Met de verschijning van Tropische Winters in 2001 drukte Hans Vaders meteen een stempel op de Caribische literatuur. Zijn hoofdpersoon, de journalist Horace Lee, was getuige van de bloedige wraakacties op de tontons macoute na het vertrek van Baby Doc Duvalier uit Haïti. In Otrobanda portretteerde de schrijver Willemstads bruisende volkswijk waarvoor hij werd gelauwerd met de Caribbean Tourism Media Award. Tegenover Otrobanda stelde hij vervolgens zijn poëziebundel Kate Moss in Mahaai. Samen met beeldend kunstenaar Herman van Bergen bracht hij fotomodel Kate Moss en de betere stadswijk Mahaai samen in passievolle poëzie.
In zijn nu
verschenen novelle Terug tot Tovar kruisen de levens van zijn
personages elkaar op raadselachtige wijze. Aan het begin van zijn verhaal zet
Hans Vaders zo’n moment welhaast terloops neer: “Het is nu al wat later op
deze eentonige dag, zo rond twee uur in de middag. En gedurende een ogenblik
meent Ilse, zittend aan haar vaste tafeltje in restaurant Bierstube vanuit
een zijraam met uitzicht op de smalle, modderige Calle Bolívar, een lotgenoot
te herkennen die ze kortgeleden in een glimp had zien lopen op het marktplein
van een Noord-Hollandse provinciestad, de stad van haar zo vroeg overleden
moeder.
Een
verloren broer, die deze middag tegen het einde van december, langzaam, met
slepende stap in zijn plompe zwarte sandalen, zwaar hijgend door de ijle
lucht, langsloopt over het steile voetpad in de richting van de begraafplaats
van het dorp.”
En als het
raadselachtige in het brandpunt staat belanden we in het domein van de
Latijns-Amerikaanse fictie. Het lijkt bijna alsof de personages oplossen in
vergetelheid, dat hun passage onopgemerkt voorbijgaat zoals de wind in de
sparren van een Venezolaans bergwoud.
![]() |
| Muurschildering Kura Hulanda, Otrabanda |
Vertellers
Terug
tot Tovar is het
verhaal van meerdere vertellers. Een conventionele derdepersoonsverteller
doet het verhaal van een ex-danseres op een eenzame hotelkamer in het
Venezolaanse dorp Colonia Tovar die ten onder dreigt te gaan aan drankzucht.
Ook
vertelt deze verteller het verhaal van een universitair docent die in Alkmaar
de oorlogsgeschiedenis uitpluist en op zoek gaat naar zijn wortels in
datzelfde Tovar: “Onwillekeurig kijkt de historicus met een schuin oog op van
zijn werktafel, waarop een paar dikke gevlekte archiefmappen liggen en een
stapeltje hagelwit papier militair wacht naast een aftandse tikmachine. [...]
Links, op
de met zware folianten gevulde eikenhouten boekenkast een foto in een
zilveren lijst, de enige foto die hij van zijn vader bezit. Een merkwaardige
foto, althans voor de enkeling die alles heeft overleefd en de personages
herkent.
Liebknecht
weet dat iedereen op deze scherpe zwart-witfoto al ruim vijfenzestig jaar
geleden is gestorven - opgeknoopt, neergeschoten, vermist - de hoofdpersonen
op de overzichtsfoto in ieder geval, maar de meeste figuranten in uniform
ook.”
Dit
verhaal wordt afgewisseld met een ik-verteller, ene Ramón Romero de las Rosas,
een oude man die wordt verzorgd door nonnen en met stramme vingers schrijft
aan zijn levensverhaal: “Ik ben Ramón Romero de las Rosas. Men zegt de enige
zoon van een arme vaquero, een ongeletterde veehoeder die meestal ver van
huis en vrouw zijn paard tot bloedens toe voortranselde over de uitgestrekte
llano’s en zijn schaarse vrije tijd doorbracht met bier, veel rum en
geroosterde hompen vet druipend vlees.” En deze zoon van een veehoeder maakt
notitie van zijn lotgevallen in dienst van een Reichsauslandsdeutsche die
ronselde voor de nazi’s.
![]() |
| Werk van Marie-Joubert Henning |
Tussendoor
lezen we fragmenten uit het proefschrift van de docent die al schrijvend op
zoek is naar sporen van zijn vader. “Hij was slechts een vrijwilliger met een
Duits en een Venezolaans identiteitsbewijs, een militair geschoolde arbeider
in den vreemde. Mijn vader was overigens een fervent aanhanger van het
Nederlandse koningshuis en hij haatte vanuit de grond van zijn hart de rode
arbeidersbeweging die volgens hem met steun van de schadelijke Sowjets Europa
geleidelijk aan in een neergaande spiraal van chaos, anarchie en nihilisme
deed belanden.”
En terwijl
diezelfde hij-verteller het verhaal van de op Curaçao opgegroeide Venezolaan
Socrates León vertelt citeert hij op zijn beurt uitvoerig diezelfde León weer
als ik-verteller die verslag doet van zijn werk in de bouw, op zee en hoe hij
uiteindelijk zanger wordt in de band van een bareigenaar en orkestleider.
![]() |
| Ola |
Strengenkoord
Qua
structuur zijn de verhalen als het ware met elkaar vervlochten - Curaçaoser
kan haast niet - als de strengen van een koord. De onderscheiden vertellers
brengen aan het licht dat personages op een geheimzinnige manier met elkaar
zijn verbonden.
De
Nederlander op zoek naar zijn voorgeslacht passeert het hotel waar de
ex-danseres bivakkeert. Ze schrijft in een schoolschrift fantasieverhalen
voor haar speelgoedbeesten. “Alles moet worden beschreven. Niemand is vrij
van zonden, ook mijn dieren niet. Eenieder staat bij zijn geboorte, zonder
dit op die leeftijd reeds te beseffen, al met zijn rug tegen de muur, op de
voor hem of haar uitgekozen plaats van executie. Al mijn dieren zijn mij even
lief als mijzelf, maar sommige dieren, zoals de aasgier met zijn vlijmscherpe
klauwen en de varaan met zijn dodelijke beet, zijn mij het liefst.”
De
voormalige bandleider doorkruiste, in een vorig leven, aan het stuur van een
Studebaker de Andes met een latere SS-kolonel die sneuvelde in de Russische
sneeuw. “Wolf Liebknecht lag in koud grondwater in zijn nest, een krater van
zo’n twee meter diep, geslagen door een zware mortiergranaat. Een krater die
daarvoor nog een provisorische commandobunker was. Hij was niet meer dan een
log lichaam dat in horten en stoten ademde en wentelde en zich langzaam met
zijn verbrijzelde arm en been probeerde op te richten.”
De
kantante León toerde in het verleden langs Zuid-Amerikaanse steden. Naast hem
zat de danseres met een speelgoedegel op schoot. Nu bezoekt hij zijn oude
werkgever in het nonnenklooster en vertelt smakelijke verhalen van de
eilanden.
![]() |
| Milo Manara, A sacerdotisa |
Curaçao
Met Terug
tot Tovar heeft Hans Vaders een web van verhalen geweven dat lijkt samen
te komen op Curaçao. Een web dat een lezer maar al te graag wil ontwarren.
Maar is het wel zo goed als dit verhaal al zijn geheimen blootlegt? Juist in
het mysterie schuilt de kracht als de parel in een schelp. Of is het toch beter
de overweging van de oude Ramón met zijn perkamenten vingers te volgen: “Een
oude man behoort hier eigenlijk over te zwijgen, maar de waarheid mag niet
worden verbloemd.”
Herinneringen
aan de Tweede Wereldoorlog in Latijns-Amerika en Europa, herinneringen aan
een jeugd zonder vader, herinneringen aan een gestrand huwelijk, beelden van
een auto scheurend over de schaars begroeide vlakten, bezoeken aan chaotische
steden.
In zijn
vergeefsheid en teloorgang sluit het verhaal aan bij de twintigste eeuwse romantici
in de Nederlandse literatuur, bij Slauerhoff en Terborgh. In zijn
raadselachtigheid, wreedheid en vertelkunst is het een Caribische roman die
past in de lijn van een Boeli van Leeuwen en Tip Marugg. De ondraaglijkheid
van het menselijk lot lijkt onverbiddelijk en laat de lezer achter in dromen
en melancholie.
Terug
tot Tovar is vanaf
begin november verkrijgbaar bij de Curaçaose boekhandels.
Hans Vaders, Terug tot Tovar, Uitgeverij In de Knipscheer, 2012, ISBN 978 90 6265 697 4 NUR 301.
[uit
Amigoe, zaterdag 13 oktober 2012]





