Van Lier lezing 2012Kenmerken politieke cultuur en leiderschap in Suriname Dames en heren, Het is een bijzonder voorrecht de Van Lier lezing te mogen houden . Zijn in 1949 als eerste druk verschenen: ‘Samenleving in een Grensgebied’ is een standaardwerk en hoort in ieders boekenkast . Het is vanzelfsprekend dat ik juist dit boek in de voorbereiding als eerste ter hand heb genomen. Bij herlezing viel mij op hoe tijdloos een goed boek kan zijn. De tweede druk dat 22 jaar later verscheen behoefde nauwelijks herschreven te worden. Ik dank de organisatoren voor het feit dat ik nu voor u sta en mijn bevindingen met u kan delen, over het thema van vanavond: kenmerken van politieke cultuur en leiderschap in Suriname. Mijn zoektocht was en is uit te vinden of er door de jaren heen een rode draad te traceren valt in het optreden van Surinaamse politici, en zo ja of dat dan geduid kan worden als een voornaam kenmerk of aspect van de politieke- cultuur en het politieke leiderschap in Suriname. Deze invalshoek houdt in dat het partijpolitieke element neutraal gehouden is. Het doet niet ter zake in welke partij de politicus zijn wortel vindt. Deze voordracht gaat ook niet over de politicus als uniek persoon. Het gaat om mogelijk kenbare patronen die een inzicht bieden in gemeenschappelijke gedragskenmerken en daarmee een inzicht in het staatkundig besluitvormingsproces. Het was af en toe lastig de verleiding te weerstaan in te gaan op persoonlijk getinte anekdotes rond bepalende politici in hun tijd als, Derby , Lachmon, Findley, Essed, Pengel, Rens, Biswamitre, Soemita, Santoki , Wijdman, Sardjoe, Mungra, Somohardjo, Wijntuin of Venetiaan . Maar dat zou te veel afleiden. Het startpunt van deze inleiding is rond de tweede helft van de jaren veertig; dat is de periode waarin het partijenstelsel als voorbode van de interne autonomie en voorloper van de statutaire periode tot ontwikkeling kwam. De eerste verkiezing in Suriname op basis van het algemeen kiesrecht vond plaats in 1949. We overzien derhalve een periode van 65 tot 70 jaar, een exact beginpunt van is lastig te bepalen. Wantoks uit Melanesie In ‘de oorsprong van de politiek’ het nieuwste boek van Fukuyama vertelt hij dat het voor een goed begrip van de staats instellingen van belang is je te verdiepen in de oorsprong van deze instellingen. Een goed begrip van de oorsprong van deze staats instellingen leidt volgens Fukuyama tot een breder inzicht in de problemen van zwakke staten. Waarom worden in sommige staten de gaten in de weg gerepareerd en waarom gebeurt dat in andere staten niet? Insiders met kennis van het wegennet in Suriname begrijpen dat mijn belangstelling was gewekt bij deze beschouwing. In Suriname worden gaten in de weg vaak niet of te laat gerepareerd. Ik ben ooit eens in het nachtelijk donker – ik reed met een snelheid van 80 km van het vliegveld Zanderij naar Paramaribo - bijna over de kop gegaan door plots twee lekke banden vanwege een groot gat in de weg die er al maanden bleek te liggen. Het was op die plaats niet het eerste bijna ongeluk. Een hele gevaarlijke situatie zeker ‘s nachts maar het gat werd niet gerepareerd, terwijl het toch een belangrijke hoofdweg betreft. Ook op vele andere plekken waren en zijn gaten in het wegdek. In de eerste week van deze maand namen 2 politieagenten zelf het initiatief om gaten in de weg te dichten aan de Van ’t Hogerhuysstraat, een zeer belangrijke verkeersader. Mijn persoonlijke graadmeter voor de metafoor van de zwakke staat zoals Fukuyama die omschrijft is Stonoso (stenen huis, huis van steen). Ik loop daar altijd wel een keer langs als ik in Suriname ben. Het fascineert mij bovenmatig. Stonoso staat op een der drukste kruispunten in paramaribo; het is een historisch maar geheel verloederd gebouw waar de natuur vrij spel heeft, het fungeert als vuilnisbelt, en is verzamelpunt voor zwervers, die het ook als een openbaar toilet beschouwen. En dit al jaren; hoewel het af en toe wordt schoongemaakt. Al uit een oogpunt van openbare orde en volksgezondheid zou het overheidsbestuur kunnen en moeten ingrijpen. Maar ook uit esthetische overwegingen en de ambities op het gebied van het toerisme. Maar de politici laten dit al jaren begaan vanuit, naar ik begrijp, de veronderstelling dat er geen instrumenten zouden zijn om ruziënde erfgenamen voor zover die te vinden zijn tot orde te roepen. Fukuyama noemt het verschijnsel van de kapotte wegen karakteristiek voor een zwakke staat. Heel interessant is de beschrijving van de Wantoks uit Melanesie. Melanesiers wonen op de Solomoneilanden en op Papoea-Nieuw-Guinea. De stam kan bestaan uit duizenden leden en staat plaatselijk bekend als Wantok, wat in het engels is one talk ofwel personen die dezelfde taal spreken. De Wantoks worden geleid door een Grote Man. Iedereen kan Grote Man worden, maar dat lukt pas naar de mate dat je er in slaagt bestaansmiddelen zoals varkens maar ook bouwcontracten te verdelen aan de leden van de stam. Wie de behoeften van de stamleden het beste vervult krijgt hun vertrouwen. Melanesie werd op enig moment een moderne staat toen ondermeer het Westminster, lees Engels, staats model werd ingevoerd. En dat leidde tot chaotische toestanden. Want de Melanesiers vonden politieke partijen en partijprogramma’ s maar lastig. Dat was niet waar het om ging. Zij verwachten van de Grote Man of Grote Vrouw die tot parlementariër of minister is gekozen dat zij hun invloed aanwenden om de middelen van de overheid door te sluizen naar de Wantok. Het stamverband, of de eigen mensen. Hoewel er sprake was van moderne statelijke attributen van een soevereine staat, zoals een vlag en een leger, hadden de Melanesiers niet het gevoel dat ze deel uitmaakten van een bredere sociale gemeenschap – de natie -. Hun wereld beperkte zich tot de Wantok, de gekozenen worden geacht hun kiezers daar individueel materieel voor te belonen. Op het belang voor Suriname van deze typering van Fukuyama over de Wantoks uit Melanesie komen we later nog terug. Overigens is volgens Fukuyama de metafoor van de Wantok voor wie goed kijkt ook in de moderne wereld te onderkennen; ondermeer het Amerikaanse congres noemt hij als voorbeeld. De vraag die hij zich stelt is waarom de persoonlijke politiek van de Grote Mannen zo hardnekkig is en waarom ook moderne statelijke systemen erop lijken terug te vallen. Aspecten van Politieke cultuur en leiderschap In december vorig jaar noemde de toenmalige president Venetiaan tijdens de behandeling van de cultuurbegroting in de Nationale Assemblee (NA), Sinterklaas een restant uit ons koloniaal verleden. Hij wees daarbij op de ondergeschiktheid die bij het Sinterklaas feest wordt toegekend aan het zwarte ras. Volgens hem is er de laatste jaren weer een opleving van Sinterklaas in Suriname. Hij sprak over ‘een opdringing’ vanuit bepaalde delen van onze bevolking. Los van de bewoordingen, deel ik overigens zijn inhoudelijke notie over de symboliek van de raciale superioriteit waar zwarte piet model voorstaat. Buiten Nederland zijn er velen die het stereotype karakter herkennen; in Nederland herkennen mensen dit beeld ook, in elk geval de mensen die de kleur hebben waar zwarte piet zich van bediend. Maar ik heb wel vragen bij de opportuniteit van Venetiaan om dit onderwerp als voornaam punt van de begrotingsbehandeling in de NA centraal te stellen. Er zijn veel grotere maatschappelijke vraagstukken geweest in de afgelopen jaren – zoals de losgeslagen anarchie in de goudsector, en de gevolgen voor het milieu, de zeer verontrustende onderwijsprestaties met als gevolg steeds lagere scores bij examens, de problematiek van de krakers; het feit dat Suriname al jaren bungelt onderaan de lijst van landen met het slechtste vestigingsklimaat, etc, etc, waar ik de toenmalige president toch weinig over heb gehoord. Opmerkelijk is dat Venetiaan en de NDP – toch hele grote politieke rivalen - elkaar geheel vonden in het besluit er alles aan te doen om het sinterklaasfeest in Suriname af te schaffen. Ik laat in het midden of een overheid zo ver mag gaan. Ook in 2011 stelde Venetiaan in de NA de vraag ‘wat de rol is van de witte Nederlander die rondloopt op het kabinet van de president. Hij zei niets tegen blanken te hebben, ‘maar Suriname heeft slechte ervaringen met ze, als het erop aankomt zijn die Nederlanders weg en zitten wij met de perikelen’. En in januari jl wijdt de NPS zelf een persbericht aan deze witte Nederlandse consultant, die inderdaad kritisch is geweest over de regeerprestaties van Venetiaan. Parlementariër Gajadien van de VHP stelde ook vorig jaar in de NA de vraag wat de rol is van Forward Motion, die uit Nederland is aangetrokken. Dit bedrijf begeleidde publiciteits campagnes. Een aantal jaren daarvoor toonde de toenmalige leider van de VHP Sardjoe zich tijdens een inleiding erg terughoudend bij een programma om de rol en functie van politieke partijen te versterken. Net als de NPS toonde ook de VHP in de persoon van Sardjoe zich afkerig tegen de mogelijkheid dat ‘Nederland ons democratie komt leren’. Als laatste voorbeeld noem ik de veel bekritiseerde nieuwe Advocatenwet die in 2005 werd behandeld in de NA en waarbij als nieuw element plots werd geïntroduceerd dat niet- Surinamers zijn uitgesloten van het bekleden van bestuursfuncties in de Orde van Advocaten en in het Tuchtcollege. In de NA werd unaniem voor deze wet gestemd, met de motivering dat het toch niet zo kan zijn dat niet-Surinamers tuchtrechtelijke straffen kunnen uitspreken over Surinamers. Hieruit blijkt dat bepaalde sentimenten zich niet alleen richten tegen witte Nederlanders maar ook tegen zogeheten euro-Surinamers. Deze ervaring bracht een der advocaten ertoe te verzuchten dat: Surinaamse advocaten in de woonkamer mogen eten en niet-Surinamers in de baka gadri’ dat is in de keuken. Let wel het gaat hier om Surinamers, dus niet om willekeurige vreemdelingen, het enige wat hen onderscheidt is dat de een Surinaams paspoort heeft en de ander een niet -Surinaams paspoort. De kritische houding van Surinaamse politici tegenover Nederland die ik met enkele recente voorbeelden heb belicht is een van de vaste karakteristieken van het politieke leiderschap in Suriname. Het past in een lange traditie. Van Lier stelde, ‘dat er van het begin af van de 18e eeuw al spanning heeft bestaan tussen de kolonisten - in termen van nu de Surinaamse politieke elite uit die periode - en de bestuurders overzee. In 1871 reeds, en wederom in 1873 stelden de leden Mollinger en Bosch Reitz van het toenmalige parlement, de Koloniale Staten, dat het idee van de ‘loslating’ en de ‘afscheiding’ van Suriname van Nederland het enige reddingsmiddel is voor Suriname. Nederland kan Suriname niet helpen, aldus het lid Molinger, hij was een plantage eigenaar. Van lier stelt dat de recalcitrante reacties van de Staten sedert die tijd karakteristiek - en daarmee kenmerkend derhalve - is gebleven voor de houding van politiekbewuste Surinamers. Het heeft zich alleen uitgebreid tot de euro-Surinamers. En dat is een interessant fenomeen, want er wonen in Suriname weinig Surinamers die niet zelf in Nederland hebben gewoond, of waarvan geen enkel familie lid in Nederland woont of heeft gewoond. Rond het einde van de tweede oorlog liet een eerste generatie van in Suriname geboren politieke leiders in spe hun stem horen. Dat waren de zogeheten lichtgekleurde Surinamers wier politiek bewustzijn was gegroeid en die achtergesteld werden bij de uitgezonden Nederlanders. Bij de jongere generatie groeide een nationalistisch besef, dat bezig was in de plaats te komen van de nationale verbondenheid met Nederland. Van Lier bespreekt uitvoerig het toenemende gebrek aan vertrouwen omdat het landsbestuur veelal op basis van raciale vooroordelen de ‘landskinderen’ ten achter stelde. Zij kwamen niet in aanmerking voor kaderfuncties. Gouverneur Kielstra weigerde openlijk om landskinderen te benoemen in ambtelijke en bestuurlijke functies. Suriname was niet uniek in deze ervaringen. De bekende Trinidadiaanse schrijvers Ryan en Moskos beschreven dat de in Europese centra opgeleide landskinderen zich in eigen land ontheemd voelden door de structurele blokkades die ze ondervonden. Vanaf het eind van de tweede oorlog ontstond onder druk van de omstandigheden uitzicht op algemene en vrije verkiezingen. In aanloop naar deze verkiezing voor het eerst in 1949 ontstonden gefaseerd politieke partijen die aan verkiezingen deelnamen. Deze partijen waren in eerste instantie etnisch -religieus van aard. Of ook wel etnisch -cultureel langs de vier kleur lijnen zoals Ooft die omschrijft in zijn proefschrift te weten Afrikaans, Oosters (India/Pakistan) en de kleurgroep uit Indonesië. De zogeheten lichtgekleurden – de maatschappelijke bovenlaag – denk aan personen als Ferrier, en Emanuels zijn uiteindelijk opgegaan in de creoolse groep. Politieke partijen als belangengroepen Naast de relatieve weerstand en de haat -liefde verhouding van bepalende Surinaamse politieke leiders jegens de voormalige koloniale macht Nederland is een van de meest centrale aspecten van het politieke leiderschap in Suriname dat ze geen nationale leiders zijn. De ontwikkeling van het land wordt als zodanig wel gevoeld, maar heeft niet de eerste prioriteit. Van Lier formuleert het alsvolgt: ‘de partijen vertonen meer het karakter van georganiseerde belangengroepen die zich binnen de bestaande etnische en religieuze lijnen, om verschillende persoonlijkheden scharen die tot de verbeelding van de volksmassa’s spreken’. Dit sluit perfect aan op het beeld van de Wantoks zoals Fukuyama dat omschreef. In de partij- programma’s zijn nationale thema’s veelal dominant, maar de praktijk wijkt hier niet zelden van af. In politiek geladen principes, ideologieën en beginselen onderscheiden de partijen zich niet wezenlijk van elkaar. Toch zijn er wel een aantal verschillen. De creools georiënteerde partijen zijn in een vroeg stadium voorstander geweest van volkenrechtelijke onafhankelijkheid, de hindostaanse partijen waren hier geen voorstander van. Dit heeft steeds, in het bijzonder de jaren zestig tot controverses geleid tussen deze partijen. Een ander voorbeeld is het omvangrijke ambtenaren apparaat. De creoolse partijen verzetten zich vanouds tegen sanering daarvan, het ambtenaren apparaat is nog steeds een voornaam instrument van patronage en clientelisme. Partijleden worden beloond met baantjes als ambtenaar. Tegenwoordig beschouwen alle partijen het ambtelijk apparaat als een voornaam instrument van machtsbehoud en beloning van loyaliteit. De VHP leiding is steeds ook gericht geweest op de belangen van een aantal grote ondernemers die de partij financieren. Om die reden is er steeds verzet geweest tegen invoering van een variant van onroerend- goedbelasting of omzetbelasting. Dit zou de veelal hindostaanse grootgrondbezitters en landbouwers treffen. Belangrijk voor de leiding van de VHP is ook het verkrijgen van macht over de toekenning van import- en exportvergunningen. Een voormalig minister van deze partij- de VHP - vertelde in een interview hoe dat ging. Indien juist is dit een karakteristiek voorbeeld van corruptie. Tegen de bekende journalist Van Westerloo vertelde deze VHP ministers het volgende: hij was nauwelijks een uur minister toen hij werd opgehaald door Alwin Mungra, als afgezant van Lachmon, ze gingen wat rijden in de Benz en stopten voor het huis van Dilip Sardjoe: ‘deze man, sprak Alwin Mungra tot de nieuwe minister, heeft veel geld gegeven aan onze partij, nu is het tijd dat jij als minister iets voor hem terugdoet. Een ex minister van Openbare Werken en Verkeer ook van de VHP Ir Jankipersadsing, werd door Van Westerloo als volgt geciteerd: ‘ in de drie jaar dat ik minister ben geweest heb ik geleerd dat de partij waar ik hoofdbestuurslid van ben geweest en een hartstochtelijk aanhanger, alleen in de verkiezingstijd een partij is van ons hindostanen. Daarna is de partij van Lachmon, en van een paar families”. De Javaanse partijen hebben een voorliefde voor het ministerie van Landbouw en Veeteelt dat onder de gronduitgifte van landbouwgronden omvat. Vele corruptie affaires kleven daarmee ook aan de KTPI. Overigens, ministers op departementen wier takenpakket betreft de uitgifte van gronden, het toekennen van vergunningen, en het aanbesteden van infrastructurele werken zijn in de afgelopen decennia regelmatig in opspraak gekomen vanwege corrumptieve activiteiten. De oude politieke partijen en daarmee hun leiders zijn hiervoor verantwoordelijk. Uit de vorige maand gepubliceerde Corruption Perception Index (CPI), staat dat Suriname, naast Haiti en Guyana behoort tot de meest corrupte landen van de Caricom. Suriname staat van de 183 landen die in de lijst voorkomen op no 100. Vorig jaar stond Suriname nog op no 75. Karakteristiek is dat de Grote Mannen van Suriname zwijgen over deze schandvlek. Ook nu. Niet uit schaamte, maar bewust. Grote corruptie schandalen worden door de jaren niet aangepakt en opgelost. Uitzonderingen daargelaten van wel veroordeelde politici. De anti- corruptie wet is door verschillende regeringen aangekondigd maar nog steeds niet vastgesteld. Is dit een uitvloeisel van het Wantok denken? ik denk van niet. Het is niet de Wantok die profiteert van deze praktijken; het is voor de grote corruptie een kleine groep rond de Grote Mannen die profiteert. Feit is wel dat deze daden niet zelden gepleegd worden binnen de kolom van de Wantok ; een departement wordt door de politiek leider opgeëist, hij plaatst daar partijgenoten van zijn eigen etnische groep en dan ontstaat een beschermd klimaat waarin de corruptie niet zelden straffeloos kan gedijen. Kenmerkend is dat de politieke leiders van het land zich niet profileren op het punt van governance en integriteit – en voorzover ze dat in zeldzame gevallen doen handelen ze er niet naar. Dit terwijl dit vraagstuk in ernstige mate schade toebrengt aan de nationale ontwikkeling. Actuele ontwikkelingen Is er dan in de afgelopen bijna zeventig jaar niets veranderd in de etnisch-culturele genen van de politieke leiders? Zijn er nationale en gezaghebbende politici ontstaan die minder worden geassocieerd als de Grote Man van hun Wantok, hun raciale groep dus en meer als politiek leider van de Natie, als leider van het land, als boegbeeld van alle bevolkingsgroepen. Hebben gebeurtenissen als de onafhankelijkheid in 1975, de staatsgreep in 1980 en het herstel van democratisch bestuur vanaf 1987 geen enkel effect gehad? Na de verkiezingen in 1987 namen de traditionele op etnische leest geschoeide oude partijen de regeer macht van de militairen over. Als vanouds heersten de NPS, VHP en KTPI, ze wonnen met grote overmacht de verkiezingen. De leus, wij gooien geen oude schoenen weg, had gezegevierd. De politieke leiders namen gewoon de draad weer op. Van clientelisme en patronage dus. Hun machtbasis is daarna in de respectieve verkiezingen afgebrokkeld. Het electorale resultaat is bij elke verkiezing daaropvolgend stevig afgenomen Na de verkiezingen van 2010 is de eens zo machtige NPS op een historisch dieptepunt terecht gekomen, dat geldt ook voor de VHP en eerder voor de KTPI. De NDP van ex-legerleider Bouterse is vanaf 1987 bij iedere verkiezing sterker geworden. Het is geen etnische partij in de traditionele zin van het woord, vooral omdat de kiezers afkomstig zijn uit meerdere bevolkingsgroepen. Dit valt temeer op omdat Bouterse weliswaar een charismatisch leider is maar ook verdachte is van de moorden van 1982, het proces loopt nog, en in Nederland veroordeeld is voor handel in drugs. En hij heeft in 1980 een staatsgreep gepleegd waarbij onschuldige mensen de dood hebben gevonden. Niettemin heeft hij de traditionele leiders verslagen. Als een persoon met het profiel van Bouterse erin slaagt bij democratische verkiezingen over de jaren heen een groeiend electoraat aan zich te binden kan dat onmogelijk anders worden opgevat dan het ultieme faillissement van de politiekvoering van de oude traditionele politieke leiders. Maar de vraag is of het ook het faillissement betekent van de filosofie van de Wantok in Suriname. Het lijkt te vroeg om de conclusie te trekken dat het gedaan is met de etnische politiek, waarbij politiek leiders zich vooral richten op de belangen van hun eigen etnische achterban, en de kiezers zich bij hun stembepaling primair laten beïnvloeden door hun etnische afkomst en de etnische afkomst van hun politieke leider. De NDP is als gezegd niet zonder meer op een lijn te plaatsen als de traditionele partijen maar houdt wel rekening met de etnische afkomst van de bewoners van de kiesdistricten bij de kandidaatstelling. Daarnaast blijkt ook in deze regeercoalitie dat politieke partijen ministeries beschouwen als bijkantoren van de partij. Vanuit het presidentiële paleis kwam vorig jaar nog het bericht dat ‘dat sommige politieke leiders slechts ‘hun mensen’ benoemen op de ministeries. Op onderwijs zitten mensen zonder didactische achtergrond, werd vanuit het presidentieel paleis gezegd. Het benoemen van zogeheten ‘eigen mensen’ past in de traditie van de politiek in Suriname, maar het lijkt erop dat de betekenis ervan eerder toeneemt dan afneemt. Somohardjo eist nu al maanden het recht op een directeur te benoemen op het departement van onderwijs. Op sommige departementen is zelfs sprake van een bijna volledige etnische gedaante wisseling als een nieuwe minister aantreedt. Paul Somohardjo van de PL erkende nog geen jaar geleden dat hij kantoorruimte heeft op het ministerie van LVV. Hij zei dat hij er maar een paar dagen per week zat, ‘ik wil niet op de kamer van de minister plaatsnemen, want dan lijkt het alsof ik het beleid daar bepaal.” Wel erkent hij ook beleidsadviseur te zijn van ‘zijn’ minister. Dat hij tevens ook vz van de vc lvv is in de DNA vindt hij geen probleem. Van Brunswijk is bekend dat hij adviseur is op verschillende departementen die zijn toegedeeld aan zijn partijcombinatie. Voor Soemita van de KTPI geldt hetzelfde. Veelal toucheren deze leiders naast de tegemoetkoming als parlementariër, ook salaris als adviseur van de minister. Dat hiermee dubbele inkomens – en soms meer dan dat - worden gegeneerd is geen onderwerp van gesprek. Premier Pengel had zichzelf in de jaren zestig vier minister portefeuilles toegeëigend en kreeg voor elk van de ministeries een salaris. Tegen deze praktijken wordt niet hevig geprotesteerd in Suriname . Het is een belangrijk kenmerk van de politieke cultuur sinds jaar en dag dat ambtenaren tevens ook parlementariër kunnen zijn en dat weinigen er zich druk over maken. Dat hiermee de positie van het parlement niet wordt gediend is geen onderwerp van debat. Een van de eerste conflicten begin jaren vijftig in het Surinaamse parlement was dat een ambtenaar Lou Lichtveld die een conflict had met zijn minister, als parlementariër een felle strijd met ‘zijn’ minister aanging. Machtsconcentratie en afsplitsingen Het is wellicht interessant om dieper in te gaan op een aantal redenen voor het deficit van het traditionele leiderschap. Een opvallend kenmerk van de traditionele leiders is bijvoorbeeld hun functionele zitvlees. Lachmon was op zijn 85e nog partijleider en had in de loop der tijd alle aanvallen op zijn positie weten af te weren. Hij stierf in Den Haag in het Bel Air hotel letterlijk in het harnas. Hij was voor zover bekend met afstand de langst zittende partijleider en parlementariër van de wereld. Ruim vijftig jaar en aan hem heeft het niet gelegen om langer door te gaan. Frans Weisglas voormalig vz van de tweede kamer eerde hem ooit met de woorden dat hij er trots op was ‘ parlementsvoorzitter Lachmon de man met de meeste en langste ervaring als parlementsvoorzitter ter wereld, te hebben mogen ontvangen’. Slechts in een enkele monarchie – ik denk aan koningin Elisabeth – wordt een zittingstermijn als deze geëvenaard. Pengel is vroeg gestorven. Feitelijk ook in het harnas. Hij verloor de verkiezingen in 1969 na 19 jaar leiding te hebben gegeven aan de NPS. Hij is een jaar na de verkiezingsnederlaag in 1969 overleden. Venetiaan is nu drie keer president geweest was daarvoor, eind jaren zeventig minister en is nu lid van de Natonale Assemblee. Hij heeft overigens zelf aangegeven op te willen stappen als partijleider. Onder zijn leiding heeft de NPS de grootste nederlaag ooit geleden, en is teruggebracht tot een marginale omvang. De vraag is of de partij in staat zal zijn in de toekomst nog een rol van betekenis te spelen. Er is tot dusver geen vanzelfsprekende kandidaat met voldoende gezag en nationale bekendheid die Venetiaan kan opvolgen. In Suriname bestaat geen traditie dat de politiek leider verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. Hoe slecht de prestaties ook zijn geweest. Hij wordt publiekelijk niet breed aangesproken om verantwoording af te leggen. Wel is het Pengel wel eens overkomen dat hij bij een slechte uitslag van de verkiezingen geconfronteerd werd met een grote mensenmassa bij zijn huis die luidruchtig verhaal kwam halen. Maar dit is een uitzondering. Partijleiders bepalen veelal zelf hun lot; vertrekken op hoge leeftijd of sterven in het harnas. Ze worden niet weggestemd. Een actueel voorbeeld daarvan is de strijd binnen de KTPI. Willy Soemita kreeg in 1972 het stokje overgedragen van zijn vader Iding Soemita en is tot heden partijleider, nu dus al ruim veertig jaar. Recentelijk klinkt vanuit de partijgelederen de roep om zijn vertrek, en wordt een toenmalige protegé van Soemita – nu ondervoorzitter – door opposanten voorgedragen als opvolger. Soemita verzet zich tegen zijn vertrek. Dit is een herkenbaar en karakteristiek proces, politieke leiders willen zelf bepalen wanneer zij vertrekken. volgende maand zullen interne verkiezingen uitwijzen wie de nieuwe politiek leider wordt. Rekenkundig gesproken zit de politieke elite in Suriname veelal meerdere decennia in bepalende posities. Ik denk dat Suriname in dit opzicht uniek is. Het is waarschijnlijk dat de lange zittingsduur een van de verklaringen is voor de slechte resultaten van de traditionele partijen. De kiezers raken uitgekeken op de allerminst daadkrachtige politieke leiders. In veel landen geldt een maximum voor bepaalde functies van 8 jaar. Een enkele uitzondering wellicht 12 jaar. Dat is substantieel minder dan de record zittingstermijnen in Suriname. Er is in de loop der tijd regelmatig verzet ontstaan bij jongeren en andersdenkenden tegen de partijtop. Maar kritiek was al gauw synoniem aan verraad. Pengel slaagde erin een hele generatie talentvolle goed opgeleide politici middels verwijten en beledigingen van zich af te slaan. Veelal waren het in Nederland geschoolde intellectuelen die na verloop van tijd schimpscheuten en spotternijen moesten doorstaan waarbij steevast werd gerefereerd aan het feit dat de heren uit Holland komen en niet moeten denken Surinamers die in Suriname zijn gebleven de les te komen lezen. Ondermeer Sedney en Essed richten toen een politieke partij op, de PNP, dat vooral bedoeld was om oppositie tegen Pengel te voeren. Toen Pengel kort na de verloren verkiezing in 1969 overleed was ging de PNP binnen enkele jaren ter ziele. Ook Lachmon is in de VHP tegen veel verzet van jongeren en andere critici opgelopen . Zij verzetten zich tegen zijn beleid en het gebrek aan partij democratie. Tevergeefs, binnen de partij waren geen hervormingen mogelijk. Hij heeft al gevolg daarvan vele afsplitsingen moeten doorstaan. Maar bleef zitten op zijn post ook toen vijf van de negen parlementariërs die op naam van de VHP gekozen waren in de NA, eind jaren negentig uit de fractie stapten en een nieuwe partij oprichtten. De leiders omringden zich veelal met kritiekloze aanhangers die geen bedreiging vormden. Zij stapelden macht bij hen zelf, en combineerden verschillende functies. Het resultaat is verstarring. Geen vernieuwing en innovatie, geen dynamiek en debat. Initiatieven werden evenmin op prijs gesteld. Toen de Democratie Unit van de universiteit in 2003 een conferentie organiseerde over het thema hoe de interne partij democratie in politieke partijen kan worden versterkt, reageerde de voorzitter van de VHP Sardjoe argwanend. Volgens hem hoorde het debat over democratie en de beleidsontwikkeling binnen politieke partijen thuis in de NA en niet op de universiteit. Orie – een spraakmakende intellectueel, hekelde in een reactie hierop de autoritaire commandostructuur binnen de politieke partijen. De politiek voering in Suriname vertoonde lange tijd trekken van mentaal isolationalisme en afsluiting. Regelmatig riepen politici de bevolking op tot vaderlandsliefde en subtiele vormen van nationalisme. Het Surinamerschap werd luid bezongen. Maar het accent op etnische -culturele verzuiling maakte het onmogelijk aan natievorming te werken en het algemeen belang van het land centraal te stellen. Bijvoorbeeld het feit dat Suriname al vele jaren bungelt onderaan de lijst van de meest investeringsonvriendelijke landen ter wereld. Het oprichten van een vennootschap kan vele jaren duren; evenzeer het verkrijgen van de noodzakelijke vergunningen om te ondernemen en te investeren. Technisch is het eenvoudig om de regelgeving en de praktijk te veranderen, maar dan loopt men naar verluidt op tegen de belangen van een groep ondernemers, die niet zitten te wachten op concurrenten uit het buitenland. De toetreding tot Caricom en de samenwerking in Zuid- Amerikaanse organisaties heeft de mentale isolatie enigszins doorbroken en tot meer dynamiek geleid. De grenzen gingen open voor de Caribische partners, bedrijven en personen. De internationalisering heeft een merkbare positieve invloed op het politieke leiderschap. Het contact op voet van gelijkheid met politieke leiders in de regio, het dragen van verantwoordelijkheden zoals het voorzitterschap van Bouterse nu van Caricom; het organiseren van grote internationale conferenties in het land, het meedoen op het internationale schaakbord verbreedt de inzichten en de scope van de politieke horizon. De positieve kanten van de regionale mondialisering krijgen de overhand tegen de weerstand die in de eerste jaren bestond om het land open te moeten gooien voor Caribische ondernemers en de verplichtingen tot toelating die het vrije verkeer personen met zich brengt. Er ontstaat een klimaat waarin meer dan in het verleden dilemma’s tegen elkaar moeten worden afgewogen. Zoals het op de Surinaamse markt toelaten van ook buitenlandse spelers op het terrein van telefonie en internet, terwijl de dominante wens bestond om het eigen Telesur ten koste van veel te beschermen. In dat opzicht is opvallend de aangekondigde toekenning van landingsrechten aan een prijsvechter uit Barbados die tegen lage tarieven wil vliegen op Suriname. Ook in dit opzicht spelen lang gekoesterde nationale belangen van de SLM. Maar het belang van het verbreden van de verbindingen tussen Suriname en de buitenwereld en daarmee het toerisme lijken nu de overhand te krijgen. Enige kentering? Er zijn dus signalen van een kentering. Ik noem er nog een. Heel opvallend zijn de ontwikkelingen binnen de VHP onder leiding van de recent gekozen Santoki. Ex minister van justitie. Santoki is in 2011 tijdens een spannende procedure met meerdere kandidaten gekozen door de leden van de partij. Bekend was dat hij niet per se de voorkeurs kandidaat was van de partij top. De wijze waarop hij verkozen is verfrissend en vernieuwend, een toonbeeld van interne partij democratie. Een dergelijke open, transparante en niet voorgekookte procedure is niet eerder vertoond in Suriname. Santoki zijn leiderschap heeft tot dusver trekken van een kentering in de wijze waarop de partij tot dan toe werd geleid. Hij zoekt ook uitdrukkelijk contact met elders gevestigde Surinamers. Hij profileert zich met een diaspora beleid waarin hij elders wonende Surinamers insluit. Hij bereidt zich voor in 2015 de strijd aan te gaan voor het presidentschap. In de korte periode van zijn leiderschap heeft hij oude conflicten en wonden binnen de partij overbrugd. Een aantal personen die de partij hadden verlaten zijn teruggekeerd naar ‘huis’. Het lijkt erop dat hij de VHP aan het restaureren is. Het hindostaanse electoraat stemt altijd al veel minder versplintert dan bijvoorbeeld de creoolse kiezers. Niettemin is een kantteking op zijn plaats. Het zou een gemiste kans zijn als de VHP zich wederom ontwikkelt als een sterke hindostaanse partij naar het model van Grote Man Lachmon . Santoki zou als jonge moderne leider moeten proberen de valkuil te ontlopen de leider te worden van zijn Wantok, van zijn eigen groep. Dat kan hij door te onderstrepen dat hij op zoek is naar een brede electorale basis. Indien Santoki erin slaagt dit type valkuilen te ontlopen zal hij zich kunnen ontwikkelen tot een nationaal leider die er dan zal staan voor het land en al zijn inwoners. Hij kan daarmee zijn eigen groep overstijgen en een door alle groepen erkend nationaal leider worden. De hoop is natuurlijk dat in dit opzicht meerdere Santoki’s ontstaan zodat het gewoon wordt dat politieke leiders het belang van de natie dienen en van alle inwoners. Dames en Heren, Ik nader nu het einde van mijn inleiding. Uit het voorgaande volgt dat het traditioneel leiderschap zoals die vanaf midden jaren veertig is ontwikkeld in een crisis verkeert. De electoraal problematische situatie waarin de kernpartijen van weleer verkeren lijkt structureel, ze hebben de tweede kans die ze kregen vanaf 1987 niet benut, onder blijvende omstandigheden zullen ze ten onder gaan. Het politiek leiderschap zal fundamenteel moeten vernieuwen, men zal zich moeten oriënteren op andere vormen. De kiezer is beter geïnformeerd en hoger opgeleid. De mondialisering heeft de grenzen van het mentale isolationisme doorbroken . Er zijn nog karakteristieken kenbaar van de politiekvoering op basis van etniciteit. Maar het raciale leiderschap lijkt op zijn retour. Dit is dan ook mooi moment om een aantal positieve verworvenheden te noemen van het traditioneel leiderschap van de afgelopen zeven decennia. Temeer ook omdat in mijn betoog tot dusver de kritische toon heeft overheerst. En de medaille altijd weer een andere kant heeft. Dat leidt tot het volgende: - De politieke leiders van Suriname hebben eraan bijgedragen dat de bevolkingsgroepen elkaar niet in de haren zijn gevlogen. Er is geen geweld gebruikt jegens elkaar omdat iemand creool is of chinees. Dit is een kenmerkend element van het leiderschap dat zich onderscheidt van landen in de regio, als Jamaica, Guyana en ook wel Trinidad, waar vooral tijdens verkiezingen vele doden vielen. Suriname heeft een ontspannen omgang tussen de groepen. U treft er aan de wereldbevolking in het klein. Dit betrekkelijk vreedzaam experiment van respect en tolerantie ongeacht etniciteit, godsdienst en cultuur is niet vanzelfsprekend in de wereld van gister, vandaag en morgen. Ook Nederland zou veel van Suriname kunnen leren. - In de jaren negentig is het land veelvuldig failliet verklaard; viel niet meer te redden. Griekenland is er niets bij. Van Westerloo sprak met verwijzing naar de toen onbetaalbaar geworden rolletjes verband en toiletpapier van een ” tragisch koloniaal misverstand”. - De economie van Suriname behoort tot de best groeiende van het Caribische gebied, en volgens internationale organisaties heeft het land de kleinste staatsschuld. De vooruitzichten voor 2012 en 2013 zijn uitstekend, er wordt een economische groei voorspeld van rond de 5%. Terwijl de ratings in Europa dalen, is vorig jaar de rating van Suriname – dat geldt voor maar 15 landen mondiaal- gestegen. De regering Venetiaan heeft met de voormalige president van de Centrale Bank Telting in het vorig decennium een bijzondere prestatie geleverd door een stabiel monetair beleid te voeren. Het land plukt hiervan nu de vruchten, en het mag gezegd de opvolger van Telting nu zit er niet vanwege een partijpolitieke affiliatie maar vanwege zijn deskundigheid. - De politieke leiders van Suriname onder leiding van president Venetiaan hebben bewust niet aangedrongen op verlenging van de ontwikkelingsrelatie met Nederland. Ze willen op eigen benen staan. Ik vind dit in hen te prijzen, de prijs voor Nederlandse inmenging is groot zoals Bonaire en Curaçao hebben ervaren. Het homohuwelijk werd ingevoerd op Bonaire, maar het welvaartspeil daalde en de kosten voor de gewone man stegen. Nu de relatie ook met Curaçao doet denken aan de pre- statutaire fase klinkt vanuit Curaçao de roep om onafhankelijkheid. - Als de economie in Suriname zich zal blijven ontwikkelen kan het op gegeven moment zo zijn dat Suriname in economisch opzicht beter functioneert dan ooit onder koloniaal bestuur het geval is geweest of in perioden met veel ontwikkelingsgelden. - En tenslotte wijs ik erop dat de overgang van autoritair militair bestuur naar burgerlijk bestuur vanaf eind jaren tachtig, Dit is een vreedzaam proces geweest. In 2010 kreeg Suriname complimenten van buitenlandse waarnemers voor de wijze waarop de verkiezingen waren georganiseerd. Eerlijk en transparant. Dit is de verdienste van traditionele leiders als Venetiaan, Lachmon en Soemita. Dat is geen wederom geen vanzelfsprekendheid, maar wel een kenmerk van het politiek leiderschap in Suriname. Dames en heren het was me nogmaals een genoegen. En als ik u nu in verwarring achterlaat dan wil ik me daarvoor verontschuldigen. Maar het is nu eenmaal een bijzonder en onvoorspelbaar land. Een land van mooie en warme mensen waar mijn genegenheid te volste naar uit gaat. Een land waarvan het DNA in ook mijn genen ligt besloten. Ik dank u voor uw geduld en uw aandacht. Hugo Fernandes Mendes ****** Commentaar Hans Ramsoedh op inleiding Hugo Fernandes Mendes In een opiniestuk op 6 februari 2012 in de Volkskrant schreef René Cuperus, medewerker van de Wiarda Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, dat politiek topsport is. Als dat zo is dan ontkom ik niet aan de indruk dat de politiek in Suriname alle kenmerken in zich heeft van amateurisme. Dat amateurisme in de Surinaamse politiek blijft echter in de inleiding van Fernandes Mendes onbesproken. Zo mis ik twee belangrijke aspecten als we het hebben over politieke cultuur en leiderschap in Suriname: ten eerste het aspect van vertrouwen tussen kiezer en gekozene en ten tweede de onvoorspelbaarheid in het optreden van politieke leiders in Suriname. Deze twee aspecten hangen met elkaar samen. In mijn commentaar wil ik dan ook inzoomen op deze twee aspecten. Vertrouwen van de kiezer in politici en politieke instituties is van eminent belang voor de legitimiteit van een democratisch politiek bestel. Geen enkele democratie kan zich op termijn handhaven wanneer een meerderheid van de bevolking van mening is dat ‘de politiek’ niet deugt. Een democratie kan niet functioneren zonder draagvlak, want wanneer burgers op grote schaal ontevreden zijn met het functioneren van de politieke instituties dan komt de legitimiteit van het democratische bestel in het geding. Van belang is hierbij onderscheid te maken tussen ‘High Trust Societies’ en ‘Low Trust Societies’, een onderscheid dat ik ontleen aan Frances Fukuyama. In ‘High Trust Societies’ scoren sociaal en politiek vertrouwen heel hoog. Bij politiek vertrouwen gaat het om vertrouwen in politici, parlement en politieke partijen. In ‘Low Trust Societies’ is politiek en sociaal vertrouwen laag of zelfs afwezig. Ik veroorloof mij een kort uitstapje naar de Nederlandse politiek. Als in een enquête mij de vraag gesteld zou worden in hoeverre ik mijn portemonnee aan een Tweede Kamerlid zou toevertrouwen dan zal ik die vraag zonder aarzelen volmondig met ja beantwoorden. Liegen, de halve waarheid spreken, je cv opleuken en het bewust of onbewust zaken uit het verleden verzwijgen die het daglicht niet kunnen verdragen gelden in de Nederlandse politieke context als een doodzonde en dus als onacceptabel. Dit zijn de mores in de Nederlandse politiek. In Nederland leeft sinds het afgelopen decennium de gedachte dat er een steeds breder wordende kloof gaapt tussen kiezer en gekozene. Uit recente publicaties van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt echter dat in contrast tot het wijdverbreide kloofdenken juist sprake is van een sterke toename van het vertrouwen in politieke instituties sinds 2002. In Nederland schommelt het vertrouwen van de bevolking in de politieke instituties tussen de 50 en 60%. Met deze score neemt Nederland samen met de Noordse landen en Zwitserland een koppositie in in Europa. Dat er desondanks in Nederland een sfeer heerst dat er het nodige mis met de politiek en de maatschappij heeft volgens het SCP te maken met de aard van de Nederlander: hij mag graag klagen en is misschien enigszins ‘realiteitsresistent’: het doet er niet toe hoe het echt gaat, het gaat gewoon nooit goed, is de conclusie in het recente onderzoek van het SCP. De Nederlandse samenleving kan om die reden worden getypeerd als een ‘High Trust Society’, een samenleving dus waarin sociaal en politiek vertrouwen hoog scoren. Ik haalde het voorbeeld aan van het toevertrouwen van mijn portemonnee aan een Tweede Kamerlid. In Nederland fungeert de Tweede Wereldoorlog nog steeds als een belangrijk moreel ijkpunt. In die zin betreft de meest pregnante vraag in Nederland met betrekking tot vertrouwen in politici die naar het onderduiken: als het oorlog is en u zit in het verzet, bij welke politicus zou u dan onderduiken? Hoe is het gesteld met het vertrouwen van de Surinaamse kiezer in politieke leiders en wat zegt dat over de politieke cultuur en leiderschap in Suriname? Uit onderzoek door het Instituut voor Demografisch Onderzoek in Suriname (IDOS) in 2004 kwam naar voren dat in Suriname het vertrouwen in politieke partijen en de Assemblee heel laag is, respectievelijk 0,1 en 1,6%. Uit een opinieonderzoek in 2010 in Suriname geeft 89% van de kiezers aan dat de huidige Surinaamse politici niet eerlijk zijn. Surinaamse kiezers hebben geen geloof in de eerlijkheid van politici zoals blijkt uit het antwoord op de vraag die het IDOS in 2010 voorlegde aan kiezers: ‘U krijgt een perceel onder voorwaarde dat het eerst voor een periode van 6 maanden op naam van een door u aan te wijzen politicus moet staan. Hierna moet die politicus het op uw naam overschrijven’. Slechts 11% van de kiezers was van mening dat de politicus het perceel na 6 maanden daadwerkelijk op zijn naam overschrijft. Met andere woorden, politici worden niet als al te betrouwbare figuren in de Surinaamse samenleving gezien. Het politieke bestel in Suriname kampt dus met een legitimiteitsvraagstuk. Dit vraagstuk versterkt het beeld van Suriname zeker in politiek opzicht als een ‘Low Trust Society’. Het gebrek aan vertrouwen in Surinaamse politici hangt mede samen met hun gebrek aan deskundigheid. Ik refereer hierbij aan een rapport van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank uit 2001 waarin wordt gesteld dat veel Assembleeleden niet zijn toegerust voor hun functie waardoor van een goed functionerend parlement nauwelijks sprake is. Veel twijfels zijn er over de vraag of veel Assembleeleden aan minimale vereisten voor de functie van parlementslid voldoen. De negatieve beeldvorming over politici wordt daarnaast versterkt door de sfeer in het parlement die gekenmerkt wordt door confrontatie en verruwing in woord en daad. Met name het aspect van verruwing van de omgangsvormen in de DNA vind ik kenmerkend voor het afgelopen decennium. Zo zijn er begin 2008 bij de ingangen van het parlement metaaldetectors geplaatst om een wapenvrije vergaderzaal te garanderen. Niet omdat mogelijk terroristen het gemunt zouden hebben op Surinaamse politici, maar om ervan verzekerd te zijn dat medeassembleeleden geen wapen op zak hebben. Het was een publiek geheim dat een aantal parlementsleden met wapens op zak parlementsvergaderingen bezocht. Saaiheid is dus beslist niet een kenmerk van de Surinaamse politieke cultuur. Het tweede aspect dat ik wil aanstippen betreft het optreden van politieke leiders in Suriname en met name hun onvoorspelbaarheid. De politiek in Suriname is geen strijd tussen botsende maatschappijvisies en ideeën over inrichting van de staat. Onderhandelingen tussen politieke leiders na de verkiezingen zijn een eindeloos gekibbel over de verdeling van ministeries, ambassadeursposten, districtscommissariaten et cetera. Indien nodig wordt een extra ministerie gecreëerd om toch alle partijen tevreden te stellen of te ‘accomoderen’, zoals het in het politieke jargon in Suriname heet. Die onvoorspelbaarheid zagen we het duidelijkst na de verkiezingen in mei 2010. Er kwam een coalitie aan de macht die niemand voor mogelijk had gehouden. In de Surinaamse media werd gesproken van een ‘bizar pact’. Bouterse vormde een coalitie met zijn twee gezworen vijanden, Ronnie Brunswijk en Paul Somohardjo. Het leger van Bouterse en het Jungle Commando van Brunswijk voerden in de jaren tachtig een bloedige strijd. In NDP-kringen werd om die reden samenwerking met Brunswijk uitgesloten. Somohardjo ontvluchtte het militair regime na de Decembermoorden in 1982 en werd een van de leiders van het Surinaamse verzet in Nederland tegen de militaire dictatuur in Suriname. Een ‘bizar pact’ ook omdat de politieke leiding van Suriname na mei 2010 in handen kwam van drie politieke leiders met een strafrechtelijk verleden. Wanneer we het hebben over de politieke cultuur en leiderschap in Suriname dan dienen we oog te hebben voor twee politieke werkelijkheden: een (zichtbare) politieke schijnwerkelijkheid en een onzichtbare politieke werkelijkheid. Bij de (zichtbare) politieke schijnwerkelijkheid denken we bepaalde patronen te ontwaren die er in werkelijkheid niet zijn. Een voorbeeld van de zichtbare politieke schijnwerkelijkheid is de verrassende benoeming van Bouterse als president na de verkiezingen in mei 2010. De algemene verwachting was dat de Mega-coalitie onder aanvoering van Bouterse Jenny Geerlings-Simons als presidentskandidaat zou voordragen. Ook de Amerikaanse ambassade in Suriname ging uit van dit scenario, zoals blijkt uit de Paramaribo-cables van Wikileaks. Ik sluit niet uit dat veel stemmers op de NDP met dit scenario rekening hadden gehouden, hetgeen mogelijk de grote verkiezingswinst van de NDP verklaart. Bij de onzichtbare politieke werkelijkheid hebben we te maken met een politieke werkelijkheid die zich aan onze waarneming onttrekt. Een voorbeeld van de onzichtbare politieke werkelijkheid betreft de coalitie van Bouterse, Brunswijk en Somohardjo, zoals eerder gesteld tot dan voor de buitenwereld drie gezworen vijanden. Tot 2010 maakt Somohardjo deel uit van de Front-coalitie. Niemand had in 2010 verwacht dat hij samen met Ronnie Brunswijk een coalitie zou vormen met zijn gezworen vijand Bouterse, terwijl uit de eerdergenoemde Paramaribo-cables van Wikileaks blijkt dat de Amerikaanse ambassade al in 2007 op de hoogte was van een verborgen gehouden innige relatie tussen Bouterse en Somohardjo. Beide politieke werkelijkheden zijn niet bevorderlijk voor het vertrouwen van de kiezer in dé politiek. Het gebrek aan vertrouwen en de onvoorspelbaarheid van politieke leiders in Suriname is niet iets van het laatste decennium. Wat wel opvalt is dat deze beide ontwikkelingen sinds het midden van de jaren negentig van de 20e eeuw sterk zijn toegenomen met als gevolg een onstabiel politiek bestel. Gelet op de tijd die ik als referent heb kan ik nu niet ingaan op de oorzaken. Ik kom nu aan mijn afronding. Ik ben mij ervan bewust dat mijn commentaar geen ode is geworden aan de politieke leiders in Suriname. Dat was ook niet mijn rol als referent. Wat ik hier gesteld heb is niet ‘typisch Surinaams’ maar vertoont parallellen met politieke ontwikkelingen in veel Caraïbische, Afrikaanse, Aziatische, Latijns-Amerikaanse en zelfs met sommige geïndustrialiseerde landen zoals Italië. Punt blijft echter dat als een meerderheid van de bevolking geen vertrouwen heeft in politieke instituties en van mening is dat ‘de politiek’ niet deugt, ieder politiek systeem daardoor kwetsbaar wordt voor politiek avonturisme. =============================================================== Van Lier lezing 2010Op 26 februari jl. organiseerde De Werkgroep Caraïbische Letteren de 2e Van Lier Lezing. Deze vond plaats in het Lipsiusgebouw van de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Leiden. De lezing werd gehouden door Francio Guadeloupe, docent bij de afdeling Culturele Antropologie en Ontwikkelingsstudies (CAOS) van de Radbouw Universiteit Nijmegen en onderzoeker bij de Amsterdam School for Social Scientific Research (ASSR) van de Universiteit van Amsterdam. Zijn lezing kreeg als titel mee ‘Adieu aan koelies, nikkers en makambas: raciaal denken binnen de antropologie van de Caraïben’. Aspha Bijnaar, onderzoeker bij het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam, trad op als referent. Een boeiende discussie met de zaal volgde. Adieu aan Koelies, Nikkers en Makambas: de deconstructie van raciaal denken binnen de antropologie van de Cariben Francio Guadeloupe Introductie Antropologen worden meestal gedreven door één vraag. Hun hele oeuvre-boeken, artikelen, essays, publieke optredens, kunstwerken en colleges-is vaak te reduceren tot het beantwoorden van die ene vraag. Dit is mijn vraag: hoe kunnen we in ons schrijven en onze wetenschapsuitoefening het rasdenken overstijgen. Om het concreter te formuleren: Hoe kunnen we als 21ste-eeuwse antropologen die zich bezighouden met het Caribische gebied ons ontdoen van de racistische termen nikkers, koelies en makambas die verbloemd worden door de raciaal ingekleurde concepten creolen, Hindoestanen, en blanken? Een dergelijke redenering zal voor sommigen vreemd klinken. Ik hoor de tegengeluiden al: Creolen en Hindoestanen zijn toch neutrale wetenschappelijke concepten sinds het in 1949 verschenen "Samenleving in een grensgebied"! De in Suriname geboren socioloog Rudolf van Lier, de auteur van dat standaardwerk, was zeer zeker niet bezig met het institutionaliseren van raciaal denken in de sociale wetenschappen toen hij deze concepten populariseerde in de Nederlandse Caribistiek. Hij beschreef alleen de werkelijkheid van een plurale samenleving zoals Suriname. Velen zullen zich daarom afvragen waarom ik het scheldwoord koelie gelijk stel met het concept Hindoestaan, makamba met blanke, of nikker met creool. De eerste termen, zo zullen zij zeggen, zijn immers respectloze aanduidingen voor mensen die feitelijk hindoe, creool, en blank zijn. De één heeft intrinsiek niks met de andere te maken. Dat begreep van Lier en dat zouden "21ste-eeuwse antropologen' zoals ik ook moeten begrijpen! Feitelijk en intrinsiek vervullen hier magisch werk. Zij verwijzen naar een bovenmenselijke realiteit in het domein van intermenselijke relaties. Een bovenmenselijke realiteit waar zich zogenaamde objectieve waarheden bevinden die er zouden zijn, ook al hadden sceptische wetenschappers zoals ik er geen weet van. Elke reflectieve antropoloog snapt dat dit soort redenering pseudotheologisch van aard is: de Waarheid over zogenaamde natuurlijke verschillen tussen mensen, die feitelijk zwart, wit en bruin zijn, openbaart zich aan de uitverkoren wetenschapper zoals de God van het Oude Testament uitsluitend sprak tot een selecte groep profeten. De kernregel van het hanteren van een seculiere houding binnen de antropologie, wat zoveel betekent dat we het altijd hebben over door de mens gemaakte afspraken ofte wel menselijke waarheden, heeft ervoor gezorgd dat iedereen die serieus genomen wenst te worden in dit vakgebied niet kan spreken over bovenmenselijke Waarheden in het domein van intermenselijke relaties. Dat mogen zij in hun vrije tijd doen. Het gaat erom dat wij steeds menselijke waarheden, ofte wel intermenselijke afspraken, die gesteund worden door institutionele macht, kritisch bevragen. Het indelen van mensen in zwart, bruin en wit is zo'n menselijke waarheid/afspraak. Hierbij gaat het om afspraken die onder de loodzware druk van slavernij, racisme, contractarbeid en koloniale uitbuiting tot stand zijn gekomen. Raciale indelingen zijn symbolen van een historische ballast dat we nog steeds meedragen (en moeilijk vanaf kunnen komen). Als kritische wetenschappers moeten we ons continu de vraag stellen of deze waarheden/afspraken over wat we als belangrijke verschillen tussen mensen binnen de wetenschap aanmerken nog bruikbaar zijn? Doen ze meer kwaad dan goed? Bestaan er alternatieven? Uit het bovenstaande kan gededuceerd worden dat er buiten ons etnisch classificatieschema geen Hindoestanen, creolen, of blanken bestaan. Met andere woorden deze zogenaamde feitelijke identiteiten zijn louter wetenschappelijke concepten van ons schema. Gesocialiseerde manieren van kijken en beoordelen binnen de wetenschap om de dynamiek van samenleven te beschrijven. Een kwestie van afspraken. Niks aan de hand! Toch wel. Doordat ons etnisch schema besmet is door rasdenken, zoals dat wordt gehanteerd in de alledaagse realiteit, zijn de termen koelie, nikker en makamba de racistische keerzijden van de raciaal ingekleurde concepten Hindoestaan, creool en blank. Wat is nou het verschil tussen de manier waarop de termen Hindoestaan, creool en blank worden gebruikt buiten de wetenschap en zoals ze worden gedefinieerd binnen de wetenschap? De dwingende culturele afspraak over wat we als verschil bestempelen is geracialiseerd buiten de wetenschap en sijpelt door binnen de wetenschap. De oplossing die ik voorstel is daarom radicaal. Door adieu te zeggen aan nikkers, koelies en makambas in ons wetenschappelijk schrijven en denken, met andere woorden, door een resolute antiracistische houding, zullen we ook vaarwel moeten zeggen aan de reïficatie (essentialisering) van creolen, Hindoestanen en blanken. Deconstructie van racisme gaat hand in hand met het de-essentialiseren van wetenschappelijke concepten. In dit essay zal ik aangeven hoe ik dit soort deconstructie van rasdenken hanteer binnen mijn eigen onderzoek en schrijven over sociale processen van in- en uitsluiting in het Koninkrijk der Nederlanden-Nederland, de Nederlandse Antillen, en Aruba. De Kinderen van het Koninkrijk Het is een warme zomerse dag. Een dag om eigenlijk aan het strand te zitten en af en toe verkoeling te zoeken in de zee. Maar als antropoloog ben ik aan het werk. Ik zit op het Sint Augustinus College. In een zaal vol met VMBO scholieren. De geschiedenisles gaat over de Eerste Wereldoorlog. Over de moord op Franz Ferdinand, de kroonprins van Oostenrijk, als aanzet tot de bloedige 20ste eeuw. De leraar, een knappe jonge man ergens tussen de 25 en 30 jaar, vertelt het verhaal meesterlijk. Het lijkt alsof hij daar zelf is geweest. Mij bekruipt het gevoel dat ook ik daar ben geweest. Eigenlijk dat ik me nu in Oud Europa bevind! Verleden en heden komen samen in een supra-empirisch heden, waarin de studenten, de leerkracht en ik een ervaring samen delen. Dat is nou de kunst van een meester verteller. Ik, de buitenstaander, de onderzoeker, ben niet de enige die zich laat betoveren. Zijn studenten hangen aan zijn lippen. Vooral de meiden. Ze zijn verliefd op hem en zijn vertelkunst. De jongens zijn voornamelijk verliefd op zijn vertelkunst (ik zeg dit omdat ik geen homoseksualiteit in de groep heb kunnen bespeuren). De studenten kunnen niet wachten totdat hij wat meer vertelt. Maar hij heeft geen zin in een one-man show. Hij onderbreekt zijn verhaal om ons te vragen of wij ook een kroonprins hebben. Ja natuurlijk, Prins Willem-Alexander reageren de studenten enthousiast. Eén van de meiden vindt de kroonprins een lekker ding. Anderen vinden hem "cute" met zijn grote kop en sproetjes. Je hebt er ook een aantal die hem foeilelijk vinden. Ja, over smaak valt niet te twisten. Bij de jongens is er wel consensus: Prins Willem is niet echt cool, hij mag er wel zijn, maar Maxima is de bomb! Dat is nou hun kroonprinses. Zo praten hedendaagse tieners nu eenmaal over het Koninklijk Huis als ze zich op hun gemak voelen. Dan gaat het er niet om of het koningshuis wel of niet afgeschaft moet worden. Het gaat er niet om hoeveel ze ons kosten. Het gaat ook niet om zware kost zoals principieel wel of niet kiezen voor een constitutionele monarchie. Het gaat om stijl. Hebben Prins Willem-Alexander en zijn echtgenoot Prinses Maxima stijl, wat zoveel betekent als dat zij zich mediageniek in de formats van commerciële TV en roddelblad in te passen zijn; dan hebben die de goedkeuring van de tieners. Al het andere is typisch Haagse en salonfähige praat. Boring om het in tienertaal te verwoorden. Nu is deze casus niet echt opmerkelijk, zij het dat het Sint Augustinus College duizenden kilometers verwijderd is van Den Haag. Ja u raadt het al, ik zit in het Caribische gebied. Op het eiland Aruba. Eén van de eilanden die 60 jaar geleden nog een kolonie van Nederland was. De leerlingen en de leraar zijn voornamelijk licht en donkerbruin. Gebruikmakend van een raciaal ingekleurde bril zie ik sub-Sahara Afrika en Indiaans Amerika voor en na de komst van witte Europeanen. Ik zie ook China, India en wit Europa. En ik zie alle mengvormen van de aangeleerde raciale indeling van de mensheid. Hoe moet ik dit tafereel van het doceren van geschiedenis en praatjes over de kroonprins in deze streek van het Koninkrijk der Nederlanden analyseren en interpreteren zonder te vervallen in rasdenken? Hoe moet ik dit opschrijven in mijn relaas? Als antropoloog ga ik te rade bij andere antropologen, sociaal wetenschappers en publieke intellectuelen, die over de Caribische delen van het Koninkrijk schrijven. Dominante interpretatie schema's Het lijkt mij dat er twee dominante sterk op elkaar lijkende schema's met hun aanhangers bestaan binnen het losse circuit van sociaal wetenschappers/intellectuelen die zich bezighouden met het Koninkrijk. Zij zijn vaak look-a-likes van twee gecanoniseerde denkers, de Martinicaanse psychiater Frantz Fanon en de Nederlandse antropoloog Harry Hoetink, die het beiden op hun eigen manier hadden over de psychosociale minderwaardigheidscomplexen van de gekoloniseerden. De gekoloniseerden willen wit zijn; ze kijken op naar de witte cultuur. Dit is nog steeds de boodschap van vele Fanon en Hoetink look-a-likes. Ik verkies de Engelse term look-a-like (similar though not the same) in plaats van de Nederlandse term "aanhangers", omdat ik wil aangeven dat we te maken hebben met mimesis, een proces dat de mens als deel van het dierenrijk heeft geperfectioneerd. Nature creates similarities. One need only think of mimicry. The highest capacity for producing similarities, however, is man's. His gift of seeing resemblances is nothing other than a rudiment of the powerful compulsion in former times to become and behave like something else. Perhaps there is none of his higher functions in which his mimetic faculty does not play a decisive role. (Walter Benjamin, "On the Mimetic Faculty" 1933, quoted in Taussig 1993, p. 19) Wat deze quote van Benjamin aangeeft is dat het proces van leren en innoveren begint met het nabootsen van de wijdere natuur en van andere mensen. Doordat we allemaal andere doelen hebben, in andere contexten opereren, en een ander startpunt hebben, begint mimesis altijd met alteriteit (verschil) en veroorzaakt het altijd alteriteit (m.a.w. er zijn en zullen altijd verschillen zijn en blijven ontstaan tussen degene die nabootst en wat hij of zij nabootst. Alteriteit is de wetenschappelijk term voor dit proces). Deze kijk op het leven, en menselijk handelen, kan ook toegepast worden op de Fanon en Hoetink look-a-likes. Zij beginnen als bewonderaars van Fanon en Hoetink die zij op intellectueel vlak na proberen te bootsen. Zij doen alsof zij de mantel dragen van deze denkers. Hun autoriteit als intellectueel is gebaseerd op het impliciet of expliciet in de mond nemen van de inzichten van deze gerenommeerde denkers (en hun geestverwanten) bij het analyseren van sociale processen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Doch zoals ik al aangaf gaat mimesis altijd gepaard met alteriteit. Aangezien zij in een andere tijd en context opereren, en andere doelen hebben, kunnen zij niet anders dan selectief en innovatief zijn als ze een appèl doen op Fanons "Zwarte Huid, Blanke Maskers" (1952) of Hoetinks "Gespleten Samenleving in het Caribische gebied" (1962). Als buitenstaander valt het op hoeveel energie de Fanon en Hoetink look-a-likes besteden aan het elkaar bestempelen als niet-kenner. Tenslotte kan er maar één de mantel van Fanon of Hoetink dragen! Ook valt het op om het gechargeerd te stellen hoezeer sommigen van hen elkaars helden in twijfel trekken (velen kunnen beide denkers waarderen al geven ze de voorkeur aan één van hen). Geheel in stijl komt raciaal denken te voorschijn in hun wederzijdse verwijten. Dit vooral gezien het feit dat onder Nederlandse Caribisten Fanon veel zwarte en bruine aanhang geniet en Hoetink vaker een held is voor witte wetenschappers. Van zwarte Fanonianen hoor je zulk soort uitspraken als, "jij bent een witte denker, wat weet jij er nou van! De ervaring van een wit lichaam is anders dan die van een zwart lichaam." Witte Hoetink fans gebruiken dit soort denigrerende taal als "geef nou toe dat zwarten een minderwaardigheidscomplex hebben. Ik begrijp dat er veel emotionele betrokkenheid bij komt kijken als nazaat van Hindoe contractarbeiders, maar we moeten wel wetenschappelijk blijven!" En ga zo maar door. Ondanks de voortdurende strijd en het spectrum van verschillen vallen er wel wat algemeenheden en gemeenschappelijkheden te bespeuren. Tenslotte, je kunt pas vijanden zijn als je bepaalde waarheden deelt. Ik baseer dit filosofische axioma op observaties en gespreken die ik heb gehad met een aantal van hen over casussen zoals dat van de zojuist beschreven scène bij het Sint Augustinus College en Arubaanse en Antilliaanse Nederlanders woonachtig in Nederland die zonder blikken en blozen hun Nederlanderschap accepteren. Vele Fanon en Hoetink look-a-likes hebben het beiden over vervreemding, false consciousness, maar geven hier een andere draai aan. De Fanonianen in de wereld van de Caribistiek-zoals al is aangegeven hebben zij vaker een donkere huidskleur-wijten deze vervreemding aan de bewuste manipulatie van de kolonisator Nederland. Ja, ondanks het feit dat zij veelal in Nederland wonen en werken, en belangrijke maatschappelijke functies bekleden, zien zij Nederland nog steeds als een koloniale mogendheid. Het Statuut van 1954 doet er niet toe. Zo ook niet alle hervormingen sinds de opstand van 1969 op Curaçao of Aruba's status aparte verkregen in 1986. Het is allemaal volksverlakkerij. Nederland is en blijft een schurk. Een land dat voor het merendeel wordt bevolkt door racisten; xenofoben die van Antilliaanse en Arubaanse Nederlanders allochtonen maakt. Typisch blank (lees makamba gedrag). Deze onomstotelijke feiten, zeggen Fanon look-a-likes, moeten Arubaanse kinderen en die zwarte-huid-blanke-masker leerkracht die ik meemaakte, inzien. Ze moeten begrijpen dat ze Creolen, Hindoestanen, Javanen of Indianen zijn. Hun raiz/rutu/roots zijn Afrikaans, Aziatisch of Amerikaansindiaans. Dat er wat blank bloed door hun aderen stroomt heeft te maken met de geile slavenmeesters. Het maakt hen niet Nederlands. Hun Nederlanderschap betreft uitsluitend hun paspoort. Al het andere is fake of een tragedie van het kolonialisme. De oplossing voor de Creolen is zwart bewustzijn. Voor de Hindoestanen bruin bewustzijn. Voor de Indianen rood bewustzijn. En ga zo maar door. Een bewustzijn dat zowel een ideologische als een materiële component bevat. Op zijn Amerikaans zou men zeggen Black Power en Black Economic Empowerment. Als dat niet op een vredige manier lukt omdat de witte instituties in de weg staan, dan zal er helaas geweld aan te pas moeten komen. Van Zwarte Huid Blanke Maskers naar de Verworpenen der Aarde (Fanons boek geschreven tijdens zijn carrière als ideoloog in de bevrijdingsoorlog van Algerije)! Later in mijn relaas zal ik aangeven dat hoewel dit allemaal heel Fanoniaans klinkt, het eigenlijk een vervorming is van Fanons filosofie. Vele Hoetink look-a-likes vinden het ook problematisch, zo niet pathologisch, dat Arubanen en Antillianen zich Nederlander in hart en nieren voelen. Als het niet gaat om het pragmatisch economisch en politiek belang van het hebben van een Nederlands passpoort (je kan overal naar toe reizen), dan word ik door hen geadviseerd om te gaan werken met Hoetinks concept van het somatisch normbeeld. Onder het somatisch normbeeld van een groep verstaan wij het geheel van die somatische kenmerken, die door de leden van die groep als norm en ideaal worden aanvaard. Als norm, omdat de esthetische waardering der somatische kenmerken van een individu naar dit somatische normbeeld worden afgemeten; als ideaal omdat een individu vrijwel nooit de verpersoonlijking van het somatisch normbeeld van zijn groep is. (Hoetink 1962, p. 202) Het is simpel. Fenotypische verschillen zijn door de natuur ingegeven. En voor Hoetink en zijn look-a-likes heb je nou eenmaal zwarte, witte, en bruine mensen. Je hebt nu eenmaal creolen, blanken en Hindoestanen. Zoals een oma die ik op een metrostation in Amsterdam sprak het verwoordde, "Onze lieve heer heeft het zo gewild." De Hoetink look-a-likes hebben het natuurlijk niet over onze lieve heer. Zij spreken van biologische en culturele evolutie (ofte wel wat Hoetink "milieu factoren" in de breedste zin van het woord noemde). Nature en nurture. Het laatste is sociologisch steno voor processen van enculturatie waarin jonge leden van een etnische groep hun cultuur en soortgenoten leren waarderen. Hierop voortbordurend beargumenteren de Hoetink look-a-likes dat het logisch is dat bij volwassenheid elke vertegenwoordiger van een etnische groep zijn of haar soortgenoten als ideale sekspartner prefereert (uitzonderingen daargelaten). Creolen horen creolen geweldig te vinden, net zoals blanken een voorkeur dienen te ontwikkelen voor blanken. Het gaat hier om het kernwoord ontwikkelen. Door kolonialisme en westerse overheersing in gesegmenteerde Caribische samenlevingen (lees multiraciale samenlevingen) hebben sommige groepen een minderwaardigheidscomplex. Het gaat om zwarten en bruinen. Hun ontwikkeling is verstoord. Zij willen graag blanken zijn (Hoetink, 1962, 208). Een uiting van deze pathologie is de term en praktijk van drecha bo color, wat zoveel betekent als je kleur/etniciteit dient te verbeteren door blankere sekspartners (en idealiter een blanke) aan de haak te slaan. Dit is het bindmiddel van deze samenlevingen. Bruine en zwarte elites baseren hun autoriteit op hun culturele witheid en velen verlangen er stiekem naar om wit te zijn. De oplossing voor zulke scheve verhoudingen en structurele pathologie is niet zo simpel volgens de Hoetink look-a-likes. Hun idool volgend beargumenteren zij dat je in een gekoloniseerde samenleving altijd groepen zal behouden met een minderwaardigheidscomplex zolang witheid de norm blijft. We moeten somber zijn. Er kan wat verbetering plaatsvinden, maar radicale verandering zou betekenen dat witten en de witte norm in die samenlevingen volledig moeten verdwijnen (Hoetink 1962, p. 186). En zelfs dan heb je nog de mogelijkheid dat een tussengroep zoals de mulatten of mestiezen de plek van witheid innemen. Wat ik bij het Sint Augustinus college meemaakte was een voorbeeld van de bestendiging van het somatisch normbeeld waar Hoetink het over had. Zwarten en bruinen die graag tot de witte wereld willen behoren. "Hun" kroonprins Willem-Alexander en Prinses Maxima! Hoe Verder? Als ik de strategie van de Fanon en Hoetink look-a-likes volg dan ruil ik de warmte, het plezier en het gevoel van eigenwaarde dat ik onder de leerkracht en de scholieren zag in voor een kille analyse waarbij zij verworden tot vervreemde wezens. Mensen met een minderwaardigheidscomplex. Er zou sprake zijn van structurele pathologie. De oplossing is culturele eliminatie van de witte norm en in het ergste geval fysiek geweld. Hoe moet ik verder als ik niet deze Fanon of Hoetink route wens te volgen? Wat ik op het Sint Augustinus College meemaakte kwam mij niet als pathologisch over. Tijdens die geschiedenisles dacht ik niet één keer aan Fanon of Hoetink. Ik vond de docent deskundig en de studenten leergierig en leuk. Hij was effectief en zijn studenten haalden goede cijfers. Ja, hij had Nederland lief, maar hij was zeker niet vervreemd. Ik heb momenten meegemaakt waarop hij kritisch was op het impliciete racisme dat hij als student in Nederland meemaakte. Op Aruba had hij ook al racisme meegemaakt, maar hij kon zulke "primitieve mensen," zoals hij discriminerende witte Arubanen noemde, van repliek dienen. Hij was geboren op Aruba en zijn ouders hadden bijgedragen aan de welvaart van het eiland. In Nederland werd hij bestempeld als allochtoon ook al was hij geboren Nederlander. Desondanks had hij vele witte Nederlandse vrienden. Vooral vriendinnen. Ja, die waren geweldig. Hij hield van blond, maar ook van "melkchocolade," en "koffiebonen." Zeg maar van alles. Een absolute afknapper was een vrouw met een platte kont. Ami no gusta hende muhe ku tjan tjan plat. Dat kon echt niet. Daarnaast voelde hij zich niet aangetrokken tot vrouwen die te zwart (pretu scur dof) of te blank (lechi) zijn. Ondanks de mooie Nederlandse vrouwen en ondanks alle aanbiedingen om als docent aan de slag te gaan was hij teruggekomen op Aruba om voor zijn mensen te zorgen. Deze contextuele affiniteit met Nederland, het benadrukken van gemeenschappelijk Nederlanderschap op bepaalde tijden en in bepaalde contexten, pasten binnen andere participatieve observaties die ik eerder had gedaan in Nederland en op andere Caribische eilanden. Laat mij maar een aantal voorbeelden geven. Vele bewoners op het eiland Sint Maarten waren apentrots over de verrichtingen van hun Oranje tijdens het WK. "We Dutch too." Het was stof om over te praten met de vele toeristen die op hun eiland vertoefden. Ze waren voor Brazilië, Argentinië, the Soca Warriors (Trinidad & Tobago) en Oranje. En als ze echt moesten kiezen? Dat was een oneigenlijke vraag waarop je oneigenlijke antwoorden kreeg. De context, tijd en doel, bepaalden het antwoord. Soms Oranje, soms Brazilië. Op Curaçao maakte ik iets soortgelijks mee. Veelal dezelfde mensen die kritisch en wantrouwend waren ten opzichte van Nederland vertelden op andere momenten hoe diep geschokt en bedroefd zij waren over de gepoogde aanslag op de Koninklijke familie. Aki na Korsou esaki nunka lo sosode, pasombra nos stima la Reina, hier op het eiland zou dit nooit gebeuren; wij houden van de Koningin. Om aan te geven dat Curaçao werkelijk koningsgezind is, vertelden ze dat zich onder de slachtoffers en potentiële slachtoffers van de aanslag koningsgezinde Curaçaoenaren bevonden. Ook in Nederland kom ik regelmatig gevallen tegen waarin Nederlanders van Caribische komaf hun Nederlanderschap voorop stellen. Eén van de meest memorabele was een failliete horeca ondernemer, een Nederlander van Surinaamse afkomst woonachtig in Eindhoven die vertelde dat hij bij het Arbeidsbureau weigerde geholpen te worden door een intercedent (medewerker die bemiddelt tussen klant en werkgever) van Marokkaanse afkomst, omdat hij had opgemerkt dat er een praktijk was om zogenaamde allochtone werkzoekenden te koppelen aan allochtone medewerkers. Ik zei tegen haar 'meisje ik heb niks tegen jou, maar ik ben geen allochtoon.' Je moet ze "meisje" noemen want soms zijn ze te brutaal. Ai. Ik zei 'Meisje je moet je niet laten gebruiken. Zeg maar tegen die hoge heren dat je graag ook met Hollandse cliënten wil werken.' Francio het moet maar eens ophouden! Ik ben geen allochtoon. Deze mensen moeten ophouden met hun nonsens. In mijn paspoort staat geboren in Eindhoven [interessant is dat hij pas op zijn vierde naar Nederland kwam. Maar dat doet er niet toe]. Dit optreden zorgde voor nogal wat commotie. Hij werd beschuldigd van discriminatie. Hij weigerde geholpen te worden en vroeg om met haar leidinggevende te mogen praten. Nogal gecharmeerd door zijn woordenschat en argumentatie kreeg hij alsnog een witte intercedent. Op andere momenten, vooral in het bijzijn van andere Surinaamse Nederlanders, was deze "geboren" Eindhovenaar, Surinamer en trots daarop. Dan kon hij schelden op, en grapjes maken over, de witte Nederlanders. Tegen de intellectuele kudde in Het zou te makkelijk zijn om deze observaties te analyseren als een vorm van opportunisme of het spelen van een rol. Zoiets als: "Ze zeggen het wel, maar hun Nederlanderschap is gewoon gespeeld. Kijk naar die Surinaamse man. Diep van binnen voelt hij zich Surinaams. De echte identiteit van Caribische Nederlanders is creools of Hindoestaans of mesties of Javaans, etc. Nu pas beginnen ze zich Nederlander te voelen, en dan met name de jongste generatie. Let wel, Nederlander met een verschil." Zo ontkom ik aan het gepsychologiseer van de Fanon en Hoetink look-a-likes, maar blijf wel vastzitten in het rasdenken. Hun essentie is creool, hindoestaan, etc. Om dezelfde reden zou het onverstandig zijn om deze zienswijze te combineren met de Hoetink en/of Fanon geïnspireerde theorieën van vervreemding. Zoiets als: "Dat de docent van het Augustinus College genoot van o.a. blond geeft aan dat hij een gespleten somatisch normbeeld heeft. Hij heeft geleerd om zijn zwart-zijn te accepteren, maar zeer waarschijnlijk zou een Fanoniaanse psychoanalytische sessie uitwijzen dat ondanks zijn liefde voor alle vrouwen, zijn ideaal wit is. Zijn acceptatie is gewoon oppervlakkig anders zou hij nooit zo'n geschiedenisles kunnen verzorgen." Dus misschien speelt jouw Surinaamse informant en is hij trots op zijn Surinaamsheid, maar hoe diep is het? Hoewel ik deze argumenten en analytische keuzes kan begrijpen, bestendigen zij zoals ik al aangaf ongewild (en misschien zelfs gewild) het essentialistisch etnisch denken. Ze houden raciaal denken in stand. Om die reden ga ik bewust tegen de intellectuele kudde in. Hoewel ook ik Hoetinks en Fanons oeuvre respecteer, moeten we voorzichtig zijn met het aannemen van theoretische concepten en explicaties die ontstaan zijn in een andere historische context. We moeten voorzichtig zijn met wat we in huis halen bij het analyseren en schrijven over sociale processen binnen het Koninkrijk. Neem bijvoorbeeld Hoetinks somatisch normbeeld. Op zich is dit een logisch concept ontstaan vanuit zijn veldwerk in de Cariben. Het probleem hierbij is niet per se het concept, zoals Raymond T. Smith al begin jaren 1990 aangaf, maar de raciale aannames waarmee Hoetink naar de Caribische samenlevingen keek en hierdoor mogelijk verkeerde conclusies trok. Hoetinks invulling van het somatisch normbeeld neemt voor lief dat de pseudo-scientistische raciale categorieën waarmee wij gesocialiseerd zijn om mensen in te delen, een natuurlijk gegeven zijn. De ideale somatische normbeelden waarmee hij impliciet werkt, lijken heel sterk op de 19de-eeuwse rassenindeling. Er zijn witten, zwarten en bruinen. Het is door de natuur gegeven. Like the people he is writing about, he believes that those physical differences are self-evident and much more significant than differences in stature, head shape, eye color, and hair color within any supposed racial group (Smith 1992, p. 263). Vele Fanon look-a-likes die voor black en brown power staan zijn eigenlijk heel on-Fanons. Zij lijken meer op Hoetink in dat zij ook van de scientistische raciale categorieën uitgaan en strijden opdat die gelijke waardering krijgen. Zij vergeten de conclusies van Fanon. Voor hem waren zwart en bruin constructies net zoals witheid. Waar het om draaide was al deze categorieën te deconstrueren. I have no wish to be the victim of the Fraud of a black world…There is no white world, there is no white ethic, any more than there is white intelligence. There are in every part of the world men that search…The Negro is not. Any more than the white man. Both must turn their backs on the inhuman voices which were those of their respective ancestors in order that authentic communication be possible…Superiority? Inferiority? Why not the quite simple attempt to touch the other, to explain the other to myself? Was my freedom not given to me then in order to build the world of the You?... I want the world to recognize, with me, the open door of every consciousness (2008, Pp. 180-181). The world of the You (waar respect heerst voor de veranderlijke individualiteit van ieder), de ideale wereld waarin individuen en groepen niet worden geëssentialiseerd, was volgens theoretici zoals Judith Butler (2008) en Paul Gilroy (2000) Fanons ultieme hoop. Hij baseerde dit op de universele kwetsbaarheid en creativiteit van alle mensen. Hij ging alleen maar over tot het promoten van geweld tegen de koloniale onderdrukkers toen bleek dat dit niet op een vreedzame manier in een gekoloniseerde wereld zou kunnen geschieden. Zelfs toen bleef hij geloven in zijn droom van the world of the You en hoopte hij dat fysiek geweld niet noodzakelijk zou zijn. En als het noodzakelijk was, dat het zou leiden tot wederzijds respect door het inzicht van wederzijds verlies. Daarom kunnen we lezen in zijn antikoloniale manifest De Verworpenen der Aarde dat de bewoners van Europa ook deel uitmaakten van zijn ideale wereld. Hoe gaan wij verder? Wij, intellectuelen en wetenschappers, die leven in een tijd na politiek kolonialisme, na het Statuut, moeten Fanons droom durven dromen. We moeten ook Hoetinks inzichten durven revolutionaliseren opdat zij hun residu van racialisering kwijtraken. Dit betekent concreet een "reinvention" van de Nederlandse Caribistiek. Ondanks alle populistische tegenkrachten die Caribisten willen overhalen om in de 21ste eeuw in de categorieën van zwart-wit-bruin, nikker-makamba-koelie, te blijven denken en analyseren. Ondanks wetenschappelijke gewoonten om creolen-hindoestanen-blanken als identiteiten te essentialiseren (ook op conceptueel niveau). Ondanks de zotheid op realisme dat vele Caribisten verdedigen met argumenten zoals "de mensen die wij beschrijven gebruiken deze categorieën dus wij moeten het ook zo rapporteren." Ondanks dit alles wil ik mijn mede Caribisten oproepen antiracistisch naar ons heden te leren kijken. Als ik me beperk tot het Nederlandse deel van ons Koninkrijk dan wordt duidelijk dat onze tijd er één is waarin veelkleurig Nederlanderschap elke dag wordt genormaliseerd door geroemde TV series zoals Spangas. De meest succesvolle Nederlandse voetballer aller tijden de naam Clarence Seedorf (geboren in Suriname) draagt. De lingua franca van jong urbaan Nederland straattaal is vol met Surinaamse, Antilliaanse en Marokkaanse woorden en uitdrukkingen. Het populaire theaterstuk over Prins Claus gedirigeerd en geschreven is door de op Curaçao geboren politicus John Leerdam. Bekende Nederlanders zoals Chantal Gill'ard en Alain Clark geen moeite hebben dat zij zowel Caribisch als Europees zijn. En als we het hebben over de meest vooraanstaande Nederlandse publieke intellectuelen we het moeten hebben over de in Suriname en Somalië geboren Nederlanders, Anil Ramdas en Ayaan Hirsi Ali. Dit is ons heden naast alle vervelende residuen van racisme waar we zeker tegen moeten blijven strijden! Het is ook het heden van onze informanten en respondenten. Zij moeten zich ook in deze wereld bewegen. Een wereld waar men antiracistische en helaas ook racistische praktijken nabootst. In één van de Rotterdamse kapperszaken waar ik wekelijks veldwerk verricht, wordt dit duidelijk. Daar zie ik hoe twee kappers van Surinaamse en Antilliaanse komaf, Romano en Angelo, die tevens eigenaren zijn van de zaak, een veelkleurig clientèle hebben. Zij organiseren cursussen voor witte Nederlandse moeders opdat zij leren omgaan met hun kinderen met krullend haar. Daarnaast laten deze moeders en hun familieleden zich verzorgen door deze kappers. De kapperszaak fungeert ook als een ontmoetingsplek waar stevig wordt gediscussieerd, gelachen en geflirt. Het wordt duidelijk voor de vaste gasten hoe spastisch wij doen over diversiteit en hoe krampachtig wij blijven vasthouden aan roestige raciale categorisering. Daarbinnen is niks heilig. Van religie tot cultuur, alles mag besproken worden, zolang dit gebeurt met respect en een sausje humor. Angelo, de op Curaçao geboren kapper, verwoordde het proces zo, Alles kun je zeggen, maar wel met respect. Wij, wij zijn een luisterend oor voor alle mensen die komen knippen. Als je met mensen omgaat bijvoorbeeld, wat ik vind dan moet je mensen respecteren. Je moet open zijn voor iedereen. Dat je niet bijvoorbeeld iemand gelijk een willetje of gedachte van een persoon [oplegt]. Voor mij maakt het niet uit hoe die persoon eruitziet en welke cultuur zodat je een verbinding maakt en die persoon kennen en jou wil leren kennen. Dan kan je over alles praten, maar wel met respect. Dan lach je toch. Ja we lachen iedereen uit. En zeggen haar je moet anders doen met je leven. Maar als de persoon dat niet leuk vindt en zegt liever niet. Als het bijvoorbeeld gaat over geloof en die persoon zegt liever niet dan kunnen we over iets anders praten. Dan praten over iets anders en over. Zij blijft een kind van God. Angelo is een devote christen die veel banden onderhoudt met Curaçao. Hij praat met een zwaar Curaçaos accent en wordt vaak gecorrigeerd op zijn Nederlands. Hij was 18 toen hij naar Nederland verhuisde. Door hard werken en zijn geloof heeft hij het geschopt tot zelfstandig ondernemer. Hij is getrouwd met een in Nederland geboren vrouw van Antilliaanse komaf. Zij spreekt vloeiend Nederlands en is HBO geschoold. Voor haar is het belangrijk dat Angelo zowel Nederland als Curaçao accepteert als zijn moederlanden. Zij wil dat hun kind zich aan weerskanten van het Koninkrijk thuis voelt. Angelo heeft een compromis gevonden. Voor hem staat Curaçao symbool voor zijn burgerschap en Nederland voor zijn nationaliteit. Mi afkomst ta Korsow pero bo nationaliteit ta Nederlander, ta koninkrijk anto bo no por cambei. Mi ta ju di korsow pero mi nationaliteit ta Hulandes [mijn afkomst is Curaçaos, maar mijn nationaliteit is Nederlander, deel van het Koninkrijk en dat kan je niet veranderen. Ik ben een kind van Curaçao, maar mijn nationaliteit is Nederlands]...Natuurlijk ben ik een Curaçaoenaar. En dat ik hier woon ik ben hier voor een betere toekomst dat is de reden waarom ik hier ben gekomen. En omdat ik zie dat, dat als ik daar was gebleven niet zo vooruit was gegaan zoals nu. Het is niet een kwestie van dat ik niet vooruit zou kunnen komen, maar het gaat om motivatie. Ik wilde niet een beperkte persoon blijven, wat meer mogelijkheden en ik ben bezig om nog meer te bereiken. Hier wordt je meer zelfstandig. Niet meer een Mama's kindje. Je wordt gemotiveerd. De mogelijkheden en structuur is hier anders. De cultuur motiveert je om wat te bereiken. Er zijn Nederlanders die je motiveren. Ze geven je een duwtje dat jezelf gaat doen wat je wil doen in het leven en dat vind ik goed. Daarom ben ik blij dat ik Nederlander ben, maar mi afkomst dat blijft Korsow. Interessant hierbij is dat Romano, zijn in Suriname geboren collega, dit anders ziet. Hoewel hij zijn bruine huid lief heeft en Surinaamse tradities respecteert, voelt hij zich 100% Rotterdams/Nederlands. Ik voel me Rotterdammer omdat ik van kinds af aan hier ben opgegroeid. Doordat ik van kinds af aan hier ben opgegroeid. Ik ben verhollandst opgegroeid...Als ik in Suriname ben zou ik het aanpakken als een Nederlander. Die mentaliteit heb ik van hier gekregen. De normen heb ik hier geleerd. Ik praat met een Rotterdams accent. Door zijn zware Rotterdamse accent en manier van omgaan voelen zijn klanten zich direct op hun gemak. Hij is de personificatie van "Rotterdam van de havenarbeiders; van de niet lullen, maar poetsen mentaliteit". Er bestaat wel enige dissonantie. Er zijn velen die hem nog steeds willen differentiëren gebaseerd op huidskleur en haartype. Daarom moet hij soms aangeven dat hij Creool is. Het is hun probleem, niet dat van hem. Ik heb daar helemaal geen probleem mee, Ik moet wel dubbel zo hard vechten, maar hoe zij mij willen zien is hun probleem. Verder heb ik er gewoon schijt aan ...Wij vechten dubbel hard en we gaan blijven vechten. Je kan hier heel veel voor mekaar krijgen, maar ben je een Nederlander krijg je het makkelijker. Maar een deel van het probleem ligt aan onze laksheid. Om Romano te waarderen en over hem te schrijven vergt een antropologische attitude waarbij participerende observatie het beginstadium is dat leidt tot een proces van engaged learning: [B]y adding the "engaged" to "learning" I have meant to stress the existential and moral dimension of the labour, the extent to which one's whole person is exposed and subjected to the judgments and corrections of others in the process... It is more like learning right from wrong than like learning a set of facts (Carrithers 2005. p. 437). Het gaat er dus om dat je leert begrijpen dat contextloze en tijdloze feiten niet bestaan als je bezig bent met de studie van sociale processen in een veelkleurig en steeds veranderend Koninkrijk der Nederlanden. Als onderzoeker ben je tevens deel van dat proces. Door je geëngageerd en open op te stellen (door te beseffen dat Fanons the world of You al een bewust feit is voor iedereen naast het voortdurende racisme!) begin je te begrijpen dat wat op een bepaald moment goed gedrag is op een ander moment als ongepast bestempeld kan worden (Guadeloupe & de Rooij, forthcoming; Baumann 1996). Hetzelfde geldt voor identificaties. Je leert ook de individuele geschiedenissen ofte wel processen van individualisatie te zien van mensen die je sociologisch exclusief in één etnisch hokje zou plaatsen (Guadeloupe 2009). Romano is op tweejarige leeftijd naar Nederland gekomen. Zijn broers en zussen zijn in Nederland geboren. Net zoals zij is hij sporadisch naar Suriname geweest. Het land interesseert hem minder dan Nederland. Door zijn vrouw die een devote Hindoe is met vele familieleden in Suriname is hij zich wat meer gaan interesseren voor het land van zijn geboorte. Zoals hij het zegt: soms gedraagt hij zich Surinaams en soms Nederlands. Het hangt ervan af. Alles kan in Rotterdam volgens hem. Een antiraciale theorie van het subject als opstapje tot een antiracistische caribistiek Elke keer als ik Romano en mijn andere respondenten ontmoet, elke keer als ik denk aan die docent op Aruba, vraag ik me af waarom "alles" ook niet zou kunnen in het intellectuele circuit van Caribisten. Engaged learning, het minutieus volgen van respondenten met een open houding, zorgt ervoor dat je de veranderlijkheid van mensen beter herkent/erkent en hen niet categoriseert als onveranderlijke raciale wezens. Ik ben gaan inzien dat wat wij nodig hebben binnen de Nederlandse Caribistiek een antiracistische theorie is van het Subject waarin wij subjecten zien als chemische en biologische processen zonder een onveranderlijke raciale kern of einddoel. Wij zijn tijdelijke configuraties van atomen-lichamen geëquipeerd met praktisch en reflectief bewustzijn-die voortdurend in wording zijn. En we leven in een wereld van samenlevingen die ook in wording zijn. Everything is in the absolute restlessness of becoming. But becoming is not a process that leads to another thing, because it is the condition of everything (Nancy, 2002, p. 12). We worden onaf geboren en moeten dus continu leren. Dit gebeurt door mimesis/alteriteit. We bootsen elkaar na maar altijd op een idiosyncratische manier. Met andere woorden: simultane multi-directionele processen van individualisering en gemeenschappelijkheden. Als we Zijn (Being) zouden inwisselen voor Wording/Emerging (Becoming) dan wordt het makkelijker om het essentiedenken van latent aanwezige raciale substanties die wij binnen de Caribistiek invullen met de etnische categorieën van creool, hindoe, en blanke te overstijgen. Iemand is niet blank of creool. Iemand wordt tijdelijk blank en creool door interacties. Aangezien elke wording gepaard gaat met bewustzijn is er altijd naast herkenbare patronen ook verschil en dus vernieuwing. Dit heeft implicaties. Somatische normbeelden en etnische categorieën behoren niet exclusief tot een specifieke groep of een individu. Ze kunnen in potentie tot iedereen behoren. In de Wording die het Leven is zijn er altijd keuzes geïnformeerd door eerdere keuzes en identificaties. We moeten dus Hoetink radicaliseren en zo ontdoen van impliciet raciaal denken. Er bestaat geen exclusief zwart, bruin of wit somatisch normbeeld. Net zoals er geen exclusieve zwarte, bruine of witte cultuur bestaat. Niemand kan fake, onecht, zijn. Fake is alleen wat tegen onze historische ballast, dominante intermenselijke afspraken (waarheden), ingaat. Als we dit kunnen inzien dan zal niemand zoeken naar de "echte" Romano achter de Nederlandse Romano! Zo ook is mijn hoop dat er een dag zal komen waarin menig onderzoeker die schrijft over kleine blonde meisjes die ritmisch met hun heupen swingen op Reggaeton, zoals ik eentje meemaakte in Romano en Angelo's kapperzaak, zich niet zullen beroepen op termen zoals "blanken die zwart doen." Wanneer die dag komt, zullen we adieu kunnen zeggen aan nikkers, koelies, en makambas in de Nederlandse Caribistiek. Bibliografie Baumann, Gerd 1996. Contesting Culture: Discourses of Identity in Multi-ethnic London. Cambridge: Cambridge University Press. Butler, Judith 2008. Violence, Nonviolence: Sartre on Fanon. In Race after Sartre: Antiracism, Africana Existentialism, Postcolonialism, Jonathan Judaken, eds. Pp. 211-231. Albany: State University of New York Press. Carrithers, Michael 2005. Anthropology as a Moral Science of Possibilities. Current Anthropology 46 (3): 433-456. 1992. Why Humans have Culture: Explaining Anthropology and Social Diversity. Oxford: Oxford University Press. Clifford, James 1994. Diasporas. Cultural Anthropology 9 (3): 302-338. Davids, Tine, Francien van Driel, and Anouka van Eerdewijk Forthcoming. Gender and Governance at the Local/Global nexus. Globalizations. Fanon, Franz 2008. Black Skin, White Mask (translated by Richard Philcox). New York: Grove Press. 2004. The Wretched of the Earth (translated by Richard Philcox). New York: Grove Press. Geschiere, Peter 2009. The Perils of Belonging: Autochthony, Citizenship, and Exclusion in Africa & Europe. Chicago: University of Chicago Press. Gilroy, Paul 2000. Between Camps: Race, Identity and Nationalism at the End of the Colour Line. London: The Penguin Press. Glissant, Édouard 2000. Poetics of Relation (translated by Betsy Wing). Ann Arbor: University of Michigan Press. Guadeloupe, Francio 2009. 'I is Just Myself' Writing the Individual in the Anthropology of the Caribbean. Etnofoor 21 (1): 79-96. Guadeloupe, Francio, and Vincent de Rooij 2007. Zo Zijn Onze Manieren…visies op multiculturaliteit in Nederland. Amsterdam: Rozenberg Publishers. Forthcoming. The Promise of a Utopian Home, or Capitalism's Commoditisation of Blackness. In Dutch Racism, Philomena Essed & Isabel Hoving, eds. Amsterdam: Rodopi. Gutting, Gary 1984. Paradigms and Hermeneutics: A Dialogue on Kuhn, Rorty, and the Social Sciences. American Philosophical Quarterly 21 (1): 1-15. Hoetink, Harry 1962. De Gespleten Samenleving in het Caribisch gebied: bijdrage tot een sociologie der rasrelaties in gesegmenteerde maatschappijen. Assen: Van Gorcum & Company NV. Maran, Timo 2003. Mimesis as a Phenomenon of Semiotic Communication. Sign System 3 (1): 191-215. Maturana, Humberto R, and Francisco Varela 1987. The Tree of Knowledge: the Biological Roots of Human Understanding. Boston: Shambhala. M'Charek, Amade 2005. Problemen met Diversiteit, of waarom we van lijsten afmoeten. Tijdschrift voor Genderstudies 3: 74-87. Nancy Jean-Luc 2002. Hegel and the Restlessness of the Negative (translated by Steve Miler). Minneapolis: University of Minnesota Press. Smith, Raymond T 1992. Race, Class, and Gender in the Transition to Freedom. In The Meaning of Freedom: Economics, Politics, and Culture after Slavery, Frank McGlynn and Seymour Drescher, eds. Pp. 257-290. Pittsburg: University of Pittsburg Press. Taussig Michael 1993. Mimesis & Alterity: a particular History of the Senses. New York: Routledge. Verrips, Jojada 2001. Kleine Anatomie van in- en uitsluiting. In Dedication and Detachment: Essays in Honor of Hans Vermuelen, Flip Lindo en Mies van Niekerk, eds. Pp. 285-299. Amsterdam: Spinhuis. Williams, Bernard 2002. Truth and Truthfulness: an Essay in Genealogy. Princeton: Princeton University Press. *************************** Referaat dr Aspha Bijnaar Vrijdagavond, ik word gebeld. Of ik meteen de tv wil aanzetten voor Van der Vorst ziet sterren, want het gaat deze keer over John Williams, de zwarte presentator wier ster rijzende is door zijn rol in programma's als Help mijn man is klusser en Een dubbeltje op zijn kant, en die figureert in de reclame over Mona-toetjes. Ik ga ervoor zitten. Het programma brengt John terug naar zijn jeugd in een Zeeuws dorpje, waar hij samen met zijn oma de enige neger was. De omgeving waar hij opgroeide was zo sterk wit dat hij het woord neger, wat hem niks zei, gewoon gebruikte om zijn blanke vriendjes mee uit te schelden. Voor een aantal mensen is John Williams het ultieme bewijs van culturele vervreemding, een Bounty die gauw moet worden teruggeroepen tot de ' zwarte orde'. Francio, in essentie lees ik je betoog als een aanklacht daartegen. Ik kan het niet met je oneens zijn, maar eerst dit. Ik bewonder je moed om dit onderwerp in een betoog te vangen. Het is tegelijkertijd veelbesproken en toch taboe, dus een mijnenveld! Het is een onderwerp dat je eerder 'voelt', wat niet echt mag in wetenschap. Dat weet je en je probeert het hier te 'grijpen'. Dat is prijzenswaardig, temeer omdat je ook nog eens een alternatief presenteert, waarover we tenminste in debat kunnen gaan. Je hebt geprobeerd dit onderwerp te grijpen, concreet te maken, maar dat is mijns inziens nog niet helemaal gelukt. De leidende vraag uit je betoog is: hoe kunnen we antropologisch onderzoek doen zonder uit te gaan van racistische termen als nikkers, koelies en makamba's ofwel de verbloemende termen creolen, Hindoestanen en blanken? Jij zegt, dat is heel simpel. Door deze termen te ontdoen van hun essentie en aldus fris te kijken naar bijvoorbeeld de leerlingen en hun docent op het Augustinus College te Aruba met hun les over WO1. Maar omdat je wilt kijken waar jouw oplossing toe leidt, ga je eerst te rade bij look-a-like denkers van Fanon en Hoetink. Er woedt daar volgens jou discussie over de minderwaardigheidscomplexen van de gekoloniseerde, ofwel over de culturele vervreemding van de gekoloniseerde als gevolg van het opkijken naar witte cultuur. De hoofddebaters in dit wetenschappelijk discours zijn volgens jou de look-a-likes van Frantz Fanon versus de look-a-likes van Hoetink. Wie zijn de Fanonianen volgens jou? Kenmerken: voornamelijk donkere huidskleur; woonachtig in Nederland waar ze maatschappelijk redelijk tot succesvol zijn geslaagd. Hun visie: vervreemding komt door bewuste manipulatie van de kolonisator Nederland die een schurk is en blijft. Een land dat wordt bewoond door vooral racisten die, ons Antillianen, Arubanen en Surinamers, allochtonen noemen. Dus, redeneren de Fanonianen, 'Geschiedenisleraar daar te Aruba, zorg dat die leerlingen die aan je lippen hangen, dat inzien! Dat ze begrijpen dat ze in wezen creools, hindoestaans, javaans of Indiaans zijn en blijven. Een beetje wit bloed maakt je niet Nederlands, alleen je paspoort doet dat, doch slechts op papier.' Oplossing: bekeer je tot zwart, bruin of rood bewustzijn, werk aan je economische empowerment desnoods via geweld. Aan de andere kant van de discussie, de Hoetinks. Wie zijn zij volgens jou? Kenmerken: voornamelijk witte huidskleur; voornamelijk witte wetenschappers die in Hoetink hun held zien. Hun visie: dat Arubanen en Antillianen het Nederlanderschap omarmen is ziekelijk. Zij hebben het somatisch normbeeld verinnerlijkt. Kortom, een verstoorde ontwikkeling van hen die graag blank hadden willen zijn en dus een minderwaardigheidscomplex hebben ontwikkeld. Ze wanen zich wit en elitair en ontlenen hun autoriteit daaraan. Oplossing: die is er niet. Want deze 'ziekte' is niet gemakkelijk uit te bannen tenzij je witten en de witte norm verbant uit de samenleving, maar ja, beseffen ze pessimistisch, dan gaan mulatten of mestiezen die bevoorrechte plek weer innemen. Je ziet niet veel heil in de visies van de look-a-likes van Fanon of Hoetink, dus formuleer je een alternatief, Francio en dat is: zonder racistische assumpties kijken naar het voorval Augustinus College. Dan zie jij eigenlijk niets dat verwijst naar een minderwaardigheidscomplex of pathologisch gedrag, maar vooral leergierige studenten die hangen aan de lippen van een deskundige docent met wie ze het samen leuk hebben. Dus je roept ons op adieu te zeggen tegen die termen koelies, nikkers en makamba's en pleit ervoor te kijken naar hoe iemand in zijn geheel staat in het leven, met een open mind, met oog voor de veranderlijkheid en vernieuwing waarmee hij of zij zich zelf definieert als zwart, wit, gemengd of juist niet. Dan laat je zien hoe jij dat zelf doet in je onderzoek naar sociale uitsluiting in Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Je presenteert daarbij prikkelende portretten van de culturele identiteiten van het Surinaamse en Antilliaanse kappersduo uit Rotterdam Romano en Angelo. Ok, ik voel het, maar ik ben niet helemaal overtuigd van je wetenschappelijke analyse. Je verwijst naar een lopende wetenschappelijke discussie tussen Fanon en Hoetink look-a-likes, maar je laat heel erg in het midden wie de look-a-likes zijn: wie zijn deze critici, waar kunnen we hun stellingname teruglezen? Bovendien, je typering van de Hoetinks kan ik niet plaatsen. Witte wetenschappers die zwarten bestempelen als ziek, omdat die het somatisch normbeeld hebben verinnerlijkt en somber zijn over het ultieme medicijn, namelijk het uitbannen van de witte cultuur, de witte norm. Het kan zijn dat de terminologie die je wilt uitbannen jou hier zelf de das om doet wanneer je willekeurig rept over zwarten dan weer creolen, blanken dan weer witten, bruinen (wie zijn de bruinen, staan ze weer los van de zwarten?). En dan verdere vragen: wie zijn de grootste voormannen in deze look-a-like discussie? Sinds wanneer vindt die discussie plaats? Is het niet eerder een discussie tussen zwarte en witte intellectuelen of een discussie tussen zwarte en witte activisten? Zoals gezegd, je laat veel in het midden. Ook heb je nog niet duidelijk gesteld waarom de termen creolen, hindoestanen en blanken geweerd moeten worden uit het antropologisch onderzoek. Nou, je zegt het wel, opdat we met een open mind kijken naar de veranderingen en vernieuwingen in de culturele identiteit van hindoestanen, creolen en wat dies meer zijn. Maar waarom is handhaving van die terminologie een probleem voor het wetenschapsbedrijf? Moeten we daardoor nooit meer onderzoek doen naar bijvoorbeeld de schoolprestaties van Surinaams-Hindoestaanse nieuwkomers. Of naar de oorzaken van criminaliteit van Antilliaanse jongeren. Als je daarin niet zo ver wilt gaan, hoe moet in jouw benadering de onderzoeksgroep dan worden gedefinieerd, als je deze termen uitbant of de-essentialiseert? Je kondigde in het begin van je betoog aan te laten zien hoe jij dat zelf doet in je onderzoek naar sociale uitsluiting in Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba. Maar los van je open minded observaties van dat college in Aruba en je analyses van het kappersduo etc. zie ik toch niet goed tot welke algemene bevindingen het leidt in jouw onderzoek naar sociale uitsluiting en aldus voor de Caraïbistiek/Antropologie in het algemeen. Bovendien, deze manier van kijken is niet erg nieuw, dacht ik. In het onderzoek naar identiteiten zijn concepten als double identity, multiple identity, schizofrene identity bij studies naar nieuwkomers al een aantal jaren in zwang. In hoeverre geef je je rekenschap van deze studies? Maar misschien moet ik dit alles zien als een voorzet. Zo ja, dan moet ik eerlijk zeggen dat ik het wel fris vind. John Williams mag voor mij de ultieme blaka bakra zijn. Mensen die zich hebben bekeerd tot alias Tula, alias Kwakoe mogen voor mij ook de ultieme neger zijn. Dat mensen migreren en de gewoonten, waarden en normen overnemen uit een andere cultuur omdat die voor hen beter werken, is zo oud als de mensheid zelf en is van alle tijden. Nederlanders die zijn verhuisd naar Afrika, Azië of het Caraïbisch gebied en er al generaties wonen krijgen van 'hun eigen mensen', voor zover ik weet geen soortgelijke stigma's over zich heen. De vraag is waarom zwarten, wij zwarten, dat wel steeds doen. Jouw betoog zet ons hierover aan het denken. Dank je wel, Francio! Aspha Bijnaar |
Dit is de vroegere versie van Caraïbisch uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Sinds vrijdag 23 mei 2014, 18.00 uur wordt deze blogspot niet meer geüpdate. U kunt deze plek nog wel blijven bezoeken, maar voor actuele berichten dient u te gaan naar de nieuwe site!
Van Lier Lezing
Abonneren op:
Posts (Atom)