Posts tonen met het label dekolonisatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dekolonisatie. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving

Geschiedschrijving: het is maar met welke bril je het bekijkt.
Foto © Michiel van Kempen

door Ruben Bakker

Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’ Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de ondertitel van de bundel Verkenningen in de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.

In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal, dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies? En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan. De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays, geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici. Hiermee beslaat de bundel - die in twee delen is uitgekomen -  zo’n 656 pagina’s in totaal.

Door de veelheid aan essays worden veel aspecten die relevant zijn voor de historiografie van Suriname belicht. Zo benadrukt Chan Choenni de urgentie en het belang van ‘oral history’, gaat Mildred Caprino in op (de mogelijkheid van) vrouwengeschiedenis en bespreekt Hilde Neus de rol van historische romans voor de geschiedschrijving. Naast het gezichtspunt en de plek in de Surinaamse geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen is er ook aandacht voor de ontwikkelingen in de historiografie van andere voormalige kolonies.

De breedheid van de onderwerpen en de veelheid aan auteurs maken de essaybundel echter ook kwetsbaar. Doordat de essays erg los van elkaar staan, komt herhaling nogal eens voor en wordt de lezer niet altijd aangemoedigd om ook het volgende essay te lezen. Dit had voorkomen kunnen worden door de essays meer te rubriceren, zodat er een duidelijker opbouw ontstaat. Ook was het wellicht beter geweest als alle essayisten aan het einde van hun artikel concrete aanbevelingen deden van hoe de historiografie van Suriname verbeterd kan worden. Nu is dat slechts bij enkele essays het geval. Want weet de lezer uiteindelijk wat er concreet moet veranderen om de Surinaamse historiografie een ‘geschiedenis van het volk’ te maken?

In ieder geval is daar een dappere poging toe gedaan en is veel kennis gebundeld.
De tweedelige bundel vormt een belangrijke bijdrage aan de Surinaamse historiografie en houdt bovendien de lezer een spiegel voor: een eigen geschiedenis maak je zelf!


Maurits S. Hassankhan, Jerome L. Egger, Eric R. Jagdew (samenstellers): Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deel 1 en 2. Paramaribo: Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), 2013. ISBN: 978-99914-7-254-6

vrijdag 9 mei 2014

De zwarte Lord herlezen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De zwarte Lord uit 2009 van Rihana Jamaludin.


door Egmond Codfried

Een zeer verdienstelijke debuutroman van Rihana Jamaludin (Paramaribo 1959) van 525 bladzijden, inclusief bijlage en verklarende woorden- en begrippenlijst. Deze uitbundige historische roman die zich deels in Nederland en voor de rest in Suriname voltrekt, speelt rond het revolutionaire jaar van 1848. Door zijn benadering vormt dit werk een aanzet tot een vernieuwende en eigen postkoloniale, Surinaamse historische roman. Ondanks de titel gaat het boek over Regina Winter, een Brabantse gouvernante die naar Suriname gaat om een jonge plantage eigenaar, die als bijnaam heeft De Zwarte Lord, onderricht te geven. In een jaar maakt Regina zoveel mee, ze is deel van of getuige van zoveel bewegingen en incidenten die verbonden zijn met de Surinaamse geschiedenis, dat zij totaal veranderd is. Van een wat nuffig, kleurloos en benepen Nederlandse is ze een warmbloedige, levenslustige Surinaamse geworden. Ze heeft in zekere zin haar roots gevonden, of eerder bevochten, om de persoon te worden die ze moest zijn. Dit is een heel goed doordacht werk want op een metaniveau personifieert Regina Winter Suriname.

Het betreft ook een veelomvattend werk, Jamaludin heeft veel over te dragen. Ze richt zich, als product van de diaspora, niet tot de Surinaamse lezer, maar tracht de Nederlanders een beeld te geven van de Surinaamse geschiedenis, de overweldigende natuur, de Surinaamse beschaving, de kleurrijke cultuur, de vele talen, religies en de vele etniciteiten die samen met elkaar Suriname vormen. Misschien dat Nederlanders kunnen begrijpen hoe vreemd en uiterst negatief en nutteloos hun huidige xenofobische campagne op Surinamers overkomt. Hoewel Nederland als koloniserende entiteit en geoliede veroveringsmachine niet met Suriname te vergelijken is. Het boek vormt daartoe een mix van reisgids, geschiedenis boek, filosofische gesprekken, een verhandeling over flora en fauna, een liefdesverhaal en een aanklacht tegen koloniale onderdrukking en exploitatie van slaven en arbeiders. De revolutionaire gebeurtenissen, de neergang van de adel en de volksopstanden in het roerige Europa vinden hoe dan ook hun weerslag in Suriname, wat zeer tegen de wensen van de koloniale overheerser ingaat volgens Jamaludin’s gepresenteerde visie op Suriname. Deze benadering is in mijn persoonlijke beleving, als historische onderzoeker en schrijver, de grootste verdienste van Jamaludin en schept een band met een leeftijdsgenoot. Ze gebruikt veel verhaallijnen met veel bijpersonages die op het eind krachtig en dynamisch samenkomen in een toneelstuk en een rechtszaak tegen de toneelgroep. Het einde van de roman is pure virtuositeit van de schrijfster en deed mij denken aan de ademloos spannende boeken over solidariteit ondanks levensgevaar, onderduiken en vluchten tijdens de periode 1940-1945 die ik las als bronnen voor mijn essay Komt er weer een Holocaust? (2010).

Jan Vos

Ik moest dit boek lezen, dus dwong ik mezelf door het kleurloze begin te ploeteren, welke op geen enkele manier een voorspelling inhield van het mooie wat zou komen. Intensieve research maakt een Surinaamse nog niet tot een Nederlandse, dus is Jamaludin in het begin niet erg overtuigend, maar geforceerd. Pas in Suriname is zij in haar element en krijgt zij vleugels en raakt duidelijk opgewonden door haar materiaal, waar door er een functioneel contrast optreedt met de koudheid, de benepen ambities, het obsessieve standsbewustzijn, de verstikkende seksuele moraal en berekening van Regina in Nederland. Helaas is de schrijfster te vaak aan het vertellen, in plaats van door handeling haar verhaal door de lezer zelf te laten verbeelden. Show, don’t tell of ‘t doen gaat voor het zeggen, zoals de 17e eeuwse zwarte schouwburg regent Jan Vos (1610-1667) de gouden regel verwoordde. Verder gebruikt ze te veel abstracties die de vertelling als een beoogde continue droom in de gedachte van de lezer verstoren. Hierdoor blijkt dat ze zich soms onvoldoende in details of teveel in de onnodige details heeft ingeleefd. Details die daarom verder ook niet ter zake doen en even goed geschrapt kunnen worden omdat er ook weinig bruikbare informatie uit volgt. Enkele clichés zoals weerbarstige krullen, hoewel deze soms verkiesbaar zijn boven vreemde vondsten die door hun geforceerdheid weer kunnen afleiden. Regina is de verteller, maar ze weet dingen die de eerste persoon verteller niet kan weten, waardoor de verteller soms als een geschiedenisboek en toeristische gids klinkt. Deze informatie, zoals een uitgebreid verslag over de zeeschildpadden van Galibi, is vaak losgekoppeld van de handeling en draagt niet bij aan de plot. Verder stoor ik mij altijd aan schrijfsters die wat ik de vrouwelijke seksuele mystiekdoctrine noem, aanhangen. Ook omdat ik vermoed dat de schrijfsters zich teveel zorgen maken om hun eigen seksuele reputatie. Alsof zij, ondanks hun intellectualiteit zich niet hebben vrijgemaakt van hun tweederangspositie als vrouw en dus kuis moeten zijn. Zij lijken juist hun lezers te bevestigen in de algemene sociale hypocrisie en de onderworpenheid van vrouwen aan de dubbele moraal propageren. Wat ik wel erg mooi vond is de verandering in stijl als andere personages hun eigen verhaal in monoloogvorm afsteken, waardoor het perspectief voor even verandert en monotonie wordt vermeden. Ook de theaterteksten vind ik prachtig in hun subtiliteit en zeer effectief toegepast.
...seksuele mystiekdoctrine...
Foto Annette Lamothe Ramos

De plot is opgehangen aan de mysterieuze zwarte lord, maar de intrige rond deze zwarte slavenhouder is niet altijd geloofwaardig of doorleefd en soms zelf potsierlijk. Ook omdat de echte belangrijke gebeurtenissen die het verhaal voortjagen spelen rond de bijpersonages en niet de hoofdfiguren. Die blijven toeschouwers die de keus hebben om weg te lopen. Dit ervaar ik als het grootste gebrek aan dit zeer waardevol werk. Het is erg jammer dat het politieke verzet en het experimenteren met nieuwe sociale en politieke verhoudingen niet centraal staan in de ontwikkelingen van het hoofdpersonage. Regina Winters spuit revolutionaire ideeën, maar leeft ze niet uit. Ze kan zich zodoende steeds onttrekken aan de gevolgen, claimt soms dronkenschap als verklaring voor een uitspatting, waardoor haar uiteindelijke marginale verandering voor de kritische lezer onbevredigend is. Ze heeft zich aangepast aan een ongewenste situatie en een ongewenst economisch systeem van slavernij. Dus in feite een pessimistische boodschap, omdat ze zover heeft gereisd en zoveel meemaakt en zoveel tranen vergoten zonder een wezenlijke verandering te ondergaan. Regina als de personificatie van de geschiedenis van Suriname?

Koloniaal Suriname. Foto © Michiel van Kempen

Wij kijken echter naar een aanzet tot een nieuwe soort van Surinaamse roman die zich minder houdt aan de smalle kaders van de opgelegde, kolonialistische historiografie en laat zien dat Suriname minder geïsoleerd en ongeïnformeerd zou zijn als de vroegere schrijvers beweren. Een feit dat mijn historische onderzoeken bevestigen. Ook de Nederlandse commentaren op dit werk illustreren dat de Nederlanders een remmende werking uitoefenen op de ontwikkeling van de Surinaamse literatuur. Zij zijn nog steeds Suriname aan het ontdekken en zijn zich nog steeds aan het verwonderen over de zaken over zichzelf die Surinamers alle in geuren en kleuren kennen of dat Surinamers ook zelf romans schrijven. De nieuwe Surinaamse auteur gebruikt het verleden om iets over vandaag, iets dat Surinamers aangaat, te verklaren. En als een virtueel laboratorium om een gewenste verandering te visualiseren. Waarom Surinaamse schrijvers en schrijvers in het verleden en heden gehaat worden door plaatselijke en buitenlandse politieke elites.

Rihana Jamaludin
De historische romanvorm leent zich meer voor ongebreidelde, realistische politieke fantasie dan een verhaal dat zich in het heden afspeelt. Het heden is beter bekend bij de lezer, dus is de schrijver beperkt in zijn uitwerking van ideeën. Een historische evaluatie kan pas achteraf, maar kan ook als een vorm van een kritiek of een satire opgevat worden van wat vandaag gebeurt. De onderdrukkende staat houdt daarom graag een monopoly op de historiografie en behoudende krachten haasten zich om het publiek te waarschuwen voor fictie. Een roman is per definitie fictie, maar vaak onmisbaar om de lacunes tussen de historische bronnen te vullen om historische personen tot leven te brengen, om hun innerlijke motieven te kunnen onderzoeken. Zelf autobiografieën kunnen een vervalst beeld geven van deze personen.

Bij Jamaludin bespeur ik toch een tweestrijd om twee meesters te dienen, in plaats van onbevreesd te kiezen voor een helemaal vrije en anti-kolonialistische benadering. Omdat ik mij verdiept heb in de eerste, oorspronkelijke Cabale, wat in feite een RepublikeinseSurinaamse beweging was die tussen 1743-1753 Suriname onafhankelijk probeerde te maken, en er een studie, een romanmanuscript en een toneelstuk over schreef, begrijp ik niet waarom de auteur de Cabale als iets afzonderlijks en iets negatiefs beschreef. Ik herken een bron die zij letterlijk citeert wanneer Regina stelt dat latere, opeenvolgende gouverneurs ook geconfronteerd werden met een Cabale. Dat betreft overigens één van de beweringen waar de ik-verteller, correct toegepast, geen weet van kon hebben zonder een glazen bol. De protestbewegingen in haar boek zouden de Cabale moeten vormen, een beweging binnen de rijkste en gesurinamiseerde families, in plaats als een korte verwijzing naar een negatieve beweging. Hiermee speelt zij in tegenstelling tot haar eerdere stellingneming juist de koloniale beeldvorming onterecht in de kaart.

Plantagedirecteur
Tekening van Théodore Bray

Storend vond ik het verkeerde gebruik van de titel Gran Masra, Grootmeester voor een nederige directeur, terwijl dit de grandioze aanspreektitel was van de schatrijke Administrateurs, de machtige politici die naast hun eigen extensief plantagebezit, ook meerdere plantages en slavenmachten beheerden. Ik had graag meer details over 19e-eeuwse kleding en gebruiksvoorwerpen of meubels gezien, omdat ‘vroeger’ voor veel Surinamers slechts één brei is zonder kennis van ideeën, stijlen en neostijlen. Dat Jamaludin zich nationalistisch toont maar de slaven geen stem geeft, is conform de kolonialistische geschiedvervalsing. Terwijl ze wel een stem hadden. Arme, ongeletterde mensen kunnen hun situatie heel goed verwoorden, hoewel niet altijd gehoord door hun onderdrukkers. Alsof de schrijfster zich opnieuw niet voldoende heeft ingeleefd. Dit is extra pijnlijk omdat tot vandaag Surinamers, de afstammelingen van slaven en contractarbeiders, in Nederland nog steeds geen stem hebben. Surinaamse schrijvers worden op neokolonialistische wijze door Nederland geselecteerd, kostenbesparend uitgegeven, besproken en beperkt gepromoot als tweederangs literatuur. Daarom zijn Marokkaanse en Pakistaanse auteurs in Nederland vrijwel alleen die jonge, knappe vrouwen die schrijven hoe verschrikkelijk de Marokkaanse of Pakistaanse cultuur is. Precies wat de Nederlanders over moslims willen horen.

Het bedenken van een plot en intrige zijn moeilijke dingen en men moet soms zijn toevlucht nemen tot haast onmogelijke zaken. Dat geef ik toe en ik bewonder Jamaludins prestaties. Maar om een kleurlinge op te voeren die niet te onderscheiden zou zijn van andere witten, gaat mij toch te ver. Het klinkt als de rechtszaken rond de overtreding van Amerikaanse one-drop-rule waar zwarten zich uitgeven voor witten en trouwen met witten waar hen dat expliciet is verboden. Waar rechtsjury’s zich moesten buigen over het probleem of deze persoon zwart is, en of de ‘bedrogen’ partner dat had kunnen weten, of een schadevergoeding verdient. Een veronderstelde zwarte wetsovertreder moest zelf haar geslachtsdelen aan de jury tonen, want daar blijft bij gemengde zwarten de zwarte kleur het langst. Dat soort drama’s zijn allang ontmaskerd als pogingen om zwarten en witten in het gareel te houden en zwartheid als een ernstige besmettelijke aandoening te presenteren. Wat mij daarom ook erg stoort in deze roman is de suggestie dat zwarten pas mooi zijn als ze gemengd zijn en witte voorouders hebben. Tegelijk praat de schrijfster ook een beetje over Black History, dat zwarten wel degelijk een hoge beschaving hadden vóór de Europeanen Afrika aandeden. Het lijkt mij dat het vooral over Black History zou moeten gaan, als wij een eigen, postkoloniale Surinaamse literatuur nastreven.

Blackamoor. Frans schilderij


De actrice die in 2000 in mijn historisch toneelstuk speelde was een blonde, witte Nederlandse. Intussen beschouw ik het personage van Maria Susanna Du Plessis (1739-1795) als een zwarte Surinaams Europese. Ook vanwege een portret van haar neefje met sterke Afrikaanse gelaatstrekken en het feit dat haar tweede echtgenoot gekleurd was. Het betrof kolonisten die vanwege hun zwarte en gekleurde etniciteit tot de Europese elite behoorden. Blauw bloed is zwart bloed (1500-1789), en was de identiteit van de Europeanen die afstamden van de oorspronkelijke Europeanen, die uit Afrika kwamen en onderling huwden, ter behoud van kleur. In 1500-1789 heerste het Ancien Régime, welke zich identificeerde met de Moor, een klassieke Afrikaan, op adellijke portretten, in familiewapens, familie- en geografische namen. Ze waren ook in hun uiterlijk herkenbaar als afstammelingen van de blauwe mannen, de benaming van Europese zwarten in de middeleeuwen. De adel ontstond aan het eind van de Middeleeuwen en introduceerde afbeeldingen van de centrale zwarte koning bij de geboorte van Jezus rond 1100-1200. Rond 1500 was dit motief in heel Europa aangenomen, en markeert het begin van de Renaissance. Europa zoals wij haar vandaag kennen is het resultaat van de Renaissance. De Franse Revolutie (1789-1795) was het einde van de zwarte overheersing welke de vorm had van Omgekeerde Apartheid. Er is dus wel degelijk een oorzaak van racisme tegen zwarten aan te wijzen en een datum te noemen. Nadien waren er verschillende restoraties, maar vanaf 1848 was het voorgoed gedaan met de macht van de zwarte en gekleurde adel. Eurocentrisme en rassenleer zijn bedacht om deze episode te verbergen, en daarom lijkt het alsof zwarten, de eerste Mens, geen deel van de geschiedenis vormen. Dat vanwege de revisionistische mythe van witte superioriteit alle ontdekkingen en beschaving van witte mensen komt, terwijl witten albino’s zijn, afgeleide van zwarten. Dus niet superieur aan zwarten.

Racisme kan daarom gedefinieerd worden als een overdreven bevrijdingsideologie om witten te bevrijden van zwarte adel en koningen, welke in de aanloop naar de Franse Revolutie werd bedacht. Hoewel de Franse Revolutie in de eerste plaats het werk was van de hogere, gestudeerde burgerij als Hume, Voltaire en Rousseau en progressieve adel die zwart en gekleurd was. Slavernij van Afrikanen ontstond onder deze gekleurde Europeanen en is geen uiting van racisme, maar van hebzucht en ongenadige uitbuiting. Het woord blanke moet opgevat worden als een Europeaan en niet dat deze personen perse ook wit waren. Mogelijk lichter dan sommige Afrikanen, maar vaak zal er geen verschil in kleur en trekken zijn geweest. De gekleurde Europeanen oogden als een gefixeerd mulattenras, waarvan sommigen meer Afrikaans, Aziatisch of wit oogden. Hun hoge status hing samen met hun gekleurde uiterlijk, wat de reden was om uitsluitend onderling te huwen.

De Surinaamse planters waren tot in de 19e eeuw zwarte en gekleurde mensen, even als de gouverneurs. Dat is de reden waarom wij hen zelden te zien krijgen. De kleindochter van gouverneur Cornelis van Aerssen wordt door haar neef James Boswell beschreven als zwart als een schoorsteen en haar man, Aarnoud Joos van der Duyn, een baron van de oudste en hoogste adellijke familie als schoorsteenveger. Boswell, een Schotse baron met een Nederlandse grootmoeder, beschrijft zichzelf als zwart. Hij beschrijft Rousseau als een zwarte man. Rousseau beschrijft zijn weldoener Pierre-Alexander Du Peyrou, een Surinamer, schrijver en rijke plantagehouder als donkerbruin. Componist Van Beethoven werd De zwarte Spanjaard genoemd en zijn leermeester Haydn The Blackemoor. Charles II Stuart (1633-1685) was de Engelse koning die Willoughby een vergunning verleende om in Suriname een kolonie te beginnen, stond bekend als The Black Boy vanwege zijn zwart uiterlijk. Deze feiten worden voor ons verborgen doordat men ons uitsluitend de gewitte, propagandistische portretten toont. Er was blijkbaar een traditie bij de zwarte elite om zich als witten af te laten beelden, maar ook als zwarten. De witte portretten vormden een soort legitimatie en deferentie aan de witte ondergeschikten. Echter bestaan er kostbare boeken uit adellijke collecties die met mensenhuid zijn gekaft, wat een betere indicatie vormt van de waardering van de adellijke elite voor hun witte onderdanen. Nederland bracht de archieven tot 1795, van het zwarte Ancien Régime naar Nederland, zodat Surinamers een zwarte en gekleurde natie, deze feiten niet zouden kennen. Noch dat de Surinaamse planters beschaafde en gestudeerde mensen waren die al twintig jaar vóór de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in opstand tegen Nederland waren gekomen.

Veel Surinaamse bronnen zijn openbaar, maar een deel is nog in privé bezit en dient door zwarte en gekleurde onderzoekers nageplozen te worden. Nicolaas Beets bijvoorbeeld schrijft over een koloniale familie met een ‘West Indisch’ uiterlijk. De naam Beets komt ook voor in 18e-eeuws Suriname, een schoonzuster van Maria Susanna Du Plessis. Verder correspondeerde Beets met nakomelingen van gouverneur Crommelin. Een kleindochter van de gouverneur was getrouwd met een zoon van de schilder Jean-Etienne Liotard, die heel afrocentrische zelfportretten van zichzelf maakte. Dit is dus het dilemma welke speelt bij het schrijven van mijn roman Maria Susanna Du Plessis welke uitsluitend zwarte en gekleurde Europese en Afrikaanse personen betreft. Daarom moet ik de historische visie van Jamaludin en haar zorgvuldig uitgewerkt kleurschema ook op dit punt afwijzen en besef tegelijk dat mijn werk daarom nooit door een Nederlandse uitgever zal worden uitgegeven.

Den Haag, 28 maart 2010

[van freethinker.nl]

zondag 16 maart 2014

Dekolonisatie van de geschiedschrijving, een poging tot een evenwichtige benadering

door Eric R. Jagdew

Al enkele jaren discussieert men over dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Deze discussie is na 2010 toegenomen, nadat Dew Baboeram door Nederlandse en Surinaamse historici beschuldigd werd van het bedrijven van wetenschappelijk kolonialisme. Vanwege de nogal eenzijdige beïnvloeding van de publieke opinie is onterecht een indruk ontstaan alsof de afgelopen 40 jaar niets is gedaan aan het surinamiseren van de Surinaamse geschiedenis. Dit is dan ook de reden waarom ik in de pen ben geklommen en deze reactie heb geschreven. Het doel hiervan is de Surinamers, maar vooral de politici en beleidsmakers erop attent te maken dat dekolonisatie een lang proces is en in dit proces zij geloof moeten hebben in hun eigen mensen en vooral zichzelf goed moeten laten informeren. In feite moeten wij als volk veel meer gaan lezen en niet klakkeloos aannemen wat anderen zeggen, dus kritisch denken en handelen; maar vooral eerlijk zijn, hetgeen ik enigszins mis in deze discussie.

Voor de duidelijkheid moet worden vermeld dat het proces van surinamisering van het onderwijs en de geschiedschrijving lang vóór de onafhankelijkheid, met name na de Tweede Wereldoorlog met de zogenoemde ‘Baas in Eigen Huis’-beweging op gang is gekomen. Met de onafhankelijkheid in 1975 en de staatsgreep van 1980 kwam de dekolonisatie van de geschiedschrijving beter op gang: er werden nieuwe leerdoelen en methoden ontwikkeld voor het basisonderwijs en deels voor het voortgezet onderwijs. Zie hiervoor onder meer Doelstellingen voor het geschiedenisonderwijs bij het LO en VOJ (Jagdew, 2010). Zo werd ook de naam van de universiteit van Suriname veranderd in de Anton de Kom Universiteit van Suriname (Jagdew, 2011), mede door het dekolonisatieproces in de regio en de ‘Derde Wereld’-gedachte. Vanaf deze periode begonnen de in Suriname woonachtige academici ook westerse theorieën te toetsen door meer naar de regio te kijken en door meer aan geïntegreerde wetenschapsbeoefening te doen. Voorbeelden hiervan zijn Jack Menke, Glenn Sankatsing, Marten Schalkwijk en anderen. (Menke, 2011).

Waldo Heilbron
In een artikel uit het derde nummer van His/her Tori. Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, heb ik (Jagdew, 2012) aangegeven waarom er na een periode van vernieuwingen een vertraging optrad in het proces van surinamisering. De realiteit is dat wij het Surinaamse onderwijs enigszins hebben kunnen surinamiseren, maar de daadwerkelijke dekolonisatie van de geschiedschrijving in Suriname is uitgebleven. Dit komt omdat het Surinaams kader in de jaren ’80 en ’90 moest hosselen om te overleven en daardoor geen tijd had om zich bezig te houden met vernieuwingen. Zo is er ook verzuimd al die tijd genoeg eigen academisch geschoolde historici op te leiden en hen die tools aan te reiken, opdat zij het proces van surinamisering konden voortzetten (Hassankhan, 2013). Hiermee zeg ik niet dat (Surinaamse) academici in het buitenland en dus ook in Nederland geen bijdrage hebben geleverd aan dit proces. Integendeel, er is een bijdrage geleverd door onder anderen Waldo Heilbron, Glenn Willemsen, Ruben Gowricharn en Sandew Hira. Laatstgenoemde, beïnvloed door het marxisme, schreef de Surinaamse geschiedenis vanuit een socialistische bril.


Als deeltijdse medewerker op de afdeling curriculumontwikkeling kreeg ik aan het begin van deze eeuw het doelstellingenboekje voor het geschiedenisonderwijs in handen en mocht op basis hiervan de geschiedenisboekjes van de vierde en vijfde klas van de lagere school herschrijven. Gaandeweg het proces werd onder leiding van Linda Sairras-Rozenblad, Ewald Joemratie en Fariel Izaak ook een nieuw leerplan ontwikkeld voor het basisonderwijs, met name voor het geschiedenisonderwijs. Op basis van dit leerplan, dat toen breedvoerig is besproken met nagenoeg alle stakeholders binnen het Surinaamse onderwijs, hebben Eric Jagdew, Joyce Playfair en later Roekminie Sewradj-Debipersad de geschiedenisleerboekjes van klasse vier en vijf van het gewoon lager onderwijs herschreven. Degenen die achterbleven op CO/MINOV hebben vervolgens na 2007 aan boekje zes gewerkt.

Ik wil in deze reactie expliciet het geschiedenisboekje van leerjaar vijf van het basisonderwijs behandelen, omdat critici bij de discussie over herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, hun afkeuring uitspreken over de gehele geschiedenismethode van het lager onderwijs zonder vooraf dit boekje grondig te hebben doorgenomen. Met onderstaande passages uit boekje vijf wil ik aantonen dat de situatie anders is.
De Gazon Matodja Award

Op de bladzijden 8, 50 en 52 wordt onder meer de leerling geleerd over het ware karakter van het kolonialisme, namelijk onderdrukking en uitbuiting. Pagina 8: ‘Ons land is van 1667 tot 1975 een kolonie geweest van Nederland en is daardoor eeuwenlang uitgebuit. De rijkdommen van Suriname werden door Nederland weggedragen en niet gebruikt om ons land tot ontwikkeling (bloei) te brengen.’ Pagina 50: ‘De Spanjaarden veroverden en onderdrukten de Indianen omdat ze betere wapens hadden. Uit hebzucht stalen de Spanjaarden de rijkdommen van de Indianen. Daarnaast beroofden zij de Indianen van hun vruchtbare gronden en hun vrijheid.’ Pagina 52: ‘Deze (wereld)handel was echter oneerlijk en ongelijk, want alleen Europa verdiende eraan. Europa maakte grote winsten ten koste van de andere werelddelen. Europa werd rijker en rijker en Afrika, Azië en Amerika werden alleen maar armer.
Hernán Cortez

De leerlingen worden in dit boekje ook doelbewust aan het denken gezet over het onrechtvaardig handelen van de blanke kolonisten in Suriname. Hiertoe wordt op bladzijde 60 in vraag 4 gesteld: ‘In 1593 liet de Spaanse koning Filips II Guyana in bezit nemen door Domingo de Vera. Vind je dat de Spanjaarden het recht hadden om dat te doen? Waarom zeg je ja of nee?’ En op de bladzijde 66 wordt de volgende vraag gesteld: ‘In 1662 gaf de koning van Engeland Suriname als eigendom aan Willoughby en Laurens Hide. Mocht de koning dat wel doen?’

Bij het ontwikkelen van boekje vijf vonden we, dat de kinderen naast vaderlandsliefde ook de wreedheid van slavenhandel en slavernij bijgebracht moest worden, en dat de Nederlandse slavenhandelaren wrede slavendrijvers waren. In dit kader staat er op bladzijde 82: ‘Deze reis (van Afrika naar Suriname) was voor de slaven een echte marteling. In de kleine scheepsruimten waren zij gedurende de hele reis aan elkaar vastgebonden’, en op pagina 93: ‘Als hij (de meester) vond dat de slaven niet hard genoeg werkten of brutaal waren, kregen zij zeer wrede straffen. Als straf kon de slaaf zweepslagen krijgen of de Spaanse bok, maar hij kon ook worden verminkt’. Natuurlijk waren onze voorouders heldhaftige mensen die in verzet kwamen tegen de onderdrukking en uitbuiting. Hierover staat er respectievelijk op de bladzijden 70, 103 en 112 letterlijk: ‘De blanke soldaten konden de dappere Indianen en Marrons niet verslaan. Daarom sloot de gouverneur vrede met hen’; ‘De slaven in de stad en op de plantages keurden de slavernij af. Zij waren niet bereid in deze slechte situatie te leven. Daarom leverden zij strijd om vrije mensen te zijn’, en ‘De Marrons beschikten over weinig wapens, maar wel veel moed om te strijden. Zij voerden een soort guerrillaoorlog tegen de blanken’.
Dit zijn slechts enkele opsommingen, maar er zullen in het boekje hier en daar nog wat zinnen en woorden voorkomen die herschreven moeten worden. Echter, laten wij als wij onszelf willen ‘promoten’ niet halve waarheden en leugens verspreiden, maar aan een evenwichtige benadering van zaken doen.
Maagdenstraat Paramaribo, ca. 1940

Geraadpleegde literatuur:
- Hassankhan, M.S.: ‘Dekolonisatie van de geschiedschrijving van Suriname. Een utopie?’ In: M.S. Hassankhan, J.L. Egger & E.R. Jagdew: Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk, deel 1. Paramaribo: AdeKUS, 2013: pp. 47-89;
- Jagdew, E.R.: ‘The Development of the History Education in Suriname, 1667-present day. From Dutchifying to Surinamising’. In: Report Policy Dialogue Workshop, pp. 14-38. (UWI St. Augustine, december 2009): pp. 14-38;
- Jagdew, E.R.: ‘Anton de Kom en de februari opstand van 1933 in Suriname. Een historiografische beschrijving, 1929-heden’. In: Universiteitsblad AdeKUS: Interactie, 2011, nr. 09, pp. 19-41;
- Jagdew, E.R.: ‘Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Waarom is die uitgebleven?’ In: His/her Tori (juli 2012), pp. 5-15;
- Menke, Jack: Het spanningsveld tussen methodologie en diversiteit in de samenleving’, inaugurele rede (...) bij aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Sociale Wetenschappen (...), 2009;
- Wij en ons verleden: De geschiedenis van ons volk voor de vijfde klas van het basisonderwijs. Leerlingenboek leerjaar 5. Paramaribo: MINOV/Afdeling Curriculumontwikkeling, 2007.


donderdag 13 maart 2014

Gevoelige kwesties

Sandew Hira
door Sandew Hira

De afgelopen twee weken in Suriname waren voor mij de meest inspirerende van de afgelopen jaren. Ik ben in een korte tijd veel ervaringen rijker geworden.
Op uitnodiging van Prof. Dr. Henri Ori geef ik colleges op de Anton de Kom Universiteit aan de studierichting Master in Education for Research and Sustainable Development in het vak Ontwikkelingstheorieën. In Europa en Amerika gaat de discussie over duurzame ontwikkeling veelal over de relatie tussen milieu en economie. Ik breng in de colleges de dimensie in van stabiliteit van sociaal-economische verhoudingen in landen die gekoloniseerd zijn geweest. Meer dan milieu zijn politieke, sociale, economische en etnische spanningen een bedreiging voor de duurzaamheid van een samenleving.
Henry Ori

Ik deed een oefening met de studenten met als doel om hun empathie, het vermogen om je in te leven in de gevoelens van een ander, te vergroten. De studenten moesten per etnische groep aangeven welke uitspraken als beledigend worden ervaren door die groep. Er was een discussie of Marrons een apart etnische groep zijn dan ‘Creolen’, want beide zijn Afro-Surinamers, mensen met een basis in Afrika.
Het gaat niet om het benoemen van vooroordelen. Dat klinkt neutraal. Het gaat om het benoemen van beledigingen. Je moet je realiseren dat het beledigend is om negatieve eigenschappen van een individu toe te kennen aan een groep en waarom mensen uit die groep het als een belediging ervaren.

Sheriva Truideman

De studentenpopulatie is behoorlijk gemengd. Er kunnen verschillende dingen gebeuren tijdens deze oefening. Niemand durft beledigingen te noemen uit vrees dat de ander zou kunnen denken dat je je eigen opvattingen daarmee verraadt. Sommigen formuleren de beledigingen met aarzelingen en omslachtige formuleringen, waardoor je niet to the point komt met als gevolg dat het wantrouwen tegen je eerder versterkt dan verzwakt wordt. Om een belediging te formuleren in de context van een oefening moet de moderator eerst een veilige en oprechte omgeving creëren die duidelijk maakt dat het doel is om de empathie te vergroten. En ze kwamen los: Chinezen zijn vies; Hindostanen zijn gierig, Creolen zijn lui, Marrons zijn achterlijk, Javanen zijn corrupt, Inheemsen zijn dom, witte mensen stinken.
We hebben lijstjes gemaakt per etnische groep. We hebben gebrainstormd over de vraag wat iemand uit een etnische groep als een compliment zou ervaren. We hebben gediscussieerd over theoretische vraagstukken over wat de essentie is van etnische identiteit.
Albert Roessingh - Javaans paar

En ik werd met de minuut optimistischer over de toekomst van Suriname. Het is mogelijk om gevoelige kwesties op een ontspannen en eerlijke manier onder ogen te zien. Je moet een open houding hebben om te willen luisteren naar de ander. Je komt dan te weten wat je niet weet.

Vorige week donderdag zat ik een bijeenkomst voor met de jurist Patricia Meulenhof en Robert Connell die onderzoek doet naar grondrechten van Marrons in Jamaica en Suriname. Ik had eerder in een column het vraagstuk aangekaart in hoeverre sinds de vredesverdragen de Marrongemeenschappen een staat zijn binnen een staat zijn en of er sprake is van een vraagstuk over soevereiniteit. Ik had niet door dat ik met de introductie van het begrip ‘soevereiniteit’ een heel gevoelige snaar had geraakt in de Surinaamse samenleving. Ik kwam er gauw genoeg achter. De zaal kwam los. “Wat is het doel van die vergelijking? Is het om marrons in een kwaad daglicht te stellen?”
Ik was verbaasd. Ik dacht dat ik een intellectuele discussie had aangekaart, maar er leeft een sentiment dat ik niet kende, namelijk dat Marrons veeleisend zijn en onterecht rechten claimen die anderen niet hebben. Mijn analyse had dat sentiment versterkt, zo bleek mij tijdens de discussie.
Patricia Meulenhof
De opmerkelijke en optimistische kant van de discussie is dat verschillende sprekers zich nadrukkelijk keerden tegen het concept van soevereiniteit. Later vroeg ik Patricia Meulenhof: “Wat willen de marrons nou precies?” Zij legde me uit dat de marrons net als in Guyana en andere landen willen dat de positie van tribale gemeenschappen in de wet wordt vastgelegd. Is dat onredelijk? Het lijkt mij niet.

Mijn optimisme werd versterkt door de reactie in de samenleving op oproepen van o.a. Brunswijk om alle marronpartijen te bundelen in een grote eenheid. Niemand maakte de marrons uit voor racisten. Als Santokhi een oproep zou doen aan alle Hindostaanse partijen om zich te bundelen in één grote Hindostaanse partij, zou hij onmiddellijk voor racist worden uitgemaakt. Hoe verklaar je dat verschil? Het laat zien dat er in de Surinaamse gemeenschap het idee leeft dat sommige etnische groepen achtergesteld zijn en het legitiem is om hun emancipatie te bevorderen door zich samen te bundelen. Marrons worden beschouwd als een achtergestelde groep en Hindostanen niet. Een oproep tot bundeling van Hindostaanse partijen zou niet gezien wordt als een poging om een einde te maken aan achterstelling, maar een poging om een begin te maken met etnische dominantie.

Foto Raw Fotografie
Een geweldige ervaring had ik bij de cursus Herschrijving van de Surinaamse gschiedenis die ik samen met Prof. Dr. Stephen Small verzorgde, Ik deed de eerste week en Stephen de tweede. De cursus werd georganiseerd door het Nationaal Archief Suriname (NAS). Soewarto Moestadja, minister van Binnenlandse Zaken en verantwoordelijk voor het archief, had zich persoonlijk gecommitteerd aan dit traject. Hij opende de cursus en plaatste het in het kader van het regeringsbeleid om de geschiedenis te herschrijven vanuit een gedekoloniseerd perspectief. Toen Stephen Small arriveerde heb ik met hem en Rita Tjien Fooh, directeur van het NAS, een ontmoeting op het ministerie gehad om de follow-up te bespreken. De follow-up bestaat uit vijf onderdelen: het opzetten van een nieuwsbrief voor de community van mensen die geïnteresseerd zijn in de herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, het opzetten van een onderzoeksprogramma om wetenschappelijk onderzoek te bevorderen, het uitgeven van een serie bronnenpublicaties door het NAS om originele bronnen te ontsluiten, het publiceren van een boek op 8 maart 2015 over de positie van vrouwen in de Surinaamse geschiedenis en een follow-up cursus in 2015 waarin de geschiedenis van Suriname wordt vergeleken met de geschiedenis van andere landen.

Op de laatste dag van mijn cursusonderdeel kaartte ik een gevoelige discussie aan: hoe behandelen we 8 december in de Surinaamse geschiedschrijving? Er waren ongeveer 40 cursisten aanwezig met uiteenlopende opvattingen over 8 december. Hoe bespreek je in zo’n gezelschap deze super sensitieve kwestie? Rita Tjien Fooh had publiekelijk in de Ware Tijd aangekondigd dat gevoelige onderwerpen niet van de historische agenda moeten worden gehaald. Er zijn verschillende perspectieven die met elkaar in dialoog moeten gaan: “Maar we moeten eruit komen.”
Bij de bespreking had ik het volgende gesteld. Niemand mag een ander onderbreken. Je moet je eigen mening geven en hoef[t] niet in discussie te gaan. Dit is een begin, niet het einde van het traject over 8 december en geschiedschrijving.
Er was een ingetogen sfeer waarin de emoties als zware wolken boven het gezelschap hingen. Eén persoon plaatste 8 december direct in een groter kader: hoe zit het met Moiwana? Waarom alleen 8 december?
Een ander gaf aan hoe zwaar het op haar maag lag: “Ik was lid van de volksmilitie. Ik wil er voorlopig niet over praten.”
En zo waren er verschillende bijdragen vanuit verschillende invalshoeken. Diep in mij woedden verschillende emoties, maar er was één van vreugde. We zijn in staat om toch een tipje te lichten van de sluier op een taboe waarover we niet graag praten. Het was een klein onderdeel van de cursus, maar niet onbelangrijk.
Het Moiwana monument

Deze exercitie heeft me gesterkt in de overtuiging dat er een maatschappelijke oplossing moet komen voor 8 december en Moiwana. De spanning die op dit onderwerp ligt, kan vroeg of laat de stabiliteit van de samenleving bedreiging. Stel je voor dat bij de nieuwe verkiezingen Santokhi wint. Stel dat het 8 Decemberstrafproces leidt tot de uitspraak dat Bouterse schuldig is. Wat gaat Santokhi doen? Hij heeft twee opties.
De eerste is om de uitspraak te respecteren en Bouterse te laten arresteren. Wat gebeurt er dan? Wie dit soort sociale processen analyseert, weet dat het zal leiden tot een geweldsexplosie. Het vragen van buitenlandse hulp bij de arrestatie zal het probleem van geweld alleen maar verergeren.
De tweede optie is verraad te plegen aan iedereen die pleitte voor het proces. En dat verraad houdt in dat Santokhi zelf amnestie geeft om een geweldsexplosie te voorkomen.
Meer opties heeft hij niet. En beide opties zijn loose-loose-opties.

Zelfs als Bouterse morgen aan een hartaanval sterft, zal de spanning van 8 december en Moiwana niet verdwijnen uit de samenleving omdat er dan een erfenis is waarmee gedeald moet worden.
De amnestiewet van de regering is ook geen oplossing. De dader die zichzelf amnestie geeft heeft daarmee iedere morele basis verloren om die amnestie legitimeren. Je kunt jezelf niet vergeven voor een misdaad. Iemand anders moet je vergeven, als vergeving in plaats van waarheidsvinding aan de orde is.

Mijn conclusie is dat in de afgelopen 32 jaar de politiek geen oplossing heeft weten te brengen in dit probleem. Die oplossing moet van het volk komen. Ik pleit voor een oplossing gebaseerd op drie punten:
1. Intrekking van de amnestiewet.
2. Stopzetting van het 8 decemberproces.
3. Instelling van een waarheidscommissie van onderaf met de bevoegdheid om amnestie te verlenen.

Die punten roepen tal van vragen op, die we in de komende tijd ook moeten bespreken. Maar de kern van deze oplossing is dat we kiezen voor een bepaalde vorm van gerechtigheid. Gerechtigheid heeft twee dimensies: straf en waarheidsvinding. Soms kan waarheidsvinding louterend werken en straf overbodig maken.
Het doel van deze oplossing is dat in de samenleving een atmosfeer ontstaat waarbij grote delen van de bevolking erkent dat we 8 december en Moiwana niet afgesloten hebben, maar een afsluiting absoluut noodzakelijk is. De afsluiting houdt in dat mensen van verschillende kampen elkaar recht in de ogen kunnen kijken en tegen elkaar kunnen zeggen: we hebben het probleem samen opgelost via het mechanisme van waarheidsvinding. Het gaat niet om verzoening. Het gaat er niet om dat iemand spijt en berouw toont. Het gaat er om dat de waarheid boven tafel komt, met alle complicaties die horen bij waarheidsvinding. Maar aan het eind kunnen we tegen elkaar zeggen: we hebben het afgesloten en gaan samen verder. We hebben het mechanisme van geweldloosheid toegepast om een oplossing te bereiken.

Ik pleit al lang voor deze oplossing, maar het heeft tot nu toe geen maatschappelijke weerklank gevonden. De sessie met de cursisten van NAS hebben [heeft] me gesterkt in de overtuiging dat we een open houding moeten ontwikkelen over de kwestie.
Melvin Linscheer

Toeval bestaat niet. Kort na mijn aankomst in Suriname had ik een gesprek met een goede vriend van me. Na onze warme ontmoeting zei hij dat hij een boodschap voor me had van Melvin Linscheer, directeur Nationale Veiligheid. Linscheer wil een gesprek met me. Hij kent Linscheer heel goed.
Ik was stomverbaasd. Linscheer? Dat is toch de beul van het binnenland, de rechterhand van Bouterse. “No way”, antwoordde ik geschokt. Ik heb gezworen om me nooit in de positie te plaatsen dat ik in de nabijheid van Bouterse zou komen. Met Linscheer lijkt het alsof ik direct met Bouterse praat.
Ik heb veel respect voor mijn vriend. We delen gemeenschappelijke ervaringen en gaan lang met elkaar terug in de tijd. Hij legde me omstandig uit hoe zijn contact met Linscheer zich heeft ontwikkeld. De beeldvorming rond Linscheer is in zijn ervaring onjuist.
Wat is mijn beeld van Linscheer? Ik weet niet eens hoe de man eruit ziet. Ik had het idee van een sinister en duister type uit de onderwereld van veiligheidsdiensten, CIA, geweld en zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Later zou ik hem googelen en zag foto’s van hoe hij eruit zag.
Mijn vriend en ik spraken heel lang over zijn ervaringen met Linscheer. Zijn boodschap was: Linscheer zoekt naar oplossingen voor 8 december (Moiwana was niet in zijn verhaal opgenomen, zoals ik het heb leren opnemen door de bijdrage van een cursist).
“Wat verlies je om met hem te praten?”, zei mijn vriend. “Misschien moet je een open houding ontwikkelen in deze kwestie.”
Ik liet me overtuigen. Tegen het advies van mijn vrouw in en met veel tegenzin ging ik naar een ontmoetingsplaats die mijn vriend had georganiseerd. Ik kwam eerst aan. Ik was in een lege kamer met een bureau en twee stoelen naast het bureau. Linscheer kwam later binnen.

Bij de voorbereiding denk je veel na over hoe je het gesprek in wilt gaan en hoe je eruit wilt komen. Wat wil de man van mij? Ik ben een eenvoudige columnist bij een veelgelezen medium dat vecht om het hoofd boven water te houden. Ik heb geen macht, geen organisatie. Ik kan niemand opdragen om iets te doen. Ik heb alleen de kracht van het idee, zoals het idee van Decolonizing the Mind of het idee van een morele oplossing voor 8 december en Moiwana. Ik weet dat als een gedachte eenmaal maatschappelijk worteling vindt het transformeert van een idee naar een sociale kracht.
Hij kan met mij ook niet over iets onderhandelen. Ik wil geen geld, dus heeft het geen zin om me geld aan te bieden. Ik wil geen positie, dus kom daar niet mee. Wat valt er dan verder te bespreken?

Linscheer kwam binnen met een uitstraling van een intellectueel in plaats van een CIA-baas. Na plichtplegingen van beschaving en wat omcirkelende small talk begon hij met een analyse over zijn zorgen m.b.t. de langetermijnveiligheid van Suriname en de noodzaak van een structurele en fundamentele oplossing van de kwestie van 8 december (en Moiwana voor mij).
Hij zag de noodzaak in, kende mijn voorstellen uit mijn columns – hij leest al mijn columns - en stelde voor om een vertrouwensrelatie met elkaar te ontwikkelen om een oplossing te vinden. Ik luisterde, onderbrak hem af en toe met wat vragen en probeerde in te schatten: wie heb ik voor me en waarom zou ik hem vertrouwen?
Hij had één voordeel die mijn mind niet liet dichtklappen. Hij analyseerde als een intellectueel en stelde zich open voor discussie. Hij vroeg naar mijn mening en wilde niets van me hebben. Er was geen onderhandeling ergens over. Het was een gesprek over analyses.
We spraken bijna anderhalf uur over de spanningen in de Surinaamse samenleving en onze visies over hoe die op te lossen. We spraken lang over mijn oplossing en de praktische problemen hieromtrent. Hij stelde voor om onze gesprekken in de komende maanden te continueren en te proberen oplossingen te formuleren.
Ik stelde het volgende voor. Mijn oplossing is helder en duidelijk. De vraag aan jou is: wil je de mogelijkheden onderzoeken om een maatschappelijk draagvlak te scheppen voor deze oplossing? Dan hebben we iets om over te praten in de komende maanden. In dat proces kunnen wij dan een vertrouwensband opbouwen om die oplossingen te realiseren.
Hij antwoordde bevestigend. Hij wil de mogelijkheden onderzoeken.
Ik zei dat ik niets en niemand vertegenwoordig en alleen de kracht heb van ideeën. Ik zie dus geen geheim onderhandelingstraject, maar een publieke discussie. Ik stelde voor om ons gesprek in de openbaarheid te brengen via een column, die ik nota bene niet eens vooraf aan hem zal voorleggen hoewel hij daar recht op heeft, gegeven het feit dat het ook een verslag van zijn bijdrage aan het gesprek is. Hij had er geen probleem mee.
We wisselden onze gegevens uit en namen afscheid.

Hoe moet het nu verder?
Ik wil een maatschappelijke discussie die moet leiden tot een situatie waarin we 8 december en Moiwana een respectvolle plek geven in het leven en het geheugen van ons volk en het tijdperk van taboe en spanning kunnen afsluiten. Ik wil een maatschappelijke discussie over de drie punten. In beide kampen zullen er tegenstanders zijn, maar ik hoop dat voorstanders in beide kampen voor de drie punten oplossing zich in de komende maanden gaan buigen over dit idee.
Ik weet niet waar dit naartoe zal leiden. Misschien kost het Linscheer zijn kop als directeur Nationale Veiligheid omdat hij een oplossingsmodel overweegt dat zijn baas niet ziet zitten. Misschien krijg ik weer bedreigingen van mensen om mij een kopje kleiner te maken. Ik heb lang geleden al een besluit genomen over de vraag hoe om te gaan met angst voor de dood: liever staande te sterven dan knielend te leven.

Ik weet dat mijn ouders zich tegen mijn handelingen zouden keren, omdat hun verdriet een onmetelijke omvang had bereikt. Dat verdriet en die wetenschap draag ik met me mee.
Ik put kracht uit de Bhagvad Gita waar Arjuna in gesprek met Heer Krishna het dilemma tussen persoonlijke wensen en sociale verantwoordelijkheid trotseerde met de gedachte dat persoonlijke gevoelens ondergeschikt moeten worden gemaakt aan sociale plichten.
Ik put kracht uit de uitspraak van Mahatma Gandhi over oog-om-oog, tand-om-tand: een eye for an eye makes everyone blind.

Deze hele week ben ik bij mijn vrienden van Fundashon Museo Tula op Curaçao voor een traject van Decolonizing the Mind. Ik heb besloten om het contact met Linscheer voorlopig voor te zetten tegen alle emoties in mijn lichaam in die hiertegen pleiten.

[van Starnieuws, 10 maart 2014]

woensdag 26 februari 2014

Colonial ghosts haunt Belgium as Africa museum eyes change

Shadows of visitors are seen as they walk past stuffed zebras at the Brussels Royal Museum for Central Africa in Tervuren November 16, 2001. Reuters/Yves Herman/Files

by John O’Donnell


 (Reuters) - At the entrance to Belgium's Museum for Central Africa stands a giant golden statue of a European missionary with an African boy clutching his robes, along with a plaque that reads: "Belgium brings civilisation to Congo".

The statue and some of the exhibits inside anger many visitors for the way they portray African people and Belgium's brutal colonial past.

Now Belgium wants to change that, at least a little. It is spending 66 million euro to modernise the museum, set in rolling gardens outside Brussels, and put a new face on the colonial experience.

Klik hier voor het hele artikel.


[van Reuters, 24 februari 2014]

Het beeld van de missionaris bij de ingang van het Afrika Museum te Tervuren.

donderdag 23 januari 2014

Publieke leven en werk van de Creoolse arts Sophie Redmond onderzocht (2 en slot)

In de kolonie Suriname werd kolonialiteit van macht op verschillende niveaus toegepast. Het e.e.a.in de context van de studie geplaatst ziet er als volgt uit.




In dit schema van boven- en onderschikking zijn waarden, normen en eigenheden van de kolonisator hoger gerangschikt dan die van de gekoloniseerden. In de kolonie Suriname werd koloniale macht uitgeoefend door de dominante etniciteit: de witte Hollanders. Religies van de gekoloniseerden werden op een lager peil geacht dan het christendom. De taal van de gekoloniseerden werd op een lager peil geacht dan het Nederlands. Normen van witte Hollanders werden verheven tot positieve standaardnorm.  

Hollandse Aanwezigheid
Binnen de dimensies van de persoon Sophie Redmond is de impact van de destijds gevoerde cultuurpolitiek overal te herkennen. Geïnspireerd door Stuart Halls Aanwezigheden heeft Kortram het begrip Hollandse Aanwezigheid geïntroduceerd. Daarmee wordt bedoeld, het effect, de uitwerking van het verhollandsen in haar verscheidene facetten en vormen op de gevormde koloniale identificatie van gekoloniseerde Surinamers; de uitwerking van het verhollandsen in dagelijks leven, taalgebruik, religie, relatievormen, etc. enz. Die uitwerking leidde tot een dubbele ervaring in het gevoelsleven van gekoloniseerde Surinamers, van het ‘Erbij horen’ en het ‘Anders zijn’. Het 'erbij horen' impliceert het via de koloniale politiek geforceerde verhollandsen. Het 'Anders zijn' impliceert het bewust zijn van de eigen culturele achtergrond, de eigen afkomst, de eigen religie en het eigen oorspronkelijke verleden dat de gekoloniseerde Surinaamse bevolking als herinnering met zich mee blijft dragen.

Conclusies
Deze studie heeft geleid tot conclusies op verschillende niveaus.
Sophie Redmond

Sophie Redmond heeft haar weg moeten vinden in een koloniale wereld waar effecten van beeldvorming via sociaalpsychologische kanalen werden gecreëerd en vastgelegd. Zij heeft zich ontwikkeld tot een onafhankelijke persoon met een sterke wil en een eigen mening. Zij sloot zich aan bij emancipatoire acties. Waar ze kon droeg ze een steentje bij aan de strijd die het gekoloniseerde volk leverde. Deze portretconstructie is volgens Kortram daarom niet alleen een analyse van leven en werk van Sophie Redmond. Deze studie is ook Surinaamse vrouwengeschiedenis en bevrijdingsgeschiedenis. Met bevrijdingsgeschiedenis wordt bedoeld dat dit onderzoek wordt geplaatst in het discours van de modernity/coloniality-school, waar dekoloniale denken en dekoloniale activiteiten centraal staan.

Sophie Redmond heeft zich geprofileerd als een agent of change op verschillende maatschappelijke gebieden. Daarbij maakte zij gebruik van massamedia en interpersoonlijke communicatiekanalen om haar doelgroepen te bereiken. Door haar bekendheid en doordat zij geliefd was onder de bevolking, had zij een podium om haar boodschap effectief over te brengen. De grenzen van haar agency werden zichtbaar in de verkiezingsstrijd van 1950. Zij kwam in een verkiezingsstrijd terecht waar haar bekendheid, de liefde en het respect voor deze huisarts weinig waarde hadden.

De Dr Sophie Redmondstraat in Paramaribo is een belangrijke verkeersader


In deze studie heeft de vroeg twintigste-eeuwse Surinaamse samenleving meer gezicht gekregen vanuit de geschiedenis van deelnemer Sophie Redmond. Tegelijkertijd heeft deelnemer Sophie Redmond zelf, ook meer reliëf gekregen door haar in haar tijd en omgeving te plaatsen. Geen van eerdere studies over het koloniale Suriname maken een analyse van de gevoerde koloniale cultuurpolitiek, vanuit het perspectief van de koloniale machtsmatrix en vanuit het agent of change-perspectief. Door in dit onderzoek wél een analyse vanuit deze perspectieven te maken, zijn nieuwe inzichten naar voren gekomen.

De kolonisator heeft een koloniale machtsmatrix toegepast die alle dimensies van sociale existentie raakte. Mede door de wisselwerking van de matrixwaarden kreeg beeldvorming in het koloniale Suriname een zichtbare uitwerking in stigmatisering en stereotypering,  ook bij etnische subgroepen onderling. Het ‘wij-zij’-schema tussen bevolkingsgroepen onderling was inherent aan het assimilatiedenken dat tot een allesomvattende ‘koloniale wij’ van een ‘erbij horen’ moest leiden. De paradox is dat dit ‘koloniale wij’, dit ’erbij horen’,  het gevoel van ‘anders zijn’ versterkte. In die etnische gesegmenteerde koloniale samenleving, in die veranderende koloniale wereld van bewustwording van de waarde van culturele eigenheden, konden bepaalde personen zoals Sophie Redmond eigen doelen bereiken, zich ontwikkelen tot agents of change, en daarmee uiteindelijk de laatste fase van het koloniaal systeem inluiden.

Meer dan arts alleen. De maatschappelijke betekenis van huisarts Sophie Redmond in laat-koloniaal Suriname’ is in eigen beheer uitgegeven. Het boek kost € 35,- en is te bestellen bij de auteur smkortram@quicknet.nl    


Publieke leven en werk van de Creoolse arts Sophie Redmond onderzocht (1)

Portret van Sophie Redmond op een wand bij bij café Zus & Zo in Paramaribo


Op 16 januari 2014 heeft Sylvia Kortram haar proefschrift over het publieke leven en werk van de Creoolse arts Sophie Redmond verdedigd, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. De titel van het proefschrift luidt: Meer dan arts alleen; De maatschappelijke betekenis van huisarts Sophie Redmond in laat-koloniaal Suriname.

Sylvia Kortram heeft leven en werk van Jeane Sophie Everdine Redmond in beeld gebracht via een analyse van verschillende dimensies van haar persoon, via een analyse van de koloniale cultuurpolitiek die in die periode werd gevoerd, vanuit het perspectief van de koloniale machtsmatrix en vanuit een agent of change-perspectief. Kortram geeft duidelijk aan dat deze studie geen biografie is maar een portretconstructie, omdat de studie geen uitputtende beschrijving is van alle facetten van Sophie Redmonds leven. Over haar kinder- en tienertijd bij voorbeeld is te weinig materiaal beschikbaar.

Sophie Redmond heeft geleefd van 1907-1955. In de studie staat niet het privéleven van Sophie Redmond centraal, maar haar leven in de publieke sfeer en haar bijdrage aan ontwikkelingen in de veranderende koloniale Surinaamse maatschappij waar zij deel van uitmaakte. Zij bevond zich in een setting van opleving en waardering van Sranantongo en etnische eigenheden. Haar vader Philip Redmond was actief in gezondheidskwesties en op de hoogte van wat er zich afspeelde in het gezondheidsveld. Hij had een groot netwerk en veel maatschappelijke functies. Een van de huisvrienden van de familie Redmond was Julius Koenders, een van de eerste cultuurnationalisten in Suriname. 

Huwelijk van Sophie Redmond met Emile Monkau
In 1941 trouwde Sophie Redmond met haar jeugdliefde Louis Emile Monkau. Het echtpaar kreeg geen kinderen. Naast haar beroep als arts was Sophie Redmond schrijfster van toneelstukken. Soms vervulde zij ook een acteursrol. In de toneelstukken komen sociaal-maatschappelijke, culturele, religieuze, politieke onderwerpen en gezondheids- en welzijnsaspecten aan de orde. Zij heeft ook een radioprogramma verzorgd Datra mi wan’ aksi wan sani [Dokter ik wil iets vragen]. In dat programma werden gezondheids- en welzijnsaspecten behandeld.

Assimilatiepolitiek als motor van het moderniseringsproces in koloniaal Suriname
Enerzijds is Sophie Redmond gevormd en gesocialiseerd in een koloniale periode waar de erfenis van de slavernij dagelijks aan den lijve werd ondervonden. Anderzijds, leefde zij in een periode van bloeiend etnisch en historisch bewustzijn, gender- en klassenbewustzijn, vrouwenorganisaties, opkomende sociale bewegingen en antikoloniale strijd. Het was een periode waarin sprake was van een assimilatiepolitiek; een westerse cultuurpolitiek dat was gericht op westerse opvoeding en westerse geestelijke vorming. Binnen die assimilatiepolitiek waren het voornamelijk gender, huidskleur, etniciteit, religie en taal, die bepalend waren voor iemands plek en voor iemands functioneren in de samenleving. Deze cultuurpolitiek wordt in deze studie geanalyseerd als motor van het moderniseringsproces in het koloniale Suriname. Bij die analyse heeft Kortram zich afgezet tegen eurocentrische moderniseringstheorieën en heeft zij aansluiting gezocht bij de visies van Stuart Hall en de modernity/coloniality-school.

Volgens de onderzoekers die Kortram heeft ondergebracht in de groep eurocentristen, ontstond moderniteit eerst in Europa en daarna in de rest van de wereld. Volgens de onderzoekers die zij heeft ondergebracht in de mondiale interactieschool is modernisering een wereldwijd en universeel fenomeen, dat niet alleen in Europa merkbaar was maar het gevolg van een interactie tussen wat genoemd wordt, het Westen en het Niet-Westen.


Onderzoekers die Kortram heeft ondergebracht in de modernity/coloniality-school, benadrukken de donkere kant van moderniteit. Volgens die onderzoekers zijn moderniteit en kolonialiteit twee kanten van dezelfde medaille. Moderniteit functioneert via opgelegde bevrijding, verlossing en zaligmaking, door o.a. christendom en westerse civilisatie. Kolonialiteit, als de donkere kant van moderniteit, verwijst naar structurele koloniale overheersing door het Westen op cruciale aspecten van het sociale bestaan, ook na staatkundige onafhankelijkheid van hun koloniale gebieden. De modernity/coloniality-school  beschouwt deze koloniale macht als een machtsmatrix van de moderne/koloniale wereld die alle dimensies van het sociale en economische bestaan raakt.

[vervolg, klik hier]

vrijdag 13 december 2013

Stichting koopt en geeft Indianenmaskers terug


Een liefdadigheidsorganisatie blijkt maandag Indianenmaskers te hebben gekocht op een omstreden veiling in Parijs om ze terug te geven aan de Hopi- en Apache-Indianen. De Amerikaanse Annenberg Foundation betaalde 385.000 euro voor de maskers en andere voor de Indianen heilige voorwerpen. Dat maakte ze woensdag bekend. Hopi-leider Sam Tenakhongva reageerde opgetogen. Hij hoopt dat anderen hierdoor inzien dat de voorwerpen ''simpelweg niet voor de verkoop zijn''. Volgens de Indianen is verkoop heiligschennis. De stammen hadden zonder succes geprobeerd de veiling te voorkomen met een rechtszaak. Ook de Verenigde Staten tekenden protest aan.

Robert Redford
In april werden al zeventig objecten, zoals maskers, verkocht. Dat leidde tot woede onder de Indianen en protesten van hun bondgenoten, onder wie acteur Robert Redford. Die veiling bracht 930.000 euro op, aldus SI. De advocaat van de indianen, Pierre Servan-Schreiber, kocht toen zelf een masker op de veiling, die hij teruggaf aan de indianenstam.

[van nu.nl, 11 december 2013]


zaterdag 30 november 2013

Nieuw boek geeft inzicht in geschiedschrijving

Paramaribo, begin Gravenstraat, ca. 1920

door Audry Wajwakana

Paramaribo - Met het nieuwe boek Verkenningen in de Historiografie van Suriname krijgt de lezer een beeld van de onderwerpen in de geschiedenis van Suriname, waar al over is gepubliceerd en welke meer verdieping behoeven. Ook vanuit welk perspectief die artikelen zijn geschreven wordt belicht. Het boek is het product van de conferentie 'Geschiedschrijving van Suriname' die in oktober vorig jaar door de Institute for Graduate Studies & Research (IGSR) en het IMWO werd georganiseerd.

Paramaribo, De Waterkant, ca. 1930


Inzicht
Onder redactie van Maurits Hassankhan, Jerome Egger en Eric Jagdew hebben 24 auteurs uit Suriname, Nederland, India en Trinidad en Tobago meer dan twintig artikelen geschreven. In het 632 pagina's tellend boek wordt behandeld hoe de geschiedschrijving van Suriname zich vanaf de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld. "Artikelen die vanuit een koloniaal standpunt zijn geschreven vooral met stereotypering van de verschillende bevolkingsgroepen komen ook voor", zegt Egger. Volgens hem is er veel geschreven over marrons en Hindostanen en zijn de inheemsen over het algemeen in de geschiedschrijving minder belicht. Voor studenten en onderzoekers is het boek een aanbeveling om onderwerpen die minder belicht zijn of waar nog niet over is geschreven nader uit te zoeken. "Vooral nu we met onze nieuwe geschiedenisopleiding zijn gestart", zegt Egger.

De Surinaamsche Bank, Paramaribo, ca. 1930


Buitenlanders
Het boek begint met vier artikelen over de dekolonisatie van de geschiedschrijving in het algemeen, waarna in de verschillende hoofdstukken specifieke onderwerpen worden behandeld. "Kabil Kumar van India heeft een artikel geschreven over de Indiase arbeiders en het artikel van Bridget Brereton van Trinidad en Tobago geeft bijvoorbeeld ook aan dat zij veel verder zijn met het schrijven van hun eigen geschiedenis", indiceert Egger.
Een historica uit Nederland geeft in haar artikel aan hoe met beeldmateriaal de geschiedenis gesymboliseerd kan worden. Volgens Egger zijn de buitenlanders voor het boekwerk aangetrokken om inzicht te geven hoe ver die landen zijn met hun geschiedschrijving.

Het boek wordt op 5 december in het IGSRgebouw gepresenteerd. Op die dag wordt het verslag van de conferentie van vorig jaar aan de directeuren van het IGSR en het IMWO aangeboden. Het boek zal na de presentatie voor een gereduceerd tarief van SRD 100 verkrijgbaar zijn. Het ligt in de bedoeling dat het boek daarna in alle boekhandels te verkrijgen is."

[uit de Ware Tijd, 29/11/2013]


maandag 7 oktober 2013

Nederlands dekolonisatieproces ambitieus beschreven

John Jansen van Galen
door Walter Lotens

Op de cover van Afscheid van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John Jansen van Galen Afscheid aan de koloniën geschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie geworden.

John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname (een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme), Het Suriname-syndroom (over het beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en daaruit ontstond Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoeanatie) en De toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen).



“Een neger uit Zuremane!”

Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog school liep - Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)



Journalistiek onderzoek

Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde  zijn blik ook vaak naar de oostelijke rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In 2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?” (p.18)  Het boek is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het zo slecht? 


Drie lijvige delen

Afscheid van de koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen 1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden - minder dan een half miljoen inwoners - waar ook veel minder kolonialen woonden. In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië – bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen, de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de auteur.

Kruithuis Nieuw Amsterdam. Foto H. Sevenoaks

In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld, ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942.  De koningin verklaarde in haar toespraak dat het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost, maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt volgens hem weinig af te dingen.

Sint Eustatius

In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in op de zes koloniën in de West - in feite gaat het om kleine eilanden in de Caraïben - die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders, 330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.

Geen eenduidige conclusie

Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen, een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd.” (p. 577)


Afscheid van de koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet gemakkelijk.  Meer dan veertig jaar kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen in het groter historisch geheel. Afscheid van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.

John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN 9789025435301, prijs: € 44,95.