Posts tonen met het label Samsom Christine. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Samsom Christine. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

De ondernemer-auteur Clark Accord

Waarom schreef Clark Accord niet over
homoseksualiteit?
door Christine F. Samsom

Afgelopen zondag, elf mei, was het alweer drie jaar geleden dat Clark Accord, de schrijver van een aantal spraakmakende boeken, op vijftigjarige leeftijd overleed. De stichting met zijn naam, de Clark Accord Foundation (CAF), die ongeveer een jaar na zijn dood onder voorzitterschap van zijn zus Mavis Accord werd opgericht, heeft de herinnering aan Clark levend gehouden en in die korte tijd veel werk verzet. Dat kwam tot uiting tijdens de lezing die de neerlandicus Jerry Dewnarain onlangs hield tijdens de ondernemersavond van de KKF en tijdens de Clark Accord-lezing door de zakenvrouw Karin Refos vier dagen later in Tori Oso.

Elke dinsdagavond worden in het KKF-gebouw lezingen georganiseerd die interessant kunnen zijn voor ondernemers. Jerry Dewnarain, secretaris van de CAF, heeft op zes mei met een powerpoint-presentatie duidelijk gemaakt dat het schrijven en publiceren van een boek of het opzetten van een stichting als de CAF net zo’n onderneming kan zijn als het opzetten van een bedrijf. Hij noemt de doelstellingen van de CAF: aandacht geven aan de literaire erfenis van Clark Accord en jongeren stimuleren om te gaan schrijven. Via de Clark Accord-lezingen, werkt de CAF aan het eerste doel. Het tweede doel probeert de foundation te bereiken door het organiseren van workshops creatief schrijven, presentaties op scholen, lesbrieven, literaire tours voor leerlingen en het houden van de ‘Clark Accord Sori Yu Talenti’-schrijfwedstrijd voor jongeren tussen vijftien en dertig jaar. De eerste wedstrijd resulteerde in 2013 in de bundel Het geheim van Ston Oso en andere verhalen, de titel ontleend aan het winnende verhaal van Hetty Amatodja die onlangs met nieuwe publicaties uitkwam.

Jerry Dewnarain. Foto © Michiel van Kempen

Jerry Dewnarain laat dan het leven van Accord de revue passeren: Als Clark na de middelbare school naar Nederland vertrekt, gaat hij verpleegkunde studeren en daarna visagie, een vak dat zich bezighoudt ‘met het accentueren van de sterke kanten van een gezicht en het camoufleren of corrigeren van de minder sterke kanten’, zegt de vrije encyclopedie ‘Wikipedia’. Is dat niet wat hij ook als schrijver zal toepassen en waaruit zijn ondernemerszin al blijkt? Jarenlang maakt hij als visagist furore in Wenen, de charmante hoofdstad van Oostenrijk en komt de modewereld hem tegen in vooraanstaande bladen als Marie Claire, Elle en Vogue. De koningin van Paramaribo, intussen vertaald in het Engels, Duits, Spaans en Fins, waarvan in 2011 de 31ste druk verschijnt. Dewnarain legt de nadruk op de keuze van Accord voor taboedoorbrekende en maatschappijkritische thema’s in zijn boeken: prostitutie in een preutse, schijnheilige samenleving in zijn eerste roman, een onmogelijk liefdesverhaal in het bos in Tussen Apoera en Oreala (2005) en gokverslaving in Bingo!, zijn derde roman (2007). Het kiezen van herkenbare, boeiende, uit het leven gegrepen thema’s en het gebruik van een eenvoudige, beeldende schrijfstijl verhoogt volgens Dewnarain het leesplezier, het aantal lezers en daarmee de verkoopcijfers, en is dat niet waar het ondernemers om gaat? Blijft één vraag bij mij hangen: waarom schreef Clark Accord - zelf gay - niet over homoseksualiteit om een ander taboe in onze samenleving te noemen?
Terug in Amsterdam legt hij zich via cursussen toe op de schrijfkunst en na veel onderzoek komt hij in 1999 uit met zijn debuutroman die al snel een groot succes wordt:


Op vrijdag negen mei herinnert de voorzitter van de CAF in haar inleiding het vooral jonge gehoor aan de lijfspreuk van haar broertje: ‘Kan niet bestaat niet!’ Osje Braumuller, bigiman fu Tori Oso, geeft aan, hoe Clark, als liefhebber van een bourgondische levensstijl én als ondernemer, heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van het culinair toerisme in Suriname. De monoloog, De gevallen vrouw bestaat niet, door Clark zelf geschreven en ooit uitgevoerd door Helen Kamperveen, wordt in Tori Oso prachtig vertolkt door Renate Galdij onder regie van Michael Austin. Zelfverzekerd, zakelijk, verleidelijk, leidt zij het publiek naar de keynote speech van Karin Refos die onder de titel ‘Jong ondernemerschap in relatie tot vrouwelijk leiderschap’ de Clark Accord-lezing verzorgt (in een outfit die Clark zeker zou zijn bevallen, als hij erbij was geweest). Met verve brengt Karin drie uitgangspunten naar voren voor de jonge schrijvers-in-spe die in spanning de uitslag van de ‘Sori yu Talenti’-wedstrijd nog even moeten afwachten. Voor succesvol ondernemerschap, ... en schrijven is ondernemen..., moet je een aantal zaken goed in de gaten houden: je moet ambitie hebben, de juiste attitude in de omgang met mensen en een goed financieel beheer. Daarnaast moet je maatschappelijk betrokken zijn en je ondernemerschap kunnen combineren met creativiteit. Je moet vasthouden aan je droom, spaarzaam zijn, discipline hebben, je kennis willen vergroten en vooral’... je moet hard werken! KAN NIET BESTAAT NIET! 

Cholera en Liefde: dezelfde symptomen

door Christine F. Samsom

Voor wie niet weet, wat voor vreselijke ziekte cholera is, wat de oorzaak is, wat de verschijnselen zijn, hoe de ziekte in de negentiende en twintigste eeuw tot epidemieën leidde met tienduizenden doden en hoe de ziekte werd bestreden, is ‘Liefde in tijden van cholera’ van Gabriel García Márquez gedeeltelijk een soort medisch handboek. Voor wie niet weet, wat echte, eeuwige liefde is, al duurt het drieënvijftig jaar, zeven maanden en elf dagen en nachten voordat die liefde echt wordt beleefd, is de roman een meesterlijk handboek over de liefde, waarin dezelfde symptomen als bij cholera moeten worden bestreden (p. 95).
De stralende ogen van een stervende geliefde uit ‘Liefde en andere duivels’ vinden we terug in ‘Liefde in tijden van cholera’. Op een nogal hilarische manier sterft dokter Juvenal Urbino, bejubeld bestrijder van de gevreesde cholera, terwijl hij zijn vrouw Fermina Daza ‘voor het allerlaatst [aankeek] met de stralendste, treurigste en dankbaarste ogen die zij ooit had gezien in een halve eeuw gemeenschappelijk leven’ (p. 69). 

De tijdelijke hoofdpersoon Urbino in het eerste hoofdstuk van het boek maakt plaats voor Florentino Arizo. Die wisseling naar de werkelijke hoofdpersoon blijkt functioneel te zijn in het geheel van de roman. Florentino blijkt al als jongeman ongeneeslijk verliefd te zijn op de toen dertienjarige, beeldschone Fermina. Alhoewel niet moeders mooiste, ongezond, miezerig, hulpeloos, met zijn brilletje, is Florentino Arizo toch populair bij de jonge vrouwen door zijn romantische vioolspel, zijn danskunst en zijn meeslepende liefdesgedichten, die allemaal alleen maar bestemd zijn voor Fermina. Haar vader ziet niets in die liefde, stuurt haar voor een paar jaar naar een tante en overtuigt er haar tenslotte van om te trouwen met dokter Juvenal Urbino. Florentino kan zijn geliefde niet vergeten, hij heeft wel ‘622’ affaires, maar blijft Fermina trouw. Weduwe geworden, wordt Fermina uiteindelijk toch veroverd door Florentino. Op het schip waar dat gebeurt, wappert de choleravlag, zodat ze ongestoord kunnen doorvaren, voor de rest van hun leven...
Het graf van de 'melaatsenpater' Petrus Donders in de
kathedraal van Paramaribo. Foto © Michiel van Kempen

Intussen laat de meesterverteller ons niet alleen weten hoe het zit met cholera en met de liefde, wij beleven met hem in zijn beeldende taal het leven in het Columbia van toen, in Parijs en het Caraïbisch Gebied. Zelfs Paramaribo wordt genoemd als plek waar de geliefde, veel talen sprekende papegaai van Urbino vandaan komt. Het is zo’n boek dat je in één adem uitleest en waarvan je daarna met moeite afscheid neemt, waaruit je allerlei wijsheid haalt, wijsheid die volgens de schrijver ‘pas komt als ze nergens meer goed voor is’! (p. 44)


Gabriel García Márquez: Liefde in tijden van cholera. Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu. Amsterdam: Meulenhoff, 10de druk, 1989. ISBN 90 290 2851 3

zaterdag 29 maart 2014

‘Anansitori zijn niet bedoeld voor kinderen’

Gerrit Barron
Interview met Gerrit Barron

door Jerry Dewnarain & Christine F. Samsom

... een opmerkelijke uitspraak aan het eind van ons interview met de kinderboekenschrijver Gerrit Barron. ‘Anansi is een oplichter, een dief. De tori over hem werden/worden verteld door volwassenen op onder andere ded’oso en zijn bedoeld als agersitori.’ We staan op het punt Tori Oso te verlaten na een twee uur durend interview waar de twee redacteuren van de Ware Tijd Literair hebben geluisterd naar de woordenstroom van deze bekende Surinamer-in-hart-en-nieren.

Vorig jaar vierde Gerrit Barron zijn veertigjarig schrijversjubileum. Wat heeft hem gestimuleerd om schrijver te worden? We hoeven ons interview niet te beginnen met de vraag: ‘Wie’s je vader, wie’s je moeder?’ Hij begint zelf te vertellen: ‘Schrijver word je niet zomaar. Het heeft alles te maken met je wordingsgeschiedenis. De ervaringen om je heen hebben je beïnvloed.’


Hij werd in 1951 geboren in Moengo in een gezin van elf kinderen uit Coroniaanse ouders, met voorouders uit onder andere India en St. Lucia. Zijn vader is werkzaam bij Suralco als security guard en in zijn vrije tijd als landbouwer. Gerrit woont als tiener midden in de ‘apartheid’, de klassentegenstellingen in het bauxietstadje Moengo van de jaren zestig. Daar vertelt hij indringend over. Met het verzet daartegen is zijn nationalistische kijk op de Surinaamse samenleving begonnen. Na het mulo - waar hij kennis maakt met het werk en de persoon van Dobru en waar hij zich al bezighoudt met het schrijven van gedichten, maar ook met toneel, dans en voordracht - vertrekt hij naar de stad om op het Algemeen Pedagogisch Instituut (API) voor onderwijzer te studeren. Hij maakt de grote stakingen van 1973 mee met als dieptepunt de dood van de vakbondsman Abaisa en publiceert in dat zelfde jaar zijn eerste gedichtenbundel, Falawatra.

In 1974 vertrekt hij naar Nederland, haalt er zijn hoofdakte en werkt als remedial teacher. Veel gezinnen verlaten in die tijd vóór de onafhankelijkheid Suriname. Hij merkt hoe de Surinaamse kinderen worstelen met het onderwijs in Nederland. Er zijn geen boeken voor hen. Voor het eerst komt het idee bij hem op om boeken te gaan schrijven voor het Surinaamse kind.


Toch debuteert Barron met poëzie voor volwassenen: Falawatra (1973), Bloeddruppels op mijn kussensloop (1975) en Surinamensje in powesi (1977). Na terugkeer in 1977 komt hij het volgende jaar uit met zijn eerste kinderboek, Een lach en een traan, mede geïnspireerd door de regisseur en poppenkastspeler Henk Zoutendijk. Sinds 1978 schrijft hij voor kinderen en wordt de meest gelezen auteur van Suriname. Een lach en een traan (1978) gaat over het alledaagse leven van kinderen in een gezin, maar Barron beschrijft het verhaal met pedagogisch vermanende vinger, zoals eigenlijk in al zijn kinderboeken te merken is. Het gezin bestaat uit vader Johan, hindostaan, moeder Thea, creoolse (wat nadrukkelijk vermeld wordt) en hun vier kinderen: een meisje van zeventien, drie jongens van respectievelijk vijftien, elf en tien. De jongsten, Harold en Kela, zijn nogal eens ondeugend en halen allerlei kattenkwaad uit. Maar alles komt steeds weer goed, want het is een leuk gezin en bij de Soravasinghs ‘wordt er meer gelachen dan boos gekeken.’

Titri en Toto (1979) is voor kinderen van de laagste klassen die net hebben leren lezen. Het is een verhaaltje over aka, Surinaamse roofvogels. Barron wil hiermee zijn jonge lezers ook bewust maken van de flora en fauna van Suriname. Via de Stichting Kinderkrant verscheen Bij Anoekoe in het dorp (1980). De twee jongens uit Een lach en een traan, Harold en Kela Soravasingh, gaan in het Surinaamse binnenland logeren en beleven er allerlei avonturen. Het is een vlot leesbaar verhaal van 31 bladzijden. De overzichtelijke bladspiegel, de duidelijke letter en niet het minst de tekeningen van Paul Woei maken dit boek aantrekkelijk voor kinderen. Er gingen meer dan 20.000 exemplaren van over de toonbank van winkels naar scholen.

Een boek voor wat oudere kinderen is Barrons Kamla en de vergulde man (1981). Oom Tapi vertelt een fantastisch verhaal aan Kamla en Astrid over de indianen en hun hoofdman Lindo - een vergulde man - en de witte veroveraar Jan Pieter Jansen. De koning is er nog steeds maar heeft zich onzichtbaar gemaakt. ’s Nachts droomt Kamla. Ze wil Lindo zoeken en wordt geholpen door de bakru (geest) Kimpo en heel wat dieren als sneki, owrukuku, aboma, anyumara, aasgier en schildpad.

Avonturen van Kira en Kisa (1984) is bedoeld voor kleine kinderen. In het bos krijgt een kapasi (gordeldier) vijf jongen in het hol van de slang. Als het bos brandt wordt een jong door een roofvogel gevangen, de moeder wordt de prooi van de jager die ook nog twee andere kleintjes vangt en meeneemt. Alleen Kira en Kisa blijven over. Ze moeten zich nu grotendeels zelf redden, graven een groot hol, zoeken eten, enzovoort. Ze proberen de twee gevangen kapasi te bevrijden, maar dat mislukt.

Het geheim van de Goslar (1984) is een spannende detective. Harold en Kela gaan bij hun oom en tante in Paramaribo logeren. Ze leren de stad kennen via een buurjongen Steven. Deze heeft een papier van de kapitein van de Goslar uit 1940. Steven vertelt over het zinken van het schip midden in de Surinamerivier toen de wereldoorlog ook naar Suriname oversloeg. Wat was er allemaal aan boord? Wat had de Duitse kapitein te verbergen? De drie jongens besluiten op onderzoek te gaan. Barron schreef met dit boek een gefantaseerd verhaal dat van historische gegevens gebruik maakt: het is een traditionele detective in Surinaamse setting. Barron verwerkte ook enkele politiek-sociale elementen. De eigen omgeving is natuurlijk iets wat de jeugd aanspreekt.

Het wrak van de Goslar in de Surinamerivier. Foto © Raw Fotografie


Opgevoed met westerse helden als Tarzan en Winnetou uit Amerikaanse kinderboeken en de olifant Babar uit de Franse kinderliteratuur, streeft Gerrit Barron doelbewust naar het creëren van eigen helden met wie Surinaamse kinderen zich kunnen identificeren in het proces van dekolonisering: Boni, Barron, Jolicoeur. Hij ziet het kinderboek als een middel om je eigen identiteit te ontdekken, trots te zijn op jezelf. ‘Daarom’, zegt hij, ‘zijn mijn boeken meer familieboeken, waarin niet alleen kinderen, maar alle gezinsleden zich kunnen herkennen.’ Nationalisme is voor Barron geen gepasseerd station. Daarin heeft Dobru hem geïnspireerd. Wie zijn wij? Kennen we ons land? Harold en Kela, de twee kinderen die in verschillende van zijn boeken voorkomen, brengt hij van het district Saramacca naar de stad: Het geheim van de Goslar, vandaar naar het binnenland: Bij Anoekoe in het dorp en naar Fort Buku in een binnenkort te verschijnen boek.

Behalve in Avonturen van Kira en Kisa gaat het ook in Titri en Toto en Het verhaal van Bati en Dew onder andere over de natuur van Suriname, maar ook saamhorigheid en medeleven spelen een belangrijke rol, zoals ook in De kinderen van Sadoema, waarin bakru-kinderen met een beperking blijken te zijn die hulp nodig hebben. Alle kinderboeken van Barron noemen is ondoenlijk. Het zijn er in ieder geval heel veel! Als extra verrassing geeft hij de laatste jaren bij elk boek een poster cadeau, als alternatief voor de Donald Duck-, Dora- en Assepoester-posters die in zoveel kinderkamers aan de muur hangen. In alles merk je het: Gerrit Barron wil kinderen én volwassenen trots maken op het eigene.

Hij is blij met het jaarlijkse Kinderboekenfestival, al spreekt hij liever van een Kinderfestival met het boek als thema. Bereiken we ons doel, namelijk van het kind een leisibakru maken? En wat doet het Minov? Barron verwijt het Minov een groot gebrek aan visie, het eigene komt in het onderwijs weinig of niet aan bod. In alle landen om ons heen worden kinderboeken van eigen bodem op school gebruikt, in Suriname niet. Het Minov is een conservatief bolwerk, waar teveel mensen zitten die ons onderwijs zien als een verlengstuk van het Nederlands onderwijs. Ten slotte, er is nog zoveel meer te zeggen over deze ‘lusumbe’ (duizendpoot). Zo heeft hij naast zijn bakru om kinderboeken te schrijven, ook spelletjes uitgegeven als Taxibo, die hier spelen. En hij heeft iets met plattegronden en landkaarten, waarin helden van Suriname een speciale plaats innemen en gebergten een nieuwe, Surinaamse naam krijgen. Zijn boodschap geeft hij ook door via zijn radiostation in Moengo, ‘Barrons Omroep Bedrijf’ (BOB).

Voor Barron geldt: ‘Sabi Su’ fosi, bifo yu kari kari ‘I love Su’!

maandag 10 februari 2014

Ingekomen reacties

door Christine F. Samsom

Dat er op een uitgesproken mening in de Ware Tijd Literair reacties komen is niet ongewoon. Daar zijn we altijd blij mee. Het betekent dat de literaire pagina goed wordt gelezen. Discussies kunnen tot meer diepgang leiden. Dat er op de ‘Srefidensi/Zelfdenken’-special van zaterdag 25 januari 2014 drie reacties kwamen was toch een verrassing.
Eva Essed-Fruin

Erg blij zijn we met de verduidelijking van Eva Essed-Fruin over Trefossa’s betrokkenheid bij ons volkslied in zijn huidige vorm, waarbij zij putte uit haar rijke ervaring. Hieronder haar reactie:

‘Jammer dat je niet even de pagina’s 101-104 van Ala poewema foe Trefossa (1977) hebt opgeslagen, waarin de totstandkoming van het volkslied wordt beschreven. Aan Henny de Ziel is nooit verzocht een Nederlandstalige strofe te dichten. De toenmalige Raad van Ministers wilde de tweede strofe van het door dominee Hoekstra geschreven volkslied als eerste gebruiken en vroeg via Frank Essed aan Henny om een strofe in het Sranan te maken, wat hij binnen enkele dagen deed. Deze door hem geschreven tekst is de officiële geworden. Omdat De Ziel de Nederlandse tekst erg negatief vond heeft hij enkele regels gewijzigd. De twee eerste en de laatste regel heeft hij gehandhaafd, de regels “Doch dat elk zich dan ook schame/ Die zijn ere maakt te schand!/ Recht en waarheid te betrachten,/ Zeed’lijk rein en vroom en vrij,/ Al wat slecht is te verachten,”, verving hij door “Hoe wij hier ook samen kwamen/ Aan zijn grond zijn wij verpand./ Strijdend houden we in gedachten:/ Recht en waarheid maken vrij:/ Al wat goed is te betrachten,”. Het woordje “strijdend” heeft de Raad van Ministers vervangen door “werkend”. De eerste strofe is hoogstens een bewerking van de traditionele tekst, waarbij de stijl van Hoekstra zoveel mogelijk is gehandhaafd. Het is beslist onjuist om Trefossa op grond hiervan stijfheid in het Nederlands te verwijten. Deze strofe is ook niet opgenomen in Ala poewema..., alleen in de commentaar.’ Tot zover Eva Essed-Fruin...

Hilde Neus. Foto © Michiel van Kempen
Neerlandicus Hilde Neus heeft zich de kritiek op de lezing van Lila Gobardhan erg aangetrokken:

‘Soms ga je naar een activiteit met bepaalde verwachtingen, maar je kunt je ook laten verrassen. Ik was dan ook teleurgesteld over de bespreking van Lila Gobardhans lezing door Els Moor. Haar bespreking bestaat uit opmerkingen over wat ze aan kwaliteit van het Sranan binnen de Trefossa-poëzie had verwacht, maar tegelijkertijd is haar artikel voornamelijk een opsomming van zaken die al eerder besproken zijn, vooral door Hein Eersel. De opdracht aan de verzorger van de Trefossa-lezing is niet uitsluitend een analyse van het werk van Trefossa. Vene zijn lezing (2011) bijvoorbeeld ging daar niet uitsluitend over en Eddy van der Hilst (2010) analyseerde werk van Johanna Schouten-Elsenhout. Aan de inleidster was gevraagd om over Trefossa en taal te praten; een brede opdracht. Mijns inziens heeft ze dat op zeer indringende wijze gedaan door vooral de dagboeken als bron te gebruiken, geheel in de traditie van haar werk als onderzoekster van archieven. Al eerder is daar kort uit geciteerd in het Mutyama-nummer over Trefossa (1990), maar die citaten werden niet binnen zo’n uitgebreide context geplaatst. Cynthia Abrahams heeft in 2010 het Trefossa-archief waartoe de dagboeken behoren mogen overdragen aan het Nationaal Archief van Suriname (NAS).
Het sterke van de lezing van Gobardhan was vooral dat ze liet zien hoe Trefossa zich als persoon al op jonge leeftijd uitdrukte op een nadenkende en zelfs poëtische wijze, die duidelijk de voorbode was van de verbinding tussen zijn levenshouding, het benaderen van talen en hoe hij daarmee omging in zijn kunst. Iemand met een andere dispositie en minder introspectie had geen sonnetten van zulke kwaliteit kunnen produceren. Zijn zwakke gesteldheid maakte dat hij alles overdacht en zijn leven zag in uitdagingen. Die is hij ook aangegaan met taal. Door het lezen van de dagboeken en de inbeddingen van citaten in Gobardhans lezing, blijkt dat hij al vanaf zijn jonge jaren worstelde en zijn producten niet uit zijn mouw schudde. Hij heeft veel moeite gehad om over kleine dingen heen te stappen, dingen die later heel wat groter bleken te zijn (zijn hartproblemen). We hebben een breder beeld gekregen van de mens achter deze grote kunstenaar. Misschien was een aantal zaken reeds bekend, maar de precaire wijze waarop de dichter daar zelf mee omging was dat beslist niet. Er zijn stromingen binnen de literatuur die een literair werk als autonoom gegeven willen zien, zonder welke biografische gegevens van de auteur dan ook daarbij te betrekken. Maar uit deze lezing bleek duidelijk hoe het leven van de man en de levenslust waarmee hij zijn problemen oppakte en er kleine dingen van maakte, zijn werk heeft getekend.’

Alphons Levens
Alphons Levens, actief lid van de Schrijversgroep ’77 en publicist, is niet blij met de opmerking van Johan Roozer tijdens de zesde Trefossa-lezing, dat er ‘weinig is gebeurd op literair gebied’ en stelt zich op achter het artikel ‘Van de redactie’: ‘Ik ben het volkomen eens met “Van de redactie. Srefidensi in de literatuur” in de Ware Tijd Literair. Ik zat namelijk op woensdagavond 15 januari 2014 (...) in het auditorium van Self Reliance en wist ook niet wat ik hoorde toen Johan Roozer dat zei.’ Waarvan akte...


zondag 9 februari 2014

Elf minuten

door Christine F. Samsom

‘Er was eens een prostituee die Maria heette’. Zo begint het boek Elf minuten van de beroemde Braziliaanse auteur Paulo Coelho, dat in 2003 verscheen. De naam Maria, voor heel veel mensen de naam van de meest bijzondere vrouw in de christelijke kerk, vaak voorgesteld als maagd ondanks dat ze de moeder was van Jezus en zijn broers. Coelho koos die naam niet zomaar voor de hoofdpersoon van dit bijzondere boek over betaalde ‘liefde’ en seksualiteit.

Maria is naar de Zwitserse stad Genève gelokt onder valse voorwendsels, zoals vrouwen heel vaak in de prostitutie terecht komen. Maar zij leert dat dat waartoe haar lichaam gedwongen wordt, los staat van haar geest. Korte dagboekfragmenten wisselen het verhaal af, waardoor de diepzinnige gedachten van Maria je weerhouden om een negatief oordeel te hebben over de uitoefening van haar beroep. Als ze uiteindelijk de liefde van haar leven ontmoet, beleeft ze seksualiteit in al haar heiligheid, zoals Coelho schrijft in zijn ‘Nawoord’. Heiligheid heeft voor hem de oorspronkelijke betekenis van heelheid.


Zoals achter Maxi Linder en haar collega’s in de Watermolenstraat in Paramaribo en achter de vrouwen op de Amsterdamse wallen bijzondere levensverhalen schuil gaan, zo wil Coelho met dit boek juist het heilige van seksualiteit benadrukken die in volledige vrijheid wordt beleefd, zonder materiële voordeeltjes, status of andere bedoelingen, die hij zeker ook in zogenaamde nette families ziet.

dinsdag 10 december 2013

Onvanzelfsprekende vanzelfsprekendheid

Joke van Leeuwen. Fioto © ANP
door Christine F. Samsom

De ook in Suriname bekende schrijfster Joke van Leeuwen hield op 24 oktober - kort voordat zij de AKO-literatuurprijs won met haar boek Feest van het begin - de Albert Verweylezing aan de universiteit Leiden onder de titel: Voor en na de vanzelfsprekendheid. Zij deed in die lezing uitspraken die ook voor ons belangrijk zijn. Als een Vlaming zegt dat iemand ‘merkwaardig’ is, dan moet je niet boos worden, want dan bedoelt hij ‘opmerkelijk’. Elk land heeft zo zijn eigen vanzelfsprekendheden, ook elke cultuur, elke religie, elk verhaal, ook elk kinderverhaal. Kinderen zijn extra gevoelig voor het omdraaien van vanzelfsprekendheden, dat heeft Joke van Leeuwen goed begrepen, gezien alle gouden en zilveren Griffels die ze in de loop van haar schrijverschap heeft verworven. Opvoeders zijn druk bezig jonge kinderen vanzelfsprekendheden bij te brengen: ‘dat een vork er is om in een stukje boterham te prikken en niet in je been, dat een sigarettenpeuk niet om op te eten is’. Van Leeuwen vindt dat kinderen teveel in een keurslijf worden gepropt, ook door de speelgoedindustrie. Kreeg het kind vroeger gewoon een zak blokken of lego, waar het zelf mee aan de slag kon, nu zijn de dozen voorgeprogrammeerd met clichés en o wee, als er een stukje kwijtraakt. Met een brandweermannetje moet je een brand blussen, het kan absoluut geen baby zijn, of een vader, laat staan een moeder. En dan blijkt ook nog dat jongetjes horen te vechten en meisjes worden beziggehouden met roze hartjes en popsterretjes.
...onaangepaste meisjes...

Toen ze ongeveer tien jaar was, begon Van Leeuwen te beseffen ‘hoeveel ideeën er als vanzelfsprekend over meisjes en vrouwen werden gedebiteerd’. Zij noemt het een ‘dressuur in onvrijheid’. Wie haar kinderboeken kent, weet dat haar hoofdpersonen vaak onaangepaste meisjes zijn die uitblinken in niet-vanzelfsprekendheden. In Een huis met zeven kamers zit Piesie op de tafel, niet op een stoel, ze heeft een rare koffer en spreekt met drie woorden. Kinderen vinden dat prachtig, zoals ze onconventionele Pippi Langkous bewonderen. Als Joke het in haar lezing heeft over de kinderboekenschrijver ‘die zich voorover buigt, lessen wil leren, het allemaal beter weet, of de lezers volgens verwachtingen wil binnenloodsen in een kleine, herkenbare wereld’ dan denk ik aan veel Surinaamse kinderboeken waarin kinderen braaf moeten zijn en gestraft worden als ze dat niet zijn. Als we alleen maar uitgaan van wat wij vanzelfsprekend vinden, dan kweken we kinderen op tot angstige volwassenen die alleen maar naäpen wat anderen zonder gevaar hebben voorgedaan.

Van Leeuwen somt dan in haar lezing een aantal tegenstellingen op en noemt daarbij boeken die niet uitgaan van het vanzelfsprekende en waarin gespeeld wordt met vaste verhoudingen: groot-klein (Alice in Wonderland), ervaren-onervaren, weten-niet weten, afhankelijk-onafhankelijk, belangrijk-onbelangrijk. Steeds worden rollen omgedraaid.
Albert Verwey

Kinderboeken moeten niet kinderachtig zijn maar kinderlijk, de schrijver moet weer worden als een kind. Er moet geen kloof zijn tussen volwassenen en kinderen, maar een brug. Ze moeten om hetzelfde kunnen huilen en lachen. De vader van Joke van Leeuwen, de bekende theoloog Gerrit van Leeuwen, schreef begin tachtiger jaren een paar artikelen over naïviteit die ik nooit ben vergeten en ik zie in de lezing van dochter Joke dezelfde inspiratie. Naïviteit heeft een negatieve klank: ‘Doe niet zo naïef!’ Maar het woord betekent ook: openhartig, ongekunsteld, ongedwongen, onbevangen, eenvoudig, puur. En dat zijn eigenschappen die elke kinderboekenschrijver zou moeten bezitten. ‘Dichter is hij die op iedere leeftijd weer kind kan zijn’, citeert Van Leeuwen ten slotte de geleerde en schrijver Albert Verwey (1865-1937), naar wie de jaarlijkse lezing werd genoemd.

* De lezing is hier na te lezen.


zaterdag 23 november 2013

‘Blijspel in vier bedrijven’: Wie is de kwakzalver?

door Christine F. Samsom

Toen mijn dynamische vriendin Ada een paar maanden geleden de laatste drie treden van haar trap met te grote snelheid benedenwaarts wilde overslaan en tegelijk ook nog uit de bocht naar links vloog, kwam ze heel ongelukkig terecht op de stenen vloer en bevond zich al de volgende dag in een ziekenhuisbed op de derde etage van het AZP met een gebroken heup en een gewicht van drie kilo aan haar voet. Ze moest al haar bezigheden ‘on hold’ zetten, lijdzaam toezien, hoe het leven voor haar compleet stilstond, een werkwoord dat normaal niet in haar vocabulaire voorkomt. Na twee weken balen besloot ze het advies van een goede vriend op te volgen, liet zich in een rolstoel het ziekenhuis uitrijden en meldde zich aan bij de Saramakaanse genezer Pakë aan de Meursweg, de bekendste dresiman in Suriname, maar ook in het buitenland een begrip.

Pakë vinden we terug op pagina 137 van het vorig jaar verschenen boek Geneeskunst? Blijspel in vier bedrijven van de chirurg-in-ruste van Surinaamse afkomst, dr. Henk Tjong Tjin Tai, een boek waarvan lezers met een voorliefde voor alternatieve geneeswijzen zullen genieten en lezers die heilig geloven in de alleenheerschappij van de reguliere geneeskunde zullen gruwen, maar bij wie hopelijk de ogen opengaan voor de mogelijkheden van de vele alternatieve vormen van de aanpak van ziektes die zich ‘buiten’ voordoen. Tjong verdiepte zich, na een lange periode normaal als (gepromoveerd) specialist te hebben gefunctioneerd, op latere leeftijd in de acupunctuur en bijbehorende fytotherapie (kruidengeneeskunde), de uit het land van zijn voorouders China stammende en daar algemeen aanvaarde geneeswijze. In zijn boek noemt hij het ‘Traditional Chinese Medicine’ (TCM). Daarnaast bekwaamde hij zich in de hypnotherapie. Hij heeft samen met een collega een praktijk in Leiden. Beide geneeswijzen worden ook in Suriname beoefend, onder andere door universitair geschoolde artsen.

Foto © Mozes Bangila

De ondertitel, Blijspel in vier bedrijven, doet een vrolijke komedie vermoeden en hij gebruikt dan ook de structuur met bijbehorende termen uit de klassieke literatuur, waaraan een blijspel moet voldoen, zoals de indeling in ‘bedrijven’, in plaats van hoofdstukken, die weer onderverdeeld zijn in ‘tonelen’, dit alles voorafgegaan door een proloog en afgesloten met een epiloog. Wikipedia zegt onder andere over het blijspel: ‘Het blijspel laat menselijke fouten zien van een belachelijke kant en houdt op die manier de toeschouwer een spiegel voor. De bedoeling van het blijspel is vooral te amuseren, maar vaak niet zonder te moraliseren.’ Na lezing van het boek zal menigeen tot de conclusie komen dat de ondertitel de lading van het boek aardig dekt, al zijn bepaalde beschrijvingen van ziektegevallen ronduit tragisch en maken bepaalde onderdelen en spelers in het medische veld volgens dit boek de geneeskunde soms tot een tragedie.

Dokter Tjong mikt met zijn boek op een aantal doelgroepen die hij in zijn proloog opsomt: 1. Patiënten en potentiële patiënten; 2. Ongelovigen, sceptici en militanten; 3. De regulier werkende arts; 4. De beoefenaar van de TCM en 5. Dr. Tjong zelf, omdat hij het als zijn plicht ziet zoveel mogelijk mensen te wijzen op deze alternatieve vorm van geneeskunde. Bij elke doelgroep geeft hij een verklaring van het waarom.
Foto © Graham Walker

In het eerste bedrijf met de titel ‘Medische Misverstanden’, in het eerste toneel: ‘De Inleiding’, legt dokter Henk uit, wat volgens hem het verschil is tussen geneeskunde en geneeskunst. Daarin herken je al direct het verschil waarover zoveel te doen is tussen veel regulier werkende artsen en de alternatievelingen: de eerste groep ziet een patiënt met een fysiek lichaam, waarvan een onderdeel niet (goed) werkt, dat volgens het reguliere leerboek en volgens bepaalde protocollen gerepareerd moet worden. De ander kijkt naar de hele mens, niet alleen zijn organen, maar ook zijn psychische, emotionele gesteldheid. Holisme is de term die daarbij steeds valt. Volgens de schrijver is daarbij niet alleen nodig wat je in je geneeskundige opleiding hebt geleerd. Ook je intuïtie, mensenkennis, betrokkenheid bij de patiënt moeten een rol spelen en daarvoor past de term geneeskunst. De reguliere geneeskunde gaat sterk uit van gemiddelden, maar mensen zijn allemaal verschillend. Het lijkt een open deur, maar door angst voor fouten en voor aansprakelijkheid houden veel artsen zich toch liever aan die ‘evidence based’ protocollen. Elke arts die daarbuiten werkt wordt dan al gauw beschouwd als een kwakzalver. Dit eerste ‘toneel’ besluit de schrijver met de opmerking: ‘Ik durf de stelling aan dat de ware geneeskunstenaars zich merendeels onder de alternatief werkende artsen bevinden.’ (p. 17)

In het tweede toneel, ‘De Ziektegevallen’, bespreekt dr. Tjong Tjin Tai achtendertig gevallen uit zijn praktijk, die allemaal na een reguliere behandeling bij hem terechtkwamen, soms weggestuurd met dooddoeners (een term die letterlijk genomen zou kunnen worden - CFS) als ‘Mevrouwtje, u zal hiermee maar moeten leren leven’, of ‘Ach ja, slijtage, meneer, ouderdom! Daar kunnen we niets aan doen.’ Dat daar wel degelijk nog wat aan te doen was, blijkt uit de bespreking. De vele medische termen in dit onderdeel worden achterin het boek in een ‘Verklarende Woordenlijst’ uitgelegd.

Achttien psychische ziektegevallen - van depressie, ADHD, fobieën - worden in het volgende toneel besproken. Reguliere medicijnen zoals antidepressiva worden volgens de schrijver te vaak voorgeschreven zonder voldoende rekening te houden met bijwerkingen. Hypnotherapie beschouwt de schrijver als een goed alternatief. Ten slotte haal ik uit dit eerste bedrijf de volgende uitspraak van de schrijver: ‘De kunst van het genezen bestaat uit het zoeken naar de juiste oplossing voor die speciale patiënt’ (p. 140).

Callandra surinamensis. Foto © Raw fotografie

Het tweede bedrijf heeft als titel ‘Medische tegenstand’, voor mij het meest tot de verbeelding sprekende en spannende hoofdstuk. In dit deel trekt de schrijver fel van leer tegen de rol van de Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) in Nederland. Je kan het zo gek niet bedenken, maar elke therapie die niet wetenschappelijk bewezen kan worden, is bij de leden van deze vereniging taboe. Tjong vergelijkt de VtdK met het religieus fundamentalisme, gebaseerd op een letterlijke interpretatie van bijbel, koran of andere heilige boeken, waarmee we de laatste jaren zo veelvuldig worden geconfronteerd. Fundamentalisme kan leiden tot sektarisme, fanatisme, onverdraagzaamheid, terrorisme, als de fundamentalist zijn normen en waarden wil opdringen aan anderen: ‘Voor deze medische fundamentalisten gelden alleen de betovering van evidence based medicine en/of de officiële boeken van de reguliere geneeskunde.’ (p. 150) De schrijver wijst er in dit verband op dat veel zogenaamde bewijzen en positieve onderzoeksresultaten zijn gesponsord door de farmaceutische industrie en achteraf vaak niet kloppen. Volgens het beroemde tijdschrift Nature deugen zelfs 89% der uitkomsten van dierproeven naar middelen tegen kanker niet. Dit soort kritiek van de schrijver op de reguliere onderzoeksresultaten komt herhaaldelijk voor. Dokter Tjong blijkt erg goed op de hoogte! Het is volgens hem onmogelijk alternatieve geneesmethoden te onderzoeken met regels uit de reguliere geneeskunde. De uitgangspunten zijn totaal verschillend. Bij hem gaat het niet om denkbeeldige gemiddelden en protocollen die op elke patiënt van toepassing zouden zijn. Er zijn geen gemiddelde patiënten, iedere patiënt is weer anders. Nog een mooie uitspraak van Tjong op pagina 165: ‘Alle wetenschap begint met verwondering.’

Reguliere geneeskunde: hoe de Amerikanen een been zetten
Foto © Detroit Press


In het derde bedrijf, ‘Medische Stand’, praat Tjong vooral over het beroep van chirurg, volgens hem het specialisme met de meeste misverstanden en dat het dichtst staat bij geneeskunst. Hij vertelt hier vooral over zijn lotgevallen als chirurg en steekt de loftrompet over de verpleegkundigen die hem regelmatig hebben gered van foute beslissingen.

Ten slotte dan het vierde bedrijf, ‘Medische Misstanden’. Ook in dit laatste hoofdstuk worden verschillende ziektegevallen uitgebreid besproken, vaak een lijdensweg in het reguliere medische circuit, inclusief wat de schrijver zelf heeft meegemaakt als patiënt. Het is geen prettig verhaal en meer dan ooit hoop je na lezing dat je nooit in handen van een specialist zal vallen die behoort tot de ‘sektariërs, antikwakkers, malloten, militanten’ van de VtdK.

Hoe het verder ging met Ada? De specialist van het AZ is tevreden. De genezing van de heup gaat prachtig! Is het de specialist, zijn het de kruiden van Pakë, is het het optimisme van Ada? Het is wetenschappelijk niet te bewijzen. Voordat Newton de wet op de zwaartekracht formuleerde, vielen de manjes al naar beneden. Ervaring is de beste leermeester. En wie is er nu eigenlijk kwakzalver?

Dr. Henk Tjong Tjin Tai: Geneeskunst? Blijspel in vier bedrijven. Leiden: uitgeverij Pagode, 2012. ISBN 978-90-819479-0-9




zondag 25 augustus 2013

‘Eindelijk VRIJ!’... ???

door Christine F. Samsom

Spannend! De kleinkinderen, Ayana en Zoë, hangen aan oma’s lippen. Ze zijn net in het binnenland geweest en hebben gezien hoe de kinderen in hetzelfde groengeruite bloesje als in de stad naar school gaan en hoe ze in de middag heerlijk ravotten in de rivier, hoe hun moeders daar de vaat en kleren wassen en maripa verwerken tot spijsolie, en hoe de kinderen helpen met stampen in de mata, hoe mannen gaan vissen, boten besturen met vracht, familie of toeristen, hoe ze van bomen met een kettingzaag planken zagen voor een huis of een boot. Ja, ze hebben zelfs een jager gezien met een echt geweer en ze snappen dat als er geen slager is, je afhankelijk bent van wat jagers aan vlees vinden.

Dus als hun oma begint te lezen over Toutu, Waka, Lodi en Nini uit het dorp Kulekule aan de Surinamerivier, die wachten op de laatste bel van het bijna afgelopen schooljaar, dan zijn ze vol aandacht. Gelukkig, de hoofdpersonen zijn alle vier ‘over’! ‘Yeeeeh, yeeeeh, vakantie!’ De prachtige illustraties in het boekje spelen een belangrijke rol: Ayana ziet dat de kinderen zijn getekend, maar de bomen, het gras, de school, de huizen, zijn ‘echt’. Ze heeft gezien, hoe die kinderen van het binnenland in hun eigen omgeving leven en ze begrijpt, hoe belangrijk het is als een oom van Nini ‘gbamba’ (vlees van zelfgeschoten kapasi en bofru) komt brengen, nadat het viertal al een paar weken geen vlees heeft gegeten.
Samen met Zoë is Ayana benieuwd wat Nini zal vinden als ze, op zoek naar leguaneneieren, iets ziet onder de kerk. Er komt een metalen kistje tevoorschijn, maar zelfs de sterke Waka kan hem niet open krijgen. Dus rennen ze naar het huis van de dominee. Maar het lukt ook de dominee niet en intussen wordt het donker en moeten de kinderen snel naar huis, want ze weten wat er thuis op de barbakot ligt... ‘Duumi u weki ee!’ (Welterusten!) roept de dominee hen achterna. ‘Sö i seei ooh!’ (U ook!) roepen de vier nog snel. Ook voor Ayana en Zoë is het bedtijd. De spanning zit erin: wat zou er in het kistje zitten?

Tja, en dan volgt de volgende avond toch wel een beetje een teleurstelling. Want in het kistje blijkt geen schat te zitten: gouden munten of een kaart die wijst waar de schat te vinden is. Zo gaat dat in andere kinderboeken. De dominee heeft brieven gevonden waarin verhalen staan van de voorouders van de Saramakaners. Nu komt er een verhaal over de slavernij en het wegvluchten van de plantages. Daarvoor zijn Ayana (7) en Zoë (5) nog een beetje te jong, en al helemaal als de vrijheid van slavernij in het boek ondergeschikt wordt gemaakt aan de vrijheid die het geloof in de Here Jezus geeft. ‘... pas als de Here Jezus jouw vriend is, ben je werkelijk vrij.’ (p. 12) Oei!
Dan brengt dominee de kinderen naar Ma Tii in Pokigron die veel kan vertellen over de geschiedenis en over de helden uit die tijd: over de jonge vrouw Pansa die op het idee kwam om rijst-aren in haar dikke vlechten te verbergen voordat ze vluchtte van de plantage; over Johannes Alabi en over Johannes King. Uiteindelijk krijgen de kinderen nog een verrassing: een schooltas met schoolspullen en... een bijbel.

Ayana en Zoë slapen allang als oma het boek dicht doet. Ze denkt aan haar eigen bevrijding, bevrijding van de dwang en het liefdeloze fanatisme van veel kerken (anti-homoseksualiteit, achterstelling van de vrouw, apartheid, goedpraten van oorlogsgeweld...). Ze kent veel Saramakaners, christenen en niet-christenen, en vraagt zich vaak af, denkend onder andere aan de vreselijke dyugudyugu anderhalf jaar geleden rond de begrafenis van Stanley Abini: ‘Moet je mensen met een bestaand geloof en de daarbij behorende vaak eeuwenoude culturele uitingen, overtuigen van het belang van een ander geloof en hen ertoe brengen hun oorspronkelijke geloof af te zweren?’

Maar het moet gezegd: Het boekje is mooi uitgegeven, foutloos, een goede lay-out met prachtige illustraties van Ginoh Soerodimedjo, met in het ‘Nawoord’ van de voorzitter, Hyacinth Bos-Halfhide, van de stichting Hosea, de uitgever van het boekje, een zin die ons van de Ware Tijd Literair goed doet: ‘Het idee van dit boekje heb ik gekregen, toen ik [...] Nederlandse kinderboeken naar het binnenland van Suriname bracht. Ik schaamde mij, omdat de verhalen in deze boekjes zo ver verwijderd waren van de belevingswereld van deze kinderen.’ Schrijfster Annelies den Boer-Aside, de kinderen van het binnenland verwachten meer van u! Maar laat kinderen vrij in hun geloofskeuze.


Annelies den Boer-Aside: Eindelijk VRIJ! Paramaribo: Stichting Hosea, 2013. ISBN 978-99914-7-228-7




zaterdag 29 juni 2013

Nieuwe kinderboeken: dat rood-wit-blauw op de voorkant is echt niet nodig

Groenhartboom op het Onafhankelijkheidsplein. Foto © Lucien Tull

door  Christine F. Samsom en Ilaya

Kinderen en beetje-kind-gebleven volwassenen zullen genieten van de fantasie waarmee Cobi Pengel in haar vijfde boek Wolkje en de groenhartboom (stichting PCOS, 2013. ISBN 978-99914-56-18-8) haar lezer(tje)s weer verrast. Wolken hebben mensen altijd gefascineerd, maar elke natuurliefhebber in ons land heeft ook grote bewondering voor de groenhartboom. Wie weet er niet in zijn buurt zo’n machtige, geelbloeiende boom te staan die ons aankondigt dat de regentijd voorbij en de grote droge tijd aangebroken is? Dat groenhartbomen kunnen lopen en vliegen, laat Cobi ons weten via de tienjarige natuurvriendin Cynthia met (tot wanhoop van haar moeder) haar laatste aanwinst, een slimme, spierwitte konkoni die als wolkje via de regenboog bij Cynthia terecht is gekomen. Haar vriendinnetje Viola die prachtige vliegers maakt en verkoopt om schoolspullen voor het nieuwe schooljaar te kunnen kopen, mag een nacht bij Cynthia blijven, en samen gaan ze midden in de nacht op stap met Mamabon. Alle groenhartbomen in de stad zijn ongelukkig over al het lawaai van het verkeer en de poku, over de uitlaatgassen, over de petflessen tussen hun wortels en mannen die tegen hun stam plassen. Van ellende en uit protest verliezen ze hun goudgele bloemen.


Maar nu klagen ook de groenhartbomen in het binnenland. Het bos wordt vernietigd door goudzoekers en daarom is er een groenhartbomen-krutu georganiseerd. Die mogen Cynthia en Viola meemaken. Vanuit de lucht zien ze de kale plekken, horen ze de jammerende bomen die zijn gekapt. Wat op de krutu wordt besproken, wat er terug in de stad met Wolkje gebeurt, hoe de petrea op het erf eindelijk is gaan bloeien... in elk geval laat het boek je nadenken over wat wij mensen de natuur aandoen. En ja, het begraven van een geliefd dier maakt ook deel uit van het kinderleven. Ik denk wel dat de schrijfster nog eens heel goed moet kijken naar de groenhartboom: Eerst vallen de bladeren af, de boom is een tijdje kaal en opeens: daar zijn die gele bloemen en als die beginnen te vallen, komen ook de nieuwe bladeren. Wel is het zo dat delen van de boom soms eerder bloeien dan andere takken. De illustraties van Leo Wong Loi Sing op bijna elke pagina geven de sfeer van het verhaal goed weer en de lay-out van Jessica Polanen is prima verzorgd. Een boek om zelf aan te schaffen en cadeau te geven.


ELF, ook uitgegeven door de stichting PCOS (ISBN 978-99914-56-16-4), is een verhalenbundel van Marja Themen-Sliggers die ons vorig jaar verraste met ‘Draken en Heksendrank’. Ook deze bundel met elf verhalen staat vol vreemde, ongewone zaken: spookhuizen, een hoofd-elf, ronddolende gestorven zielen, Sophie Redmond aan de telefoon, een sprekende uil, een boot zonder stuurman die zijn pagaai zoekt, noem maar op, de fantasie van de schrijfster lijkt onbeperkt. ‘Elf is het gekkengetal’, staat er achter op de bundel, maar zijn het gekke gebeurtenissen waar je om moet lachen? Ik vraag het aan Ilaya, vijftien jaar, vierde mulo, gezegend met een leisibakru! ‘Nou, gek...? Meer vreemd, het kan niet echt gebeuren. Er zijn mensen die erin geloven’. Het enige gekke, humoristische verhaal vindt ze dat over Stanleyyyyyy die steeds gestoord wordt door zijn luie moeder en oma om allerlei klusjes te doen, terwijl hij vliegers moet maken om wat geld te verdienen voor het nieuwe schooljaar (ja, net als Viola in Wolkje en de groenhartboom). Voor de staart van de gigantische vlieger haalt hij van de waslijn... de directoires van die ‘twee ouwe taarten’. Over het verhaal over Sharif die verliefd wordt op Aisa, een tienermoeder uit het binnenland (waarom toch het ouderwetse ‘boslandcreoolse’ gebruikt?) en daarbij het advies van zijn overleden oma volgt: ‘Altijd je hart volgen én praktisch zijn’, is Ilaya kort: ‘Dat is de realiteit’ Ze vindt het goed dat de huidige problemen van jongeren aan de orde komen: een buurjongen, door drugsgebruik zwerver geworden, een meisje met een beperking die toch kan fietsen op een driewieler, verliefdheid, de dood van een geliefde door een verkeersongeluk, stakende docenten, computerspelletjes, gierige ouders, enzovoorts. Ilaya vindt het in ieder geval een leuke bundel met afwisselende verhalen.

Het woord ‘onderwied’ over een groot erf (p. 46) begrijp ik wel, maar ik twijfel of je het zo kan gebruiken. Ook vind ik de woordkeus soms wat deftig: ‘...ze mag zich niet met vreemden inlaten’ (p. 63), dat zegt geen tiener. Gewoon ‘ze mag niet met vreemden bemoeien’. De illustraties van Samuel Woolthuis, zijn best wel apart, modern, alleen dat rood-wit-blauw op de voorkant is echt niet nodig voor een Surinaamse verhalenbundel.

zaterdag 22 juni 2013

‘Een militair werkt nu eenmaal niet met een ballpoint’

Desi Bouterse
door Christine F. Samsom

Niet alleen in ons land worden in de politiek zaken die het daglicht niet kunnen verdragen nogal eens met de mantel der liefde bedekt, zogenaamd om het grotere belang niet te schaden. Ook in het ex-moederland gebeurt dat. Vandaar de schande van archieven die de eerste dertig jaar niet open mogen. Dat is niet alleen zwak, het is ook hard, bikkelhard, onder anderen voor historici, maar ook voor nabestaanden van mensenrechtenschendingen. Rudie Kagie, momenteel redacteur van het Nederlandse weekblad Vrij Nederland, is kort na de coup van 1980 enkele maanden correspondent van NRC-Handelsblad in Suriname. Hij sympathiseert met de coupplegers, voelt een nieuw elan. Begin mei 1980 vertelt een informant hem over de dood ‘bij een mislukte contracoup’ (p. 13) van Ormskerk. Kagie heeft dan nog nooit gehoord van deze man, dus laat hij zich verder informeren. 
Hans Valk

Als hij hoort dat Ormskerk de Nederlandse nationaliteit heeft, belt hij met niemand minder dan Hans Valk, militair attaché op de Nederlandse ambassade. Ja, die kennen we toch? Heeft die de onderofficieren niet geadviseerd inzake de coupplannen voor 25 februari? Valk weet ervan, maar zegt dat hij geen uitspraken kan doen zonder de ambassadeur te raadplegen. Kagie belt daarna met Jozef Slagveer, woordvoerder van de Nationale Militaire Raad, met wie hij een goede relatie heeft, maar die nu heel vreemd reageert, hem vraagt waar hij die informatie vandaan heeft en hem aanraadt zich er verder niet mee te bemoeien om problemen te voorkomen. Het wantrouwen van de journalist is gewekt en wordt nog groter als ook in Nederland de dood van Ormskerk onder de pet wordt gehouden, ‘mogelijk gevoed door neokoloniaal schuldbesef’ (p. 9). Je kan zeggen dat uit dat wantrouwen uiteindelijk vorig jaar het boek Bikkel, het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime voortkomt.
De militaire coupplegers van 1980

Kagie wordt om half twee ’s nachts gesommeerd om naar de kazerne te komen en daar wordt hij onder felle bedreigingen ondervraagd over zijn bron. Hoe hoog is de prijs van een primeur in de journalistiek, een spagaat tussen de vrijheid van het beroep en de dreiging om opgepakt te worden? Op advies van de Nederlandse ambassade vertrekt Kagie diezelfde avond halsoverkop via Cayenne, Belém en Rio naar Nederland. Uit het boek blijkt dat de moord op Ormskerk hem blijft bezighouden en hij begint een lange zoektocht naar de persoon van Frederik Ferdinand Ormskerk (1923-1980), bijgenaamd Bikkel, naar zijn onstuimige leven en naar de omstandigheden waaronder hij omkwam. Hij interviewt tientallen mensen, met wisselend succes. Het boek leest om die en meerdere redenen als een trein voor degenen die inzicht willen krijgen in de recente geschiedenis van ons land, maar ook al het een en ander weten van die andere ex-kolonie, Nederlands-Indië, nu Indonesië.
Fred Ormskerk

Ormskerk was de zoon van een scherpschutter bij de koloniale troepen die ‘Swalanja’ (zure oranje) werd genoemd, omdat hij altijd boos keek, die na zijn pensioen landbouwer was geworden in het district Para. Fred woonde daarom als kind vanwege het onderwijs bij een tante in de Heerenstraat. Hij wordt omschreven als een durfal. Het zal dan ook niemand verbaasd hebben dat hij zich in de Tweede Wereldoorlog als jonge man aanmeldde bij de Schutterij. Van 1944 tot ’51 zat hij bij de KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, in Australië en Indië. Later vertelde hij trots over zijn belevenissen in het zelfstandig wordende Indonesië, waar Nederland met politionele acties probeerde die onafhankelijkheid op vaak wrede manier tegen te houden. Dat Ormskerk daar trauma’s aan heeft overgehouden, staat voor zijn dochter Silvia, psycholoog in Duitsland, vast. Voor pacifisten onder de lezers van Bikkel... zijn de details over de wreedheden alleen maar een bevestiging van hun levenshouding om legers en bewapening af te wijzen. ‘Krijgsromantiek’ wordt dat genoemd. Brrrr!

De TRIS in actie in Suriname

Ook TRIS’ers, Nederlandse dienstplichtigen die dienden bij de TRoepenmacht In Suriname (TRIS) vóór de onafhankelijkheid komen in Bikkel... aan het woord. Velen hebben Ormskerk gekend. Hij wordt omschreven als ijzervreter, driftkop, bloedfanatiek, streng maar rechtvaardig, keihard voor zichzelf (en zijn negen kinderen...), spartaans, militair in het kwadraat, uitzonderlijk sterk! Na het vertrek van de TRIS in 1975 treedt Ormskerk in dienst van de gloednieuwe Surinaamse KrijgsMacht, SKM, maar hij vindt dat de bevelhebber, kolonel Elstak, er een rommel van maakt. En hij is niet de enige. Elstak wordt door velen een grappenmaker genoemd. De verhouding tussen Elstak en de (onder)officieren verslechtert al snel. Door persoonlijke omstandigheden vertrekt hij in 1979 met pensioen naar zijn gezin in Nederland. Maar deze militair-in-hart-en-nieren kan in een keurige rijtjeswoning niet wennen en zijn opvoedingsmethoden worden hem door zijn vrouw ook niet in dank afgenomen. Zij noemt hem ‘totaal verslááfd’ aan het leger en zó streng voor de kinderen dat die blij waren als hij er niet was (p. 54).

Als hij hoort van de coup van 25 februari 1980, is hij eerst heel enthousiast: Zijn jongens hebben het toch maar voor elkaar gekregen! En is hij niet een god voor die jongens? Hij belt met Suriname in de verwachting dat ze hem daar goed kunnen gebruiken, maar Bouterse zit niet op hem te wachten. Volgens auteur Kagie moet er toen iets in Ormskerk geknapt zijn en wordt hij van medestander tegenstander. Als hij na een aantal geheimzinnige besprekingen met andere tegenstanders van de NMR in Nederland plotseling zijn gezin meldt dat hij er even ‘tussenuit’ moet, is zijn vrouw blij. Ze heeft hem niet meer levend gezien.
Henk Chin A Sen

Een paar dagen later duikt hij op in Frans-Guyana, reist via Albina naar Paramaribo, wordt gearresteerd met al zijn coupplannen in zijn bagage en bij de ondervraging zodanig mishandeld dat hij overlijdt.

Kagie beschrijft indringend de houding van Nederland: Sinds de coup was er verdeeldheid binnen de Partij van de Arbeid, de dood van de Nederlander Ormskerk zat de politici dwars. De zittende regering echter besloot tot stille diplomatie om de regering Chin A Sen niet te hinderen in haar poging de democratie te herstellen. Wat Nederland niet door had, was de heftige richtingenstrijd tussen links en meer gematigd binnen de NMR en tussen de NMR en de regering Chin A Sen.
Enkele opvallende uitspraken in het boek: Oud-beroepsmilitair en topatleet Sammy Monsels over Ormskerk: ‘een bikkelharde commando die de pech heeft dat hij in een te soft leger terecht is gekomen.’ (p. 66) Eva Essed-Fruin, weduwe van Frank Essed: ‘De houding van de Nederlandse overheid was teleurstellend.’ (p. 163) D.D. Bouterse: ‘Wij zijn militairen. Wij marcheren links, rechts, links, rechts’, naar aanleiding van de zwabberende politieke koers van het militair gezag. (p. 171) Michel van Rey: ‘Bouterse zit opgesloten in permanent politieke gevangenschap... Hij leidt niet, hij wordt geleid en hij lijdt.’ (p. 184) Laurens Neede: ‘De militaire discipline is een totaal andere dan in de burgermaatschappij’ en ‘een militair werkt nu eenmaal niet met een ballpoint.’ (p. 186) De auteur Rudie Kagie zelf ten slotte: ‘De zwartste bladzijden uit de geschiedenis zijn meestal de leerzaamste.’ (p. 200)

Rudie Kagie, geheel links, signeert zijn boek Bikkel...


De ondertitel van het hier besproken boek luidt: Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime. Ik vraag mij na lezing van het boek af: was de moord op Ormskerk wel een politieke moord? Volgens de mensen die Ormskerk hebben gekend en die in het boek worden geciteerd, heeft Ormskerk zelf gezegd dat militairen zich niet met regeren moeten bezighouden. Regeren is politiek bedrijven. Als militair heeft hij de tegencoup willen plegen om de democratie terug te brengen en hij is daarvoor op militaire manier, wegens verraad, gestraft, zo gezegd een uit de hand gelopen ongeval binnen het militaire bedrijf...

Wat ik Kagie wil nageven: hij maakt niet zoals veel Nederlandse journalisten, de fout om de betweter te spelen, hij laat daarentegen heel veel betrokkenen aan het woord. Dat maakt dit boek alleen maar geloofwaardiger.

Rudie Kagie: Bikkel, het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime. Amsterdam: uitgeverij Bert Bakker, 2012. ISBN 978 90 351 3756 1


zaterdag 25 mei 2013

‘Waar de blanke top der duinen’

Chimamanda Ngozi Adichie: ‘Het gevaar van één enkel verhaal’

door Christine F. Samsom

Een collegezaal in Oxford-GB, met een paar honderd, afwisselend ademloos luisterende, schaterlachende en ontroerde toehoorders. Op het podium een prachtige, jonge vrouw, de in 1977 in Nigeria geboren schrijfster: Chimamanda Ngozi Adichie. De lezing is georganiseerd door de TED-conference en kan onder andere hier bekeken worden. TED staat voor Technology, Entertainment, Design en heeft als motto ‘Ideas worth spreading’ oftewel ‘Ideeën die het waard zijn verspreid te worden’. TED-conferenties worden sinds 1984 - eerst in Californië, maar nu over de hele wereld - gehouden, waarvoor sprekers worden uitgenodigd die iets te zeggen hebben, die nieuwe ideeën of projecten meer bekendheid willen geven. In achttien minuten mogen ze dat doen en Chimamanda doet het in 2009 op sublieme wijze.

  
Chimamanda Ngozi Adichie
Ze begint met te vertellen over haar jeugd en haar grote bakru voor lezen en schrijven, over de Engelse en Amerikaanse kinderboeken die ze las en over de verhaaltjes die ze vanaf haar zevende voor haar moeder schreef en tekende, waarin alleen witte mensen met blauwe ogen voorkwamen, die appels aten, ginger-ale dronken, in de sneeuw speelden en over het weer klaagden. Op de achtergrond hoor ik Dobru zeggen: ‘De Rijn komt bij Lobith in ons land’, met de klemtoon op ‘ons’ en ‘De Batavieren zijn onze voorouders’, met de nadruk op ‘onze’. Vandaar de wrange grap die lang onder Surinamers in Nederland de ronde deed: ‘Ben jij wel eens in Zuid-Amerika geweest?’

Chimamanda denkt dus in haar kinder- en tienerjaren dat boeken over vreemdelingen moeten gaan en over situaties die in haar land niet voorkomen, waarmee ze zich niet kan identificeren. Totdat ze Afrikaanse schrijvers als de onlangs overleden Chinua Achebe en Camara Laye ontdekt en ‘een mentale verandering’ van haar inzicht in literatuur beleeft. Ze zegt letterlijk in haar toespraak: ‘Wat de ontdekking van Afrikaanse schrijvers voor mij deed, was dit: Het heeft mij gered van het hebben van één enkel verhaal van wat boeken zijn.’
Mariah Carey

Als Chimamanda in de VS gaat studeren, realiseert ze zich dat heel veel mensen ‘het gevaar van één enkel verhaal’ niet inzien. Dat gevaar zit hem in gebrek aan kennis, vooringenomenheid en macht. Ze geeft in haar lezing een aantal voorbeelden van één enkel verhaal: haar Amerikaanse kamergenote op de campus van de universiteit complimenteert haar met het perfecte Oxford-Engels dat Chimamanda spreekt, is teleurgesteld als Chimamanda een fan blijkt van Mariah Carey in plaats van de muziek van haar ‘stam’ te draaien, verbaast zich erover dat Chimamanda op een fornuis kan koken en denkt dat Afrika één land is, waar alleen maar ellende en misère is, in plaats van het op één na grootste werelddeel met meer dan vijftig onafhankelijke landen, waarvan Nigeria met 170 miljoen inwoners tot de grootste behoort en waar behalve die miserabele armen ook gewoon ontwikkelde, kunstzinnige, belezen mensen wonen, waar een geweldig gevarieerde muziektraditie bestaat en een omvangrijke filmindustrie: Nollywood. Het enige dat de medestudente voelt als ze over Afrika spreekt, is ‘neerbuigend, goedbedoeld medelijden’.

Maar Chimamanda zelf schaamt zich ook over haar eigen vooringenomenheid als ze een bezoek brengt aan Mexico. De Amerikaanse media hebben zo’n eenzijdig beeld geschapen van Mexicanen als één enkel verhaal over ‘mensen die het gezondheidssysteem zitten te flessen, stiekem de grens oversteken, gearresteerd worden aan de grens, dat soort dingen.’ Die mening herziet ze radicaal als ze met gewone Mexicanen te maken krijgt. Wat Chimamanda heel duidelijk maakt in haar toespraak: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad, dat het onmogelijk is om een goed contact te hebben met een plek of persoon zonder verbondenheid met alle verhalen over die plek en die persoon. De consequentie van het enkele verhaal is dit: Het ontdoet mensen van hun waardigheid. Het belemmert onze erkenning van menselijke gelijkwaardigheid. Het benadrukt hoe verschillend we van elkaar zijn eerder dan hoe gelijkwaardig.


Hoe verhalen verteld worden, wie ze vertelt, wanneer ze verteld worden, hoeveel verhalen er verteld worden, dit alles is werkelijk cruciaal, ook in het onderwijs. Nog één keer Chimamanda Adichie: ‘Telkens als ik thuis ben, word ik geconfronteerd met de gebruikelijke oorzaken van irritatie voor de meeste Nigerianen: onze gebrekkige infrastructuur, onze mislukte regering. Maar ook met de ongelofelijke veerkracht van de mensen die opbloeien ondanks de overheid, eerder dan dankzij.’ Komt dat niet bekend over?

Het ministerie van Onderwijs heeft de macht om ons onderwijs te verbeteren. Wat is de bedoeling van de deskundigen (?) van de taskforce voorbereiding onderwijsinnovatie en het Basic Education Improvement Program (BEIP) die taalboeken uit Nederland laten komen die qua inhoud niet mogen worden aangepast aan de belevingswereld van het Surinaamse kind? Moeten onze kinderen weer gaan zingen ‘Waar de blanke top der duinen’ met als refrein ‘k Heb u lief, mijn Nederland’? 

vrijdag 29 maart 2013

Het heilige van vrijen

door Christine F. Samsom

Het zal wel aan mij liggen, maar de boeken van de hedendaagse, Braziliaanse bestseller-auteur Paulo Coelho (1947) die blijkbaar duidelijk voorzien in de spirituele behoeften van miljoenen mensen in dit post-religieuze tijdperk, spreken mij niet zo aan. Een uitzondering daarop is het in 2003 verschenen Elf minuten. Deze titel en de eerste zinnen maken nieuwsgierig: ‘Er was eens een prostituee die Maria heette. Moment. Met “er was eens” begin je een verhaal voor kinderen, terwijl “prostituee” een woord is uit de wereld der volwassenen. Hoe kan ik een boek schrijven met een dergelijke, ogenschijnlijke tegenspraak meteen in de eerste regel? Maar ach, omdat we ons hele leven met de ene voet in een sprookje staan en met de andere in een afgrond, zullen we deze beginregel maar handhaven.’

De titel Elf minuten slaat op de tijd die een man gemiddeld nodig heeft om klaar te komen bij een prostituee. Het doel in het leven van de hoofdpersoon Maria is, zoals ze al op haar zeventiende in haar dagboek schrijft: ‘de liefde te begrijpen’ (p. 26). Op vakantie in Rio ontmoet ze een Zwitser die haar een baan aanbiedt als nachtclubdanseres in Genève en haar daarbij een hoge verdienste in het vooruitzicht stelt. Heen en weer geslingerd tussen wantrouwen en haar zucht naar avontuur, kiest ze voor de reis naar Europa. Slachtoffer van vrouwenhandel, want dat blijkt de baan te zijn, voelt ze zich echter niet. Fragmenten uit haar dagboek komen in het hele boek voor, waardoor het verhaal over het leven van Maria heel persoonlijk wordt en de lezer merkt dat Maria haar gevoel van eigenwaarde niet verliest, integendeel. Ondanks die elf minuten, blijft seks voor Maria iets raadselachtigs, totdat ze een kunstschilder ontmoet met wie ze het heilige van seks ontdekt: Ze is in zijn ziel geweest!

Paulo Coelho: Elf minuten, vertaling: Piet Janssen. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003. ISBN 90 295 0976 7

donderdag 21 februari 2013

Liber Amicorum Els Moor


Ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag heeft Els Moor een vriendenboek gekregen. Het werd haar officieel aangeboden op zondag 22 juli van het afgelopen jaar ten huize van Hilde Neus, die samen met Jan Bongers de redactie voerde van het boek. De titel is Uitlandig. In het nawoord zeggen de samenstellers: Ze is van hier, hoewel ze voor sommigen altijd een uitlandige blijft.

Els Moor betekent veel voor de literatuur in Suriname. Het is dan ook een bundel over en met literatuur in 22 nieuwe bijdragen, allen zeer passend in de Surinaamse context. De bijdragen zijn geschreven door Jannus H. Mulder, Lila Gobardhan-Rambocus, Marja Themen-Sliggers, Joop Vernooij, Thea Doelwijt & Marijke van Geest, Ed van den Boogaard, Ismene Krishnadath, Michiel van Kempen, Cynthia Mc Leod, Wim Rutgers, Robertine Romeny, Jerry Egger, Hilde Neus, Cobi Pengel, Jerry Dewnarain, Anne Huits, Guus Rekers, Ellen Ombre, Christine F. Samsom, Anne Marie Uhlenbeck, Marieke Visser en Jabón. Het omslag is van Nicolaas Porter.

 Els Moor was er erg blij mee.

Voor meer informatie over de artikelen en de bundel: Hilde Neus: heneus@sr.net
ISBN 978-99914-7-186-0

Els Moor op het Kinderboekenfestival 2012. Foto © Schrijversvakschool Paramaribo