Thalia, midden 19de eeuw
Op 27 april 1837 werd het Toneelgezelschap
Thalia opgericht. De eerste voorzitter was N.G. Vlier. Er waren vier
bestuursleden, belangrijke heren in de koloniale maatschappij van toen. Doel
was dan ook: ‘de uitbreiding van beschaving en verlichting’. Thalia is genoemd
naar de Griekse godin Thaleia, de Muze van het blijspel. In 1840 was het
theatergebouw gereed, een houten gebouw. Er konden 700 mensen in de zaal.
Tussen toen en nu zijn er vaak verbouwingen geweest. Het gebouw was soms zo
verwaarloosd dat men overwoog het af te breken. Maar Thalia bestaat nog, is een
aan de eisen van deze tijd aangepast toneelgebouw en vierde de afgelopen week
haar jubileum met Opera Fatu Doro De prijs van Vrijheid.
In de 19de eeuw werden er soms echt Italiaanse
opera’s opgevoerd in Thalia. Toen was het repertoire Nederlands en Europees en
het publiek wit of lichtgekleurd. Geen kinderen, geen slaven.
In de 20ste eeuw ging dat allemaal veranderen en
na 1950 dekoloniseerde ook Thalia. Het publiek werd steeds breder en het
repertoire Surinaamser. Een bijzondere opvoering was, al in 1956, Watra Mama,
een bewerking in het Surinaams-Nederlands door Albert Helman van een
Engelstalig stuk. Vanaf 1972 trad het Doe Theater van Thea Doelwijt en Henk
Tjon regelmatig op. Thalia heeft een geschiedenis van vallen en opstaan, maar
is rechtovereind gebleven en biedt nu voor ‘elck wat wils’. Het jubileumstuk
De prijs van Vrijheid - libretto en regie: Alida Neslo - mag best een topper
genoemd worden, een eigentijdse volksopera, wel geïnspireerd door de echt
Italiaanse opera, maar tegelijkertijd wordt daarmee de spot gedreven.
Op het toneel staan ‘fatu banyi’, zoals de van
restmateriaal in elkaar getimmerde banken, die men in volkswijken aantreft en
waar de bewoners elkaar de laatste roddels en andere zaken uit de buurt
vertellen. Vanaf twee zulke fatu banyi wordt de Opera Fatu Doro verteld en
gezongen. Dat is een prachtige vondst: iets
elitairs wordt volks gemaakt.
De ‘Opera Fatu Doro’ bestaat uit veertien ‘Bewegingen’,
gebaseerd op de veertien staties van de kruisweg. Een rake symboliek! Ogriboi
ziet het leven in vrijheid immers alsof hij iets zwaars moet torsen. Bij elke
‘Beweging’ hoort een psalm die als inspiratiebron dient van de uiteindelijke
tekst. Die is voor een groot deel gebaseerd op waar gebeurde feiten. Jongeren,
pupillen van Santo Boma, die deelnamen aan het een jaar durende
Resocialisatieproject, schreven teksten over hun problemen en daar komt veel tekst
uit deze voorstelling vandaan. Ook vinden we in de teksten invloeden van
Surinaamse culturen en situaties.
In de eerste ‘Beweging’ komt ‘Deurman’ van de
gevangenis op. Met zijn gigantische sleutel is hij de enige die de deur mag
openen, zodat de ‘vrijen’ de wereld weer kunnen betreden. Hij begint met: ‘Een
nieuwe dag/ zoals alle andere/ Voor mij geldt alleen: Vandáág/ Gisteren is
voorgoed verdwenen/ Voorbij/ Morgen bestaat niet’. Dit doet me denken aan de
kinderen van de vijfde klas van de school in een inheems dorp in het verre
binnenland, aan wie ik de tijden van het werkwoord zou uitleggen. ‘Verleden’ en
‘toekomst’ zijn lege begrippen voor hen; ze kennen alleen ‘vandaag’. Zelfs de
woorden ‘gisteren’ en ‘morgen’ zeggen hun niks.
De tekst wordt onderbroken door percussie en
zang terwijl Deurman danst met zijn sleutel. ‘Een deurman is een vroedvrouw die
je veilig van de ene naar de andere wereld helpt.’
Santo Boma
Ook de vader van Ogriboi wordt bevrijd uit de
gevangenis. Pa en zoon proberen te communiceren, maar het wordt niets. Pa is
een egocentrische grappenmaker met veel bombarie. ‘Voor mij is het te laat/ Ik
ben een soldaat van het kwaad/ Denk aan mijn eigen belang.’ Boi heeft niets aan
hem en wil naar zijn moeder, maar eerst ‘skypt’ hij met een Hollandse meid, die
ook nog eens ‘Stagaire’ heet!
Mati van Ogriboi komen dansend en zingend op. Ze
willen hem helpen met veel godsdienstige dyugudyugu, met ook nog een
aalmoezenier erbij, maar Boi wil dat niet. Hij wil concrete zaken, werk en de
liefde van een vrouw... dan ziet hij zijn moeder (met veel gevoel gespeeld door
Sandra Goedhoop) die in opera-achtige aria’s tot hem zingt. Het wordt allemaal
niks: vader en moeder maken ruzie (om geld), moeder is emotioneel en sterft ten
slotte. Ogriboi is alleen, met zijn vader aan wie hij helemaal niets heeft. De
enige in het stuk die met de vrijheid kan omgaan is Deurman met zijn enorme
sleutel.
En dan sluipt ‘Schaduw’ tussen alles door (Tolin
Alexander), die helemaal behangen is met stropdassen - symbool van de dood -
die kwaad is, maar ook goed, en van de tijd. Voordat de mens er was, was hij er
al. Deze figuur geeft aanknopingspunten met een Afrikaanse cultuur.
Het einde is een filmbeeld: Schiphol: De stagiaire
zal het vliegtuig naar Suriname nemen. Loopt het goed af met haar en Ogriboi?
We weten het niet... er blijft twijfel... En het koor zingt, alsof het uit de
verte komt: ‘Te wan doro e tapu/ Wan fensre e opo.’
Thalia, de oude Muze, geeft ons een mooi
jubileumcadeau met dit stuk dat het doel van 1837 - ‘beschaving en verlichting’
- een modern jasje geeft. Een oude Muze
kiest voor de jeugd van nu, laat zien hoe problematisch het kan zijn om als
jongere je ‘vrijheid’ te krijgen. Is dat wel vrijheid? Hebben jongeren geen
werkelijke steun nodig? Een actueel thema, ook als we Ogriboi zien als symbool
voor ons land. Zogenaamd ‘vrij’, onafhankelijk. Maar kan het land dat aan? Pa
is egocentrisch, ma gaat dood, de godsdienst helpt niet echt... Zo kun je
overal symboliek in zien als kunst daarvoor open staat. De prijs van Vrijheid
is onbetaalbaar!






