Posts tonen met het label Indische letteren. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Indische letteren. Alle posts tonen

zondag 13 april 2014

Ashetu in Indië

door Klaas de Groot


Onlangs verscheen bij uitgeverij Rubinstein in Amsterdam  een forse en mooi uitgevoerde bloemlezing: Album van de Indische poëzie. De samenstellers Bert Paasman en Peter van Zonneveld hebben daarin heel wat ‘Oost-Indische’ liedjes en gedichten bij elkaar gebracht en verdeeld over tien rubrieken. Gelukkig is ook Nederlandstalig Indonesisch werk opgenomen. De makers van al deze  verzen komen uit diverse windstreken, dat spreekt vanzelf.

Één van de auteurs komt zelfs uit West-Indië. Cola Debrot is aanwezig met het sonnet ‘Indisch meisje’, dat is vermoedelijk uit 1936. Debrot zelf bundelde het nooit. Oversteegen nam het wel op in deel 2 van het Verzameld werk.

Indisch meisje

Het innig beeld van haar mij bijgebleven
heeft zich vermengd met laatre werklijkheden.
Tot mijn geluk. Want anders was mijn heden
zeer vaal, o, niet zo glinsterend doorweven.

Ik immers ben geland op vele reden
waar eerst de palmen uit de verte wuiven.
Men ziet daarna de grote stofwolk stuiven
tussen de mensen, wrang en ontevreden.

Zij was zo jong. Zij had zulk lieve handen.
Zij kwam uit Padang en sprak van Indië
met de verschrikte ogen van een hinde
alsof zij in het ver groen land belandde
waar zij steeds mij, ook ik steeds haar beminde…
Dit land is, wreed verwoest, niet meer te vinden.

De samenstellers van de bloemlezing hebben dit gedicht in de tiende rubriek ‘Waar is mijn lief Batavia gebleven?’ ondergebracht. Zij hadden het net zo goed in de zesde rubriek kunnen plaatsen. Die behelst het materiaal over ‘Liefde, erotiek en seks’. Oversteegen schrijft namelijk in het eerst deel van zijn biografie  over Debrot dat het gedicht is geënt op een Nijmeegse jeugdliefde. Het meisje moet Amy geheten hebben.

Het mooie van bloemlezingen is dat iedere lezer altijd nog wel iets weet dat er ‘gemakkelijk’ bij gekund had. Paasman en Van Zonneveld  vragen gelukkig  ook expliciet in hun ‘Woord vooraf’ om aanvullingen. Een passend gedicht lijkt mij ‘Baleh-baleh’ van Bernardo Ashetu, ook een West-Indisch dichter.  Een groot dichter, maar helaas: verborgenheid kleeft hem aan. Het vers staat in de bundel Yanacuna van 1962. Een bundel die onder redactie van Cola Debrot verscheen in de reeks Antilliaanse Cahiers.


Baleh-baleh

Och, dat ik rijk ware
dat ik water had
en land
en wolken,
dat ik rijk ware
en de macht had
om zon en duister,
bloed en adem
te zetten naar mijn wil –
Och, dat ik rijk ware
en het beter had
alleen maar om lang te rusten
om lang en zoet en lang
te rusten een baleh-baleh
met klamboe van rode zijde

Dit gedicht past niet alleen vanwege de titel in het Album, maar vooral ook omdat Ashetu werkt met een wending van Multatuli. In diens Max Havelaar staat de bekende parabel ‘De Japanse steenhouwer’ met daarin de volgende zinnen:
‘Hij zuchtte omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: och dat ik rijk ware om te rusten op eene “baleh-baleh” met “klamboe” van roode zijde.
En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: U zij gelijk gij gezegd hebt.
En hij was rijk. En hij rustte op eene baleh-baleh en de klamboe was van roode zijde’.
(Geciteerd naar de editie van Stuiveling, Amsterdam 1966 / 7, Van Oorschot).


De verbeelding van Ashetu zal misschien wel aangestoken zijn door één van zijn lievelingswoorden: rood. Maar is meer. De ik in het gedicht van Ashetu wil meer hebben dan de steenhouwer, voordat hij rust neemt. Opvallend is dat in het gedicht niet staat ‘rusten op een baleh-baleh’. Zoals Multatuli wel schrijft, en wat in de context past . Misschien zit daar het idee achter dat bij Ashetu de ik ook de rustplek wil zijn en de rust zelf, niet alleen de rustzoeker. Dus  alles wil. Waarmee Ashetu Multatuli naar zich toe haalt en hem gebruikt om de eigen stem te laten horen. Het geeft niet onder welke palmen, Surinaamse of Indische.

maandag 7 april 2014

Louis Couperus, een Nederlandse schrijver met Surinaamse trekken

Jerry Dewnarain
Jerry Dewnarain, redacteur van de Ware Tijd Literair,  is literatuurdocent aan de bacheloropleiding van het IOL in Paramaribo. Met zijn studenten heeft hij een voorstelling in elkaar gezet over de Nederlandse schrijver Louis Couperus (1863-1923). We zagen de voorstelling op 26 maart in Tori Oso. Zwarte magie was een belangrijk thema. Zeer herkenbaar voor Suriname.  Behalve Louis Couperus kwamen nog twee auteurs die over ‘zwarte magie’ schreven aan bod: Goena Goena (1889) van P.A. Daum en Ismene Krishnadath met haar roman Satyem (1995), over een vrouw die in 1917 vanuit Java naar Suriname komt en zich redt met heksachtige streken. Ook in Goena Goena is een heksachtige vrouw een belangrijk personage. Zij verstaat de kunst om doelen te bereiken voor mensen middels de traditionele Javaanse geestenwereld. Het leuke aan de voorstelling is dat de uitgebeelde passages - vooral die uit Couperus’ werk - welke zo ver teruggaan in de tijd, helemaal in de Surinaamse sfeer gebracht werden, de heks sprak zelfs een heksachtig Sranan.

door Jerry Dewnarain

Wat Madame Bovary is voor de Franse literatuur, is Eline Vere voor de Nederlandse. Louis Couperus (1863-1923) is een van de grote Europese schrijvers van het fin de siècle. Hij is, zou je kunnen zeggen, de Nederlandse tegenhanger van Flaubert. Hij werd in die tijd veel vertaald. In Engeland was hij zeer populair, en ook in het Duits is hij vertaald, al tijdens zijn leven. Hedendaagse schrijvers zien in hem een voorbeeld. Ik geloof dat er weinig zichzelf respecterende auteurs zijn die niet een aantal romans van Couperus hebben gelezen, om van hem de kunst af te kijken. Hij is een reus op wiens schouders veel moderne auteurs staan. Qua stijl was Couperus een typisch negentiende-eeuwse verteller, maar zijn romans zijn moderner en onderscheiden zich door psychologische diepgang, een grote variatie van thema’s en levendige dialogen. Hij had de gave om zijn personages in enkele pennenstreken te karakteriseren. Met name in De stille kracht. Dat is toch wel zijn meesterwerk. Daar komen personages in voor die nog steeds je buren of familieleden zouden kunnen zijn. Als je dat boek leest, denk je, o ja, dat is die en die, en die zou zoals dat personage kunnen reageren. Dan heb je helemaal niet het gevoel dat het honderd jaar geleden speelt, want iedereen in Suriname weet wat wisi, voodoo of zwarte magie is. Dit hebben de bachelorstudenten op woensdag 26 maart aan het publiek proberen duidelijk te maken: dat literatuur universeel is en dat Suriname niet uniek is.

Louis Couperus


Zijn grote romans lezen als soapopera’s avant la lettre. Daarbij was Couperus een veelzijdig en buitengewoon productief schrijver. Hij begon als dichter, dat is niet helemaal je van het.
Daarna kwam hij met Eline Vere en een aantal Haagse romans. Met zijn romandebuut (1889) stal de Haagse dandy de harten van zijn lezers. Wat Flaubert over zijn heldin zei (‘Emma Bovary, c’est moi!’), had Couperus met evenveel recht over de zijne kunnen zeggen: ‘Eline Vere, dat ben ik!’

Hij schreef ook sprookjes en een serie koningsromans over een fictief rijk. Dat waren eigenlijk actuele romans waarin hij schreef over wat een koning kon overkomen in de periode dat anarchisme en socialisme opkwamen. Couperus was heel gevoelig voor modieuze tendensen. Van oudsher wordt de stilistische brille van Couperus bewonderd. Hij schreef heel effectief en tegelijk in een licht geparfumeerde stijl met weelderige krullen. Je ziet in één oogopslag dat je Couperus leest. En niet Marcellus Emants, Lodewijk van Deyssel of een andere tijdgenoot. Je slaat een boek open en weet gelijk: dit is Couperus. Hoe komt dat? Dat is wat de liefhebbers natuurlijk zo geweldig aan hem vinden, maar dat maakt hem soms ook ontoegankelijk voor jonge mensen. Couperus kan ellenlange zinnen maken met veel komma’s en soms moet je vier, vijf regels zoeken naar het onderwerp. En niet iedere jonge lezer heeft het geduld om dat op te brengen.
De thematiek is natuurlijk actueel. Ik wijs mijn studenten daar wel eens op, op de funeste invloed van bijvoorbeeld de roddel, zoals in het Haagse milieu van toen. Dat kun je bijna vergelijken met het cyberpesten van tegenwoordig. De uitsluiting van iemand, de valsheid en de kleinheid van de zielen. Wat dat met iemand kan doen. Je kunt het moeiteloos naar nu doortrekken.


zondag 6 april 2014

Bijzondere hoogleraar Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis

Faculteit der Geesteswetenschappen - Departement Neerlandistiek of departement Geschiedenis, archeologie en regiostudies

Publicatiedatum 1 april 2014
Opleidingsniveau Gepromoveerd
Salarisindicatie De bijzondere leerstoel is een onbezoldigde functie
Sluitingsdatum 2 mei 2014
Functieomvang 8 uur per week
Vacaturenummer 14-092

De Faculteit der Geesteswetenschappen verzorgt onderwijs en onderzoek met een sterk internationaal profiel in een groot aantal disciplines op het gebied van taal, geschiedenis en cultuur. De faculteit is gevestigd in het centrum van Amsterdam en onderhoudt intensieve contacten met vele culturele instellingen in de hoofdstad. Aan de faculteit zijn ruim duizend medewerkers verbonden en circa 8.000 studenten volgen er onderwijs.


Werkzaamheden
Aard en inhoud van de leerstoel
De bijzondere leerstoel Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis is in 2000 ingesteld in de Faculteit der Geesteswetenschappen. De stichting Indisch Herinneringscentrum (IHC), de huidige naam van de initiatiefnemer, ‘informeert en verhaalt op waardige, inhoudelijke en beeldende wijze over de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië en over de Indische gemeenschap vanaf 1900 tot heden. Het verrijkt kennis, bewustwording en empathie en zet aan tot nadenken over de toenmalige gebeurtenissen, actuele situaties en het eigen handelen.’ (Missie IHC).
De bijzondere leerstoel is gericht op de postkoloniale herinneringscultuur in de naoorlogse periode. De focus ligt daarbij op de dynamiek van de herinnering en op vormen van cultuurtransfer die deze beïnvloeden (migratie, repatriëring, globalisering). De bijzondere hoogleraar draagt in onderwijs en onderzoek bij aan een beter begrip van de betekenis van het koloniale verleden voor de samenleving van vandaag en morgen.
De bijzondere hoogleraar is verantwoordelijk voor het initiëren, uitvoeren en begeleiden van onderzoek en het geven van onderwijs op het gebied van de koloniale geschiedenis, herinneringscultuur, postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis, met aandacht voor de actualiteit van deze vakgebieden.

Voorheen werd deze leerstoel bezet door
prof. Pamela Pattynama


Onderwijs en onderzoek
De bijzonder hoogleraar draagt bij aan het onderwijsaanbod op het gebied van Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis en verzorgt colleges op het terrein van de leerstoel. Behalve keuzeopties in de bachelorfase en in de onderzoeksmaster maakt scriptiebegeleiding deel uit van het door de hoogleraar te verzorgen onderwijs. Ook vervult zij/hij een stimulerende rol in het aantrekken en begeleiden van promovendi en participeert de hoogleraar in de wetenschappelijke netwerken voor relevant onderzoek.
De bijzondere hoogleraar verricht onderzoek op het gebied van de leeropdracht en publiceert de resultaten in vaktijdschriften en in media voor een breder publiek. Het onderzoek wordt ondergebracht in het Instituut voor Cultuur en Geschiedenis.

Taken
De taken van de bijzondere hoogleraar zijn globaal de volgende:
  • geven van onderwijs op het gebied van Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis;
  • begeleiden van scripties;
  • verrichten van onderzoek en het begeleiden van promotieonderzoek;
  • optreden als schakel tussen het Indisch Herinneringscentrum en de UvA;
  • zorgen voor een zo groot mogelijke ‘uitstraling’ van de leerstoel door een actief en wervend optreden binnen en buiten de UvA.

Profiel
De bijzondere hoogleraar voldoet aan de volgende functie-eisen:
  • letterkundige, cultuurhistoricus;
  • zeer goede onderzoekskwaliteiten, blijkend uit een academisch proefschrift en andere hoogwaardige wetenschappelijke publicaties en activiteiten;
  • brede en aantoonbare expertise op het gebied van het Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis (in binnen- en buitenland);
  • grote vertrouwdheid met en goede contacten in de sector;
  • toegang tot de media en het maatschappelijk debat;
  • in staat om te functioneren als schakel tussen het Indisch Herinneringscentrum en de UvA;
  • goede onderwijskwaliteiten: een enthousiast, inspirerend en wervend docent;
  • goede contactuele eigenschappen, organisatorische vaardigheden en leiderschapskwaliteiten.
Inlichtingen
De bijzondere hoogleraar wordt geselecteerd door het curatorium van de bijzondere leerstoel. Het curatorium, dat zich tijdens de selectie kan laten bijstaan door een of meer adviseurs, bestaat uit de volgende leden: prof. dr. T.L. Vaessens, prof. dr. J.C. Kennedy en de heer C.N.J. Neisingh. Het curatorium doet een voordracht aan het bestuur van het Indisch Herinneringscentrum, die de instemming behoeft van de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen en het College van Bestuur. Het houden van een proefcollege kan onderdeel uitmaken van de sollicitatieprocedure.
Voor nadere inlichtingen kunnen geïnteresseerden zich wenden tot:

Aanstelling
De bijzondere hoogleraar is gemiddeld één dag per week beschikbaar voor het uitoefenen van de aan het bijzondere hoogleraarschap verbonden taken. Het bijzondere hoogleraarschap leidt niet tot een dienstverband bij Het Indisch Herinneringscentrum of bij de UvA en kent geen formele bezoldiging. Wel is per jaar een bedrag van maximaal € 20.000 beschikbaar ter dekking van de kosten die met de uitoefening van de taken gemoeid zijn, te besteden in overleg met het curatorium, en om de beschikbaarheid van de bijzondere hoogleraar te realiseren. Het bijzondere hoogleraarschap is niet verenigbaar met een dienstverband aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de UvA. De bijzondere hoogleraar wordt telkens benoemd voor een periode van vijf jaar.
Sollicitatie
Sollicitaties kunnen tot en met 2 mei 2014 worden gericht aan het curatorium van de bijzondere leerstoel Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis, p/a Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen, vergezeld van een curriculum vitae, een publicatielijst en drie sleutelpublicaties die naar het oordeel van de sollicitant haar of zijn kandidatuur bij uitstek ondersteunen, en voorstellen voor een onderzoeksproject en een collegereeks. De sollicitatiebescheiden kunnen, in compact pdf-formaat, worden gezonden aan: solliciteren2014-fgw@uva.nl, onder vermelding van het vacaturenummer 14-092.
Acquisitie wordt niet op prijs gesteld


zondag 16 maart 2014

Zwarte magie in Tori Oso op 26 maart


Voor het vak Moderne Letteren doen studenten van de Opleiding Nederlands bij het Instituut voor de Opleiding van Leraren in Paramaribo een project rond de Nederlandse schrijver Louis Couperus uit de 19de eeuw. Hij heeft een grote rol gespeeld in de Nederlandse (koloniale) literatuur. Ook herdenkt men dit jaar zijn 150ste geboortedag. Op de S’77-Tori Oso-avond van maart (26 maart) zullen de studenten fragmenten uit zijn oeuvre uitbeelden op verschillende manieren: dans, drama, poëzie, vertelkunst etc.
De beroemdste scène uit De stille kracht: Leonie van
Oudijck (Pleuni Touw) wordt bespuwd met  rode sirih

Uit de fragmenten zal duidelijk worden dat literatuur universeel is, want veel zal ook voor ons herkenbaar zijn. Zo zal het thema zwarte magie/goena goena/bonu/voodoo een belangrijke rol deze avond vervullen. De studenten beloven een spetterende presentatie onder leiding van hun docent, tevens literatuurcriticus bij De Ware Tijd Literair, Jerry Dewnarain.

zaterdag 15 maart 2014

Album van de Indische poëzie


= GEEN KAARTEN MEER BESCHIKBAAR =

Over Indië zijn in de loop der eeuwen vele honderden gedichten geschreven. Van matrozenliedjes uit de VOC-tijd tot cabaretteksten van Diederik van Vleuten en light verse van Drs. P. Van gecanoniseerde literatuur tot kindergedichten. Alle grote Nederlandse dichters schreven over Indië: van Vondel en Bilderdijk tot Slauerhoff en Lucebert. De genres lopen uiteen van plechtige lofdichten tot smartlappen.

Op 16 maart is er een feestelijke presentatie van deze bundel met een aantal prominente gasten, onder wie Willem Nijholt, Ernst Jansz, Wieteke van Dort, Marion Bloem, Piet Schreuders (vormgever van het album) en Patty Scholten. Aafke de Jong zal Indische dansen uitvoeren op twee gedichten van Han Resink. Peter Zonneveld presenteert de middag.
Bert Paasman

Organisatie in samenwerking met Uitgeverij Rubinstein
Zondag 16 maart 2014, 15 uur, Theater van ’t Woord, OBA, Amsterdam 

Toegang gratis,


donderdag 5 december 2013

Frans Lopulalan - Zwarte Sinterklaas

Sinterklaas bestond wel degelijk in het nog tamelijk verse Indonesië van de jaren 1950.
De Grote Kindervriend – in het dagelijks leven ook wel bekend onder de naam Soekarno – deelde uit de goedheid van zijn bisschoppelijk, heilig hart per presidentieel decreet op 5 december 1957 banen uit aan de kinderen van Merdeka.
Die banen nam de Sint niet eens uit Spanje mee, nee die liet hij door zijn Zwarte Pieten afpakken van weer andere kinderen. Van kinderen die de stommiteit hadden begaan niet over de Indonesische, maar over de Nederlandse nationaliteit te beschikken.
“Maar Lieve Sinterklaas,” dorsten sommige van die stomme kinderen uit te brengen. “Ik ben helemaal geen Nederlander – Zwarte Piet mag mij onbekrompen met de roe geven als ik dat wel zou zijn – ik ben hier geboren en getogen. Het is toch zeker mijn schuld niet dat mijn overgrootmoeder beslapen werd door een Duits/Tsjechische priester uit 's-Hertogenbosch?”
Daar zat de Sint heus wel een beetje mee in zijn maag, want daar hadden die stoute kindertjes toch warempel een punt van heb ik jou daar.
Indische Sint, 1938

“Hoe moet dat nou?” bracht hij naar voren in conclaaf met alle Pieten.
“Ach wat,” sprak dekolonisatie-Piet. “U moet zich niet zo laten leiden door sentimenteel, al te empatisch geleuter.” De maren en de mitsen vlogen als pepernoten over tafel totdat de vloot-Piet met een lumineus plan kwam. Zoals eenieder weet kan de stoomboot onmogelijk uitvaren als niet eerst de boot-Piet daar zijn technisch verantwoorde goedkeuring aan gehecht heeft. Maar een enkele stoomboot is natuurlijk niet voldoende om tussen de derde zaterdag van november en de verjaardag van Sinterklaas alle kinderen zowel op Java als op Sumatra, zowel op Borneo als op Celebes, zowel op Ceram als op Bali van 'twee kaatsballen in een net – een letter van banket' te voorzien. Vandaar dat het ieder jaar weer een armada vanjewelste is die koers zet naar de Indonesische eilanden. Dan gaat het over schepen als de Atlantis en de Asturias. Over de Groote Beer, de Fairsea en het Zuiderkruis.
“Ik leg de vergadering een plan voor,” sprak de armada- ook wel de vloot-Piet. “Als we strakjes toch terugvaren, Sint … dan nemen we ze gewoon voor de aardigheid mee, al die huilebalken.”
“Geweldig, geweldig,” reageerde dekolonisatie-Piet. “Dat zie ik zo voor me, Goedheiligman.”
“Ja maar, ja maar,” probeerde Sint nog, maar voor hij het wist waren zijn knechten al over het ganse land uitgezwermd om al die zogeheten Nederlandse kindertjes naar Tandjoeng Priok, naar Semarang, naar Makassar te dirigeren, waarvandaan zij per boot vertrokken naar het Beloofde Nederland. Waar zij na een pleziervaart van enkele weken de zon boven de schitterende blanke top der duinen mochten zien opkomen. Waar zij in commissie met de Noordzee Neerlands smalle kust mochten begroeten.
Maar of zij daadwerkelijk hebben gezongen “Ik heb u lief, mijn Nee-hee-derland”, dat mag met recht van rede betwijfeld worden. Want wie er samen met hen in Amsterdam en in Rotterdam ook van boord gingen, Sinterklaas was er na die 5e december 1957 – ook wel Zwarte Sinterklaas genoemd – niet meer bij. Daarentegen kregen deze Indo's, deze zogeheten Indische Nederlanders wel heel vaak bezoek van een Inktzwarte Incasso-Piet, die hen kwam vertellen dat Sinterklaas helemaal niet bestaat en dat zij de kaartjes voor de bootreis dientengevolge aan de Staat der Nederlanden dienden terug te betalen.
“Jullie zagen toch de zon boven de blanke top der Hollandse duinen opkomen? Nou, dát lieve kindertjes, dát was voor niets … Maar nu … ” En zoals het een zichzelf maar al te serieus nemende Inktzwarte Incasso-Piet betaamt dreigde hij met roe en zak als men niet jaren achtereen maandelijks 60 % van het inkomen aan de quasi-Sint zou afstaan.
Sindsdien worden er in kringen van Indische Nederlanders ieder jaar rond deze tijd liedjes gezongen zoals “O kom maar niet kijken wat ik in mijn schoentje vind. Alles te danken aan die fijne Sint.”


zaterdag 28 september 2013

KANTL: Najaarslezingen 2013 over Couperus

Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- & Letterkunde, Vlaanderen

Louis Couperus is in 1863 in Den Haag geboren. Dat is 150 jaar geleden, en daarom heeft het Louis Couperus Genootschap het jaar 2013 uitgeroepen tot Louis Couperus Jubileumjaar.
Als bijdrage vanuit Vlaanderen besloot de KANTL haar reeks najaarslezingen in het teken te stellen van deze grote Nederlandse schrijver, in wijde kring vooral bekend van zijn verfilmde debuutroman Eline Vere.
Drie eminente sprekers gaan in op de band tussen resp. Couperus en Italië, Couperus en Vlaanderen, Couperus en vrouwenemancipatie.

Programma
Woensdag 16/10 Patrick Lateur > Couperus en Italië
Woensdag 20/11 Anne Marie Musschoot > Couperus en Vlaanderen
Woensdag 18/12 Elsbeth Etty > Meesteres over eigen hemd, Couperus en seksuele emancipatie
Locatie: In de Vergaderzaal van het Academiegebouw, Koningstraat 18, B-9ooo Gent.
Tijd: Om 20.00u, gevolgd door een kleine drink in de salons omstreeks 21.30u.

Toegang gratis.
Graag reserveren.

Dit kan telefonisch (09/265 93 40) of per e-mail: info@kantl.be

zondag 22 september 2013

Lezingenmiddag over Louis Couperus

Op vrijdag 27 september 2013 houdt de Werkgroep Indische Letteren weer een lezingenmiddag in Leiden. Dit keer is de middag geheel gewijd aan Louis Couperus, naar aanleiding van zijn honderdvijftigste geboortedag.


Programma:
15.00 uur  opening
15.10 uur  Petra Teunissen-Nijsse: Couperus en Japan
15.40 uur  Olf Praamstra: Het vijandige Indië van Couperus
16.10 uur  theepauze
16.40 uur  Pamela Pattynama: Gevaarlijke geheimen. Interraciale seksualiteit in
                        De stille kracht.
17.10 uur  Jacqueline Bel: De Indische Couperus
17.40 uur  Discussie
18.00 uur  Sluiting

Locatie: Universiteit Leiden, gebouw 1175 (Lipsius), Cleveringaplaats 1, zaal 003.


De toegang is gratis. Alle belangstellenden zijn van harte welkom.

maandag 12 augustus 2013

Leiden neemt afscheid van de (post)koloniale letteren



‘Voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij’
Afscheid van Eep Francken, Ton Harmsen en Peter van Zonneveld

Eep Francken

Op vrijdag 6 september 2013 nemen drie prominente docenten van de sectie Letterkunde van de Universiteit Leiden afscheid: Eep Francken, Ton Harmen en Peter van Zonneveld. Zij hebben sinds jaar en dag mede het gezicht bepaald van de opleiding Nederlands in Leiden. Hun vertrek is het einde van een tijdperk; de (post)koloniale literatuur heeft met de komst van de nieuwe hoogleraar Nederlandse letterkunde Yra van Dijk zo goed als compleet afgedaan in Leiden. Velen zullen goede herinneringen bewaren aan de colleges die Francken,  Van Zonneveld  en Harmsen in de loop der tijd aan generaties studenten hebben gegeven, de eerste twee vooral ook over de (post)koloniale literatuur van Indë, Zuid-Afrika en de West. Deze dag mag dan ook niet ongemerkt passeren. We nodigen u van harte uit om dit bijzondere moment bij te wonen.

Programma:
14.00-14.15 uur  Opening door Wim van Anrooij
14.15-14.45 uur
‘Wat Anbeek laat liggen’  - Afscheidscollege Eep Francken
14.45-15.00 uur Pauze
Peter van Zonneveld

15.00-15.30 uur
‘Onderwijs, toneel en poëzie in de zeventiende eeuw’ - Afscheidscollege Ton Harmsen
15.30-16.15 uur Koffie/thee
16.15-16.45 uur
‘Vaarwel, mijn lieve Julius! Schrijverszonen in Indië’  - Afscheidscollege Peter van Zonneveld
16.45-16.55 uur Toespraak Rick Honings
16.55-17.05 uur Toespraak Olga van Marion
17.05-17.15 uur Toespraak Olf Praamstra
17.30-… uur Receptie

Toegang
Alumni van de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur, studenten, docenten, vakgenoten en andere belangstellenden worden van harte uitgenodigd deze bijeenkomst bij te wonen. De afscheidscolleges en de toespraken vinden plaats in zaal 011 van het Lipsiusgebouw, Cleveringaplaats 1, van het Witte Singel/Doelencomplex te Leiden. Aansluitend is er een receptie in het Arsenaal (Arsenaalstraat 1 in Leiden).

De toegang is vrij, maar u dient zich aan te melden via lucas@hum.leidenuniv.nl.  Het is daarbij van belang precies aan te geven bij welke van de drie lezingen u aanwezig zult zijn of naar de receptie komt.

zaterdag 8 juni 2013

Het tragische leven van Marietje van Oordt

Marietje van Oordt
De levenswandel van de roemruchte Marietje van Oordt (1897-1974) is onderwerp van een nieuw onderzoek door Gerard Termorshuizen. De Indische pers schreef met regelmaat over haar dubieuze levenswandel. Door de ontmoeting in 2011 van enkele, in Nederland, wonende nazaten, kan Termorshuizen haar leven reconstrueren.

Meer dan een particuliere geschiedenis
Het verhaal dat Gerard Termorshuizen wil vertellen is meer dan een particuliere geschiedenis. Het schetst de sociaaleconomische positie van de ‘onderste lagen’ van de Indo-groep aan het begin van de 20ste eeuw. De strijd voor de emancipatie van de Indo is er een geweest van vallen en opstaan. Hoewel het aantal van hen dat doordrong tot de hogere functies bij het gouvernement en bedrijfsleven toenam, bleef het gros van de Indo’s tot de laagst betaalde werknemers horen. Waren die laatsten in ieder geval verzekerd van een geregeld inkomen, tienduizenden anderen leidden een armoedebestaan. Verstoken van een behoorlijke opvoeding en onderwijs, leefden zij van de hand in de tand of kwamen terecht in de criminaliteit of prostitutie.

Roemruchte verschijning
Al op jeugdige leeftijd zwierf Marietje – voortdurend veranderend van identiteit – rond over Java. Door de inventiviteit en allure waarmee zij tussen 1914 en 1930 haar beroep uitoefende, groeide zij uit tot een roemruchte verschijning in de kolonie. Het publiek volgde haar carrière via de Indische pers die gretig reageerde op elke zich aandienende snipper nieuws over haar.
Tot aan 1930 kunnen wij het leven van Marietje volgen in de Indische pers. Daarin worden we eveneens geïnformeerd over de steeds luider opklinkende kritiek op een maatschappelijk misstand. Onder verwijzing naar haar achtergrond en milieu was er – óók bij rechters – sprake van mededogen, gêne en schuldgevoel.

Prostituees in een bordeel in Kampong Kodja, 1948. Foto Nederlands Instituut voor Militaire Historie


Dankzij de ontmoeting in 2011 van enkele, in Nederland wonende, nazaten van Marietje, kunnen we nu ook – aan de hand van een familiearchief en mondelinge mededelingen – in grote lijnen haar bestaan na 1930 volgen. Deze familieleden hebben volmondig toegestemd in het gebruik van archiefmateriaal en foto’s. De familie was vrijwel onbekend met het bewogen leven van hun (over)grootmoeder.
Marietje van Oordt op latere leeftijd

De lezingen van de neerlandicus en historicus Gerard Termorshuizen vormen al vele jaren een populair onderdeel van het het Tong Tong Festival. Mede hierom heeft Termorshuizen zelf Stichting Tong Tong benaderd; hij wil graag dat deze bijzondere geschiedenis via onze kanalen een groot geïnteresseerd publiek bereikt. Daarom is het de bedoeling het sensationele verhaal van Marietje van Oordt niet alleen als boekje uit te geven, maar ook door middel van een tentoonstelling te vertellen. Zo kan een groot publiek meer te weten te komen over de sociale omstandigheden in de laatste halve eeuw van de Nederlandse kolonie.

vrijdag 31 mei 2013

Kraspoekol – aanklacht tegen slavernij in Oost-Indië

Dirk van Hogendorp

Indië was amper een kolonie, of ze liet zich gelden in het Haagse literaire leven. Op 20 maart 1801 ging Kraspoekol in première in de schouwburg, geschreven door Dirk van Hogendorp, voormalig resident in Indië en oudere broer van Gijsbert Karel die zo’n belangrijke rol zou spelen bij het ontstaan van het Koninkrijk in 1813.
Het stuk is gebaseerd op de novelle uit 1780 door zijn vader Willem van Hogendorp, Kraspoekol, of de droevige gevolgen van eene te verregaande strengheid jegens de Slaaven. Het klaagt de slavernij aan, die op dat moment nog in Indië bestond. De opvoering werd verstoord, maar de tekst van het stuk was in Den Haag een groot verkoopsucces.

Op verzoek van Stichting Tong Tong zal Bert Paasman op zondag 2 juni in het Haags Historisch Museum meer vertellen over Dirk van Hogendorp en Kraspoekol. Paasman is emeritus hoogleraar Koloniale en Postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In het museum is dan de tentoonstellingIndië in Den Haag, een eeuwenoude band te bezoeken.

zaterdag 25 mei 2013

Waar blijft een monument ter nagedachtenis aan de slavernij in Oost-Indië?


door Tanja Fraai
Bert Paasman. Foto © Lilian van de Kamp

Tijdens de Tong Tong Fair, beter bekend als de Haagse Pasar Malam, vraagt Bert Paasman  aandacht voor de afschaffing van de slavernij in ander perspectief. Nu eens niet met ‘De West’ als centrum waar de slavernij plaatsvond, maar ‘De Oost’; Oost-Indië. Paasman is emeritus hoogleraar koloniale en postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis (UVA) en kent beide werelden goed..

150 jaar
Waarom was er in 2010, toen de slavernij in Oost-Indië precies 150 jaar geleden werd afgeschaft geen aandacht voor dit feit, vraagt Paasman zich af. Vooral omdat er dit uitgebreid stil gestaan wordt bij 1863, het jaar dat de slavernij in Suriname en de voormalige Antillen werd afgeschaft.
Mardijkers, vrijgemaakte slaven in Oost-Indië, afbeelding uit 1704

Aantal
Slavernij was er wel degelijk en zelfs op dezelfde schaal als in West-indië; er werden zo’n 600.000 mensen slaaf gemaakt in Oost-Indië. Vanuit India, Ceylon, Bali, Celebes (het huidige Sulawesi) werden de slaven vervoerd naar Java. “Dat waren vaak minder zeewaardige schepen, mensen stierven aan boord.”  illustreert Paasman.

Huisslaven
Anders dan in de West waren er vrijwel geen plantages dus ook geen plantageslaven die zwaar werk in de brandende zon moesten doen. De Oost-Indische slaaf was een huis-tuin-en keukenslaaf die op het erf aan het werk werd gezet. “Eigenlijk de voorloper van de baboe en de kokki dus het huispersoneel,” voegt Paasman toe. Bij aanleg van steden en forten en in de havens van de VOC verrichtten de slaven echter wel degelijk zware lichamelijk arbeid.

Verhoudingen
Relaties tussen witte mannen en donkere slavinnen kwamen veelvuldig voor en werden geaccepteerd. De slavinnen moesten Nederlands leren en Protestant worden als ze gingen trouwen. Omgekeerd was een verhouding tussen een witte vrouw en een donkere slaaf uit den boze. Voor de slaaf in kwestie restte de doodstraf als de relatie aan het licht kwam.

Aandacht
Paasman besluit zijn lezing met een antwoord op de vraag waarom er zoveel minder aandacht is voor die slavernij in de Oost. Om te beginnen is er veel minder onderzoek naar gedaan dan in het West-Indisch gebied. Ook is de oude slavenbevolking geassimileerd met de Indonesische bevolking; nazaten zijn dus nauwelijks meer aan hun uiterlijk herkenbaar. Een derde reden is het ontbreken van wat Paasman noemt pressure groups  dus afstammelingen van nazaten die aandacht vragen.

De lezing werd gehouden op donderdag 23 mei 2013 op de Tong Tong Fair in Den Haag.

maandag 29 april 2013

Een intieme zee aan brieven, dagboeken en notitieblokjes

Aya Zikken
Over de biografie over Aya Zikken,  Alles is voor even,  van Kees Ruys

door Ezra de Haan


De rol van een biograaf is die van een ondergeschikte, zijn product het levensverhaal van een ander. Kees Ruys heeft zich, zoals het hoort, dienend opgesteld en toch is de biografie Alles is voor even die hij over Aya Zikken schreef, een levensverhaal geworden waarin de biograaf meer op de voorgrond treedt dan normaal het geval is.

Aya Zikken moet zich bewust zijn geweest van de bijzondere verhouding die ze met Kees Ruys had. Ruys, zelf een schrijver met een imposant oeuvre dat zich meestal in Indonesië afspeelt, voelde zich verwant met de wijze waarop Zikken haar oude thuisland en ook het nieuwe Indonesië beschreef. In 1984 stuurde hij haar zijn eerste brief. Er ontstond een vriendschappelijk contact dat tot aan de dood van de schrijfster voortduurde. Ruys kreeg toegang tot al haar dagboeken en correspondentie, las alle boeken die Zikken schreef en sprak urenlang met haar. Een ideale situatie voor een biograaf zou je denken… 

Kees Ruys biedt zijn biografie aan Aya Zikken aan. Foto @ Els Kort.


Tot Aya Zikken Ruys duidelijk maakte ‘niet veel te zien in diepgravende gesprekken met familieleden, vrienden, kennissen of anderen uit haar omgeving.’ Er ging dus een streep door alle levende bronnen. De biograaf moest het doen met ‘twee volle ladekasten en tientallen dozen, plastic zakken en kantoormappen: een intieme zee aan brieven, dagboeken en notitieblokjes, foto’s, dia’s en geluidscassettes, manuscripten, dummy’s, uitgewerkte interviews, recensies, boekcontracten, posters, eerste drukken en talloze andere parafernalia.’ En de gesprekken met de schrijfster zelf. Het leverde een biografie van 850 pagina’s op. Ook voor de 93-jarige Zikken moet het boek van groot belang zijn geweest. Ze overleed vier uur na de presentatie van Alles is voor even.

Lees de hele recensie op Literatuurplein.nl, klik hier 

Kees Ruys, Alles is voor even; het bewogen schrijversleven van Aya Zikken. Haarlem, 2013, Uitgeverij In de Knipscheer. Prijs: € 45,00.

Indië on the move

Pamela Pattynama

De Departementen Neerlandistiek en Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam organiseren  op vrijdag 31 mei 2013 in Spui25 een symposium ter gelegenheid van het afscheid van Pamela Pattynama, Bijzonder hoogleraar Koloniale en Postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis.


Programma 
9:00 Ontvangst met koffie en thee
9.30 Opening
Vijf reflecties op onderzoek naar Indië

Prof. dr. Mieke Aerts
‘Als ik mij omdraai, kan er niets zijn’: de geest van Indië

Dr. Paul Bijl
Transnationale herinneringen aan Raden Ajeng Kartini

Prof. dr. Frank van Vree
‘Toen alles nog heel was’ - herinnering en nostalgie


Pauze

Prof. dr. Julia Noordegraaf
Het Nachleben van de Indische films van de familie Sanders

Prof. dr. Jeroen de Kloet en Leonie Schmidt MA
Verlangen, verzet of nostalgie? Postkoloniale oprispingen in Yogyakarta en Hong Kong



Datum: 9:30 - 12:00, vrijdag 31 mei 2013. SPUI25, Amsterdam

Aanmelding noodzakelijk via www.Spui25.nl

zaterdag 30 maart 2013

Schrijfster Aya Zikken overleden

Zikken op een foto uit 1966 in een pand aan de Rozenstraat in Amsterdam. ANP


 door Pim van den Dool

Schrijfster Aya Zikken is op 22 maart op 93-jarige leeftijd overleden. Dat heeft haar dochter vanmiddag aan persbureau ANP laten weten. Zikken schreef tientallen boeken, vooral over Nederlands Indië. De Atlasvlinder uit 1958 was haar bekendste boek.

Zikken deed in tal van boeken verslag van haar vele reizen door Nederlands Indië, waarbij ze een synthese probeerde te creëren tussen reisverhaal en roman, schreef Kester Freriks in 2001 in NRC Handelsblad. “Zoals Zikken het oude Indië weergeeft is het alsof ze een foto van toen beschrijft, waarop alles stilstaat”, aldus Freriks.

Zikken werd geboren in 1919 in het Gelderse Epe en verhuisde op haar zevende met haar ouders naar Indonesië, waar ze tot haar twintigste zou blijven wonen. Over hoe het land tijdens haar reizen haar inspireerde zei ze in 1997 in NRC:
“Ik reis eigenlijk vooral om verhalen van mensen te horen. Ik sta open voor hen, ben een luisteraar geworden. In Nederland kan ik minder goed luisteren, daar wel. Ik geef woorden aan, een kleine handreiking, en heel langzaam, stukje bij beetje, komt het levensverhaal eruit.”

Anna Bijns Prijs
In 1997 kreeg Zikken de Anna Bijns Prijs, de prijs voor de vrouwelijke stem in de literatuur. Daarover zei ze destijds:
“Als er een vrouwelijke stem bestaat dan zou er ook zoiets zijn als een mannelijke stem in de literatuur. Ik heb daarover nooit nagedacht. Als kind wilde ik ontdekkingsreiziger worden, maar er valt nog maar zo weinig te ontdekken. Eigenlijk is alles al ontdekt en naarmate je ouder wordt, blijft er steeds minder over.”
Zikken overleed in haar woonplaats Norg in Drenthe. Uitgerekend deze week verscheen haar biografie Alles is voor even van Kees Ruys. Zikken wordt maandag in besloten kring gecremeerd.

[uit NRC, 23 maart 2013]

zondag 10 maart 2013

Gouden tijden, zwarte bladzijden



Op vrijdagavond 15 maart vindt het Boekenbal  plaats, de aftrap van de Nederlandse Boekenweek 2013, die dit jaar in het teken staat van contrasten. Het verleden van de Lage Landen kent roemrijke periodes, maar evenzovele schaduwkanten. Het is een geschiedenis van heldendaden en verraad, van glorieuze gebeurtenissen en van rampspoed. In de literatuur zijn de verschillende kanten van de geschiedenis veelvuldig terug te vinden. Drie bijzonder hoogleraren van het departement Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam komen deze avond aan het woord over dit thema. Zij spreken over de ambiguïteit in de literatuur uit Indië, het Caraibisch gebied en Zuid-Afrika in tijden van slavernij.
Pamela Pattynama, Ena Jansen, Michiel van Kempen

‘Ek, Philida van die Caab. Ek wat slaaf was. Ek wat mens is. Ek wat eintlik alles is.’ Vertellers in Zuid-Afrikaanse slavernijromans.
Prof. dr. Ena Jansen (bijzonder hoogleraar Zuid-Afrikaanse letterkunde) 

‘Laat uw bannanen zwarter roosten/ten teken dat gij niet zijt te troosten!’ Literatuur in tijden van slavernij.
Prof. dr. Michiel van Kempen (bijzonder hoogleraar West-Indische letteren)

Slavin of oermoeder? De figuur van de njai in de Indisch-Nederlandse literatuur.
Prof. dr. Pamela Pattynama (bijzonder hoogleraar Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis).

Datum en locatie: donderdag 14 maart om 20.00 uur in SPUI25, Spui 25, Amsterdam
Aanmelden is verplicht en kan via www.spui25.nl
Graag tot ziens op 7 maart.




zaterdag 9 maart 2013

Scherpe pen als wapen - schrijver Pramoedya Ananta Toer

door Tessa Leuwsha

‘Ik geloof dat de mensen mij verwarren met iemand die veel weet en veel filosofeert. Je moet niet zulke hoog gegrepen dingen vragen. Ik ben maar een heel eenvoudig mens. Ik ben niet bekend geworden door mijzelf. Ik schrijf boeken, ja. Maar bekend ben ik gemaakt, door anderen. Door het regime dat mij gevangen heeft gezet.’
Pramoedya Ananta Toer. Foto © Rudhi Relyveld

De Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer (1925-2006) deed deze uitspraak in een interview door het Nederlandse Algemeen Dagblad van 12 juni 1999. In dezelfde week vonden in Indonesië de eerste verkiezingen plaats in 44 jaar. De dissidente schrijver toonde zich in zijn boeken een felle tegenstander van de koloniale overheersing in Nederlands-Indië en na het ontstaan van de republiek Indonesië in 1949 van het dictatoriale bewind van Soekarno en diens opvolger Soeharto. Dit protest zorgde ervoor dat hij regelmatig werd opgepakt en een groot deel van zijn oeuvre in gevangenschap schreef.

Pramoedya Ananta Toer werd geboren in het Javaanse stadje Blora. Zijn vader was actief in de groeiende links-nationalistische stroming tegen de Nederlandse koloniale overheersing. Al op de lagere school stelde papa Toer hoge eisen aan zijn zoon Pramoedya en hun relatie was problematisch. Pramoedya kon vanwege financiële beperkingen zijn opleiding niet voltooien en na de dood van zijn moeder ging hij werken bij een Japans persbureau in Jakarta. Hij kwam er in contact met vooraanstaande Indonesiërs en onder de indruk van het steeds machtiger wordende Japan nam zijn hang naar een vrij Indonesië toe. Hij participeerde in 1945 in een gewapende vrijheidsstrijd en werd zonder vorm van proces door Nederlandse militairen twee jaar opgesloten in gevangenis Bukit Duri waar hij enkele verhalen schreef en een roman. Na de onafhankelijkheid richtte hij zijn scherpe pen op de Indonesische machthebbers en sympathiseerde met de communistische partij. Hij zat onder het bewind van president Soeharto veertien jaar gevangen op het eiland Buru (1965-1979). Tijdens zijn detentieperiode schreef Pramoedya de bekende Buru-tetralogie (‘Bumi Manusia’, in het Nederlands Aarde der mensen): vier historische romans beginnend in de koloniale tijd waarvan hij het manuscript op losse blaadjes de gevangenis liet uitsmokkelen.

Foto © Jeffry Surianto

 In Kind van alle volken, het tweede deel van deze romancyclus, dat zich afspeelt aan het begin van de 20ste eeuw, heeft de hoofdpersoon Minke, een Javaanse jongeman uit een adellijk geslacht, de strijd verloren om zijn 17-jarige vrouw Annelies. Annelies is geboren uit een concubinaat tussen een Nederlandse kolonist en zijn Javaanse bijzit, in Nederlands-Indië aangeduid met de term njai. De njai was een geïnstitutionaliseerd verschijnsel, ontstaan uit een gebrek aan blanke vrouwen in de kolonie, maar zij kon als ‘inlander’ geen rechten doen gelden over haar halfblanke kinderen die aan de vader behoorden. In de roman wordt de nog net minderjarige Annelies tegen haar wil naar Nederland overgebracht en ze sterft daar van verdriet. De onmacht en vernedering van de njai zijn het uitgangspunt voor Minkes opgebouwde wrok tegen de buitenlandse overheersers. De naam Minke is een verbastering van ‘monkey’: hij is een aap die maar te dansen heeft naar de grillen van de machthebbers.

Schending van mensenrechten op grond van ras, afkomst, status, taal en religie strekt zich door het gehele werk van Pramoedya Ananta Toer. Kind van alle volken is een ontwikkelings- of ideeënroman te noemen. Het boek volgt de gedachtestroom van Minke en zijn opinievorming rond kolonialisme en het opkomend nationalisme. Minke heeft ontzag voor Japan, ook een Aziatisch land maar met weinig eerbied voor de oude reus Europa. In de Tweede Wereldoorlog loopt Japan Nederlands-Indië met gemak onder de voet.

De roman Max Havelaar (1860) van Multatuli, pseudoniem voor Eduard Douwes Dekker, gold als een vroege aanklacht tegen wantoestanden aangericht door planters in Nederlands-Indië onder arme landarbeiders. Multatuli, die zelf koloniaal ambtenaar was, kon de uitbuiting door een wurgend belastingstelsel voor de Javaanse boer niet langer aanzien. Zijn belangrijke publicatie bracht bij welvarende Nederlanders het inzicht teweeg dat hun rijkdom vaak over de ruggen van arbeiders uit de Oost was vergaard. Louis Couperus, een andere beroemde Nederlandse schrijver, liet in zijn roman De stille kracht (1900) de vele mystieke Javaanse rituelen zien. Die inheemse cultuur bood tegenwicht aan het pragmatisme van de Nederlanders en werd een bron van het Javaanse verzet. Couperus, zelf zoon van een juridisch raadsheer te Batavia, voerde in De stille kracht een Nederlandse ambtenaar op die de lokale gebruiken in de wind slaat en als gevolg daarvan aan geheimzinnige machten ten onder gaat.

‘Oeroeg was mijn vriend’. Dit is de openingszin van de prachtige novelle Oeroeg waarmee de eveneens in Nederlands-Indië opgegroeide Hella S. Haasse in 1948 debuteerde. De novelle gaat over het verlies van een jeugdvriendschap tussen een Nederlandse en een Javaanse jongen wanneer de laatste kiest voor de wapenstrijd van zijn volk.

Pramoedya Ananta Toer schreef ruim veertig boeken die in meer dan twintig talen zijn uitgegeven. Hij was diverse keren kanshebber voor de Nobelprijs voor literatuur maar hij ontving die prijs niet. Wel kreeg hij in 1995 de Ramon Magsaysay Award, een prijs die ook wel de Aziatische Nobelprijs wordt genoemd. In 1998 ontving hij de PEN Freedom-to-write Award.

De schrijver raakte gedurende zijn leven teleurgesteld in het communisme vanwege het machtsmisbruik bij de leiders, maar hij bleef trouw aan de ideologie van verdeling van rijkdom. Bij de verkiezingen in 1999 riep hij het Indonesische volk op die te boycotten omdat ze niet democratisch zouden zijn. Hij richtte zijn vertrouwen op de jongeren die nog onbedorven zijn; van de jeugd moet de verandering komen.

Pramoedya Ananta Toer: Kind van alle volken, vertaald uit het Bahasa Indonesia door Loek Amstel en Don van Minde. Uitgever: Manus Amici, Het Wereldvenster, Novib/NCOS, 1981. ISBN 90-293-9866-3

Goena-goena in koloniale en postkoloniale literatuur


door Jerry Dewnarain

Goena-goena in de Indonesische cultuur betekent tovermiddelen. Iemands liefde kan ermee opgewekt worden, maar er kan ook kwaad mee berokkend worden. Goena-goena is binnen de Surinaamse cultuur vergelijkbaar met winti. Onder de javanen leven deze magische krachten ook. Ze worden meestal opgewekt door middel van een kruidendrank. ‘Kroien’ heet dat in het Surinaams-Javaans. In het artikel van Tessa Leuwsha [zie hierboven] lezen we dat goena-goena voorkomt in het werk van de postkoloniale Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer. Ook in het in deze eeuw verschenen boek Laskar Pelangi/De Regenboogbende van Andrea Hirata speelt het een rol.

Het is opmerkelijk dat binnen de koloniale literatuur Nederlandse schrijvers - onder hen P.A. Daum (1850-1898) in Goena-goena (1885) en Louis Couperus (1863-1923) in De stille kracht (1900) - melding maken van onverklaarbare verschijnselen of geheimzinnigheden die zich afspelen in Indonesië en in het dagelijks taalgebruik worden aangeduid met het begrip ‘goena-goena’. Als Nederlandse vertaling wordt al snel het door Couperus geïntroduceerde begrip ‘stille kracht’ gebezigd. Door vrijwel alle auteurs wordt ‘goena-goena’ beschreven als een magisch middel om liefde op te wekken, om iemand schade te berokkenen, ofwel beide. ‘Goena-goena’ maakt deel uit van het traditionele inheemse geloof. Het inheemse geloof en het onderdeel ‘goena-goena’ worden verbeeld als onbegrijpelijk en bedreigend voor de westerse kolonisator. Couperus heeft vooral een onoverbrugbare kloof geschetst tussen het Oosten en Westen. Hij verwoordt zijn motivatie tot het schrijven van De stille kracht aldus: ‘Dit land kennen wij, Westersche overweldigers en Hollanders, niet in zijn diepe, Oostersche, zich steeds gesluierd houdende ziel, zoo was mijn staâge overdenking. Dit land, dat wij beheerschen en exploiteeren, is ons, Nederlanders, de eeuwen door, een diep psychiesch geheim gebleven: dat was de obsessie, die mij niet los liet.’ (Couperus Proza III, p. 37)

Goena-goena wordt in een aantal romans afgeschilderd als bedrog, of als bijgeloof van een minder beschaafde bevolkingsgroep. Het hiërarchische karakter van de koloniale samenleving staat centraal in dit soort verhalen. Een bekend voorbeeld hiervan is de roman Goena-goena van Maurits (P.A. Daum). De oude baboe Sarinah, die met behulp van een enorm scala van middelen de Indische Betsy aan de totok Bronkhorst probeert te koppelen, wordt getypeerd als ‘toverheks’, of ‘oud, gevaarlijk mens’. Bovendien ‘beschikt ze over een beperkte gedachtegang’ (Daum, 1964, p. 223).
Een zeer genuanceerd beeld van het traditionele inheemse geloof inclusief de magische bezweringen is echter terug te vinden in Het land van herkomst (1935) van Du Perron (1899-1940) en in het werk van Maria Dermoût (1888-1962), De tienduizend dingen (1955). Du Perron en Dermoût waren in hun jeugd omringd door de verhalen van de kinderbaboe en genoten een typisch Indische jeugd.

In het postkoloniale werk van Pramoedya Ananta Toer zien we dat hij door zijn personages de mogelijkheid schept een groot aantal onderwerpen aan de orde te stellen die alle teruggaan op de onstuimige ontwikkelingen voorafgaand aan het dekolonisatieproces van de volken in Azië.

vrijdag 25 januari 2013

Indische Vereniging Curaçao, foto's

Hierbij enkele illustraties uit het boek 50 jaar Indische Vereniging op Curaçao, 1961-2011, Jubileumbundel van de Indische Vereniging Curaçao, samengesteld door Ronald Gill en Gonnie Jonkergouw (zie de bespreking elders in dit blog):

Kerstkaart IVC-bestuur 1978 (?)

The South Sea Minstrels in 1962. Vlnr: Kees Anemaet, Okkie van Ommen, Peggy van Riet, Nico Schardijn, Angel Salsbach en Carlos Salsbach.

Curaçaos Indië, landschap bij Westpunt, foto van Pet Holman

De jongste generatie (Katja van der Capellen): toekomst van de VIC?

IVC bestuur in 2005. In het midden voorzitter George Kraaikamp, met vlnr: Paula Pieters, Carmen Gonesh, Peggy van Riet, Gonnie Jonkergouw, Laura van Beusekom en Mildred Vos van Zalingen.

zondag 6 januari 2013

Indische Vereniging ruim halve eeuw op Curaçao

door Jeroen Heuvel

De Indische Vereniging Curaçao (IVC) vierde begin 2012 het 50 jarig bestaan. Daarbij is een jubileumbundel uitgegeven. Hierbij een impressie van dit prachtige, vaak ontroerende, full colour boek.

Indische Nederlanders


Indische Nederlanders zijn Nederlanders van Indische (later: Indonesische) afkomst, ook wel Indo-Europeanen (zogenaamde mengelingen) en totok (‘volbloed’ Nederlander in Oost-Indië geboren) genoemd, zou je kunnen antwoorden op de vraag wát een Indische Nederlander is. Het gaat hier niet om een homogene groep, ze waren uiterst divers qua afkomst, achtergrond, en uiterlijk. Na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog en de bloedige onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië (1945-1949) moesten ongeveer 300.000 Indische Nederlanders hun geboortegrond verlaten. Velen gingen naar vaderland Nederland. Tussen 1950 en 1970 hebben zich naar schatting ruim 600 Indo’s op het eiland Curaçao gevestigd. Momenteel wonen in het land Curaçao volgens George Kraaikamp, voorzitter van de de IVC, ongeveer 250 Indische Nederlanders.

Volgens een van de samenstellers van de jubileumbundel, Ronald Gill, werd de vestiging van Indische Nederlanders op Curaçao ‘meestal voorafgegaan door een kort verblijf in Nederland. Bovendien gebeurde de verhuizing niet in groepen, maar op individuele basis, ingegeven door werk. Zij kwamen uit voor de marine, het onderwijs, de gezondheidszorg, als technici voor het toenmalige Eilandgebied en voor het bedrijfsleven. Met name de olie-industrie had een grote zuigkracht op de in Nederland gestrande Indische Nederlanders die als employé hadden gewerkt bij zustermaatschappijen in Nederlands-Indië.’

In twaalf hoofdstukken – mede samengesteld door Gonnie Jonkergouw – verluchtigd met meer dan tweehonderdvijftig foto’s wordt het bestaan van de IVC uit de doeken gedaan. Dan gaat ook niet meer de vraag gelden ‘wat’ is dé Indische Curaçaoënaar of Nederlander, maar ‘wie’ zijn al die mensen. In dit boek komen ze als individuen tot leven, vaak ontroerende levens. Bijvoorbeeld over de medeoprichter en eerste voorzitter van de IVC Charles ‘Okkie’ van Ommen; over Milly Kroeger-Haertlein die aanvankelijk geen lid wilde worden van ‘zo’n kliekjesclub, dat gehok bij elkaar,’ maar toen als antwoord kreeg dat het kleffe gevoel niet van de club afhangt maar van de mensen, dus dat je dat kunt veranderen; over Adrie Mink die nog in Indonesië is geboren en opmerkt dat het Indische karakter van de vereniging vervaagt en over de harem van de huidige voorzitter. In een ander hoofdstuk vertellen leden waarom zij tot de vereniging zijn toegetreden, want het is niet vanzelfsprekend dat iedere Indische Nederlander op Curaçao lid is – geweest – van de IVC. Natuurlijk gaat er ook een hoofdstuk over Indisch koken, maar ook een over hawaïmuziek en Indorock en Javaanse dansen, waardoor met name Frits van der Capellen geraakt was en ‘best nog wel eens de Tari Topèng Kelånå (maskerdans) zou willen dansen.’ Hierin zie je het samenleven en werken met niet-Indo’s, zoals Marco Dorothea en Angel en Carlos Salsbach, waardoor de versmelting van culturen plaatsvindt.

Wat in het boek misschien ontbreekt, is de beleving van het spirituele in het nieuwe land. In Nederland is het bijvoorbeeld bekend dat veel leden van de antroposofische gemeenschap die na 1949 zijn toegetreden Indo’s zijn of zijn geweest. Op Curaçao waar veel mensen in – de wereld van – geesten geloven, zouden veel Indo’s zich gemakkelijk thuis kunnen voelen, maar door de terreur van het katholicisme en het protestantisme schamen veel mensen zich ervoor om uit te komen voor dat deel van hun geloof.

Een willekeurig gekozen persoon om even bij stil te staan is Jo Anemaet, de kunstschilder die zowel Oost-Indische als Antilliaanse taferelen heeft uitgedrukt en vastgelegd. Volgens de bijdrage van Nel Casimiri, hoofdstuk 7 in het boek, was Anemaet een van de markantste figuren van de IVC. Jo Anemaet was op Sint Maarten geboren – dus wellicht niet een ‘echte’ Indo – op 19 december 1911, nu dus 101 jaar geleden. Zijn vader werkte bij de Koninklijke Marechaussee en daardoor hebben de Anemaets op alle eilanden van de Nederlandse Antillen gewoond. Toen Jo acht jaar was zijn ze naar Nederland verhuisd. In 1930 ging hij als beroepsmilitair naar Nederlands-Indië. In de Tweede Wereldoorlog werd hij krijgsgevangene van de Japanners.  Na de oorlog ging hij via Nederland vlug terug naar de Antillen. Toen zijn kinderen gingen studeren verhuisde hij weer naar Nederland. Tijdens het veertig jarig jubileum werd hij geïnterviewd door het Antilliaans Dagblad (zie de editie van 26 maart 2001): ‘Anemaet vindt het prachtig dat de vereniging veertig jaar bestaat, maar heimwee naar het land van de rijstvelden heeft hij niet. “Ik voel me niet Indisch. Ik voel me algemeen. Ik heb het met de bevolking hier te doen. Waar ik mijn brood verdien, daar hoor ik thuis.” Hij is in 2004 overleden.

Het sociale werk van de IVC wordt in hoofdstuk 10 behandeld, met extra aandacht voor het IVC Sociaal Fonds en ‘Duna un man’ en ‘Ban hasi Kòrsou limpi’. Andere bijdragen aan de Curaçaose gemeenschap, op sport en schoonheidsgebied komen in het voorlaatste hoofdstuk aan bod en het boek wordt afgesloten met de jongste generatie binnen de IVC, verwoord door Katja van der Capellen, die zich afvraagt of er wel jongeren te vinden zijn om het bestuur over te nemen. Ze besluit met: ‘Komt tijd, komt raad. It isn’t over until the fat lady sings. Tot die tijd, “Lòh, als maar geef geluid!”

Mochten maar meer bevolkingsgroepen een jubileumboek uitgeven, omdat het zo interessant is verhalen te lezen en foto’s te zien van mensen die onze samenleving hebben gevormd en nog steeds uitmaken. Onlangs is er, van de hand van Charles do Rego, gelukkig een boeiend boek verschenen over de Portugese immigranten, en bijvoorbeeld een gedegen studie van Natasha van der Dijs over de aard van de etnische identiteit onder het Curaçaose volk. Het zou geweldig zijn als er boeken zouden verschijnen over de oorspronkelijke bewoners van Curaçao en over de Afrikanen die tegen hun wil naar dit Caraïbische eiland zijn getransporteerd.

De nakomelingen van de eerste Indo’s op Curaçao voelen zich steeds minder Indo en meer Caraïbische Nederlander of Yu di Kòrsou. Er is wederzijdse verrijking, duidelijk verwoord door Ronald Gill: ‘Voor de Indische gemeenschap is Curaçao als een gerecht dat aan de Indische rijsttafel is toegevoegd.’ Dus zonder de Indische inbreng geen rijsttafel op Curaçao en zonder Curaçao niet dat toegevoegde gerecht bij die rijsttafel. Smakelijk lezen.


50 jaar Indische Vereniging op Curaçao, 1961 – 2011, jubileumbundel, samengesteld door Ronald Gill en Gonnie Jonkergouw, isbn 978 99904 1 418 9