Posts tonen met het label geschiedschrijving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedschrijving. Alle posts tonen

woensdag 21 mei 2014

Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving

Geschiedschrijving: het is maar met welke bril je het bekijkt.
Foto © Michiel van Kempen

door Ruben Bakker

Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’ Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de ondertitel van de bundel Verkenningen in de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.

In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal, dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies? En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan. De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays, geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici. Hiermee beslaat de bundel - die in twee delen is uitgekomen -  zo’n 656 pagina’s in totaal.

Door de veelheid aan essays worden veel aspecten die relevant zijn voor de historiografie van Suriname belicht. Zo benadrukt Chan Choenni de urgentie en het belang van ‘oral history’, gaat Mildred Caprino in op (de mogelijkheid van) vrouwengeschiedenis en bespreekt Hilde Neus de rol van historische romans voor de geschiedschrijving. Naast het gezichtspunt en de plek in de Surinaamse geschiedenis van de verschillende bevolkingsgroepen is er ook aandacht voor de ontwikkelingen in de historiografie van andere voormalige kolonies.

De breedheid van de onderwerpen en de veelheid aan auteurs maken de essaybundel echter ook kwetsbaar. Doordat de essays erg los van elkaar staan, komt herhaling nogal eens voor en wordt de lezer niet altijd aangemoedigd om ook het volgende essay te lezen. Dit had voorkomen kunnen worden door de essays meer te rubriceren, zodat er een duidelijker opbouw ontstaat. Ook was het wellicht beter geweest als alle essayisten aan het einde van hun artikel concrete aanbevelingen deden van hoe de historiografie van Suriname verbeterd kan worden. Nu is dat slechts bij enkele essays het geval. Want weet de lezer uiteindelijk wat er concreet moet veranderen om de Surinaamse historiografie een ‘geschiedenis van het volk’ te maken?

In ieder geval is daar een dappere poging toe gedaan en is veel kennis gebundeld.
De tweedelige bundel vormt een belangrijke bijdrage aan de Surinaamse historiografie en houdt bovendien de lezer een spiegel voor: een eigen geschiedenis maak je zelf!


Maurits S. Hassankhan, Jerome L. Egger, Eric R. Jagdew (samenstellers): Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deel 1 en 2. Paramaribo: Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), 2013. ISBN: 978-99914-7-254-6

dinsdag 18 maart 2014

Eerbetoon aan culturele voorgangers: Pater Paul Brenneker en Elis Juliana

door Ieteke ‘Inchi’ Witteveen

Verzamelen, bewaren, documenteren en overdracht van kennis van ouderen, het bestuderen van de geschiedenis en geheugen van onze mensen van binnen uit. Alleen op die manier kan de gedachtenwereld van onze bevolking begrepen worden. 
Paul Brenneker, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 

Dé pioniers voor deze grote culturele taak op Curaçao zijn ongetwijfeld Pater P.H.F. (Paul) Brenneker (1912–1996) en Elis Juliana (1927-2013). In het kader van de viering van Kulturismo 2009 zette de Fundashon National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM). samen met APNA de schijnwerpers op deze grondleggers van cultureel onderzoek en van de nationale collectie cultureel erfgoed. Dat gebeurde via een expositie Altá di Kòrsou, over de voornaamste altaren van Curaçao een publicatie Altá i Santunan di Kòrsou en de onthulling van een naambord op de patio van het gebouw waar NAAM is gevestigd, bekend als de oude leeszaal.

Paul Brenneker, een bevlogen katholieke geestelijke van de Orde van Dominicanen, geboren op 7 mei 1912 in Limburg, liet bij zijn overlijden op 7 februari 1996, een grote culturele erfenis achter: ruim honderd publicaties, prenten, foto’s, gedichten, een grote collectie met geluidopnames van zang en verhalen en duizenden artefacten, die hij samen met zijn vriend Elis Juliana vanaf de jaren vijftig verzamelde op Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Maarten, St. Eustatius en Saba. Door publicaties als Lekete Minawa (1958) Benta - oude liederen- (1959), Curaçaoensia – volkskundige aantekeningen over Curaçao (1961), Brua (1966), en de tien delen Sambumbu (1969 -1975) geeft hij ons toegang tot directe bronnen voor nader onderzoek. Naar de ontwikkeling van Guene bijvoorbeeld als voorloper van het Papiamentu, naar volksreligie en verzet tegen de slavernij. Of voor het opdoen van inspiratie voor artistiek werk, zoals musici als Angel Salsbach, Etzel Provence in de jaren zestig, gevolgd door Ronchi Matthew tot Izaline Calister voor het scheppen van Curaçaose jazz. Brenneker combineerde zijn liefde voor de lokale cultuur met naastenliefde. Dat laatste maakte hij duurzaam via de stichting voor daklozen (Stichting Kas Pa nos Tur) en broodlozen (Stichting Pam Pa mi Ruman). 

Elis Juliana, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 


Elis Juliana werd op 8 augustus 1927 in Nieuw Nederland, tussen de Oranjestraat en Penstraat, geboren. Het was de tijd dat Shell migranten uit het hele Caribische gebied naar Curaçao bracht. De radio deed zijn entree, de showbizz en het verenigingsleven vierden hoogtij. Geconfronteerd met de veranderingen van de moderne tijd ging de jonge Juliana op zoek naar de eigen identiteit, die van zichzelf en die van het Curaçaose volk. Hij begon als voordrachtkunstenaar. Al spoedig ontpopte hij zich als een artiest van velerlei kunnen, - dichter, verteller, tekenaar, beeldhouwer, verhalenschrijver - , maar hij begaf zich ook op het pad van onderzoeker naar de eigen cultuur. Wat begon uit nieuwsgierigheid en om inspiratie op te doen voor verhalen en voordrachten, groeide uit tot een passie: het bezoeken van ouderen als bron van informatie en kennis. Daarbij ontmoette hij Paul Brenneker. Door hun verschillende culturele achtergrond, - een Curaçaose volksjongen en een Limburgse priester - , vulden ze elkaar bij dit etnografische veldwerk voortreffelijk aan. Elis Juliana kan bogen op een lijst van ruim 50 publicaties, waaronder zijn eerste dichtbundel Flor di datu, ziin verhalen als Wazo riba ròndu (1967, 1981, 1988), Guia Etnológiko I, II, III en zijn filosofie OPI I, II, III, IV, Organisashon Planifikashon Independensia (1979, 1980, 1983, 1988).

De grote verdienste van het onderzoek van Brenneker en Juliana is dat zij de cultuur van de jaren van voor en tijdens de modernisering in de twintigste eeuw op een systematische wijze hebben gedocumenteerd. Ze verzamelden een onvervangbare schat aan informatie met een rijkdom aan gegevens uit de orale geschiedenis, maar ook vele objecten, als getuigenis van de materiële culturele erfenis. Die objecten variëren van huisgerei, documenten, religieuze objecten tot muziekinstrumenten en kunst. De collectie zelf is in 2001 officieel overgedragen aan de Fundashon NAAM. Een representatief deel daarvan is ten toon gesteld in het Curaçaos Museum en Museo Tula en vanaf 17 september tot 12 februari 2010 in de expositie Altá di Kòrsou, bij NAAM.

Wat nog onvoldoende aandacht heeft gehad is de unieke verzameling van 1400 liederen, muziek en verhalen die Brenneker en Elis Juliana in de jaren vijftig, zes jaren lang op eigen kracht en met heel veel inzet hebben verzameld en dat in 1975 is overgedragen aan de Fundashon Zikinza, toen ondergebracht bij het Centraal Historisch Archief aan de Roodeweg. Angel Salsbach, initiatiefnemer en secretaris van Fundashon Zinkinza, memoreerde hun werk bij de opening van het documentatiecentrum Zikinza in 1975 aldus:
Curaçao. Foto © Bea Moedt

“Seis aña largu Elis i Brenneker a kana ku aparatonan primitivo, riba nan mes forsa sin medionan finansiero nesesario i kolektá e herensha kultural di e masa di pueblo Antiano ku tantu a wòrdu kritiká den “El Curaçao que se va”.
E prome kontako tabata ku Iya di Wanota ku e tempu ei, esta mas ku 10 aña pasá, tabatin 80 aña di edat. Mulando su maishi chikitu riba un piedra el a kanta e prome kantika “Zuntan, zuntan zun klintan”. Despues a tumba pa Seru Fortuna i otro luganan na Kòrsou i Boneiru. E kamindanan tabata kamindanan di problema, pasobra ta kon ta kanta un kantika di rema boto, planta maishi, kap palu, koba buraku sintá den un stul di zoya den kas o riba un banki pariba di kas? Hopi biaha un pal’i basora ku a funkshoná komo rema, chapi o piki a sirbi komo yabi pa habri porta di kanto. Pero hopi biaha tambe mester a bai kas i bolbe bèk despues ora machi o pachi su kurpa tin mas grasia.” (uit: na Apertura di Sentro di Dokumentashon Zikinza, Angel Salsbach, 7 di februari 1975)


De serie ‘Het Nationaal Museum vormen we tezamen’ verschijnt ook in Extra en The Daily Herald. Reacties op en suggesties voor bijdragen zijn van harte welkom. U kunt National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM) bereiken op het Johan van Walbeeckplein 13, telefoon (09) 462 1933, fax (09) 462 1936, e-mail: info@naam.an, website www.naam.an

[van de website van NAAM, 19-09-2009] 

zondag 16 maart 2014

Dekolonisatie van de geschiedschrijving, een poging tot een evenwichtige benadering

door Eric R. Jagdew

Al enkele jaren discussieert men over dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Deze discussie is na 2010 toegenomen, nadat Dew Baboeram door Nederlandse en Surinaamse historici beschuldigd werd van het bedrijven van wetenschappelijk kolonialisme. Vanwege de nogal eenzijdige beïnvloeding van de publieke opinie is onterecht een indruk ontstaan alsof de afgelopen 40 jaar niets is gedaan aan het surinamiseren van de Surinaamse geschiedenis. Dit is dan ook de reden waarom ik in de pen ben geklommen en deze reactie heb geschreven. Het doel hiervan is de Surinamers, maar vooral de politici en beleidsmakers erop attent te maken dat dekolonisatie een lang proces is en in dit proces zij geloof moeten hebben in hun eigen mensen en vooral zichzelf goed moeten laten informeren. In feite moeten wij als volk veel meer gaan lezen en niet klakkeloos aannemen wat anderen zeggen, dus kritisch denken en handelen; maar vooral eerlijk zijn, hetgeen ik enigszins mis in deze discussie.

Voor de duidelijkheid moet worden vermeld dat het proces van surinamisering van het onderwijs en de geschiedschrijving lang vóór de onafhankelijkheid, met name na de Tweede Wereldoorlog met de zogenoemde ‘Baas in Eigen Huis’-beweging op gang is gekomen. Met de onafhankelijkheid in 1975 en de staatsgreep van 1980 kwam de dekolonisatie van de geschiedschrijving beter op gang: er werden nieuwe leerdoelen en methoden ontwikkeld voor het basisonderwijs en deels voor het voortgezet onderwijs. Zie hiervoor onder meer Doelstellingen voor het geschiedenisonderwijs bij het LO en VOJ (Jagdew, 2010). Zo werd ook de naam van de universiteit van Suriname veranderd in de Anton de Kom Universiteit van Suriname (Jagdew, 2011), mede door het dekolonisatieproces in de regio en de ‘Derde Wereld’-gedachte. Vanaf deze periode begonnen de in Suriname woonachtige academici ook westerse theorieën te toetsen door meer naar de regio te kijken en door meer aan geïntegreerde wetenschapsbeoefening te doen. Voorbeelden hiervan zijn Jack Menke, Glenn Sankatsing, Marten Schalkwijk en anderen. (Menke, 2011).

Waldo Heilbron
In een artikel uit het derde nummer van His/her Tori. Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, heb ik (Jagdew, 2012) aangegeven waarom er na een periode van vernieuwingen een vertraging optrad in het proces van surinamisering. De realiteit is dat wij het Surinaamse onderwijs enigszins hebben kunnen surinamiseren, maar de daadwerkelijke dekolonisatie van de geschiedschrijving in Suriname is uitgebleven. Dit komt omdat het Surinaams kader in de jaren ’80 en ’90 moest hosselen om te overleven en daardoor geen tijd had om zich bezig te houden met vernieuwingen. Zo is er ook verzuimd al die tijd genoeg eigen academisch geschoolde historici op te leiden en hen die tools aan te reiken, opdat zij het proces van surinamisering konden voortzetten (Hassankhan, 2013). Hiermee zeg ik niet dat (Surinaamse) academici in het buitenland en dus ook in Nederland geen bijdrage hebben geleverd aan dit proces. Integendeel, er is een bijdrage geleverd door onder anderen Waldo Heilbron, Glenn Willemsen, Ruben Gowricharn en Sandew Hira. Laatstgenoemde, beïnvloed door het marxisme, schreef de Surinaamse geschiedenis vanuit een socialistische bril.


Als deeltijdse medewerker op de afdeling curriculumontwikkeling kreeg ik aan het begin van deze eeuw het doelstellingenboekje voor het geschiedenisonderwijs in handen en mocht op basis hiervan de geschiedenisboekjes van de vierde en vijfde klas van de lagere school herschrijven. Gaandeweg het proces werd onder leiding van Linda Sairras-Rozenblad, Ewald Joemratie en Fariel Izaak ook een nieuw leerplan ontwikkeld voor het basisonderwijs, met name voor het geschiedenisonderwijs. Op basis van dit leerplan, dat toen breedvoerig is besproken met nagenoeg alle stakeholders binnen het Surinaamse onderwijs, hebben Eric Jagdew, Joyce Playfair en later Roekminie Sewradj-Debipersad de geschiedenisleerboekjes van klasse vier en vijf van het gewoon lager onderwijs herschreven. Degenen die achterbleven op CO/MINOV hebben vervolgens na 2007 aan boekje zes gewerkt.

Ik wil in deze reactie expliciet het geschiedenisboekje van leerjaar vijf van het basisonderwijs behandelen, omdat critici bij de discussie over herschrijving van de Surinaamse geschiedenis, hun afkeuring uitspreken over de gehele geschiedenismethode van het lager onderwijs zonder vooraf dit boekje grondig te hebben doorgenomen. Met onderstaande passages uit boekje vijf wil ik aantonen dat de situatie anders is.
De Gazon Matodja Award

Op de bladzijden 8, 50 en 52 wordt onder meer de leerling geleerd over het ware karakter van het kolonialisme, namelijk onderdrukking en uitbuiting. Pagina 8: ‘Ons land is van 1667 tot 1975 een kolonie geweest van Nederland en is daardoor eeuwenlang uitgebuit. De rijkdommen van Suriname werden door Nederland weggedragen en niet gebruikt om ons land tot ontwikkeling (bloei) te brengen.’ Pagina 50: ‘De Spanjaarden veroverden en onderdrukten de Indianen omdat ze betere wapens hadden. Uit hebzucht stalen de Spanjaarden de rijkdommen van de Indianen. Daarnaast beroofden zij de Indianen van hun vruchtbare gronden en hun vrijheid.’ Pagina 52: ‘Deze (wereld)handel was echter oneerlijk en ongelijk, want alleen Europa verdiende eraan. Europa maakte grote winsten ten koste van de andere werelddelen. Europa werd rijker en rijker en Afrika, Azië en Amerika werden alleen maar armer.
Hernán Cortez

De leerlingen worden in dit boekje ook doelbewust aan het denken gezet over het onrechtvaardig handelen van de blanke kolonisten in Suriname. Hiertoe wordt op bladzijde 60 in vraag 4 gesteld: ‘In 1593 liet de Spaanse koning Filips II Guyana in bezit nemen door Domingo de Vera. Vind je dat de Spanjaarden het recht hadden om dat te doen? Waarom zeg je ja of nee?’ En op de bladzijde 66 wordt de volgende vraag gesteld: ‘In 1662 gaf de koning van Engeland Suriname als eigendom aan Willoughby en Laurens Hide. Mocht de koning dat wel doen?’

Bij het ontwikkelen van boekje vijf vonden we, dat de kinderen naast vaderlandsliefde ook de wreedheid van slavenhandel en slavernij bijgebracht moest worden, en dat de Nederlandse slavenhandelaren wrede slavendrijvers waren. In dit kader staat er op bladzijde 82: ‘Deze reis (van Afrika naar Suriname) was voor de slaven een echte marteling. In de kleine scheepsruimten waren zij gedurende de hele reis aan elkaar vastgebonden’, en op pagina 93: ‘Als hij (de meester) vond dat de slaven niet hard genoeg werkten of brutaal waren, kregen zij zeer wrede straffen. Als straf kon de slaaf zweepslagen krijgen of de Spaanse bok, maar hij kon ook worden verminkt’. Natuurlijk waren onze voorouders heldhaftige mensen die in verzet kwamen tegen de onderdrukking en uitbuiting. Hierover staat er respectievelijk op de bladzijden 70, 103 en 112 letterlijk: ‘De blanke soldaten konden de dappere Indianen en Marrons niet verslaan. Daarom sloot de gouverneur vrede met hen’; ‘De slaven in de stad en op de plantages keurden de slavernij af. Zij waren niet bereid in deze slechte situatie te leven. Daarom leverden zij strijd om vrije mensen te zijn’, en ‘De Marrons beschikten over weinig wapens, maar wel veel moed om te strijden. Zij voerden een soort guerrillaoorlog tegen de blanken’.
Dit zijn slechts enkele opsommingen, maar er zullen in het boekje hier en daar nog wat zinnen en woorden voorkomen die herschreven moeten worden. Echter, laten wij als wij onszelf willen ‘promoten’ niet halve waarheden en leugens verspreiden, maar aan een evenwichtige benadering van zaken doen.
Maagdenstraat Paramaribo, ca. 1940

Geraadpleegde literatuur:
- Hassankhan, M.S.: ‘Dekolonisatie van de geschiedschrijving van Suriname. Een utopie?’ In: M.S. Hassankhan, J.L. Egger & E.R. Jagdew: Verkenningen in de historiografie van Suriname. Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk, deel 1. Paramaribo: AdeKUS, 2013: pp. 47-89;
- Jagdew, E.R.: ‘The Development of the History Education in Suriname, 1667-present day. From Dutchifying to Surinamising’. In: Report Policy Dialogue Workshop, pp. 14-38. (UWI St. Augustine, december 2009): pp. 14-38;
- Jagdew, E.R.: ‘Anton de Kom en de februari opstand van 1933 in Suriname. Een historiografische beschrijving, 1929-heden’. In: Universiteitsblad AdeKUS: Interactie, 2011, nr. 09, pp. 19-41;
- Jagdew, E.R.: ‘Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Waarom is die uitgebleven?’ In: His/her Tori (juli 2012), pp. 5-15;
- Menke, Jack: Het spanningsveld tussen methodologie en diversiteit in de samenleving’, inaugurele rede (...) bij aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de Sociale Wetenschappen (...), 2009;
- Wij en ons verleden: De geschiedenis van ons volk voor de vijfde klas van het basisonderwijs. Leerlingenboek leerjaar 5. Paramaribo: MINOV/Afdeling Curriculumontwikkeling, 2007.


zondag 9 maart 2014

1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis

De heilige Cunera
door Els Moor

In 2013 kwam in Nederland een boek uit met wetenswaardigheden over 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. De eerste is Cunera, beschermheilige tegen keel- en veeziekten, uit de vierde eeuw na Christus, de laatste is Karin Adelmund (1949-2005), vakbondsbestuurster en politica van de PvdA. Het is een loodzwaar boek met 1555 pagina’s en weegt minstens 1½ kilo. De tekst is samengesteld door historica Els Kloek, hoofd van het instituut voor digitale naslagwerken, het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis en de vormgeving is van Irma Boom. Die vormgeving maakt het tot een boek dat je ondanks de zwaarte met plezier doorbladert en heeft een functionele systematiek, wat het zoekwerk vergemakkelijkt. Heel aantrekkelijk is dat er bij veel van de besproken vrouwen in de tekst zwart-witafbeeldingen van die vrouwen staan en dat na iedere periode meer dan dertig portretten in kleur op volle pagina’s worden weergegeven van geschilderde portretten en uit de laatste eeuwen foto’s. De 1001 vrouwen zijn uit verschillende tijdperken, de middeleeuwen tot en met de 16de eeuw, de 17de, 18de, 19de en 20ste eeuw en wat betreft die laatste eeuw: alleen vrouwen die niet meer leven. Alle vrouwen passen binnen een categorie, een rubriek, waarvan er ook een register is. Enkele voorbeelden van die rubrieken: adel, elite en politie/ beeldende kunst/ dicht- en letterkunde/ kerk en godsdienst/ onderwijs en wetenschappen/  podiumkunsten/ maatschappij en emancipatie (inclusief feministen)/ sport/ toverij en hekserij.


Voor ons is de rubriek koloniën belangrijk. Daar vinden we behalve vrouwen uit de Kaapkolonie, Brazilië, Oost-Indië, Amerika en de Antillen uiteraard ook Surinaamse vrouwen en in Suriname wonende Nederlandse vrouwen die in de Surinaamse en/of Nederlandse geschiedenis een rol gespeeld hebben. Zo staat in deze rubriek Elisabeth Samson (1715-1771), een zwarte zakenvrouw over wie Cynthia Mc Leod-Ferrier binnen de serie ‘Bronnen voor de studie van Afro-Surinaamse samenlevingen’ een uitgebreide bijdrage heeft geleverd (1993). Ook Maria Susanna du Plessis (1739-1795) komt voor onder ‘koloniën’. Zij was dochter van welgestelde ouders, trouwde jong en werd al vroeg weduwe. Ze hertrouwde met Frederik Cornelis Stolkert, eigenaar van plantage  Nijd en Spijt. Met dit huwelijk liep het mis. Haar bekendheid heeft ze te danken aan haar wreedheid als slavenhoudster. Er werden veel verhalen over haar verteld. Het bekendste is dat over slavin Alida van wie zij uit jaloezie (haar echtgenoot zou een oogje op haar hebben) een van haar borsten afsneed die ze aan haar echtgenoot als maaltijd voorzette. Bekendheid in de geschiedenis kun je dus krijgen door goede daden en hoge prestaties maar ook door gruweldaden. Er is veel over Susanna geschreven. Van Hilde Neus-van der Putten kwam in 2003 een studie over Susanne du Plessis uit, de eerste monografie over een blanke vrouw uit de Surinaamse plantagegeschiedenis. Helaas is deze belangrijke studie vanuit Suriname niet opgenomen, terwijl wel andere literatuur genoemd wordt over Du Plessis.

Betje Wolf en Aagje Deken
We kijken even naar de verschillende periodes in het boek. Welke rol speelden vrouwen daarin? In de middeleeuwen domineerden adel en kerk, vaak met veel machtsstrijd. Logisch dat er onder de in deze periode genoemde vrouwen veel adellijke vrouwen en nonnen zijn.
De 17de eeuw heeft de bijnaam ‘Gouden Eeuw’. Dat zegt veel over welvaart en bloei van kunst en cultuur. Veel vrouwen uit de hoogste kringen komen voor, vooral ook uit ‘het huis van Oranje’. In de tweede helft van de eeuw komt er veel geweld en neemt de welvaart af, met als dieptepunt 1672, het ‘Rampjaar’. Naast de ‘hoge vrouwen’ zijn er al veel vrouwen die kunsten beoefenen.
De 18de eeuw is de eeuw van de verlichting. Maatschappelijk komt er meer aandacht voor de vrouw, vooral ook voor de moeder. Het bekende schrijfstersduo Betje Wolff en Aagje Deken besteedde in hun werk aandacht aan de moeders, maar waren ook tegen de slavernij. ‘Adel en elite’ beginnen af te nemen, onderwijs en opvoeding krijgen meer aandacht.

De 19de eeuw is de tijd van industrialisatie en democratisering. Vrouwen beginnen op te komen voor hun rechten. Voor het eerst worden er in deze periode vrouwen beschreven met grote sportprestaties.
En dan de twintigste eeuw met veel bekende namen van al overleden vrouwen. Vrouwen spelen nu een rol in de politiek en het feminisme krijgt vorm in deze eeuw. Veel kunstenaressen en schrijfsters zijn er, met name ook van kinderboeken. Verzetsstrijdsters in de Tweede Wereldoorlog hebben een plaats gekregen. En wie is de jongste van allemaal? Ja, Anne Frank (1929), het Joodse meisje, dat met het gezin moest onderduiken in het ‘Achterhuis’. Ze schreef daar in haar dagboek. In 1944 werd er verraad gepleegd en vielen de Duitsers het Achterhuis binnen. Anne en haar zus kwamen in het concentratiekamp Bergen Belsen terecht, waar ze in 1945, niet lang voor de bevrijding, stierven. Door haar, gelukkig bewaarde, dagboeken is Anne Frank wereldberoemd geworden.

Dit zijn enkele beelden van wat we in 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis tegenkomen. Een aantrekkelijk boek. Je blijft bladeren. Maar de vrouwen die een rol speelden in Suriname? Sommige grote figuren zijn helemaal niet genoemd. Wie ik het meest mis is Nola Hatterman (1899-1984), kunstenares, die in 1953, kennis gemaakt hebbend met Surinaamse kunstenaars van ‘Wie eegie sanie’ naar Suriname verhuisde en daar een kunstopleiding opzette. Ze was dé grote stimulator van werkelijk Surinaamse kunst. Nola voelde zich naar eigen zeggen ‘een neger’. Ze komt niet in het boek voor! Maria Sybilla Merian (1647-1717), gelukkig wel. Deze vrouw van Duitse afkomst heeft lang in Nederland gewoond. Met haar twee dochters ging ze in 1700 naar Suriname en tekende en schilderde daar reptielen, insecten, amfibieën in combinatie met prachtige planten en bloemen: schitterend werk. Veel boeken over haar leven en werk zijn verschenen. Jammer dat ‘Maria Sybilla Merian & dochters’ van Ella Reitsma niet genoemd is, een biografie met veel afbeeldingen van haar werk. Uit de negentiende eeuw is er niemand uit Suriname in het boek en uit de twintigste eeuw alleen Sophie Redmond, arts en schrijfster.

Hoe heeft het onderzoek dat aan de basis van dit boek plaatsvond zich afgespeeld? Is het zo’n beetje toevalzoeken geweest? Is de biografie van Nola Hatterman door Ellen de Vries niet bekend? De samenstelster Els Kloek is toch specialiste op internetgebied, in internetonderzoek? 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis is een aantrekkelijk boek, maar is het ook wetenschappelijk verantwoord?
Els Kloek (samenstelling): 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Nijmegen: uitgeverij Vantilt, 2013. ISBN 978 94 6004 141 9


woensdag 26 februari 2014

St. Martin: 2014 Black History Month Exhibitions


This year's Black History Month salutes St. Maarten, as well, Caribbean, and African-American literature, history and culture. Right: Lasana M. Sekou. Picture taken at Philipsburg Jubilee Library

zaterdag 22 februari 2014

Gezamenlijk het hoofd buigen

door Mineke de Vries

Het jaar 2013 was het jaar waarin we herdachten dat 150 jaar geleden de slavernij werd afgeschaft. In Nederland een jaar vol met tentoonstellingen en herdenkingen, met als officieel moment de kranslegging door Suriname, Curaçao, Aruba, Sint Maarten, Ghana en Nederland bij het slavernijmonument in Amsterdam op 1 juli. De tijd mag verstrijken, de aandacht voor het gezamenlijke slavernijverleden lijkt steeds meer een sense of urgency te krijgen, zo concludeert Joyce Overdijk–Fra
Joyce Overdijk-Francis; foto Mineke de Vries
ncis, bestuurslid van NiNsee, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis.


“Natuurlijk geeft 150 jaar herdenking en viering een directe aanleiding erover te praten, een moment waarop je terugkijkt naar deze geschiedenis.” Joyce Overdijk ziet daarentegen ook steeds meer openheid ontstaan om over dergelijke thema’s te praten en een bewustwording bij de nazaten. “Na al die jaren lijkt het of de tijd meer dan ooit rijp is om werkelijk te kijken naar het verleden en ons terdege te realiseren dat Nederlandse rijkdom mede is gebaseerd op uitbuiting van de medemens. We moeten niet met de vinger naar elkaar wijzen, maar het zien als gezamenlijke geschiedenis die we in geen enkele vorm moeten willen herhalen.”

Verleden omarmen
Voorheen voelde ze zich wel eens een roepende in de woestijn, maar er komen steeds meer mensen die als breekijzer dienen om aandacht te vragen, hun stem wordt steeds luider. Het aantal docenten van allochtone afkomst stijgt, er is meer vraag naar colleges over dit onderwerp, meer mensen verdiepen zich erin. “Toen ik naar Nederland kwam, was ik één van de weinigen van de Antillen. Nu zijn er niet alleen meer, er is ook meer samenwerking, integratie en de omgang onderling is anders, de drempel is lager om samen te praten.” Daarvoor is het belangrijk dat Nederlanders weet krijgen wat er is gebeurd; geschiedenislessen besteedden wel aandacht aan de Gouden eeuw, maar de slavernij die eraan ten grondslag lag, werd gemakshalve overgeslagen. Overdijk: “Pas als de ‘witten’ de slavernijgeschiedenis omarmen, krijg je draagvlak. Mensen moeten inzien dat het niet normaal is, daarvoor moet je het verleden wel kennen. Als de ‘witten’ het erkennen en de ‘zwarten’ uit de slachtofferrol stappen, komt er synergie en zie je samen het verleden onder ogen.”

Een suikerrietpers door paarden aangedreven. Uit Philippe Fermin.


Zwart-wit tekent familiegeschiedenis
Joyce zelf stamt ook af van een slavenfamilie. Generatie na generatie trekt het een rode draad door familiegeschiedenissen, ook die van haar. “Mijn overgrootmoeder was een vrijgekochte slaaf die naar de stad ging en daar jaren samenleefde met een Joodse man met wie ze negen kinderen kreeg. Bijzonder is dat deze man van rijke komaf bij haar bleef, maar deze ’minderwaardige’ tak is wel uit de stamboom van Maduro geschrapt, alsof ze nooit hebben bestaan.” De afstamming speelt telkens weer een rol in de familiegeschiedenis. “Mijn moeder trouwde ‘naar beneden’ met de zwarte Francis van St. Kitts. Er was zelfs toestemming van de bisschop nodig om een methodist te trouwen. Ik heb het gevoel dat mijn moeder er haar hele huwelijk last van heeft gehad, ook mijn vader voelde zich nooit voor vol aangezien, wat bleek uit zijn strijdbaarheid. In tegenstelling tot de gemengde huwelijken op Curaçao leek het of de Engelsen in de Britse koloniën de zwarten zo minderwaardig vonden dat ze er geen kinderen van wilden; je ziet daar meer echt zwarte mensen, nauwelijks mengingen. Het ontwikkelde wel de weerbaarheid en trots van de bevolking.” Joyces vader  kwam als achttienjarige voor Shell naar Curaçao en begon later met zijn vrouw in de Middenstraat een fietsenzaak. Hij leverde onderdelen en repareerde en breidde uit tot witgoedzaak en importeerde – naar eigen zeggen – de eerste tv’s. Mr Typewriter, zoals hij werd genoemd vanwege zijn reparaties aan typemachines was British, een Engelsman in hart en nieren; liep zonder uitzondering in tie en jacket en lichtte zijn hoed als hij goedendag zei: “Morning”. Door het huwelijk van haar ouders en later zelf in Nederland voelde Joyce zich tot twee keer toe allochtoon. “Het zwart-wit blijft spelen in onze familie. Zelf heb ik één dochter die erg ‘wit’ is uitgevallen, het lievelingetje van tante die onomwonden zei: De witten zijn toch ook mooier? Met dat ideaalbeeld zijn wij wel groot geworden.”

Slavenhuis op Curaçao


Curiosa vriendin
Overdijk-Francis ging met haar HBS-B-diploma van het MIL op zak met een Shell beurs farmacie studeren in Leiden, een studie overigens die ze niet afmaakte. Wel werd ze actief in de Antilliaanse studentenvereniging OASA. “Opeens ga je met mensen om uit families waarmee je op Curaçao niet omging; hier ben je één en heb je elkaar nodig.” Tevens was ze de eerste zwarte student binnen de vrouwelijke studentenvereniging van het corps (LVSV, Leidse Vrouwelijke Studentenvereniging). “Er waren in die tijd weinig Antillianen, ik was voor velen dan ook een soort curiosa-vriendin; mensen vonden het leuk nieuwe dingen van mij te leren, bij mij te eten. Pas in de jaren tachtig kwam een grote groep met weinig tot geen opleiding, waarvan een aantal voor problemen zorgde.” Na haar studie rechten begon de veelzijdige loopbaan van Overdijk, waarin de betrokkenheid bij allochtonen- en minderhedenbeleid, migratie en integratie centraal stond en waarbij ze trachtte op politiek, juridisch en bestuurlijk niveau buitenlanders en in het bijzonder Antillianen op de kaart te zetten.

Naast het schilderij dat de rijkdom toont wordt in een uitspraak van
 Joyce Overdijk-Francis de keerzijde getoond. Foto Mineke de Vries

Aan de vele organisaties waaraan Joyce zich in de loop der tijd verbond, valt op te maken hoeveel instellingen zich bezighouden met integratiebeleid voor Antillianen. Ze deed onderzoek naar cassatierechtspraak in de Nederlandse Antillen na de onafhankelijkheid, richtte de werkgroep Recht en Rassendiscriminatie op, was docent vreemdelingenrecht, was lid van de denktank opgericht door minister Verdonk naar aanleiding van Antillianenproblematiek, voorzitter van het Team Ondersteuning Participatie Antillianen (TOPA), deed projecten als intercultureel management. Haar loopbaan startte echter bij de landelijke vereniging voor Antillianen en Arubanen (POA), met als belangrijkste doel kennisuitwisseling en belangenbehartiging van Antillianen bij de Rijksoverheid. Later richtte ze het Landelijk Bureau Racismebestrijding op, gesubsidieerd door justitie aangezien internationaal rekenschap moest worden afgelegd over bestrijding van discriminatie en racisme. Ook stond Overdijk aan de wieg van NiNsee in 2002.
 
Suikerrietkappers
Keerzijde van de rijkdom
Afgelopen jaar ontplooide NiNsee, samen met de Gemeente Amsterdam en Stichting herdenking slavernijverleden 2013 - waarvan Overdijk ook bestuurslid is - initiatieven rond 1 juli, de dag waarop de wetswijziging afschaffing slavernij inging. Het gehele jaar, maar in het bijzonder de maanden mei, juni en juli stonden in het teken van het slavernijverleden, waarvoor iedereen projecten kon indienen. Ondanks dat er ook schepen voor de slavenhandel vertrokken vanuit Hoorn/Enkhuizen, Rotterdam en Zeeland, speelden de meeste activiteiten zich tijdens150 jaar herdenking af rond Amsterdam, dat hiervoor heel wat geld kreeg. Op het Curaçaohuis lichtte Joyce alle activiteiten toe voor de Caribische gemeenschap. “Er zijn debatten, een stille tocht langs panden van slavenhandelaren, theaterproducties, themabijeenkomsten en een groot aantal musea heeft tentoonstellingen ingericht, zoals Swart op de Gracht in het Geelvinck-museum, waaruit blijkt dat iedereen in Amsterdam profiteerde van de slavenhandel en de tentoonstelling Verrijking door uitbuiting in het Scheepvaartmuseum.” Het Amsterdams museum paste de tentoonstelling over de gouden eeuw aan in De gouden eeuw nu met zwarte bladzijde:  naast de werken van belangrijke meesters wordt in een traditionele Ghanese doek de tegenhanger van de rijkdom getoond, een uitspraak of foto geeft de keerzijde weer. Zo hangt naast een schilderij van een prachtig schip een foto van het ruim van een slavenschip. Ook in deze tentoonstelling wordt pijnlijk duidelijk dat we niet kunnen blijven doen of er niks is gebeurd.

Ook  is een internationaal symposium over culturele trauma’s georganiseerd, er is een voorouderavond, waarin wordt stilgestaan bij de spirituele en religieuze godsdienst die de tot slaaf gemaakten meenamen en die nog is terug te vinden in de maatschappij. Met de Fairwork-expositie in de Stopera wordt een bewustmaking van de moderne slavernij beoogd. “Met de focus op erkenning van ons verleden willen we de ogen openen voor moderne vormen van slavernij, want als uitvloeisel van slavernij ontstonden allerlei vormen van racisme. Het kolonialisme - zonder enig respect voor de zwarte bevolking wat het volkomen legaal maakte deze te onderdrukken - bracht het racisme voort.”
Op 1 juli zelf begon na een gezamenlijk ontbijt, de kranslegging en toespraken het  Keti Koti-festival met ’s avonds de uitvoering van de opera van Randal Corsen en Carel de Haseth. Katibu di shon.
 
Randal Corsen
NiNsee hoopt op doorstart
“Door middel van alle activiteiten beogen we een doorbraak in de geschiedenis die verteld moet worden”, zegt Joyce Overdijk-Francis. Het onderschrijf tegelijkertijd de doelstelling van NiNsee, die naast kennisuitwisseling draagvlak wil creëren voor herdenking op landelijk niveau. “Op dat laatste leggen we ons de komende jaren toe. De subsidie mag dan zijn stopgezet, wij zoeken naar een doorstart waarbij we ons toeleggen op verbreding van kennis in de samenleving, waarbij alle gemeentes worden betrokken, zodat het niet beperkt blijft tot een Amsterdamse aangelegenheid.” Maar ook wordt de aandacht verlegd van inhoudelijk onderzoek naar beleving. Een voorbeeld is het promotieonderzoek van Valika Smeulders, die vooral het menselijke verhaal vertelt.
NiNsee, vertegenwoordigd door Surinamers, Caribische Nederlanders en Ghanezen is nu tien jaar actief en in die jaren is veel bereikt: onderzoek naar de erfenis leverde informatie in de vorm van documentaires, artikelen, voorstellingen, maar leverde ook een leerstoel op en het slavernijverleden werd opgenomen in de Nederlandse Canon. Half juni werd een website gelanceerd voor middelbare scholieren om vooral de jeugd erbij te betrekken. NiNsee realiseerde tevens het slavernijmonument in het Oosterpark, waar het sinds 2002 op 1 juli de herdenking organiseert.


Joyce: “We zien dat 1 juli meer Surinamers aantrekt dan Antillianen. Surinamers beleven 1 juli heel diep, het is daar ook een vrije dag. Bij de kranslegging bij de ambtswoning van de burgemeester - de voormalige woning van een slavenhandelaar - op 1 juni waren veel Surinamers, ook in klederdracht, waarbij ze een plengoffer brachten, maar amper Antillianen.” Het heeft volgens haar te maken met het feit dat Curaçao 17 augustus de Tula-herdenking heeft. “Curaçao heeft een eigen vrijheidsstrijder, die in 1795 een slavenopstand ontketende wat hij moest bekopen met de dood: alle botten gebroken, onthoofd en in zee gegooid met de boodschap: dat is je voorland als je iets doet.” In Amsterdam brak op 17 augustus  het Grachtenfestival los. Na het herdenkingsjaar wordt het stokje overgedragen aan Zeeland, dat in 2014 Honderd jaar beëindiging slavenhandel herdenkt. Afschaffing betekende namelijk niet dat slavernij direct stopte. Dat zou nog vijftig jaar duren.
Joyce Overdijk-Francis: "We dienen samen - 
nazaten van zowel onderdrukkers als 
onderdrukten - het verleden van de slavernij 
onder ogen te zien." Foto Mineke de Vries

Moeder verkocht
In het kader van 150 jaar herdenking zijn afgelopen jaar ook debatten georganiseerd. Eén ging over het aanbieden van excuses door de Nederlandse overheid. Een ander behandelde de vraag of tienerzwangerschappen te maken hebben met de erfenis van slavernij. Sommigen vinden het vergezocht, maar het verband zou bestaan uit het feit dat ouders en kinderen nog steeds getekend worden door een gebrek aan hechting. Vaders als passanten in het leven van vrouwen en kinderen, die hun verantwoordelijkheid niet nemen, die langskomen en vertrekken. Dit is geheel andere problematiek dan bijvoorbeeld bij Marokkanen, die hun vrouwen wellicht wel onderdrukken maar waar wel sprake is van gezinsverbondenheid. Hebben Antilliaanse mannen dit niet geleerd door de slavernij? Overdijk-Francis: “We kunnen amper bevatten dat het in die tijd voorkwam dat een blanke op een feest zijn oog liet vallen op een zwarte bediende en die gewoon kocht om nog diezelfde avond mee te nemen. Niemand stond erbij stil dat ze partner was van een man, moeder van kinderen. Realiseren we ons voldoende wat het betekende als zij voor de ogen van haar kinderen werd verkocht en voorgoed verdween?”

1 juli, de grote herdenking van 150 jaar vrijheid, waar door de nazaten van slaven nog altijd in stilte wordt gehoopt op excuses. “In alle landen is dat gedaan, zelfs in Durban door de Nederlandse politiek, nooit echter in Nederland. Het aanbieden van excuses is een staatsrechterlijke aangelegenheid die kan zorgen voor erkenning.” Maar vooral als gebaar van respect en begrip zal het een enorme impact hebben op diegenen die afstammen van de onderdrukten. Samen het hoofd buigen. Joyce Overdijk: “Het zou er een prachtig moment voor zijn.”


[eerder verschenen in de Amigoe, bewerkt]

woensdag 19 februari 2014

Jong Suriname krijgt boek opgedragen

Van links naar rechts Jan Haakmat, Humphrey Lamur en minister Moestadja die over het boekwerk  West Indische Contract Arbeiders in Suriname 1863-1899 van gedachten wisselen

De jonge generatie Surinamers, en wel de groep die met de onafhankelijkheid is opgegroeid, heeft een boek opgedragen gekregen. Het gaat om West Indische Contract Arbeiders in Suriname 1863-1899. De uitgevers van dit boek zijn de Stichting Matzeliger Instituut en het Nationaal Archief Suriname (NAS) dat ressorteert onder het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Contractarbeiders bij het 'Koeli-depôt' in Suriname


Gisteren bracht één der uitgevers, de Stichting Matzeliger Instituut in de persoon van Jan Haakmat, en één der schrijvers (professor Humphrey Lamur) een bezoek aan minister Soewarto Moestadja van Binnenlandse Zaken. Er werd kort over het boek gesproken. Het is de bedoeling dat het boekwerk binnen niet al te lange tijd wordt gelanceerd. De voorbereidingen worden getroffen om president Desi Bouterse een exemplaar aan te bieden. Zowel de schrijver als minister Moestadja is blij dat er een boek is uitgegeven dat bijdraagt aan het verrijken van de kennis. De overtuiging bestaat dat dit boek een positieve impact zal hebben op de samenleving. ‘Met dit boek wordt de voet op het historische gaspedaal gehouden om de geschiedenis van Suriname in een juist perspectief te belichten c.q. te herschrijven.’ Een stuk vergeten geschiedenis van Suriname wordt door deze publicatie blootgelegd, staat in de inleiding van de pennenvrucht. Het boek is verder geschreven door mr. Norine Boldewijn en drs. Ruth Dors. Het boek is zowel in het Nederlands als in het Engels uitgekomen.
  
[van Starnieuws, 19-02-2014]

maandag 6 januari 2014

Slavernij. Een geschiedenis


door Hilde Neus

De herdenking van de afschaffing van de slavernij begon officieel op 1 juli 2013 en kan dus nog wel even doorgaan. Er is zo veel over dit onderwerp verschenen. Zeker ook de Walburg Pers heeft dit jaar nogal wat in dit item geïnvesteerd. Deze uitgeverij heeft van oudsher veel aandacht voor Suriname en een serie prachtige boeken gepubliceerd, zoals platenboeken over Maria Sibylla Merian, Stedman en Benoit. Dirk Tang, de auteur, was werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek en heeft al heel wat werk over dit onderwerp op zijn conto: diverse uitgaven van Sailing Letters Journa’/ Brieven boven water (1 t/m 5, Walburg Pers), maar ook Zwart. Het beeld van de zwarte mens in de Nederlandse illustratiekunst 1880-1980, KB.
Fabbio Fabbi - De slavenmarkt

In zijn voorwoord tot Slavernij. Een geschiedenis geeft Tang aan dat dit een van de vele geschiedenissen is die over slavernij geschreven kunnen worden. Hij brengt nuanceringen aan in het begrip, want slavernij was van situatie tot situatie anders, en kan als mensonterend kader niet overal over één kam worden geschoren. In dit koffietafelboek (klinkt raar, met zo’n onderwerp, maar wat kwaliteit van uitgave en fotomateriaal betreft wel binnen dit genre vallend) vertelt hij vooral over de betrokkenheid van Nederland bij de slavernij, en dan wel tot 1873. Het omslag geeft de ambiguïteit van het begrip slavernij goed weer. Bovenaan drie daguerreotype-foto’s uit 1850 van Amerikaanse slaven door Joseph T. Zealy met op hun gezicht het leed getekend. Uit deze serie foto’s zijn ook afbeeldingen van de ruggen bekend, waarop de ‘boom’ van littekens van de zweepslagen in de huid gegrift is. Onderop zien we een geromantiseerd schilderij van het type ‘Oriëntalisme’. Dit is het begrip waarmee de onderzoeker Edward Said de beeldvorming over het Oosten door het Westen verklaarde. Op de voorgrond mooie, blije, roddelende en zichzelf in de spiegel bekijkende meisjes op zebravellen, gekleed in vloeiende gewaden met sieraden. De hongerige blikken van de veelal oudere mannen en het ene meisje dat als een koe wordt tentoongesteld, maken dat de kijker begrijpt dat het hier om een vrouwenmarkt gaat. Het schilderij is van Edwin Long, uit 1875.
Tang schetst de slavernij vanaf de oudheid en geeft aan dat het systeem altijd heeft bestaan: volkeren trokken rond en lieten verslagen vijanden voor zich werken. Ook tijdens de middeleeuwen werden hele groepen mensen verplaatst in Europa om als lijfeigenen en horigen te werk gesteld te worden. Dat ook in de Oost slavernij een normale situatie was, blijkt wel uit de vele bronnen die Tang heeft gebruikt. Na de zeereizen van Columbus, onder invloed van de adviezen van pater De Las Casas om geen inheemse volkeren langer te knechten vanwege het hoge sterftecijfer, startte men de trans-Atlantische slavenhandel. Hierbij werden meer dan 12 miljoen mensen getransporteerd van Afrika naar de Nieuwe Wereld. In Portugal en Spanje waren ondernemers al in de vijftiende eeuw vertrouwd met de inzet van Afrikaanse slaven.

Ook in de Oost was er een levendige handel. Vooral de Verenigde Oost-Indische Compagnie is winstgevend geweest voor de Nederlandse markt. Tang beschrijft de verschillen tussen de VOC en de West-Indische Compagnie, die veel minder opbracht. Voor ons aanzienlijk minder bekend is het feit dat in de Arabische landen de slavernij ook welig tierde. De slaven werden niet ingezet op plantages, meer in de huishoudens. Er is veel minder boekhouding bewaard gebleven, maar de schattingen van transport lopen van 10 tot 18 miljoen mensen en dit doet niet onder voor de trans-Atlantische handel. In de hoofdstukken 6 en 7 komt vooral Suriname aan bod, in bijna 100 pagina’s. In veel publicaties wordt vaak gegeneraliseerd over de slavernij. In dit zeer leesbare boek kunnen geïnteresseerden kennis opdoen, vergelijken en nuanceren. En zo is dit boek een zeer waardevolle bijdrage aan de discussie over de slavernij.

Dirk J. Tang: Slavernij. Een geschiedenis. Zutphen: Walburg Pers, 2013. ISBN 978-90-5730-905-2

zondag 5 januari 2014

Geschiedenis van een handelsmaatschappij

Foto © Vasa

door Jerry Egger

De West-Indische Compagnie (WIC) heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Suriname. Ze was mede-eigenaar van het gebied en heeft ook de aanvoer van slaven vanuit Afrika gedurende lange tijd gedomineerd. Een algemene geschiedenis van deze maatschappij is dan ook relevant om zo meer te weten te komen over de vroege geschiedenis van de Europese aanwezighied op de zogenoemde ‘Wilde Kust’. De Nederlandse historicus verbonden aan de Leidse universiteit, Henk den Heijer, wordt beschouwd als een deskundige en zijn boek Geschiedenis van de WIC is al vele malen herzien en herdrukt. In 2013 verscheen de vierde druk, die voor het eerst in 1994 uitkwam. De Walburg Pers heeft er een prachtige uitgave van gemaakt met zeer fraaie illustraties van de hoofdrolspelers bij de WIC die door verschillende bekende schilders van die tijd zijn geportretteerd. Er zijn ook tekeningen van gebouwen opgenomen - vooral in Amsterdam - die een rol hebben gespeeld bij de WIC, en enkele forten op de westkust van Afrika. Verder zijn er tekeningen van Benoit en Stedman die in Suriname zeker herkend zullen worden omdat die vaker in boeken zijn gepubliceerd.

In zijn inleiding geeft Den Heijer aan dat heel wat archiefmateriaal van de WIC verloren is gegaan. Het is tekenend dat een maatschappij die veel heeft bijgedragen aan de Nederlandse aanwezigheid in Amerika op onbenullige wijze is behandeld door officiële instanties aldaar. In 1821 gaf het departement van Koloniën de opdracht om een deel van het waardevol WIC-materiaal aan een lompenhandelaar te verkopen, en in 1844 verbrandde een ander deel dat was ondergebracht bij het departement van Marine. Heel wat verspreid liggend materiaal moest worden geraadpleegd om de geschiedenis van de WIC te vertellen. Aan de andere kant geeft het boek ook weer hoe werd gedacht over de WIC. Het mocht dan wel een belangrijke onderneming zijn, maar veel heeft zij niet echt opgeleverd voor de schatkist van diverse aandeelhouders. Dit in tegenstelling tot de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) die geroemd wordt in de Nederlandse geschiedenis.
Piet Heyn

De WIC moest de tegenhanger worden van de VOC, die de handel op Azië monopoliseerde. Amerika was ook lucratief gelet op de hoeveelheden goud en zilver die Europa bereikten via Spanje. Dit idee circuleerde onder mensen in de verschillende provincies die later Nederland zouden worden. Uiteindelijk lukte het in 1621 de WIC op te richten. Den Heijer geeft een interessante beschrijving van de manier waarop de verschillende gebieden in Nederland betrokken raakten bij de Atlantische wereld. Een logisch gevolg was de poging een maatschappij op te richten die een handelsmonopolie zou krijgen op alle activiteiten die zouden worden ontplooid op de continenten rond de Atlantische Oceaan. En zo geschiedde. Het werd een combinatie van kaapvaart en handel drijven. Het meest bekende ‘succes’ was Piet Heyn die de Spaanse vloot vol zilver wist te kapen.

Den Heijer beschrijft uitgebreid het reilen en zeilen binnen de WIC. Dat maakt het boek tot een geschiedenis van een maatschappij, zonder dat de lezer veel te weten komt over de zeelieden, over het personeel in Afrika en Amerika en hoe die dachten en tegen de WIC aankeken. Af en toe is er een glimp die een beetje licht doet schijnen op de werkers, maar veel is dat niet. Het is een typische geschiedenis van bovenaf. Er wordt heel weinig van onderaf - bottom up - naar de WIC gekeken. Dat zou een ander verhaal opleveren dan in dit boek vastgelegd. De slavernij komt wel aan bod, maar dan voornamelijk vanuit de visie van de leiding. Den Heijer laat zien dat in eerste instantie de Nederlanders twijfelden of het tot slaaf maken van Afrikanen moreel wel kon. Dat liet men al heel snel varen toen de WIC delen van het noordoosten van Brazilië veroverde en inzag dat slavernij noodzakelijk was om bij het verbouwen, oogsten en verwerken van suikerriet deze vorm van arbeid op grote schaal toe te passen. Kortom, alle morele overwegingen liet men voor wat ze waren en Nederland begon zich steeds meer bezig te houden met het verhandelen van Afrikaanse gevangenen. Curaçao bleek een geschikte diepzeehaven te hebben. Gevangen genomen Afrikanen konden van daaruit verder worden verhandeld. Ook Suriname werd vooral in de achttiende eeuw - op het hoogtepunt van de plantagelandbouw - voorzien van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Dat leidde onder andere tot de ramp met de ‘Leusden’ in 1738 toen slaven vanuit West-Afrika naar Suriname werden getransporteerd. Het schip zonk voor de monding van de Marowijnerivier, maar het ruim werd dichtgespijkerd zodat de Afrikaanse gevangenen niet konden ontsnappen en verdronken. Den Heijer spreekt van een misdaad, die overigens nauwelijks punt van discussie was binnen de WIC. Waar wel over werd gesproken, was de geleden schade.

Zo laat de schrijver zien waar het bij de WIC om ging, om winsten zonder moeilijke morele vragen te stellen. De auteur laat zo genoeg ruimte om een ander verhaal te vertellen over de WIC, waarbij gebeurtenissen als die met de ‘Leusden’ meer naar de voorgrond worden gehaald.

Henk den Heijer: Geschiedenis van de WIC. Opkomst, bloei en ondergang, vierde herziene druk. Zutphen: Walburg Pers, 2013. ISBN 90-5730-891-6




vrijdag 3 januari 2014

Vonnis Cojo, Mentor en Present


door Carlo Jadnanansing

In het zojuist verschenen Surinaams Juristen Blad (SJB 2013 nummer 3) is er een interessant vonnis geplaatst uit 1833 inzake Het Politiek Ministerie ca Cojo of Andries, Mentor of Geluk en Present. Aan laatstgenoemden werd tezamen met nog zes andere beklaagden (verdachten) brandstichting ten laste gelegd. Dit laatste mag als algemeen bekend worden verondersteld. Een voor velen verrassend aspect dat in het vonnis naar voren komt, is dat de brandstichting in verband gebracht werd met een poging om het toenmalige wettige gezag omver te werpen en de staatsmacht over te nemen. Voor zover mij bekend komt dit aspect in de geschiedenisboeken die voor onderwijsdoeleinden op de Surinaamse scholen worden gebruikt niet naar voren.

Uit het vonnis blijkt dat Cojo, Mentor en Present samen met Winst en Tom gezamenlijk een kamp hadden opgezet in het 'Picornobosch' dat aan de rand van Paramaribo moet hebben gelegen. Hun werd ten laste gelegd dat zij onder het plengen van vloeistoffen op de grond een eed gezworen hadden om overal waar zulks mogelijk was, brand te stichten en zoveel mogelijk goederen te bemachtigen. Hierna zouden zij trachten zich te verenigen met andere weggelopen negers en zich met hen te verenigen en een groter kamp op te richten op een verlaten plantage aan de Boven-Surinamerivier. Op deze plantage bevond zich de bekende weggelopen slaaf Pasop die zich aldaar ophield met andere weglopers. Cojo, Mentor en Present zouden met Pasop hebben afgesproken dat zij na deze vereniging met andere weglopers (bedoeld wordt Marrons; CRJ) tegen de blanken en 'vrijlieden' zouden vechten, de stad zouden aanvallen en wanneer zij van voldoende wapens voorzien zouden zijn, zich van het land meester zouden maken. Cojo zou verklaard hebben dat wanneer zij het land hadden overwonnen, hij zich tot opperhoofd daarvan zou laten uitroepen en het land onder zijn mensen zou verdelen.

Wellicht zouden Cojo, Mentor en Present de eersten in de geschiedenis kunnen zijn die een couppoging tegen het wettig gezag hebben beraamd. Cojo, Mentor en Present werden echter na de brandstichtingen gevangen genomen en na hun berechting op barbaarse wijze terechtgesteld. Zij werden door het Gerechtshof ter dood veroordeeld en op de wijze dat zij aan palen vastgebonden, levend verbrand moesten worden.
Het vonnis werd uitgevoerd ten overstaan van het voltallige Hof, de procureur-generaal en de griffier. 

[van Starnieuws, 2 januari 2014]

dinsdag 31 december 2013

De verzwegen geschiedenis van Suriname: documentaire van Lucien Karg over prof.dr. Paul Christiaan Flu

Paul Christiaan Flu
door Lucien Karg

Omdat wij onze nakomelingen niet langer kunnen opschepen met een verwrongen geschiedenis en onwaarachtige ‘helden’ ben ik begonnen met het maken van documentaires over onze eigen Surinaamse helden. Mijn eerste documentaire heb ik in 2011 gemaakt over Surinames eerste hoogleraar, jongste arts van het koninkrijk der Nederlanden, eerste en enige Surinaamse rector magnificus van de universiteit van Leiden in 1938, eerste parasitoloog en nog veel meer, professor doctor Paul Christiaan Flu.

Deze documentaire heb ik zelf gefinancierd, omdat ik van de Surinaamse overheid (op ex-minister Celsius Waterberg na) geen enkele ondersteuning of zelfs aanmoediging gehad heb en omdat ik geen zin had om te wachten tot er een commissie benoemd zou worden die dan weer een andere commissie zou benoemen die vervolgens belast zou worden met het benoemen van een commissie die de zaak dan zou gaan bestuderen zoals dat zo vaak bij onze overheid gebeurt.
Dankzij Nardi Johanns, Georgine de Miranda, Wim Udenhout en Armand Achaibersing hebben Assuria, Staatsolie, DSBBank en Kersten Holding de documentaire gesponsord. Daarmee kon ik een deel van de kosten kon dekken. Bij deze nogmaals dank aan voornoemde personen en de heren Stephen Smit van Assuria en Glenn Sairras, Iwan Poerschke en Mark Waaldijk van Staatsolie die direct positief gereageerd hebben.

Met de verkoop van de documentaire over professor Flu kan ik helaas de kosten niet dekken voor het maken van een boek en een documentaire over de grondlegger van ons Suriname en het openbaar onderwijs in Suriname, dr. H.D. Benjamins die in 1875 op 25 jarige leeftijd in Leiden promoveerde tot doctor in de wis- en natuurkunde. In het boek en de documentaire toon ik aan dat het onderwijs in Suriname niet door Hollanders maar door Surinamers zelf opgezet en ontwikkeld is.

De researchfase op eigen kosten gedaan, is bijna afgerond. Vandaar dat ik de documentaire over professor P.C. Flu nu op internet plaats met het verzoek aan iedereen die deze documentaire ziet, het waardeert en mijn streven wil ondersteunen, om een vrijwillige bijdrage te storten op DSB-bank rekeningnummer 70.35.306 of ING bankrekeningnummer 4627170, onder vermelding van “H.D.Benjamins project”.
Ik roep ook alle Surinamers en iedereen die liefde voor ons land en volk kan opbrengen op, om mij te ondersteunen in dit streven. Dat kan door ook zelf onderzoek te gaan doen naar deze voorbeeldige Surinamers en die informatie te publiceren in welke vorm dan ook; boek, film, documentaire, website, muziek, verhalen vertellen enz.
Bent u een nazaat van de familie Benjamins, de heer Herman Daniël Benjamins of zijn vrouw Guilhermina de Gouvea of van zijn moeder Esther Monsanto (allemaal in de 19de eeuw geboren), dan hou ik mij graag aanbevolen voor eventuele foto’s, anekdotes, familie verhalen enzovoorts.
Ik ben te bereiken via lcikarg@hotmail.com.
Bij voorbaat hartelijk dank en odi.


maandag 30 december 2013

Jansen van Galen: niet-moralistisch, weinig comparatief

Rosemarijn Hoefte
door Rosemarijn Hoefte

John Jansen van Galen heeft een kwartet boeiende Surinameboeken op zijn conto staan: Kapotte plantage, Hetenachtsdroom, Het Suriname-syndroom en Laatste gouverneur, eerste president. Nu is er dan de pil getiteld Afscheid van de koloniën, waarin de auteur het Nederlands dekolonisatiebeleid onder de loep neemt. ‘Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit lang aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de onafhankelijkheid over de toekomt van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?’ (p. 18). De kernvraag is: deed Nederland het inderdaad zo beroerd als vaak wordt beweerd?

Om deze vraag te beantwoorden, heeft Jansen van Galen een wel erg lange aanloop nodig over kolonisatie en dekolonisatie in Azië en de Caraïben. Over de laat-koloniale periode merkt hij op dat het Nederlandse kolonialisme vanouds eerder gekenmerkt wordt door paternalisme, ‘waarbij men van bovenaf in detail de zaken voor de inlanders wilde regelen … dan door verstokt kolonialisme’ (p. 570). Het lijkt mij dat paternalisme (the white man’s burden) een onlosmakelijk deel is van het kolonialisme en geen separaat verschijnsel. In deze hoofdstukken buitelen de gebeurtenissen soms over elkaar heen, vooral in de wat vlakke en traditionele delen over Indonesië; in de stukken over de Antillen en met name Suriname voelt de auteur zich zichtbaar beter thuis en heeft zijn beeldende schrijfstijl de overhand. Helaas maakt hij geen verbindingen tussen de ervaringen en het koloniale beleid in Oost en West, terwijl er toch wel aanknopingspunten zijn. Zo schrijft Jansen van Galen over de ‘ethische intentie’ van gouverneur Lely’s goudspoorlijn (p. 146), zonder een duidelijke lijn te trekken naar de ethische politiek die begin twintigste eeuw opgang deed in Nederlands Indië. En in hoeverre is het beleid van gouverneur Johannes Kielstra beïnvloed door zijn ervaringen in Indië?


Na 516 bladzijden zijn we beland bij de ‘onbetaalde rekeningen’ van het Nederlandse dekolonisatiebeleid, zoals zwarte piet, de TV serie over de slavernij, de kwestie-Rawagede, de levering van Nederlandse tanks aan Indonesië, en het officiële Nederlandse beleid jegens  president Bouterse. De auteur somt allerlei episodes tot eind 2012 op, maar komt uiteindelijk niet veel verder dan te constateren dat dit de naweeën zijn van een onvoltooide dekolonisatie. Het zou interessant zijn dit soort incidenten en processen in een internationaler perspectief te plaatsen: wat zijn de Britse, Franse, Belgische, Spaanse en Portugese ervaringen op dit terrein?

De verovering van de Nieuwe Wereld


De kernvraag die de auteur in de inleiding stelt − was het Nederlandse dekolonisatiebeleid zo slecht als vaak wordt beweerd − wordt beantwoord in het laatste hoofdstuk ‘Slotsom’ (pp. 556-577). Jansen van Galen begint met de herinnering aan een interview met voormalig premier Willem Drees in 1980. Drees wees op de ervaringen van Groot-Brittannië in India/Pakistan, België in Congo en Frankrijk in Algerije en Indochina om te constateren dat Nederland het zo gek nog niet had gedaan. Jansen van Galen is het met hem eens. Met zijn verfrissende, niet-moralistische kijk benadrukt hij de onderlinge tegenstellingen en strijdigheden van het Haagse beleid. Hij verklaart fundamentele discrepanties in het beleid door te wijzen op Nederlands pragmatisme, gericht op eigen belang op korte termijn waarbij principes of algemene richtinggevende uitgangspunten geen rol speelden, ‘al werd het beleid tegenover de buitenwacht doorgaans verdedigd met een stellig beroep op beginselen’ zoals democratie, rechtszekerheid en het waarborgen van mensenrechten (pp. 564-565). Het beleid werd geschraagd door financiële afwegingen en het behoud van prestige en machtspositie. Maar in hoeverre week /wijkt dit beleid dan af van andere West-Europese koloniale machten? Ik had ook graag een diepere analyse gelezen over hoe de ervaringen met de Indonesische dekolonisatie wel of geen een rol hebben gespeeld in Suriname of in hoeverre Surinaamse ontwikkelingen de constitutionele verhoudingen tussen Nederland en de Antillen hebben beïnvloed. Van mij had het slotakkoord uitgebreider en comparatiever mogen zijn, eventueel ten koste van de voorgaande hoofdstukken.

Afscheid van de koloniën is oorspronkelijk geschreven als proefschrift, de auteur heeft er echter voor gekozen zijn promotie niet door te zetten. In deze publieksvriendelijke versie ontbreken noten en verwijzingen, maar op p. 18 wordt vermeld dat de ‘wetenschappelijke academische versie’ inclusief noten online beschikbaar is. Merkwaardig genoeg leverde de genoemde link geen hit op.

 John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën; Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam: Atlas Contact, 2013. 608 p., ISBN 978 90 254 3530 1, prijs € 44,95.

[uit Oso 2013, nr. 2]

zaterdag 7 december 2013

Nog steeds weinig wetenschappelijke publicaties

Op donderdag 5 december 2013 vond er een boekpresentatie plaats in het gebouw van de Institute for Graduate Studies and Research (IGSR). De titel van het boek is Verkenning in de historiografie van Suriname. Het boek is geschreven onder redactie van de historici Maurits Hassankhan, Jerome Egger en Eric Jagdew. Het boek is een product van de conferentie Geschiedschrijving van Suriname die in oktober 2012 werd gehouden. In het boek wordt een uiteenzetting gegeven hoe de geschiedschrijving zich vanaf 1940 heeft ontwikkeld. De boekpresentatie werd gedaan door dhr. Maurits Hassankhan. Tijdens de presentatie is naar voren gekomen dat er nog steeds te weinig wetenschappelijke publicaties plaatsvinden.

[uit Dagblad Suriname, 6 december 2013]

zaterdag 30 november 2013

Discussie rond perspectief Leusden-tentoonstelling

door Euritha Tjan A Way

Paramaribo - Econoom Armand Zunder is niet blij met de tentoonstelling Smart van een Slavenschip Scheepsramp op de Marowijne die vanaf begin november te zien is in Fort Zeelandia. De expo die in het kader van 150 jaar afschaffing van de slavernij naar Suriname gehaald is door de Nederlandse ambassade, vertelt niet de totale historie en is volgens de econoom een slachtofferverhaal.


De expositie Smart van een Slavenschip – Scheepsramp op de Marowijne maakt gebruik van audio visuele beelden en de platen vervaardigd in Nederland voor de tentoonstelling in het Scheepvaartmuseum Amsterdam. Het is een overgenomen tentoonstelling dat het verhaal van het schip Leusden vanuit een bepaald perspectief beziet.

"De geschiedenis van de tot slaafgemaakte begint bijvoorbeeld niet met slavernij. Dat is een historie van tienduizenden jaren waarin Afrikanen piramides gebouwd hebben, wetenschap ontwikkeld hebben en veel meer. De slavernij is slechts 500 jaar van die geschiedenis." Ook is volgens Zunder niet verteld dat de Nederlandse regering deels eigenaar was van het gezonken schip Leusden en dat het land rijk is geworden door slavernij en slavenhandel.

Massamoord
Volgens Zunder is ook de naam incorrect. "Het is geen scheepsramp, het is massamoord op ongeveer 700 tot slaafgemaakten. De kapitein van het schip heeft massamoord gepleegd toen hij besloot de luiken dicht te spijkeren terwijl de gevangenen nog in het ruim waren."
Ada Korbee die door de Nederlandse ambassade is aangetrokken om de tentoonstelling in Suriname op te zetten, is het eens met Zunder dat het verhaal vanuit een bepaald perspectief verteld is. "Maar het is een tentoonstelling die we hebben overgenomen van het Scheepvaartmuseum in Nederland. Hun museale belangstelling gaat dan ook uit naar het schip en we hebben wel wat kleine dingen aangepast, maar de teksten uit de panelen kunnen we niet veranderen natuurlijk."

Cultuurbeleving
Volgens Zunder is het meer dan jammer dat Suriname het besef en het geld niet heeft om zulke projecten zelf te initiëren. "Je krijgt een situatie waarbij wie betaalt bepaalt. De Nederlandse ambassade betaalt en bepaalt daarmee de cultuurbeleving in dit land. En dat doen ze op steenworp afstand van het Kabinet van de President", roept Zunder geïrriteerd.
De econoom kan het ook niet verkroppen dat kinderen die een rondleiding krijgen naast elkaar geplaatst worden om te aan te voelen hoe het eraan toe ging op zo een slavenschip. "Dat is vragen om trauma's. Dat moet je niet doen."
Zunder vergelijkt de slavernij met de Joodse holocaust wanneer hij zegt: "Zie je al dat Joodse kinderen gebracht worden naar Auschwitz en in de gaskamer geplaatst worden zodat ze kunnen ervaren wat hun voorouders hebben meegemaakt?"

Jongeren in Auschwitz, 2010


Volgens Mildred Caprino, geschiedenisdocent op het Instituut voor de Opleiding van Leraren, haalt Zunder dat uit de context. "Wat gedaan wordt, is dat kinderen gesensibiliseerd worden voor wat zich heeft afgespeeld tijdens de slavernij. Daarvoor worden didactisch verantwoorde manieren gebruikt. De Joden hebben ook hun gedenkmonumenten waar ze een steen zetten toch?"
Volgens Korbee gaat de Nederlandse ambassade geen discussies uit de weg. "Daarom komt er in de tweede week van januari een debat bij de tentoonstelling. Daar mag iedereen aan meedoen en dan komen ook de gevoelige onderwerpen ter sprake."

[uit de Ware Tijd, 29/11/2013]