Posts tonen met het label Ashetu Bernardo. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ashetu Bernardo. Alle posts tonen

zondag 13 april 2014

Ashetu in Indië

door Klaas de Groot


Onlangs verscheen bij uitgeverij Rubinstein in Amsterdam  een forse en mooi uitgevoerde bloemlezing: Album van de Indische poëzie. De samenstellers Bert Paasman en Peter van Zonneveld hebben daarin heel wat ‘Oost-Indische’ liedjes en gedichten bij elkaar gebracht en verdeeld over tien rubrieken. Gelukkig is ook Nederlandstalig Indonesisch werk opgenomen. De makers van al deze  verzen komen uit diverse windstreken, dat spreekt vanzelf.

Één van de auteurs komt zelfs uit West-Indië. Cola Debrot is aanwezig met het sonnet ‘Indisch meisje’, dat is vermoedelijk uit 1936. Debrot zelf bundelde het nooit. Oversteegen nam het wel op in deel 2 van het Verzameld werk.

Indisch meisje

Het innig beeld van haar mij bijgebleven
heeft zich vermengd met laatre werklijkheden.
Tot mijn geluk. Want anders was mijn heden
zeer vaal, o, niet zo glinsterend doorweven.

Ik immers ben geland op vele reden
waar eerst de palmen uit de verte wuiven.
Men ziet daarna de grote stofwolk stuiven
tussen de mensen, wrang en ontevreden.

Zij was zo jong. Zij had zulk lieve handen.
Zij kwam uit Padang en sprak van Indië
met de verschrikte ogen van een hinde
alsof zij in het ver groen land belandde
waar zij steeds mij, ook ik steeds haar beminde…
Dit land is, wreed verwoest, niet meer te vinden.

De samenstellers van de bloemlezing hebben dit gedicht in de tiende rubriek ‘Waar is mijn lief Batavia gebleven?’ ondergebracht. Zij hadden het net zo goed in de zesde rubriek kunnen plaatsen. Die behelst het materiaal over ‘Liefde, erotiek en seks’. Oversteegen schrijft namelijk in het eerst deel van zijn biografie  over Debrot dat het gedicht is geënt op een Nijmeegse jeugdliefde. Het meisje moet Amy geheten hebben.

Het mooie van bloemlezingen is dat iedere lezer altijd nog wel iets weet dat er ‘gemakkelijk’ bij gekund had. Paasman en Van Zonneveld  vragen gelukkig  ook expliciet in hun ‘Woord vooraf’ om aanvullingen. Een passend gedicht lijkt mij ‘Baleh-baleh’ van Bernardo Ashetu, ook een West-Indisch dichter.  Een groot dichter, maar helaas: verborgenheid kleeft hem aan. Het vers staat in de bundel Yanacuna van 1962. Een bundel die onder redactie van Cola Debrot verscheen in de reeks Antilliaanse Cahiers.


Baleh-baleh

Och, dat ik rijk ware
dat ik water had
en land
en wolken,
dat ik rijk ware
en de macht had
om zon en duister,
bloed en adem
te zetten naar mijn wil –
Och, dat ik rijk ware
en het beter had
alleen maar om lang te rusten
om lang en zoet en lang
te rusten een baleh-baleh
met klamboe van rode zijde

Dit gedicht past niet alleen vanwege de titel in het Album, maar vooral ook omdat Ashetu werkt met een wending van Multatuli. In diens Max Havelaar staat de bekende parabel ‘De Japanse steenhouwer’ met daarin de volgende zinnen:
‘Hij zuchtte omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: och dat ik rijk ware om te rusten op eene “baleh-baleh” met “klamboe” van roode zijde.
En er kwam een engel uit de hemel, die zeide: U zij gelijk gij gezegd hebt.
En hij was rijk. En hij rustte op eene baleh-baleh en de klamboe was van roode zijde’.
(Geciteerd naar de editie van Stuiveling, Amsterdam 1966 / 7, Van Oorschot).


De verbeelding van Ashetu zal misschien wel aangestoken zijn door één van zijn lievelingswoorden: rood. Maar is meer. De ik in het gedicht van Ashetu wil meer hebben dan de steenhouwer, voordat hij rust neemt. Opvallend is dat in het gedicht niet staat ‘rusten op een baleh-baleh’. Zoals Multatuli wel schrijft, en wat in de context past . Misschien zit daar het idee achter dat bij Ashetu de ik ook de rustplek wil zijn en de rust zelf, niet alleen de rustzoeker. Dus  alles wil. Waarmee Ashetu Multatuli naar zich toe haalt en hem gebruikt om de eigen stem te laten horen. Het geeft niet onder welke palmen, Surinaamse of Indische.

zondag 30 maart 2014

Ashetu in Paramaribo

door Klaas de Groot

Vanuit de tuin van het guesthouse Downtown Oasis, aan de Jessurunstraat,  heeft men goed zicht op een zijgevel van de Hendrikschool. De shutters van de lokalen staan meestal open, in afwachting van een verfrissend briesje. In de school liggen voetstappen van zeer veel Surinamers die hun sporen verdiend hebben in de geschiedenis van het land. De dichter Bernardo Ashetu is er één van. Misschien heeft hij in één van de lokalen wel gezien wat hij in de opening van het gedicht  ’t Schoolbord beschrijft:

’t Schoolbord
werd groter en kleiner
werd bijna een cirkel
werd uit zijn rechthoekige
benauwenis gerukt.
[…]
Deze zin geeft een treffend voorbeeld van een ontregelende blik op de wereld. Een blik die Ashetu maakte tot de bijzondere dichter die hij is geworden. Dat ik zong heet de bloemlezing waarin het gedicht is opgenomen.

De voordeur van de school is aan de Henck Arronstraat , ex-Gravenstraat. Waar vroeger de schoolkinderen alle ruimte hadden, staat het nu vol auto’s. Welke kant liep Ashetu op, in de tijd dat hij alleen nog voluit Hendrik George van Ommeren heette? In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw.

Foto © Ridi Klinkhamer


Vaak zal hij de Waterkant opgezocht hebben. Het water van de Surinamerivier en schepen die daar voeren, moeten hem, die later marconist werd, aangetrokken hebben. Een makkelijke route loopt door de Mr. J.C. de Mirandastraat. Dan was en ben je snel bij de rivier. Of hij ging door de Watermolenstraat, richting De Waag en de Platte Brug. Een brug die nu met recht plat heet, nu de Wijdenboschbrug, in de volksmond de Bosjebrug genoemd,  in de verte opbolt. Wie die laatste straat  richting rivier uitloopt, komt bij De Waag. Daar heeft men ‘s avonds helder zicht op de lichtjes aan de Commewijnekant, bij Meerzorg. Een uitzicht dat Johan van de Walle in 1942 lyrisch maakte. In zijn boek Een oog boven Paramaribo schrijft de laatste over het betoverend schijnsel van de maan op het water: ‘Nooit zal ik dat ogenblik vergeten. Als met miljoenen kleine lampjes begon die grote, zacht vloeiende rivier te schitteren en te fonkelen. Zelfs de overzijde van het brede water werd zichtbaar en het leek wel of de wazige bomen aan de overkant niet op het land maar in een geheimzinnig moeras stonden dat zich eindeloos ver uitstrekte.’  Van de Walle ziet dit vanuit de Saramaccastraat. Dus vlakbij de Platte Brug. In 1942 was Ashetu / Van Ommeren dertien jaar en in de buurt.
Was het deze brug die Ashetu ‘zag’ toen hij het schitterende gedicht ‘Wacht lang’ schreef. Het staat in Dat ik zong en in Dat ik je liefheb (2011).

Kleed je aan
en wacht bij de brug.
Wacht lang.
Wacht tot de eerste ster opkomt.
Dit huis zal leeg zijn
en de hele straat zal leeg zijn.
Roep m’n naam
en houd rekening met een kleine
beweging in de modder langs de
gracht en wacht tot ’t licht
van alle sterren de hemel mooi
en bedwelmend heeft gemaakt.
Wacht op me bij de brug.
Wacht lang.

Foto © Klaas de Groot

De marconist Van Ommeren heeft Paramaribo lang geleden verlaten maar de dichter Ashetu niet. Wie vanaf één van de bastions van Fort Zeelandia naar de rivierbocht achter het fort kijkt, met het oog van de dichter, ziet daar een schip liggen. Het is de Aldebaran. Waarschijnlijk genoemd naar de rode ster met dezelfde naam. In het gedicht speelt dus de kleur rood een rol. De kleur die zo vaak in de gedichten van Ashetu voorkomt. Net zoals de roos. Een bloem die de kleur rood oproept, terwijl het woord roos vlak naast het woord rood ligt. Een woordenspel dat ook typerend is voor deze dichter. Het schip ligt in golvend, wiegelend water dat grote aantrekkingskracht heeft.

De ‘Aldebaran’

Pitha roffel

roffel
om de zeilen

want het schip
ligt
voor de hoek
vol
golvend water

met een roos-
neen
en wiegeling
in een
grote magneet.


Dit gedicht staat alleen in het bundeltje Marcel en andere gedichten, dat in 2002 te Paramaribo verscheen bij uitgeverij Okopipi. Het werd net zoals Dat ik  je liefheb samengesteld door Michiel van Kempen. Het boekje is een krachtig bewijs dat Ashetu aanwezig is in Paramaribo. Begin maart 2014 staan er op de poëzieplank van Boekhandel Vaco in de Domineestraat nog twee exemplaren. Ze zijn inmiddels verkocht. Daarvoor in de plaats is Dat ik je liefheb achtergelaten in een tweedehands boekwinkeltje op het Kerkplein, niet ver van de Hendrikschool.

vrijdag 3 januari 2014

Bernardo Ashetu - Triwili

Gehaaide Pappenheimer.
En dan was er dat fijn rood
poppetje gecreëerd op de
grasvelden van Zürich.
Een glimmend vliegtuig bracht
haar naar Buenos Aires weg
terwijl hij worstelde met z'n
eeuwig mes en z'n rekkende
droom van gouden bergen.


[uit een titelloze, ongepubliceerd gebleven bundel]

Foto © Carla Monchen


dinsdag 31 december 2013

Bernardo Ashetu - Awine

Intel
van mijn mobiele s.

Zoals ik nu zit
noemt men mij boertig.

Daarom neem ik de l
uit de lawine weg.


[uit de ongepubliceerde bundel Falélis]

Foto © Howard Winsling

donderdag 12 december 2013

'Muziek laat poëzie zweven'

door Otti Thomas

Amsterdam - Het verzoek om werk van Caribische dichters op muziek te zetten, leidde deels tot herkenbare, maar vooral ook tot ongebruikelijke en gedurfde nieuwe composities. Het resultaat was afgelopen vrijdag te horen tijdens de vijfde editie van de Caraïbische Letterendag in Amsterdam.
"De werkgroep Caraïbische Letteren is waarschijnlijk de meest dynamische werkgroep van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde,'' zei Lilian Conçalves-Ho Kang You, de eerste voorzitter van de werkgroep, halverwege het programma in de Openbaar Bibliotheek van Amsterdam. "We geven uitvoering aan onze missie om artistieke vernieuwing te stimuleren met gedichten op muziek.''

Uitvoering van De lussen van Faverey voor blaaskwintet van Margriet Hoenderdos

Van artistieke vernieuwing was er zeker sprake. In De Lussen van Hans Faverey bijvoorbeeld. Het was de eerste keer dat de compositie ten gehore werd gebracht, hoewel Margriet Hoenderdos het stuk al in 1990 schreef in samenwerking met de Surinaams-Nederlandse dichter Faverey. Met een schijnbaar gebrek aan onderlinge afstemming tussen de partijen voor althobo, klarinet, basklarinet, fagot en hoorn werd een ode gebracht aan de complexiteit van zijn gedichten. De consistente herhaling van deze disharmonie zorgde voor een enigszins herkenbaar patroon, vergelijkbaar met de terugkerende bewegingen in Favery's taalgebruik.

V.l.n.r. mezzosopraan Fanny Alofs, componist René Samson en koorleden Hanna Samson en Ella Rombouts en slagwerkster Tatiaana Koleva in Cultuurtuin Kawina van Samson


Gedurfd was ook Cultuurtuin Kawina, een compositie van de Surinamer René Samson op gedichten van landgenoten Michaël Slory en Bernardo Ashetu voor een ongebruikelijk gezelschap van een mezzosopraan, slagwerker, een achtergrondkoortje en drie dansers. Alweer leek de uitvoering weinig samenhang te hebben op het eerste gezicht of gehoor. Toch bleek de mezzosopraan geschikt voor een dramatische roep om hulp in het gedicht Waar ben je van Ashetu en werd zijn gedicht Kinderspel ondersteund door de bewegingen van de dansers.

Het Randal Corsen Quatet met v.l.n.r. Randal Corsen, Jeanninne La Rose, Vernon Chatlein en Jean-Jacques Rojer


Aanstekelijk
In vergelijking met beide voorgenoemde uitvoeringen waren de composities van Curaçaoënaar Randal Corsen een stuk toegankelijker. Ook dit waren allerminst 'gewone' liedjes, maar de relatie tussen de muziek en de tekst was wel duidelijker. Corsen transformeerde de gedichten van de Curaçaose Lucille Berry-Haseth tot kleine opera's. De partijen voor piano, percussie en gitaar waren soms tot het minimaal noodzakelijk beperkt, bijvoorbeeld in het liefdesgedicht Konfiansa of in Misterio, waarin de zin van het leven centraal staat. Maar in Pesadia (Nachtmerrie) over het persoonlijk onvermogen om de tambú te dansen als gevolg van het verbod, klonk de percussie onheilspellend. Het enthousiasme van Corsen, Vernon Chatlein, Jean-Jacques Rojer en vooral zangeres Jeannine La Rose werkt bovendien aanstekelijk.

Alwin Toppenberg

Datzelfde was het geval tijdens de eerste en de laatste voordracht van de avond. Alwin Toppenberg had overduidelijk veel plezier bij het spelen van zes bekende walsen op piano, waaronder Atardi van Rudy Plaate en zijn eigen Much'i Scol. En de Titi-band onder leiding van de Surinaamse componist en gitarist Dave MacDonald zorgde voor een passende en feestelijke afsluiting met muziek op teksten van dichters Trefossa, R. Dobru en Shrinivási.

Presentatrice Noraly Beyer, bestuurslid van de werkgroep Caraïbische Letteren had een treffende omschrijving van de avond. "Poëzie gaat zweven met muziek en muziek krijgt vleugels door de poëzie.''

[uit Amigoe, 9 december 2013]

Foto's © Jean van Lingen



 
De Tiri-band van Dave MacDonald

woensdag 4 december 2013

Bernardo Ashetu - Als tranen

Werkelijk, ik maakte slaatjes
van je verdriet, maar at ze altijd
buiten op, buiten de warme kamer
in de natte trieste kou.
En als een listige dandy verkleed
maakte ik lelies van je vochtige
rozen die ik één voor één heb ver-
sierd met parels die blinken als
tranen.



[Opgenomen in de bundel Yanacuna (1962) en in de onuitgegeven bundel Glimlach; postuum opgedragen door Michiel van Kempen aan de nagedachtenis van de zuster van Bernardo Ashetu, Alice van Dijk-van Ommeren, overleden te Den Haag, 26 september 2013. Vrijdag a.s., 6 december, vindt tijdens de Lustrumviering van de Werkgroep Caraïbische Letteren de première plaats van Cultuurtuin kawina van de Surinaams-Nederlandse componist René Samson, een werk dat deels is gebaseerd op de poëzie van Ashetu. De avond is uitverkocht.]

Charles Wilbert White - Negro (1949)

dinsdag 19 november 2013

René Samson over Kultuurtuin kawina

Op vrijdag 6 december gaat Kultuurtuin kawina in première, bij de viering van het eerste lustrum van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Het stuk is geschreven door de Surinaams-Nederlandse componist René Samson. Hij componeerde een uniek stuk met zang, slagwerk en dans op gedichten van Michael Slory en Bernardo Ashetu. Hieronder volgt zijn toelichtende tekst.


René Samson, tweede van links, luistert aandachtig naar de uitvoering van zijn compositie Sporen in de Oude Dorpskerk van Abcoude


Aantekeningen van de componist over Kultuurtuin kawina voor mezzosopraan en slagwerk

Het begon allemaal met een telefoontje van Michiel van Kempen: of ik er zin in had een stuk te schrijven gebaseerd op de poëzie van Michaël Slory en Bernardo Ashetu? Michiel en ik kennen elkaar al jaren. Mijn vriendin en ik waren aanwezig bij de verdediging van zijn proefschrift en het memorabele feest na afloop (mijn moeder zaliger zou zeggen: ai baja, feesten ... dat a sabi) en daarna bleven we elkaar bij vele plezierige sociale evenementen ontmoeten. Hij wist van mijn adoratie voor Slory’s poëzie. Ik had hem waarschijnlijk verteld dat mijn vader mij vol vuur grote delen uit Slory’s Koroni Kawina uit het hoofd reciteerde (ai baja, gedichten lezen… na dat a ben sabi). Op de kleine jongen die ik toen was, maakte dat een diepe indruk. Michiel vertelde mij over Bernardo Ashetu van wiens werk ik toen nog nooit gehoord had. Wat ik van Ashetu las, overtuigde me vanaf de allereerste kennismaking: een diepe geest. Ik kon me geen mooiere compositieopdracht voorstellen.

Hoe pak je zo iets aan? Bij mij begint dat vaak met nadenken over de instrumentatie. Ik wilde in elk geval iets met die prachtige teksten doen, dus een zanger of zangeres was absoluut noodzakelijk. Wat verder? Een piano? De door-de-eeuwen-beproefde combi van zingende dame of heer, bevallig gedrapeerd in de bocht van een concertvleugel? Als dat goed genoeg is voor Schubert, zou ’t voor Reneetje Samson toch ook moeten voldoen? Op de een of andere manier dreven mijn muzikale impulsen me toch een andere kant op. Ik bleef maar de ritmische klanken van een apintiedrum horen bij veel van de gedichten die ik las. Waarom weerstand bieden aan zo iets? Zangeres en slagwerker; dat moest ’t worden. Om behalve een ritmisch ook een melodisch element in mijn gereedschapskist te hebben, wilde ik een slagwerker hebben die zeer goed uit de voeten kan met de marimba: een fantastisch flexibel en veelzijdig instrument. Fanny Alofs en Tatiana Koleva (de laatste een virtuoze marimba-expert) leken me geknipt voor deze job.
Behalve dat m’n jeje een apintiedrum hoorde, zag m’n geestesoog ook dansende vrouwen en mannen; niet zo vreemd eigenlijk voor een Surinaamse jeje. Precies in diezelfde tijd had ik intensief contact met dansgroep LeineRoebana en ontmoette daar danser/choreograaf Michael Jahoda. Hij vertelde mij enthousiast over zijn leertraject bij het befaamde Alvin Ayley American Dance Theatre. Hij leek me dè man voor dit project.
Blueprints (2010) van Michael Jahoda

Mijn intensieve herlezing van Slory’s en Ashetu’s gedichten confronteerden mij met de rijkdom en gelaagdheid van hun werk. Het begon tot me door te dringen dat beide dichters vele poëtische personae in zich verenigden. Bij Slory zag ik behalve een echte Surinaamse kawinadichter, ook een verfijnde geest die de schoonheid van de natuur en van de vrouw bezong. Bij Ashetu zag ik soms beelden die me aan de Italiaanse commedia dell’ arte-traditie deden denken, maar ook veel gedichten waarin ik de stem van een beschadigd kind meende te horen.

Mijn muziek kon niet anders zijn dan een reflectie van de rijkdom en verscheidenheid die ik in al die gedichten vond. Sommige van mijn stukken staan vrij dicht bij de kawinatraditie; in andere stukken zal de ervaren luisteraar moeiteloos de stijl van de Europese kunstmuziek van de afgelopen honderd jaar herkennen; zoals de toonzetting van één van Ashetu’s gedichten (Amatijo) die een directe parafrase is van Arnold Schönbergs Pierrot lunaire. In weer een ander Ashetu gedicht (Marcel) kon ik de onweerstaanbare neiging niet onderdrukken om een stuk Nederlandse tekst (“God alleen …”) te versurinaamsen (“Gado nomo ….”) in de context van een gestileerde quasi-Surinaamse bazuinkoraal.

Ik kan alleen hopen dat het publiek even veel lol zal beleven aan het beluisteren van Kultuurtuin kawina als ik had tijdens mijn compositiearbeid.

(René Samson, november 2013)

René Samson (rechts) met partner, en met letterkundige Michiel van Kempen (links) en de musicologe Odilia Vermeulen, kleindochter van Alphons Diepenbrock en dochter van Matthijs Vermeulen, op de Citadel van Namen, België in 2005.


Over de componist
René Samson, geboren en getogen in Suriname, kwam de eerste helft van zijn professionele leven aan de kost als chemicus. Op z’n 40ste jaar begon hij te componeren, min of meer als autodidact. Na een moeizaam begin wordt zijn werk nu met enige regelmaat uitgevoerd op concertpodia in Nederland en elders door gerenommeerde professionele uitvoerende musici. Voor meer gedetailleerde informatie (lijst van werken, concertagenda, uitgebrachte CD’s, recensies, enzovoorts) zie zijn website: www.renesamson.nl


Klik hier voor het gehele programma van de lustrumviering op 6 december 2013 en voor informatie over het bestellen van kaarten.



dinsdag 5 november 2013

Bernardo Ashetu - 't Lampje

Er brandde één
verschrikkelijk lampje
tot diep in de nacht.

Verbazend veel
suikergoed bracht ik mee
voor m'n kleine zoon.

Z'n ontwaken was
helder groen en mijn
adem afschuw'lijke pijn.

[Dit gedicht is één van de gedichten die door René Samson op muziek zijn gezet, een compositie die bij de lustrumviering van de Werkgroep Caraïbische Letteren op 6 december a.s. in wereldpremière gaat.]




dinsdag 8 oktober 2013

UITVERKOCHT / Drie wereldpremières op Vijfde Caraïbische Letterendag

Michael Slory

Lucille Berry-Haseth










De Werkgroep Caraïbische Letteren nodigt u van harte uit voor de vijfde Caraïbische Letterendag. Voor deze lustrumviering pakken we groots uit met drie wereldpremières.


Randal Corsen. Foto © Hans Speekenbrink
Speciaal voor deze avond en in opdracht van de Werkgroep schreven de befaamde componisten René Samson en Randal Corsen muziek op gedichten van Surinaamse en Antilliaanse schrijvers.

René Samson componeerde een uniek stuk met zang, slagwerk en dans op gedichten van Michael Slory en Bernardo Ashetu (lees hier meer over het stuk). Pianist en componist Randal Corsen - Edison-winnaar en componist van de eerste Antilliaanse opera - geeft met zang, percussie, gitaar en piano zijn nieuwe jazz-interpretatie van Curaçaose gedichten van onder anderen Lucille Berry-Haseth
René Samson

Margriet Hoenderdos componeerde in 1990 kort voor het overlijden van de Surinaams-Nederlandse dichter Hans Faverey een muziekstuk De lussen van Faverey. Het werk kwam in nauwe samenwerking met de dichter tot stand. Ook dit werk voor blazersensemble beleeft op deze avond zijn wereldpremière. (Klik hier voor meer informatie over het werk.)

Alwin Toppenberg
Het belooft een groot spektakel te worden, dat wordt geopend met swingende Antilliaanse pianomuziek van Alwin Toppenberg en als klap op de vuurpijl sluit Dave MacDonald met zijn elfkoppige Tiri Fu Bari band de avond af. De groep speelt composities op teksten van Trefossa, R. Dobru en Shrinivási. Het aantal muziekstijlen is uiteenlopend, spannend en nieuw. Deze avond vol Caraïbische muziek en poëzie is uniek in zijn soort. Mis het niet en reserveer snel uw plaatsen!

- Vrijdag 6 december 2013
- Openbare Bibliotheek Amsterdam (Theater van het Woord, 7e verdieping). Oosterdokskade 143, 1043 DL Amsterdam).
- Aanvang: 19.00 uur. De deuren sluiten om 19.30 precies!

De elfkoppige band van Dave Mac Donald sluit het programma af


Voordelig Kaarten Reserveren:
Tickets bedragen in de voorverkoop € 17,50 en bij de deur € 20,00. Reserveer uw ticket door € 17,50 over te maken op ING bank 3027698 t.n.v. Werkgroep Caraibische Letteren, Leiderdorp. Vermeld op uw betaling uw mailadres. U ontvangt een betalingsbevestiging. Uw kaarten liggen klaar op de avond van de lustrumviering bij de entree.

Deze avond komt tot stand met steun van het Amsterdams Fonds voor de Kunst en de Openbare Bibliotheek Amsterdam.





zondag 15 september 2013

Het verdwenen gedicht

Bernardo Ashetu
door Erick Kila

 Den Haag, een avond begin jaren tachtig. Het appartement van Jozef Eijckmans (1907 – 1996).
De dichter veert plotseling op uit zijn leunstoel, loopt naar de boekenkast en plukt een boek uit een rij. Hij bladert even en leest dan voor.
Ik ben sprakeloos. Wat een schitterend gedicht. De maker, Bernardo Ashetu, ken ik niet.
'Het is een vriend, hij woont in Den Haag, zegt Jozef. Ik drink af en toe koffie met hem. In de cafetaria waar hij altijd zit. Hij zit daar maar en leest. Een stille, kwetsbare man. Hij praat met niemand. De cafetariabaas houdt een oogje in het zeil, zodat hij niet gepest wordt of zo.'
De bundel waaruit Jozef Eijckmans voorlas heet Yanacuna (1962, uitgegeven als dubbelnummer van de Antilliaanse Cahiers). Ik heb het voorgelezen gedicht nadien zelf een aantal malen gelezen, als ik Eijckmans weer eens bezocht.

En toen… deed de tijd zijn onvermijdelijke werk. Jozef Eijckmans overleed, zijn boekenbezit verdween en de titel van het gedicht dat zo’n indruk maakte, ontglipte me. Af en toe kwam de gedachte aan het sublieme gedicht en de stille dichter in de cafetaria bij me op. Ik zocht dan her en der naar de Antilliaanse Cahiers en naar een spoor van Ashetu. Steeds tevergeefs.
 
Jozef Eijckmans
In 2007 verandert dat. Ik zie een bundeltje aangekondigd (Dat ik zong, Sandwichreeks, redactie Gerrit Komrij). Ha, denk ik, gedichten van Ashetu opeens binnen bereik. Ik krijg het boekje in handen, maar ‘het’ gedicht staat er niet in.Via internet kom ik erachter dat er belangstelling is ontstaan voor het werk van Ashetu. De belangstelling moet het helaas doen met de 37 gedichten van Dat ik zong. Meer is er niet.

De kennismaking met de poëzie van Bernardo Ashetu blijft me bezighouden. Die vondst van Jozef Eijckmans, dat prachtige gedicht… ik moet  het weer vinden. Beslommeringen houden mij een tijdje af van het hogere, maar als ik het eens niet kan laten om op Bernardo Ashetu te googelen voltrekt zich een wondertje. Eind 2011 verschenen: Dat ik je liefheb, ruim 100 gedichten van Ashetu (gekozen en uitgeleid door Michiel van Kempen). Ik bestel, haal op en sla open. Het veertiende gedicht herken ik onmiddellijk.

Wacht lang

Kleed je aan
en wacht bij de brug.
Wacht lang.
Wacht tot de eerste ster opkomt.
Dit huis zal leeg zijn
en de hele straat zal leeg zijn.
Roep m’n naam
en houd rekening met een kleine
beweging in de modder langs de
gracht en wacht tot ’t licht
van alle sterren de hemel mooi
en bedwelmend heeft gemaakt.
Wacht op me bij de brug.
Wacht lang.


Bernardo Ashetu (pseudoniem van Hendrik George van Ommeren) werd in 1929 in Paramaribo geboren als zoon van een Surinaamse vader en een Europese (Joodse) moeder. Hij overleed in 1982 in Den Haag.


Bernardo Ashetu, Dat ik je liefheb, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2011.


[van de blogspot Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie]

maandag 2 september 2013

René Samson zette poëzie van Slory en Ashetu op muziek

In opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren heeft de Surinaams-Nederlandse componist René Samson een tiental gedichten van Michael Slory en Bernardo Ashetu op muziek gezet. Het werk, getiteld Kultuurtuin kawina, is geschreven voor mezzosopraan, twee koorstemmen en slagwerk (conga´s, marimba, bamboe- en metalen chimes, gong, wood blocks, bass drum). De zangers/sprekers brengen teksten in het Sranantongo en het Nederlands. Het werk zal zijn wereldpremière beleven op de lustrumviering van de Werkgroep Caraïbische Letteren, op 6 december a.s., in het Theater van het Woord in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Samson heeft van Michael Slory onder meer diens misschien wel allerbekendste gedicht op muziek gezet: ‘Koroni kawina’. Van Bernardo Ashetu kan het publiek onder meer diens vaak gebloemleesde gedicht ‘Marcel’ horen op muziek van Samson.


Een pagina uit de partituur van René Samsons Kultuurtuin kawina


De avond van 6 december beleven nog twee andere werken hun wereldpremière: De lussen van Faverey van componiste Margriet Hoenderdos, een compositie voor blaaskwintet op gedichten van Hans Faverey. Verder heeft de Werkgroep Caraïbische Letteren een opdracht verleend aan Randal Corsen om een jazzwerk te componeren op basis van gedichten in het Papiamentu. Ook dat wordt op 6 december ten gehore gebracht.


dinsdag 7 mei 2013

Bernardo Ashetu - Oranje

De sinaasappel
werd opgegeten
en bleef oranje
in de mond
en bleef oranje
in de maag
en lag daar
toen de nacht
zich spande
om de mens
zich vastbeet
in de mens
totdat vanaf een
andere planeet
een stem schreeuwde
van de zon
en bleef hangen
boven de mens
als een grote
vreemde bol
in fel oranje.

[uit Yanacuna, 1962]

Foto © Jalal Hameed Bhatti


vrijdag 23 november 2012

Drie groten van de Surinaamse poëzie in ‘Plantage Hecht en Sterk’ van de Letterij

Shrinivási
Op woensdag 28 november staat Letterij, het programma met schrijvers, in het teken van poëzie uit Suriname. Drie grote Surinaamse dichters komen ter sprake: Michaël Slory, Shrinivási en Bernardo Ashetu. Van alle drie verschijnen of zijn net nieuwe gezaghebbende bundels verschenen.
Stempel eerste dag van uitgifte postzegel Bernardo Ashetu 2010

Uit het grotendeels ongepubliceerde werk van Bernardo Ashetu (1929-1982) werd de bundel Dat ik je liefheb samengesteld door Michiel van Kempen, die ook in samenspraak met Michaël Slory (1935) diens bundel Torent een man hoog met zijn poëzie bezorgde. De titel van deze aflevering van Letterij is ontleend aan de nieuwe bundel van Shrinivási (1926, tegenwoordig woonachtig op Curaçao), Hecht en sterk, met een Nawoord van Geert Koefoed. De dichters zijn dan weliswaar niet lijfelijk tegenwoordig, maar prachtige, zelden uitgezonden filmbeelden uit documentaires van zowel Slory als van Shrinivási tonen de uniciteit van deze dichters, de ‘grand old men’ van de Surinaamse poëzie.

Michael Slory en Michiel van Kempen

Speciale gast is Michiel van Kempen, Bijzonder Hoogleraar West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij gaat in gesprek met uitgeverijredacteur en radiopresentator Peter de Rijk. De presentatie van de avond is in handen van Franc Knipscheer.

‘Letterij’ is een maandelijkse programmareeks van Uitgeverij In de Knipscheer in de Pletterij.

Locatie:  Pletterij, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
Aanvang: 20.00 uur
Zaal open: 19.30 uur
De toegang: € 5,00
Reserveren: reserveren@pletterij.nl of 023 542 3540

Caraïbische dichters onder de surrealisten

Vier Caraïbische dichters zijn opgenomen in de zojuist verschenen Nieuwe anthologie van de Nederlandse surrealistische poëzie, samengesteld door Laurens Vancrevel: Luc Tournier, Oda Blinder, Charles Corsen en Bernardo Ashetu (wiens naam spijtig genoeg foutief is gespeld als Barnardo Ashetu). Op een totaal van 42 dichters scoren de Caraïbiërs daarmee heel goed in deze bescheiden maar keurig gedrukte bloemlezing. Deze uitgave is een gewijzigde herdruk van de Spiegel van de surrealistische poëzie in het Nederlands uit 1989.

Nieuwe anthologie van de Nederlandse surrealistische poëzie.
Samengesteld en ingeleid door Laurens Vancrevel.
Bloemendaal: Brumes blondes, 2012.
ISBN 978-90-77414-42-2

zondag 4 november 2012

...maar zekerheid is er niet, en nooit geweest

Michiel van Kempen, wetenschapper & schrijver




door Rolf van der Marck

Michiel van Kempen & ik hebben elkaar in april 2008 virtueel leren kennen, en wel met zijn reactie onder een artikel van mij over Kader Abdolah en ‘zijn’ Koran op Blaw-blaw blogspot, inhoudende het verzoek of ik zo vriendelijk wilde zijn contact met hem op te nemen. Uit dat contact zijn mijn regelmatige bijdragen aan Caraïbisch Uitzicht voortgekomen en is door de jaren heen tussen ons een wederzijdse waardering en genegenheid ontstaan. Behalve een heel plezierige avond met dyogo en witte wijn, die hij tijdens zijn bezoek aan Suriname van drie jaar geleden bij mij op het terras in Paramaribo heeft doorgebracht, is ons contact altijd virtueel, maar daarom niet minder hartelijk gebleven. Ons beider lichtelijk provocerende aard, in Suriname niet altijd even welkom, is daarbij een goed bindmiddel gebleken.




Bernardo Ashetu




Nu had Van Kempen eerder mijn artikel “Een onbekende, maar niet te vergeten dichter” opgemerkt, een liefdesverklaring aan Bernardo Ashetu, van 17 oktober 2007 op mijn Volkskrantblog, dat hij op 18 mei 2009 integraal heeft overgenomen op Caraïbisch Uitzicht. Ashetu is overduidelijk een minstens even groot bindmiddel tussen ons beiden, de regelmatige lezer van Caraïbisch Uitzicht zal dat ongetwijfeld niet zijn ontgaan. Telkenmale wanneer Van Kempen weer een gedicht van Ashetu op CU plaatste, heb ik hem gesmeekt om eindelijk de geannoteerde Verzamelde Ashetu te publiceren, aangezien hij de verantwoordelijk curator is van de poëtische erfenis van Ashetu. Daarom ben ik blij hem recent te hebben horen zeggen dat hij nu éérst zijn biografie van Albert Helman wil afmaken, waaraan ik de hoop ontleen dat hij daarna onmiddellijk de Verzamelde Ashetu ter hand neemt. Lijkt mij een nog veel aantrekkelijker uitdaging dan de biografie van Helman.

Mijn stelling dat het een aantrekkelijker uitdaging is, is gebaseerd op de verrassende ontdekking die alle Van Kempen-kenners recent hebben kunnen doen, namelijk dat Michiel van Kempen behalve wetenschapper en schrijver ook dichter blijkt te zijn, getuige zijn debuut op 55-jarige leeftijd: Wat geen teken is maar leeft. Het lijkt me dan ook aannemelijk dat hij meer affiniteit heeft met de ras-poëet Ashetu dan met de schrijver/politicus Helman, waarvan hij althans voor mij het bewijs onder andere heeft geleverd in twee Ashetu-bloemlezingen. Daaruit is ook gebleken dat annotatie bij de gedichten van Ashetu een welkome – zo niet noodzakelijke – aanvulling is en dat Van Kempen daartoe de eerstaangewezen persoon is.

Maar nu de schijnwerpers vol op Michiel van Kempen de dichter. Het voor mij belangrijkste kenmerk van deze bundel wordt gevormd door de grote lijnen waarin zijn poëzie zich voortbeweegt, alsof je de rivier afzakt en in een weldadige sula belandt. Zoals in het gedicht Thuiskomst:

[…]
Thuis is niet waar jij je hebt verbeeld dat thuis was
Aankomst is gesmolten sneeuw en vreemdheid die verdampt
Waar wensen zijn die niets verlangen
Dan jouw aanwezigheid en de droom die nooit verzandt.

Of zoals in het zeer herkenbare gedicht 'Kindkoorts' over zijn jeugd, net niet weemoedig door provocerende tussenwerpingen als ‘Elk huisje heeft zijn kruisje, het onze hangt boven de schouw (…)’:

[…]
die onvoorwaardelijke beschutting:
vertel me maar waar die ooit ophield te bestaan,
of hoe dat kwam, en wie ’t heeft geweten,
en of ’t ook ooit anders had kunnen gaan.

Of in het kritische maar liefdevolle portret van zijn vader, 'Van de hoge', waar hij verzucht:

[…]
Als vaders niet de moed hebben het leven op hun schouders
te nemen, waar moeten zonen dan gaan zitten?

Als volgt besluitend:

[…]
Daar gaat hij, leg het vast, knipper even niet met je ogen,
Hij zweeft – misschien – dag vader, zweef maar verder
Ik verbeeld je even als de vader die je wilde zijn
En niet kon wezen, oké, ik omarm je, kom dan hier,
Ik zit nog altijd in het pierenbad, ik vraag geen mededogen.
Ik ben al groot, maar jij bent klein,
Wees dan veilig bij mij: je hoeft niet van de hoge.

Zoals Levity Peters in zijn recensie “Achteroverflikkeren in de vervreemding” al heeft gezegd: “Zonder taalplezier geen goed gedicht”. Het taalplezier spat er bij Van Kempen vanaf, en niet zomaar taalplezier, maar het spel van een taalkundige zoals in het gedicht 'Een hand in een café':

[...]
...want als je creatief bent
buig je de taal om naar je wil





Michiel van Kempen, dichter; 
foto © Nicolaas Porter





De bundel Wat geen teken is maar leeft is zonder meer een droomdebuut, Michiel van Kempen is op slag geëvolueerd tot “wetenschapper, schrijver en dichter”, helaas is Gerrit Komrij er niet meer om dat te boekstaven. Maar Van Kempen zal de eerste zijn om dat te relativeren, zoals hij in het gedicht Wald zegt:

[…]
maar zekerheid is er niet, en nooit geweest