Posts tonen met het label Hira Sandew. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hira Sandew. Alle posts tonen

zondag 16 maart 2014

Dekolonisatie van de geschiedschrijving, een poging tot een evenwichtige benadering

door Eric R. Jagdew

Al enkele jaren discussieert men over dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Deze discussie is na 2010 toegenomen, nadat Dew Baboeram door Nederlandse en Surinaamse historici beschuldigd werd van het bedrijven van wetenschappelijk kolonialisme. Vanwege de nogal eenzijdige beïnvloeding van de publieke opinie is onterecht een indruk ontstaan alsof de afgelopen 40 jaar niets is gedaan aan het surinamiseren van de Surinaamse geschiedenis. Dit is dan ook de reden waarom ik in de pen ben geklommen en deze reactie heb geschreven. Het doel hiervan is de Surinamers, maar vooral de politici en beleidsmakers erop attent te maken dat dekolonisatie een lang proces is en in dit proces zij geloof moeten hebben in hun eigen mensen en vooral zichzelf goed moeten laten informeren. In feite moeten wij als volk veel meer gaan lezen en niet klakkeloos aannemen wat anderen zeggen, dus kritisch denken en handelen; maar vooral eerlijk zijn, hetgeen ik enigszins mis in deze discussie.

Voor de duidelijkheid moet worden vermeld dat het proces van surinamisering van het onderwijs en de geschiedschrijving lang vóór de onafhankelijkheid, met name na de Tweede Wereldoorlog met de zogenoemde ‘Baas in Eigen Huis’-beweging op gang is gekomen. Met de onafhankelijkheid in 1975 en de staatsgreep van 1980 kwam de dekolonisatie van de geschiedschrijving beter op gang: er werden nieuwe leerdoelen en methoden ontwikkeld voor het basisonderwijs en deels voor het voortgezet onderwijs. Zie hiervoor onder meer Doelstellingen voor het geschiedenisonderwijs bij het LO en VOJ (Jagdew, 2010). Zo werd ook de naam van de universiteit van Suriname veranderd in de Anton de Kom Universiteit van Suriname (Jagdew, 2011), mede door het dekolonisatieproces in de regio en de ‘Derde Wereld’-gedachte. Vanaf deze periode begonnen de in Suriname woonachtige academici ook westerse theorieën te toetsen door meer naar de regio te kijken en door meer aan geïntegreerde wetenschapsbeoefening te doen. Voorbeelden hiervan zijn Jack Menke, Glenn Sankatsing, Marten Schalkwijk en anderen. (Menke, 2011).

Waldo Heilbron
In een artikel uit het derde nummer van His/her Tori. Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, heb ik (Jagdew, 2012) aangegeven waarom er na een periode van vernieuwingen een vertraging optrad in het proces van surinamisering. De realiteit is dat wij het Surinaamse onderwijs enigszins hebben kunnen surinamiseren, maar de daadwerkelijke dekolonisatie van de geschiedschrijving in Suriname is uitgebleven. Dit komt omdat het Surinaams kader in de jaren ’80 en ’90 moest hosselen om te overleven en daardoor geen tijd had om zich bezig te houden met vernieuwingen. Zo is er ook verzuimd al die tijd genoeg eigen academisch geschoolde historici op te leiden en hen die tools aan te reiken, opdat zij het proces van surinamisering konden voortzetten (Hassankhan, 2013). Hiermee zeg ik niet dat (Surinaamse) academici in het buitenland en dus ook in Nederland geen bijdrage hebben geleverd aan dit proces. Integendeel, er is een bijdrage geleverd door onder anderen Waldo Heilbron, Glenn Willemsen, Ruben Gowricharn en Sandew Hira. Laatstgenoemde, beïnvloed door het marxisme, schreef de Surinaamse geschiedenis vanuit een socialistische bril.


Als deeltijdse medewerker op de afdeling curriculumontwikkeling kreeg ik aan het begin van deze eeuw het doelstellingenboekje voor het geschiedenisonderwijs in handen en mocht op basis hiervan de geschiedenisboekjes van de vierde en vijfde klas van de lagere school herschrijven. Gaandeweg het proces werd onder leiding van Linda Sairras-Rozenblad, Ewald Joemratie en Fariel Izaak ook een nieuw leerplan ontwikkeld voor het basisonderwijs, met name voor het geschiedenisonderwijs. Op basis van dit leerplan, dat toen breedvoerig is besproken met nagenoeg alle stakeholders binnen het Surinaamse onderwijs, hebben Eric Jagdew, Joyce Playfair en later Roekminie Sewradj-Debipersad de geschiedenisleerboekjes van klasse vier en vijf van het gewoon lager onderwijs herschreven. Degenen die achterbleven op CO/MINOV hebben vervolgens na 2007 aan boekje zes gewerkt.

Ik wil in deze reactie expliciet het geschiedenisboekje van leerjaar vijf van het basisonderwijs behandelen, omdat critici bij de discussie over herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, hun afkeuring uitspreken over de gehele geschiedenismethode van het lager onderwijs zonder vooraf dit boekje grondig te hebben doorgenomen. Met onderstaande passages uit boekje vijf wil ik aantonen dat de situatie anders is.
De Gazon Matodja Award

Op de bladzijden 8, 50 en 52 wordt onder meer de leerling geleerd over het ware karakter van het kolonialisme, namelijk onderdrukking en uitbuiting. Pagina 8: ‘Ons land is van 1667 tot 1975 een kolonie geweest van Nederland en is daardoor eeuwenlang uitgebuit. De rijkdommen van Suriname werden door Nederland weggedragen en niet gebruikt om ons land tot ontwikkeling (bloei) te brengen.’ Pagina 50: ‘De Spanjaarden veroverden en onderdrukten de Indianen omdat ze betere wapens hadden. Uit hebzucht stalen de Spanjaarden de rijkdommen van de Indianen. Daarnaast beroofden zij de Indianen van hun vruchtbare gronden en hun vrijheid.’ Pagina 52: ‘Deze (wereld)handel was echter oneerlijk en ongelijk, want alleen Europa verdiende eraan. Europa maakte grote winsten ten koste van de andere werelddelen. Europa werd rijker en rijker en Afrika, Azië en Amerika werden alleen maar armer.
Hernán Cortez

De leerlingen worden in dit boekje ook doelbewust aan het denken gezet over het onrechtvaardig handelen van de blanke kolonisten in Suriname. Hiertoe wordt op bladzijde 60 in vraag 4 gesteld: ‘In 1593 liet de Spaanse koning Filips II Guyana in bezit nemen door Domingo de Vera. Vind je dat de Spanjaarden het recht hadden om dat te doen? Waarom zeg je ja of nee?’ En op de bladzijde 66 wordt de volgende vraag gesteld: ‘In 1662 gaf de koning van Engeland Suriname als eigendom aan Willoughby en Laurens Hide. Mocht de koning dat wel doen?’

Bij het ontwikkelen van boekje vijf vonden we, dat de kinderen naast vaderlandsliefde ook de wreedheid van slavenhandel en slavernij bijgebracht moest worden, en dat de Nederlandse slavenhandelaren wrede slavendrijvers waren. In dit kader staat er op bladzijde 82: ‘Deze reis (van Afrika naar Suriname) was voor de slaven een echte marteling. In de kleine scheepsruimten waren zij gedurende de hele reis aan elkaar vastgebonden’, en op pagina 93: ‘Als hij (de meester) vond dat de slaven niet hard genoeg werkten of brutaal waren, kregen zij zeer wrede straffen. Als straf kon de slaaf zweepslagen krijgen of de Spaanse bok, maar hij kon ook worden verminkt’. Natuurlijk waren onze voorouders heldhaftige mensen die in verzet kwamen tegen de onderdrukking en uitbuiting. Hierover staat er respectievelijk op de bladzijden 70, 103 en 112 letterlijk: ‘De blanke soldaten konden de dappere Indianen en Marrons niet verslaan. Daarom sloot de gouverneur vrede met hen’; ‘De slaven in de stad en op de plantages keurden de slavernij af. Zij waren niet bereid in deze slechte situatie te leven. Daarom leverden zij strijd om vrije mensen te zijn’, en ‘De Marrons beschikten over weinig wapens, maar wel veel moed om te strijden. Zij voerden een soort guerrillaoorlog tegen de blanken’.
Dit zijn slechts enkele opsommingen, maar er zullen in het boekje hier en daar nog wat zinnen en woorden voorkomen die herschreven moeten worden. Echter, laten wij als wij onszelf willen ‘promoten’ niet halve waarheden en leugens verspreiden, maar aan een evenwichtige benadering van zaken doen.
Maagdenstraat Paramaribo, ca. 1940

Geraadpleegde literatuur:
- Hassankhan, M.S.: ‘Dekolonisatie van de geschiedschrijving van Suriname. Een utopie?’ In: M.S. Hassankhan, J.L. Egger & E.R. Jagdew: Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk, deel 1. Paramaribo: AdeKUS, 2013: pp. 47-89;
- Jagdew, E.R.: ‘The Development of the History Education in Suriname, 1667-present day. From Dutchifying to Surinamising’. In: Report Policy Dialogue Workshop, pp. 14-38. (UWI St. Augustine, december 2009): pp. 14-38;
- Jagdew, E.R.: ‘Anton de Kom en de februari opstand van 1933 in Suriname. Een historiografische beschrijving, 1929-heden’. In: Universiteitsblad AdeKUS: Interactie, 2011, nr. 09, pp. 19-41;
- Jagdew, E.R.: ‘Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Waarom is die uitgebleven?’ In: His/her Tori (juli 2012), pp. 5-15;
- Menke, Jack: Het spanningsveld tussen methodologie en diversiteit in de samenleving’, inaugurele rede (...) bij aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Sociale Wetenschappen (...), 2009;
- Wij en ons verleden: De geschiedenis van ons volk voor de vijfde klas van het basisonderwijs. Leerlingenboek leerjaar 5. Paramaribo: MINOV/Afdeling Curriculumontwikkeling, 2007.


donderdag 13 maart 2014

Gevoelige kwesties

Sandew Hira
door Sandew Hira

De afgelopen twee weken in Suriname waren voor mij de meest inspirerende van de afgelopen jaren. Ik ben in een korte tijd veel ervaringen rijker geworden.
Op uitnodiging van Prof. Dr. Henri Ori geef ik colleges op de Anton de Kom Universiteit aan de studierichting Master in Education for Research and Sustainable Development in het vak Ontwikkelingstheorieën. In Europa en Amerika gaat de discussie over duurzame ontwikkeling veelal over de relatie tussen milieu en economie. Ik breng in de colleges de dimensie in van stabiliteit van sociaal-economische verhoudingen in landen die gekoloniseerd zijn geweest. Meer dan milieu zijn politieke, sociale, economische en etnische spanningen een bedreiging voor de duurzaamheid van een samenleving.
Henry Ori

Ik deed een oefening met de studenten met als doel om hun empathie, het vermogen om je in te leven in de gevoelens van een ander, te vergroten. De studenten moesten per etnische groep aangeven welke uitspraken als beledigend worden ervaren door die groep. Er was een discussie of Marrons een apart etnische groep zijn dan ‘Creolen’, want beide zijn Afro-Surinamers, mensen met een basis in Afrika.
Het gaat niet om het benoemen van vooroordelen. Dat klinkt neutraal. Het gaat om het benoemen van beledigingen. Je moet je realiseren dat het beledigend is om negatieve eigenschappen van een individu toe te kennen aan een groep en waarom mensen uit die groep het als een belediging ervaren.

Sheriva Truideman

De studentenpopulatie is behoorlijk gemengd. Er kunnen verschillende dingen gebeuren tijdens deze oefening. Niemand durft beledigingen te noemen uit vrees dat de ander zou kunnen denken dat je je eigen opvattingen daarmee verraadt. Sommigen formuleren de beledigingen met aarzelingen en omslachtige formuleringen, waardoor je niet to the point komt met als gevolg dat het wantrouwen tegen je eerder versterkt dan verzwakt wordt. Om een belediging te formuleren in de context van een oefening moet de moderator eerst een veilige en oprechte omgeving creëren die duidelijk maakt dat het doel is om de empathie te vergroten. En ze kwamen los: Chinezen zijn vies; Hindostanen zijn gierig, Creolen zijn lui, Marrons zijn achterlijk, Javanen zijn corrupt, Inheemsen zijn dom, witte mensen stinken.
We hebben lijstjes gemaakt per etnische groep. We hebben gebrainstormd over de vraag wat iemand uit een etnische groep als een compliment zou ervaren. We hebben gediscussieerd over theoretische vraagstukken over wat de essentie is van etnische identiteit.
Albert Roessingh - Javaans paar

En ik werd met de minuut optimistischer over de toekomst van Suriname. Het is mogelijk om gevoelige kwesties op een ontspannen en eerlijke manier onder ogen te zien. Je moet een open houding hebben om te willen luisteren naar de ander. Je komt dan te weten wat je niet weet.

Vorige week donderdag zat ik een bijeenkomst voor met de jurist Patricia Meulenhof en Robert Connell die onderzoek doet naar grondrechten van Marrons in Jamaica en Suriname. Ik had eerder in een column het vraagstuk aangekaart in hoeverre sinds de vredesverdragen de Marrongemeenschappen een staat zijn binnen een staat zijn en of er sprake is van een vraagstuk over soevereiniteit. Ik had niet door dat ik met de introductie van het begrip ‘soevereiniteit’ een heel gevoelige snaar had geraakt in de Surinaamse samenleving. Ik kwam er gauw genoeg achter. De zaal kwam los. “Wat is het doel van die vergelijking? Is het om marrons in een kwaad daglicht te stellen?”
Ik was verbaasd. Ik dacht dat ik een intellectuele discussie had aangekaart, maar er leeft een sentiment dat ik niet kende, namelijk dat Marrons veeleisend zijn en onterecht rechten claimen die anderen niet hebben. Mijn analyse had dat sentiment versterkt, zo bleek mij tijdens de discussie.
Patricia Meulenhof
De opmerkelijke en optimistische kant van de discussie is dat verschillende sprekers zich nadrukkelijk keerden tegen het concept van soevereiniteit. Later vroeg ik Patricia Meulenhof: “Wat willen de marrons nou precies?” Zij legde me uit dat de marrons net als in Guyana en andere landen willen dat de positie van tribale gemeenschappen in de wet wordt vastgelegd. Is dat onredelijk? Het lijkt mij niet.

Mijn optimisme werd versterkt door de reactie in de samenleving op oproepen van o.a. Brunswijk om alle marronpartijen te bundelen in een grote eenheid. Niemand maakte de marrons uit voor racisten. Als Santokhi een oproep zou doen aan alle Hindostaanse partijen om zich te bundelen in één grote Hindostaanse partij, zou hij onmiddellijk voor racist worden uitgemaakt. Hoe verklaar je dat verschil? Het laat zien dat er in de Surinaamse gemeenschap het idee leeft dat sommige etnische groepen achtergesteld zijn en het legitiem is om hun emancipatie te bevorderen door zich samen te bundelen. Marrons worden beschouwd als een achtergestelde groep en Hindostanen niet. Een oproep tot bundeling van Hindostaanse partijen zou niet gezien wordt als een poging om een einde te maken aan achterstelling, maar een poging om een begin te maken met etnische dominantie.

Foto Raw Fotografie
Een geweldige ervaring had ik bij de cursus Herschrijving van de Surinaamse gschiedenis die ik samen met Prof. Dr. Stephen Small verzorgde, Ik deed de eerste week en Stephen de tweede. De cursus werd georganiseerd door het Nationaal Archief Suriname (NAS). Soewarto Moestadja, minister van Binnenlandse Zaken en verantwoordelijk voor het archief, had zich persoonlijk gecommitteerd aan dit traject. Hij opende de cursus en plaatste het in het kader van het regeringsbeleid om de geschiedenis te herschrijven vanuit een gedekoloniseerd perspectief. Toen Stephen Small arriveerde heb ik met hem en Rita Tjien Fooh, directeur van het NAS, een ontmoeting op het ministerie gehad om de follow-up te bespreken. De follow-up bestaat uit vijf onderdelen: het opzetten van een nieuwsbrief voor de community van mensen die geïnteresseerd zijn in de herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, het opzetten van een onderzoeksprogramma om wetenschappelijk onderzoek te bevorderen, het uitgeven van een serie bronnenpublicaties door het NAS om originele bronnen te ontsluiten, het publiceren van een boek op 8 maart 2015 over de positie van vrouwen in de Surinaamse geschiedenis en een follow-up cursus in 2015 waarin de geschiedenis van Suriname wordt vergeleken met de geschiedenis van andere landen.

Op de laatste dag van mijn cursusonderdeel kaartte ik een gevoelige discussie aan: hoe behandelen we 8 december in de Surinaamse geschiedschrijving? Er waren ongeveer 40 cursisten aanwezig met uiteenlopende opvattingen over 8 december. Hoe bespreek je in zo’n gezelschap deze super sensitieve kwestie? Rita Tjien Fooh had publiekelijk in de Ware Tijd aangekondigd dat gevoelige onderwerpen niet van de historische agenda moeten worden gehaald. Er zijn verschillende perspectieven die met elkaar in dialoog moeten gaan: “Maar we moeten eruit komen.”
Bij de bespreking had ik het volgende gesteld. Niemand mag een ander onderbreken. Je moet je eigen mening geven en hoef[t] niet in discussie te gaan. Dit is een begin, niet het einde van het traject over 8 december en geschiedschrijving.
Er was een ingetogen sfeer waarin de emoties als zware wolken boven het gezelschap hingen. Eén persoon plaatste 8 december direct in een groter kader: hoe zit het met Moiwana? Waarom alleen 8 december?
Een ander gaf aan hoe zwaar het op haar maag lag: “Ik was lid van de volksmilitie. Ik wil er voorlopig niet over praten.”
En zo waren er verschillende bijdragen vanuit verschillende invalshoeken. Diep in mij woedden verschillende emoties, maar er was één van vreugde. We zijn in staat om toch een tipje te lichten van de sluier op een taboe waarover we niet graag praten. Het was een klein onderdeel van de cursus, maar niet onbelangrijk.
Het Moiwana monument

Deze exercitie heeft me gesterkt in de overtuiging dat er een maatschappelijke oplossing moet komen voor 8 december en Moiwana. De spanning die op dit onderwerp ligt, kan vroeg of laat de stabiliteit van de samenleving bedreiging. Stel je voor dat bij de nieuwe verkiezingen Santokhi wint. Stel dat het 8 Decemberstrafproces leidt tot de uitspraak dat Bouterse schuldig is. Wat gaat Santokhi doen? Hij heeft twee opties.
De eerste is om de uitspraak te respecteren en Bouterse te laten arresteren. Wat gebeurt er dan? Wie dit soort sociale processen analyseert, weet dat het zal leiden tot een geweldsexplosie. Het vragen van buitenlandse hulp bij de arrestatie zal het probleem van geweld alleen maar verergeren.
De tweede optie is verraad te plegen aan iedereen die pleitte voor het proces. En dat verraad houdt in dat Santokhi zelf amnestie geeft om een geweldsexplosie te voorkomen.
Meer opties heeft hij niet. En beide opties zijn loose-loose-opties.

Zelfs als Bouterse morgen aan een hartaanval sterft, zal de spanning van 8 december en Moiwana niet verdwijnen uit de samenleving omdat er dan een erfenis is waarmee gedeald moet worden.
De amnestiewet van de regering is ook geen oplossing. De dader die zichzelf amnestie geeft heeft daarmee iedere morele basis verloren om die amnestie legitimeren. Je kunt jezelf niet vergeven voor een misdaad. Iemand anders moet je vergeven, als vergeving in plaats van waarheidsvinding aan de orde is.

Mijn conclusie is dat in de afgelopen 32 jaar de politiek geen oplossing heeft weten te brengen in dit probleem. Die oplossing moet van het volk komen. Ik pleit voor een oplossing gebaseerd op drie punten:
1. Intrekking van de amnestiewet.
2. Stopzetting van het 8 decemberproces.
3. Instelling van een waarheidscommissie van onderaf met de bevoegdheid om amnestie te verlenen.

Die punten roepen tal van vragen op, die we in de komende tijd ook moeten bespreken. Maar de kern van deze oplossing is dat we kiezen voor een bepaalde vorm van gerechtigheid. Gerechtigheid heeft twee dimensies: straf en waarheidsvinding. Soms kan waarheidsvinding louterend werken en straf overbodig maken.
Het doel van deze oplossing is dat in de samenleving een atmosfeer ontstaat waarbij grote delen van de bevolking erkent dat we 8 december en Moiwana niet afgesloten hebben, maar een afsluiting absoluut noodzakelijk is. De afsluiting houdt in dat mensen van verschillende kampen elkaar recht in de ogen kunnen kijken en tegen elkaar kunnen zeggen: we hebben het probleem samen opgelost via het mechanisme van waarheidsvinding. Het gaat niet om verzoening. Het gaat er niet om dat iemand spijt en berouw toont. Het gaat er om dat de waarheid boven tafel komt, met alle complicaties die horen bij waarheidsvinding. Maar aan het eind kunnen we tegen elkaar zeggen: we hebben het afgesloten en gaan samen verder. We hebben het mechanisme van geweldloosheid toegepast om een oplossing te bereiken.

Ik pleit al lang voor deze oplossing, maar het heeft tot nu toe geen maatschappelijke weerklank gevonden. De sessie met de cursisten van NAS hebben [heeft] me gesterkt in de overtuiging dat we een open houding moeten ontwikkelen over de kwestie.
Melvin Linscheer

Toeval bestaat niet. Kort na mijn aankomst in Suriname had ik een gesprek met een goede vriend van me. Na onze warme ontmoeting zei hij dat hij een boodschap voor me had van Melvin Linscheer, directeur Nationale Veiligheid. Linscheer wil een gesprek met me. Hij kent Linscheer heel goed.
Ik was stomverbaasd. Linscheer? Dat is toch de beul van het binnenland, de rechterhand van Bouterse. “No way”, antwoordde ik geschokt. Ik heb gezworen om me nooit in de positie te plaatsen dat ik in de nabijheid van Bouterse zou komen. Met Linscheer lijkt het alsof ik direct met Bouterse praat.
Ik heb veel respect voor mijn vriend. We delen gemeenschappelijke ervaringen en gaan lang met elkaar terug in de tijd. Hij legde me omstandig uit hoe zijn contact met Linscheer zich heeft ontwikkeld. De beeldvorming rond Linscheer is in zijn ervaring onjuist.
Wat is mijn beeld van Linscheer? Ik weet niet eens hoe de man eruit ziet. Ik had het idee van een sinister en duister type uit de onderwereld van veiligheidsdiensten, CIA, geweld en zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Later zou ik hem googelen en zag foto’s van hoe hij eruit zag.
Mijn vriend en ik spraken heel lang over zijn ervaringen met Linscheer. Zijn boodschap was: Linscheer zoekt naar oplossingen voor 8 december (Moiwana was niet in zijn verhaal opgenomen, zoals ik het heb leren opnemen door de bijdrage van een cursist).
“Wat verlies je om met hem te praten?”, zei mijn vriend. “Misschien moet je een open houding ontwikkelen in deze kwestie.”
Ik liet me overtuigen. Tegen het advies van mijn vrouw in en met veel tegenzin ging ik naar een ontmoetingsplaats die mijn vriend had georganiseerd. Ik kwam eerst aan. Ik was in een lege kamer met een bureau en twee stoelen naast het bureau. Linscheer kwam later binnen.

Bij de voorbereiding denk je veel na over hoe je het gesprek in wilt gaan en hoe je eruit wilt komen. Wat wil de man van mij? Ik ben een eenvoudige columnist bij een veelgelezen medium dat vecht om het hoofd boven water te houden. Ik heb geen macht, geen organisatie. Ik kan niemand opdragen om iets te doen. Ik heb alleen de kracht van het idee, zoals het idee van Decolonizing the Mind of het idee van een morele oplossing voor 8 december en Moiwana. Ik weet dat als een gedachte eenmaal maatschappelijk worteling vindt het transformeert van een idee naar een sociale kracht.
Hij kan met mij ook niet over iets onderhandelen. Ik wil geen geld, dus heeft het geen zin om me geld aan te bieden. Ik wil geen positie, dus kom daar niet mee. Wat valt er dan verder te bespreken?

Linscheer kwam binnen met een uitstraling van een intellectueel in plaats van een CIA-baas. Na plichtplegingen van beschaving en wat omcirkelende small talk begon hij met een analyse over zijn zorgen m.b.t. de langetermijnveiligheid van Suriname en de noodzaak van een structurele en fundamentele oplossing van de kwestie van 8 december (en Moiwana voor mij).
Hij zag de noodzaak in, kende mijn voorstellen uit mijn columns – hij leest al mijn columns - en stelde voor om een vertrouwensrelatie met elkaar te ontwikkelen om een oplossing te vinden. Ik luisterde, onderbrak hem af en toe met wat vragen en probeerde in te schatten: wie heb ik voor me en waarom zou ik hem vertrouwen?
Hij had één voordeel die mijn mind niet liet dichtklappen. Hij analyseerde als een intellectueel en stelde zich open voor discussie. Hij vroeg naar mijn mening en wilde niets van me hebben. Er was geen onderhandeling ergens over. Het was een gesprek over analyses.
We spraken bijna anderhalf uur over de spanningen in de Surinaamse samenleving en onze visies over hoe die op te lossen. We spraken lang over mijn oplossing en de praktische problemen hieromtrent. Hij stelde voor om onze gesprekken in de komende maanden te continueren en te proberen oplossingen te formuleren.
Ik stelde het volgende voor. Mijn oplossing is helder en duidelijk. De vraag aan jou is: wil je de mogelijkheden onderzoeken om een maatschappelijk draagvlak te scheppen voor deze oplossing? Dan hebben we iets om over te praten in de komende maanden. In dat proces kunnen wij dan een vertrouwensband opbouwen om die oplossingen te realiseren.
Hij antwoordde bevestigend. Hij wil de mogelijkheden onderzoeken.
Ik zei dat ik niets en niemand vertegenwoordig en alleen de kracht heb van ideeën. Ik zie dus geen geheim onderhandelingstraject, maar een publieke discussie. Ik stelde voor om ons gesprek in de openbaarheid te brengen via een column, die ik nota bene niet eens vooraf aan hem zal voorleggen hoewel hij daar recht op heeft, gegeven het feit dat het ook een verslag van zijn bijdrage aan het gesprek is. Hij had er geen probleem mee.
We wisselden onze gegevens uit en namen afscheid.

Hoe moet het nu verder?
Ik wil een maatschappelijke discussie die moet leiden tot een situatie waarin we 8 december en Moiwana een respectvolle plek geven in het leven en het geheugen van ons volk en het tijdperk van taboe en spanning kunnen afsluiten. Ik wil een maatschappelijke discussie over de drie punten. In beide kampen zullen er tegenstanders zijn, maar ik hoop dat voorstanders in beide kampen voor de drie punten oplossing zich in de komende maanden gaan buigen over dit idee.
Ik weet niet waar dit naartoe zal leiden. Misschien kost het Linscheer zijn kop als directeur Nationale Veiligheid omdat hij een oplossingsmodel overweegt dat zijn baas niet ziet zitten. Misschien krijg ik weer bedreigingen van mensen om mij een kopje kleiner te maken. Ik heb lang geleden al een besluit genomen over de vraag hoe om te gaan met angst voor de dood: liever staande te sterven dan knielend te leven.

Ik weet dat mijn ouders zich tegen mijn handelingen zouden keren, omdat hun verdriet een onmetelijke omvang had bereikt. Dat verdriet en die wetenschap draag ik met me mee.
Ik put kracht uit de Bhagvad Gita waar Arjuna in gesprek met Heer Krishna het dilemma tussen persoonlijke wensen en sociale verantwoordelijkheid trotseerde met de gedachte dat persoonlijke gevoelens ondergeschikt moeten worden gemaakt aan sociale plichten.
Ik put kracht uit de uitspraak van Mahatma Gandhi over oog-om-oog, tand-om-tand: een eye for an eye makes everyone blind.

Deze hele week ben ik bij mijn vrienden van Fundashon Museo Tula op Curaçao voor een traject van Decolonizing the Mind. Ik heb besloten om het contact met Linscheer voorlopig voor te zetten tegen alle emoties in mijn lichaam in die hiertegen pleiten.

[van Starnieuws, 10 maart 2014]

maandag 20 januari 2014

Marcus Garvey

Marcus Garvey
door Sandew Hira

Afgelopen week kreeg ik een geweldig cadeau van Mitchell Esajas, de voorzitter van de New Urban Collective, een multiculturele jongerenorganisatie in Nederland. Het was een boek van Marcus Garvey (1887-1940) getiteld Message to the People. The Course of African Philosophy.
Garvey is één van de meeste onderschatte intellectuelen in de geschiedenis van het kolonialisme. Zijn levensverhaal is één van grote prestaties en een enorme tragiek.

De man heeft in de eerste helft van de 20ste eeuw de grootste zwarte organisatie ter wereld opgebouwd met één miljoen leden. Zijn Universal Negro Improvement Association (UNIA) had overal waar er zwarte gemeenschappen waren, afdelingen en contacten. In de Surinaamse kranten van de jaren twintig werd regelmatig bericht over de UNIA. Het Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad Suriname van 26 januari 1923 bijvoorbeeld, schreef over een lezing van Dr. Tobitt, de hoge commissaris van de UNIA voor de West Indies, in theater Thalia waar portretten van de Koningin en Marcus Garvey zouden worden onthuld. Het blad van de UNIA – Negro World – had een wereldwijde verspreiding en was ook bekend in Suriname.


De tragiek van Garvey was dat hij in staat was om een geweldige beweging op te bouwen met een diepgaande invloed op de geest van veel zwarte emancipatiebewegingen, maar hij is niet in staat gebleken om zijn enorme organisatie tot een permanent monument van de panafrikanistische beweging te maken. Hij is kapot gemaakt door de Amerikaanse overheid. Garvey was een immigrant uit Jamaica, die in New York zijn beweging opbouwde en uiteindelijk door de Amerikaanse regering in de gevangenis werd gezet en later het land werd uitgezet.

Zijn invloed is groot geweest. De erkenning daarvoor buiten een kleine groep in de zwarte gemeenschap is onterecht heel klein. Zo is het lied van Bob Marley – Redemption Song – direct geïnspireerd door een speech van Garvey uit 1938 waarin hij zei: “We are going to emancipate ourselves from mental slavery because whilst others might free the body, none but ourselves can free the mind.” De vader van Malcolm X was een fervente aanhanger van Garvey. Malcolm zei over Garvey: “Marcus Garvey was the one who gave a sense of dignity to the black people in this country. He organized one of the largest mass movements that ever existed in this country.”
Ik heb me altijd afgevraagd hoe je een organisatie opbouwt met één miljoen leden onder zwarte mensen zonder één cent witte subsidie. Het boek dat Mitchell me cadeau gaf bevat het antwoord. Het is een fascinerend werk. Garvey had een universiteit opgezet waar hun kaders werden getraind. Het boek bevat de lessen uit dat curriculum.

Het bevat adviezen die soms hilarisch zijn in hun eenvoud, maar je treffen door hun scherpe analyse. Hier zijn enkele citaten.

Garvey hamerde op het belang van studie en kennisverwerving: “Lees minstens 4 uur per dag. Lees ´s avonds, als je terugkomt van je werk. Als je gaat slapen, dan wordt kennis in je onderbewustzijn geplaatst. Ga nooit zonder te lezen naar bed. Als je op reis bent, neem een boek mee, zodat je kunt lezen. Als je op iemand wacht, zorg dat je een boek bij je hebt, zodat je wat kunt lezen. Lees 1 boek per week. Dat zijn 52 boeken per jaar, en 260 in 5 jaar. Boeken zijn je beste gezelschap. Koop boeken. Iedere keer als je geld uitgeeft aan iets frivools of onzinnigs, bedenk dat je daarmee een boek had kunnen kopen. Leen geen boeken uit, want je krijgt ze nooit terug. Laat mensen niet in jouw afwezigheid in je boekenkast neuzen. Je zult merken dat er boeken verdwijnen. Wees voorzichtig met boeken die door witte mensen geschreven zijn. Ze zijn niet geschreven ten voordele van zwarte mensen, maar altijd om de misdaden van witte mensen goed te praten.” Zit wat in.

UNIA bijeenkomst in Liberty Hall, Harlem


Over leiderschap: “Een leider zonder volgelingen is geen leider.” Helder, nietwaar.
“Om volgelingen te hebben moet je als leider beter zijn dan je volgelingen. Je moet meer kennis en inzicht hebben. Je kunt alleen leiden als mensen respect voor je hebben.” Nu komt het. De man heeft aandacht voor details: “Je moet schoon zijn en niet slordig. Je haar moet goed zitten. Je tanden moeten verzorgd zijn. Je schoenen en kleding moeten netjes zijn. Als je slordig bent, denken de mensen dat het geld dat je verdient uitgegeven wordt aan rotzooi in plaats van een goede presentatie van jezelf.” Zo had ik het nog niet bekeken.

Het volgende kan ik hartgrondig ondersteunen: “Vertel nooit een leugen. Als die ontdekt wordt, vertrouwt niemand je meer. Niemand vertrouwt een persoon voor de tweede keer. Een leider kan zich nooit inlaten met zaken die immoreel zijn.” De man is een kenner van de mens, want hij zegt: “Als je iets doet waarvan je weet dat het moreel en sociaal verwerpelijk is, doe het gewoon niet. Maar als je het toch doet, zorg dat niemand het weet, want als mensen het komen te weten dan gaan ze geen respect voor je hebben.”

Hij vervolgt met zijn adviezen: ”Wees altijd een gentleman. Iedere keer als je je als een varken gedraagt, verlies je een vriend. Blijf glimlachen in het openbaar, ook al is je moeder net gestorven. Als je boos bent op de wereld, zal de wereld boos zijn op jou. Niemand is verplicht om je gelukkig te maken, dus als je verdriet hebt, houd het voor jezelf. Leiders zijn geen kinderen, dus moeten ze zich ook niet als kinderen gedragen. Wees serieus, maar niet zuur.” Dat laatste is een goeie: wees serieus, maar niet zuur.



Zijn adviezen over spreken in het openbaar zijn heel bijzonder. Hij legt het basisidee uit: ” Het idee achter spreken in het openbaar is dat mensen je begrijpen.” Veel mensen begrijpen dit niet.
Hij legt uit: “Praat in korte zinnen. Mensen onthouden geen lange zinnen. Sta niet op één plek als een mummy. Leg emotie in je stem en laat je lichaam meegaan in die emotie met je handen, voeten en ogen. Praat met enthousiasme over je onderwerp. Om dat te kunnen moet je wel goed weten waarover je praat. Kijk naar je publiek. Als je de waarheid vertelt, gaat het publiek dat voelen. Als je een spreker ziet kijken naar het plafond of weg van het publiek, dan weet je dat hij leugens aan het vertellen is. Om goed te kunnen spreken moet je goed gegeten hebben, maar niet teveel want met een overvolle maag kun je niet goed praten. Praat nooit met een hongerige maag, want je kunt flauwvallen en doodgaan zonder je speech af te maken. Belangrijk bij spreken in het openbaar zijn je tanden - zorg dat ze schoon zijn en goed verzorgd - schone neusgaten en een gezonde borst. Je longen moeten goed zijn. Eet daarvoor minimaal één ei per dag, niet hardgekookt, maar zacht of liefst rauw als je ertegen kan. Zorg dat je een glas water hebt tijdens het spreken. Spreken met een droge keel gaat lastig, omdat je woorden dan monotoon worden en het effect op je publiek verloren gaat. Over het tijdstip. Geen lange speeches na 22.00 uur. Mensen zijn moe en willen naar bed.” Hier praat een deskundige uit de praktijk.


Over karakter van leiders: “Het belangrijkste kenmerk van karakter is eerlijkheid. Mensen hebben een hekel aan leiders die niet eerlijk zijn. Leen nooit geld van anderen. Als je geld leent, betaal het zo snel mogelijk terug. Als je draalt met terugbetalen, verlies je het vertrouwen van mensen. Ze geloven niet dat je eerlijk bent.
Het belangrijkste in je leven is je goede naam. Ga niet om met mensen met een slechte naam. Als je dat doet, wordt je eigen naam bezoedeld.
Als je omgaat met mensen van het andere geslacht, wees consistent daarin. Ga niet steeds met verschillende mensen van het andere geslacht naar sociale bijeenkomsten. Als een leider moet je nooit flirten. Het tast je serieusheid aan. Mensen met een lage moraal produceren kinderen met afwijkingen. Het is net een overdraagbare ziekte.
Baad minimaal een keer per dag. Leiders die vies ruiken, stoten mensen af. Eet niet als een varken, ook thuis niet. Als je op een sociale bijeenkomst bent en je bent gewend als een varken te eten dan ga je jezelf niet kunnen bedwingen in het openbaar.” Dát zijn nou praktische adviezen waar je iets aan hebt.

Dit boekje verklaart waarom Garvey’s beweging zo groot kon worden. Garvey werkte vanuit een beweging die opgebouwd werd met offers van leden die respect hebben voor leiders. Zijn beweging werd opgebouwd met centen, stuivers en guldens van honderdduizenden hardwerkende mensen. Dat was alleen mogelijk door duizenden leiders te trainen die het respect konden verdienen van deze hardwerkende zwarte mensen. Zijn boodschap was al krachtig: zwart bewustzijn, zwarte trots, emancipate yourself from mental slavery. Maar zijn filosofie over leiderschap, organisatie en management zijn minstens zo belangrijk.
 
Marcus Garvey
Er is een ander soort leiderschap dat haar achterban misleidt en bedriegt. Dat soort leiderschap houdt zich staande door middel van macht. Garvey heeft nooit staatsmacht gehad of macht in de algemene instituties van de samenleving. In zekere zin is zijn handleiding een tegenhanger van het boek van Machiavelli (De Prins) die uitgaat van de basisgedachte dat een leider liever gevreesd dan geliefd moet zijn.

Ik heb genoten van het boek en kan het iedereen aanraden. Het verhaal van Garvey en zijn beweging zou onderdeel moeten zijn van het onderwijscurriculum. De man en zijn beweging verdienen het. En onze generatie kan er veel bij winnen.

[uit Starnieuws, 20 januari 2014]


donderdag 14 november 2013

Ter verdediging van Karin Amatmoekrim

Karin Amatmoekrim. Foto © Jouke Bos
door Sandew Hira

Er is een hetze aan de gang tegen een jonge Surinaamse schrijfster, Karin Amatmoekrim, naar aanleiding van haar roman over Anton de Kom. In die hetze heeft de familie van Anton de Kom zich gemengd. Daarmee heeft de familie haar neutraliteit opgegeven en positie gekozen in een discussie over hoe je de geestelijke erfenis van Anton de Kom moet beoordelen. Waar gaat het over?

Het begon met de bespreking van Ida Does in Starnieuws. De belangrijkste kritiek van Does is dat de romanschrijver Amatmoekrim feit en fictie met elkaar verbonden heeft. Iets klopt niet in het boek, schrijft ze: “Het presenteren van ‘fictie’, met echte mensen, echte namen, echte data, echte gebeurtenissen. Waren ze allen al lang dood, was het misschien anders, maar drie van hen, zijn nog springlevend.” Anton de Kom is een historische figuur. In de redenatie van Does kun je geen roman over een historische figuur maken als de kinderen nog leven. Waarom niet? Omdat de kinderen zich gekwetst zouden kunnen voelen.
Geldt dat alleen voor de kinderen? Hoe zit het met de kleinkinderen die in leven zijn? Stel dat die zich gekwetst zouden voelen. Mag een auteur dan geen roman of biografie schrijven over een historische figuur als de kleinkinderen zich gekwetst voelen?

Anton de Kom
In deze redenering zit een denkfout, namelijk het idee dat het leven van historische figuren toebehoort aan zijn of haar nazaten. Maar de nazaten hebben recht op de materiële en juridische erfenis van historische figuren, maar volstrekt geen recht op de geestelijke en historische erfenis. Het zou wat zijn als nazaten gaan bepalen wat de historische waarde en betekenis is van historische figuren. Dat is een onderwerp van vrije discussie in een gemeenschap waartoe die historische figuur behoort. In die discussie ontleent de familie haar autoriteit aan argumenten, niet aan genetica.

Wat zijn de argumenten van de kinderen van De Kom tegen het verhaal van Amatmoekrim? Does vertelt dat het gaat om een passage waarin de romanschrijver vertelt hoe Adek weggevoerd wordt. In de roman is er een scène waarin de buurt was komen kijken hoe hij werd weggevoerd en waarin Adek zich verzette tegen zijn vervoer. Does laat zoon Ad aan het woord die stelt dat Adek in werkelijkheid niet was vastgebonden zoals in de romanscène. “Veeleer een uitgeputte, verslagen man, die zich, na aanvankelijk kort verbaal protest, boos liet meevoeren omdat hij niet anders kon”.

Dat is het grootste probleem met het boek. Deze ene passage. Niets meer. Voor de rest wordt in de hele hetze geen enkel argument aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat de roman van Amatmoekrim de historische betekenis van Anton de Kom neerhaalt. Zelfs in deze scène kun je niet volhouden dat het verzet van De Kom tegen zijn wegvoeren – die volgens Ad in werkelijkheid geen verzet was – betekent dat zijn historische betekenis is neergehaald.

Kinderen-De Kom: "...koloniaal..."

In de rest van haar artikel citeert Does geen enkele passage waaruit blijkt dat Amatmoekrim Anton de Kom anders beoordeelt dat veel Surinamers: als een antikoloniale verzetsheld. Sterker nog, de romanschrijver heeft Adek menselijk gemaakt, iemand die vecht tegen zijn depressie en daarin zijn antikoloniale gevoelens herleeft. Iemand die worstelt met de liefde voor zijn witte vrouw en de liefde voor zijn land dat onderdrukt werd door witte mensen.
Als Does had aangetoond dat Amatmoekrim De Kom had gepresenteerd als een koloniale figuur, zou ik zeggen: “Goed, citeert de passages waaruit dat blijkt. Misschien heb ik dat bij het lezen over het hoofd gezien.” Maar niets van dit alles.
Het gaat steeds maar over hoe gekwetst de familie zich voelt.

In de Ware Tijd wordt vervolgens de hetze doorgezet. “De redactie van de Ware Tijd Literair kreeg verschillende reacties op de roman van Karin Amatmoekrim. In de 27 jaar dat we bestaan hebben we dat nooit meegemaakt.” Er hebben zich kennelijk vreselijke drama’s afgespeeld bij de redactie van de Ware Tijd.

Cees de Kom, sprekend namens de levende broer en zus, stelt dat de romanschrijver een onwaar en onsympathiek beeld schetst van hun vader. En dat slaat dan op de bovenstaande passage.
Cynthia McLeod, uitgerekend de meest koloniale romanschrijver in Suriname, zegt: “Toen ik thuis het boek las, begreep ik meteen waarom de familie verdrietig was en dit heel pijnlijk vond. Al lezende, dacht ik steeds: dit kan ik toch niet voorlezen!”
Cynthia Mc Leod: "...koloniaal..."

Je denkt dat daarna zij vervolgens de passages gaat citeren waaruit begrijpelijk wordt waarom de familie verdrietig is. Niets daarvan. Je moet gissen naar wat het geweest zou kunnen zijn. En dit is Cynthia McLeod die romans schrijft die kwetsend zijn voor een hele generatie nazaten van totslaafgemaakten! En dat kenmerkt een hetze: een hoop emotie, maar geen feitelijke argumenten.

De houding van de familie De Kom in deze kwestie is zeer kwalijk. Zij eigent zich een rol toe die niet aan haar toebehoort, namelijk de rol van de erfgenaam van de ideeën van De Kom. De familie is de erfgenaam van materiële en juridische eigendommen van Anton de Kom, maar niet de erfgenaam van de ideeën van De Kom. Het is niet aan de familie om te beoordelen wie een juiste weergave geeft van de ideeën van De Kom. Als zij zich niet neutraal opstelt maar zich die rol wel toe-eigent, dan moet ze ook de gevolgen accepteren: de opvattingen van de familie over kolonialisme worden dan onderdeel van de publieke discussie. De autoriteit van de opvattingen van de familie over kolonialisme is niet afhankelijk van een genetische relatie, maar van de kracht van haar argumenten.

De De Kom-biografen Alice Boots en Rob Woortman: "...koloniaal..."
Foto © Michiel van Kempen

De vraag die natuurlijk direct opkomt is: heeft de familie De Kom haar goedkeuring gegeven aan een biografie over Anton de Kom, die hun vader door het slijk haalt? Wat is het standpunt van de familie De Kom over de biografie van Alice Boots en Rob Woortman. Ik heb in mijn columns in Starnieuws uitgebreid beargumenteerd waarom hun biografie een vals en koloniaal beeld schetst van Anton De Kom. De familie heeft bij de presentatie van het boek de biografie in ontvangst genomen. Betekent dit dat de familie de koloniale opvattingen van Boots en Woortman over hun vader onderschrijft? Als zij nu zo duidelijk positie kiest ten aanzien van de roman van Amatmoekrim maar wel het boek van Boots en Woortman in ontvangst neemt, dat zou je die vraag bevestigend moeten beantwoorden. Ik denk dat hun vader zich in zijn graf zou omdraaien as hij zou zien wat zijn kinderen doen met zijn geestelijke erfenis.

Ik ken Amatmoekrim niet persoonlijk. Ik had ook niet eerder iets van haar gelezen. Ik heb haar roman beoordeeld op haar eigen merites.
Mensen die willen beargumenteren dat haar roman de betekenis van Anton de Kom neerhaalt, moeten met meer komen dan die ene passage die Does citeert. Dat zal niet gemakkelijk worden, want wie de roman leest krijgt alleen maar meer respect en waardering voor de figuur van Anton de Kom.

[uit Starnieuws, 14 november 2013]

Foto Facebook



vrijdag 25 oktober 2013

Belangrijke bijdrage

door Sandew Hira
Reclame voor Amatmoekrims boek op een Amsterdamse zuil

Met veel plezier heb ik de roman van Karin Amatmoekrim over Anton de Kom gelezen. Amatmoekrim is net als Clark Accord een vertegenwoordiger van een nieuwe generatie Surinaamse schrijvers die zich ontworstelt uit de koloniale geest. Als Cynthia McLeod een roman zou schrijven over Anton de Kom, dan zou het grootste deel van het verhaal gaan over de liefdesperikelen van gouverneur Rutgers, zoals het verhaal Hoe duur was de suiker niet gaat over de totslaafgemaakten, maar over de liefdesperikelen van hun onderdrukkers. Amatmoekrim daarentegen kruipt in de geest van Anton de Kom, toen hij eind 1939 werd opgenomen in de Ramaerkliniek in Den Haag. Adek is overspannen en depressief. Zijn vrouw Nel had geregeld dat hij kon worden opgenomen, tegen zijn zin overigens.

De roman behandelt de ervaringen en emoties van Adek in de kliniek met flashbacks naar zijn jeugd, zijn strijd en zijn belevenissen in Suriname en Nederland. De schrijfster doet dat op een knappe en gevoelige manier. Zo gebruikt ze het verhaal van de tekening uit het boek van Stedman, waarin een zwarte man is opgehangen aan een vleeshaak die zijn ribben doorboort. Ze laat Adek de man in zijn fantasie bezoeken en zijn verdriet en verontwaardiging voelen. Ze gebruikt de kinderliedjes die Adek gehoord heeft van zijn grootmoeder en het verhaal vertellen van willekeur en moord tijdens slavernij: faja siton no bron mi si.
Ze voert de grootmoeder van Adek ten tonele, toen Adek haar vertelde over wat hij op school leerde over Nederlandse helden als Willem de Ruyter. Zijn grootmoeder neemt hem mee naar het galgenveld waar de zwarte helden werden opgehangen. Zo krijg je een idee hoe de emoties van Adek gegroeid zijn vanuit zijn ervaringen en familieverhalen.

Ze vertelt over de woede en het verdriet dat Adek voelt als hij in een rapport leest hoe een totslaafgemaakte die zijn meester tegensprak gestraft werd met het afhakken van zijn vingers die hij vervolgens onder dwang moest opeten:
“Toen hij het uitschreeuwde van de pijn, irriteerde hij zijn meester zodanig dat deze hem de tong uittrok. Anton las het, en de afstand in tijd en ruimte verhinderde niet dat zijn hart bloedde omwille van het lijden van een broer.” 
De Kom en zijn vrouw Nel

Een van de mooiste onderdelen van de roman is de verhouding die Amatmoekrim schetst tussen Adek en zijn witte vrouw Nel. Daarin laat zij zien hoe goed zij is in het beschrijven van menselijke relaties. Adek, de zwarte internationalist die strijd voor de bevrijding van de zwarte mens, is verliefd op een witte vrouw:
“Als hij ’s avonds in bed bij zijn vrouw ging liggen en naar haar lieve, blanke gezichtje keek, vroeg hij zich af of de schuld van haar voorouders over was gegaan op haar, zoals het verdriet van de zijne als vanzelf door hem werd geërfd.”
Adek was tegen zijn zin opgenomen in een psychiatrische inrichting. Zijn vrouw had daarvoor gezorgd. Amatmoekrim schetst het gevoel van verraad dat door Adek ging. Als Nel hem komt bezoeken zegt hij:
“Ik vertrouwde je. Jou alleen, vertrouwde ik. En je hebt me hier laten opsluiten als een beest. Juist jij.’
Ze greep naar haar buik, alsof hij haar een onzichtbaar mes in de maag had gestoken, alsof hij het een kwartslag draaide, het eruit trok en haar er opnieuw mee stak, en ze huilde geluidloos, met haar mond wijd open en haar ogen vol ongeloof, en hij wist dat hij haar een wond had toegebracht die nooit meer zou helen.”
 
Alice Boots

De roman eindigt met het ontslag van Adek uit de inrichting, drie maanden later. Hij was genezen. In een prachtige documentaire die Ida Does over Anton de Kom heeft gemaakt vertelt dochter Judith hoe haar vader als een herboren man terugkwam en weer die lieve vader was die ze altijd gekend had.
Rob Woortman

Het drama van de familie De Kom is nauw verweven met het historische drama van koloniaal Suriname. Adek ligt begraven in Nederland. Zijn vrouw die Suriname later veelvuldig zou bezoeken ligt begraven in Suriname. Alle pogingen van witte historici zoals John Jansen van Galen, Gert Oostindie, Rob Woortman en Alice Boots [op wier werk Amatmoekrim steunt voor de biografische data - red. CU], om Adek te laten verworden tot een man van weinig betekenis voor Suriname, zijn vruchteloos gebleken. Met haar roman De man van veel heeft Amatmoekrim vanuit de invalshoek van literatuur een belangrijke bijdrage geleverd aan de identificatie van deze historische figuur. 

[van Starnieuws, 21 oktober 2013]

vrijdag 4 oktober 2013

‘Hoe duur was de suiker romantische weergave slavernij'

door Euritha Tjan A Way
Scène uit Hoe duur was de suiker

Paramaribo - De verfilming van het boek Hoe duur was de suiker heeft gemengde reacties uitgelokt. Veel mensen zijn blij dat er eindelijk internationale aandacht is voor de slavernijgeschiedenis van Suriname, anderen zien de film als een eenzijdige visie op slavernij. Econoom Dew Baboeram (Sandew Hira) beschrijft in zijn column het boek: “Je denkt dat het verhaal gaat over slavernij, maar het gaat over liefde. Het beeld dat wordt geschetst, is dat slavernij één en al liefde was. De witte vrouwen zijn verliefd op de witte mannen. De zwarte vrouwen zijn verliefd op de witte mannen. De witte mannen zijn verliefd op de zwarte en witte vrouwen. De zwarte vrouwen houden van de witte vrouwen. En waar een zwarte vrouw en een zwarte man verliefd zijn op elkaar, laat de zwarte man de zwarte vrouw in de steek voor een andere zwarte vrouw. Dat heb je met zwarte mannen in koloniale verhalen.” Hij geeft aan de film echter nog niet gezien te hebben. [zie bericht hieronder]
...realiteit?...

Realiteit?
De website repeatingislands.com geeft in tegenstelling tot Hira aan dat het boek een diepzinnige weergave is van het leven in een Nederlandse slavenkolonie. 'McLeod was excited that her book was turned into a movie that will take the reality of slavery to a world platform' publiceert het medium en 'The book presents a frank exposé of life in a Dutch colony'. [zie bericht hieronder]
Historicus Mildred Caprino is daar faliekant tegen. "Het is een geromantiseerde versie van de slavernij. Het is door de bril van de witte man verteld. Wat wij nodig hebben is een verfilming bekeken door de bril van nazaten van de tot slaaf gemaakten. Dat zal in een ander verhaal resulteren," weet Caprino. Zij is zich er echter van bewust dat het nageslacht de film zal zien en dat het voor velen de eerste kennismaking is met het Nederlands / Surinaams slavernijverleden. "Maar ik geloof dat er een zekere bewustwording op gang komt. Na de serie Slavernij op NTR kwam er een beweging op gang die ageerde tegen het genuanceerde beeld dat daarin geschapen werd."
Mildred Caprino

Kans
Of er een Nederlandse regisseur te vinden is die het verhaal vanuit de visie van de tot slaaf gemaakten wil verfilmen betwijfelt Caprino. "We moeten het zelf doen," zegt ze resoluut. Historicus Jerry Egger kan het boek waarderen en denkt dat de film de kans biedt aan velen om kennis te maken met een stukje geschiedenis. "Ik vind prima wat McLeod heeft gedaan. Ik denk echter dat mensen het boek en de film niet zullen beschouwen als documentaire. Het is een geromantiseerde versie en dat zegt de regisseur ook duidelijk," legt Egger uit. Hij las in 1988 het boek voor het eerst en in één keer uit. "Ik vind het een prettig geschreven boek. Een historische roman en dat genre biedt trouwens velen voordelen. Een historische analyse bijvoorbeeld zou nooit zoveel verkocht worden", aldus Egger.

[uit de Ware Tijd, 3/10/2013]



Hoe duur was de suiker? Niet duur!

door Sandew Hira

Afgelopen week is de verfilming van het boek van Cynthia McLeod Hoe duur was de suiker? in première gegaan. Ik heb de film nog niet gezien. Maar ik heb het boek gelezen en dat is wel een bespreking waard, omdat het een bestseller is. De titel suggereert dat het boek gaat over het verhaal achter het product ‘suiker’ naar analogie van de uitdrukking ‘de vis wordt duur betaald’. Die uitspraak komt voor in het toneelstuk Op hoop van zegen van de Nederlandse schrijver Herman Heijermans uit 1900. Dat toneelstuk vertelt het verhaal van de  ellende van het arbeiders- en vissersleven.

Maar het boek van McLeod gaat zijdelings over de ellende van slavernij. Die vormt slechts het decor voor een verhaal over witte slavenmakers tijdens slavernij. Twee zusjes Elza en Sarith wonen op een plantage in Suriname. Elza is een lieve meid uit een slavenmakersfamilie en haar zus Sarith is een mooi verwend kreng. De zwarte lezer(es) moet zich met deze witte slavenmakers identificeren via uitgebreide dialogen en bespiegelingen over wat in hun vrouwenziel omgaat: liefde, een leuke man en een leuk leven als slavenmaakster tijdens slavernij. Je denkt dat het verhaal gaat over slavernij, maar het gaat over liefde. Het beeld dat je krijgt is dat slavernij een en al liefde was. De witte vrouwen zijn verliefd op de witte mannen. De zwarte vrouwen zijn verliefd op de witte mannen. De witte mannen zijn verliefd op de zwarte en witte vrouwen. De zwarte vrouwen houden van de witte vrouwen. En waar een zwarte vrouw en een zwarte man verliefd zijn op elkaar, laat de zwarte man de zwarte vrouw in de steek voor een andere zwarte vrouw. Dat heb je met zwarte mannen in koloniale verhalen.
 
Cynthia Mc Leod
In de trailer zegt Mini-Mini die door de witte Sarith tot slaafgemaakt is: “Ik heb maar een doel in het leven: mijn misi gelukkig maken”. En dat is wat de zwarte vrouwen in het boek steeds voor ogen hebben: hun onderdrukker gelukkig maken.
Ik zie een Joodse schrijver al een roman schrijven over de werkkampen tijdens de Tweede Wereldoorlog waarin een Joodse vrouw slavenarbeid verricht voor de Nazi-officieren en de auteur haar laat vertellen: “Ik ben Anne Frank. Ik heb maar één doel in het leven en dat is Frau Himmler gelukkig maken.” In Israël zou men kotsen van verontwaardiging. In Nederland is zelfs Humberto Tan lyrisch over de film. Een andere zwarte man, John Leerdam, maakt er een toneelstuk van. Welke zwarte zanger(es) gaat straks een musical doen?

Enfin, terug naar het boek. Mini-Mini komt zijdelings aan de orde in het boek, met name als Sarith haar man bedriegt. Die wordt vervolgens verliefd op Mini-Mini. Het gaat bij de man niet om seks, maar om liefde zoals alle witte mannen in slavernij niet op zoek waren naar seks maar naar liefde van hun zwarte tot slaafgemaakte vrouwen. Hij koopt haar vrij, en dat is dan het bewijs van zijn goed karakter. Je vraagt je af: hoe zit het met de andere mannen en vrouwen die hij tot slaaf had gemaakt. Hebben die geen recht om als vrije mensen te leven? Hebben die geen recht op liefde? Maar die vragen worden natuurlijk door geen enkel personage in het boek aan de orde gesteld.
 
Slaaf opgehangen aan een haak.
Gravure uit de Italiaanse editie van Stedman
Om het decor van slavernij een beetje van historische feitjes te voorzien heeft de auteur ook slechte witte mensen opgevoerd. Tegen deze achtergrond steekt een witte man, Rutger de man van Elza, schril af. Hij is pas in de kolonie aangekomen en wordt opgevoerd als de man met een geweten. Hij stelt de kritische vragen over het systeem.

Het boek over de witte held: “‘Zou het dan niet beter zijn, als alle slavenbezitters voortaan hun slaven goed zouden behandelen?’, had Rutger gevraagd; ‘zonder die vreselijke straffen die nu worden toegepast. Is 't niet de vrees voor die gewelddaden, als ophangen aan een vleeshaak, hand of voet afhakken, Spaanse bok en levend verbranden, die maakt dat de slaven nu weglopen?’”

Rutger meent dat zwarte mensen zo denken: “Als jullie ons niet martelen en mishandelen, willen we best gratis voor jullie werken.” Maar niemand die hem erop attendeert dat zwarte mensen heel anders denken. En dat komt de lezer nooit te weten, omdat het boek steeds de gevoelens vertolkt van de witte personages.

De goedheid van Rutger wordt geïllustreerd aan de hand van zijn bezoek aan een plantage die in aanmerking komt voor een lening waarover hij moet besluiten. De gemene opzichter vraagt hem of hij voor de nacht een tot slaafgemaakte vrouw wil hebben om te verkrachten (in het boek en alle koloniale verhalen gaat het om 'vrijwillige' seks en wordt de term verkrachten niet gebruikt). Rutger wijst dat verontwaardigd van de hand. Maar dan verandert hij toch van gedachten.

Het boek: “Toen ze van tafel opstonden, zei Rutger tegen zijn gastheer, ‘Mijnheer Jeremiah, ik zou vanavond wel graag gebruik willen maken van uw aanbod van dat slavinnetje, weet u wel’. Mijnheer Jeremiah keek blij verrast.”

Wat doet die schoft van een Jeremiah? Hij stuurt een jong meisje van 13-14 jaar. Rutger reageert geschokt en wijst haar af. En de auteur beschrijft de scène op zodanige manier (Rutger gaat het meisje beschermen) dat je moet denken: wat een goede vent is die Rutger toch. Maar wat als het meisje 18 jaar was en verliefd was op een andere zwarte man. Wat als ze een moeder van één of meerdere kinderen was. Dus de witte man die geen pedofiel wil zijn maar een volwassen zwarte vrouw wil verkrachten is een goede witte man. Geen personage in het boek die deze vraag stelt, omdat de gevoelens van zwarte mensen niet in het boek worden vertolkt.

Scène uit de film Hoe duur was de suiker


Soms zijn de dialogen ronduit hilarisch hoewel ze niet zo bedoeld zijn. Check dit stukje. Elza en Rutger zijn getrouwd. Elza vreest dat Rutger gaat veranderen als hij langer in de kolonie zal verblijven. Rutger vraagt Elza om geen jaloerse vrouw te zijn. Ze moet hem vertrouwen.

Het boek: “‘Ben je van plan om een bijzit te nemen Rutger?’, vroeg ze.
‘Van plan, nee zeker niet!’, riep Rutger nu. ‘O, nee, maar je weet nooit hoe 't in 't leven gaat, en ik wil dat je zeker weet dat ik je trouw zal blijven, zelfs al zou ik bijvoorbeeld een incidentje of een korte relatie met een andere vrouw hebben. Begrijp je dat? Beloof me, dat je dan niet boos zal zijn of denken dat jij dan wraak moet nemen met een andere man.’
‘Ja dat beloof ik’, zei Elza nu, ‘als, als,...’ ze aarzelde.
‘Als wat?’ vroeg Rutger nu.
‘Zo'n incident of die korte relatie, dat zal dan toch niet in mijn huis gebeuren?’
‘O, Elza toch!’ Rutger lachte. ‘Nee hoor, mijn lieveling, was je daarvoor bang?’”

Ha! Ha! Ha! “toch niet in mijn huis? Nee, was je daar bang voor”. Hilarisch, maar de auteur bedoelt het als een serieuze dialoog! Nou is deze roman geen wereldliteratuur, maar zo’n dialoog zou je niet eens in een keukenroman tegenkomen.


Waar wordt nou de titel van het verhaal “hoe duur wordt de suiker betaald?” behandeld? Op twee plekken. De hand van een totslaafgemaakte kwam terecht tussen de rollers van een suikermolen. Het was een ongeluk. In die tijd waren er twee mogelijkheden: of de man wordt met lichaam en al getrokken en vermalen of zijn hand wordt afgekapt. Hoe duur was de suiker is teruggebracht naar een ongeluk van een totslaafgemaakte man en wordt verteld in een paar alinea’s.
De tweede plek is het verhaal van de witte soldaat Jan die naar de kolonie kwam niet om te vechten maar om goud te zoeken. Er zijn twee grote hoofdstukken gewijd aan Jan (van de totslaafgemaakte die zijn hand verliest weten we niet eens zijn naam). Hij komt uit Amsterdam en bla-bla-bla. Hij ging op expeditie. In geuren en kleuren worden de kleinste details van de ontberingen van Jan beschreven. Hij komt oog in oog te staan met de Marrons. Die nemen hem gevangen nadat hij gewond geraakt was. Hij wordt goed verzorgd en na zes weken teruggestuurd, omdat hij pas in de kolonie was en niet schuldig kon zijn aan misdaden.
Hij gaat een tweede keer op expeditie. Hij moet door zwampen met kaaimannen. Ze overvallen een marrondorp en slachten de mensen af. Hij doet niet mee aan de slachtpartij. Daarom wordt hij gepest door de andere soldaten die roepen: “Jan, ben je bang?” (zo luidt ook de titel van het tweede hoofdstuk over Jan). In het oerwoud krijgt hij koorts en sterft.

Het boek: “En zo stierf Jan, een Hollandse jongen in het oerwoud van Suriname, niet vermoord door de Boni's, de Aluku's, die gevaarlijke bosnegers. Nee, gewoon vermoord door zijn landgenoten, die hebberige blanken die hem en nog 1500 andere soldaten opofferden, omdat zij slaven wilden hebben om voor hen te werken, slaven die op hun plantages moesten werken om te produceren koffie, cacao en suiker, vooral suiker!”

‘De suiker wordt duur betaald’ heeft geen betrekking op zwarten die slachtoffer zijn van een misdaad tegen de menselijkheid, maar op de witte Jan die het slachtoffer is van pesterijen en ziekte die via een kromme redenering worden gelinkt met suiker! De witte man betaalt de prijs voor de suiker. Hoe verzint ze dat? De suiker wordt dus helemaal niet zo duur betaald!

Hoe eindigt het boek? De twee zusjes die vijanden waren geworden, omdat Sarith de man van Elza had verleid, worden aan het eind weer vriendinnen. De kolonie werd geteisterd door ziekte. Veel familieleden stierven. Maar ze hebben het overleefd. En zo eindigt het verhaal.
 
De filmeditie van de roman
Hoe zou men in Israël reageren als een Joodse auteur een verhaal vertelt over de nazi-werkkampen met als hoofdfiguren de sympathieke SS-officier en hun nazi-vrouwen waarbij de Joden zich moeten associëren met de liefdesperikelen van de nazi’s? En wat zouden ze denken als het boek eindigt met zo’n passage: “Het is toch nog goed gekomen. Kijk, Frau Himmler en haar zus lopen hand in hand samen weg naar de uitgang van het werkkamp. Ze hebben de Holocaust overleefd.” Zouden de Joodse lezers hun tranen wegvegen of zouden ze kotsen van woede?

Deze roman is de ultieme vorm van kolonisatie van de geest. Cynthia McLeod associeer ik met de uitspraak in de trailer, maar dan geparafraseerd: “Ik ben Cynthia McLeod. Ik heb maar één doel in mijn leven: al mijn misi’s en masra’s gelukkig maken.”
En dat is goed gelukt.


[uit Starnieuws, 30 september 2013]

zaterdag 28 september 2013

Naema Tahir over Bollywoodfilms

Naema Tahir
Bollywood is de grootste filmindustrie ter wereld. Jaarlijks worden wel negen honderd films in Bollywood gemaakt. Ze worden gretig bekeken door fans, niet alleen in India, maar in alle hoeken van de wereld. En elke fan heeft wel een favoriete Bollywood film, een favoriete Bollywoodfilm scene, een favoriete lied, acteur, regisseur en natuurlijk danspasje.


Vandaag aan het woord is de van oorsprong Brits-Pakistaanse schrijver en mensenrechtenjurist Naema Tahir. Als kind leerde ze Bollywood films kennen en als maatschappelijk geëngageerde schrijver en spreker heeft ze vele malen inspiratie geput uit de brede thematiek van Bollywood films. Tahir deelt haar visie op deze kleurrijke filmindustrie en doet dat aan de hand van verschillende aansprekende beelden uit films zoals Sholay, Baabul, Veer Zaara, Lagaan, nog vele meer. Naema Tahir leert de toeschouwer dat Bollywood films niet alleen bedoeld zijn als entertainment maar een enorme maatschappelijke, sociale en politieke belang dienen.
Sherlyn Chopra

Na de lezing is de vertoning van de film Tetary.


De docu-drama Tetary – over strijd, moed en opoffering presenteren behandelt een bijzondere episode uit de geschiedenis van Surinaamse Hindostanen: de periode van contractarbeid en met name de opstand op werkkamp Zorg en Hoop in 1884. Dit jaar is het 140 jaar geleden dat de eerste contractarbeiders aankwamen in Suriname om te werken op de plantage waar vroeger tot slaaf gemaakte Afrikanen hebben gewerkt. De opstand van werkkamp Mariënburg is bekend. 
Still uit Tetary

Die van Zorg en Hoop is vergeten. Bij die opstand zijn zeven mensen vermoord waaronder Tetary, een jonge moeder van 24 jaar. Tetary was de enige vrouwelijke leider in de 40 opstanden die tussen 1873 en 1916 zijn geweest op de werkkampen (plantages) in Suriname. Ramjanee was de andere leider van de opstand op Zorg en Hoop. Het docu-drama is opgenomen in Suriname. Aan de dramatische scènes hebben 25 acteurs meegewerkt. De film is geregisseerd door Vincent Soekra. Het script is van Sandew Hira. Het camerawerk is van Aijaz Khan van Sky Televisie.

zondag 28 juli 2013

Tula: Beeldschone verfilming van Curaçao

Gevechtsscène uit Tula the Revolt

door Mario Kleinmoedig

Laat ik dan ook maar iets schrijven over Tula The Revolt: Vooropgesteld: ik vind de film een mooi verhaal na 2 keer zien. Critici als Sandew Hira vinden dat schrijver Leinders een zwakke Tula historische neerzet [zie Hira's stuk hieronder].


De tragiek is dat mijn inziens die Tula vrij goed overeenkomt met de 'officiële' geschiedschrijving op Curaçao. Dus, als deze Tula historisch niet klopt, dan is het probleem niet Leinders. Leinders kon mogelijk niet anders dan de versie volgen, die iedere Curacaoënaar in de geschiedenisles krijgt, gebaseerd op het boek van Charles Do Rego, dat weer gebaseerd is op het boek van Prof Yandi Paula. Ikzelf zag ooit glimpsen van een ander mogelijk verhaal waar Sandew aan refereert door niet naar het betoog van Paula te kijken, maar naar de citaten en anekdotes en ze dialectisch te lezen in de stijl van Eduardo Galeano. Ja dan zie je een andere Tula. En misschien is de meest gegronde kritiek wel dat de martelingen tijdens het verhoor en de executie zelf niet zijn weergeven, want die zijn in alle versies hetzelfde.

Giovanni Abbath, hier op de première met zijn vrouw, speelt Bazjan Karpata

Ik heb nooit het boek van Hira gelezen, lijkt me machtig interessant. Maar ook Hira meldt niet, neem ik aan, dat volgens Venezolaanse historici Bazjan en Mercier 4 maanden eerder nog meegedaan hadden met de slavenopstand van Chirino in Coro. En hij weet misschien ook niet van de theorieën van Bernard Marchena van de Brion Stichting over de betrokkenheid van republikeins en fransgezinde blanken (anti oranje) in Otrobanda, waaronder Pierre Brion, de vader van Luis, die de slaven met wapens geholpen zouden hebben. En ook niet van het smaldeel dat klaarlag in Guadeloupe om naar Curaçao te zeilen, en het eiland te bezetten voor de Bataafse Republiek, als Tula de stad had bereikt.

Als ik ooit zo'n boek zou schrijven, moet ik dan Hira's boek een mislukking noemen? Ik denk niet, ik dank Hartog, ik dank Paula, ik dank Do Rego, ik dank Domacassé, ik dank Hira en Caine, ik dank Leinders en van Stapele en alle anderen van goede wil. Als ik ooit een boek zou schrijven noem ik het: Tula Rewritten, maar of dat het echte verhaal zou zijn weet ook ik niet.. In ieder geval zou ik voor de verfilming wel Dolph van Stapele erbij halen. In tegenstelling tot een recensie van Caribisch Uitzicht [bedoeld is het stuk van Dick Gilsing, dat is overgenomen uit moviescene.nl - zie hier, red. CU] vind ik het een beeldschone en herkenbare verfilming van Curaçao zonder de stereotiepe landmarks...

Commentaar van Ini Statia:
Ik stelde gisteren bij het NAAM een vraag hierover aan het panel; ik wees op het verhaal van Pierre Lauffer dat mijns inziens uit de orale traditie komt. Lauffer voert een personage op (een oude man) in Westpunt die het verhaal over Tula aan kinderen doorvertelt. De oude man is dan zogenaamd aan het woord over Tula. Zelfs de 'verbeelde'(?) afkomst van Tula wordt door Lauffer genoemd: hij zou de zoon van een prins uit Mali zijn en behoren tot een bepaalde etnische groep (de naam ben ik nu even kwijt). Ik vroeg of dit een fantasie van Lauffer was of dat dit echt zo in de orale geschiedenis werd verteld. Maar dit bleef toch nog onduidelijk voor me. Gisteren werden ook onder andere bronnen in Venezuela en Spanje genoemd.

Commentaar van IetekeWitteveen:
Ini, terecht doe je recht aan ook de orale geschiedenis. Of Tula van koninklijk oorsprong is, weet ik niet. Er is meer bekend over de grote cimarron van Curacao, de man achter de mei revolt in 1795 in Coro en achter Leonardo Chirino, Jose de La Caridad Gonzalez. Hij hielp Leonardo Chirino en Ik schreef daar in de jaren 90 over na raadplegen van o.a. Antillas y Tierra Firma van Carlos Gonzalez Batista en enkele Venezolaanse achiefstukken. Hierbij een fragment uit mijn artikeltje van 2006, dat ook in het Papiamentu en Engels verscheen (….) José Caridad Gonzalez Van José Caridad Gonzalez is bekend dat hij ‘een neger uit een belangrijk voorgeslacht’ was, die behalve zijn moedertaal, het Luango, ook Papiamentu, Frans en Spaans sprak. Hij was zeer belezen en werd aangesproken als ‘Doctor’. Deze ‘Doctor’ hielp vele slaven uit Curaçao te vluchten. Jose Caridad Gonzalez vertoefde vaak in wijk La Guinea. Hij bemiddelde regelmatig, ten gunste van de zwarte bevolking, bij conflicten om landbezit. Caridad Gonzalez en Chirino onderhielden contacten met Haïti, waar in 1794 de onafhankelijke staat Haïti was afgekondigd met als principes Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, met Curaçao en Europa. De Venezolaanse vrijheidsstrijders waren, in tegenstelling tot hun lotgenoten in Curaçao onder leiding van Tula drie maanden later, bij de opstand slechts gewapend met stokken en machetes. De wapens die José Caridad had bemachtigd werden onderschept. De opstand werd binnen een dag neergeslagen; de gewonde en gevangengenomen vrijheidsstrijders werden ter plekke zonder vorm van proces onthoofd, onder wie als eerste José Caridad Gonzalez. De koloniale troepen vermoordden daarna ook bewoners van de buurt La Guinea. José Leonardo Chirino ontkwam, maar werd daarna gevangen genomen en op 10 december 1796 na een proces in Caracas ter dood veroordeeld en opgehangen. (eind fragment artikel serie Cultureel Erfgoed, I. Witteveen, 25 mei 2006). Bastiaan Carpata was vermoedelijk ook bij de Coro opstand afwezig en vluchtte met een tiental anderen naar Curaçao.

Bastian Carpata
Uit Nederlandse documenten over de slavenopstand van 1795 op Curaçao weten we dat een van de voornaamste leiders van de Curaçaose slavenopstand, Bastian Carpata, samen met negen andere slaven, gevangen heeft gezeten in Coro en gedeporteerd werd naar Curaçao. Waarschijnlijk gebeurde dit vlak voor de opstand van 17 augustus 1795 op Curaçao, want een slaaf met de naam Jean Forcade werd tot gevangenisstraf veroordeeld, omdat hij het naliet de Nederlandse autoriteiten te informeren dat hij Bastian Carpata had gezien in Venezuela.
Bronnen:
- Dr. A.F. Paula: Slave Revolts: the cases of Curaçao and Saint Martin, paper UNESCO African Diaspora: The Making of the Atlantic World. 28 June – 1 July 2003, Curaçao
- L. de Palm, E lantamentu di 1795, Datos Oral, Curaçao, 1995 - Luis Arturo Domínguez, Rebelión en la Sierra. Caracas, Venezuela, 1995
- Idem: Vivencia de un Rito Loango en el Tambú, 1988
- Carlos Conzalez Batista, Antillas y Tierra Firme, Caracas, Venezuela, 1995
- Jose Millet y Manuel Ruiz Villa: Proyecto de investigación socio-cultural cubano-venezolano, april 2006

Commentaar Louis Philippe Römer:
Yes, het is goed om de Spaanstalige bronnen meer aandacht te geven.

Commentaar Gladys J. Do Rego-Kuster:
Wat Louis Philippe Römer hierboven schrijft klopt. Ook ik wacht al jaren op die documenten. Stukken die bijvoorbeeld om wat voor reden dan ook zijn overgeslagen, bijv. vanwege "niet relevant genoeg" voor de archivaris en speurder. Ook in andere archieven ligt nog wat braakliggend terrein, zoals bijv. die van andere koloniale mogendheden die direct of indirect een band hadden met ons eiland. Het ziet er dus naar uit dat voor de volgende generatie historici nog best wat werk te verzetten is. Hierbij wat aantekeningen: 1) Het is aan te raden om alle documenten cq bewijsmateriaal dat nog naar boven mag komen, zoals Mario Kleinmoedig hierboven stelt, vanuit het dialectisch perspectief te analyseren, dan wel te beoordelen. Beoordeel de scibent als een kind van zijn tijd (eind 18e-begin 19e eeuw). Blijf de vraag stellen uit wiens brein en pen het kwam. Wat was zijn/haar maatschappelijke positionering in die periode en voorál: wat was het doel van die reportage? In de nu toegankelijke documenten (notulen van verhoren en de rechtsgang) valt nogal eens te bespeuren hoe getuigen hun rol in het geheel trachtten af te schermen door plotselinge geheugenverlies, valse verklaringen, dan wel rechtstreekse meineed. Ook in die tijd waren, met name gezien de toegepaste verhoormethoden, menselijke verdedigingsmechanismen niet zeldzaam noch vreemd. 2) Orale overleveringen zijn zonder meer zeer belangrijk en ook vaak het laagje goud dat de wens van elke onderzoeker in vergulling doet gaan. Maar het eerste gebod van elke onderzoeker, dus zeker ook van de orale geschiedkundige, is het kritisch toetsen van de waarheid, dwz de vervuilingsgraad daarvan. Ook moet worden nagegaan uit welke bron de orale overleveraar zijn/haar informatie en of mening oorspronkelijk vandaan heeft. Het zou best kunnen dat de 90 jarige man die Inchi (Witteveen Ieteke) rond 1990 heeft gesproken, het theaterstuk van Pacheco Domacasse/Tone Brulin (1971) had gezien, of de voor die tijd indrukwekkende media campagne, tegenslag en heiza daaromheen had gevolgd. De leuze - Liberté, Egalité, Fraternité-, kwam in het theaterstuk zeer prominent voor en werd ook door jongeren die het stuk hadden gezien als politiek leidraad overgenomen. De respondent van Inchi zou in de periode dat dit stuk werd uitgevoerd ± 50 jaar zijn geweest. Dit stuk was zonder meer een 'landmark'. Beelden van dit theaterstuk staan in het boek Tula (1973) van historicus dr. Johan Hartog afgedrukt. Het research en de productie van het boek van dr. Hartog gebeurde overigens in opdracht van het Eilandgebied Curaçao omdat, quote "... een nauwkeurige vastlegging van het geschiedkundig verloop noodzakelijk is, omdat wij anders verzanden in een discussie over een begrip waaraan de grondslag ontbreekt".... Lees het boek en met name di Inleiding van Hartog er rustig op na, want TULA still LIVES on...

Commentaar Gilbert Bacilio:
Puntonan fuerte di Tula 'The Revolt: "Un pida istoria importante, esensial i di reperkushon spiritual, mental, físiko i sosial INMENSO di Kòrsou ta skibí komo skrept pa pelíkula. E istoria akí awor ta filmá i a drenta mundu, partikularmente e mundo sinematográfiko. Globo por sera konosí awor ku Kòrsou, ku un parti importante di istoria di Kòrsou i ku e gran heroe nashonal di Kòrsou, TULA. Paisahenan presioso di Kòrsou ta filmá. Ora bo mira e pelíkula bo mester rekonosé ku Kòrsou ta un pèrla den Karibe! Diferente aktor lokal ta partisipá den un pelíkula di taye profeshonal i internashonal. E ta enfoká riba temanan di vital importansha manera: Vishon, Ideal, Diálogo, Lucha, Kurashi, Perseveransha, Liderasgo, Amor i Traishon.Puntonan débil: A pèrdè un oportunidat pa pone na mi pareser un Tula ainda mas fuerte mentalmente i spiritualmente, ainda mas vishonario, mas audas i mas inteligente riba pantaya, manera semper mi a lesa i siña di dje. A pèrdè un gran oportunidat pa laga mundu tende i sera konosí ku nos idioma Papiamentu. Mi a spera sikiera un esena kaminda Tula i Bazjan por ehèmpel ta reuní den sekreto i ta interkambiá idea òf ta planeá strategia na Papiamentu. Ta bon pa kòrda ku Tula tabata papia diferente idioma. Lo tabata tremendo pa laga mundu, via di e gran pelíkula akí, tende e presioso i heróiko idioma aki ku a vense ya pa siglo diferente opstákulo, manera opstákulo polítiko, legal/hurídiko,religioso i sosial kultural. Bazjan Carpata mester a profilá na mi opinion mas prominente den e pelíkula akí, mas 'man drechi' di Tula i na mas okashon den diálogo kuné. Nos Giovanni Abath tambe e ora ei lo por a profilá mihó komo aktor, representando Bazjan Carpata. Si a skohe mes pa duna Tula un muhé, ku pa ami no tabata nesesario, aunke e ta un eskoho konosí i tradishonal pa duna un istoria mas liña i mas karni i wesu, ami lo a preferá di mira un muhé mas fuerte, mas vishonario, realmente un sosten na su banda, den kama pero tambe pafó di kama. E punto fuerte di e eskoho aki si ta ku e pelíkula por kaba ku un fruta di nan dos. Esaki ta duna bèrdat, speransa pa un mihó futuro i ku mas Tula lo nase pa sigui ku e proseso largu i importante di emansipashon di hende en general i di e Yu di Kòrsou en partikular. En todo kaso un bon pelíkula, bon filmá, bunita paisahe, informativo i edukativo i ku sigur ta bale la pena pa mira. Pabien na tur ku a aportá di un òf otro manera na su realisashon. Ken ta sigui ku e siguiente pelíkula òf obra di teatro riba Tula?

Landhuis Karpata


Commentaar Artwell Cain:
Ik heb de film Tula de revolt vanavond gezien. Het is oké. De makers lijken zich aan het beschikbare historische materieel te houden. Het verhaal komt bekend voor. Hier en daar zijn scènes gedramatiseerd. Dat maakte het geheel spannender, maar de uitkomst was al bekend. De film heeft een zeker documentaire gehalte . Ieder die over Tula gelezen heeft, kan slechts zeggen dat het min of meer zo is gegaan, volgens het historische relaas. Uiteraard zal het verhaal anders te vertellen zijn op het moment dat meer informatie en gegevens worden ontdekt. De rol van Louis Mercier gaf veel dekoloniaal plezier. Dit in tegenstelling tot de rol van Koro, de verrader die slechts aan zijn eigen vrijheid dacht en zodanig handelde. Het spreekt voor zich dat er meer Koro’s dan Tula’s in de samenleving te vinden zijn toen en nu.

[overgenomen van Facebook]