Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen
Posts tonen met het label interview. Alle posts tonen

maandag 7 april 2014

Baanbrekend onderzoek in gynaecologie

Angelo Hooker.  Bovenste vijf foto's © Mineke de Vries

door Mineke de Vries

Uit recent onderzoek blijkt dat veel meer vrouwen dan tot nu toe gedacht werd, nadelige gevolgen ondervinden van een curettage na een miskraam. Verklevingen aan de baarmoederwand kunnen leiden tot moeilijk zwanger worden, maar ook tot complicaties in de zwangerschap. Angelo Hooker, gynaecoloog in het Zaans Medisch Centrum ontving voor zijn onderzoek hiernaar diverse awards. Aanleiding tot een gesprek over zijn ervaringen als gynaecoloog en onderzoeker.


Het ziekenhuis onder de rook van Amsterdam loopt langzaam leeg met bezoek en artsen die hun dienst erop hebben zitten, maar voor gynaecoloog Angelo Hooker  begint de avond- en nachtdienst pas net. De telefoon gaat geregeld en we lopen samen naar de afdeling Verloskunde waar een vrouw aan het bevallen is en waar Hooker een patiënt met een gynaecologisch probleem ook ’s avonds nog maar even laat komen, omdat ze zich zo’n zorgen maakt. Een toegankelijk arts, die vooral het contact met mensen zo belangrijk vindt.


Inschattingsfouten
De van Curaçao afkomstige Hooker is sinds 2012 in dienst van het Zaans Medisch Centrum, waar hij met zes collega-gynaecologen, negen arts-assistenten en twee klinisch verloskundigen samenwerkt op de afdeling Gynaecologie en Verloskunde. Hooker: “Het is een fijne groep om mee te werken, bijna een soort familie, dat moet ook wel omdat we ook tegenslagen samen moeten opvangen.” De taken zijn verdeeld en Hooker houdt zich vooral bezig met bevallingen, fertiliteit, anticonceptie, menstruatie- en overgangsklachten. De bevallingen vindt hij nog altijd één van de mooiste dingen om getuige van te zijn, elke keer weer een wonder. “Maar het gaat ook weleens fout, door omstandigheden buiten jou om, maar ook door eigen inschattingsfouten, dat is een zwaarte die je meedraagt. Een kind is het kostbaarste wat mensen krijgen, de verantwoordelijkheid die je als arts hebt, is enorm. Recent verloren we een kindje van ruim 40 weken, het hele team is daardoor geraakt. Aan de andere kant geeft het ook voldoening deze mensen goed te begeleiden en als je na twee weken een kaartje krijgt waarop staat: ‘Bedankt dat je ons hebt geholpen in het moeilijkste moment van ons leven’, dan krijg ik een boost waardoor ik er weer tien jaar tegenaan kan.”

Kentering
Angelo Hooker woonde tot zijn twaalfde op Curaçao. Net toen hij op de Marnix-mavo zat, besloot zijn nog jonge moeder, ze was achttien toen ze hem kreeg, dat ze als kraamhulp nog een opleiding in de zorg wilde doen in Nederland. Ook vader zegde zijn baan bij de raffinaderij op en het gezin vestigde zich in de Amsterdamse Bijlmer, waar Angelo op school ging; van de mavo naar de havo, van 4 havo naar 5 vwo. Op zijn 17e wilde moeder terug naar Curaçao maar Angelo bleef bij een tante, omdat hij het jaar erna ging studeren. Wàt dat werd, wist hij nog niet, maar de beslissing voor een studiekeus kwam door een onverwachte gebeurtenis. Wonend bij zijn tante in één van de Bijlmerflats was hij op een avond getuige van de Bijlmerramp. Een Boeing vloog de flat in achter hun flat. “Ik weet het nog zo goed, je onthoudt de gekste details. We waren voetbal aan het kijken, PSV stond met 7-0 voor. Aan de motor hoorden we dat het foute boel was, toen een knal en een explosie. We renden naar buiten, ik zag de vleugels van het vliegtuig, de wielen op straat en zoveel gegil. Het was bijna niet uit te houden door de kerosinelucht. We liepen tussen de wrakstukken door en ik voelde me machteloos vanwege het gevoel te willen helpen en niet te weten wat je moet doen. Dat was voor mij een kentering en betekende een directe aanleiding om geneeskunde te gaan studeren.”

Stages in Sehos
Toen hij zijn tweedejaars-stage verloskunde/gynaecologie volgde, was hij meteen verkocht en dat is nooit veranderd. “Uit mijn verslag van toen bleek al de enorme impact die het op me had. Het is zo intiem op dat moment deel te zijn van iemands leven. Het is hun feestje en jij mag de gastheer zijn.” Tijdens de co-schappen gynaecologie - die hij in het Sehos deed - kwamen er ook andere aspecten bij, waarbij het veelal het praktische werk is dat hem aanspreekt. “Gynaecologie is afwisselend, je doet operaties, poli-diensten, bevallingen. De tegenstellingen zijn groot, bevallingen zijn meestal een feest, maar daarentegen zijn er ook mensen met kanker.” Ook zijn kennismakingsstage in het eerste jaar deed hij in het Sehos. “Dat is een soort verpleeghulpstage, het gaat erom dat je leert wat de verpleegkundigen doen. Hilarisch, omdat de vrouwelijke patiënten mij eerst niet aan hun bed wilden, laat staan dat ik ze mocht wassen!” Het werken op Curaçao was goed om andere regels, andere manieren van aanpak te ervaren, ook hoe je patiënten benadert: “In Nederland leg je de patiënt verschillende opties voor en bespreekt die gezamenlijk om te besluiten wat je gaat doen. Als je op Curaçao opties voorlegt, denken ze meteen: die weet het zelf kennelijk niet! Dokters staan daar veel meer op een voetstuk.” Medisch gezien zijn er op Curaçao ook andere ziektebeelden. “Daar zag ik écht zieke mensen, veel vrouwen met zwangerschapsvergiftiging. Donkere vrouwen zijn daar vatbaarder voor dan blanke, maar misschien wachten ze ook te lang om te komen. Verder spelen natuurlijk veel tienerzwangerschappen, maar tegelijkertijd heb ik juist daar geleerd om niet te oordelen. Je moet ieder mens in zijn eigen referentiekader zien. Heel jong kinderen krijgen is in sommige groepen heel gewoon, ik moet me geregeld realiseren dat veel klasgenoten toen ik net afstudeerde, allang kinderen hadden. Terugredenerend naar hun referentiekader: bij tienerzwangerschappen is er ook een groot sociaal vangnet, dus het komt vaak wel goed met die tienermoeders.”


Leven en dood
Afstemmen op degene die tegenover je zit, dat is wat een goede arts steeds doet, dat geldt voor je taalgebruik maar ook voor de levenssituatie. Dat je de patiënt ziet als mens, in het geheel van zijn omgeving is het belangrijkste. “Het zijn soms moeilijke afwegingen die je moet maken, ik wil dat graag met de patiënt bespreken. Samen met die 85-jarige vrouw bespreek ik of ik haar nog ga behandelen tegen kanker, maar ook met het 18-jarige zwangere meisje ga ik het gesprek aan over het feit dat ze geen anticonceptie heeft gebruikt en wijs haar op haar verantwoordelijkheid. Ik kan aardig directief zijn, daar sta ik om bekend. Je neemt veelomvattende beslissingen, die gaan over leven en dood.” Op de afdeling Gynaecologie krijgen ze geregeld te maken met het afbreken van zwangerschappen. “Zo eenvoudig is dat niet: dertig procent van de vrouwen krijgt spijt en vrijwel iedereen draagt het toch hun leven mee.” Hooker gaat het gesprek met de vrouwen aan, waarbij hij ingaat op de vraag of het hun eigen keuze is of gedwongen, of over andere opties is nagedacht en hij geeft het wettelijke verhaal mee van de vijf officiële bedenkdagen. “Maar bovenal stel ik me op als de dokter die ze bij welke keuze dan ook zal ondersteunen. Als ik twijfel haal ik er een collega bij.” Eén keer weigerde hij pertinent een ingreep uit te voeren bij een meisje dat voor de vierde keer een abortus wilde, zonder ooit anticonceptie te gebruiken. “Je moet je eigen grenzen bewaken, ik wil mezelf in de spiegel blijven aankijken. Ik draag de verantwoordelijkheid voor wat ik doe, je moet dicht bij jezelf blijven.” Bij de ingrepen zelf denkt hij niet teveel na: “Dit is niet het prettigste deel van het vak.”


Awards
Recent verdiepte Hooker zich in de risico’s op verklevingen in de baarmoederwand na miskramen. Hij verzamelde alle gepubliceerde literatuur en zette die op een rijtje. Uit zijn systematische review kwam hij tot de schokkende ontdekking dat wat altijd werd aangenomen, namelijk dat maar bij één procent van de vrouwen verklevingen optrad, in werkelijkheid bijna twintig procent is. Eén op de vijf vrouwen krijgt dus na een operatie - de curettage die na een miskraam vaak wordt gedaan om de baarmoeder schoon te maken - verklevingen van de baarmoederwand. Bij de helft van de vrouwen gaat het om  minimale verklevingen, bij de andere helft zijn het zodanige misvormingen van de baarmoeder, dat de kans op zwangerschap drastisch vermindert of dat complicaties tijdens de zwangerschap ontstaan. “Wat er gebeurt bij verklevingen is dat de holte die de baarmoeder is, verandert van vorm. Er ontstaan een soort bruggen binnen die holte, doordat delen aan elkaar ‘’plakken’’. Zo krijg je compartimenten in wat één ruimte zou moeten zijn. Je kunt je voorstellen dat het innestelen van een eitje in die kleine ruimtes moeilijk wordt.”
Voor zijn onderzoek naar de risico’s van verklevingen na een miskraam ontving Hooker van de NVOG - de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie - de Young scientist award. Vanuit deze vereniging verdiepen verschillende werkgroepen zich in een onderdeel van de gynaecologie. Hooker sloot zich aan bij de werkgroep van gynaecologen die speciaal bezig zijn met endoscopie in buikholte en baarmoeder, de zogenaamde sleutelgatchirurgie. De award bestond naast de eer uit een reis naar Berlijn waar hij het congres van de European Society Gynaecology and Endoscopy bezocht (het Europese zusje van de werkgroep waaraan Hooker deelnam). Hij hield op dat congres een lezing over zijn bevindingen.
Vervolgens kreeg Hooker van het Curaçaohuis de Manera solo di Korsou den Exterior award, een award voor Antillianen die zich in het buitenland verdienstelijk maken, met de belofte de studie bekend te maken bij het ministerie van Volksgezondheid op Curaçao.

Nieuw middel
Momenteel is Hooker bezig met een vervolgstudie. Er is namelijk een middel op de markt gebracht om de kans op verklevingen te voorkomen of te minimaliseren, een soort gel die in de baarmoeder wordt ingebracht na de curettage. “Dit is mogelijk omdat de baarmoeder afgesloten en overzichtelijk is, maar de gel wordt ook al gebruikt bij verklevingen in de buikholte na andere operaties, wat ook vaak voorkomt.” Als bijkomend voordeel geldt dat kosten van heropnames, die vaak te wijten zijn aan ontstane verklevingen, verminderen. “We zijn een vervolgstudie, de zogenaamde PAPA-studie gestart naar de resultaten van de gel onder een groot aantal ziekenhuizen. Vrouwen die meedoen aan het onderzoek krijgen acht tot tien weken na de curettage een kijkoperatie waar we kijken of verklevingen zijn ontstaan in de baarmoeder. Tevens wordt onderzocht hoeveel vrouwen binnen het jaar zwanger werden en hoe de zwangerschap verloopt.” Hooker, die het onderzoek leidt, denkt halverwege dit jaar de resultaten bekend te kunnen maken.

Angelo Hooker, een betrokken arts, die dichtbij zijn patiënten staat. Waar hij kan, wil hij mensen adviseren en informeren, of dat nu in het ziekenhuis is, of zelfs via social media. “Zo gaat dat tegenwoordig, mensen weten je overal te vinden. Ik krijg wereldwijd vragen om informatie, uit Portugal, Egypte, de V.S., maar vooral heel veel uit Curaçao. Ik ken daar natuurlijk nog veel mensen.” Voordat hij kinderen had, ging hij een paar keer per jaar terug, naar familie maar ook om te helpen bij duikschool Wederfoort, waar hij lesgaf. “Het is nu al vier jaar geleden dat ik er was, veel te lang.” Geregeld komt toch ook de vraag op of hij zich niet weer op Curaçao zal vestigen.  “Maar omdat ik zelf de overgang naar Nederland als zo zwaar en ingrijpend heb ervaren qua aanpassing en wennen, wil ik dat mijn kinderen niet aandoen.” Hoe dan ook blijft het wel altijd trekken.

zaterdag 29 maart 2014

‘Anansitori zijn niet bedoeld voor kinderen’

Gerrit Barron
Interview met Gerrit Barron

door Jerry Dewnarain & Christine F. Samsom

... een opmerkelijke uitspraak aan het eind van ons interview met de kinderboekenschrijver Gerrit Barron. ‘Anansi is een oplichter, een dief. De tori over hem werden/worden verteld door volwassenen op onder andere ded’oso en zijn bedoeld als agersitori.’ We staan op het punt Tori Oso te verlaten na een twee uur durend interview waar de twee redacteuren van de Ware Tijd Literair hebben geluisterd naar de woordenstroom van deze bekende Surinamer-in-hart-en-nieren.

Vorig jaar vierde Gerrit Barron zijn veertigjarig schrijversjubileum. Wat heeft hem gestimuleerd om schrijver te worden? We hoeven ons interview niet te beginnen met de vraag: ‘Wie’s je vader, wie’s je moeder?’ Hij begint zelf te vertellen: ‘Schrijver word je niet zomaar. Het heeft alles te maken met je wordingsgeschiedenis. De ervaringen om je heen hebben je beïnvloed.’


Hij werd in 1951 geboren in Moengo in een gezin van elf kinderen uit Coroniaanse ouders, met voorouders uit onder andere India en St. Lucia. Zijn vader is werkzaam bij Suralco als security guard en in zijn vrije tijd als landbouwer. Gerrit woont als tiener midden in de ‘apartheid’, de klassentegenstellingen in het bauxietstadje Moengo van de jaren zestig. Daar vertelt hij indringend over. Met het verzet daartegen is zijn nationalistische kijk op de Surinaamse samenleving begonnen. Na het mulo - waar hij kennis maakt met het werk en de persoon van Dobru en waar hij zich al bezighoudt met het schrijven van gedichten, maar ook met toneel, dans en voordracht - vertrekt hij naar de stad om op het Algemeen Pedagogisch Instituut (API) voor onderwijzer te studeren. Hij maakt de grote stakingen van 1973 mee met als dieptepunt de dood van de vakbondsman Abaisa en publiceert in dat zelfde jaar zijn eerste gedichtenbundel, Falawatra.

In 1974 vertrekt hij naar Nederland, haalt er zijn hoofdakte en werkt als remedial teacher. Veel gezinnen verlaten in die tijd vóór de onafhankelijkheid Suriname. Hij merkt hoe de Surinaamse kinderen worstelen met het onderwijs in Nederland. Er zijn geen boeken voor hen. Voor het eerst komt het idee bij hem op om boeken te gaan schrijven voor het Surinaamse kind.


Toch debuteert Barron met poëzie voor volwassenen: Falawatra (1973), Bloeddruppels op mijn kussensloop (1975) en Surinamensje in powesi (1977). Na terugkeer in 1977 komt hij het volgende jaar uit met zijn eerste kinderboek, Een lach en een traan, mede geïnspireerd door de regisseur en poppenkastspeler Henk Zoutendijk. Sinds 1978 schrijft hij voor kinderen en wordt de meest gelezen auteur van Suriname. Een lach en een traan (1978) gaat over het alledaagse leven van kinderen in een gezin, maar Barron beschrijft het verhaal met pedagogisch vermanende vinger, zoals eigenlijk in al zijn kinderboeken te merken is. Het gezin bestaat uit vader Johan, hindostaan, moeder Thea, creoolse (wat nadrukkelijk vermeld wordt) en hun vier kinderen: een meisje van zeventien, drie jongens van respectievelijk vijftien, elf en tien. De jongsten, Harold en Kela, zijn nogal eens ondeugend en halen allerlei kattenkwaad uit. Maar alles komt steeds weer goed, want het is een leuk gezin en bij de Soravasinghs ‘wordt er meer gelachen dan boos gekeken.’

Titri en Toto (1979) is voor kinderen van de laagste klassen die net hebben leren lezen. Het is een verhaaltje over aka, Surinaamse roofvogels. Barron wil hiermee zijn jonge lezers ook bewust maken van de flora en fauna van Suriname. Via de Stichting Kinderkrant verscheen Bij Anoekoe in het dorp (1980). De twee jongens uit Een lach en een traan, Harold en Kela Soravasingh, gaan in het Surinaamse binnenland logeren en beleven er allerlei avonturen. Het is een vlot leesbaar verhaal van 31 bladzijden. De overzichtelijke bladspiegel, de duidelijke letter en niet het minst de tekeningen van Paul Woei maken dit boek aantrekkelijk voor kinderen. Er gingen meer dan 20.000 exemplaren van over de toonbank van winkels naar scholen.

Een boek voor wat oudere kinderen is Barrons Kamla en de vergulde man (1981). Oom Tapi vertelt een fantastisch verhaal aan Kamla en Astrid over de indianen en hun hoofdman Lindo - een vergulde man - en de witte veroveraar Jan Pieter Jansen. De koning is er nog steeds maar heeft zich onzichtbaar gemaakt. ’s Nachts droomt Kamla. Ze wil Lindo zoeken en wordt geholpen door de bakru (geest) Kimpo en heel wat dieren als sneki, owrukuku, aboma, anyumara, aasgier en schildpad.

Avonturen van Kira en Kisa (1984) is bedoeld voor kleine kinderen. In het bos krijgt een kapasi (gordeldier) vijf jongen in het hol van de slang. Als het bos brandt wordt een jong door een roofvogel gevangen, de moeder wordt de prooi van de jager die ook nog twee andere kleintjes vangt en meeneemt. Alleen Kira en Kisa blijven over. Ze moeten zich nu grotendeels zelf redden, graven een groot hol, zoeken eten, enzovoort. Ze proberen de twee gevangen kapasi te bevrijden, maar dat mislukt.

Het geheim van de Goslar (1984) is een spannende detective. Harold en Kela gaan bij hun oom en tante in Paramaribo logeren. Ze leren de stad kennen via een buurjongen Steven. Deze heeft een papier van de kapitein van de Goslar uit 1940. Steven vertelt over het zinken van het schip midden in de Surinamerivier toen de wereldoorlog ook naar Suriname oversloeg. Wat was er allemaal aan boord? Wat had de Duitse kapitein te verbergen? De drie jongens besluiten op onderzoek te gaan. Barron schreef met dit boek een gefantaseerd verhaal dat van historische gegevens gebruik maakt: het is een traditionele detective in Surinaamse setting. Barron verwerkte ook enkele politiek-sociale elementen. De eigen omgeving is natuurlijk iets wat de jeugd aanspreekt.

Het wrak van de Goslar in de Surinamerivier. Foto © Raw Fotografie


Opgevoed met westerse helden als Tarzan en Winnetou uit Amerikaanse kinderboeken en de olifant Babar uit de Franse kinderliteratuur, streeft Gerrit Barron doelbewust naar het creëren van eigen helden met wie Surinaamse kinderen zich kunnen identificeren in het proces van dekolonisering: Boni, Barron, Jolicoeur. Hij ziet het kinderboek als een middel om je eigen identiteit te ontdekken, trots te zijn op jezelf. ‘Daarom’, zegt hij, ‘zijn mijn boeken meer familieboeken, waarin niet alleen kinderen, maar alle gezinsleden zich kunnen herkennen.’ Nationalisme is voor Barron geen gepasseerd station. Daarin heeft Dobru hem geïnspireerd. Wie zijn wij? Kennen we ons land? Harold en Kela, de twee kinderen die in verschillende van zijn boeken voorkomen, brengt hij van het district Saramacca naar de stad: Het geheim van de Goslar, vandaar naar het binnenland: Bij Anoekoe in het dorp en naar Fort Buku in een binnenkort te verschijnen boek.

Behalve in Avonturen van Kira en Kisa gaat het ook in Titri en Toto en Het verhaal van Bati en Dew onder andere over de natuur van Suriname, maar ook saamhorigheid en medeleven spelen een belangrijke rol, zoals ook in De kinderen van Sadoema, waarin bakru-kinderen met een beperking blijken te zijn die hulp nodig hebben. Alle kinderboeken van Barron noemen is ondoenlijk. Het zijn er in ieder geval heel veel! Als extra verrassing geeft hij de laatste jaren bij elk boek een poster cadeau, als alternatief voor de Donald Duck-, Dora- en Assepoester-posters die in zoveel kinderkamers aan de muur hangen. In alles merk je het: Gerrit Barron wil kinderen én volwassenen trots maken op het eigene.

Hij is blij met het jaarlijkse Kinderboekenfestival, al spreekt hij liever van een Kinderfestival met het boek als thema. Bereiken we ons doel, namelijk van het kind een leisibakru maken? En wat doet het Minov? Barron verwijt het Minov een groot gebrek aan visie, het eigene komt in het onderwijs weinig of niet aan bod. In alle landen om ons heen worden kinderboeken van eigen bodem op school gebruikt, in Suriname niet. Het Minov is een conservatief bolwerk, waar teveel mensen zitten die ons onderwijs zien als een verlengstuk van het Nederlands onderwijs. Ten slotte, er is nog zoveel meer te zeggen over deze ‘lusumbe’ (duizendpoot). Zo heeft hij naast zijn bakru om kinderboeken te schrijven, ook spelletjes uitgegeven als Taxibo, die hier spelen. En hij heeft iets met plattegronden en landkaarten, waarin helden van Suriname een speciale plaats innemen en gebergten een nieuwe, Surinaamse naam krijgen. Zijn boodschap geeft hij ook door via zijn radiostation in Moengo, ‘Barrons Omroep Bedrijf’ (BOB).

Voor Barron geldt: ‘Sabi Su’ fosi, bifo yu kari kari ‘I love Su’!

woensdag 19 maart 2014

Ida Does: A Brief Interview with Repeating Islands

Derek Walcott and Ida Does in Cap Estate, Saint Lucia. Photo © Rebecca Roos

by Ivette Romero

Film director Ida Does was born in Suriname, and is of French, Chinese, and Dutch-Creole descent. She has worked as a journalist, researcher, writer, and documentary filmmaker for the past two decades and resides in Aruba and the Netherlands. She studied documentary filmmaking at the Media Academy in Hilversum and the Binger Film Institute in Amsterdam. After working at a broadcast company for five years, she went on to become an independent filmmaker and producer in 2007. Does has directed two award-winning documentaries about prominent, national figures of Suriname–freedom fighter Anton de Kom—Peace, Memories of Anton de Kom—and poet Trefossa (Henri Frans de Ziel)—Trefossa: I Am Not I. [See previous posts Forthcoming Film: Derek Walcott, Poetry is an Island and Film: Contributions Needed for “Poetry is an Island, Derek Walcott”.]

Does’ motto is a beautiful line by Leo Lionni: “From time to time, from the endless flow of our mental imagery, there emerges unexpectedly something that, vague though it may be, seems to carry the promise of a form, a meaning, and, more important, an irresistible poetic charge.” Here we ask her a few questions about her work, her sources of inspiration, and the poetic language of her films.

Repeating Islands (RI/IR): I love Leo Lionni’s thoughts on inspiration and creativity, which you have chosen as a motto; based on what he calls that “unexpectedly something,” What inspired you to create films on Trefossa, Anton de Kom, and Derek Walcott? Would you say that there is a quality that the three men shared that led you to this work?
Ida Does (ID): Yes, isn’t it just a wonderful motto? I’m a big fan of Lionni and his children’s book about Frederick, the mouse. I have read it to my children, and now read it to my grandchildren. As a matter of fact, I recently gave this book to Derek Walcott for his 84thBirthday. The way that Lionni describes what it means to be a poet, and the value it holds for the community is as simple as it is true. I love that simple, seemingly effortless way of telling stories. I very much relate to that approach in my own work.
If you ask me about my main films and the people they portray, one can only see the similarities afterwards; I didn’t plan it, it just happened that way. Looking back there definitely is a quality which these men share: They are all Caribbean pioneers! Trefossa was the first poet to publish a book in the lingua franca of my birth country Suriname, in 1957.  His poetry is extraordinary and meaningful, not only for the poetry itself, but also for the emancipation of our language and our collective self-esteem. Anton de Kom was the first black writer of Suriname who studied our colonial history and published a book We slaves of Suriname in 1934. His life was tragic, being banned from Suriname for his progressive views, then arrested by Nazis in the Netherlands, to later die in a Nazi concentration camp in Germany. And then of course Derek Walcott, the first colored Caribbean writer to win the Nobel Prize for Literature.
My inspiration to make films about these men might be explained by my fascination with history. I have a special relationship with the past, I want to touch it remember it, while I still can. I am always mindful of the passing nature of things, and I have a strong commitment to hold on to these people’s legacy, to tell the story of the contribution they made to our continuity as a group. They helped to define us, younger generations growing up in colonial en post colonial times. It fascinates me how some people find ways to rise above everything with their work and lives, and make such a difference in many people’s lives. People who possess this elusive blend of passion, character, talent, and courage.  By making these films I hope to preserve these individuals’ historical impact for other generations. Especially in the Caribbean context, where a lot of stories are still untold, unknown, hidden.

Derek Walcott in 2008. Foto © Bert Nienhuis

RI/IR: How does your background and lived experience shine through in your subject choices and your films as finished product?
ID: Being a child of the Caribbean myself, I am naturally attracted to stories from the region that feels most like home. My personal story is one of separation. I left my birth country when I was a young girl, and years later I had to leave it again as a young teacher and mother, after the brutal murders by the military regime in 1982. Since then, I have never returned to Suriname, and had to find a way to deal with that sense of separation and homesickness. I found this when I moved to Aruba. This is my country of (re)birth, a place that has stolen my heart, and that of my family. So, your question is not easy to answer. I suppose you could say that I am deeply in love with the Caribbean, its history, its diverse people, its languages, the diaspora, the longing, and the complexity of our identities. I feel ‘in body’ when I connect to artists and storytellers, scientists, who are, like me, looking for ways to discover our own narrative.

RI/IR: I was struck by the photo of Walcott on the first page of site for Poetry is an Island: Derek Walcott and the statement that explains that the documentary presents “an intimate portrait of the St Lucian Nobel laureate for literature set in his beloved native island.” How does a sense of “place” play a role in this documentary (and, perhaps, others you have directed)?
ID: Derek Walcott’s life is long and rich. This ‘fortunate traveler’ has indeed traveled the world and led an international life. The fact that he always remained closely connected with St. Lucia, the island he was born, intrigued me. From the very start I knew that I wanted to film Derek there… in St. Lucia, because I expected (and hoped) to meet him ‘at ease’ in the place that he loved so much. I was curious to film the St. Lucian landscape and to visit the villages that I had read about in Derek Walcott’s work. I wanted to feel and smell St. Lucia in the same palpable way that I experience Walcott’s poetry. Coming closer to Derek Walcott—to me—was to discover St. Lucia and the interaction between the man and the island. And then…meeting with the people that he writes about, the places he describes, the valleys that he portrays; it was so much more than a geographical discovery. When I was there, it felt like I could literally touch Derek’s work, the heart of it.  Which is what the film is all about. So, yes, the sense of ‘place’ is key in this film. I could have chosen to follow Derek on his journeys, or interview people around the globe about him and his work, but instead, I tried to zoom in and capture what I felt intuitively was the very essence of Derek Walcott. To me… that is.

Derek Walcott and his partner Sigrid Nama, in 2008, just before Walcott gave
 the forst Cola Debrot-lecture in Amsterdam. Photo © Bert Nienhuis


RI/IR: How was the reception/reaction of the general public and Walcott himself to Poetry is an Island?
ID: It was so wonderful. We have had several screenings and Derek Walcott was present at the World Premiere in Port of Spain (at the Trinidad &Tobago Film Festival) and at the Gala Event in St. Lucia during this year’s Nobel Laureate Week. He commented in public in Port of Spain (https://vimeo.com/75951373 ) and after the screening in St. Lucia he told me that he enjoyed it even more, watching it for the second time. Of course that is tremendously rewarding and I appreciated that he had never ever made demands to see the film before it was finished.  Based on the responses after the screenings, the emails that I received from people and all the comments and sweet hugs afterwards, I think people like the film. I look forward to more reviews coming out this year, I’d be curious to see how critics receive the film. On our Facebook page and via our website we receive requests to come to all kind of places around the world, so it’s still very exciting. Documentary Channel from Dutch television is enthusiastic about it, and they will screen it on national Dutch television. So yes, there is more to come, for sure.

Prof. Michiel van Kempen introducing Derek Walcott, lecturing in Amsterdam in 2008.
Next to Walcott is the chair of the meeting, prof. Joyce Goggin  Photo © Bert Nienhuis


RI/IR: As an artist, how do you express your own personal “poetic language” through the process of filmmaking?  Is this revealed in your selection of visual imagery and setting, dialogue, the type of research, or other choices you make as a director?
ID: This is an ongoing process. When we are filming on set, I am like a sponge… my senses are wide open to everything that is happening around me. I am fully present in the moment, fully focused on the energy that’s in the space and the details that are metaphors’ or could become metaphors at some point. By the time we turn on the camera and start the actual filming, I will have read and researched a lot. Often, I have to actively force myself to stop reading and researching, because I need to go into another mindset, when filming. I have to let things emerge…I place my faith in the moment and in reality. I love the phrase ‘romance of discovery’, that’s how I feel when filming. I only feel that I succeed as a filmmaker when my work touches people, on an emotional level, by what happens, emerges, arises. Most of the time it’s not explicit, and that means that I always look for a pace and small things of daily life that we all can relate to. In my choices of imagery, I have to trust my sense of being open to the unexpected and, here’s Lionni again, I just learn to follow ‘the promise of a form, a meaning and the irresistible poetic charge’. It is my goal to tell an honest and authentic story. Always. In doing that, I don’t try to ‘control’ the story, but I train myself to keep the eye of the poet.

For more on Ida Does, see her information at www.idadoes.nl

[from Repeating Islands, March 14th 2014]

Actors Felix Burleson and Paulette Smit play a scene from Walcott's theatre work. At the table
 from  left Sigrid Nama, Carel de Haseth, Els van der Plas and Derek Walcott.
 Photo © Bert Nienhuis



zondag 16 maart 2014

Stap naar Nederland groter dan je denkt

Lucia Martis. Foto's: © Mineke de Vries
door Mineke de Vries

Het is bijna haar levenswerk geworden: vanaf haar start in Nederland heeft Lucia Martis zich vanuit het welzijnswerk sterk gemaakt voor Antillianen en Arubanen in Nederland. “Veel mensen komen in de problemen door de taalbarrière, doordat ze geen huis of baan vinden of de weg kwijt zijn in de samenleving en komen als gevolg daarvan in de schulden, lopen onderwijsachterstand op, vervallen soms tot criminaliteit. Ik zie het als mijn persoonlijke missie dat mensen het goed hebben, dat iedereen die problemen heeft zijn weg weet te vinden en kan werken aan zijn toekomst.”


Alhoewel studenten worden opgevangen als ze naar Nederland komen, voor anderen die ‘’zomaar’’ komen, is er geen enkele opvang. Het is voor studenten al een hele klus hun weg te vinden, laat staan voor diegenen die zonder enige opvang op Amsterdam aankomen. Martis werkt vanuit ProFor - bureau voor samenlevingsopbouw - aan het opbouwen van de levens van mensen die zijn stukgelopen. Alhoewel het bureau toegankelijk is voor iedereen, blijkt zestig procent van Antilliaanse afkomst te zijn. “We hebben vanuit het verleden dan ook een enorme expertise opgebouwd met deze doelgroep.”

ProFor, wat betekent ‘voor kracht’, stelt zich ten doel vanuit die eigen kracht anderen te helpen, trainen en coachen. “Wij zijn laagdrempeliger dan het reguliere maatschappelijk werk, staan met onze voeten in de modder, helpen met alles wat er speelt rond die persoon en kijken niet op de klok. Aan de hand van de hulpvraag ontwikkelen we methodes en koppelen mensen zoveel mogelijk aan lopende projecten. We kijken dus naar het totale beeld van een cliënt en zijn of haar omgeving en pakken aan alle kanten aan, bieden de cliënt bijvoorbeeld ook nog taalles en sturen zijn kind naar onze huiswerkbegeleiding.”
 
Lucia Martis
Denk na voor je gaat
Het was anders toen Martis zelf in 1977 op 21-jarige leeftijd naar Nederland kwam en er opvangcentra voor Antillianen en Surinamers waren. “Je woonde daar de eerste tijd en werd met alles geholpen, je sofinummer aanvragen, beroepenoriëntatie, trainingen om te participeren in de samenleving, alles vanuit de opvang en het ministerie geregeld. Je werd snel zelfstandig gemaakt. Vanuit het opvangcentrum, dat bovendien banden had met de woningbouw werd naar een zelfstandige woonplek gezocht. Eigenlijk kwam iedereen goed terecht, dat is nu anders. Een fors aantal, dat komt om een nieuwe start te maken, komt terecht in een circuit van zwerven, soms stelen om te overleven.” Martis zegt niet genoeg te kunnen benadrukken dat mensen die de stap zetten om naar Nederland te komen zich vooraf uitgebreid moeten oriënteren: verdiepen in de samenleving, wetten en regels, websites bekijken. “Het is vechten om je doel te bereiken, zeker als je niemand hebt om je op te vangen en realiseer je dat het in Nederland crisis is, zo gemakkelijk kom je niet aan werk. En heb je geen werk en dus geen binding met een stad, kun je je er niet inschrijven. In de loop der jaren zijn de regels verscherpt, je komt niet zonder meer in de bijstand. Het is niet meer: ‘Nederland zorgt voor je vanaf je geboorte tot je dood’, je krijgt net voldoende om in leven te blijven. Zeker als je met kinderen komt, sleep je hen mee in een mogelijke mislukking. Want ook ten aanzien van kinderen zijn de regels verscherpt: zorg je niet goed voor ze, worden ze onder toezicht gesteld of soms uit huis geplaatst.” Nederland eist dat je participeert in de samenleving, een samenleving waarbij je op jezelf bent aangewezen. Martis: “Denk er serieus over na of je deze stap aankunt. Ondanks dat ik alle mensen een nieuw leven gun, is het soms beter in eigen land te blijven.”

Nederlands basis
Eén van de allerbelangrijkste criteria is in de ogen van Martis de taal. Beheers je het Nederlands niet, kom je in grote problemen in de samenleving, maar ook in je studie. Zelfs goede studenten worden drop-outs doordat ze hun lessen niet goed kunnen volgen. “Ik zou het tegen alle mensen en in het bijzonder tegen de beleidsmakers op Curaçao, de mensen in het onderwijs willen zeggen dat de beheersing van het Nederlands een voorwaarde is te slagen in de toch al zo gecompliceerde samenleving. Tegen ouders wil ik zeggen: praat en lees met je kinderen in die taal. Als inmiddels ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat mijn generatie enorm veel voordeel heeft gehad van het feit dat Nederlandse de voertaal was, zowel op school en vaak ook thuis.”
Het belang van goed taalonderwijs werd in 2008 nog eens onderstreept toen ProFor samen met het alfabetiseringsproject van Pro Alfa op Curaçao het Appeltje van Oranje kreeg, een prijs van het Oranjefonds die wordt uitgereikt aan organisaties die zich inzetten voor een betere samenleving. Met taalcursussen biedt Fundashon Pro Alfa mensen een tweede kans om beroeps- en taalvaardigheden te leren.

Antillianen grootste groep
Martis, geboren uit een Antilliaanse moeder en Surinaamse vader doorliep het Maria Immaculata Lyceum om daarna allerlei baantjes aan te pakken om te sparen voor haar ticket naar Nederland. “Ik wilde mijn vleugels uitslaan en Nederland leren kennen. Ik maakte een langzame start wat mij geholpen heeft nu in deze positie te zitten. Naast mijn werk via uitzendbureaus deed ik cursussen en behaalde uiteindelijk de HBO-management.”

In 1986 begon ze ‘onderaan’ in het welzijnswerk, wat haar zo greep dat ze zich ging specialiseren en er nooit meer wegging. “Met mijn werk bij het eerste Platform voor Antillianen en Arubanen (POAA) is de liefde voor het welzijnswerk geboren.” Vanuit dat platform ontstonden nieuwe organisaties, waaronder het huidige ProFor. Toen de overheid wilde gaan decentraliseren werd POAA afgebouwd en de gedecentraliseerde organisatie Forsa met dependances in het hele land gestart, gesubsidieerd vanuit de provincie. “Ik ging als vanzelf mee en klom op van coördinator naar manager naar lid van de Raad van Bestuur.” Toen de provincie in 1997 afwilde van uitsluitend categoriaal werken werd naast Forsa - die zich nu richt op medische zorg voor alle doelgroepen - dochter Profor opgericht, die alle welzijnstaken in alle doelgroepen verzorgt. “Van een puur Antilliaans/Arubaanse organisatie zijn we in een multiculturele organisatie veranderd. Ondanks dat we openstaan voor alle doelgroepen ligt onze kennis vanuit het verleden bij de Antillianen die zoals gezegd het merendeel van onze klantengroep vormen. Bovendien blijven er steeds nieuwe stromen komen, het is een migratievolk en heb je de ene groep op de rails, dient de volgende zich aan.”
Martis zat overigens ook in het oprichtingsbestuur van NiNsee, was actief in de landelijke Arubaanse vrouwenbeweging en bij Fostin, de Surinaamse organisatie voor 50-plussers.

Lucia Martis
Projecten
ProFor - die in en rond Amsterdam haar werkgebied heeft, maar ook van ver daarbuiten hulpvragen krijgt - heeft diverse projecten in huis. Eén daarvan is het maatjesproject. “We koppelen kinderen en jongeren met een hulpvraag aan een jongere van zijn eigen leeftijd om hem mee te trekken en te stimuleren. Ze trekken  een heel jaar met elkaar op, zowel thuis, op school, met sporten. Dit kan zowel op sociaal/emotioneel als op gezondheidsgebied zijn (bijvoorbeeld bij obesitas).” Binnen dit onderwijsproject Future Kids worden per jaar zo’n 150 kinderen begeleid, kinderen die op school een achterstand hebben als gevolg van taalproblemen, cultuurverschillen, armoede en onvoldoende stimulerende thuissituaties. Soms is er sprake van gedragsproblemen. Ouders worden op de hoogte gehouden door oudermiddagen, nieuwsbrieven en individuele gesprekken. 

Vaderrol
“Een prachtig project is het Family Coach project, waarin we gezinnen, ook eenoudergezinnen coachen op alle gebied. Meegaan naar artsen, maar ook begeleiding bij huiselijk geweld behoort daartoe. Een belangrijk speerpunt is de vaderrol. “We hebben de laatste jaren veel voor vrouwen gedaan, het is nu de beurt om vaders te empoweren hun vaderrol op te pakken. Vanuit de Antilliaanse achtergrond is dat een probleem, maar wij willen vaders wijzen op hun essentiële rol in de opvoeding. Daarnaast hebben we nog een seksualiteitproject. Door middel van theater bespreken we met jongeren en hun ouders thema’s als grenzen stellen, homoseksualiteit en acceptatie. Tot slot hebben we een blinden- en slechtziendenproject. Met een denktank willen we zicht krijgen op de situatie en de problemen van deze groep blinden en slechtzienden met een andere etnische achtergrond.” Overigens werkt ProFor bij elk project met een doelstelling, die aan het einde wordt getoetst en vergeleken met de nulmeting aan het begin.

Bij alle projecten biedt PorFor individuele begeleiding maar ook adviestrajecten en trainingen voor vrijwilligers, zelforganisaties, professionals uit  zorg/welzijn/onderwijs, instellingen en bedrijven, alles in het kader van diversiteit. “We zijn bruggenbouwers die werken aan betere communicatie en beter begrip.”
Ook op Curaçao, Bonaire en in Suriname werden in samenwerking met slachtofferhulp trainingen huiselijk geweld verzorgd. “Altijd als ik daar kom, zoek ik contact met sleutelfiguren om ook daar een bijdrage te leveren.”

Tienermoeders in Kas Broeder Pius
Foto © Catrien Ariëns
Samenwerking
Het was voor PorFor dramatisch dat per 2013 de subsidie werd stopgezet. Van een organisatie die bestond uit 35 betaalde krachten krompen ze in tot twee betaalde krachten en twintig vrijwilligers, want stoppen wilden ze niet. “We hebben veel professie in huis, er liggen trainingen op de plank die we in de loop der jaren hebben ontwikkeld, qua materiaal hebben we voldoende.” Er wordt aandacht besteed aan het trainen van vrijwilligers om professioneel te werken en daarbij werken ze met zo’n vijftig HBO-studenten van de Hogeschool van Amsterdam en de Sportacademie. “Het mes snijdt aan twee kanten: zij lopen bij ons stage en wij helpen met hun specialisaties, die wij op onze beurt weer gebruiken voor verdere specialisatie. Onlangs werd bijvoorbeeld door studenten een project over tienermoeders gedaan. Sommige tienermoeders willen graag een eigen baby’tje, maar hebben geen idee wat er bij komt kijken, sommige meiden durven gewoon niet voor zichzelf te kiezen. Dit soort grote sociale problemen moeten van huis uit worden opgepakt.” Overigens bleek uit het studentenonderzoek ook dat het aantal abortussen onder autochtonen veel hoger ligt dan onder allochtonen, een bijkomende verklaring voor de hoge aantallen tienerzwangerschappen onder Antilliaanse meisjes.”Wij stimuleren de meisjes na de bevalling overigens weer te gaan werken of naar school te gaan.” Naast de studenten probeert ProFor als leerbedrijf via incidentele projecten haar voortbestaan zeker te stellen.
 
Lucia Martis
Om de problematiek van geldgebrek, sociaal economische problemen te doorbreken, moet je de cirkel zien te doorbreken. “De basis zijn de ouders, hen moet je informeren over opvoeding, over de noodzaak van betrokkenheid van zowel moeder als vader. Deze betrokkenheid uit zich in meegaan naar ouderavonden, het blijven praten met je kind zodat je weet wat er in zijn hoofd omgaat, maar ook belangstelling voor de vrienden van je kind. Daarnaast is goed onderwijs onontbeerlijk. Wij blijven onverminderd werken aan opbouw, of het nu gaat om het terugdringen van criminaliteit, tienerzwangerschappen of huiselijk geweld. Heel soms raden we mensen aan om terug te gaan als het niet gaat. Gezinnen die geen plek vinden, zijn beter af om terug te gaan.”




dinsdag 4 maart 2014

Henna Goudzand Nahar interviewt Bart Römer en Antoine de Kom

Suriname 1729: Thomas is slaaf op de plantage Nieuw-Holland. Hij trekt de aandacht van Cornelis, de slavenmeester, die hem leert lezen en schrijven. De vriendschap met Jacob, de zoon van Cornelis, slaat om in vijandschap wanneer blijkt dat beide jongens hun oog laten vallen op hetzelfde meisje, Kwasiba. De gevolgen zijn verschrikkelijk…

Bart Römer schreef Kwakoe: een schrijnend verhaal over slavernij en kolonialisme, over trouw en verraad, over ethische normen en opportunisme, over onderdrukking en trouw zijn aan jezelf.

Moet een schrijver die authentieke etnische karakters wil neerzetten ook persé die etniciteit hebben, over die specifieke culturele bagage beschikken of is het hanteren van het juiste vertelperspectief in combinatie met een goede observatie en research de enige vereiste? Kan elke schrijver een Surinaams slavenverhaal net zo goed tot leven wekken als een Surinaamse schrijver? Over deze en andere vragen willen wij met u en de schrijver in gesprek gaan.

Antoine de Kom
Antoine de Kom  maakt vele vreemde werelden welhaast tastbaar, door zintuiglijkheid en krachtige beeldtaal te verenigen met slang en folklore. Tegelijk laat De Kom een diep verankerd engagement zien. Het doet hem verwijzen naar harde realiteiten en – gelukkig – de spot drijven met de rol van de dichter. Inderdaad, zijn poëzie is ‘napraten over wat nog te gebeuren staat’.(uit het juryverslag bij de nominatie voor de VSB Poëzieprijs 2014)
 Antoine de Kom is kleinzoon van de ons aller bekende Anton de Kom. Hij publiceerde sinds 1991 zes gedichtenbundels en met zijn laatste bundel Ritmisch zonder string won hij de VSB Poëzieprijs 2014. De Kom is forensisch psychiater in het Pieter Baan Centrum. Over de relatie tussen een psychiater en zijn patiënten publiceerde hij een bundeling fictieve gesprekken met historische misdadigers als keizer Nero en Osama Bin Laden in Het misdadige brein. Over het kwaad in onszelf.
Er is veel te bespreken.

Datum: zondag 9 maart 2014 aanvang 15.00 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname
Zeeburgerdijk 19-A
1093 SK Amsterdam

Toegang: € 5,00
Vooraf aanmelden verplicht.
T: 020 – 693 50 57
E: info@veronsur.org

Te bereiken met o.v.
Vanaf Adam C.S. bus 22 richting Indische Buurt, uitstappen halte Oostenburgergracht, de bus achterna lopen en op het kruispunt richting windmolen de Gooyer. Na de molen bij de verkeerslichten naar links. Ons Suriname is ca. 50 meter van de hoek.

Vanaf Adam C.S. met tram 4, 9, 16, 24 of 25 naar halte De Munt; daar overstappen op tram 14 richting Flevopark. Uitstappen halte Pontanusstraat/Zeeburgerstraat. Tram stopt voor de deur.


Vanaf Leidseplein of Weesperplein met tram 10 richting Azartplein. Uitstappen halte Hoogte Kadijk. Op het kruispunt richting windmolen de Gooyer. Na de molen bij de verkeerslichten naar links. Ons Suriname is ca. 50 meter van de hoek.

zaterdag 1 maart 2014

Erkenning van het leed

De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan in zijn werkkamer.
 Foto @ Mineke de Vries


door Mineke de Vries

Het past de Amsterdammers om nooit meer over de Gouden Eeuw te spreken zonder óók te spreken over het leed en het onrecht van de slavernij. Dat zijn de woorden van Eberhard van der Laan, burgemeester van Amsterdam, uitgesproken tijdens de plechtige herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij op 1 juli 2013. We spraken met hem onder andere over de schijnbare onverenigbaarheid tussen de twee jubilea die de stad Amsterdam in 2013 vierde -  naast ‘150 jaar afschaffing slavernij’ ook ‘400 jaar grachtengordel’ - en over de verantwoordelijkheid van de stad Amsterdam en die van hem als burgemeester daarin.

Vanuit zijn kamer in het stadhuis aan de Amstel kijkt hij rondom door grote glazen wanden zijn stad in. Een letterlijke transparantie die ook hem past, Eberhard van der Laan, Amsterdammer onder de Amsterdammers. Een emotionele man, die zich in de lange dagen die hij werkt, vastbijt in de idealen die hij nastreeft. Die graag praat, maar ook goed luistert. Die wil leren en ervaren. Een man die geraakt kan worden en vooral iets wil doen met datgene wat hij hoort.
Ook in de pijnlijke geschiedenis van het slavernijverleden verdiepte hij zich terdege. “Ondanks dat geschiedenis mijn hobby is, wist ik hier te weinig van. Op school leerden we er amper over, ja het boek De Negerhut van oom Tom. De slavernijgeschiedenis zit niet in ons collectieve geheugen, dat moeten we echt veranderen.” Op de herdenking zelf kijkt hij goed terug. “Het was indrukwekkend en emotioneel. Waardig en opgewekt tegelijk, dat maakte het tot een zeer bijzondere dag.”



Excuses of erkenning?
Op de herdenking klonken eenentwintig kanonschoten, net zoals op 1 juli 1863 in Paramaribo, waarmee 45.000 slaafgemaakten vrije mensen werden. Van der Laan: “Bijna niet voor te stellen aantallen. Bijna niet voor te stellen leed.” In de toespraken werden woorden van spijt en berouw geuit, zo door Lodewijk Asscher namens de regering. Ook Van der Laan sprak over de schaamte over wat is gebeurd. “We zijn belast met deze geschiedenis. En wanneer wij samen onze toekomst willen maken, is het immense leed dat onze voorouders de hunne aandeden ook onze pijn. Woorden van spijt en berouw horen daarbij.” Van der Laan realiseert zich dat velen hopen op excuses. “Als ik echter kijk naar de inhoud van de woorden spijt en berouw voelt het voor mij niet dat excuus daaraan iets zou toevoegen. Bovendien, hebben we onze excuses al niet aangeboden als we spreken van spijt?” Tevens voelt hij een aarzeling excuses te maken door latere generaties. “Is het niet erg gemakkelijk excuus te maken voor iets wat anderen deden? Hoe waardevol is dat? Tot slot moeten we eerlijk genoeg zijn om te kijken naar de juridische consequenties, waarbij het uiten van excuses mogelijk een basis zou scheppen voor herstelbetalingen. En daaraan moeten we mijns inziens niet beginnen.”
Voor Van der Laan is het belangrijkste dat we als nazaten van de plantage-eigenaren het leed dat is aangedaan volledig erkennen. “Dat is genoeg, dat is namelijk waarmee je verder komt. Niet met het indienen van claims, want daarmee kijk je paradoxaal genoeg juist de verkeerde kant op. Zo continueer je de ongelijkheid. En die is voorbij. Maar de pijn erkennen is wel degelijk nodig om mensen nu en in de toekomst goed te kunnen laten samenleven.”

Gevelsteen op het fronton van een huis aan het Amsterdamse Rokin.
Foto Museum Geelvinck


De neus op de feiten
Aan de grachtengordel, de trots van Amsterdam - die zelfs op de werelderfgoedlijst staat - vinden we de huizen van voormalige bewindhebbers van de West Indische Compagnie en de directeuren van de Sociëteit van Suriname, die zorg droeg voor het bestuur van Suriname én de aanvoer van slaven. Een concentratie van deze huizen ligt in de Gouden Bocht van de Herengracht. Bij één van die huizen op Herengracht 502, de ambtswoning van de burgemeester uit 1672 werd in 2004 een gedenksteen geplaatst.

Dit jaar viert Amsterdam feestelijk haar ‘400 jaar grachtengordel’, naast 150 jaar afschaffing slavernij. Een lastige combinatie zo op het eerste gezicht. Toch vindt Van der Laan het terecht het gelijktijdig te vieren. “De verbinding is juist goed. De grachtengordel betekent de kracht van Amsterdam. Wat in de 18e eeuw Parijs was, in de 19e eeuw Londen, in de 20e eeuw New York, was in de 17e eeuw Amsterdam. Maar liefst 70 procent van de wereldeconomie in de Gouden Eeuw was gebaseerd op Amsterdam. De eigenwaarde, het zelfrespect moeten we ook hieraan ophangen. We mogen trots zijn, maar moeten tegelijkertijd blijven praten over de keerzijde. De geschiedenis van Amsterdam met haar schitterende vruchten, daar zitten inderdaad zwarte bladzijden tussen.” Maar zonder de aandacht voor de fysieke panden kun je geen kennis opdoen over het verleden, we worden letterlijk met de neus op de feiten gedrukt. “Juist het geïmponeerd raken door de hoeveelheid fraaie grachtenpanden geeft inzicht.”
Hij ziet het als kans dit jaar bij al zijn toespraken die andere kant te belichten. “Of ik nu voor een zaal chique mensen sta of een economische lezing voor achthonderd Amsterdamse ondernemers houd, ik draag mijn kennis over, wat altijd leidt tot meer begrip.”
 
Gevelsteen aan een Amsterdams pand die herinnert
 aan de handel. in Suriname. Foto Museum Geelvinck
Burgemeesters tijdens slavernij
Het is een bekend gegeven dat regenten het systeem in stand hielden en  burgemeesters meewerkten aan de slavenhandel. Vanuit zijn rol als burgmeester nu probeert Van der Laan zich te verplaatsen in die tijd. Vanwege de driehoek van de handel - West Afrika, Antillen, Surinme, Nederland - was de slavernij in Amsterdam niet zichtbaar. Slechts de producten (suiker, koffie, tabak) kwamen naar Amsterdam als handelswaar, niet de slaven. “Men had hierdoor weinig besef van wat er aan de andere kant van de wereld gebeurde, de mensen hier in Amsterdam zagen de slaafgemaakten nauwelijks. Mensen toen wisten een fractie van wat wij nu weten. Bovendien moeten we niet vergeten - zonder te  bagatelliseren - dat hun context anders was, mensen leefden in een bloederiger, hardere wereld dan wij.” Het is moeilijk ons te verplaatsen in die tijd. “We kunnen naderhand mensen niet collectief gaan veroordelen. We kennen ze niet. We weten niet wat we zelf gedaan zouden hebben. Er zijn dramatische psychologische onderzoeken die aantonen dat we allemaal iets dergelijks in ons hebben als het erop aankomt, daar wil ik liever niet aan denken.”
Nadenkend kijkt Van der Laan door zijn raam naar het beeld van Spinoza, die uitkijkt over de Amstel. “Voor mij is Spinoza een wijze leermeester, maar heb je hem ooit gehoord over de periode van de slavernij? Van iemand die toch bepaald niet bang was, valt het me eigenlijk tegen dat hij er nooit iets over heeft gezegd.”

De pijn zit zo diep
Van der Laan voelt zich persoonlijk verantwoordelijk goed om te gaan met de slavernijgeschiedenis. ‘’Je spreekt mensen, leest erover en pas dan ervaar je hoe het leed zijn sporen heeft getrokken. Dat werd me pijnlijk duidelijk toen ik op de Afrikadag in Paradiso na mijn lezing werd aangesproken door een Keniaanse minister, het prototype van een trotse, zelfverzekerde vrouw. Ze bedankte me uitbundig, ik had haar dag gemaakt door over slavernij te praten. Ik was diep geraakt dat zelfs bij zo’n zelfbewuste vrouw de pijn zo diep zit.”
Zo bleef ook het boekje van Margo Morisson hem bij, waarin een vader aan het eind van zijn leven zijn zoon inlicht over het feit dat diens moeder ter vrije beschikking stond aan de plantage-eigenaar. Van der Laan: “Als dit met je gebeurt, hoe laag wordt dan je zelfbesef, het is een onvoorstelbare aanslag op je zelfwaarde als je te koop bent, of ter beschikking staat van iemand. Deze dingen mogen we niet vergeten, ze spelen nog steeds door in de nazaten van de slaafgemaakten. Als je bijvoorbeeld al leest dat van de mensen die pesten, de helft zelf is gepest, kun je de lijn doortrekken naar wat deze gevolgen zijn.”

Eberhard van der Laan
Foto @ Mineke de Vries
Elkaar aanspreken
Bovendien moeten we niet vergeten dat het ‘pas’ 150 jaar geleden is, aldus Van der Laan: “Bij Napoleon zit er maar twee handdrukken tussen. De korte tijd is geen verontschuldiging om 150 jaar later je verantwoordelijkheid niet te nemen. Als nazaten van de plantage-eigenaren moeten we ons doodschamen, maar elkaar wel blijven bejegenen om het goed te beseffen. We dienen mensen die er geen begrip voor hebben, er principieel op aan te spreken. Amsterdam heeft zich schuldig gemaakt, maar dankt een deel van zijn rijkdom aan de slavernij. Dat schept de verplichting dat je je verdiept in het leed om het te begrijpen, temeer daar er in Amsterdam velen uit de herkomstlanden wonen. Hoe kun je dan zo’n geschiedenis weglaten? Ik wil me sterk maken om dingen te bedenken om samen te komen. We moeten er met allen die in deze stad wonen iets moois van maken.”

Het stemt Van der Laan tevreden dat er dit herdenkingsjaar zoveel aandacht is en dat er zoveel exposities zijn, die naast de grachtengordel ook de slavernij laten zien. Hieruit blijkt dat het één niet meer zonder het ander kan. “Zo is er de expositie Swart op de Gracht - Slavernij en de Grachtengordel en persoonlijk vind ik de formule voor de expositie De Gouden eeuw maar nu met zwarte bladzijde een schitterende vondst; naast elk schilderij hangt een kanttekening vanuit een ander perspectief. Het is de kunst dingen zo om te buigen dat ze kunnen inspireren. Je kunt de geschiedenis niet uitpoetsen maar er wel op terugkijken en ervan leren. Zo zou je ook de beeltenissen op grachtenpanden die overduidelijk verwijzen naar de tijd van slavernij kunnen ombuigen. Daar zouden we een kunstenaar bij moeten betrekken om dat te realiseren. Ik wil daarover nadenken.”

Antilliaanse man.
Foto @ Bea Moedt
Antillen
Zelf was Van der Laan nooit op de Antillen of in Suriname. Het stond vaak op mijn buitenlandlijst in de tijd dat ik minster was. Als echte calvinist ben ik echter van mening dat je elk overheidsdubbeltje moet omdraaien. Ik vroeg me af waarom iedereen daar naartoe moest en dacht vaak: doe gewoon je werk. Wel kreeg ik in mijn ministerstijd veel te maken met de Antilliaanse gemeenschap, met name die in Rotterdam. Ik heb me uitermate veel zorgen gemaakt om de Antilliaanse kinderen die naar Nederland komen. Nog altijd ben ik van mening dat er echt een goede inburgering dient te zijn om kansen van deze generatie te verbeteren. Ook als advocaat zag ik veel mensen uit de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap. Als verzekeringsexpert, onder andere in de Bijlmer stond ik moeders bij in huurzaken. Ze wilden hun kinderen geven wat ook anderen hadden, maar konden hun huur niet meer betalen. Ik begreep ze. Kreeg ook begrip voor het matriarchale aspect in deze samenlevingen. Wat mij opviel als advocaat was dat je de kerels vrijwel nooit zag, ik had daar mijn vraagtekens bij, vaak waren ze werkloos. Het is treurig als kinderen niet de gewoonheid ervaren van ouders die samen voor hen knokken.”

Amsterdam voorbeeld
Als stadsbestuur van Amsterdam willen wij een verantwoordelijke hoofdstad zijn. We dienen de juiste attitude te hebben, een voorbeeld te zijn voor hoe we in het leven staan. Het op zoek zijn naar je verantwoordelijkheid wil ik uitstralen naar onze burgers maar ook naar de rest van Nederland. Als stad willen we de jaarlijkse herdenking continueren, zij het in bescheidener mate dan nu en geven we subsidie aan NiNsee, om het behoud van ons gemeenschappelijk verleden. Ik vind dat ook het rijk dat zou moeten doen. Verder wil ik ten aanzien van het onderwijs dat kennis over deze geschiedenis wordt overgebracht. We mogen het één nooit meer los zien van het ander. Onze burgers zijn enthousiast, dat merken we, er is verbinding en er blijkt veel respect te zijn voor de gemeente Amsterdam. We zijn op de goede weg. Waar ik kansen zie om te praten over deze geschiedenis zal ik dat niet nalaten.” Kansen grijpen betekent voor Van der Laan automatisch dat hij ook de kansen opzoekt.


“Ook staatsrechtelijk gezien moeten we ons er niet ‘van af maken’ Ik vind dat we ons terdege moeten bedwingen in het te gemakkelijk roepen: zoek het zelf uit. Het grootste goed dat we kunnen bieden is het leveren van een bijdrage aan het zelfvertrouwen van elk mens, van een volk als geheel. Want dat is het meest essentiële voor elk mens. Als er iets is wat we van ons slavernijverleden hebben geleerd, is het dat. We hebben de verantwoordelijkheid elkaar daarbij te ondersteunen. Wij als stad steken daarvoor onze nek uit.”

dinsdag 25 februari 2014

As a local: Pim de la Parra in Paramaribo

 
 Hendrikschool. Illustratie Leonie Bos
door Iñaki Oñorbe Genovesi

Filmmaker Pim de la Parra leidt ons langs zijn heden en vooral verleden in de hoofdstad van Suriname. Regisseur Pim de la Parra werd beroemd met films als Wan Pipel, over de onmogelijke liefde tussen een creoolse manen een hindoestaanse vrouw. Lang verbleef De la Parra in Nederland, maar de  afgelopen achttien jaar woont de ‘godfather van de minimal movie’ weer in zijn geliefde Paramaribo.
Huis aan de Costerstraat in Paramaribo

Surinames hoofdstad heeft een historisch centrum van houten gebouwen dat op de Unesco-Werelderfgoedlijst staat, maar ook de ruim 400 jaar oude stad ontkomt niet aan modernisering. Vele episodes uit De la Parra’s 74 jaar aan persoonlijke historie zijn zo verdwenen. Is dat erg? ‘Helemaal niet. Het is juist een cadeautje van het bestaan dat je op plekkenkomtwaar iets stond en nu niets meer is te zien’, meent De la Parra. Toch vindt hij het heerlijk om zo nu en dan vanuit zijn woning aan de Prins Hendrikstraat een rondje te maken langs plekken van vroeger en  herinneringen op te halen.

Een vaste stop is het ouderlijk huis van De la Parra aan de Costerstraat 79. ‘Hier stond ons huis. Een houten huis, heel groot, zinken dak. In 2008 heb ik het verkocht omdat het te veel onderhoud vergde. Bovendien liep de straat regelmatig onder water. Mijn dochters Bodil en Nina waren boos dat ik het huis verkocht. ‘Al onze herinneringen aan Suriname zullen er niet meer zijn’, zeiden ze. Speciaal voor hen heb ik de film Het laatste verlangen gemaakt, waarin het verhaal zich afspeelt in dat houten huis. Nu staat er niks meer’, zegt De la Parra met een grote glimlach.
Ooievaarsnest
Foto Michiel van Kempen

Vanaf die lege plek is het slechts een klein stukje lopen naar het indrukwekkende houten gebouw van de Hendrikschool. ‘Hier zat ik van mijn 12de tot mijn 14de. Het was een betamelijke school. Veel voorname Surinamers hebben er op school gezeten. De latere president Johan Ferrier was mijn leraar Nederlands. Hier hoorde ik ook voor het eerst dat kinderen niet door de ooievaar worden gebracht.’

Verderop in de straat staat de St. Petrus- en Paulus-Kathedraal, beter bekend als de Kathedraal van Paramaribo3: ‘Dit is de grootste van hout gemaakte kerk van Zuid-Amerika. Voor dat het een kerk werd, was dit gebouw een joodse schouwburg, De Verreezene Phoenix, opgericht door een van mijn voorouders. Van dat oorspronkelijke theater schijnt alleen nog een trap, links van de ingang, over te zijn.’

Op het Kerkplein staat een mooie hervormde kerk en een beeld van de Zuid-Amerikaanse bevrijdingsheld Simon Bolivar. ‘Maar dit plein is voor mij vooral de postbussen van Surpost4. Al die jaren dat ik in Nederland was, stuurde ik brieven naar mijn vader, die ze ophaalde uit postbusnummer 703. Nu krijg ik mijn post uit Nederland in postbus 703.’
Kruiswegstatie in de Kathedraal. Foto Settie

‘Meestal loop ik dan ook even langs boekhandel Vaco, de best gesorteerde boekhandel van Paramaribo. Vroeger heette die Varekamp.  Zonder deze winkel zou ik niet gevormd zijn. Surinamers zijn helaas geen boekenlezers. Ik weet niet waarom. Maar het is wel jammer.’

Ook een plek die verbonden is met De la Parra’s jeugd is Theater Thalia6. ‘Hier heb ik vaak schooluitvoeringen gehad. Daarnaast heb ik er vele operettes en toneelstukken gezien van grootheden als Albert Helman.  Jörgen Raymann treedt hier altijd op als hij naar Paramaribo komt. Dan wordt er groots uitgepakt.’

Schuin aan de overkant van de straat staat het Princess Hoteland Casino: ‘Dit was vroeger Star, ‘the one and only airconditioned movie palace in the Caribbean’. Hier is Wan Pipel in première gegaan en mijn eerste lange film Obsessions. Deze bioscoop was van Statenlid Emile De la Fuente. Om de hoek had hij ook bioscoop Tower8, waar ik La Strada van Federico Fellini heb gezien. Toen ik die film zag, wist ik: dat wil ik ook. Kijk het gebouw staat er nog, maar het is nu een verzekeringskantoor.

Boekhandel Vaco aan de Domineestraat. Foto Wim Lam Lion


‘Buitenlandse gasten neem ik graag mee naar de Palmentuin. Honderden koningspalmbomen staan in deze voormalige gouverneurstuin. Veel zien er niet meer zo fris uit. Maar het blijft een heerlijke plek. Paramariboianen komen er graag rond feestelijke dagen. Als kind kwam ik er vaak met mijn ouders om te picknicken. Bijzonder is ook het beeld van het jongetje Ruben van beeldhouwer Jozef Klas, ook de maker van het bekende vrijheidsbeeld Kwakoe. Ruben kwam om het leven door verstikking in de koelkast. Het beeld is een waarschuwing aan de Surinaamse gemeenschap om beter op hun kinderen te letten.


‘Tegenover de Palmentuin staat nu een vervallen pand waar ik op mijn 17de mijn eerste zoen heb gekregen. Zij was het zusje van een goede vriend. Ik zal haar naam niet noemen. Een dierbare herinnering elke keer als ik in het naastgelegen eetcafé Zus en Zoben. Een leuke plek met een sfeervolle en grote tuin waar je lekker kunt eten en waar ook boekpresentaties, muziekoptredens en filmavonden worden georganiseerd.’

[uit de Volkskrant, 8 februari 2014]

Pim de la Parra regisseert Willeke van Ammelrooy. Foto $corpio producties