uitgebreid ingaat op leven en cultuur van de oorspronkelijke bewoners van Suriname, de indianen, die net als de andere bevolkingsgroepen in dat land voor altijd de gevolgen van de kolonisatie zullen voelen.

Op Tussen Apoera en Orelia volgde Bingo!, over een wijdverspreide verslaving onder de Surinaamse gemeenschap in Nederland. Het is de eerste en enige roman van Clark Accord die zich niet in het land van herkomst afspeelt. De migrant als uitgangspunt is, naast het ‘eigen’ taalgebruik en het vertellen van de eigen geschiedenis, een van de belangrijkste eigenschappen van de postkoloniale literatuur.

Toch schuilt Clarks waarde voor de postkoloniale literatuur er niet alleen in dat hij de geschiedenis herschreef vanuit het eigen perspectief, want dat deden er meer vóór hem. Zijn waarde ligt er ook niet alleen in dat hij universeel maakte wat te vaak als exotisch wordt gezien; de gekoloniseerde mens, die ook de westerling aansprak, personages die de ruimte kregen om voorbij stereotypes te bestaan. Nee, volgens mij bestaat het gewicht van zijn werk vooral uit het bereik ervan.
...een criticus... auteur van een vilein stuk...
Foto @ Nicolaas Porter
Kort na zijn overlijden vond een criticus het nodig om een essay* te schrijven waarin de kwaliteit van Clarks werk ondergeschikt werd genoemd aan zijn rol als jongen van het volk, zijn rol als mediageniek personage waarmee de Surinaamse gemeenschap kan pronken. Een nogal vilein stuk, gezien de timing ervan, maar ook een observatie die niet verder dan de oppervlakte reikt. Accord mocht dan een geliefd persoon zijn, die zich sterk verbonden voelde met ‘zijn mensen’, maar er was duidelijk meer aan de hand dan dat hij enkel een mediageniek persoon was, en een slechts matig getalenteerd schrijver.

De discussie over kwaliteit versus populariteit is hier namelijk volkomen irrelevant. Als we kijken naar wat ik voor het gemak even de autochtone Nederlandse literatuur noem, dan is al jaren duidelijk dat deze opgebouwd is uit een klein plukje literatuur, en een overgrote meerderheid van boeken van discutabele kwaliteit, ik noem ter illustratie, neem het me alstublieft niet kwalijk, KLUUN, Saskia Noort, Esther Verhoef – schrijvers wier boeken keer op keer door de mangel gehaald worden en die er desondanks geen exemplaar minder door verkopen. Hoe relevant is de discussie over kwaliteit versus merknaam dan nog, kan je je afvragen. In de postkoloniale literatuur speelt bovendien een extra kernwaarde, eentje waaraan de westerse literatuur geen boodschap meer heeft. Het gaat dan om het verspreiden van een mens- en wereldbeeld dat tegen de gangbare opvattingen ingaat. En om dat beeld te helpen verspreiden is een zekere mate van geliefdheid bij het publiek noodzakelijk.

Volgens eurocentrische opvattingen is model/actrice Iman Abdulmajid uit Somalië een witte vrouw: een Afrikaanse Kaukasische, ondanks haar bruine huid en Afrikaanse origine.

Terwijl de receptieve kant van het literaire veld zich bezig houdt met de kwaliteit van Clarks werk, gemeten naar wat eurocentrische waarden genoemd kunnen worden, strekt zijn betekenis zich veel verder uit. Zijn boeken hebben nagenoeg elke Surinamer, en een fiks aantal Nederlanders daarbij, bereikt. Daardoor is het beeld van de Surinamer, van binnenuit verteld, in alle glorie en al het verdriet, in al zijn menselijkheid en in al zijn authenticiteit, in de eigen taal, inclusief de uitdrukkingen die bij een ander gewijzigd zouden worden, dat hele eigen beeld van de echte Surinamer, verspreid geraakt onder een ongekend aantal mensen. In het ondergraven van wat men doorgaans leest, daar ligt de waarde van Clarks werk.

Hij bood niet alleen een alternatief verhaal, zoals ook de andere schrijvers die ik eerder noemde, deden. Wat vooral ook van belang is, is dat de verhalen die hij vertelde door het succes ervan een vanzelfsprekendheid kregen die de meeste andere postkoloniale boeken helaas moeten ontberen. Een roman met minder succes heeft immers slechts marginaal invloed op het debat. Clark werd al met zijn debuut het literaire veld in getorpedeerd. Door zijn succes kon niemand meer om hem heen. Door zijn succes kon ook niemand meer om zijn personages en om zijn verhalen heen – hoe exotisch of anders ze ook schenen te zijn. Hij eiste luidruchtig een plek op voor de Surinaams-Nederlandse literatuur. Zijn succes was van een omvang die vooralsnog ongekend was voor een Surinaamse auteur. Het was een succes waarvan de gemiddelde Surinamer niet durft te dromen, misschien vanwege dat idee van inferioriteit waarin hij is geboren, en waaraan Anton de Kom ooit treffend refereerde;

‘Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.’

Clarks succes zaagde aan de poten van dat complex. Boek na boek, na boek, beschreef hij dat de Surinamer het recht had om er te zijn. Dat zijn verhalen de moeite van het vertellen waard waren. Dankzij zijn grote publiek, dat inderdaad misschien nog meer van hém hield dan van zijn boeken, wist hij beweging te krijgen in het vastgeroeste beeld van de Surinamer als buitenstaander in de Nederlandse literatuur.

Clark Accord: bombels en babari

Het is misschien nog te vroeg om te zeggen wat zijn plek in de postkoloniale literatuur precies is. Duidelijk is wel al dat hij de weg vrij maakte middels zijn boeken, maar daarnaast ook met zijn eigen publieke verschijning. Hij liet geen kans onbenut om luidruchtig duidelijk te maken, met veel bombarie, met veel djoegoe djoegoe, met bombels en barbari; hier is de Surinaams-Nederlandse  literatuur – in alle kleuren en klanken van dien.

* Noot van de redactie van CU: Michiel van Kempen, 'Over de liefde voor een schrijver als rolmodel; Clark Accord 1961-2011.' In: De Gids, 174 (2011), nr. 5, pp. 555-562.

maandag 30 april 2012

Ellen Ombre


Portret van de Surinaamse schrijfster, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 18 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

donderdag 7 juli 2011

Fusie Arbeiderspers en A.W. Bruna


De uitgeverijen De Arbeiderspers en A.W. Bruna willen gaan fuseren. Dat heeft directeur Lex Jansen van De Arbeiderspers woensdag laten weten. Of de fusie gepaard gaat met ontslagen is niet duidelijk. De centrale ondernemingsraad van WPG zal zich nog over de plannen van de directie moeten uitspreken. Tegelijkertijd verhuist uitgeverij Balans van De Arbeiderspers naar de Bezige Bij, zo liet Jansen weten.

Als reden voor de fusie noemt Jansen 'de enorme ontwikkelingen op de boekenmarkt'. Volgens hem zijn er in jaren niet zulke grote ontwikkelingen geweest als op dit moment en zullen de bedrijven door samen te gaan sterker staan. Jansen spreekt van een 'interne fusie' omdat de bedrijven beide al tot WPG Uitgevers horen.

A.W. Bruna is onder andere uitgever van Stieg Larsson, John Grisham en Carlos Ruiz Zafón, De Arbeiderspers van onder anderen Astrid Roemer en Ellen Ombre.

woensdag 9 maart 2011

Ashanti goudgewichtjes

De Ashanti (of Asante) vormen een etnische groep in het zuiden van Ghana van ongeveer anderhalf miljoen zielen, die een dialect van het Akan, het Twi, spreken. Het grootste deel woont in de gelijknamige regio Ashanti. Het land van de Ashanti behoorde vroeger tot de Goudkust.

Het merendeel van de in de achttiende eeuw naar Suriname overgebrachte slaven kwam uit het Akan-taalgebied, waar de talen Ashanti, Fanti, Nzema, Anyi of Baoule worden gesproken. Resten van de Akan-cultuur zijn nog duidelijk herkenbaar in de godsdienst en cultuur van de Surinaamse creolen en marrongroepen.
.


Ashanti goudgewichtje ibis

Puur stofgoud en goudklompjes waren de enige officiële betaalmiddelen in het land van de Ashanti tot ongeveer 1902, maar werden nog tot 1918 inofficieel gebruikt. Goud was tevens een statussymbool voor de koningen en stamhoofden. Deze lieten sieraden, ceremoniële wapens, zelfs huishoudelijke gebruiksvoorwerpen en taferelen uit het hofleven van goud maken door hun persoonlijke goudsmeden. Mogelijk werden deze verzameld en ter vermaak uitgestald. Vervolgens werd enkele bevoorrechte mensen toegestaan om van deze gouden originele exemplaren kopieën te maken van koper. Dit kan geleid hebben tot het gebruik van kunstvoorwerpen als gewichten.

Tegen deze achtergrond verruimt het Numismatisch Museum van de Centrale Bank van Suriname haar permanente expositie tijdelijk met oorspronkelijke betaalmiddelen en goudgewichtjes, die de Ashanti vroeger gebruikten om goud te wegen. Het museum heeft van mevrouw Ellen Ombre enkele originele voorwerpen in bruikleen die vanaf 2 maart tentoon worden gesteld.


Ashanti goudgewichtje, man


De goudgewichtjes hebben uiteenlopende vormen, van gebruiksvoorwerpen tot mens- en dierfiguren. De betaalmiddelen zijn minstens even divers en zijn afkomstig van verschillende landen en culturen. Populair waren snoeren gemaakt van verschillende soorten kralen, schelpen en brons. Een cruciale rol bij het overbrengen van de Ashanti en hun cultuur naar Suriname moet aan Fort Elmina worden toegeschreven. Dit fort is in 1482 gebouwd aan de vroegere Goudkust, het huidige Ghana. Het fungeerde als belangrijke tussenstop in de slavenhandel. Een artistieke creatie van Fort Elmina is eveneens te bezichtigen tijdens de expositie.

Numismatisch Museum
Centrale Bank van Suriname
Mr. F.H.R. Lim A Postraat 7
Tel. 520016 of 473741 tst. 577
Fax. 476444
E-mail: numismatischmuseum@cbvs.sr
Geopend op werkdagen van 08.00 - 14.00 uur
Toegang gratis

[uit de Ware Tijd, 07/03/2011]

zondag 27 februari 2011

Wat lezen we voor op 4 maart?

4 maart: Nationale Voorlees- en Verteldag. De redactie en kinderredactie van de Ware Tijd Literair stelden een vraag aan 10 mensen die met taal of onderwijs, of met doelgroepen voor voorlezen te maken hebben: aan wie zou u willen voorlezen op 4 maart en uit welk boek?

Helen Chang, voorzitter van de Nederlandse Taalunie in Suriname, wil op 4 maart voorlezen aan alle Surinaamse schrijvers en wel uit het zeer toepasselijke boek Leven om het te vertellen (2003), de autobiografie van de Latijns-Amerikaanse schrijver Gabriel García Márquez (1928), waarin hij een deel van zijn levensgeschiedenis geeft, maar ook de ontstaansgeschiedenis van zijn werken.

Yvonne Caprino, directeur van de Stichting Projekten Christelijk Onderwijs Suriname (PCOS), wil voorlezen aan bejaarden in Huize Albertine en wel uit Het levenswater van Ana Bolindo-Kondre door Ané Doorson (1927-1997), schrijver uit Nickerie. Het is een mondeling overgeleverd volksverhaal uit kringen van de balatableeders, over een echte ‘queeste’ (zoektocht), drie broers die op zoek gaan naar het ‘levenswater van Ana Bolindo’ dat hun vader moet genezen van blindheid. Een schitterend Surinaams sprookje!
Cynthia Mc Leod, auteur van historische romans, wil voorlezen in klas 5 of 6 van een basisschool. Het boek van haar keuze is: Rossy dat krantenkind (1952) van Ann Rutgers van de Loeff (1910-1990). Het is een waar gebeurd verhaal over een 14-jarig meisje uit Amerika dat haar broertje uit een brandend huis redt en zelf gehandicapt wordt.

Ellen Ombre, auteur van verhalenbundels, non-fictie en een roman, wil voorlezen op een VOS-school, uit Tijding van ver (1961) van een al bijna vergeten auteur uit de Nederlandse literatuur, Ferdinand Bordewijk (1884-1965). Het is een roman waarin de vervaging van de standenmaatschappij een belangrijk thema is met als negatieve bijwerking dat het leven ‘stijl gaat missen’. In het boek komt een Surinaams meisje voor dat in die tijd al in Nederland woont. Zij vertelt veel over de cultuur van haar land.

Sandra Purperhart is actief met leesbevordering te Abrabroki, ook in een bibliotheek. Daar wil ze op 4 maart de kleintjes vanaf een jaar of vier voorlezen uit Lafu van Cynthia Mc Leod. Lafu is het hondje van Sita. Het is een grappig verhaal over een hondje in een gezin. Lafu maakt dingen mee waar kinderen om moeten lachen: ‘Pe lafu de, y’ e tan leisi’, is het motto van Sandra.

Rappa/Robby Parabirsing, schrijver voor de jeugd en volwassenen. Bij zijn huis heeft hij een bibliotheek waar jongeren boeken komen lezen en lenen. Voorlezen wil hij aan die groep, meest leerlingen van eind mulo of begin havo/vwo, problematische lezers die liever niet lezen. Rappa kiest voor verhalen uit de tweede bundel, Holland heeft ook takru sani van de Surinaamse auteur John Wladimir Elskamp. Daarin staan moderne verhalen die deze jeugd aanspreken, soms lekker gewaagd.

M. Rust, directeur van Huize Ashiana, wil in de bejaardensoos voorlezen uit Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod, een begrijpelijke keuze, want het is een van de meest geliefde boeken uit onze literatuur.

Raymond Sapoen, minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, wil voorlezen in een eerste klas van een lagere school, uit Amaisa gaat baden, uitgegeven door de Stichting PCOS, als vastlegging van een van de thema’s uit het project ‘Vroege Taalstimulering’ in negen dorpen aan de Boven-Suriname. Opvoeders van kinderen die nog niet naar school gaan leren er de woordjes uit hun dagelijks leven in de schooltaal, zodat de kinderen die weer van hun mama of oma leren in de eigen omgeving. Een prachtige keuze van de minister, want die eersteklassers kunnen de eenvoudige zinnen over Amaisa die gaat baden thuis weer doorgeven!

Xaviera, 10 jaar, medewerker van de kinderredactie, kiest voor het boek Van mij mogen ze opvliegen (1993) van Corrie Hafkamp (1929). Dit boek gaat over ouders die vaak buitenshuis naar vogels gaan kijken, waardoor ze te weinig aandacht schenken aan hun kinderen. Aan wie wil Xaviera het voorlezen? Ze zegt: ‘ik ga dat niet voorlezen. Volwassenen moeten het voorlezen, aan al die mensen die niet naar hun kinderen kijken.’

Marijke Zschusschen, maatschappelijk werker aan het Heilpedagogisch Instituut Matoekoe voor kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking te Lelydorp, wil graag voorlezen aan de oudere pupillen, van 14 tot 18 jaar. Ze houden veel van Anansitori, maar het Nederlands is erg moeilijk voor hen. Daarom leest ze in het Sranan. Er bestaat een oude serie Sranan Anansi Tori, zoals Anansi nanga Freifrei, uitgegeven door het Instituut voor Taalwetenschap in Paramaribo omstreeks 1980.

maandag 22 november 2010

Brief aan Ellen Ombre

Ik las de tekst van je Multatuli-lezing. In briefvorm geschreven. Over je ontmoetingen met de tijdgeest. In gelijkmatige en vaak mooi geslepen zinnen rijg je in deze beschouwing persoonlijke observaties en stellingnamen aaneen. Over elk woord heb je nagedacht, ieder leesteken heb je gewogen, geen zinswending is aan je kritische blik ontsnapt. Maar de beheerst geformuleerde regels vertellen niet het hele verhaal. Door je proza schemert een veenbrand aan emoties. Die mogen van jou als auteur aan de oppervlakte treden mits ze door het verstand zijn gefilterd. Het gedempt presenteren van gevoelens toont je vermogen tot introspectie, je behoefte aan balans en je besef van beschaving. Je staat jezelf niet toe je te laten gaan, maar hecht eraan het verstand de regie te laten voeren.

In je positiebepaling ben je ontnuchterend eerlijk. Je laveert tussen twee landen en je vertrouwelijkheid met beide samenlevingen wringt. Dat knarsen en schuren vervult je met onbehagen. Het stoort je. Ik kan mij daar veel bij voorstellen. Het Suriname van je jeugd is in weinig te vergelijken met het Suriname van vandaag en het Nederland van nu vertoont meer dan ooit de trekken van een bananenmonarchie. Bouterse en Wilders zijn voor jou de voornaamste aanjagers en symptomen van die actuele ontwikkelingen. Grijnslachend draaien zij het rad van fortuin in het rond. Wat drijft mensen naar deze leidersfiguren? Dat is een belangrijke vraag, die al veel pennen in beweging heeft gebracht. Je laat overtuigend zien waarom die vraag zo lastig te beantwoorden is.

De sleutel ligt in de verhouding van het individu tot de massa. Je wantrouwt de massa, want die laat volgens jou zijn politieke keuzes door emoties bepalen. Uit wanhoop of angst lopen mensen leiders achterna tegen wie het gezond verstand zich verzet. Ik heb ook lang in deze verklaring geloofd. Eigenlijk ben die opvatting nog steeds toegedaan. Redeloosheid is een slechte raadgever en een ondeugdelijk kompas. Tegelijk moet mij iets van het hart. Ik denk niet graag in tegenstellingen en vermijd het liefst woorden als ‘massa’ of ‘volk’. Omdat ik mijzelf niet op voorhand van andere mensen wil distantiëren en omdat de gedachte tot een ‘elite’ te behoren mij altijd heeft benauwd. Kind van de jaren zeventig? Ongetwijfeld. Ik kan ook niet voorbijgaan aan enkele simpele feiten: populisme is van alle tijden, politieke keuzes zijn nooit alleen maar terug te voeren op rationele overwegingen en politici vertrouwen vaak meer op hun flair en intuïtie dan op hun intellect en analytische vaardigheden. Dat is niet erg, want kiezen of gekozen worden: het blijft mensenwerk. Het wordt bedenkelijk als ieder gevoel voor maat achter de horizon dreigt te verdwijnen, als vijandbeelden ons uitzicht belemmeren en burgerzin over de heg van de buurman wordt gekieperd. Met die gegevenheden lijken we in toenemende mate geconfronteerd te worden.

Hoe moeten Nederland en Suriname verder? Op die vraag geef je geen pasklare antwoorden. Die zijn er ook niet. En als ze er al waren, dan somt een schrijver die niet bloedeloos op, maar onderwerpt hij die aan een oordeel. Dat doe jij wanneer je je keert tegen de uitwassen van nationalistisch denken. Terecht merk je op dat ‘volk en vaderland’ en ‘bloed en bodem’ concepten uit het verleden zijn, die ook in een aangepaste vorm of onder een andere noemer geen toekomst hebben. In een wereld waarin alle vensters openstaan, heeft het gesloten houden van deuren geen nut. Toch begrijp ik wel dat voor veel mensen juist dat een beangstigend beeld is. Niet het voortbestaan van de mensheid is voor hen de norm, maar de veiligheid van hun directe leefomgeving. Een huis met teveel vensters open geeft de wind vrijspel en blaast alle zekerheid naar buiten. Liever het getik van de klok aan de muur dan de gedachte aan het uitzetten en krimpen van het heelal. Politici zouden de behoefte van mensen aan houvast, overzicht en beschutting nadrukkelijker moeten honoreren zonder de mantel van de wereld af te schudden en de regels van wellevendheid uit het oog te verliezen.

Jouw lezing is een welkome bijdrage aan het hervinden van evenwicht. Het is een aansporing tot weldenkendheid en een pleidooi voor beheersing en nuance vanuit het perspectief van een ‘tussenfiguur’. Aan het einde van je los opgebouwde betoog (een verwijzing naar de beperkte samenhang die de besproken samenlevingen nog kennen?) laat je de veelgeciteerde uitspraak van Huizinga over de bezeten wereld waarin wij leven volgen door een mooi maar melancholiek natuurbeeld en een strofe uit de tekst van het ‘zelfmoordlied’ Gloomy Sunday. Geef je daarmee ruimte aan sentimenten waarmee je eerder probeerde af te rekenen? Laat je even de teugels vieren die je in de rest van je verhaal zo strak in handen wist te houden?

In een rede die Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa kortgeleden hield, beëindigde hij zijn sombere uiteenzetting over de ‘monsters’ van terrorisme, nationalisme en xenofobie met de vaststelling dat de krachten van vernietiging overwonnen zullen worden door idealisme, edelmoedigheid en vrijheidsliefde. Dat lijkt mij de juiste instelling om de kwalijke gedaanten van de tijdgeest te lijf te gaan. Zeker, de brief is – zoals je schrijft – een buitenkind van de letteren geworden, maar je hebt een begeesterde aanzet gegeven om het medium in ere te herstellen. Laten we ruimhartig zijn en met elkaar in gesprek blijven.


Foto van Ellen Ombre: @ Jeannine Govaers

zondag 7 november 2010

Surinamistiekprijs 2010 voor Gert Oostindie

Op het colloquium Surinamistiek in Amsterdam is op zaterdag 6 november 2010 de prijs voor Surinamistiek 2010 uitgereikt aan prof. dr. Gert W. Oostindie. De prijs wordt om de vijf jaar toegekend door het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek aan iemand die grote betekenis heeft gehad voor het wetenschappelijk bedrijven van de Surinamistiek. De prijs omvat een oorkonde, een schilderij en een bedrag van 1000 euro. De jury die de prijs toekende, bestond uit mevr. Ellen Ombre, schrijfster, de historicus dr Peter Meel en de linguïste en cultureel antropologe dr Eithne Carlin.

Foto rechts:
Gert Oostindie en prinses Maxima bij de aanbieding van zijn boek
De parels en de kroon.

In haar toespraakje memoreerde Ellen Ombre dat zij op een dag met grote ogen van bewondering keek naar een man in een sportbroek op een trainingsband en dat dat Gert Oostindie bleek te zijn. "Brains and body", aldus Ombre.

Gert Oostindie (Ridderkerk, 4 juli 1955) is een Nederlands historicus, Surinamist en Antilleanist. Hij is directeur van het KITLV. Van 1993 tot 2006, was hij als hoogleraar Caraïbische Studien verbonden aan de Antropologie-faculteit van de Universiteit van Utrecht. In september 2006 werd hij benoemd tot hoogleraar Caraïbische Geschiedenis aan de Geschiedenis-faculteit van de Universiteit Leiden.

Oostindie studeerde geschiedenis en sociale wetenschappen en specialiseerde zich in Latijns-Amerikaanse geschiedenis aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde daar cum laude af in 1982 en promoveerde cum laude aan de Universiteit van Utrecht in 1989 met een proefschrift over slavernij en de plantage-economie in Suriname. Hij werd hoofd van de afdeling Caraïbische Studien van het KITLV in 1983. Dit bleef hij totdat hij in 2000 directeur van het instituut werd.

Oostindie’s voornaamste onderzoeksgebieden zijn de Caraïbische en Nederlandse koloniale geschiedenis. Hij publiceerde meer dan 20 boeken en ruim 100 artikelen over de koloniale geschiedenis en dekolonisatie van de Nederlandse koloniën in het Caraïbisch gebied, over geschiedenis, etniciteit en migratie in het Caraïbisch gebied en in Latijns-Amerika in zijn algemeenheid, en over de betekenis van de koloniale geschiedenis voor de Nederlandse nationale identiteit.

Radio Nederland Wereldomroep stelde Oostindie enkele vragen:

Westerse bril
Op de vraag of hij de Surinamistiekprijs verwacht had, zei Oostindie dat hij mensen kon bedenken die zich meer met Suriname bezighouden dan hij, dus, zo zei hij het zelf, 'met gepaste bescheidenheid' heeft hij de prijs aangenomen.

Maar er was dus ook kritiek. Kijkt hij inderdaad met een westerse bril? Dat is waar, erkent Gert Oostindie. Hij is in Nederland opgegroeid en is ongetwijfeld getekend door zijn achtergrond. Toch vindt hij de verwijten ook jammer, omdat hij als wetenschapper juist gaat voor het voortbrengen van kennis die die lokale beïnvloeding ontstijgt.

Bakra
Oostindie ziet zichzelf ook als lid van de school die heel tolerant en heel liberaal is. Stelt zichzelf juist de vraag: wat levert anders kijken op? Hij heeft de indruk dat mensen soms te snel etiketten gaan plakken en denken 'Een bakra? Dat kan niks zijn.'

Aan de andere kant merkt hij dat mensen veel gewicht aan zijn woorden hangen. Dat is iets waar hij nu meer rekening mee houdt. Eerder kon hij sneller iets roepen, nu denkt hij even na over de impact voor hij iets zegt. Als voorbeeld noemt hij de onthulling van het monument voor de slavernij. Toen riep hij in NRC dat dat monument niet voor één groep, maar voor iedereen was. Hoewel hij daar nog steeds achterstaat, zou het nu anders aanpakken. Nu Suriname binnenkort 35 jaar onafhankelijkheid viert, krijgt hij misschien vragen over Bouterse. "Dan weeg ik mijn woorden wel."

dinsdag 2 november 2010

Radioboeken met Surinaamse teksten

Radioboeken is een initiatief van Vlaams-Nederlands culturueel huis deBuren in samenwerking met Klara, Radio Nederland Wereldomroep (RNW) en VPRO Radio. Radioboeken zijn verhalen door Nederlandse, Surinaamse en Vlaamse auteurs geschreven in opdracht van deBuren. De verhalen worden door de schrijvers live voor publiek voorgelezen en de opnamen worden vervolgens verspreid via diverse media. Radioboeken verschijnen niet in druk, maar worden uitgezonden via de radio en zijn als podcast - een digitale radiouitzending - te beluisteren via www.radioboeken.eu. Op die site vindt u niet alleen de Radioboeken, maar ook o.a. informatie over de schrijvers, interviews en alle gegevens over de overige publieke opnamen dit najaar. De radioboeken zijn nu ook verkrijgbaar op CD.

Van Surinaamse auteurs zijn beschikvaar:
Clark Accord - De schepping
Karin Amatmoekrim - Wij zijn niet groots
Ellen Ombre - Onderweg

Voor meer informatie klik hier

Op de foto: Karin Amatmoekrim met Derek Walcott; @ Bert Nienhuis

Bouterse gezegend door Wauwelaar

In een matig geuuld Bijlmer Parktheater hield Ellen Ombre op zondag 31 oktober de zesde en laatste Multatulilezing; een fragment.

Bisschop Meye wordt in de stad bewierookt door groepen die in sloppenwijken bivakkeren, verstoken van licht, stromend water of sanitair. Hij is de geestelijk leidsman van Desi Bouterse. Brunswijk, voorzitter van het coalitieblok van marrons, de Algemene Bevrijdings- en
Ontwikkelingspartij, de ABOP, was eregast. Beide politieke leiders, ooit vijanden die
elkaar ten koste van tientallen doden naar het leven stonden tijdens de Binnenlandse
Oorlog, gingen net als het publiek in het wit gekleed.
‘Geacht volk van de Republiek Suriname,’ preekte de bisschop, ‘deze natie, om toch
nog iets te zeggen met betrekking tot de uitslag van de laatst gehouden verkiezingen
en de duidelijke wil van het volk ...’ Bouterse en Brunswijk stonden op en omhelsden
elkaar. De massa gilde het uit, handen in de lucht, begeesterd. In een armgebaar
probeerde de dominee de schare te omvatten. De geestelijke vertoonde een opvallende overeenkomst met uw dominee Wauwelaar, hij leek als een winti in de huid van bisschop Meye te zijn gekropen. (De term winti gebruikt om een bovennatuurlijk wezen aan te duiden). ‘Dit wat zich hier aan het voltrekken is, is niet normaal...’

Lees hier de volledige tekst van de lezing

zondag 31 oktober 2010

Multatulilezing door Ellen Ombre

Herinnering, vanavond in het Bijlmer Parktheater

In het kader van het Multatuli-jaar 2010 houdt Ellen Ombre de zesde en laatste Multatulilezing. In deze lezing-in-briefvorm vraagt zij advies aan Multatuli over hedendaagse problematiek rondom interculturalisme en (post-)kolonialisme. Daarna gaat zij in gesprek met Tjeerd Bijman (VPRO, Buitenhof).


Ellen Ombre werd geboren in Paramaribo. Op 13-jarige leeftijd kwam zij met haar familie naar Nederland. Ze debuteerde in 1992 met de veelgeprezen verhalenbundel Maalstroom. Daarna verschenen o.a.:

Vrouwvreemd : verhalen. De Arbeiderspers, 1994. De overgang van Suriname naar Nederland staat centraal. Door de ogen van telkens een andere hoofdpersoon wordt een gevoel van ontheemding beschreven. Een terugkeer naar Suriname eindigt ook wel eens in een teleurstelling, bijvoorbeeld wanneer de ik-figuur nostalgisch het dorp bezoekt waar ze is opgegroeid en haar oude buurmeisje bijna niet meer herkent.

Valse verlangens. De Arbeiderspers, 2000. De bundel speelt zich af in de 'Atlantische driehoek' Nederland -West-Afrika - het Caribisch gebied: ooit een handelsroute voor goud, slaven en wapens. Tegenwoordig is die driehoek een 'dwaalspoor', een weg naar misverstanden en onvervulbare verlangens: Ombre vertelt verhalen over Surinamers, Nederlanders en Afrikanen die ronddolen op zoek naar geld, liefde en geluk.

Negerjood in moederland: roman. Ellen Ombre. De Arbeiderspers, 2004. Hoofdpersoon is Hanna Dankerlui. Haar vader is een zwarte Surinamer, haar moeder stamt af van negerjoden met een vooroudergeschiedenis op Joden Savanne, een nederzetting van Sefarden, gevlucht voor de Spaanse inquisitie. Hannah is "met familiegeschiedenis opgezadeld". Ze zou een punt achter het verleden willen zetten en "licht door het leven reizen", maar ze is bang dat ze zonder herinneringen uit elkaar zal vallen. De roman begint in 2000, als Hannah, een nieuwe toekomst tegemoet, haar huis in de Amsterdamse binnenstad verlaat. We blikken terug op de persoonlijke geschiedenis van Hannah en die van haar ouders. Persoonlijke geschiedenis die verweven is met de grote geschiedenis: Negerjood in moederland is het verhaal van een individu vervlochten met de geschiedenis van Suriname.

Enige tijd geleden verscheen de tweede, uitgebreide druk van Wie goed bedoelt, zin + onzin van ontwikkelingshulp. Toen de eerste druk in 1996 verscheen maakte dit boek veel indruk. Ellen Ombre verstoorde het beeld dat Nederlanders van zichzelf hadden: een volk van gulle gevers dat voorop liep om de Derde Wereld uit haar lijden te verlossen. Zij kwam echter tot de conclusie dat ontwikkelingshulp zelden helpt en vaak schaadt. Met het geven van hulp lijkt het alsof we proberen ons schuldgevoel af te kopen. In deze tweede druk zijn stukken toegevoegd die Ellen Ombre de afgelopen tijd over Suriname (voor de Volkskrant) schreef.

Datum: zondag 31 oktober 2010, aanvang 20:00
Bijlmer Parktheater, Anton de Komplein 240, 1102 DR Amsterdam
Gratis, reserveren aanbevolen.

Foto: @ Cliff San A Jong

dinsdag 26 oktober 2010

Ellen Ombre spreekt met Anil Ramdas in Z.O.Z.

Deze zaterdag, 30 oktober, wordt de achtste aflevering van Z.O.Z. (VPRO) uitgezonden: het multiculturele praatprogramma met als gastheer Anil Ramdas. Ditmaal is het thema zelfcensuur: 'Wanneer, op welk moment, beginnen kunstenaars en cultuurmakers te spreken op fluistertoon?' Te gast is Ellen Ombre, die op zondag 31 oktober in het Bijlmer Parktheater de Zesde Multatuli-lezing uitspreekt.

Over Z.O.Z.

Ze zijn hier geboren en getogen en weten niet beter dan dat Nederland een grote diversiteit aan culturen en etniciteiten kent: de tweede generatie allochtonen. In de media bestaat een blinde vlek voor deze groep, want als het over diversiteitvraagstukken gaat, gaat het over hun ouders. Het zogenaamde typische tweede generatiedilemma - enerzijds de knellende banden van de ouderlijke cultuur, waar men zich uit wil bevrijden, anderzijds de heersende cultuur, waar men niet in wordt opgenomen - komt op radio en televisie zelden ter sprake.

In de acht afleveringen van Z.O.Z. bespreekt Anil Ramdas met even kleurrijke als verrassende gasten de kwesties die de tweede generatie allochtonen het meeste raken. Diversiteit is geen keuze, geen optie, maar een feit. De vraag is hoe die vorm wordt gegeven, op weg naar een beschaafde samenleving.

Foto: @ Ruben van Kempen

Ellen Ombre schrijft aan Multatuli

Zeer geachte heer Douwes Dekker, of, beste Multatuli, zoals u ook heet,

De brief is een buitenkind van de letteren geworden. Het internet en de mobiele telefoon verbinden de wereld tot in uithoeken, men mailt en sms’t zonder terughoudendheid. Of het briefgeheim nog wordt nageleefd is de vraag. Ik wil mijn hart luchten en een beroep doen op uw discretie om rondzingen te mijden.
Ik raak in Suriname niet vertrouwd. In Nederland, waar ik het grootste deel van mijn leven heb gewoond lukte het ternauwernood. Daar was je niet vanzelfsprekend. Je moest je onverhoeds legitimeren en werd te hooi en te gras gereduceerd tot allochtoon, ver voor de Wilders-pandemie.

Hier is behoedzaamheid om andere redenen geboden. Men is politiek gelieerd, heeft een vete met je halfbroer of koestert een wrokje tegen Surinaamse Nederlanders, zogenaamde SuriNeds, omdat deze bounties in moeilijke tijden hoog en droog in Holland zaten en nu het goed gaat met Switi Sranan komen meeprofiteren. Met de moeilijke tijden bedoelt men de jaren tachtig en negentig, decennia van militaire terreur, inflatie, lege winkelschappen, corrupt ambtenarenapparaat.

Het gaat in het gewezen wingewest de laatste jaren ‘met Gods wil’, de euro-elite die het vliegtuig naar Nederland neemt alsof zij zich met een pontje laat overzetten, maakt het stukken beter. De keur telt zijn zegeningen in elektronisch beveiligde huizen achter muren met prikkeldraadguirlandes in dit arm-rijk land.
Niemand sterft hier van honger, maar er wordt gehosseld. De voorzieningen zijn matig, de medische zorg laat te wensen over. Je vraagt je af waar de honderden miljoenen ontwikkelingsgelden toe hebben geleid. Organisaties die zichzelf onbaatzuchtig noemen, bidden om nog meer hulp. Er zijn gebedshuizen genoeg, maar er is woningtekort. De infrastructuur loopt mank en verhindert goede communicatie tussen de verschillende delen van het land. In vaderloze gezinnen aan de zelfkant van de stad waar het christelijk huwelijksideaal niet tot norm wordt verheven, is het bestaan hard, zoals in Sunny Point of Texas; daar zijn op drift geraakte Bosnegerfamilies hunkerend naar iPods en BlackBerries neergestreken. Wat maakte de stad voor hen zo aantrekkelijk? Ze wilden weg uit hun door de binnenlandse oorlog ontwrichte dorp met zijn armoede, weg van het primitieve dorpsleven, weg van die kansarme kleine wereld waar hun geen toekomst wachtte, weg van de toeristen voor wie ze om een grijpstuiver moesten dansen. Het is niet vrolijk wat ik heb te vertellen, maar een poging de stand van zaken te beschrijven.

[Dit is de opening van de laatste Multatuli-lezing die Ellen Ombre a.s. zondag geeft in Amsterdam. Klik hier voor meer inlichtingen.]

woensdag 6 oktober 2010

Laatste Multatuli-lezing door Ellen Ombre

In het kader van het Multatuli-jaar 2010 houdt de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre de zesde en laatste Multatulilezing. In deze lezing-in-briefvorm vraagt zij advies aan Multatuli over hedendaagse problematiek rondom interculturalisme en (post-)kolonialisme. Daarna gaat zij in gesprek met Tjeerd Bijman (VPRO, Buitenhof).
.

Citaten uit de brief aan Multatuli van Ellen Ombre:



Ik vrees het volk dat ik met de massa associeer, wantrouw de emoties die hun politieke keuzes bepalen, koester achterdocht voor volksleiders als de Nederlandse Geert Wilders, en de Surinaamse Desi Bouterse. De eerste is uit angst, de andere uit wanhoop gekozen.
[...]
We leven in een bezeten wereld. En we weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij waaruit deze arme mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, schreef Huizinga in de vorige eeuw. Wat hij toen opmerkte doet zich om mij heen in allerlei gedaantes voor.
[...]
Wat staat Suriname, microkosmos in een notendop, te wachten? En Nederland?

Datum: zondag 31 oktober 2010, aanvang 20:00
Bijlmer Parktheater, Anton de Komplein 240, 1102 DR Amsterdam
Gratis, reserveren aanbevolen: info@deburen.eu, +32 (0)2 212 19 30

Foto: @ Michiel van Kempen

woensdag 26 mei 2010

Schrijvers waren in Frans-Guyana

door Claudine Saaki

Een groep schrijvers, onder wie Ismene Krishnadath, Ellen Ombre, Kit-Ling Tjon Pian Gi en Kadi Kartokromo, zijn naar Cayenne vertrokken om het Cayenne Book Festival bij te wonen. Het boekenfestival wordt elk jaar door de organisatie Promolivres van La Guyane georganiseerd. dit jaar vond het festival plaats van 18 tot 22 mei.

De schrijvers vertrokken dinsdagochtend heel vroeg vanuit Paramaribo. De opening van het festival was om zes uur ‘s middags in Cayenne, in het complex van EnCre (Ensemble Culturel Regional). “De opening op dinsdag 18 mei, is heel goed verlopen. Het was interessant. We hebben naar een historische film over immigranten kunnen kijken,” laat schrijfster Ismene Krishnadath weten. Aan dit festival zijn er rondetafelconferenties verbonden, waaraan diverse schrijvers deelnemen.

Ismene Krishnadath doet mee aan twee rondetafelgesprekken, namelijk Ecrire le conte (Verhalen schrijven) en Migrations and heritages Indiens (Migratie en het Indiase erfgoed). Maar ook over het thema van het festival, de Caribische multiculturaliteit met speciale aandacht voor de roots uit Azië en het Midden-Oosten wordt er gediscussieerd.

Ellen Ombre en Kit-Ling Tjon Pian Gi zaten aan bij Dialogues interculturels dans la Caraibe (over interculturele dialoog in het Caribisch gebied). Op de laatste dag namen Kadi Kartokromo en Ellen Ombre deel aan een rondetafeldiscussie over Literatuur en Politiek. Promolivres heeft ook voor het unieke van dit festival gezorgd. De organisatie nodigde niet alleen schrijvers uit vanuit Suriname en Frans-Guyana, maar ook uit Iran, Brazilië en Haïti. Ook deze schrijvers kwamen met hun eigen boeken naar het festival. De talen van de verschillende boeken variëren van het Nederlands, Engels, Frans tot het Perzisch. “Al de Surinaamse boeken zijn ondergebracht bij een boekenhandel. En die worden door ons gesigneerd”, aldus Krishnadath.

[Bericht van De Ware Tijd]


Op de foto: Ellen Ombre, @ Ruben van Kempen