Dat er op een uitgesproken mening in de Ware Tijd Literair reacties komen is niet ongewoon. Daar zijn we
altijd blij mee. Het betekent dat de literaire pagina goed wordt gelezen. Discussies
kunnen tot meer diepgang leiden. Dat er op de ‘Srefidensi/Zelfdenken’-special van
zaterdag 25 januari 2014 drie reacties kwamen was toch een verrassing.
![]() |
| Eva Essed-Fruin |
Erg blij zijn we met de verduidelijking van Eva Essed-Fruin
over Trefossa’s betrokkenheid bij ons volkslied in zijn huidige vorm, waarbij
zij putte uit haar rijke ervaring. Hieronder haar reactie:
‘Jammer dat je niet even de pagina’s 101-104 van Ala poewema foe Trefossa (1977) hebt
opgeslagen, waarin de totstandkoming van het volkslied wordt beschreven.
Aan Henny de Ziel is nooit verzocht een Nederlandstalige strofe te dichten. De
toenmalige Raad van Ministers wilde de tweede strofe van het door dominee
Hoekstra geschreven volkslied als eerste gebruiken en vroeg via Frank Essed aan
Henny om een strofe in het Sranan te maken, wat hij binnen enkele dagen deed.
Deze door hem geschreven tekst is de officiële geworden. Omdat De Ziel de
Nederlandse tekst erg negatief vond heeft hij enkele regels gewijzigd. De twee
eerste en de laatste regel heeft hij gehandhaafd, de regels “Doch dat
elk zich dan ook schame/ Die zijn ere maakt te schand!/ Recht en waarheid te
betrachten,/ Zeed’lijk rein en vroom en vrij,/ Al wat slecht is te verachten,”,
verving hij door “Hoe wij hier ook samen kwamen/ Aan zijn grond zijn wij
verpand./ Strijdend houden we in gedachten:/ Recht en waarheid maken vrij:/ Al
wat goed is te betrachten,”. Het woordje “strijdend” heeft de Raad van
Ministers vervangen door “werkend”. De eerste strofe is hoogstens een bewerking
van de traditionele tekst, waarbij de stijl van Hoekstra zoveel mogelijk is
gehandhaafd. Het is beslist onjuist om Trefossa op grond hiervan stijfheid in
het Nederlands te verwijten. Deze strofe is ook niet opgenomen in Ala poewema..., alleen in de commentaar.’
Tot zover Eva Essed-Fruin...
![]() |
| Hilde Neus. Foto © Michiel van Kempen |
Neerlandicus Hilde Neus heeft zich de kritiek op de lezing
van Lila Gobardhan erg aangetrokken:
‘Soms ga je naar een activiteit met bepaalde verwachtingen,
maar je kunt je ook laten verrassen. Ik was dan ook teleurgesteld over de
bespreking van Lila Gobardhans lezing door Els Moor. Haar bespreking bestaat
uit opmerkingen over wat ze aan kwaliteit van het Sranan binnen de
Trefossa-poëzie had verwacht, maar tegelijkertijd is haar artikel voornamelijk
een opsomming van zaken die al eerder besproken zijn, vooral door Hein Eersel.
De opdracht aan de verzorger van de Trefossa-lezing is niet uitsluitend een
analyse van het werk van Trefossa. Vene zijn lezing (2011) bijvoorbeeld ging
daar niet uitsluitend over en Eddy van der Hilst (2010) analyseerde werk van
Johanna Schouten-Elsenhout. Aan de inleidster was gevraagd om over Trefossa en
taal te praten; een brede opdracht. Mijns inziens heeft ze dat op zeer
indringende wijze gedaan door vooral de dagboeken als bron te gebruiken, geheel
in de traditie van haar werk als onderzoekster van archieven. Al eerder is daar
kort uit geciteerd in het Mutyama-nummer
over Trefossa (1990), maar die citaten werden niet binnen zo’n uitgebreide
context geplaatst. Cynthia Abrahams heeft in 2010 het Trefossa-archief waartoe
de dagboeken behoren mogen overdragen aan het Nationaal Archief van Suriname
(NAS).
Het sterke van de lezing van Gobardhan was vooral dat ze
liet zien hoe Trefossa zich als persoon al op jonge leeftijd uitdrukte op een
nadenkende en zelfs poëtische wijze, die duidelijk de voorbode was van de
verbinding tussen zijn levenshouding, het benaderen van talen en hoe hij
daarmee omging in zijn kunst. Iemand met een andere dispositie en minder
introspectie had geen sonnetten van zulke kwaliteit kunnen produceren. Zijn
zwakke gesteldheid maakte dat hij alles overdacht en zijn leven zag in
uitdagingen. Die is hij ook aangegaan met taal. Door het lezen van de dagboeken
en de inbeddingen van citaten in Gobardhans lezing, blijkt dat hij al vanaf
zijn jonge jaren worstelde en zijn producten niet uit zijn mouw schudde. Hij
heeft veel moeite gehad om over kleine dingen heen te stappen, dingen die later
heel wat groter bleken te zijn (zijn hartproblemen). We hebben een breder beeld
gekregen van de mens achter deze grote kunstenaar. Misschien was een aantal
zaken reeds bekend, maar de precaire wijze waarop de dichter daar zelf mee
omging was dat beslist niet. Er zijn stromingen binnen de literatuur die een
literair werk als autonoom gegeven willen zien, zonder welke biografische
gegevens van de auteur dan ook daarbij te betrekken. Maar uit deze lezing bleek
duidelijk hoe het leven van de man en de levenslust waarmee hij zijn problemen
oppakte en er kleine dingen van maakte, zijn werk heeft getekend.’
![]() |
| Alphons Levens |
Alphons Levens, actief
lid van de Schrijversgroep ’77 en publicist, is niet blij met de opmerking van
Johan Roozer tijdens de zesde Trefossa-lezing, dat er ‘weinig is gebeurd op
literair gebied’ en stelt zich op achter het artikel ‘Van de redactie’: ‘Ik ben het volkomen eens met “Van de
redactie. Srefidensi in de literatuur” in de Ware Tijd Literair. Ik zat
namelijk op woensdagavond 15 januari 2014 (...) in het auditorium van Self
Reliance en wist ook niet wat ik hoorde toen Johan Roozer dat zei.’ Waarvan
akte...




































