Identiteiten (2)
 |
| Bea Vianen. Portret door Nicolaas Porter |
S.
De
protagoniste in Suriname, hai van Bea
Vianen. Niet meer dan een initiaal, een
non-identiteit.
Hai (ik
ben). Niet het Cartesiaanse sum, dat
zich laat deduceren uit het cogito, maar
meer het zich ponerende Fichtiaanse sum
dat stelling neemt tegen een masculien-gedomineerde samenleving waarin de vrouw
een niets is, een onderworpene aan het tirannieke gezag van de man (vader,
echtgenoot).
S. heeft de
moed van Antigone (Euripides) en de emancipatorische kracht
van Nora
(Ibsen). Het verhaal ontwikkelt zich als een klassiek-Grieks (Euripides)
of modern
drama (Ibsen) waarin S. zich uit haar non-identiteit ontwikkelt tot een ware
persoonlijkheid, één waarvan Hegel zegt:
‘Ein echter Charakter handelt aus sich
selbst und lässt nicht einen Fremden in sich hinein vorstellen und Entschlüsse
fassen. Hat er aber aus sich gehandelt, so will er auch die Schuld seiner Tat
auf sich haben und dafür einstehen.’ (Asthetik I/II, Reclam, p. 342)
S. staat in voor
haar daad en kan tenslotte als zelfoverwonnene uit de strijd uitroepen:
‘Ik
ben geen S. of het meisje. Niet meer. Sita! Sita! Ik durf mezelf bij de naam te
noemen. Omdat ik weet wat ik niet wil: Stikken! Stikken! Stikken!’ (pag.160)
Haar
emancipatie, haar zelfbevrijding uit een liefdeloze en tot mislukking gedoemde huwelijksrelatie,
haar behoefte aan identiteit en intellectuele zelfontplooiing schittert als een
nieuw licht boven de wildernis, maar laten we teruggaan naar de tijd toen dat
er nog niet was en duisternis, haat, pijn, verdriet en wreedheid de wereld
bezielde.
 |
| Monument voor de Hindostaanse Immigratie, Groningen, Saramacca |
Het verleden
‘Het was een tijd van nummers.’
S. wil het
raadsel van de immigratie van 1916 ontwarren.
Het
registratienummer van haar grootmoeder (Janakya) is 199 QQ.
Het nummer
van het krot waarin Adjodiadei woont is 199 c. Wij schrijven 1951.
Na langer
dan een jaar zoeken en op haar zestiende verjaardag, een jaar na de dood van
haar moeder klopt S. bij Adjodiadei aan. Adjodiadei, de drankzuchtige groentenvenster,
de toegang tot het vergrendelde verleden.
S. haat
Adjodiadei. Ondervraagt haar als verdachte, schuldige, mogelijk medeplichtige
aan het drama van haar grootouders. Maar ze krijgt niet de antwoorden op haar
vragen die zij wenst. Adjodiadei toont zich meer de muur van het verleden, de muur
van het depot in Calcutta waar de grootouders van S. vandaan komen.
Vragen te groot en indringend voor een
puber en toch stelt ze die:
Heb je
Harynarain Hirjalie, mijn grootvader gekend?
Hield hij
van zijn vrouw Janakya, mijn grootmoeder?
Waarom ging
hij na afloop van zijn contract terug naar India? Ging hij wel ooit terug? Of?
Er was ook
nog Radjkumarie, de moeder van S. Na de zelfmoord van Janakya
wordt
Radjkumarie bij Adjodiadei achtergelaten waar zij opgroeit als wees.
S. kan er niet
bij dat haar grootvader zijn dochter aan deze vreemde ontwortelde drankzuchtige
vrouw zou hebben toevertrouwd.
S. schat in
dat haar moeder (Radjkumarie) viereneenhalf jaar moet zijn geweest toen zij
naar het krot van Adjodiadei in Lelydorp werd gebracht. ‘Daarmee verloor zij
haar identiteit’ en werd wees. Adjodiadei heeft zich nooit bij het
immigratiekantoor als voogdes opgegeven.
Radjkumarie
verdringt haar verleden. S. vraagt zich af of de straffen, de mishandelingen en
de liefdeloosheid haar tam hebben gemaakt. Of ze haar ouders ooit heeft kwalijk
genomen dat zij haar in de steek hebben gelaten en haar leven als wees heeft
moeten aanvangen. S. denkt: ‘Zij heeft mij het leven geschonken zonder te weten
wie zij zelf was.’(pag.12)
Zij moet een
zachtaardige vrouw zijn geweest, maar ook iemand bij wie de dood zich al vroeg
had genesteld. Het verleden kwam niet over haar lippen, zelfs niet op haar
sterfbed (ze zou drieëndertig worden). Wel een laatste poging daartoe in de vorm van een paar slappe vingers in de
lucht daarmee zeggende: ‘Dag mamma. Is er een hiernamaals, mamma? Een nirwana,
mamma? Waar je geen nummer zult zijn?’ (p.16)
In het krot
van Adjodiadei herinnert S. zich de foto’s waar haar moeder het over heeft
gehad. Foto’s die haar moeder had willen meenemen toen ze bij Adjodiadei wegging. Nu komt ze die voor haar moeder
opeisen. Adjodiadei ontkent eerst dat ze die heeft, maar uiteindelijk geeft ze
toe. Ze wil de foto’s geven als S. belooft nooit meer haar krot te betreden. S.
krijgt de foto’s. Foto’s van haar grootouders.
Als S. de
krot verlaat schreeuwt Adjodiadei haar na: ‘Je bent precies je grootvader…Heb
je mij gehoord?’ (pag.24)
Op een avond bekijkt ze de foto’s. S. geeft
een zowat psycho-analytische beschrijving van haar grootouders
‘Liggend op bed staart zij naar de jonge
gezichten die haar op hun beurt aanstaren uit een vreemd landschap. Man en
vrouw staan tegen een grijze muur van steen. Een binnenplaats misschien? Het
depot? Calcutta?
Hun gezichten, gedeeltelijk beschaduwd door de volle takken van een boom die achter
de muur staat, wekken de droevige indruk niet bij elkaar te horen. De poses
zijn gedwongen. Het gezicht van Janakya, afgewend van de jonge Harynarain, is
meisjesachtig bolrond. De ogen, half dichtgeknepen, waarschijnlijk tegen het
felle zonlicht, staren futloos naar de fotograaf of naar een onheilspellende
leegte.
Het gezicht van de jongeman lijkt donkerder,
is smal en ovaal. De mondhoeken zijn scherp en vallen samen met twee lijnen die
bij de smalle neusvleugels beginnen. De ogen hebben iets tartends, iets
superieurs, iets spottends en onverschilligs.’(pag.40)
Haar analyse
levert niet de opheldering op die ze wenst. Haar grootouders zijn niet meer dan
vreemden voor haar. Zij en haar broertje Ata zijn ontstaan ‘uit een nachtmerrie
van situaties, uit een verleden waarvan zij niets weten.’
En wat
hebben die hun achtergelaten? Niets dan namen, nummers, ‘namen die door duizend andere Indiërs, misschien wel miljoenen,
gedragen worden.’ (pag. 41)
Haar
grootouders hebben zich geen rekenschap gegeven van hun daden. Zij lieten een
kind achter, beiden op hun eigen verdorven manier. Waarom zou zij zich
rekenschap geven van hun ellende, hun daden, de geestelijke moord van Radjkumarie,
de zelfmoord van Janakya?
Einde
analyse. Ze klapt het boek Verleden
dicht. Later zal zij die foto’s verscheuren.
 |
| Foto Michiel van Kempen |
Vader/dochter
Er is altijd
die spanning tussen vader en dochter. Hun discours is polemisch van aard. Zij
wordt niet door hem opgemerkt. Alleen haar schoolprestaties tellen. Voor hem is
zij ‘een lijst met cijfers die beloond wordt met geld’.
Zijn
presentie/absentie, zijn onvoorspelbaar komen en gaan is haar een doorn in het
oog. ‘Hij is even plotseling weg als dat hij terugkomt om zich op zijn
zwijgzame autoritaire manier van haar doen en laten op de hoogte te stellen.’ (pag.39)
Hij is een schim die zwijgend door het huis
beweegt, zich gedraagt alsof hij de enige is die onder het leed, de leegte in
huis gebukt gaat. Hij is vergeetachtig, vergeet gauw de gewone dingen zoals
haar verjaardag en de paar nieuwe schoenen die hij haar heeft beloofd. Hij
vernederd haar in het bijzijn van anderen, vreemden.
Hij heeft
niet door dat zijn vrienden, de Ramessars en de Soekhoes, met hun schijnheilige
onderdanigheid, erop uit zijn hem te gronde te richten. Hij schenkt hun zijn
vertrouwen tegen beter weten in. Hij weet dat er iets niet klopt in zijn
berekeningen, maar hij durft daar niet aan toe te geven.
‘Het is de
neger in hem die hem drijft tot zelfvernietiging en hem tot slaaf maakt van de
listige vriendschap en schijnbare welwillendheid van dit Aziatisch geboefte’.
(pag. 43)
De Ramessars
en de Soekhoes, de schurken en analfabeten beheersen één alfabet beter dan haar
vader: het alfabet van de list. Zij brengen hem ten val. Hij moet de meubelzaak
verkopen en zelfs het stukje grond waar hun huis op staat.
Er bestaat
geen gewone communicatie tussen vader en dochter waardoor zij hem voor deze catastrofe kon behoeden. Hij
zou haar slaan als zij aandurfde hem dat te vertellen.
S. vermoedt
dat haar vader een heimelijke relatie heeft met Roekminia, de vrouw van
Soekhoe. Het huis van Roekminia en Soekhoe vermijdt zij daarom ook het liefst.
Haar moeder had hetzelfde vermoeden. S. vraagt zich of haar moeder daarom zich
vernederd en gekwetst voelde en het hoe langer hoe meer over de dood had,
terwijl ze pas drieëndertig was? S. wil daar niet verder over nadenken. Zij
schaamt zich voor erotische zaken en voelt wrok, jaloezie en haat daarbij.
S. is zich
veel te vaag bewust van de kleine biologische veranderingen in haar lichaam.
Veel te traag en aarzelend in haar uiterlijke groei. Zij is mager op een
jongensachtige manier, maar daarom ook sterk. Zij heeft een vitaliteit die
benijdenswaardig is. Door de stormachtige geestelijke groei heeft zij het
gevoel dat ze volwassen is. Doch veranderingen in haar lichaam maken haar
onrustig en prikkelbaar.
Haar lichaam
is doortrokken van schaamte. De meisjes op school vertellen rond dat ze nog
niet ongesteld is geworden. En als Selinha, haar boezemvriendin, daarover
begint doorstromen ‘gevoelens van haat, tegen haar eigen lichaam en schaamte’ haar. Haar eerste gevoelens van
verliefdheid ondergaan hetzelfde lot.
 |
| Bea Vianen, Meerzorg, 2010 |
Het meest
diepe gevoel van schaamte dat van haar bezit neemt is de zoveelste
zaterdagavond wanneer haar vader beneden weer met de valsmunters aan tafel zit, nadat
zij hun weekloon van hem hebben ontvangen. Haar vader lacht en drinkt met zijn
bedriegers en ze maken plezier. Heeft hij ooit tegen haar gelachen? Boven op
haar kamer begint ze als een bezetene op haar deur te bonken tot haar vuisten
ervan gloeien. Zíj bestáát óók! En heeft ook recht op vrolijkheid en plezier!
Behalve de kermis, een keer per jaar, de huwelijksceremonies, de school en
Selinha! Haar vader komt naar boven en vraagt of ze gek geworden is.
En na deze
ontlading gebeurt het. Ze voelt dat haar dijen kleverig zijn. Haar eerste
menstruatie.
Ze snelt het
huis uit naar Selinha en mystificeert en ontkent eerst het gebeurde tot ze
uiteindelijk moet toegeven dat ze menstrueert. Dan volgt de diepe schaamte
daarover. Haar vader mag dat niet te weten komen. Ze doet er alles aan om te
voorkomen dat hij dat te weten komt.
Later
verbaast het Selinha dat S. zich tegen haar menstruatie verzette.
S. kan niet
de woorden vinden om haar het dieper liggende verhaal dat daarachter schuil
gaat te vertellen.
S. blijft
ontkennend tegenover haar lichaam staan. Selinha moet haar erop attent maken
dat ze toe is aan een bh. Schaamte overvalt haar weer. Ze vraagt wat een bh
kost. Dat geld moet ze aan haar vader vragen, maar ze zal zeggen dat ze geld
nodig heeft om boeken te kopen.
S. zoekt
troost. Ze verdiept zich in de poëzie van Tennyson, de Brownings of de
Tachtigers. Zij herkent in hun werk de eenzaamheid, gebroken gevoelens in de
volmaaktheid van het landschap. (pag.45)
Hoewel S.
het boek Verleden heeft gesloten
laat het onbewuste zich niet zo makkelijk in een kerker wegzetten. Het
onbewuste laat haar niet met rust en manifesteert zich keer op keer in dezelfde
droom, een déjà vu. Sinds Freud weten
wij dat dromen een psychisch fenomeen zijn en zich lenen voor duiding. De droom
codeert het raadsel waarmee zij worstelt.
‘Zij weet niet hoe zij daar gekomen is. Maar
zij is er. Voor haar is een lange, een heel lange brug. Er lopen mensen onder
dunnen sluiers. Zij zijn alleen maar zichtbaar door de voeten die zich
verplaatsen. Opeens is zij naakt en loopt tussen twee mannen. Zij moet het
schip halen. Zij rent naar het water, ziet het witte schip met zijn passagiers
vertrekken. ‘Breng me erheen’, smeekt zij de mannen in kaki, ‘breng me erheen.
Ik moet het halen.’ Dan zit zij in een motorboot, nog altijd naakt, op weg naar
het schip. Maar als zij de hoge golven ziet smeekt zij de mannen aan lang terug
te gaan’.(pag. 46)
Dan wordt ze
wakker.
De droom kan
zij niet duiden.
Het verhaal
van S. is doorspekt van zelf- en maatschappij-analyse. Het duistere
onopgehelderde verleden overwoekert het hier en nu. Het noodlot, de
terugkerende patronen van liefdeloosheid, in de steek laten, onderworpenheid en
huiselijk geweld, ‘koude oorlog sfeer’ doorkruisen alle relaties. De
cirkelgang, ‘die ewige Widerkehr des Gleichen’ zoekt zij te doorbreken. ‘Natuur
is’, zegt ze ‘verveling voor wie niet
alleen maar willen eten, slapen en kinderen verwekken. Angst voor een vrouw die geen werktuig wenst te zijn.’ (pag. 142)
En toch moet
zij ook deze noodlottige weg eerst gaan om daaruit gelouterd tevoorschijn te
kunnen komen.
‘Een kind
wordt geboren, groeit op om later de littekens te herkennen, die er al waren,
nog voordat het bestond. Het staat er niet bij stil, stelt zich vragen, verzet
zich met ongeloof, wrok, haat. Dat is niet het einde. Er bestaat zo iets als
een paspoort dat je niet zelf hebt getekend. Er is een bestemming die je niet
zelf hebt bepaald. Het is de bestemming van de leegte, de onmacht , het
verdriet.’
(pag. 93)
 |
| Foto S. Nandhoe |
Selinha
Selinha is
de boezemvriendin van S. Haar vader is mohammedaan, haar moeder creoolse. Zij praat
makkelijk over seks en seksualiteit. S. vraagt zich eens af waarom ze niet is
zoals Selinha die alles gewoon vindt, ijdel is omdat ze volwassen is, ijdel
omdat zij weet dat er naar haar gekeken en gefloten wordt. Ze weet het
antwoord. Het komt door die schim van een vader die haar nooit de kans heeft
gegeven een meisje te zijn.
S. is zich
nauwelijks bewust van haar lichaam. Selinha moet haar erop wijzen dat zij aan
het dragen van een bh toe is. Ze vraagt aan Selinha wat een bh kost. Dat geld
zal ze aan haar vragen moeten vragen. Maar haar vader mag niet weten waarvoor.
Ze zal zeggen dat ze dat nodig heeft om boeken te komen.
Selinha en
S. slagen voor hun examen. Selinha neemt een kantoorbaan en S. gaat naar de
middelbare school..
Selinha en
Radj raken verliefd op elkaar. Als de Selinha’s vader daarachter komt tuigt hij
zijn dochter af met een stok in bijzijn van haar halfbroers en broers die
geduldig en voldaan toekijken en S. en Soekhia. Radj is een hindoestaan, geen
mohammedaan. Haar vader zei dat ze beter thuis kan komen met een neger dan een
vervloekte Hindoe.
Selinha
raakt zwanger van Radj. Zij vertelt aan S. dat zij met opzet zwanger is
geworden. ‘Het is de enige manier zegt ze om ze ( vaders, ouders) tot rede te
brengen. Je moet ze flink belachelijk maken.‘(pag.78)
Ze trouwen.
Radj moet daarvoor mohammedaan worden, wat hij doet.
De ouders
van Radj komen niet naar het huwelijk. Selinha krijgt een zoon.
Radj vindt
werk in Nickerie. Ze verhuizen daarnaar toe. Als S. Selinha in de vakantie wil
opzoeken, krijgt zij geen toestemming van haar vader.
Hun
vriendschap ebt langzaam weg, wat hun beiden raakt.
Islam
S. moet
eerst niets van Islam hebben. Ze is bang van haar vader, daarom bang van
mannen. Die brengen haar in verwarring. En de eerste die haar in verwarring
bracht was die laffe Harynarain, haar grootvader.
S. slaagt
voor haar eindexamen middelbare school. Ze wil gaan studeren. Ze gaat er geheel
van uit dat haar vader daarmee akkoord gaat. Goede rapportcijfers en studie is
het enige wat voor hem telt. Tot haar verbazing zegt hij nee. ‘Het is Ata’s
beurt’. Een diepe teleurstelling.
Zij en Islam
zien elkaar vaker. Ze raakt zwanger van hem. Ze vlucht uit huis en trekt bij
Azaat, Islams broer samen met hem in. Ze walgt van het huishouden daar, de
viezigheid, smerigheid. In die vijandige ruimte kijkt ze naar haar spullen die
alle hun vertrouwdheid verliezen. ‘Ze zijn een deel van miskenning,
zelfverloochening.’
Ze trouwen,
maar S. wil niet daar blijven wonen.
Soekhia weet
een huis in haar straat. S. krijgt geld van Islam en huurt het huis.
Ze gaan daar
wonen. Het kind wordt geboren, een zoon. Ze noemt hem Ata, naar haar broer.
Diep in haar
hart weet ze dat ze haar eer heeft gered door een man te trouwen op wie zij
niet verliefd is.
Haar
broertje komt vaak langs en zegt dat haar vader wil weten hoe het met haar
gaat. Ze gaat daar niet op in.
Als het kind
vijf maanden oud is, is het zover. Ze wil niet meer met Islam. Ze is jong
genoeg om opnieuw te beginnen.
Ze vertelt
Ata dat zij hun vader komt opzoeken. Al haar haatgevoelens slaan om in
toegeeflijkheid.
Liefdevol
ontvangt de vader haar en zijn kleinzoon. Zij vertelt hem dat zij wil gaan
studeren of ze het kind bij hem kan laten. Dat kan. Hij zegt: ‘Het is ook mijn
bloed. Ik zal voor hem zorgen.’
Islam die
het huis heeft verlaten zei dat hij eens terug zou komen.
En dat doet
hij ook.
Een week
voor haar vertrek komt hij met zijn broer Azaat laat in de avond het kind
opeisen. De deal is ‘Geef me het kind, en ik zal je verstoten.’
Hij is haar
weer te slim af. Hij heeft altijd alles geweten wat zij deed. Hoe? Ze zal daar
nooit achter komen. Ze bijt op haar tanden en zegt: ‘Verstoot me en ik zal je
het kind geven.’ Hij kijkt haar triomfantelijk aan, draait zich snel om en
wenkt de mannen binnen te komen.
Het kind als
prijsoffer en ook de prijs om te kunnen ademen, leven, zijn. Om te kunnen zeggen:
‘Ik ben geen S. of het meisje. Niet meer.
Sita! Sita!
Ik durf mezelf bij de naam te noemen. Omdat ik weet wat ik niet wil:
Stikken!
Stikken! Stikken!
Ze glimlacht
door haar tranen heen.
Het begint
te regenen. (pag.160)
Bea Vianen, Sarnami, hai; roman. Amsterdam: Querido,
1969 (3e druk verschenen bij In de Knipscheer)