maandag 31 december 2012

Jürgen Smit - Oudejaarsavond


er wijzen meisjesvingers
naar appel - maar ik
pluk liever toch de nacht
sirene sneeuw 't laken zwart
op de maat van keel & violen

als afrikaantjes in accuzuur
zo dompelen we nog even
& strompelt je strot
weer mooi tot schuurpapier

want we lezen lucebert we lezen
tussen regels door verlangend
jouw bitter garnituur






Sandew Hira niet meer te handhaven als columnist van StarNieuws

Gedenkteken voor het door Nederland aangerichte bloedbad te Rawagede



door Rolf van der Marck

Het is inmiddels genoegzaam bekend dat ik absoluut geen fan ben van de ‘obsessive compulsive’ columnist Sandew Hira van StarNieuws, die maar al te dikwijls volstrekt oninteressante verhalen vertelt, die dan ook nog eens veel te breed en met veel te veel omhaal van woorden worden uitgemeten, zodat je aan het eind van zijn verhaal oververzadigd en onmachtig bent van zoveel gebakken lucht. Zijn verhalen die wél de moeite waard zouden kunnen zijn, namelijk waar hij zich op zijn vakgebied begeeft, worden eveneens gehinderd door wijdlopigheid, maar dat is het ergste niet, maar door zijn monomane, rabiate ‘disorder’ die aan de dag treedt zodra het begrip dekolonisatie ook maar even aan de horizon daagt, zijn die letterlijk onverdraaglijk, onverteerbaar en een wetenschapper onwaardig.

Dikwijls heb ik mij derhalve afgevraagd waarom Hira nog altijd als columnist wordt gehandhaafd doorStarNieuws, zeker toen hij ruim een half jaar geleden zijn bijval betuigde bij de oekaze van de kant van het Kabinet van de President om alle gebouwen op het Fort Zeelandia-complex te doen ontruimen en terug te brengen in de schoot van het beleidscentrum, waarvoor ik verwijs naar mijn artikel Sandew Hira, de afgewezen minnaar van Suriname. Vandaag echter, na lezing van Hira’s column Terugblik op StarNieuws, vraag ik mij opnieuw af – maar nu luidkeels in de hoop bijval te krijgen – hoe lang Hira nog wordt gehandhaafd als columnist. Want de woorden die ik toen heb gebruikt om Hira’s optreden te kwalificeren: “niet zinnig, onkies, welhaast onethisch”, schieten te kort bij Hira’s verhaal over de amnestiewet, die hij nu tot onderwerp heeft gemaakt van zijn eindejaarsbeschouwing.

Plaquette aan de zijgevel van de Mozes & Aäronkerk te Amsterdam



Hira staat stil bij twee gebeurtenissen, de dood van zijn vader, die hem naar hij zegt verweesd heeft achtergelaten, om dan direct over te stappen op de volgende gebeurtenis (en die niet meer los te laten): “De tweede gebeurtenis is van maatschappelijke aard en hangt samen met de pijn van mijn ouders en dat is de hele kwestie rond de amnestiewet. Die kwestie heeft flink ingehakt bij mij: de discussies, de manipulaties, de uitkomst.” Wat hij er echter niet bij vertelt is, dat de op 8 december 1982 samen met de veertien anderen vermoorde John Baboeram zijn broer was en dat het daarom zeer begrijpelijk is dat zijn ouders dubbel getraumatiseerd waren, eerstens door de moord op hun zoon, en tweedens door de aanname van de gewijzigde amnestiewet, waardoor de moordenaar van hun zoon vrijuit gaat. Maar bij Dew Baboeram, pseudoniem Sandew Hira, ligt dat allemaal duidelijk heel anders, waarschijnlijk daarom ook dat hij het niet erbij vermeldt en dat hij het liever onder zijn pseudoniem Sandew Hira houdt. Bonter had hij het nauwelijks kunnen maken.

Hira vervolgt zijn verhaal dan alsvolgt: “Toevallig kwam ik op internet een oude weblog uit 2009 tegen van Harry van Bommel met als titel ‘Amnestie voor Nederlandse oorlogsmisdaden’. Het verhaal is schokkend en toont aan wat we in Suriname ook zien: macht kent geen moraal.” Natuurlijk kwam Hira het niet toevallig tegen, nee, hij is ernaar op zoek gegaan, het drama Rawagede waarover het gaat is kort geleden immers prominent in het nieuws geweest bij het opduiken van nooit eerder ontdekte foto’s van een massa-executie in Nederlands Indië. Nu had Hira het hierbij kunnen laten, want dit is de kern van zijn verhaal: als het is toegestaan dat de Nederlandse macht geen moraal kent, dan is het evenzeer toegestaan dat de Surinaamse macht geen moraal kent. De rest, nog eens zo’n 700 woorden, heeft hij nodig om op Hiraëske wijze met veel te veel woorden niets nieuws meer te vertellen.



John Baboeram heeft zich ongetwijfeld in zijn graf omgedraaid bij deze stellingname van zijn broer, een stellingname die overigens niet echt meer verrast na wat hij allemaal heeft geraaskald over het Fort Zeelandia-complex. Maar schokkend is het wel, want zoals ik hierboven al zei, bonter kan hij het nauwelijks maken. Hij vermeldt een aantal nooit goed te praten gruwelijkheden uit de verzachtend ‘politionele acties’ genaamde militaire acties van destijds, alleen maar omdat hij ze nodig heeft voor zijn stellingname, immers zoveel gruwelijkheden als Nederland heeft Suriname niet gepleegd, dus als zíj amnestie kunnen verlenen dan moet dat ons ook mogelijk zijn.

Sandew Hira is niet langer alleen het pseudoniem van Dew Baboeram, maar ook het merkteken van een gespleten, ‘decolonised mind’.

Natalie Wanga: Schrijven, toneel en debatteren (1)

door Quito Nicolaas
Natalie Wanga

Natalie Wanga werd geboren op Bonaire, haar jeugdjaren bracht ze door op Bonaire en Aruba en eenmaal volwassen vertrok ze naar Nederland. Door deze tocht langs kleine en grote gemeenschappen, proefde ze de verschillen qua cultuur en ontwikkelde ze een aparte kijk op mensen. Niet altijd tevreden met het bereikte resultaat blijft ze op zoek gaan naar het nieuwe, onwaarschijnlijke en ongrijpbare in het leven. Als secretaris van het eerste bestuur van Stichting Simia Literario was Natalie slechts korte tijd actief en trok zich om privé redenen terug. Een drukke tante die geen kans voorbij laat gaan en in alles een uitdaging ziet. In haar vrije tijd reist ze naar virtuele oorden, is amateurtoneelspeelster en zoekt de natuur op.

Wat is je drijfveer om te schrijven?
Mijn moeder heeft ons van kleins af aan de liefde voor talen en literatuur bijgebracht. En daarvoor ben ik haar eeuwig dankbaar. Het allermooiste compliment als schrijfster kreeg ik van mijn (nu overleden) vader toen ik een jaar of negen, tien was. Voor de verjaardag van mijn moeder had ik een poëzie/proza boekje gemaakt met tekeningen. Toen mijn vader het las sprak hij me meteen streng toe dat ik niet mocht liegen dat ik de verhalen en poëzie zelf had geschreven. Hij gaf me ad hoc een spoedcursus over wat het woord plagiaat inhield en de consequenties hiervan. Hoe ik hem ook probeerde te overtuigen dat ik echt alles had geschreven uit eigen inspiratie, hij kon het maar niet geloven. Toen al beschouwde ik mijn intuïtie als drijfveer voor het schrijven. Vaak voel ik gewoon intuïtief aan, zoals veel schrijvers dat ook aangeven, dat iets op papier moet.

Richt je je meer op proza of poëzie en waarom?
De laatste jaren heb ik me zeker veel meer gericht op proza. Vooral korte verhalen en opinie artikelen genieten mijn voorkeur. De reden is heel simpel: ik ben een vrouw van veel woorden. Ik moet echt alles kwijt kunnen. Het klinkt misschien wat tegenstrijdig omdat ik ‘korte’ verhalen aangeef als preferentie, maar voor mij is dat juist de combinatie van veel ‘kwijt kunnen’ maar ook om relatief snel tot een voldaan einde te komen. Maar dit neemt niet weg dat ik af en toe toch een gedicht schrijf waarin ik vaak dezelfde stilistische middelen toepas als in mijn proza.

Bonaire

Hoe belangrijk is identiteit in je werk en hoe manifesteert deze?
Er is geen enkele persoon in de wereld die kan beweren dat al haar creatieve uitingen zoals bijvoorbeeld dansen, zingen en schilderen niet haar identiteit als grondslag heeft. En dit geldt dus ook voor het schrijverschap. We beseffen als Antillianen, Caraibische Nederlanders vaak niet hoe rijk we zijn wat onze identiteit betreft. Een van de clichés waar we toch telkens er niet omheen kunnen. Onze geografische ligging is al een poëtische uiting waard: we zijn de lombrishi (navel) van twee continenten rijk aan cultuur, diversiteit en invloeden. Komt er nog bij al de gedeelde Europese geschiedenis. Dus natuurlijk manifesteert dit zich ook in mijn werk. Ik ben bijvoorbeeld een grote fan van het Latijns-Amerikaanse Magische Realisme en de schrijver Rómulo Gallegos (Venezuela 1884-1969). Maar ik ben ook wel meer dan alleen maar een Bonairiaanse en Caraibisch Nederlandse vrouw. Identiteit is voor mij veel meer dan alleen het etnisch culturele erfgoed. En dit is ook terug te herkennen in mijn werk.

In het gedicht Den lus di Bo ausencia [In het licht van je afwezigheid] ga je een gesprek aan, waarin de ik-figuur spijt betuigt. Waarom?

Den Lus di Bo Ausencia

Mare bo yegada a hasi dolo
Pa asina mi stima bo mas cu por
Pa mi wak mi mes den bo.
Pa mi pasado, nos awe y bo futuro
Pa sernan stima, stima bo
Pa antepasadonan.
Miyones di number na mundo y abo
No tin ningun.
Pero bo ausencia ta marca mi
Tur dia, tur caminda, den bo lus.


In het Licht van je Afwezigheid
Had je komst mij maar pijn gedaan
Ik had dan onmogelijk veel van je gehouden
Om mijzelf in jou te zien,
Om mijn verleden, ons heden en jouw toekomst,
Omwille van dierbaren die van je houden,
Omwille van je voorouders.
Miljoenen namen in de wereld
En je hebt er geen een.
Maar het licht van je afwezigheid
Achtervolgt mij, onzichtbaar, elke dag, overal.  

Dit gedicht heb ik geschreven voor het verzamelwerk van Simia Literario (Wie Ik Ben/Ta Ken MI Ta) over het thema identiteit. Ik heb gemerkt dat Caraibische Nederlanders (vooral boven de 40) vaak bij het woord identiteit meteen, en alleen, een koppeling maken met hun eigen etnische en culturele achtergrond en/of geschiedenis. Natuurlijk is dit ook zo maar we zijn nog veel meer dan dit. Ik ben inderdaad een trotse Bonairiaanse en Caraibische vrouw, maar ik ben zeker ook een vrouw, dochter, zus, partner, geliefde, stiefmoeder, vriendin, carrièrevrouw en (politiek)activiste. Het opvallende aan dit gedicht is dat personen die hetzelfde hebben meegemaakt zich meteen in herkenden. Terwijl anderen dachten dat het gericht was aan een ex-minnaar of zelfs aan Bonaire.

Sorobon, Bonaire

Wat is de ironie in dit gedicht?
Dit gedicht gaat over ongewenste kinderloosheid en is dus gericht aan het ongeboren kind. Zowel ik persoonlijk als verschillende Antilliaanse /Arubaanse vrouwen hebben hier negatieve ervaringen ondervonden in Caribisch Nederland. Het ironische is dat het meestal moeders zijn die zich minachtend, beledigend en vooroordelend hierover uiten. Men ‘veroordeelt’ minder snel een tienermoeder dan een volwassen vrouw die bewust of onbewust kinderloos is. Een zeer kwalijke zaak. Indien het voor een vrouw een ongewenste situatie is, is dit dan extra pijnlijk. Mijn ervaring is ironisch genoeg, dat met name Caraibisch Nederlandse vrouwen in mijn omgeving die (on)gewenst kinderloos zijn, juist veel meer moederlijker, zorgzamer en warmer ingesteld zijn. Kinderloosheid, bewust of onbewust is een deel van je identiteit maar beoeft naar mijn mening geen waardeoordeel aan verbonden te worden.

Ben je ook op andere terreinen van kunst en cultuur actief?
Ik ben sinds 2006 actief bij de Internationale Openbaar Spreken organisatie Toastmasters International en ben een van de medeoprichters in Leiden. En als redacteur bij het regionaal blad van de SP probeer ik zoveel mogelijk op te komen voor de bescherming van onder ander de cultuur en natuur van Bonaire.

[wordt vervolgd]

[uit Caribe Magazine,  21 november 2012]

Carry-Ann Tjong-Ayong - Mijn levensredder

Het kindje in mij groeide voorspoedig. Ik werd dikker en mijn wangen kregen een rozige aanblik. Mijn haren glansden en ik voelde mij vrolijk en gelukkig.

Tot die avond. Wij hadden bij een collega van Wim gegeten en mijn maag was van streek. Mijn buik begon pijn te doen en ik voelde mij opeens heel ziek.
Ik lag op mijn bed en riep om een dokter. Wim belde en de huisarts kwam aanrennen in haar pyjama ..... Even was ik verbaasd. De hond ook, want die gromde naar haar.

Prof. Arie Haspels. Foto @ ANP

Alles ging in een stroomversnelling. De rit in een ambulance naar het ziekenhuis met mijn benen hoog op een zak oude schoenen. Het telefoontje met prof. Haspels die in zijn auto sprong. De paniek in de operatiekamer omdat ik maar niet onder narcose kwam. Tenslotte werd er een Surinaamse chirurg gehaald die mij geruststellend toelachte.
 “Kondreman!” lachte ik verheugd. Hij hechtte vaardig het infuus in mijn enkel. En ik voelde  hoe ik langzaam in een diepe slaap wegzakte.

Zeven uur later sloeg ik mijn ogen op en keek in het ongeruste gezicht van Ronnie Nobrega, een vriend van mijn broer. “Carry...!” zei hij ongerust en ik moest lachen. “Hoe kijk je alsof je een spook ziet!” plaagde ik. “Dat vertel ik je later wel” zei hij gerustgesteld. Ik werd weer zieker en kreeg hoge koorts, die wekenlang duurde.
Prof Haspels kwam dagelijks aan mijn bed en met zijn rustige stem vertelde hij wat er met mij aan de hand was. Ik bleef maar vragen stellen. Ik had het geluk dat hij op dit onderwerp, de uterus ruptuur, gepromoveerd was. Hij liet een stapeltje boeken langs brengen en ik bestudeerde mijn ziektegeschiedenis alsof ik er tentamen in moest doen. Ik herstelde langzaam en moest opnieuw leren lopen. In de avonduren studeerde ik voor mijn doctoraalexamen in de kamer van Ronnie en mijn hoogleraar kwam de tentamens afnemen. Dat hield mij op de been.

Na vier maanden mocht ik eindelijk naar huis.  Ik was Prof Haspels innig dankbaar dat hij mijn leven had gered. Hij schreef nog een mooie brief dat ik nu alleen nog kinderen mocht adopteren. En dat deden wij.

Gisteren zag ik op de televisie dat de sympathieke hoogleraar was overleden.
Ik moest weer terugdenken aan die lange nacht, toen hij vocht voor mijn leven.
En weer ontstak ik een kaarsje voor de ziel van een groot mens.

Cat 30 december 2012

Rosabelle Illes: Een enfant terrible in dichtersland? (2 en slot)

door Quito Nicolaas
Rosabelle Illes. Foto Timeless Pixx

Dichter Rosabelle Illes trad op jonge leeftijd op verschillende podia en op Curaçao alsook Bonaire is ze evenmin onbekend. Samen met de Gerrit Rietveldstudente (Fine Arts) Robin de Vogel heeft ze aan verschillende projecten gewerkt. De vermenging en invloed van de verschillende kunstdisciplines merk je meteen in de bundel Spiel di mi Alma. De gedichten kregen een kleur, een andere diepgang en veranderen met de jaargetijden. Het streven moet nu zijn gericht op omvangrijke publicaties, waarmee de lezer weken zo niet maanden in de wolken kan verblijven. De nieuwe generatie dichter kijkt met een ander oog naar de realiteit en weet dit goed te vertalen voor het publiek. Wat drijft een dichter haar gevoelswereld, observatie en kritiek op de maatschappij aan het papier toe te vertrouwen?
Welke emoties komen in jouw gedichten voor en hoe belangrijk is dit? Geef een voorbeeld.
Ik denk dat mijn emoties veel sarcasme en cynisme uitstralen, terwijl ze aan de andere kant uiteindelijk toch ook hoopvol klinken. In “The Ladies” (De Dames) beweer ik met Lady Liberty te hebben gesproken en dat ze me vertelde “I lay liberty on an island / the land is the man’s responsibility / it’s just a shame it’s on it’s way over here by the pretty ferry”

Of het gedicht “Influencia” (Invloed) beschrijft de onmogelijkheid van optimisme tussen  mensen “Cuanto mas uno por enfatisa e fenomeno di positivismo? / ay esta tristo e esfuerso hinca pa combati locual semper lo existi / AMI” Toch eindigen de gedichten vaak hoopvol met uitingen van momenten, gevoelens en daden die wij in staat zijn te bereiken. Ik geloof dat het aanduiden van alle frustratie, boosheid, ironie, twijfel en verwarring, en dan pas het vieren van hoop, vreugde en bemoediging een mooie manier is om mijn gedichten verbonden te houden met de werkelijkheid. Tevens ben ik wel een realist...“I am a realist, simply because I do believe people can fly, mainly because I will not prove it to you” (vanuit het gedicht “Ask, Believe, Receive”).


Staat een dichter alleen in het vertolken van zijn boodschap?
We zien momenteel een mooie verandering in de kunstwereld, waar steeds meer kunstenaars gaan samenwerken in gezamenlijke projecten. Deze samenwerking veronderstelt dat zij zich met hun filosofieën waarschijnlijk op eenzelfde niveau bevinden. Wanneer ik de keus heb tussen samenwerking of individueel werken kies ik altijd voor de samenwerking. Het is gewoon leuker en heel waardevol. Natuurlijk zijn er werken die je zelf zal moeten uitvoeren door omstandigheden, maar ik denk dat dichters niet alleen zijn in het uitdragen van een boodschap.

Illes met criticus Wim Rutgers


In een ongepubliceerd werk heb ik geschreven: “Doesn’t it make you tingle inside? / When you read a thought by your own line?” Dit verwijst naar het moment wanneer ik iets hoor; een gedachte, een gedicht, een lied, of wanneer ik de gedachte achter een kunstwerk ontdek en de treffende gelijkenis zie in mijn eigen werk. Men zou zich voor kunnen stellen dat dit een negatief gevoel bij mij zou opwekken; dat er twijfel ontstaat over mijn gevoel voor originaliteit. Dit ervaar ik heel anders. Sterker nog, het bevestigt juist mijn gevoel van creativiteit.

De eenzaamheid in het gedicht “Progress” (Vooruitgang) koppelt zich meer aan onze ongezonde verbondenheid met elkaar. Wat ik bedoel is bijvoorbeeld, wanneer men in een relatie elkaars bezit wordt, of wanneer iemand zijn eigenwaarde baseert op vergelijking met anderen. Deze ongezonde maar schijnbaar onvermijdelijke gewoonten, remmen ons in het proces waarover in het gedicht gesproken wordt. Om deze reden, wordt een gezonde eenzaamheid in dit gedicht juist aanbevolen; doelend op zelfinzicht, stilte en het luisteren. Dit is geen gemakkelijk en tevens geen permanente opgave. Ik geloof dat herhaalde momenten van groei, het hoogst is waar men tot nu toe naar zou kunnen streven.

Wat is tegenwoordig de rol van een dichter in de maatschappij?
Om deze vraag te beantwoorden, zou ik graag mijn lerares Engelse literatuur, Dr. Mavis Donner, willen citeren. Zij gaf ons regelmatig deze opmerking: “Poets make meaning out of chaos” (Dichters scheppen orde in de chaos). Dit geeft goed weer wat de opdracht is van een dichter. De dichter geeft betekenis, door heel kritisch tegenover betekenissen te staan. Wanneer we tijd nemen en open staan om ons gedrag te bestuderen en vraagtekens te zetten bij bepaalde ingesleten gedragingen, ontwikkelen we misschien de behoefte om onszelf beter te leren adapteren, innoveren en evolueren.  

Welke plannen heb je voor de toekomst?
Momenteel werk ik aan een gezamenlijk project met een zeer getalenteerde musicus uit Curaçao, Levi Silvanie. We hopen dit project volgend jaar te kunnen presenteren, dus heb ik mijn volle aandacht erop om dit te realiseren. Daarnaast ben ik bezig aan een collectie korte verhalen, waar ik geen deadline aan heb verbonden en kan bekijken hoe het zich verder zal ontwikkelen.

Illes met Yatzuri Daal van het radiostation Nos Television Bonaire

Wat is je allergrootste droom?
Ik moet zeggen dat ik dit tot nu toe de lastigste vraag vind die me in interviews gesteld wordt. Wanneer ik over die vraag nadenk krijg ik diverse ideeën over artistieke projecten en betreffende financiële onafhankelijkheid, maar ik ben mij er van bewust dat die sterk afhangen van mijn eigen inspanning en motivatie. Met andere woorden, deze dromen zijn te realiseren. Mijn broer zei me ooit: “Wat als dromen werkelijkheid zijn en de werkelijkheid dromen zijn?” Ik zou graag antwoorden op ‘alles’ willen krijgen. Het woord ‘alles’ kan ik niet echt definiëren, omdat ik daar eigenlijk alleen maar speculaties over heb. Ik zou eigenlijk mijn veronderstellingen en aannames willen kwijtraken, door een kijkje te mogen nemen in het ‘systeem.’

zondag 30 december 2012

Carry-Ann Tjong-Ayong - De kwetsbare leeftijd

Foto @ Fabrice Rose
In de week voor kerst bereikte het bericht mij.
Twee van mijn vier honderdjarige oudjes waren heengegaan. Rustig in hun slaap.
 Eleonora Oosterling-Ferrier en Emmy Goedschalk-Balinge.

Aan het begin van dit legendarische jaar 2012 had ik hen nog opgezocht, verrast over hun vitaliteit en vrolijkheid op de bigi bigiyari. Honderd jaar.
Twee van de vier maakte ik zo mee in maart. We genoten allemaal. Begroetten onze familieleden. Smulden van het heerlijke eten in grote schalen opgediend. Bewonderden de mooie jurken. Sommige familieleden zagen we na decennia weer. Ik had voor alle bigiyari een mooie kaars, een ingelijst gedicht en een aparte kussensloop meegebracht. Wat geef je aan een honderdjarige.
Hier waren ze blij verrast mee.

Maar nu.... Ik ontstak een paar kaarsjes voor mijn oude vriendinnen. Ik zou ze niet kunnen begraven. Als ik weer in Suriname was zou ik naar hun graf gaan kijken. Ik realiseerde mij, dat ik niet meer op bezoek zou kunnen gaan en er ontstond een grote leegte binnen in mij. Dit jaar was ook het jaar dat mijn ouders honderd zouden worden, samen met al deze vriendinnen.
Wij hadden zo vaak over hen gepraat. Over vroeger. Hun schooltijd. Pappy had nog bij Waldemar Lotz in de klas gezeten, zag ik in de schoolregisters die te voorschijn waren gehaald bij het filmen van Sonny Boy.
Van de 8 vrouwen uit het boekje Aitkanti zijn er nog  vier over. Honderd is een kwetsbare leeftijd.
Alles gaat voorbij. Panta Rei. De rivier blijft eeuwig stromen.

Cat december 2012

Foto @ Charl Danoe


Rosabelle Illes: Een enfant terrible in dichtersland?

door Quito Nicolaas
Rosabelle Illes. Foto @ Timeless-Pixx

Rosabelle Illes debuteerde in 2005 met Beyond Insanity en wist meteen al haar naam als dichter te vestigen. Op het podium ondergaat ze een metamorfose en verandert de dichter in een performer. Een performer die haar publiek meesleept in een stroom van woorden, bewegingen en met betekenissen. In 2010 deed Rosabelle er een schepje bovenop en bracht ze Spiel di mi Alma uit, een verzameling gedichten die voor de lezer een wereld vol tegenstellingen openbaart. De dichter is niet alleen een woordkunstenaar maar een denker en bedenker van projecten als Wholism, een kunstkalender met gedichten en gezegden uit haar levensfilosofie. Eindelijk eens een interview met Aruba's veel belovende dichter.

Hoe ontstaat een gedicht bij je en wanneer krijg je de eerste signalen?
Ik maak onderscheid in drie verschillende processen: schrijven op aanvraag, schrijven vanuit nieuwsgierigheid en het spontane schrijven. Als men mij vraagt om een stuk te schrijven voor een expositie, presentatie of cultureel evenement, neem ik de tijd om inspiratie op te doen en dit daarna om te zetten in schrift. Het onderwerp wordt bepaald door een ander, bijvoorbeeld met betrekking tot het thema van de expositie. Dit zie ik als schrijven op aanvraag.

Soms, of eigenlijk vrij vaak, heb ik diepgaande, filosofische gesprekken met goede vrienden of familie. Tijdens deze gesprekken stuit ik soms op onderwerpen waar ik zelf ook niet volledig inzicht in heb. Vaak gaat dit niet eens over bijzondere thema’s, maar juist over veelvoorkomende alledaagse dingen zoals bijvoorbeeld de liefde. Wanneer je met vijf mensen een discussie hierover voert en de vraag stelt: “Op welke wijze kun je van iemand houden”, krijg je verschillende antwoorden met vragen die daar weer uit voortvloeien. Het blijkt dan een vrij ingewikkelde en verwarrende materie te zijn.

Geef een voorbeeld?
Een van mijn laatste gedichten, getiteld “Amor a bisa / Love said” (Liefde vertelde mij), was geïnspireerd op de steeds terugkerende conversaties over de liefde. Zo’n gedicht ontstaat dan uit nieuwsgierigheid. Ik neem rustig de tijd om inspiratie te krijgen over het betreffende onderwerp om het ook beter te begrijpen. Het spontaan schrijven ontstaat gewoon vanzelf. Veel gedichten heb ik eerst op mijn mobiele telefoon gemaakt, wanneer ik bijvoorbeeld onderweg was. Opeens ontstaan zinnen in mijn hoofd, waar ik dan op een later tijdstip de tijd voor kan nemen om de volledige betekenis ervan te begrijpen. Vaak krijg ik de antwoorden doordat ik zelf een bepaalde ervaring op doe, of dat ik over een bepaalde gebeurtenis hoor, of omdat iemand zijn verhaal verteld. Op deze wijze ontdek ik meestal de betekenis van de gedichten die op een spontane manier zijn ontstaan.  

Je gedichten hebben iets theatraal in zich. Waarom voor deze stijl gekozen?
Dit is geen bewuste keuze geweest. De manier waarop ik tegenwoordig een gedicht voordraag, verschilt volledig met de stijl die ik in 2005 had, toen Beyond Insanity gepubliceerd werd. Naarmate ik meer werd gevraagd om deel te nemen aan culturele evenementen, ben ik het voordragen van mijn gedichten ook vaker gaan oefenen. Na korte tijd kende ik de werken uit het hoofd, wat mij de gelegenheid gaf om vrij over het podium te bewegen, mensen in de ogen te kijken en de reacties van het publiek mee te krijgen. Dit betekent dat ik naast het gesproken woord ook andere mogelijkheden kon creëren om mijn boodschap over te brengen. Sommige mensen zijn gevoeliger voor hetgeen ze horen, anderen voor wat ze zien en weer anderen voor wat ze voelen. Wanneer ik mijn gedichten voordraag probeer ik die zintuigen ook zo veel mogelijk te beroeren.

Met je gedichten wil je het publiek wakker schudden. Hoe bereik je dat?
Ik vermoed dat dit tot stand komt door de onderwerpen die ik in mijn gedichten belicht. Ik heb het over politiek, rechtvaardigheid en menselijke gedragingen; zaken die ons leven beïnvloeden. Wanneer je naar een gedicht of lied luistert dat jou raakt, kun je ervaren dat je een connectie met de kunstenaar/vertolker voelt. Dit is de connectie die ik ook bij mijn publiek zoek; de momenten die onze overeenkomsten belichten, ondanks de onderlinge verschillen.
Moderne ontwikkelingen maken dat we makkelijker in contact zijn met elkaar. Wat niet automatisch betekent dat we daarom ook beter met elkaar omgaan; we zijn ons alleen meer bewust van elkaars aanwezigheid. Nu we meer verbintenissen aangaan met diverse mensen, zouden we misschien onze gemeenschappelijkheid tussen elkaar kunnen verkennen. Bijvoorbeeld door vragen te stellen over de liefde en dan te ontdekken hoe onwetend we eigenlijk zijn. Daarna weer verder vooruit, in onwetendheid, maar wel in alle eerlijkheid.

Wat is het verschil – in thematisch opzicht – tussen Beyond Insanity en Spiel di mi Alma?
In beide bundels gaat het eigenlijk over dezelfde thema’s. Beyond Insanity zit echter wat gecompliceerder in elkaar, omdat het grootste deel door het spontaan schrijven is ontstaan. Spiel di mi Alma bevat meer teksten die uit nieuwsgierigheid zijn ontstaan en waardoor ik er als mens, sterker mee verbonden ben. Je zou kunnen zeggen dat ik de onderwerpen uit de bundel Beyond Insanity heb genomen, en ze ‘down to earth’ heb gebracht om op die manier mijn eigen verantwoordelijkheid te identificeren met het fenomeen wat in een bepaald gedicht wordt beschreven.
Rosabelle Illes. Foto @ Timeless Pixx

In het gedicht Incompleto stel je vast dat toeval is verworden tot lotsbestemming. Hoe anders is het gesteld met hen die van het pad zijn afgeweken? 
Ik geloof dat wanneer iemand van zijn bestemmingspad afwijkt, dat dat ook zijn bestemmingspad is. Ik vergelijk het levenslot met een navigatiesysteem. Als je een andere afslag neemt dan de uitgestippelde route, gaat het navigatiesysteem de route herberekenen en geef je een alternatieve route. Als je door blijft rijden, ondanks alle herberekeningen zal je uiteindelijk toch je bestemming bereiken. Het navigatiesysteem geeft je allereerst de snelste route, maar het is jouw keuze welke weg je kiest, of je omwegen maakt en hoe snel je daarover doet. Ik zie dit als de illusies van de vrije keuze. Dit is waar het gedicht “Incompleto” (Incompleet) naar verwijst met de zin, “coincidencia a bira destino” (toeval wordt lotsbestemming).

[wordt vervolgd]

[van Caribe Magazine, 14 november 2012]

zaterdag 29 december 2012

Albert Helman - De gek

Met groote gebaren stortte hij zich in de nacht.
Alsof hij de sterren vergaarde.

 (Chang Wou Kien)

[uit De Gemeenschap, 1931]

Panoramische foto van het strand van Aruba bij het invallen van de nacht. Foto @ Pano Planet.

Miep Diekmann brak eigenzinnig een lans voor “De West”

Miep Diekmann bij de presentatie van Black Mamba, Boekids 2010. Foto @ Giselle Ecury



door Giselle Ecury

Ze woont aan de Zuid-Hollandse kust in een appartement met uitzicht op het strand, de zee en de soms drukke wandelboulevard. Aan de rand van de stad en toch in gezonde zeelucht. Het werkt: Miep Diekmann is al 87.

Ze hoopt nog jaren voort te kunnen, maar zegt ook: ‘Het kan opeens afgelopen zijn. Mijn halfzusje van 66, ze woont hier, in hetzelfde gebouw, heb ik gezegd zich daarop voor te bereiden. Ik ben er zelf niet bang voor, maar het is naar, hoor, iemand dood te moeten vinden.’ Ze rookt even in gedachten. ‘Het is de realiteit. Ik ben erg blij met haar. Zij helpt me o.a. met het uitzoeken van mijn kleding. Ik zie alles gedeformeerd, ook kleuren.’

Diekmann signeert Marijn bij de Lorredraaiers voor Giselle Ecury


Diekmann is echter nog altijd iemand met een scherpe kijk op de dingen. In Ogen in je achterhoofd – Een schrijversprentenboek, samengesteld door drs. Erna Staal, biografe, uitgebracht in 1998 door Het Letterkundig Museum en Uitgeverij Leopold, lees ik: “ Miep Diekmann achter haar werktafel: ‘Ik ben zo langzamerhand plat geïnterviewd. En altijd maar weer diezelfde vragen. […] Daar word ik Gallisch van.’ Gallisch wordt ze waarschijnlijk ook van de beschrijving van haar flat.” 

Gelukkig open ik ons gesprek – ieder aan een kant van diezelfde werktafel – met de opmerking, dat ik nooit interviewvragen opstel. Ik luister naar wat er juist niet gezegd wordt. Bovendien is er over Miep zo verschrikkelijk veel terug te vinden via Internet, dat ik niet in herhaling wil vallen. Hoe gaat het dus anno 2011 met haar? Je ontkomt er niet aan stil te staan bij haar flat, haar wereld vol herinneringen.
Miep Diekmann, Den Haag 2011. Foto @ Giselle Ecury

Ze woont er vanaf haar 44e alleen. Een bewuste keuze. Miep – sinds 1947 voorvechter van kwaliteitsliteratuur met diepgang voor de jeugd – vond, dat het moeilijk was dit vak te combineren met een relatie. Zij wijdde zich uitsluitend aan het schrijven en kaartte sociale onderwerpen aan, waarmee jongeren worstelden. Later kwamen ook de allerkleinsten aan bod. Zij won 5 prestigieuze prijzen in het binnen- en 5 in het buitenland. Toch was het in financieel opzicht geen vetpot. Maar vanaf het prille begin was het voor Miep een opdracht die ze toegewijd móest vervullen.
Als kind woonde ze op Curaçao. Ze las veel boeken die ze vanuit Holland kreeg, want in de winkels lag weinig interessants. Ze leende ze uit aan vriendinnetjes. Tot in 1937 een meisje met donkere huidskleur zei: ‘Ik hoef ze niet meer. Waarom moet ik van alles lezen over witte mensen?’ Dit meisje had gelijk! Miep, toen twaalf jaar, besloot dat zij hoogstpersoonlijk jeugdboeken zou gaan schrijven over kinderen uit het Caribisch Gebied en over mensen die omwille van hun sociale situatie en milieu allerlei problemen moesten overwinnen.


Met De boten van Brakkeput, over vijf politieke vluchtelingen, die onder meer geholpen worden door de scholier Matthijs, brak zij in 1956 door. Het werd een jaar later bekroond met de prijs voor het beste kinderboek door de Stichting Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek, de CPNB. Er verschenen vertalingen in acht landen, waaronder Amerika en Zuid-Afrika.
In 1957 verscheen Padu is gek, een zwarte Curaçaose jongen die vaak geplaagd wordt, totdat zijn buurmeisje hem gaat helpen. Tip Marugg vroeg haar ooit, hoe zij – immers zelf blank èn een vrouw – nou kon schrijven over een jongetje uit de kunuku? Maar vele andere, prachtig geschreven verhalen over actualiteiten en onderwerpen die de jeugd bezielden, volgden, evenzo in allerlei talen en landen.


Bevlogen hield zij overal lezingen. Na afloop kreeg Diekmann van haar jeugdige publiek vertrouwelijke vragen.
‘Ik sta in het telefoonboek,’ zei ze dan. ‘Je mag me altijd nog eens bellen.’ Wat daadwerkelijk gebeurde.
Miep kreeg ten behoeve van het jeugdboek erg veel van de grond, mede doordat ze invloedrijke mensen leerde kennen. Zij maakte hen het belang van kwaliteitsjeugdboeken duidelijk: het opbouwen van een goede woordenschat, het prikkelen van de fantasie, het kennismaken met of het leren begrijpen van andere culturen en problemen, een eerste begin om “globaal” te leren denken. Want: ‘De basis van discriminatie is een gebrek aan informatie. Overal zijn kinderen hetzelfde, maar ze moeten wel binnen een eigen politiek systeem opgevoed worden.’ Zoiets klinkt nog steeds actueel!

Allerlei onderwerpen waar een taboe op rustte, kwamen bij haar aan bod, zoals seksualiteit, aanranding, corruptie, zelfdoding en homofilie. In klare, niet mis te verstane taal. De dagen van Olim is zo’n boek.
‘Ik schreef het in drie weken. Ik slaap maar vier uur, dat is mijn geluk.’ Als ik toegeef het niet te kennen, geeft ze me direct een exemplaar. ‘Het is mijn beste, meest autobiografische boek.’  Miep was de enige die zó schreef voor de jeugd en over “De West”. Ze werd jaarlijks gevraagd om ook daar lezingen te geven, al was het “Liefdewerk, oud papier”, want ze betaalde alles zelf. 
‘Mijn band met de eilanden werd er groter door,’ zegt zij. ‘Maar op een goed moment ben ik opgehouden over de Antillen te schrijven. Ik werd er een beetje op “afgerekend”. Er werd gezegd: “Ze schrijft wel over ónze mensen.” Waarop ik antwoordde: “Doe het dan zelf! Kom ervoor uit, voor mijn part in het Papiaments.” Dan kwamen ze los. Daar kon ik zo van genieten! Want ik verstond alles, al sprak ik zelf alleen Nederlands.’ Zo coachte Miep voornamelijk vrouwen – juist zij zaten in het onderwijs – en kwam zelfs de Arubaanse uitgeverij Charuba tot stand in samenwerking met Alice van Romondt, destijds bibliothecaresse, en Liesbeth ten Houten van uitgeverij Leopold. Toen dichter/schrijver Elis Juliana haar vroeg, wat zij vond van de vrouwenemancipatie, antwoordde ze ad rem: ‘Die heb ik niet nodig gehad!’

In 1990 werd tot Mieps verdriet geconstateerd, dat zij binnen drie jaar blind zou worden. Halverwege een nieuw manuscript legde ze dit werk neer om haar ogen rust te gunnen, in de hoop totale blindheid zo lang mogelijk tegen te gaan. Het lijkt een goed besluit geweest te zijn. Zij kan – met hulp – nog steeds goed zelfstandig leven, luistert naar de radio, leest voor zover dat gaat, maar doet 15 minuten over één pagina. Ze moest meemaken, dat haar jongste zoon overleed, Jeroen Kamphoff, veelzijdig televisieregisseur, ook bekend op de eilanden. ‘Maar,’ zegt ze, ‘Ik heb er wel 58 jaar een fantastisch kind aan gehad.’ Voor haar oudste zoon, Matthijs Kamphoff, psycholoog, auteur van boeken over o.a. reïncarnatie, zette ze de deur van haar kleine appartement wijd open, toen dat nodig bleek. “Het bracht ons dichter bij elkaar.’

‘Leopold heeft de hele Antilliana-collectie eruit gegooid,’ zegt ze dan. ‘Dat is heel erg om op mijn leeftijd mee te maken. Ook wordt er niet meer over je geschreven. Dan is het net alsof je niet bestaat.’ Haar grootste wens? Een volledige biografie over Miep Diekmann. Tot dusver vertrouwde ze dit alleen de voornoemde drs. Erna Staal toe. Maar zij, nu directeur van Uitgeverij Atlas, heeft het te druk voor zo’n omvangrijk precisiewerk. ‘En ik ben wel 87,’zegt ze realistisch. Bij toeval – zij noemt het lachend Bruha – kwam Miep in contact met de met Curaçao bekende Aart Broek. Een buitenkans, waarover hij zich niet lang hoefde te beraden, hoewel zoiets niet zonder subsidies gerealiseerd kan worden. Moeilijk, in deze tijd van bezuinigen. De klok tikt. ‘Maar,’ zegt ze, ’Ik heb een ontzettend geduld.’

Ervan overtuigd dat er – ook vanuit het nieuwe land Curaçao – geld beschikbaar komt, gun ik het haar van harte dat ze het uitkomen van die biografie mag meemaken. Zij heeft, haar tijd ver vooruit, over de hele wereld zovelen kennis laten nemen van het leven in dit land. Ze verdient het. Zeker nu de discussies daarover weer oplaaien. 
‘Er is eigenlijk niet veel veranderd,’ zegt ze. ‘Telkens die schuldvraag, het hoort erbij. Men is bang voor verandering en voor verbetering.’ Even is het stil. ‘Het taalgebruik is alleen populairder geworden.’ Kijk. We blijven vóór alles auteur.

Ze begeleidt me naar het parkeerterrein. Bij de lift vraag ik: ‘Zal ík op het knopje drukken met de K van kelder?’
Miep Diekmann in 1998, ter gelegenheid van de Tentoonstelling over haar leven en werk in het Letterkundig Museum te Den Haag. Deze foto sierde een levensgrote banner, die bij de ingang wapperde. Foto: Kleindochter Amanda van Bokhorst
‘Doe dat maar. En nu we toch spellen: schrijf je wel Diekmann op z’n Duits, met dubbel N? Ten slotte ben ik ook een 4e-generatie-immigrant.’ 

Jaran kepang, milder uit de hoek

door Charles Chang


Iedereen heeft het weleens van dichtbij of op afstand meegemaakt. In een jaran kepang maken de geesten plezier door bezit te nemen van de dansers. Dit spectaculaire volksvermaak wordt beter beheerst en kan tegenwoordig vrij worden bezocht door eenieder. Soemiran Dipowitana, gambo van de Young Riders, vertelt meer over het mystieke Javaans erfgoed.

De sierdans waarmee jaran kepang begint. Vroeger was deze dans in de avonduren niet mogelijk. Foto Charles Chang 



Werken met geesten is niet voor eenieder weggelegd. De ervaren Soemiran blikt tevreden terug naar een goed verlopen carrière als gambo, de jaran kepangleider. Als hij elf jaar is, wordt zijn interesse gewekt voor de mystieke Javaanse paardendans en gaat bij ouderen in de leer. Die zien in de kleine jongen een waardige opvolger en drager van de eigen cultuur.
Het 'wapen' wordt op hem overgedragen en drie jaar lang loopt hij mee om het Woord te leren. Waarschuwingen van anderen om de 'verafgoding' te laten en terug te keren naar het geloof slaat hij in de wind. Integendeel, hij toont nog meer toewijding voor de geestendans. Zijn ouders ondersteunen hem wel vanaf het begin, en ook zijn latere vrouw en schoonouders staan hem bij.
Soemiran begint als danser, wordt later gambo en richt uiteindelijk zelfs zijn eigen vereniging op. "Mijn goeroe's hadden veel geheimen, maar die kennis hebben ze wel aan mij doorgegeven." Het is echter zijn stiefvader, Sahari Rebo, die hem leert dansen en de khendang (percussie) leert bespelen. "Driekwart van mijn kennis over jaran kepang heb ik aan hem te danken. Sahari bracht mij overal naar toe en leerde mij ook hoe ik een vereniging moest draaien."

Gamelan-orkest. Tekening Albert Roessingh

Wayang-ridders
Jaran is de geest van het paard en kepang het paard van gevlochten bamboe waarmee de dansers optreden. Die laatste wordt niet zomaar gemaakt: ze worden een jaar van tevoren besteld. De maker zal een bepaalde dag uitkiezen om de bamboe te kappen en een andere dag om deze te vlechten. Ook het beschilderen gebeurt niet zonder de nodige eerbied en betekenis. Soemiran bidt vóór hij daarmee begint, want de kepang moet gezien worden als het huis van de geest. Als de jongens dansen, weet de geest waar deze naar toe moet. Een danser moet dan ook steeds hetzelfde paard gebruiken, zoals de geest gewend is.
Om zich aantrekkelijk te maken voor de jaran worden de dansers opgemaakt met gele atalpoeder en lippenstift. Tekeningen op het gezicht zijn geleend van wayangfiguren. Op het hoofd dragen ze een kulo (kroon), aan de oren een sungpen en om de armen ook een schild. Daarmee zien de dansers eruit als echte ridders een het paard.

De leider van een jaran kepang-groep; foto Ertugrul Kilic

Draak
Zodra ze in trance raken, eten ze gras en drinken water, maar ook parfum, want geesten willen graag water met een lekkere geur. Van het gebruik van geurpoeder is Soemiran afgestapt, "want dat besmeurt de gezichten van de jongens." De leider stelt zich nu op de achtergrond en laat het werk van degambo over aan jongeren. In een hoekje hebben ze de satjen (voorouderverering), bloemwater, een fles alcohol en pompea of andere parfum. Het gebed en de rituelen die ze uitvoeren voor de ogen van het publiek zijn nodig, maar de grote geestelijke voorbereiding heeft Soemiran in feite reeds thuis gedaan.

Gemaskerde figuren. Foto Ertugrul Kilic

Een jaran kepang bestaat niet alleen uit muzikanten, dansers, de gambo en zijn assistenten. In het begin lopen ook twee gemaskerde figuren rond: de mannelijke en vrouwelijke oppas van de paardengeesten. Ze worden bijgestaan door een draak die af en toe klapt met zijn bek. Dit klapgeluid imiteert de donder waar paarden bang voor zijn. Als alles onder controle is, verdwijnen ze van het toneel. Worden de paarden echter ongehoorzaam, dan komen ze terug of pakt de gambo de drakenkop.

Trom. Foto Ertugrul Kilic

Afspraken
Om deze Javaanse traditie mee te maken, moest het publiek zich vroeger aan een aantal regels houden. Zo was rode kleding verboden en moesten kinderen uit de buurt blijven. Dit zorgde voor angst en vermijding, maar tegenwoordig is alles toegestaan. Soemiran: "We hebben het gezamenlijk besproken en we hebben de geesten in een groot gebed duidelijk gemaakt: 'Als jij je niet beheerst, gaan de jongens niet meer kunnen optreden en kan jij ook geen plezier meer maken!'"
Die aanpak heeft succes gehad. "Nu kunnen we het op een klein veld houden en de geesten gaan niet buiten de grenslijnen", stelt Soemarin gerust. Toch kunnen ze maar tot op een bepaalde hoogte beheerst worden: "Het kan voorkomen dat je een stoot krijgt, maar dat gebeurt niet opzettelijk." Door deze 'overeenkomst' is jaran kepang een veilig volksvermaak geworden.

Het eten van rauwe padi bij een jaran kepang. Foto Ertugrul Kilic

Niet-Javanen
Het mystieke zal er altijd zijn, terwijl de dierverschijningen het tafereel hilarisch maken. 'Honden' pissen tegen palen, 'apen' drinken bier. Met één klap met de handen roept Soemiran ze op. "Dit is een apart onderdeel. Het zijn geen paardengeesten, maar andere winti's die komen. De 'tijger' die een kip verscheurt, vinden mensen gruwelijk of spannend, maar zelf ik vind het niet diervriendelijk. Als leider moet ik dan ook rekening houden met anderen die zo denken."
Suriname is het enige land op het westelijk halfrond waar jaran kepang bestaat. Op dit moment zijn er vijf groepen die dit stukje van de Javaanse cultuur in leven houden. Young Riders bestaat niet alleen uit Javaanse dansers, maar ook jongens uit andere bevolkingsgroepen. Soemiran noemt Marrons, boeroes en Hindostanen die komen oefenen. "Jaran kepang is een geestelijke dans en niet alle Javaanse jongeren mogen dit van hun geloof."

Dansers raken in trance. Foto Ertugrul Kilic

Vrouwen
Ook mensen van andere bevolkingsgroepen mogen dus meedoen, maar de meeste van hen blijven niet lang. Soemiran legt uit waarom: "We hebben gedragsregels en vaak ontbreken ze de discipline hiervoor. Sommigen komen om populair te doen, maar als danser hoor je je te gedragen in het publiek na je optreden. Anders bezorg je de vereniging een slechte naam."
Ondanks dat de vereniging openstaat voor andere etnische achtergronden, heeft zij geen vrouwelijke dansers. "Het mag, maar al ben je in trance, het is niet netjes om als vrouw tussen de mannen te rollen!" Alleen als de groep alleen uit vrouwen zou bestaan, staat Soemiran er open voor. Hij vervolgt lachend: "Het zou wel meer publiek aantrekken!"

Marcel Duran, Javaanse. Olieverf op doek

Opvolger
De jaran kepang-meester weet de khendang te bespelen, maar geen gamelan, en dat is wel eens lastig. De vergrijzing onder gamelanspelers zorgt ervoor dat de groep soms zonder spelers zit. Bij optredens in de districten voelen sommige muzikanten zich bijvoorbeeld te oud om zo ver te reizen. Soemiran stond zelfs eens op het punt om alles op te geven.
Toen hij op een dag thuiskwam, hoorde hij zijn zoontje echter drummen. Shivam Poelong was toen zes. "Nooit mi leri en, maar a naki betre moro mi!", klinkt Soemiran verwonderd. De jongen is nu dertien en speelt onderhand ook op gamelan. Zelfverzekerd leidt hij het orkest van Young Riders. "Ik luister naar de tonen en een oude Javaanse man vertelt mij hoe ik moet spelen. Zijn naam weet ik niet meer, maar je kan hem niet zien", aldus het wonderkind.
Door deze gift van zijn voorouders heeft Soemiran niet alleen een goede muzikant, maar ook een geschikte opvolger. Voor elke opvoering roept hij de geesten en na afloop stuurt hij ze terug naar het bos waar ze vandaan kwamen. De paarden van Young Riders zullen dus nog lang draven door het land.

Een bespeelster van de khendang. Foto Archie Tesoro


Trance
Aan het einde van elke opvoering komen de dansers schokkend tot de werkelijkheid. Een danser die vanaf zijn dertiende meedoet, is Erick Ronowidjojo(39). Hij vertelt zijn ervaring. "Ik ben het gewend, ik voel me alleen een beetje moe erna. Op mijn twintigste ben ik begonnen met trance. Wanneer het zover is, neem 'het' over van ons. Ik weet dan niets - ook niet wat ik eet. Alleen de rauwe geur die ik overhoud van het eten van een levende kip, zegt mij dat ik een tijger was geweest. Voor de rest moet ik het hebben van een filmopname om te zien wat ik allemaal heb uitgehaald!"

Khendang

[uit de Ware Tijd, 22/12/2012]

Kosmopolis Rotterdam bedreigd


door Dineke Stam

De laatste weken op diverse bijeenkomsten, merkte ik dat slechts weinigen dit nieuws kennen, vandaar dat ik dat hier eerst kort beschrijf: Kosmopolis Rotterdam had een positief advies van de Commissie Cultuureducatie en Community Art van de Rotterdamse raad voor Kunst en Cultuur (RRKC). De organisatie moest wel fiks inleveren, maar zou voldoende budget overhouden om het werk goed voort te kunnen zetten. Burgemeester en Wethouders van de stad nemen dit advies in hun cultuurplan over. Maar: de woordvoerder cultuur van de PvdA wil de educatie van het Hofpleintheater redden. Dat werk van het theater heeft van dezelfde commissie van de RRKC een negatief advies gehad. De educatie komt vooral bij welgestelde kinderen terecht. Begin oktober, ongeveer zes weken voor het definitieve besluit in de Gemeenteraad gaat vallen, blijkt dat de PvdA om de educatie van het Hofplein theater te redden, Kosmopolis wil opofferen en voor deze sluipmoord wil samenwerken met Leefbaar Rotterdam. Deze twee partijen hebben een forse meerderheid in de Gemeenteraad en hun motie wordt aangenomen. Einde verhaal voor Kosmopolis Rotterdam, ondanks vele vernieuwende en geslaagde projecten (verslagen veelal te vinden op de website en op www.issuu.com). Ondanks uitstekend denk-en doewerk rond de superdiverse stedelijke samenleving en de rol van cultuur daarin. Ondanks het smeden van succesvolle en onverwachtse coalities met commerciële partijen als het winkelcentrum Zuidplein, met kerken, moskeeën en synagoges, met tuinverenigingen, buurtcentra, theaters, kookwinkels, ontwerpers, studenten en docenten van Codarts en de Willem de Kooning academie, de Erasmus Universiteit en het Zadkine college en wat al niet. Ondanks de internationale voortrekkersrol in het werk rond transnationale cultuur. Het is triest maar waar. Liane van der Linden en haar team zullen zeker doorgaan met hun goede werk, in welk verband dan ook. Onuitstaanbaar jammer voor stad, land en overzee om deze partner te missen.

Zie ook hier

Curaçaos bloed

Vorige maand presenteerde Eardly C. van der Geld in Tilburg zijn boek Curaçaos Bloed. Het boek gaat over de Curaçaose student Bouwkunde Surandy Hillard, in de bloei van zijn studentenleven in Tilburg. Na een kort maar enerverend verblijf op Curaçao voor de begrafenis van zijn grootmoeder, raakt hij geïnteresseerd in alles wat met zijn roots te maken heeft. Vlak voordat hij met zijn stage begint in enkele eeuwenoude gebouwen in Middelburg uit de slaventijd, ontmoet hij de knappe Natasha. Hij weet nog niet welk tumult zijn handelingen zullen veroorzaken.

Rolpatronen uit de slaventijd
Curaçaos Bloed gaat over integratie en tolerantie en hoe rolpatronen uit de slaventijd daar nog steeds invloed op uitoefenen. Het gaat ook over de verwerking en omarming van het slavernijverleden. Eindelijk weer een boek van Curaçaose hand. Het speelt zich af in het heden, en durft in te gaan op de sociaal-maatschappelijke complicaties van de integratie.


Eardly C. van der Geld, Curaçaos bloed
Aantal pagina's: 208
Uitgever: E. Van Der Geld Administraties, Emt, 2012
EAN (ISBN): 9789082002003

De auteur
Eardly van der Geld is 54 jaar, geboren en opgegroeid op Curaçao en in Suriname. Hij woont al 35 jaar in Nederland en is voorzitter van Stichting Cultureel Erfgoed Caribisch Gebied en Nederland. Hij ijvert al meer dan vijfentwintig jaar als vrijwilliger in Tilburg voor maatschappelijke en economische verheffing van de Antilliaanse doelgroep. Historisch besef vindt hij cruciaal voor de broodnodige integratie in Nederland. Verder is hij medeoprichter van project Direkshon, medepublicist van ‘Een gemeenschappelijke strijd/Tweede Wereldoorlog in de West’ en medecoördinator van het project Digitalisering Fotoarchief Fraters van Tilburg.

vrijdag 28 december 2012

Landhuis Bloemhof: Workshop Tera Percussions

Come and visit 'Tera Percussions' by local artists Tatiana Saturnino - Felix. This exhibition features various hand-made percussion instruments and accompanies ceramic works and Paintings by Julie Kooijman.
Foto © Dalbera


Workshop
Just a gentle reminder that this Saturday from 10 am to 11 am, local percussionist and husband of Tatiana, Pernell Saturnino, will give a workshop/demonstration on various percussion instruments. Please sign up in advance. Entrance is free.

Mr. Saturnino was born in Curaçao. He started to play percussion when he was 9. In 1982, just when he turned 19, he decided to study music seriously at F.I.M. (Foundation Institution of Music) and graduated in 1986. In 1988 Pernell moved to Boston, USA, to study at Berklee College of Music. At Berklee, he won two awards: Most Outstanding Percussionist in 1992 and Latin Percussion Award, 1994. Through the years he recorded and preformed with many internationally renowned artists like Joe Zawinul, Hermeto Pascoal, Chucho Valdez, Cachao, Michael Gibbs, Gilberto Gil, Danilo Pérez, Oscar Stagnaro, Rebecca Paris, Paquito D'Rivera and many more.

End of Year Concert
Saturday December 29, 2012 starting at 7 pm in the hofi area outside features a mix of various local artists like Ompi Tio, Marvin Snijders, Pernell Saturnino, Niata Augusta, Gody, Anouk Noorden, Clark Elisabeth, Alberto Blanco, Pernell Saturnino, Shandrelica Casper, Hershel Rosario, Rochi Mathews, Marlon "Lonte" Conradus, Stanley Betrian, Dean McCarthy, Roderick Volk, Magou, Krystle Rosario, Maruja Boogaard en Irma Philbert.

Come and enjoy some Aguinaldo and Tambu to end the year swinging! Tickets are available for purchase for ANG. 17.50 at Landhuis Bloemhof and Tatiana Saturnino - Felix. Ticket sale revenues go towards the purchase of Tatiana’s much needed tools for making her sought after percussion instruments.

Landhuis Bloemhof
Santa Rosaweg 6, Curaçao
Tel: +5999-737-5775
W: www.bloemhof.an
E: info@bloemhof.an

Luna Blou 10 jaar


Luna Blou zoekt de leukste, spannendste, interessantste verhalen van het Curaçaose publiek over het theater. Op 4 april 2013 bestaat Teatro Luna Blou 10 jaar. Graag delen we dit moment met het publiek dat ons een decennium lang in staat heeft gesteld theater aan te bieden op Curaçao. Wat is uw/jouw mooiste herinnering, voorstelling of visie op Luna Blou / La Tentashon? De leukste/mooiste/ontroerendste verhalen / anekdotes worden gepubliceerd in het Liber Amicorum (jubileum boek) dat volgend jaar uitkomt ter gelegenheid van het 10-jarig jubileum.

Mail ons op programmering@lunablou.org
Deadline 10 januari 2013

Ken Mangroelal - Een Nora, een Antigone in Suriname


Identiteiten (2)

Bea Vianen. Portret door Nicolaas Porter

S.
De protagoniste in Suriname, hai van Bea Vianen. Niet meer dan een initiaal, een
non-identiteit.
Hai (ik ben). Niet het Cartesiaanse sum, dat zich laat deduceren uit het cogito, maar meer het zich ponerende Fichtiaanse sum dat stelling neemt tegen een masculien-gedomineerde samenleving waarin de vrouw een niets is, een onderworpene aan het tirannieke gezag van de man (vader, echtgenoot).

S. heeft de moed van Antigone (Euripides) en de emancipatorische kracht
van Nora (Ibsen). Het verhaal ontwikkelt zich als een klassiek-Grieks (Euripides)
of modern drama (Ibsen) waarin S. zich uit haar non-identiteit ontwikkelt tot een ware persoonlijkheid, één waarvan Hegel zegt:

‘Ein echter Charakter handelt aus sich selbst und lässt nicht einen Fremden in sich hinein vorstellen und Entschlüsse fassen. Hat er aber aus sich gehandelt, so will er auch die Schuld seiner Tat auf sich haben und dafür einstehen.’ (Asthetik I/II, Reclam, p. 342)

S. staat in voor haar daad en kan tenslotte als zelfoverwonnene uit de strijd uitroepen:

 ‘Ik ben geen S. of het meisje. Niet meer. Sita! Sita! Ik durf mezelf bij de naam te noemen. Omdat ik weet wat ik niet wil: Stikken! Stikken! Stikken!’ (pag.160)

Haar emancipatie, haar zelfbevrijding uit een liefdeloze en tot mislukking gedoemde huwelijksrelatie, haar behoefte aan identiteit en intellectuele zelfontplooiing schittert als een nieuw licht boven de wildernis, maar laten we teruggaan naar de tijd toen dat er nog niet was en duisternis, haat, pijn, verdriet en wreedheid de wereld bezielde.

Monument voor de Hindostaanse Immigratie, Groningen, Saramacca
Het verleden

‘Het was een tijd van nummers.’

S. wil het raadsel van de immigratie van 1916 ontwarren.
Het registratienummer van haar grootmoeder (Janakya) is 199 QQ.
Het nummer van het krot waarin Adjodiadei woont is 199 c. Wij schrijven 1951.
Na langer dan een jaar zoeken en op haar zestiende verjaardag, een jaar na de dood van haar moeder klopt S. bij Adjodiadei aan. Adjodiadei, de drankzuchtige groentenvenster, de toegang tot het vergrendelde verleden.
S. haat Adjodiadei. Ondervraagt haar als verdachte, schuldige, mogelijk medeplichtige aan het drama van haar grootouders. Maar ze krijgt niet de antwoorden op haar vragen die zij wenst. Adjodiadei toont zich meer de muur van het verleden, de muur van het depot in Calcutta waar de grootouders van S. vandaan komen.

Vragen te groot en indringend voor een puber en toch stelt ze die:

Heb je Harynarain Hirjalie, mijn grootvader gekend?
Hield hij van zijn vrouw Janakya, mijn grootmoeder?
Waarom ging hij na afloop van zijn contract terug naar India? Ging hij wel ooit terug? Of?

Er was ook nog Radjkumarie, de moeder van S. Na de zelfmoord van Janakya
wordt Radjkumarie bij Adjodiadei achtergelaten waar zij opgroeit als wees.
S. kan er niet bij dat haar grootvader zijn dochter aan deze vreemde ontwortelde drankzuchtige vrouw zou hebben toevertrouwd.

S. schat in dat haar moeder (Radjkumarie) viereneenhalf jaar moet zijn geweest toen zij naar het krot van Adjodiadei in Lelydorp werd gebracht. ‘Daarmee verloor zij haar identiteit’ en werd wees. Adjodiadei heeft zich nooit bij het immigratiekantoor als voogdes opgegeven.

Radjkumarie verdringt haar verleden. S. vraagt zich af of de straffen, de mishandelingen en de liefdeloosheid haar tam hebben gemaakt. Of ze haar ouders ooit heeft kwalijk genomen dat zij haar in de steek hebben gelaten en haar leven als wees heeft moeten aanvangen. S. denkt: ‘Zij heeft mij het leven geschonken zonder te weten wie zij zelf was.’(pag.12)

Zij moet een zachtaardige vrouw zijn geweest, maar ook iemand bij wie de dood zich al vroeg had genesteld. Het verleden kwam niet over haar lippen, zelfs niet op haar sterfbed (ze zou drieëndertig worden). Wel een laatste poging daartoe  in de vorm van een paar slappe vingers in de lucht daarmee zeggende: ‘Dag mamma. Is er een hiernamaals, mamma? Een nirwana, mamma? Waar je geen nummer zult zijn?’ (p.16)

In het krot van Adjodiadei herinnert S. zich de foto’s waar haar moeder het over heeft gehad. Foto’s die haar moeder had willen meenemen toen ze bij Adjodiadei  wegging. Nu komt ze die voor haar moeder opeisen. Adjodiadei ontkent eerst dat ze die heeft, maar uiteindelijk geeft ze toe. Ze wil de foto’s geven als S. belooft nooit meer haar krot te betreden. S. krijgt de foto’s. Foto’s van haar grootouders.
Als S. de krot verlaat schreeuwt Adjodiadei haar na: ‘Je bent precies je grootvader…Heb je mij gehoord?’ (pag.24)



Op een avond bekijkt ze de foto’s. S. geeft een zowat psycho-analytische beschrijving van haar grootouders

‘Liggend op bed staart zij naar de jonge gezichten die haar op hun beurt aanstaren uit een vreemd landschap. Man en vrouw staan tegen een grijze muur van steen. Een binnenplaats misschien? Het depot? Calcutta?
Hun gezichten, gedeeltelijk beschaduwd  door de volle takken van een boom die achter de muur staat, wekken de droevige indruk niet bij elkaar te horen. De poses zijn gedwongen. Het gezicht van Janakya, afgewend van de jonge Harynarain, is meisjesachtig bolrond. De ogen, half dichtgeknepen, waarschijnlijk tegen het felle zonlicht, staren futloos naar de fotograaf of naar een onheilspellende leegte.
Het gezicht van de jongeman lijkt donkerder, is smal en ovaal. De mondhoeken zijn scherp en vallen samen met twee lijnen die bij de smalle neusvleugels beginnen. De ogen hebben iets tartends, iets superieurs, iets spottends en onverschilligs.’(pag.40)

Haar analyse levert niet de opheldering op die ze wenst. Haar grootouders zijn niet meer dan vreemden voor haar. Zij en haar broertje Ata zijn ontstaan ‘uit een nachtmerrie van situaties, uit een verleden waarvan zij niets weten.’
En wat hebben die hun achtergelaten? Niets dan namen, nummers, ‘namen die  door duizend andere Indiërs, misschien wel miljoenen, gedragen worden.’ (pag. 41)
Haar grootouders hebben zich geen rekenschap gegeven van hun daden. Zij lieten een kind achter, beiden op hun eigen verdorven manier. Waarom zou zij zich rekenschap geven van hun ellende, hun daden, de geestelijke moord van Radjkumarie, de zelfmoord van Janakya?

Einde analyse. Ze klapt het boek Verleden dicht. Later zal zij die foto’s verscheuren.

Foto Michiel van Kempen

Vader/dochter

Er is altijd die spanning tussen vader en dochter. Hun discours is polemisch van aard. Zij wordt niet door hem opgemerkt. Alleen haar schoolprestaties tellen. Voor hem is zij ‘een lijst met cijfers die beloond wordt met geld’.
Zijn presentie/absentie, zijn onvoorspelbaar komen en gaan is haar een doorn in het oog. ‘Hij is even plotseling weg als dat hij terugkomt om zich op zijn zwijgzame autoritaire manier van haar doen en laten op de hoogte te stellen.’ (pag.39)

Hij is een schim die zwijgend door het huis beweegt, zich gedraagt alsof hij de enige is die onder het leed, de leegte in huis gebukt gaat. Hij is vergeetachtig, vergeet gauw de gewone dingen zoals haar verjaardag en de paar nieuwe schoenen die hij haar heeft beloofd. Hij vernederd haar in het bijzijn van anderen, vreemden.

Hij heeft niet door dat zijn vrienden, de Ramessars en de Soekhoes, met hun schijnheilige onderdanigheid, erop uit zijn hem te gronde te richten. Hij schenkt hun zijn vertrouwen tegen beter weten in. Hij weet dat er iets niet klopt in zijn berekeningen, maar hij durft daar niet aan toe te geven.
‘Het is de neger in hem die hem drijft tot zelfvernietiging en hem tot slaaf maakt van de listige vriendschap en schijnbare welwillendheid van dit Aziatisch geboefte’. (pag. 43)
De Ramessars en de Soekhoes, de schurken en analfabeten beheersen één alfabet beter dan haar vader: het alfabet van de list. Zij brengen hem ten val. Hij moet de meubelzaak verkopen en zelfs het stukje grond waar hun huis op staat.

Er bestaat geen gewone communicatie tussen vader en dochter waardoor zij  hem voor deze catastrofe kon behoeden. Hij zou haar slaan als zij aandurfde hem dat te vertellen.

S. vermoedt dat haar vader een heimelijke relatie heeft met Roekminia, de vrouw van Soekhoe. Het huis van Roekminia en Soekhoe vermijdt zij daarom ook het liefst. Haar moeder had hetzelfde vermoeden. S. vraagt zich of haar moeder daarom zich vernederd en gekwetst voelde en het hoe langer hoe meer over de dood had, terwijl ze pas drieëndertig was? S. wil daar niet verder over nadenken. Zij schaamt zich voor erotische zaken en voelt wrok, jaloezie en haat daarbij.

S. is zich veel te vaag bewust van de kleine biologische veranderingen in haar lichaam. Veel te traag en aarzelend in haar uiterlijke groei. Zij is mager op een jongensachtige manier, maar daarom ook sterk. Zij heeft een vitaliteit die benijdenswaardig is. Door de stormachtige geestelijke groei heeft zij het gevoel dat ze volwassen is. Doch veranderingen in haar lichaam maken haar onrustig en prikkelbaar.

Haar lichaam is doortrokken van schaamte. De meisjes op school vertellen rond dat ze nog niet ongesteld is geworden. En als Selinha, haar boezemvriendin, daarover begint doorstromen ‘gevoelens van haat, tegen haar eigen lichaam en  schaamte’ haar. Haar eerste gevoelens van verliefdheid ondergaan hetzelfde lot.
Bea Vianen, Meerzorg, 2010

Het meest diepe gevoel van schaamte dat van haar bezit neemt is de zoveelste zaterdagavond wanneer haar vader beneden  weer met de valsmunters aan tafel zit, nadat zij hun weekloon van hem hebben ontvangen. Haar vader lacht en drinkt met zijn bedriegers en ze maken plezier. Heeft hij ooit tegen haar gelachen? Boven op haar kamer begint ze als een bezetene op haar deur te bonken tot haar vuisten ervan gloeien. Zíj bestáát óók! En heeft ook recht op vrolijkheid en plezier! Behalve de kermis, een keer per jaar, de huwelijksceremonies, de school en Selinha! Haar vader komt naar boven en vraagt of ze gek geworden is.

En na deze ontlading gebeurt het. Ze voelt dat haar dijen kleverig zijn. Haar eerste menstruatie.
Ze snelt het huis uit naar Selinha en mystificeert en ontkent eerst het gebeurde tot ze uiteindelijk moet toegeven dat ze menstrueert. Dan volgt de diepe schaamte daarover. Haar vader mag dat niet te weten komen. Ze doet er alles aan om te voorkomen dat hij dat te weten komt.

Later verbaast het Selinha dat S. zich tegen haar menstruatie verzette.
S. kan niet de woorden vinden om haar het dieper liggende verhaal dat daarachter schuil gaat te vertellen.

S. blijft ontkennend tegenover haar lichaam staan. Selinha moet haar erop attent maken dat ze toe is aan een bh. Schaamte overvalt haar weer. Ze vraagt wat een bh kost. Dat geld moet ze aan haar vader vragen, maar ze zal zeggen dat ze geld nodig heeft om boeken te kopen.

S. zoekt troost. Ze verdiept zich in de poëzie van Tennyson, de Brownings of de Tachtigers. Zij herkent in hun werk de eenzaamheid, gebroken gevoelens in de volmaaktheid van het landschap. (pag.45)

Hoewel S. het boek Verleden heeft gesloten laat het onbewuste zich niet zo makkelijk in een kerker wegzetten. Het onbewuste laat haar niet met rust en manifesteert zich keer op keer in dezelfde droom, een déjà vu. Sinds Freud weten wij dat dromen een psychisch fenomeen zijn en zich lenen voor duiding. De droom codeert het raadsel waarmee zij worstelt.

‘Zij weet niet hoe zij daar gekomen is. Maar zij is er. Voor haar is een lange, een heel lange brug. Er lopen mensen onder dunnen sluiers. Zij zijn alleen maar zichtbaar door de voeten die zich verplaatsen. Opeens is zij naakt en loopt tussen twee mannen. Zij moet het schip halen. Zij rent naar het water, ziet het witte schip met zijn passagiers vertrekken. ‘Breng me erheen’, smeekt zij de mannen in kaki, ‘breng me erheen. Ik moet het halen.’ Dan zit zij in een motorboot, nog altijd naakt, op weg naar het schip. Maar als zij de hoge golven ziet smeekt zij de mannen aan lang terug te gaan’.(pag. 46)

Dan wordt ze wakker.
De droom kan zij niet duiden.


Het verhaal van S. is doorspekt van zelf- en maatschappij-analyse. Het duistere onopgehelderde verleden overwoekert het hier en nu. Het noodlot, de terugkerende patronen van liefdeloosheid, in de steek laten, onderworpenheid en huiselijk geweld, ‘koude oorlog sfeer’ doorkruisen alle relaties. De cirkelgang, ‘die ewige Widerkehr des Gleichen’ zoekt zij te doorbreken. ‘Natuur is’, zegt ze ‘verveling voor wie niet alleen maar willen eten, slapen en kinderen verwekken. Angst voor een vrouw die geen werktuig wenst te zijn.’ (pag. 142)

En toch moet zij ook deze noodlottige weg eerst gaan om daaruit gelouterd tevoorschijn te kunnen komen.

‘Een kind wordt geboren, groeit op om later de littekens te herkennen, die er al waren, nog voordat het bestond. Het staat er niet bij stil, stelt zich vragen, verzet zich met ongeloof, wrok, haat. Dat is niet het einde. Er bestaat zo iets als een paspoort dat je niet zelf hebt getekend. Er is een bestemming die je niet zelf hebt bepaald. Het is de bestemming van de leegte, de onmacht , het verdriet.’
(pag. 93)

Foto S. Nandhoe

Selinha
Selinha is de boezemvriendin van S. Haar vader is mohammedaan, haar moeder creoolse. Zij praat makkelijk over seks en seksualiteit. S. vraagt zich eens af waarom ze niet is zoals Selinha die alles gewoon vindt, ijdel is omdat ze volwassen is, ijdel omdat zij weet dat er naar haar gekeken en gefloten wordt. Ze weet het antwoord. Het komt door die schim van een vader die haar nooit de kans heeft gegeven een meisje te zijn.
S. is zich nauwelijks bewust van haar lichaam. Selinha moet haar erop wijzen dat zij aan het dragen van een bh toe is. Ze vraagt aan Selinha wat een bh kost. Dat geld zal ze aan haar vragen moeten vragen. Maar haar vader mag niet weten waarvoor. Ze zal zeggen dat ze dat nodig heeft om boeken te komen.
Selinha en S. slagen voor hun examen. Selinha neemt een kantoorbaan en S. gaat naar de middelbare school..
Selinha en Radj raken verliefd op elkaar. Als de Selinha’s vader daarachter komt tuigt hij zijn dochter af met een stok in bijzijn van haar halfbroers en broers die geduldig en voldaan toekijken en S. en Soekhia. Radj is een hindoestaan, geen mohammedaan. Haar vader zei dat ze beter thuis kan komen met een neger dan een vervloekte Hindoe.
Selinha raakt zwanger van Radj. Zij vertelt aan S. dat zij met opzet zwanger is geworden. ‘Het is de enige manier zegt ze om ze ( vaders, ouders) tot rede te brengen. Je moet ze flink belachelijk maken.‘(pag.78)
Ze trouwen. Radj moet daarvoor mohammedaan worden, wat hij doet.
De ouders van Radj komen niet naar het huwelijk. Selinha krijgt een zoon.
Radj vindt werk in Nickerie. Ze verhuizen daarnaar toe. Als S. Selinha in de vakantie wil opzoeken, krijgt zij geen toestemming van haar vader.
Hun vriendschap ebt langzaam weg, wat hun beiden raakt.

Islam
S. moet eerst niets van Islam hebben. Ze is bang van haar vader, daarom bang van mannen. Die brengen haar in verwarring. En de eerste die haar in verwarring bracht was die laffe Harynarain, haar grootvader.
S. slaagt voor haar eindexamen middelbare school. Ze wil gaan studeren. Ze gaat er geheel van uit dat haar vader daarmee akkoord gaat. Goede rapportcijfers en studie is het enige wat voor hem telt. Tot haar verbazing zegt hij nee. ‘Het is Ata’s beurt’. Een diepe teleurstelling.
Zij en Islam zien elkaar vaker. Ze raakt zwanger van hem. Ze vlucht uit huis en trekt bij Azaat, Islams broer samen met hem in. Ze walgt van het huishouden daar, de viezigheid, smerigheid. In die vijandige ruimte kijkt ze naar haar spullen die alle hun vertrouwdheid verliezen. ‘Ze zijn een deel van miskenning, zelfverloochening.’
Ze trouwen, maar S. wil niet daar blijven wonen.
Soekhia weet een huis in haar straat. S. krijgt geld van Islam en huurt het huis.
Ze gaan daar wonen. Het kind wordt geboren, een zoon. Ze noemt hem Ata, naar haar broer.
Diep in haar hart weet ze dat ze haar eer heeft gered door een man te trouwen op wie zij niet verliefd is.
Haar broertje komt vaak langs en zegt dat haar vader wil weten hoe het met haar gaat. Ze gaat daar niet op in.
Als het kind vijf maanden oud is, is het zover. Ze wil niet meer met Islam. Ze is jong genoeg om opnieuw te beginnen.
Ze vertelt Ata dat zij hun vader komt opzoeken. Al haar haatgevoelens slaan om in toegeeflijkheid. 
Liefdevol ontvangt de vader haar en zijn kleinzoon. Zij vertelt hem dat zij wil gaan studeren of ze het kind bij hem kan laten. Dat kan. Hij zegt: ‘Het is ook mijn bloed. Ik zal voor hem zorgen.’

Islam die het huis heeft verlaten zei dat hij eens terug zou komen.
En dat doet hij ook.
Een week voor haar vertrek komt hij met zijn broer Azaat laat in de avond het kind opeisen. De deal is ‘Geef me het kind, en ik zal je verstoten.’
Hij is haar weer te slim af. Hij heeft altijd alles geweten wat zij deed. Hoe? Ze zal daar nooit achter komen. Ze bijt op haar tanden en zegt: ‘Verstoot me en ik zal je het kind geven.’ Hij kijkt haar triomfantelijk aan, draait zich snel om en wenkt de mannen binnen te komen.

Het kind als prijsoffer en ook de prijs om te kunnen ademen, leven, zijn. Om te kunnen zeggen: ‘Ik ben geen S. of het meisje. Niet meer.
Sita! Sita! Ik durf mezelf bij de naam te noemen. Omdat ik weet wat ik niet wil:
Stikken! Stikken! Stikken!

  
Ze glimlacht door haar tranen heen.
Het begint te regenen. (pag.160)


Bea Vianen, Sarnami, hai; roman. Amsterdam: Querido, 1969 (3e druk verschenen bij In de Knipscheer)