
door Peter Meel
In dit verzorgd uitgegeven en uitbundig geïllustreerde boek gaat het over wat de auteur aanduidt als Caribbean sensibilities (een term ontleend aan Derek Walcott) en de wijze waarop deze door de eeuwen heen zijn gevisualiseerd. Bedoelde gevoeligheden hebben betrekking op Caraïbische culturen, die volgens Mohammed de regio altijd verdeeld hebben gehouden, maar tegelijk een mate van gemeenschappelijkheid en soms zelfs van eenheid hebben laten zien. Mohammed hanteert een brede opvatting van cultuur. Het begrip verwijst in deze studie zowel naar een manier van leven en een reflectie van menselijk denken en handelen als naar een instrument dat ingezet wordt om samenlevingen te verheffen en naar ruimtes waar politieke strijd wordt geleverd. Terecht beschouwt de auteur Imaging the Caribbean in de eerste plaats als een ideeëngeschiedenis. Het gaat Mohammed om het duiden en in bredere historische en ideologische verbanden plaatsen van kunstobjecten en gebruiksvoorwerpen. Om dit doel te bereiken bedient zij zich van uiteenlopende theorieën en onderzoeksmethoden.

De auteur bespreekt bekende en minder bekende beelden die de laatste vijfhonderd jaar binnen en buiten de regio over de Caraïben zijn geproduceerd. De selectie van de beelden heeft zij grotendeels laten bepalen door de mate waarin deze deel uitmaken van het Caraïbische collectieve geheugen en door de medewerking of weigering van rechthebbenden om beelden als illustratiemateriaal voor haar boek beschikbaar te stellen. Behalve wetenschappelijke doeleinden streeft Mohammed ook maatschappelijke en particuliere oogmerken na. Zij karakteriseert haar werk als een persoonlijke en publieke reis om de Caraïbische regio te herontdekken en om te inspireren tot een toekomst in gezamenlijkheid, binnen afzonderlijke landen en tussen de individuele landen en hun diaspora’s onderling. Imaging the Caribbean is volgens haar een dialoog van de auteur met zichzelf en met anderen, een dialoog met een open einde, waarbij het beeld de toon zet en de tekst leidend is.

Het bovenstaande maakt voldoende duidelijk dat het Mohammed aan ambities niet ontbreekt. In de tien hoofdstukken die het boek rijk is, komen vijf eeuwen geschiedenis voorbij, te beginnen bij de vroegste ontdekkingsreizen, de cartografie en de Inheemse symbolen van de ‘Caraïbische oudheid’ tot de blik van Europeanen, Afrikanen en Aziaten op hun Caraïbische omgeving. Ten slotte is er aandacht voor wat Mohammed noemt het ‘Caraïbische pittoreske’ en voor de symboliek van koloniale rijken en nationale staten. In al deze hoofdstukken is het opgenomen beeldmateriaal gevarieerd en niet zelden verrassend door zijn gelaagdheid en zeggingskracht. Mohammed is een even bevlogen als onvermoeibare gids, heeft een scherp oog voor details en legt een opvallend engagement aan de dag dat vooral van inlevingsvermogen en subtiliteit getuigt als zij aan de hand van persoonlijke ervaringen bepaalde bevindingen met de lezer wil delen. De belangrijkste verbindende thema’s zijn cultuur als instrument van inbezitname, toe-eigening en othering, als uitdrukking van vigerende (raciale, sociale, politieke en economische) machtsverhoudingen en als bron van zingeving, dynamiek en diversiteit.

Enkele kanttekeningen zijn op zijn plaats. Mohammed richt zich vooral op het ‘decoderen van visuele metaforen’ in Haïti, Jamaica, Trinidad en Barbados zonder de keuze voor deze landen overtuigend toe te lichten. Door het Caraïbisch gebied effectief tot vier landen te verengen, wordt aan de regio als zodanig onvoldoende recht gedaan, ook al probeert Mohammed dit euvel te verhelpen met sporadische verwijzingen naar ontwikkelingen in andere landen. Voor de Spaanstalige Caraïben biedt dat echter geen soelaas. Ook de Nederlandstalige Caraïben doen welbeschouwd niet mee. In het boek zijn twee afbeeldingen (p. 178 en p. 326) uit Narrative of a five years' expedition van John Gabriel Stedman opgenomen (in het laatste geval zonder adequate verantwoording) en een foto (p. 260) van het gebouw van de Chinese vereniging Kong Ngie Tong Sang in Paramaribo (zonder vermelding van de verenigingsnaam). Met het presenteren van deze beelden beschouwt de auteur de behandeling van de Nederlandstalige Caraïben als afgedaan. Ook de afwezigheid van Rastafari-kunst en toeristenkunst wordt door Mohamed in essentie als een mededeling gebracht en niet nader verklaard. Voor Rastafari-kunst had gemakkelijk plaats kunnen worden ingeruimd in het hoofdstuk over ‘de Afrikaanse aanwezigheid’. Aan toeristenkunst wordt anders dan de schrijver zelf aangeeft wel degelijk aandacht besteed in het hoofdstuk over het Caraïbische pittoreske. De tegenwerping van Mohammed dat naar beide kunstvormen eerst systematisch onderzoek zou moeten worden gedaan alvorens zij hier iets substantieels over zou kunnen opmerken, houdt in ieder geval voor Rastafari-kunst geen stand. Verrassend is voorts het ontbreken in het boek van beschouwingen over film- en videokunst. Een hoofdstuk hierover zou zeer welkom zijn geweest.

Vooral in de (op zichzelf hoogst lezenswaardige) hoofdstukken getiteld ‘de Afrikaanse aanwezigheid’ en ‘de Aziatische ondertekening’ wreekt zich de spanning tussen enerzijds de drang naar volledigheid bij de auteur en anderzijds de beperkingen die zij genoodzaakt is zichzelf op te leggen. Anders dan de titel suggereert, is het eerstgenoemde hoofdstuk vrijwel geheel gewijd aan symbolen en rituelen van Afrikaanse spiritualiteit, meer specifiek aan de Voodoo iconografie van Haïti. Behalve dat dit een wel heel beperkte invulling van de Afrikaanse presentie is, laat de auteur na om voor de hand liggende vergelijkingen te trekken met verwante levensbeschouwingen als Santería en Winti. Een dergelijke aanpak had de Haïtiaanse casus een duidelijker Caraïbisch profiel kunnen geven en Afrikaanse spiritualiteit nadrukkelijker als een Caraïbisch thema voor het voetlicht kunnen brengen. In het hoofdstuk over ‘de Aziatische ondertekening’ stoort het dat in algemene zin herhaaldelijk wordt gesproken over Indiërs, Chinezen en Indonesiërs, maar dat feitelijk alle aandacht uitgaat naar de eerstgenoemde groep. Over de Indonesiërs doet Mohammed er verder het zwijgen toe, de Chinezen moeten het met een paar obligate alinea’s doen. Ook in het geval van de laatste groep worden mogelijkheden om een cultuur in een Caraïbisch perspectief te plaatsen onbenut gelaten. Bij het behandelen van de Indiase tradities – waarbij de verbindingen tussen cultuur en religie centraal staan – worden Suriname en Guyana als referentiekader node gemist.

Mohammed gaat gewetensvol te werk en weet onmiskenbaar veel van haar onderwerp af. Tegelijk valt vooral in de eerste hoofdstukken van haar boek op dat zij veel woorden nodig heeft om haar punten te maken. Dit komt behalve door een tamelijk breedvoerige wijze van formuleren vooral door een voorkeur voor het reflecteren op en expliciteren van concepten, begrippen en vooronderstellingen. In dat verband maakt Mohammed graag uitstapjes naar andere werelddelen. Dergelijke exercities leggen soms relevante achtergronden en verbanden bloot, maar even zo vaak leiden zij tot een wat krampachtig vertoon van geleerdheid en laten zij de lezer nodeloos van het eigenlijke onderwerp afdwalen. Mohammed is op haar best als zij deelaspecten van afzonderlijke Caraïbische culturen kan doorvorsen en beelden in hun lokale context kan duiden. Op die momenten komen haar kennis en waarnemingsvermogen optimaal tot hun recht en toont zij prudent met gevoeligheden om te kunnen gaan. In haar voornemen een omvattende Caraïbische ideeëngeschiedenis te schrijven, grijpt Mohammed in dit boek echter boven haar macht.
Patricia Mohammed, Imaging the Caribbean; Culture and Visual Translation. Oxford: Macmillan, 2009. 387 p., ISBN 978 0 230 01249 3, £ 26,75.
[Deze bespreking verscheen eerder in Oso, oktober 2011]

Illustraties: Ontwerpen van Webers and the Milkmaid