donderdag 31 januari 2013

Gedichtendag: Boeli van Leeuwen

Ook gedichtendag voor dichters met weinig gedichten

door Klaas de Groot

Het Caraïbisch Uitzicht liet op 26 januari jl. het intrigerende gedicht ‘In dit licht‘ van Boeli van Leeuwen weer eens zien. Dat gedicht verscheen voor het eerst integraal in De rots der struikeling (1959) en als zelfstandig gedicht in 1995. Het verscheen toen in het boek In dit licht met foto’s van Carlos Tramm. Het onthullende licht van de camera van Tramm lijkt op het niets ontziende licht dat Van Leeuwen doet schijnen in veel van zijn proza.
De teksten van Van Leeuwen die in het boek staan, worden op ‘In dit licht’ na niet als gedichten gepresenteerd. Toch kunnen ze gelezen worden als prozagedichten, voor zo ver ze niet naar een foto verwijzen.
Hoe sterk het proza van Van Leeuwen is, al wordt het geïsoleerd,werd deze week ook bewezen in het Amsterdamse Paradiso. Daar speelde het een rol in de revueachtige voorstelling van de Stichting Julius Leeft. Die voorstelling ging zelfs onder de titel van het bekendste boek van de auteur: Geniale anarchie (1990).

Gelukkig heeft Van Leeuwen nog een ‘echt’ gedicht gepubliceerd. ‘Patriarch met trio’ verscheen voor het eerst op zaterdag 11 januari 1985 in de Amigoe-Ñapa. De tweede versie verscheen in de Beurs- en Nieuwsberichten op zaterdag 14 maart 1987. In de Amigoe stond in de laatste regel ‘en een Rojer’, dat werd in de Beurs ‘en hun patriarch’. Ook de bijpassende foto werd nu anders afgedrukt met de ‘patriarch’ links. In het boek Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud (red. Coomans, Coomans-Eustatia & Rutgers, 1991) staat het gedicht ook. Maar daarin is in de eerste Papiamentstalige wending het woord ‘algu’ niet goed uit de verf gekomen.
Beide gedichten worden onder andere gekenmerkt door bekende motieven van de schrijver: de profeet is vlakbij en Curaçao ook. Vooral het laatste element is krachtig aanwezig. Lees de laatste twee regels van ‘Patriarch met trio’: ‘Muziek die van ons is en van ons alléén./ Drie Palmen en hun patriarch: tijdloze dragers van onze cultuur.’

Laten we op deze gedichtendag eens een poging doen om de dichter te eren met een juiste weergave van ‘Patriarch met trio’. En laten we hopen dat er misschien ooit nog meer gedichten van Boeli van Leeuwen zullen opduiken.

Jan Gerard Palm met zijn muzikale kleinzonen, van rechts naar links Jacobo Palm, John Palm en Rudolph Palm. [foto uit: J.I.M. Halman en R.A. Rojer, Jan Gerard Palm; Leven en werk van een muzikale patriarch op Curaçao, Leiden: KITLV, 2008]


Boeli van Leeuwen

Patriarch met trio


Stram als Pruisische cadetten,
fluit en klarinet in aanslag,
in lakense pakken geperst en gewurgd in genadeloze boorden
staan ze daar
als een Picasso
cubistisch in het beeld.
De brede hand van de pianist laat zich gelden
en streelt beschermend de vergeelde toetsen van zijn instrument.
Diepe vouwen in het tapijt (tira algu riba suela
nos tei saka potrèt).
Maar op de piano
een fluwelen kleed
waarin gouden bloemen bloeien.
Men verwacht iedere seconde het bevel: 'Die Augen rechts!'
Want daar zit de zachte profeet,
de Abraham van de familie,
de patriarch met gezag omgord.
Ogen, die op aarde alles reeds hebben gezien,
bezonken maar gebiedend,
formidabel met zijn bizar kalotje op het zware hoofd.
In zijn handen,
gelooid door de zon
en bespikkeld als een webu ‘i bubi
ligt de toekomst: geschreven muziek!
Broos maar onwrikbaar, een magistrale figuur,
lijkt hij op een wijze uit het Oosten
of de leider van een sekte in een obscuur en afgelegen land.
Zijn majesteit wordt vergroot
door een slobberig en slordig pak
en afgetrapte schoenen zonder veters.
Ik ben die ik ben, sobrá ta ko‘i makaku.
Hij is een Palm.
En in de schaduw van zijn blaren
hebben wij zorgvuldig de kostbare dadels vergaard:
delicate walsen,
hitsige tumba’s,
en hoofse mazurka’s.
Muziek die van ons is en van ons alléén.
Drie Palmen en hun patriarch, tijdloze dragers van onze cultuur.

maandag 28 januari 2013

Koningin noemt Caraïbisch gebied in haar abdicatierede

Prinses Beatrix en prins Claus brachten in 1966 een bezoek aan Suriname. Foto ANP


Koningin Beatrix heeft vanavond om 19.00 uur bekendgemaakt dat zij op 30 april a.s. afstand zal doen als Koningin van het Koninkrijk der Nederlanden. Kroonprins Willem-Alexander zal haar opvolgen, Máxima wordt naar alle waarschijnlijkheid koningin.

Koningin Beatrix bezocht Sint Maarten in 1999 toen de orkaan Lenny daar had huisgehouden


In haar afscheidsrede noemde de Koningin in het bijzonder de Caraïbische delen van het Koninkrijk:

“Tot op de dag van vandaag heeft deze mooie taak mij veel voldoening geschonken. Het is inspirerend zich bij mensen betrokken te voelen, mee te leven met verdriet en te delen in tijden van vreugde en nationale trots. Dat heb ik eveneens mogen ervaren in de Caraïbische delen van ons koninkrijk, waar ik ook altijd veel warmte en hartelijkheid heb ondervonden." 

Koningin Beatrix en haar schoondochter Máxima tijdens hun bezoek aan Aruba en de voormalige Nederlandse Antillen, november 2011

Werkgroep zoekt penningmeester


De Werkgroep Caraïbische Letteren zoekt per direct een nieuw bestuurslid die de functie van penningmeester op zich wil nemen. De penningmeester zorgt voor het financiële jaarverslag, beheert de bankrekening, ondersteunt subsidieaanvragen, zorgt voor betaling van honoraria en voldoening van nota’s. Er is geen grote kennis van financiën voor nodig, al strekt enige rekenvaardigheid wel tot aanbeveling. Affiniteit met de wereld van cultuur en letteren van het Caraïbisch gebied is wel vereist, want de penningmeester is een volwaardig meedenkend lid van het bestuur, dat circa vier maal per jaar bijeenkomt.

Het gaat om een onbezoldigde functie; geen der bestuursleden ontvangt enige vergoeding voor de werkzaamheden.

De werkzaamheden variëren qua tijdsinvestering, maar komen over het jaar genomen neer op ongeveer een dag per maand.

Nadere inlichtingen kunnen verkregen worden bij de voorzitter, dr Peter Meel, bereikbaar tijdens werkuren op tel. 071-5272654 of per mail: P.J.J.Meel@let.leidenuniv.nl

Aanmelden kan via het mailadres van de werkgroep:

30+30 Dichtersmarathon bij Perdu

Amsterdam Lichtstad. Foto @ Michiel van Kempen

Dat poëzie niet moeilijk is, bewijst Perdu jaarlijks op Gedichtendag. Niet door zich op die dag te beperken tot de eenvoudigste poëzie, maar juist door de poëzie in al haar diversiteit aan te bieden op een manier die vooral de nieuwsgierigheid prikkelt. Podiumbeesten en prevelaars, anekdotici en hermetici, vaklui en avonturiers, groentjes en grijsaards: ze staan naast elkaar en door elkaar op deze nieuwe editie van de 30 + 30 Dichtersmarathon. Zestig zeer uiteenlopende dichters komen in ongeveer tweeënhalf uur in een onverbiddelijk ritme voorbij.

Amsterdam Lichtstad. Foto @ Michiel van Kempen


Het concept is uitermate eenvoudig: dertig Nederlandse dichters lezen elk drie gedichten voor: twee van henzelf en één van een zelfverkozen collega uit het buitenland. Bij het voorlezen wordt de poëzie niet onderbroken door aan- of afkondigingen, bio- of bibliografische informatie of entr’actes en intermezzo’s. Zo kan de aandacht van de luisteraar zich volledig op de poëzie zelf richten, die zich aan hem presenteert als een constante stroom in een onverbiddelijk ritme van ruim tweeënhalf uur.

Amsterdam Lichtstad. Foto @ Michiel van Kempen


Wiens aandacht toch even verslapt, haakt zo weer aan bij de eerstvolgende dichter. Een uitstekende gelegenheid om je onder te dompelen in poëzie uit Nederland en de rest van de wereld.

Michiel van Kempen

Met Adriaan Krabbendam, Anne Broeksma, Anne van Amstel, Anneke Brassinga, Daan Doesborgh, Daniël Vis, Dennis Gaens. Edwin Fagel, Emile den Tex, Emy Koopman, Erik Lindner, F. Starik, Frank Keizer, Geert Buelens, Han van der Vegt, Hannah van Binsbergen, Hélène Gelens, Hans Groenewegen, Jan Baeke, Joost Baars, Jürgen Smit, Laura van der Haar, Mark van der Schaaf, Martijn den Ouden, Mathijs Gomperts, Michiel van Kempen, Miek Zwamborn, Pim te Bokkel, Ton van ’t Hof, Tonnus Oosterhoff.

Datum: donderdag 31 januari 2013
Aanvang: 19.45 u.
Zaal open: 19.15 u.
Entree: 10 euro / 5 euro (met vrienden-, studenten- en stadspas)

Amsterdam Lichtstad. Foto @ Michiel van Kempen

Art Laboratorium Suriname start weer


Het nieuwe jaar is inmiddels enkele weken oud. De Werkplaats van ArtLab.sr heeft ook haar deuren weer geopend en er kan weer worden ingeschreven voor verschillende cursussen voor alle leeftijden. Nieuw in ons pakket is ‘Hiphop voor volwassenen’. Meer informatie over het cursusaanbod is te lezen in de bijlage.

Foto Malou Swinnen

ArtLab Presentaties in april 2013
Ook willen we alvast onze komende presentaties (3) onder de aandacht brengen. Deze vinden plaats in Jeugdtheaterschool On Stage op 27 (1 voorstelling) en 28 april (2 voorstellingen) a.s.
Deze presentaties worden gegeven door:
1.       De leerlingen van De Werkplaats van ArtLab.sr.
2.       Kinderen uit de kindertehuizen in Arya Dewaker, Sgt. Prasoro, Emmaus, Nos Kasitas, Rammot, Koningshuis, Saron en Sanatha Dharm in de leeftijdscategorie van ongeveer 8 tot 18 jaar. ArtLab.sr voert dit project (waarbij de kinderen gedurende enkele maanden les krijgen in verschillende dansstijlen)  uit met ondersteuning van de Inter-American Development Bank (IDB). Doel van dit project is het ontwikkelen van artistieke en sociale vaardigheden.
3.       Een Hiphopvoorstelling georganiseerd door Hiphop dansers die verbonden zijn aan ArtLab.sr. Bekende namen uit de Surinaamse Hiphop scene èn enkele leerlingen van De Werkplaats werken hieraan mee. Deze voorstelling is de afronding van een project dat ondersteund is door de Nederlands Ambassade. Gedurende dit project hebben enkele Hiphop dansers de kans gekregen zich verder te professionaliseren op artistiek en productioneel terrein. Afgelopen jaar verbleven zij enkele weken in Nederland waar samengewerkt werd met Hiphoporganisaties uit Amsterdam en Rotterdam.

Ultimate Dance Creations

Internationale dag van de dans
De voorstellingen zijn gepland in het weekend voorafgaand aan de jaarlijkse Internationale Dag van de Dans die sinds 1982 ieder jaar op 29 april wordt gevierd. Deze dag  werd ingevoerd door het Internationale Dans Comité van het Internationaal Theater Instituut van de UNESCO en herdenkt de verjaardag van Jean-Georges Noverre (°1727), die met zijn ballet d’action beschouwd wordt als een belangrijke vernieuwer van de balletdans.

Land der Horizonten


Poëziefestival Dichters in de Prinsentuin krijgt in 2013 een internationaal programma! Land der Horizonten: dichters uit Hanzeland is de titel van de 16de editie, die plaatsvindt op 24, 25 en 26 juli in Groningen. Reserveer de data in je agenda en droom alvast van een poëtische zomer...

Dichters uit Hanzeland
Dichters in de Prinsentuin 2013 biedt voor het eerst een internationaal programma waarin de eeuwenoude band van Groningen met de Hanzesteden rond de Oostzee nieuw leven wordt ingeblazen. Behalve Nederlandse en Vlaamse auteurs, zullen ook dichters uit Duitsland, Polen, Denemarken en Estland optreden. Naast vertrouwde onderdelen, zoals de voordrachten in de befaamde ‘loofgangen’, staat er veel nieuws op stapel. Zo wil de festivalorganisatie een internationale poëziewandeling vormgeven: van Groningen tot Novgorod. Met de steun van het publiek moet deze muzikale wandelvoorstelling tussen de Prinsentuin en de Martinikerk de apotheose van het festival worden. Op de website lees je meer over de speciale Hanze-editie.

Dichterlijk talent opgelet: inschrijving geopend tot 1 maart
Ben je serieus met poëzie bezig en wil je je eigen gedichten voordragen voor een groot en geïnteresseerd publiek? Vul dan vóór 1 maart het inschrijfformulier in op de website. Wie weet ben jij een van de dichters die op 25 of 26 juli in de loofgangen van de Prinsentuin optreden.
Wie wordt de nieuwe stadsdichter van Groningen?

Izaline Calister. Foto RNW

Van 26 januari t/m 1 februari is er in Groningen weer de Poëziemarathon, met optredens van Menno Wigman, Ester Naomi Perquin, Sylvie Marie, Ted van Lieshout, Kira Wuck, Jean Pierre Rawie, Izaline Calister en vele anderen. Ook wordt bekendgemaakt wie de nieuwe stadsdichter van Groningen wordt. Tijdens de slotmanifestatie, op donderdag 31 januari in het Grand Theatre, draagt scheidend stadsdichter Stefan Nieuwenhuis het stokje over aan zijn opvolger. Het volledige programma van de Poëziemarathon staat op www.poeziemarathon.nl. Voor activiteiten tijdens de Poëzieweek elders in het land kijk je op www.poezieweek.com.

Jongeren t/m 18 jaar: doe mee aan Doe Maar Dicht Maar en win een optreden in de Prinsentuin!
Middelbare scholieren t/m 18 jaar uit Nederland en Vlaanderen kunnen nog tot 10 februari opwww.poeziepaleis.nl hun gedichten insturen voor de landelijke dichtwedstrijd Doe Maar Dicht Maar. Deelnemers maken kans op vele prijzen, waaronder de extra prijs: een optreden tijdens Dichters in de Prinsentuin!

Meer informatie
Alles over het festival vind je op www.dichtersindeprinsentuin.nl. Of ‘like’ ons op Facebook!

Committee launched for 165th anniversary of St. Martin Emancipation


 Great Bay/Marigot (January 24, 2013)—A committee was recently launched to commemorate the 165th anniversary of the Emancipation from slavery in 1848 for both parts of St. Martin, said Shujah Reiph, president of Conscious Lyrics Foundation (CLF). The committee is made up of organizations and individuals that are involved in the cultural life of the island.

The 165th Anniversary Emancipation Committee, (L-R): Fabian A. Badejo, Xiomara Balentina, Shujah Reiph, Morenika Arrindell, Ras Bushman, Dr. Rhoda Arrindell, and Theophilus Thompson. (CLF Photo) 


The year “2013 marks the 165th anniversary of St. Martin’s Emancipation, and we are inviting the people of St. Martin to celebrate the 1848 mark of freedom claimed by our ancestors and what it means to us today, with a number of events and activities,” said Reiph. The plans of the committee include the painting of a mural, an art exhibition, a commemorative calendar, hoisting of the Unity/National Flag, showing of the Alex Halley classic movie Roots, panel discussions, and a freedom concert.

The commemoration begins on February 1, at the start of the 22nd annual Black History Celebration (BHC) hosted by CLF, and is scheduled to conclude on January 1, 2014, the seventh day of Kwanzaa. The Emancipation committee consists of Dr. Rhoda Arrindell, Fabian A. Badejo, Theophilus Thompson, Shujah Reiph, Xiomara Balentina, Ras Bushman, and Morenika Arrindell. 


Glenn Pinas geeft drie nieuwe boeken uit

Attributen voor een winti ritueel

door Tascha Samuel

Paramaribo - Schrijven is voor Glenn Pinas een serieuze zaak; een manier om gekregen boodschappen over te brengen. De schrijver heeft onlangs drie nieuwe boeken uitgegeven. “Ik schrijf omdat datgene wat ik meekrijg vanuit mijn inspiratie en mijn dromen boodschappen bevat. Het zijn ook dingen die ik heb geobserveerd en vanuit een andere invalshoek benader. Dingen die, denk ik, van essentieel belang zijn voor vooral de Afro -Surinamer. Om hun denken en handelen te vormen. Om hen te scholen anders te gaan denken,” filosofeert Pinas.

Stellingen
Zijn werken staan bol van allerlei stellingen afkomstig van diepgaand onderzoek en winti-consulten. Hij schreef zijn boeken in twee reeksen van drie. De eerste reeks kwam enkele jaren geleden uit en nu is de tweede reeks van drie uit. Het boek genaamd De uil, de kip en de sprinkhaan  is een kinderboek bestaande uit vijf verhalen met een moraal voor kinderen tussen de vijf en elf jaar. Vanuit diepe introspectie met veel winti invloeden schreef hij het boek Pikin Kodjo in sollicitatiegesprek met de Bijbel. "Het boek is geen aanval op de bijbel. Het is een aanklacht naar hoe de bijbel vroeger is misbruikt om ons klein en dom te houden. Men heeft ons de goede dingen uit de bijbel niet geleerd." Het verhaal gaat over de Pikin Kodjo die in Nederland gaat werken en daar in aanraking komt met het christendom. Hij gaat een gesprek aan met de bijbel. Hij stelt in het boek ook de vraag waarom hij zijn cultuur moet loslaten als hij de bijbel aanhangt. "Het verhaal gaat over een maatschappelijke discussie", meent Pinas.

Koloniale invloeden
De schrijver heeft al sinds zijn studiejaren in Cuba de droom om te schrijven. Maar pas jaren later, nadat hij zich in Nederland had gevestigd, kon hij echt beginnen met schrijven. In 2009 begon zijn literaire reis na een korte schrijfcursus. "Ik kijk goed om me heen, observeer en trek mijn conclusies. Ik schrijf afro gecentreerd omdat ik nou eenmaal afro ben." Hij meent dat koloniale invloeden tot nu toe zichtbaar zijn. "We hebben alles gewoon moeten slikken wat ons werd voorgekauwd en we zijn nog steeds op dat niveau met onze mentaliteit. Mensen gaan naar de universiteit maar kunnen niet verder denken en handelen dan wat zij hebben geleerd uit die boeken. Ik denk daarom dat de president daarom zo vaak moet reshuffelen."

Bekende parlementariërs
De titel van het derde boek Van koffiezetter tot parlementariër  spreekt voor zich. Het verhaalt over Stanley die een baantje heeft bij de Nationale Assemblee als koffiezetter en zich opwerkt na zijn studie bedrijfseconomie. Hij sluit zich aan bij een politieke partij en wordt zelf assembleelid. De hedendaagse politieke constellatie en personages die veel weg hebben van bekende parlementariërs komen aan bod. Hele betogen worden uitgewerkt, een geschiedenisles amnestie en zelfs een heel wetsvoorstel worden in het boek uitgewerkt. De boeken zijn geen luchtig leesvoer, maar vereisen de volle aandacht. Pinas zit ondanks zijn drie net uitgegeven boeken niet stil, maar werkt heel hard aan nog een boek dat dit jaar nog moet uitkomen. De boeken zijn verkrijgbaar in de betere boekwinkels.

[uit de Ware Tijd, 24/01/2013]

Literatuur Bea Vianen nog steeds actueel

door Audry Wajwakana

Jerry Dewnarain
Paramaribo - Volgens docent Nederlands Jerry Dewnarain, raden veel leerkrachten op de muloscholen hun leerlingen af literatuur van schrijfster Bea Vianen te lezen. Het argument is meestal dat haar boeken ‘afgezaagd’ zijn. Dit klopt volgens Dewnarain echter niet. In een onderzoek naar ‘Het leven en werk van Bea Vianen’ geeft de Mob-Nederlands afgestudeerde docent aan dat de romans en poëziebundels van Vianen nog altijd leesbaar en actueel zijn.

Boeken
De docent vraagt zich af of de leerkrachten die de boeken afraden Vianens boeken wel hebben gelezen en of ze deze goed begrijpen. Volgens de pasafgestudeerde zijn het jonge leerkrachten die de boeken afraden. "Of ze zijn slecht belezen of ze snappen haar boeken niet", zegt Dewnarain. "Terwijl al haar werken vanwege de gekozen thema's, die niet gebonden zijn aan plaats en tijd, algemeen menselijk en van alle tijden zijn." Zo gaan haar eerste twee romans Sarnami hai en Strafhok die zij respectievelijk in 1969 en 1971 uitbracht, over de grootste laag van de samenleving: jongeren. Hierin bespreekt zij waarmee deze groep dagelijks worstelt. Vechten voor geluk en door seksuele en andere relaties ontdekken hoe de wereld en het leven in elkaar zitten. Hierbij haalt zij homoseksualiteit en interraciale relaties vaak aan. "Dit is wat de huidige generatie jongeren nog steeds meemaakt", zegt Dewnarain. Dat deze romans de uitzichtloosheid en saaiheid van jongeren weerspiegelen, heeft volgens de afgestudeerde ook iets spannends en optimistisch. Dit concludeert hij uit de sterke dialogen in de boeken.

Ook met Ik eet, ik eet, tot ik niet meer kan dat in 1972 uitkwam. Het boek gaat over jongeren in een internaat die tegen de stroom van armoede en onderdrukking van ouderen in hun eigen manier van leven kiezen. Volgens Dewnarain was dit verhaal kenmerkend voor de situatie van 1975 toen vele jongeren in groten getale uit Suriname naar Nederland vertrokken.


Onverwerkt trauma's
Vianen is de eerste vrouwelijke romanauteur die kritisch schreef over de Surinaamse samenleving en over het kolonialisme. Ze was altijd op zoek naar vrijheid en een eigen identiteit. "Hierdoor konden vele jongeren zich eind jaren zestig en begin zeventig jaren met haar identificeren." Volgens Dewnarain beschrijven de romans en poëziebundels het privéleven van Vianen. Op haar achtste verloor ze haar (hindostaanse) moeder en ze werd vanwege haar interraciale afkomst (vader half inheems en half creools) in een internaat geplaatst. De onderzoeker vermoedt dat haar moeilijke karakter te wijten is aan deze periode in haar leven. "Ze is een eigenwijze vrouw met onverwerkte trauma's op zoek naar eigen vrijheid en haar eigen identiteit. Wie haar boeken goed leest en het begrijpt kan zich hierdoor goed mee identificeren", zegt Dewnarain. "Ze was een schrijfster die ver voor haar tijd schreef." Vianen verblijft momenteel in huize Albertine en is volgens Dewnarain moeilijk aanspreekbaar. "Eenzaam en vergeten. Terwijl haar literaire werken toch wel zeer actueel zijn." De docent Nederlands aan het Imeao hoopt dat haar boeken weer op de muloscholen worden gelezen. "Want onze helden moeten we eren."

[uit de Ware Tijd, 23/01/2013]

Pim de la Parra - Het integrale verhaal over mijn contact met Bernardo Bertolucci

[Opgetekend op verzoek van zekere Lisa Bom van College Tour]

In 1966 waren Wim Verstappen en ik behalve de oprichters en hoofdredacteuren van filmblad Skoop ook partners in onze in 1965 opgerichte firma $corpio Films, alsook bestuursleden van de Amsterdamse Filmliga. Na realisatie van enkele korte films hadden we eindelijk een lange fictiefilm beoogd, met Wim van der Linden als cameraman/eigenaar van de eerste Eclair geluiddichte 16mm camera in Nederland.  

Pim de la Parra leest Godard


Als spelers hadden we toezeggingen van Shireen Strooker, Etha Coster, Rudolf Lucieer, Nouchka van Brakel, Ab van Ieperen, Johannes van Dam, Roelof Kiers, Barbara Meter en anderen, om geheel onbezoldigd rollen te spelen in onze eerste lange fictiefilm, De minder gelukkige terugkeer van Joszef Katus naar het land van Rembrandt. Iedere medewerker voor & achter de camera zou een percentage in de eventuele opbrengst van deze film ontvangen, waarvoor we met iedereen een contract van 1 pagina afsloten. Ook met Frans Bromet en Jan de Bont, die naast Wim van der Linden ook als cameraman hebben gefungeerd.

De film werd opgenomen tussen 30 april en 6 mei 1966, zodat Koninginnedag en de openbare 4-Mei en 5-Mei herdenkingen op de Dam als couleur locale zouden dienen. Toen we halverwege de opnamen waren werden we uitgenodigd om in Rotterdam de première van een film van Joris Ivens bij te wonen, een korte docu waarin o.a. Willeke van Ammelrooy een rolletje speelde. Wim en ik hadden in 1964 de film Aah… Tamara geproduceerd, waarin ook Joris Ivens was te zien, die we in 1964 voor Skoop hadden geinterviewd. De film was aan hem opgedragen.

Op de première van de film van Joris in Rotterdam, stelde Ab van Ieperen ons voor aan de toen 24-jarige Italiaanse filmmaker Bernardo Bertolucci, van wie we zijn eerste lange film hadden gezien, La commare secca, die grote indruk op ons had gemaakt, niet in het laatst vanwege de zeer vrije vorm, terwijl het ons ook niet ontging dat hij dit debuut op zijn 21steof 22ste had gerealiseerd, met als mentor de door ons bewonderde cineast & auteur Pier Paulo Pasolini.

Bernardo Bertolucci


Na de voorstelling nodigden Wim Verstappen en ik Ab van Ieperen en Bernardo Bertolucci mee terug naar Amsterdam in onze Scorpio stationcar, een derdehands auto, en gingen we in Slotermeer langs om een warme maaltijd te nuttigen bij mijn toenmalige echtgenote Liesje Tjoe Hwa Oei.
Omdat Bernardo evenals wij een bewonderaar van Hitchcock was, wilde hij graag voor het eerst in zijn leven een Hollandse molen van binnen bekijken, zoals gebruikt als decor in Foreign Correspondent van Hitchcock. Het toeval wilde dat er dicht bij mijn woning in Slotermeer zo’n windmolen stond. Na lekker Chinees-Indisch gegeten te hebben reden we met Bernardo naar die molen, waar we ook even in zijn geweest en hij uiteindelijk voor het eerst met eigen ogen zo’n Hollandse windmolen van nabij kon zien en betreden. (Ik toen ook!)

Het leek Wim en mij wel aardig om van Bernardo’s verblijf in Nederland gebruik te maken en we nodigden hem uit om twee dagen later, op een zaterdagochtend, als acteur een scène te zullen improviseren samen met onze hoofdrolspeler Rudolf Lucieer. Er werd afgesproken dat we hem nog bij een bepaald hotelletje in Amsterdam zouden komen ophalen en ergens aan de Amstel de  betreffende scène zouden improviseren.

Toen het eenmaal zo ver was, bleek Bernardo echter de avond daarvoor te zijn vertrokken naar Scandinavië, in het kielzog van een Zweedse die hij in Amsterdam had ontmoet.
We hadden de film, voorzien van Engelse ondertiteling, ingeschreven naar het filmfestival van Mannheim, dat in oktober plaatsvond, en waar er een prijs van DM 10.000.= was te $coren.  Bovendien stond Mannheim toen bekend als een festival waar jonge filmmakers van over de hele wereld met hun films konden debuteren, en zo een springplank voor die films vonden naar andere festivals in Europa en elders. (Zoals onze film hierna vertoond werd op de Semaine de la Critique in Cannes, in Pesaro en in Chicago en een paar andere filmfestivals anno 1967 en 1968.)
Toen we in Mannheim arriveerden hoorden we dat Bernardo Bertolucci een van de juryleden was.  Dit deed ons vermoeden dat we in elk geval van hem een positieve beoordeling zouden krijgen. Dat klopte, want hij vond de film zeer intrigerend, en sprak over “a sense of doom”, dat over de hele film hing, wat ook veroorzaakt werd door de musical score bestaande uit muziek van de Russische componist Katchaturian.


Op een middag gedurende het festival, nadat onze film al 1x was vertoond, verliet ik de vertoning van een andere film, zonder Wim Verstappen, en kwam op weg naar ons hotel toevallig Bernardo tegen. Hij vroeg me of ik zin had om met hem mee te gaan naar twee gemeenschappelijke vrienden, de Amerikaanse filmmakers Sheldon en Diana Rochlin, bekend van de New American Cinema, en die ik eerder in Amsterdam had leren kennen als programmacommissaris van de Amsterdamse Filmliga bij een serie films van de New American Cinema in Kriterion.

Diane Rochlin

Bernardo vertelde me dat Sheldon & Diana uit Nepal kwamen en Nepal weed bij zich hadden, gekregen van Vali, een wereldberoemde New Yorkse dame uit de scene van Andy Warhol, die in een boom leefde en zo veel publiciteit genereerde. Bernardo vroeg me of ik ooit Nepal weed had gerookt en ik bekende van niet. Hij vroeg me mee omdat hij was uitgenodigd om op de kamer van Sheldon en Diana (een echtpaar) deze verse Nepal weed te komen genieten.
In Mannheim hebben de straten geen namen maar nummers. Op de zevende verdieping van een hotel in een straat met een nummer, werden we welkom geheten door Sheldon en Diana, Joodse New Yorkers, en er werd op een bandrecorder muziek van Charlie Mingus gedraaid en terwijl Sheldon en Diana op hun tweepersoonsbed zaten/lagen en allebei joints rolden, zaten Bernardo en ik naast het bed en/of af en toe op de rand van het bed.
Toen begonnen we te roken en hielden we existentieel filosofische gesprekken terwijl ik na een half uur zo stoned werd dat ik naar de badkamer liep, alwaar ik me in de spiegel bekeek, en de sensatie beleefde dat ”ik” niet meer wist waar ik was: hier in de badkamer, of daar bij hen in de hotelkamer...
 In mijn herinnering staat me bij dat ik niet wilde laten merken dat de weed behoorlijk hard op mij inwerkte, en ik beleefde ook het plezierige gevoel dat ik met deze jonge cineasten hiernu op deze kamer deze vriendschap deelde.
Ik liep naar een van de ramen om wat frisse lucht binnen te laten, maar Sheldon vroeg me om het raam weer dicht te doen, opdat juist de geur van de weed de kamer niet uit zou gaan maar helemaal zou doordringen, want zo zouden we tenminste echt goed stoned worden.  
Inmiddels lag Diana languit op het bed gespreid en begon ik me af te vragen of het soms de bedoeling zou zijn dat we gedrieën met haar zouden vrijen, wat in die tijd = voordat er AIDS bestond en er nog nauwelijks de anticonceptiepil  verkrijgbaar was!! = in New Yorkse en Amsterdamse kunstenaarskringen geen ongebruikelijke situatie was.



Opnieuw bevind ik me in de badkamer voor de spiegel en ik was nog nooit zo stoned geweest en kon niet meer aan het gesprek deelnemen. Ik dronk water, waste mijn gezicht, en voelde me behoorlijk beroerd. Toen liep ik terug de kamer in en weer naar een van de ramen, om wat frisse lucht te happen. Er bevond zich een kozijn van ongeveer 15 centimeter tussen het raam en de buitenmuur, zodat ik voorover kon hangen en met mijn hoofd naar beneden kon kijken. Ik zag de auto’s met hun koplichten voorbij gaan in de vroege avond en beleefde een zeldzaam gevoel van vrijheid. Met beide handen naar omlaag leek ik naar beneden te zweven, toen ik van achteren aan mijn broekriem werd beetgepakt en naar binnen getrokken...
Bernardo hield me vast en de anderen kwamen er bij staan en ze waren erg geschrokken: ik was op het nippertje door Bertolucci de kamer in getrokken, en dat was mogelijk vanwege mijn solide leren broekriem, die hij met een hand had beetgepakt en mij zo terug had getrokken. Ik werd op het bed gelegd en de andere ramen werden open gedaan, zodat ik na een paar minuten weer okay was.
Toen vertrok ik, omdat ik me herinnerde dat ik met Wim Verstappen had afgesproken om kennis te maken met de beroemde Hollywood regisseur Josef von Sternberg, die te Mannheim ook een zwart-witfilm in competitie had, een experimentele film met Japanse spelers.
Josef von Sternberg


Zo herinner ik het me.

Op weg naar de zaal waar de gesprekken met de filmmakers werden gehouden na elke film, besefte ik dat ik aan de dood was ontsnapt en door Bernardo Bertolucci’s hand was gered.
 Onze film werd enkele dagen later bekroond met de INTER Film Preis, maar het Nederlandse lid van deze organisatie meende dat Wim en ik de 10.000.= Deutschmark niet nodig hadden, zodat wij de prijs in onze maag kregen gesplitst ZONDER de bijbehorende 10.000.= DM. Dat was heel pijnlijk, omdat het $corpio Films onmiddellijk uit de schulden  had kunnen halen, want de film had in totaal ongeveer datzelfde bedrag gekost: 10.000.= Toen we hoorden dat Bernardo onze film deze prijs had helpen toekennen, wilden we hem gaan bedanken, maar hij was reeds vertrokken.
Ik heb hem later een paar keer ontmoet op het filmfestival van Cannes en voor het laatst in 1977 op het filmfestival van Venetië.
Welnu, beste Lady Lisa Bom, hier eindigt het verhaal dat ik u toezegde.

Ik denk niet dat B.B. ooit heeft geweten dat hij mijn leven heeft gered. Het was dus niet Oberhausen, maar Mannheim. En hij had toen beslist al vaker marihuana gerookt, dus het was echt niet de eerste keer dat hij dat rookte, zoals hij zei in dat interview. En het was geen Wim, maar Pim met wie hij dit heeft beleefd.

Willeke van Ammelrooy & Hugo Metsers, Frank & Eva. Regie: Pim de la Parra. Productie: Wim Verstappen voor Scorpio Films.


Ik vertrouw er op dat ik u hiermee naar voldoening over die bewuste avond met Bernardo Bertolucci heb ingelicht en hoop ook dat u hem zult vertellen hoe ik het heb beleefd. Hij zal zich wellicht de namen van Sheldon & Diana Rochlin herinneren en wie weet nog wat meer. Zo u wilt kunt u hem mijn e-mailadres geven en ik hoop nog van u te zullen horen hoe het gesprek met hem verliep. Doe hem mijn hartelijke groeten en vertel dat Wim Verstappen inmiddels is overleden, in 2004.

Dank voor uw aandacht.

Gran Odi

Pim de la Parra Sr.Jr.

Kenneth Rellum - De Laatste Koloniaal

Vandaag onverwachts
Gaf de laatste koloniaal
De pijp aan Maarten
Als een brullende muis
In het hol van de leeuw
Was zijn vaste overtuiging
Dat “Neks no fout”
“Alles is fout” moet zijn
Dus haalde hij pen en karwats
Over onrecht en nationalisme
Dan plots die leegte
En nu?
Wie zijn stokje is dit?

[bij het overlijden van Rolf van der Marck]

Werk van Anya van Toorn

zondag 27 januari 2013

Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (5)


door Willem van Lit

Dit is deel 5 van het 6e hoofdstuk van het boek dat begin 2013 verschijnt over de Nederlands Caribische eilanden. Hierin nog een mythe over de ontwikkeling van beschavingen.

Amanda. Professional Photographic Bodypainting Carl Flick

De vraag of beschavingen volwassen kunnen worden was ook een gespreksonderwerp dat met Jeroen Heuvel naar voren kwam. Dit idee komt in gesprekken regelmatig terug: men vraagt zich af of samenlevingen een groei moeten doormaken van primitief tot volledig ontwikkeld en dan op dezelfde wijze als een mensenleven: van kind tot volwassenheid. Sommigen suggereren dat Afrikaanse of West-Indische beschavingen nog verschillende stadia door moeten, zoals in West-Europa is gebeurd vanaf de duistere middeleeuwen tot de huidige modern gesofisticeerde vorm van samenleven. Dergelijke ideeën vormen een tweede doodlopende steeg in het wegenstelsel van de cultuur.

Heuvel vroeg zich af of de Antilliaanse of Caribische samenleving mogelijk net aan het stadium van puberteit toe was en dat er nog verschillende groeistuipen moesten volgen. Ik zei dat ik niet wist of je dat op deze manier moest bekijken. Instinctief heb ik moeite met het trekken van dergelijke vergelijkingen.

Ik schrijf nu naar het einde van dit boek toe, waarvoor ik vele andere ideeën en gedachten bestudeerd heb. Ik kan nu een aantal argumenten noemen die tegen dit idee van analogieën ingaan. De ontwikkelingsgang van samenlevingen is niet te vatten in sjablonen van primitief tot hoogontwikkeld of als een menselijk organisme dat groeit van kind tot volwassenheid. Dergelijke vergelijkingen lijken door hun modelmatige eenvoud aantrekkelijk. Ze veronderstellen een lineair verband van ontwikkeling, waarbij de mensheid tot een steeds groter plan of op een hoger niveau wordt getild. Misschien wel voortgedreven door een onzichtbare hand, onweerstaanbaar, zoals een organisme groeit. Als je maar eenmaal de jaren van verstand hebt bereikt, dan komt het wel goed met je.

Oude Chinees. Foto Y. Uan


Als men samenlevingen ziet als organismen, zoals het menselijk leven zelf, dan kijkt men ook naar de verschillende functionaliteiten ervan én hun positie ten opzichte van elkaar; het is de oude gedachte dat er sprake zou zijn van verbanden die vanuit de oorsprong zijn vastgelegd en die - als alles maar op zijn plaats blijft - tot een ideale samenleving zullen uitgroeien, waaraan iedereen volgens zijn vastgestelde functie zal bijdragen: een geïdealiseerde collectivistische toekomst met een utopisch karakter. Zoals we zien, ontwikkelen samenlevingen niet conform een dergelijk imaginair organisme.

Achter een dergelijk idee zit tevens de gedachte dat samenlevingen historisch zijn bepaald en dat ligt in de lijn van de eerste stelling die ik hiervoor heb beschreven: die van de hardnekkige mythe.

Een beschaving waarbij mensen met elkaar tot vormen van samenleven, -werken en -wonen komen, laat zien dat zij de natuur der dingen zijn ontstegen. Mensen gebruiken hun sociaal vermogen om tot cultuur te komen. Indien men de ontwikkeling van beschavingen ziet alsof zij groeien als organismen – autonoom en in een voorbestemde richting en grootte – dan zegt men in feite dat mensen er geen invloed op kunnen uitoefenen. Beschaving zou dan gedetermineerd zijn, terwijl het hier in de kern gaat om menselijke interactie en betrekkingen: mensen vormen zélf hun beschaving: dat is sociale ingenieurskunst. Cultuur staat hierbij centraal zoals Riemen [1] zegt dat cultuur de verzameling is van "vele wegen die de mensen kunnen bewandelen in hun zoektocht naar de waarheid over zichzelf en het menselijk bestaan".

Wandelmars, Paramaribo. Foto H. Jonkerbos


Als men cultuur niet ziet als het middel om beschaving tot ontwikkeling te brengen - dit is onder andere het onderhouden en stimuleren van het debat - dan blijft de cultuur hangen in het verwijzen naar het verleden en dat is alleen maar folklore. Folklore als fenomeen van volkse gebruiken en kunsten kan prachtig en goed zijn en het vervult waarschijnlijk ook een functie, maar het is steeds een verwijzing naar het verleden en men wil laten zien hoe schitterend dat verleden was met een nostalgische hang naar een verloren wereld. Het draagt niet werkelijk bij aan de dialoog en het dialectische vermogen van (groepen) mensen. Folklore is stilstand, doet een appel op het zuivere schoonheidsideaal van een rein verleden en een pure levenswijze. Het verhaal over de tambú van Girigori (hoofdstuk 5) is hiervan een voorbeeld.



Als we zeggen dat civilisaties volwassen zijn geworden vanaf het moment dat men geen geweld accepteert of nodig heeft, dan moeten we niet naar Europa kijken. Europa is pas zo'n vijftien jaar geleden bevrijd van een systeem dat door bloedbaden heen zichzelf in stand moest houden: het communisme. Daarnaast kan men ook verwijzen naar het fascisme en nazisme; dit zijn ook geen voorbeelden van geweldloze en dus ‘volwassen’ samenlevingen. De cultuur van het geweld heeft veel mensen langs de poorten van de hel gejaagd. Velen ervoeren dit als systemen die juist uit waren op vernietiging van de cultuur. Velen spraken zelfs over het einde van de beschaving in de periode dat Europa terug leek te vallen in barbarij. We hebben nog maar net de laatste stuiptrekkingen van deze systemen achter de rug met de oorlogen op de Balkan. Ook het nationalisme teert doorgaans op de folkloristische reflex en het heeft daarbij regelmatig succes, juist in tijden van tegenslag en crisis. Eerder heb ik het nationalisme al beschreven als een van de vormen waarin de collectivistische hang naar een gesloten samenleving tot uiting komt; het is een westerse variant van wat men elders tribalisme noemt en/of insularisme. In hoofdstuk vijf heb ik dat uitgebreid besproken.


Ontwikkelingsgang van civilisaties heeft niets te maken met de manier waarop een organisme zich ontwikkelt tot volwassenheid en het wordt ook niet bepaald door historische wetmatigheid. Dat blijkt uit de ontwikkelingsgang van de Europese beschaving, zoals ik liet zien in de vorige alinea. Uiteraard wil dit laatste niet zeggen dat beschavingen niet historisch beschreven kunnen worden. Men kan civilisaties en hun veranderingen wel geschiedkundig beschrijven en verklaren - dat is immers de wetenschappelijke taak van historici - maar dat wil niet zeggen dat ze historisch gedetermineerd zijn. Er bestaat geen wetmatige ontwikkeling van samenlevingen en hun verbanden.

[wordt vervolgd]



[1] Rob Riemen,Adel van de geest,  pag. 164

Butterflies of Suriname. A natural history

door Evangeline Dulder

Foto @ Delano Gerling

Na in het afgelopen jaar tweemaal een bezoek te hebben gebracht aan onze vlindertuin op Lelydorp en tijdens mijn vakantie aan een in Bendorf-Duitsland, raakte ik zo gefascineerd door de schoonheid van vlinders dat ik besloot om voor het jaar 2013 ‘vlinders’ als thema te nemen. Ik kocht allerlei spullen om dit thema uit te dragen. Ik vind het dan ook geen toeval dat mij gevraagd werd een stuk te schrijven over bovengenoemd boek. Dat heb ik met veel plezier gedaan.
Toen ik het boek in handen kreeg en er door bladerde, was het eerste dat in mij opkwam: wat een prachtig naslagwerk! De tekst is in het Engels. In het voorwoord geven de auteurs aan wat het doel is: de lezers achtergrondinformatie verschaffen over en ze inleiden tot de wereld van de vlinders van Suriname. Met dit boekwerk willen ze de volgende groepen bereiken: de bevolking van Suriname, toeristen en andere niet-professionals die geïnteresseerd zijn en uiteraard studenten biologie. Het idee voor het schrijven van dit naslagwerk ontstond toen de eerste auteur, Hajo B.P.E. Gernaat, per toeval in de collectie van ‘NCB Naturalis’ te Leiden een grote verzameling van niet beschreven vlindersoorten uit Suriname ontdekte. Vele waren meer dan honderd jaar geleden verzameld.


De infomatie in het boek is opgebouwd uit vier delen: Deel I handelt over de biologische naamgeving en classificatie, de geografie, de geologie en de bodems van Suriname. Er wordt gebruik gemaakt van de officiële Latijnse namen omdat er voor de meeste soorten geen volksnamen zijn. Daar waar die wel bekend zijn, worden ze vermeld. De Latijnse namen zijn nota bene  de enige namen die internationaal te gebruiken zijn. De lezers worden aangemoedigd om bij het lezen de namen tot tweemaal toe langzaam uit te spreken zodat ze die beter kunnen onthouden. Na uitleg over de naamgeving is er informatie over Suriname als deel van het Guyanaschild met zijn klimaat, geologie en bodems. Er is een tabel opgenomen met endemische planten- en diergroepen.
Deel II gaat over planten. Het begint met basiskennis over de anatomie en fysiologie van planten. Deze kennis is nodig zodat men de nauwe relaties tussen vlinders en planten kan begrijpen. De vlinderwijfjes leggen hun eitjes op planten die de voedingsplant zijn voor de rupsen die uitkomen. Maar planten hebben hun manieren om zich te verdedigen tegen vraat en aantasting. Op pagina 44 is er een lijst waarin opgenomen de plantenfamilies die als voedselplanten dienen voor vlinders en rupsen. Verder is er informatie over het tropisch regenbos als complex ecosysteem, waardoor de lezer een goed inzicht krijgt in de wijze waarop de relaties tussen planten en dieren verlopen. Er wordt ook aandacht besteed aan de diversiteit van planten in Suriname. Dit deel eindigt met een overzicht van de voornaamste habitats en vegetatietypen in Suriname.

Lepidoptera Uit: De uitlandsche kapellen, voorkomende in de drie waereld-deelen Asia, Africa en America. A Amsteldam :Chez Barthelmy Wild,1779-1782 [i.e. 1775-1782].

In deel III bespreekt men de functionele anatomie van vlinders, het verschil tussen de geslachten (seksen), de levenscyclus van de vlinder, de vlindertrek, de roofvijanden en de manier waarop vlinders zich tegen deze vijanden kunnen verdedigen. Als vijanden worden onder andere genoemd hagedissen, vogels, wespen, spinnen, vleermuizen en awari’s, maar ook virussen, bacteriën en schimmels. Op de pagina’s 108 en 109 is een tabel opgenomen met een overzicht van vogels die zich met vlinders voeden. Dit deel eindigt met de geschiedenis van de studies die er gedaan zijn met betrekking tot vlinders. Het begon met Maria Sibylla Merian die van 1699 tot 1701 in Suriname verbleef. Zij schreef over ‘De verandering der Surinaamsche insecten’. Carolus Linnaeus beschreef een vlindersoort uit de collectie van Maria Sibylla Merian. Uit de vele namen van mensen die studies gemaakt hebben wil ik nog noemen Piet Cramer, J.C. Fabricius, dr. Dirk Geyskes en onze eigen Heinrich B. Heyde.

Deel IV bevat een checklist en afbeeldingen van 150 vlindersoorten in Suriname. In deze lijst zijn de soorten geordend naar families en beschreven volgens de regels van het classificatiesysteem. En er is voldoende informatie gegeven over de verschillende voedselplanten.
De prachtige tekeningen en foto’s  prikkelen de lezer om op zoek te gaan naar de informatie die zij willen hebben over vlinders in Suriname. Voor mij is dit boek een bijzondere aanvulling van de collectie boeken over de Surinaamse fauna. Het is aan te bevelen dat de universiteitsbibliotheek en de bibliotheek van het IOL dit boek aanschaffen. En voor liefhebbers van vlinders, is het van onschatbare waarde.

Hajo B.P.E. Gernaat, Borgesius G. Beckels, Tinde van Andel: Butterflies of Suriname. A natural history. Amsterdam: KIT Publishers, 2012. ISBN 978 94 6022 171 2

Bertus Aafjes - Maria Sibylla Merian (fragment)

IV
Velen, van grootsere allure,
zoeken in ’t groot hun avonturen,
en vinden niets dan schal en schijn;
Sibylle zoekt het in het klein,
en op het voor de wereld poovre
weet zij de schoonheid te veroovren
van het verborgen paradijs;
is dit niet ’t doel van ’s levens reis?

Muskieten dansen een pavane
onder de golvende lianen;
de negers lachen, zwart en groot,
de zerken van hun tanden bloot.
En hoge, steile loofgordijnen
doen ’t licht tot groene diepzee kwijnen.
Een aap lacht in een loofspelonk;
een goudvlieg spettert als een vonk,
die tot een vuurzee uit wil laaien;
rood ketteren de papegaaien.
En langzaam breekt de karavaan
zich door het gonzend oerwoud baan.

De grote waterleliebladen
zijn met insekten als beladen:
scherven juweel en diamant.
Kraanvogels gloeien aan de kant:
één vuren streep op ranke poten,
als uit gesmolten staal gegoten.
Kruidnagels geuren in het slijk
naar wijn en honing tegelijk.

Sibylle echter richt haar schreden
- als steeds - naar de verborgenheden:
de vlinder met smaragd bedekt,
het bijna lichaamloos insekt,
de ijveraars die altijd zoemen,
de roze, vleezge wonderbloemen,
de amaryllis, rood als bloed,
de kever in zijn groene gloed.
   
In: Bertus Aafjes: Het gevecht met de muze. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 1974. ISBN 90 290 0227 1, pp. 129-130.




Metamorfose



door Christine F. Samsom

Als iets de in 1647 in Frankfurt-Duitsland geboren kunstenares Maria Sibylla Merian van jongs af hevig boeide is het wel de gedaanteverwisseling/metamorfose van rups naar vlinder. Deze passie combineerde ze met talent. Haar vroeg gestorven vader Matthäus Merian was stadstekenaar, graveur en uitgever in Frankfurt. Haar nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen maakten haar een voor die tijd buitengewone kunstenares.



Een vrouw in de kunst? Dat was ongehoord! Haar moeder zag helemaal niets in haar talent, ondanks vaders wens op zijn sterfbed. Zij verbande Maria naar de zolder om te leren breien en borduren. Daar ontdekte ze de tekeningen van haar vader en begon die na te tekenen. Ook smokkelde ze rupsen met de bijbehorende voedselplanten naar de zolder en zag het wonder van de metamorfose zich voltrekken. Vanuit het zolderraam had ze uitzicht op de tuin van buurman, een rijke edelman met als hobby het kweken van tulpen. Maria sloop de trap af, zette in een onbewaakt ogenblik een ladder tegen de tuinmuur en plukte veel tulpen om ze na te tekenen. De woedende graaf wilde aangifte doen, maar toen hij de reden van de diefstal uit de mond van het meisje vernam, vergaf hij haar.



De moeder van Maria Sibylla had kennelijk een voorkeur voor kunstenaars als partner, want ze was intussen hertrouwd met de schilder van bloemenstillevens Jacob Marrell die in Nederland werkte. De stiefvader herkende het talent van Maria en zij werd één van zijn leerlingen. Toen ze achttien was, trouwde ze met een medestudent, Johann Graff, ging in Neurenberg wonen en kreeg twee dochters, Johanna en Dorothea. Haar belangstelling voor insecten - in het bijzonder rupsen en vlinders - nam toe, al werden insecten in die tijd ‘duivelswerk’ genoemd. Carolus Linnaeus had zijn wetenschappelijke indeling van het planten- , dieren- en mineralenrijk nog niet gemaakt. Die verscheen in 1735. In 1675 verscheen het eerste boek van Maria Sibylla Merian: Neues Blumenbuch (‘Nieuw bloemenboek’), in 1679 gevolgd door Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung’ (‘Over de wonderbare verandering van de rupsen en merkwaardig bloemenvoedsel’). Toen al bracht ze op één tekening alle stadia van eitje, rups en vlinder op de voedselplant samen.



Het huwelijk van Maria met de zeer levenslustige Graff eindigde in 1685, waarna ze vertrok naar Friesland. Daar sloot ze zich aan bij de streng-protestantse leefgemeenschap der labadisten op het landgoed Walta-state van de familie Van Aerssen van Sommelsdijck die ook tot die sekte behoorde. Bekend door haar boeken leerde ze in Amsterdam wetenschappers en verzamelaars kennen, bij wie ze in hun rariteitenkabinetten de meest bijzondere insecten en vooral vlinders uit Suriname ontdekte. De laatste zetten haar in vuur en vlam. Ze besloot - ze was intussen over de vijftig - naar Suriname te reizen om onderzoek te doen naar die wonderlijke, tropische vlinders, rupsen, vogels, bloemen en planten. Met haar dochter Johanna maakte ze de avontuurlijke zeereis van drie maanden, met aanbevelingsbrieven van de burgemeester van Amsterdam, Nicolaas Witsen. Ze verbleven van 1699 tot 1701 in Suriname en werkten keihard aan het vastleggen van al het moois dat ze zelf vonden of dat hun door inheemsen werd gebracht, eerst op plantage Providentia, daarna in... ‘Parmubo’. Ziekte en oorlogsdreiging dwongen moeder en dochter terug te keren naar Amsterdam, waar ze drie jaar werkten om alles wat ze in Suriname op papier hadden gezet over te brengen op koperplaten, waarvan etsen werden gedrukt. Elke pagina in het boek Metamorphosis insectorum Surinamensium (‘De verandering der Surinaamsche insecten’) dat in 1705 uitkwam, is een op zichzelf staande wereld: de voedselplant in prachtige kleuren met blad, bloem en vaak ook vrucht met daarop de rups, pop en vlinder die van de plant leefden. Planten als de monkimonkikersi, lemmetje, sangrafu, peper, guave, kasyu, cacao, jasmijn en krerekrere vinden we terug met door Maria beschreven bijzonderheden in het Nederlands en Latijn. Ook dieren als kikker, hagedis, kever, spin, mier en tor hebben een plek in het boek.



Maria Sibylla Merian stierf in 1717 te Amsterdam. Ik weet dat ik haar in deze beschrijving tekort doe. Maar er is zoveel over haar geschreven dat elke geïnteresseerde lezer heel veel over haar kan vinden in boeken, artikelen en op het internet. In de 70-er jaren gaf mijn in Duitsland geboren moeder mij het boek ‘Die Falterfrau’ (‘De vlindervrouw’) van Utta Keppler cadeau, de levensgeschiedenis in romanvorm van deze bijzondere vrouw. Het boek beleefde diverse drukken. In Nederland verscheen in 2001 ‘Maria Sibylla. Een ongebruikelijke passie’ van Inez van Dullemen. In 1982 gaf uitgeverij De Walburg Pers haar meesterwerk in kleiner formaat uit en Elsevier maakte een nog kleinere selectie in de ‘Bibelot-reeks’ (1984). Diverse keren werden tentoonstellingen georganiseerd, onder andere in het Haarlemse Teylers Museum (1998), in het Rembrandthuis in Amsterdam begin 2008 en eind 2008 in ons eigen Surinaams Museum in Fort Zeelandia.

Maria Sibylla Merian op een Duitsbankbiljet


Maria Sibylla Merian: Metamorphosis insectorum Surinamensium of De verandering der Surinaamse insecten, naar de uitgave uit 1705. Zutphen: De Walburg Pers, 1982. ISBN: 906011 077 3;
Utta Keppler: Die Falterfrau. Heilbronn: Eugen Salzer Verlag, 1963. Geen ISBN. Heruitgegeven in 1997 door dezelfde uitgever. ISBN: 3 7936 054 7;
Inez van Dullemen: Maria Sibylla. Een ongebruikelijke passie. Amsterdam: De Bezige Bij, 2001. ISBN 90 234 7076 1 en
De exotische kunst van Maria Sibylla Merian. Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1984. ISBN: 90 10 05057 2