door Jeroen Heuvel
Spannende
romans die zich afspelen in Curaçao.
Cura-crime thrillers, zo noemt
Krijn de
Best zijn speurboeken, gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen, los van de moorden
en de verzonnen hoofdpersoon, inspecteur Gert Berk. De auteur verbaast zich
over de duistere praktijken van doortrapte criminelen die hun praktijken in
Curaçao uitvoeren, of op een zustereiland – zoals Jorin Slooter verzonnen is
naar de moordenaar van het Peruaanse meisje – maar die De Best op Curaçao
situeert; vrijheid van de artiest. Krijn de Best heeft vroeger op Curaçao
gewoond en gewerkt. Door gesprekken met eilandbewoners die soms meer van
onopgeloste zaken afweten dan de politie en de rechters, krijgt De Best zoveel
informatie dat hij via zijn inspecteur sappige verhalen kan vertellen. Het
gegeven voor deel 3 bijvoorbeeld is afkomstig van raadsvrouwe, rechter en
vriendin Rika Geertruida de Valk-Aaldriks. “Krijn, zei ze, ik heb een idee voor
een boek.” Voilà, een nieuw boek.
De
Best kan goed vertellen. Met verbazing volg je als lezer de spitsvondigheden
van de criminelen, en nog meer de wijsheid van de hoofdfiguur.
Van
huis uit is Krijn de Best marketingdeskundige, organisatiepsycholoog en
economisch socioloog. Hij is docent geweest aan de Hoge Economische School te
Amsterdam en de universiteit van Keulen, directeur van verschillende
opleidingsbureaus en consultancybedrijven, twee Telecombedrijven en een
internationaal uitgeversconcern. Hij woont en werkt in Nederland en Frankrijk. Behalve
boeken op zijn vakgebied schrijft hij thrillers. Naast de Cura-crime reeks, is
er een serie die zich afspeelt in Frankrijk.
Vier
thrillers zijn er tot nu toe in de Cura-crime reeks verschenen, allemaal met
een titel van een Curaçaose buurt: deel 1 heet Waaigat, deel 2 Blaauwbaai,
3 Brakkeput en 4 Duivelsklip. Er is ook al een Engelse en Franse vertaling van
Waaigat. Hoewel het oorspronkelijk plan was het bij vier romans te laten, krijgt
Krijn zoveel ongelofelijke verhalen over Curaçaose misdaden te horen dat een
volgende deel zich al bij wijze van spreken heeft opgedrongen. In deel 5, Savonet genoemd, wordt de pantomime rond
– het standbeeld van – Peter Stuyvesant verhaald en de meest recente
spectaculaire goudroof. Dit deel verschijnt waarschijnlijk binnenkort.
 |
| Krijn de Best in Brakkeput |
De
thrillers zijn met een vlotte pen en tongue
in cheek geschreven. De auteur besprenkelt zijn detectives met een keur aan
bijvoeglijke naamwoorden en knipoogjes naar de lezer als die voldoende algemene
kennis in huis heeft. Hij lardeert zijn avonturenromans met verwijzingen naar
beroemde musici als Miles Davis, Toots Tielemans, Jacques Brel, Charles
Aznavour, Chopin en Wim Statius Muller, naar Nobelprijswinnaars als Albert
Schweitzer en naar auteurs als Shakespeare, Dante en Jan Brokken en
inspecteurschrijvers als Henning Mankel, Charles den Tex en Tomas Ross.
Overigens lees je de boeken met evenveel plezier als je deze artiesten (nog)
niet kent. Inspecteur en privé detective Gert Berk houdt van lekkere maaltijden,
zowel het bereiden als het verorberen, hij is uitgekeken op Nederland en
gecharmeerd van de Benedenwinden. Volgens Germaanse sagen was de berk de boom
der wijsheid. De berk is blank van buiten en bruin van binnen. De Best houdt de
spanning er ook goed in door flitsende, elkaar afwisselende korte scènes voor
te schotelen, in elk boek komen de verschillende verhaallijnen uiteindelijk
samen in het hart van een web.
Het
volgende fragment uit Waaigat
illustreert enkele stijlkenmerken van De Best.
‘Notaris
Antonissen kan u nu ontvangen,’ zei de secretaresse tegen Berk, die al een half
uur in de wachtkamer zat.
Hij
stond op en volgde haar omvangrijke in kleurrijke gewaden gehulde gestalte.
Meester Antonissen bleek een nerveuze magere man van onbestemde leeftijd. Zijn
formele kostuum zag er lang gedragen uit. Berk stelde zich voor en toonde zijn
legitimatie. De notaris nam de tijd om deze te bekijken.
Hij
gaf hem uiteindelijk terug.
‘Rechercheur
Berk, wat is de interesse van de Nederlandse politie hier in Curaçao? Ik heb u
gisteren al meer verteld dan door de beugel kan.’
Berk
zuchtte. ‘Meneer Antonissen, de vraag zou moeten zijn, wat valt niet onder de
interesse sfeer van de Nederlandse justitie. Hoewel ik weinig concrete bewijzen
heb, ontmoet ik hier voortdurend lieden die in mijn optiek niet deugen. Geloof
me, ik heb heel wat jaren ervaring met criminelen, maar de dichtheid op Curaçao
overtreft mijn bevattingsvermogen. Maar u bent notaris en dus als het ware een
soort handhaver van de wet. Het zal niet echt meer geheim zijn dat ik ondermeer
onderzoek doe naar de dood van Pieter In ’t Veld. Hij was een cliënt van u en
ik heb een paar vragen.’
Antonissen
stak beide handen afwerend op.
‘Dit
zou inbreuk kunnen maken op de vertrouwensrelatie tussen mijn cliënt en mij.
Sorry, ik kan en mag niets voor u doen.’
‘Maar
In ’t Veld is dood,’ drong Berk aan.
De
notaris schudde zijn hoofd. ‘Dat maakt niets uit. De vertrouwelijkheid geldt
ook na de dood. Alleen aan zijn vrouw kan ik zaken meedelen. Zij is dan ook de
enige erfgenaam. Hun zoon is nog minderjarig.’
‘Ik
wil niets weten over de huidige zaken, notaris, mijn belangstelling gaat uit
naar de oorsprong van het kapitaal van Pieter In ’t Veld. Een paar antwoorden
zouden kunnen voorkomen dat ik allerlei gerechtelijke dwangbevelen moet laten
uitvaardigen om banken, advocaten en zelfs notarissen te dwingen hun gegevens
prijs te geven. Daarnaast is het zo dat uw naam vaak opduikt. Zoals we gisteren
bespraken als één van de mensen die de heer Mouse als laatste in leven heeft
gezien. U begrijpt mijn belangstelling voor uw zienswijze.’
Berk
deed er het zwijgen toe. De bleke Antonissen slaagde er in een tintje lichter
te kleuren. Hij slikte een paar keer.
‘Ik
wil u niet tegenwerken, laat dat voorop staan. Maar ik wil ook de wet niet
overtreden. Het is algemeen bekend dat Pieter zijn grootste kapitaal verdiend
heeft met ‘Cura Bell’, een zeer succesvolle onderneming. Hij heeft er zelfs een
prijs mee gewonnen. Ondernemer van het jaar 2000.’
‘Dank
u notaris, maar hoe kwam In ’t Veld aan het geld om medeoprichter te zijn van
Cura Bell?
Weer
had Antonissen het moeilijk. ‘Ik denk dat u er vanuit kunt gaan dat het eerste
kapitaal van mevrouw Kamphuis Bartels kwam. U kunt het haar vragen. Ik heb zelf
de volmachten opgesteld waarmee de heer In ’t Veld zaakwaarnemer werd van zijn
vrouw. Dat was rond de geboorte van hun kind. Hij regelde de financiën, dus
alle bankzaken, investeringen en belastingzaken van zijn vrouw.’
Berk
voelde dat hij niet veel verder kwam en besloot nog één vraag te stellen.
‘Wat
was de naam van die bank ook al weer?’
‘ABN-AMRO,’
zei Antonissen voor hij er erg in had.” (pp. 247-248)
De
verhalen spelen zich weliswaar in Curaçao af maar de kennis van de personages –
of misschien de auteur – van het Papiamentu en de plaatselijke cultuur laat
hier en daar wat te wensen over. Enkele voorbeelden uit deel 3 van de serie Brakkeput.
Een
geit wordt een gabriet (p. 40) in plaats van een kabriet, de ‘Tumba’ zou door
een Hollandse Gouverneur in de negentiende eeuw in de ban zijn gedaan omdat er
te sensueel op gedanst werd (p 34), in plaats van de tambú, men begroet elkaar met ‘Ayó,
con ta bai?’ (onder andere op p 11), terwijl ayó alleen maar gebruikt wordt bij het afscheid, en ‘kon’ niet met een c maar met een k wordt
geschreven in het Papiaments van Curaçao. In het tweede deel van de Cura-crime
thrillers, Blaauwbaai, geschiedt de begroeting wel met de gebruikelijke woorden
‘Bon Dia’ (p 18) maar is Dia abusievelijk met een hoofdletter afgedrukt. In dit
boek staan helaas ook fouten zoals: ‘TCA-mafioso
mi bo skòp’ (p 10), ‘sinverguensau
descransiano’ (p 43) en een Truki Di
pan (p 110). En dat voor boeken die meer dan 50 gulden per stuk kosten, hm.
Wellicht
malen de meeste lezers er niet om. Volgens de marketingdeskundige bestaat zijn
doelgroep immers uit vakantiegangers die zich willen ontspannen met een lokale
Krimi.