![]() |
| Eric de Brabander |
150 Jaar geleden werd de slavernij op onze eilanden
afgeschaft. Ik kan me het honderdjarige jubileum nog voor de geest halen alsof
het gisteren was. Ik zat in de vierde klas van de lagere school bij meester
Larmonie. Een bevlogen, levendige man, onderwijzer in hart en nieren. Hij liet
zijn leerlingen toneelstukjes opvoeren die van doen moesten hebben met het
slavernijverleden. Ik was een van de twee blanke jongetjes in de klas dus voor
mij was er altijd wel een rol te vervullen, een rol die later, in de pauze, op
de speelplaats bestraft werd. Toen al was het rollenpatroon dat opgelegd werd
omdat het toneelstukje dat vereiste, niet geheel helder, ondanks dat duidelijk
werd gemaakt dat het ging over goeden en slechten, zwart en wit, cowboys en
indianen. En ook nu ik ruim volwassen ben heb ik moeite met deze zaken uit ons
gezamenlijk verleden een etiket op te plakken. Wat zou het mooi zijn als we
jaarlijks een krans bij het Tula-monument konden leggen, en het daarbij te
laten, ons te concentreren op onze gezamenlijke vooruitgang nu. En te waken
voor discriminatie in welke vorm dan ook, homo’s joden, lesbo’s, blank en
zwart, ga zo maar een tijdje door. Om bij sollicitaties te gaan voor kwaliteit
en niet voor ras of stand of een of andere 80-20-regeling.
Boeken over het slavernijverleden zijn er in de Amerikaanse
literatuur te kust en te keur. Wie kent niet The saga of an American family
van Alex Haley, in de jaren tachtig ook een populaire televisieserie. Of Uncle
Tom’s cabin van Harriet Beecher Stowe. Of, om een minder populaire maar zeker
niet mindere te noemen: The Journal of Darien Dexter Duff, an emancipated
slave, van K.J. McWilliams. In het Nederlands beperkt hetgeen over slavernij
geschreven is zich tot non-fictie, enkele uitzonderingen daargelaten. De
Surinaamse auteur Cynthia McLeod schreef met Hoe duur was de suiker? een
zinderende roman waar gedegen historisch onderzoek aan vooraf ging. En onze
Curaçaose Carel de Haseth schreef de prachtige novelle Slaaf en Meester, ook
in het Papiaments uitgebracht onder de titel Katibu di Shon, een boek dat
omgewerkt wordt tot een opera met in de hoofdrol Tania Kross en muziek
geschreven door Randal Corsen.
Het eiland onder de
zee
Van een vriendin kreeg ik onlangs een boek cadeau, als dank
voor een noodreparatie aan een voortand, die er vlak voor een reis naar het
buitenland uitviel. Isabel Allendes roman, Het eiland onder de zee, in het Spaans
getiteld La isla bajo el mar, kwam in
2010 uit. Nu had ik me jaren geleden voorgenomen nooit meer iets van Isabel
Allende te lezen. Toentertijd vond ik dat ze met Het huis van de geesten haar
top bereikt had, en dat wat daarna volgde een hoog keukenmeidenromangehalte
had. Ik had me vergist. Het lijvige boek
van de nicht van de afgezette president van Chili had ik in enkele avonden uit.
Het eiland onder de zee speelt zich grotendeels af op Hispanola, het deel van
het eiland dat nu Haïti heet, aan het einde van de 18de eeuw, in de tijd van de
slavenopstand van Toussaint Louverture, die uiteindelijk leidde tot het eerste
Caribische land waar de voormalige slaven het voor het zeggen hadden. Zarité
wordt op haar negende als slavin verkocht aan de Fransman Toulouse Valmorain,
de eigenaar van een grote suikerplantage, zo vermeld de achterkant van het
boek. Ze werkt voor zijn zenuwzieke Cubaanse echtgenote, verzorgt zijn zoontje
en wordt zijn concubine. Algauw verwekt hij een kind bij haar. Als de slaven in
opstand komen tegen de plantagehouders moet Zarité kiezen. Ze kan zich ontdoen van
het juk van haar meester, of ze kan hem omwille van zijn kinderen helpen het
eiland te ontvluchten. Met de steun van
sterke vrouwen, van wie sommigen magische krachten bezitten, neemt ze
uiteindelijk de juiste beslissing. De familie Valmorain vlucht uiteindelijk via
Cuba naar Louisiana waar Toulouse Valmorain een nieuwe plantage opzet.
Allende heeft ervoor gekozen om om de paar hoofdstukken
Zarité aan het woord te laten en is er
op die manier in geslaagd het tijdsbeeld zowel een Europese als een Afrikaanse
kleur te geven. Het is ontzettend knap
dat ze de hoofdpersonen heel aannemelijk achttiende-eeuws maakt in hun denken,
hun handelen en in hun levensfilosofie. Maar wat bovenal opviel is de geweldige historische onderbouwing.
Tula – Verloren
vrijheid
En dat is nou precies wat mist bij het boek Tula-verloren
vrijheid van Jeroen Leinders dat deze maand uitkwam bij de Nederlandse uitgeverij
Conserve. Jeroen Leinders schreef Tula niet uitsluitend als boek, maar ook als
filmeditie. En aan de film wordt momenteel gewerkt met grote namen als Derek de
Lint en Jeroen Krabbé. Over Tula is eerder
geschreven. De Curaçaose schrijver en dichter Guillermo Rosario schreef in 1969
in het Papiaments E raȉs ku no ke muri, uitgegeven door de Bezige Bij. En
Carel de Haseths Katibu di Shon is geïnspireerd door het verhaal van Tula. Ik
vermoed dat de Haseth gekozen heeft de novelle een volledig fictief karakter te
geven omdat over het werkelijk verhaal zo weinig bekend is, en dat hem dit de
vrijheid gaf zijn eigen draai aan het boek te geven. Het is Leinders grote
verdienste dat hij het verhaal van Tula internationaal onder de aandacht brengt
op het witte doek. Maar over de novelle
waar het filmscript op gebaseerd is, heb ik mijn bedenkingen, met name wat
betreft de historische context . Zo maakt Leinders in zijn nawoord een
vergelijking tussen het neerslaan van de opstand van Tula en de gebeurtenissen
na 30 mei 1969. ‘Hoewel het verhaal van Tula belangrijk is in de geschiedenis
van Curaçao werd het verhaal lang genegeerd door de Nederlandse
machthebbers. Op de scholen op het
eiland werd niet over Tula gesproken. De staking van 1969 op Curaçao, waarin
nog steeds werd gestreden voor gelijke rechten voor blank en zwart, is opnieuw
door Nederland hard neergeslagen….’ Nou, zo kan die wel weer.
![]() |
| Slavenpaar. Johann Moritz Rugendas (1802-1858). Collectie Buku Bibliotheca Surinamica |
Het verhaal begint met een voorwoord waarin de
gebeurtenissen op Curaçao aan het einde van de 18de eeuw in verband worden
gebracht met de mondiale situatie van die tijd. ‘De wereld aan het einde van de
eeuw wordt gekenmerkt door grote onrust en een drang naar vrijheid en
zelfbeschikking. Amerika zal zich in 1776 losmaken van Engeland, de Franse
revolutie vindt plaats in 1792. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
heeft net de laatste oorlog met Engeland achter de rug, terwijl het land intern
verscheurd wordt door de strijd tussen de patriotten en de koningsgezinden. In
1795 wordt deze strijd in het voordeel van de patriotten beslecht. Het jonge
patriottische Frankrijk bezet Utrecht, het laatste bolwerk van de
koningsgezinden. De Bataafse Republiek onder Frans regime is nu een feit.
Stadhouder Willem V vlucht naar Engeland. Frankrijk verklaart Engeland de
oorlog.’ Tot zover het boek. Wat dan volgt is een verhaal dat qua stijl,
woordgebruik en compositie misschien beantwoordt aan de voorwaarden van een
filmscript, maar dat als novelle tamelijk kleurloos overkomt. De hoofdpersonen
geven niet het gevoel achttiende-eeuws te zijn, iets wat misschien moeilijk is
maar waar Isabel Allende wel in is geslaagd. Op de kaft is een foto te zien van
een weldoorvoede mulat die zeker niet lijkt op de Tula die ik voor ogen heb. Op
de tweede pagina van Leinders boek staat: Tula - verloren vrijheid. Filmeditie.
Dat is wat verwarrend, omdat nergens vermeld wordt dat de Amerikaan Curtis
Hawkins het script geschreven heeft. Nu vertelde de Curaçaose cineaste Sherman
de Jesus me tijdens een bezoek van hem aan zijn eiland, dat het een misverstand
was om boek en filmscript te vergelijken. Volgens hem kan dat helemaal niet
omdat de scriptschrijver alle vrijheid moet hebben om dialogen te scheppen,
dialogen die in het boek vaak niet nodig zijn omdat het verhaal spreekt. En om
de film tastbaar te maken met de audiovisuele middelen die hem ter beschikking
staan en die de auteur van het boek niet heeft. Wat er toe leidt dat boek en
script vaker dan niet weinig met elkaar van doen hebben, met uitzondering van
het onderwerp en de verhaallijn. Ik heb het script van Hawkins niet gelezen en
ben dan ook zeer benieuwd naar de film. Ik hoop dat die behalve spanning en
sensatie ook didactische kwaliteiten zal hebben, zodat onze schoolgaande jeugd
er zijn voordeel mee kan doen.
Verhalen uit Gabon,
Oman, Curaçao
Het debuut Verhalen uit Gabon, Oman, Curaçao van de
huisarts Bob Schuringa werd onlangs gepresenteerd. Op de voorkant prijkt een
mysterieuze foto van de schrijver zelf, gehuld in muskietengaas. In het boek
zijn twee novellen opgenomen en enkele korte verhalen. De verhalen zijn, zoals
de achterflap vermeldt, semi-autobiografisch en spelen zich af in landen waar
Bob Schuringa werkzaam was als Shell-bedrijfsarts. De laatste novelle speelt
zich af op Curaçao, waar de Nederlandse Titia Aggenbach, een pas afgestudeerde
kunstenares, komt te wonen op het godverlaten landhuis Ronde Klip. Op een avond
hoort ze in de mondi (de auteur heeft het abusievelijk maar halsstarrig over
kunuku) het gehuil van een kind. Ze besluit de volgende ochtend op onderzoek
uit te gaan. Op de speurtocht belandt Titia in een verlaten huisje aan de Sint
Jorisbaai. Het huisje blijkt toch niet zo verlaten te zijn en Titia wordt deel
van een magisch verhaal waarin ze teruggaat in de tijd, en voor haar ogen het
verleden van haar voorouders zich ontrolt, die in de slaventijd het landhuis
Ronde Klip en de plantage bezaten. Het kind van Landhuis Ronde Klip is een
kunstig in elkaar gezette novelle die zeker geschikt is voor de
literatuurlijsten van onze middelbare scholieren.
Prachtig vond ik de novelle Het achtste graf, een verhaal dat zich afspeelt nadat een mengvorm van het HIV-virus en het Ebolavirus de wereldbevolking gedecimeerd had. Paul, een Shell-arts in Gabon was met zijn zeiljacht de Fuyard de zee opgevaren om aan besmetting te ontkomen. Terwijl hij op zijn boot aan het overleven was, verspreidde het dodelijke virus zich over Afrika. Dorpen en steden hielden op te bestaan en werden overwoekerd door het oerwoud. En al gauw bereikte de epidemie de rest van de wereld. Uiteindelijk komt Paul aan in Australië waar hij verliefd wordt, en zijn nieuwverworven vrouw aan het virus prijs moet geven. Uiterst beklemmend beschrijft Schuringa de onoplosbare eenzaamheid van Paul op zijn schip de Fuyard, nadat hij zijn zwangere geliefde aan de golven prijs heeft gegeven. Paul besluit terug te zeilen naar daar waar alles begonnen was, Gabon. Hij verliest zijn jacht en gaat over land verder, vergezeld van een hond die hij Kwark noemt. Aangekomen bij de mysterieuze en verlaten plantage Margraff lijkt het erop dat Paul zijn eindbestemming heeft bereikt. Hij beseft dat pas nadat hij door een dodelijk giftige slang gebeten wordt. Ook hier weet Schuringa de magie in zijn novelle wonderschoon gestalte te geven. Kwark blijft alleen achter. Wat te denken van de slotzin: ‘De wereld staat stil, hier op de afgelegen landtong. Alleen de zon beweegt met tegenzin. Dan omsluit de natuur het trouwe beestje met een deken van genegenheid.’ Chapeau!
Prachtig vond ik de novelle Het achtste graf, een verhaal dat zich afspeelt nadat een mengvorm van het HIV-virus en het Ebolavirus de wereldbevolking gedecimeerd had. Paul, een Shell-arts in Gabon was met zijn zeiljacht de Fuyard de zee opgevaren om aan besmetting te ontkomen. Terwijl hij op zijn boot aan het overleven was, verspreidde het dodelijke virus zich over Afrika. Dorpen en steden hielden op te bestaan en werden overwoekerd door het oerwoud. En al gauw bereikte de epidemie de rest van de wereld. Uiteindelijk komt Paul aan in Australië waar hij verliefd wordt, en zijn nieuwverworven vrouw aan het virus prijs moet geven. Uiterst beklemmend beschrijft Schuringa de onoplosbare eenzaamheid van Paul op zijn schip de Fuyard, nadat hij zijn zwangere geliefde aan de golven prijs heeft gegeven. Paul besluit terug te zeilen naar daar waar alles begonnen was, Gabon. Hij verliest zijn jacht en gaat over land verder, vergezeld van een hond die hij Kwark noemt. Aangekomen bij de mysterieuze en verlaten plantage Margraff lijkt het erop dat Paul zijn eindbestemming heeft bereikt. Hij beseft dat pas nadat hij door een dodelijk giftige slang gebeten wordt. Ook hier weet Schuringa de magie in zijn novelle wonderschoon gestalte te geven. Kwark blijft alleen achter. Wat te denken van de slotzin: ‘De wereld staat stil, hier op de afgelegen landtong. Alleen de zon beweegt met tegenzin. Dan omsluit de natuur het trouwe beestje met een deken van genegenheid.’ Chapeau!
Er is een ding dat me zal blijven verbazen in de schrijfsels
van Nederlandstaligen als het over Curaçao gaat. Het gebruik van het
Papiaments. Als ik een verhaal over Duitsland zou moeten vertellen en daarbij
een en ander onvertaald laat, dan zorg ik er natuurlijk voor dat het gebruikte
Duits foutloos is. Daar heb je woordenboeken voor, of leraren Duits. Of
vertalers. Zowel Jeroen Leinders als Bob Schuringa maken zich schuldig aan
fouten in het Papiaments die de taal maken tot een soort apentaal. Ik noemde al
‘kunuku’, dat landbouwgrond betekent, en geen wildernis. Wildernis is ‘mondi’.
Of het gebruik van het woord pika, als doorn of ander scherp uitsteeksel
bedoeld wordt. Een doorn is een sumpiña. Pika is een werkwoord. E ta pika, het
prikt. Aan dit soort taalgebruik maken beslist niet alléén Jeroen Leinders en
Bob Schuringa zich schuldig. Ik ben bang dat het Papiaments in het Nederlands
een eigen leven is gaan leiden, en misschien heeft dit ongeëigende gebruik van
Papiaments met de jaren bestaansrecht verworven. Misschien bestaat er zoiets
als Papiaments voor Nederlanders, die door de knoek lopen, in pika’s trappen en
koño zeggen zonder de intrinsieke beledigende betekenis van het woord in te
voelen. Want Miep Dieckman deed het ook al, in De boten van Brakkeput, en Marijn bij de lorredraaiers. En dat is toch een hele tijd geleden.



+Buku.jpg)




