maandag 31 maart 2014

Leven en werk van Guillermo Rosario (1)

Libèrta Rosario. Foto © Michiel van Kempen
Op vrijdag 14 maart j.l. gaf Libèrta Rosario aan de Universiteit van Amsterdam een college in de reeks Caraïbische Dromen van prof. Michiel van Kempen. Haar college ging over het leven en het werrk van haar vader, dichter en prozaschrijver Guillermo Rosario, van wie Libèrta vorig jaar een Nederlandse vertaling uitbracht van diens Papiamentu roman E Rais ku no ke muri. Vandaag deel 1 van haar uitgewerkte collegetekst.


door Libèrta Rosario


Goedemiddag allemaal,

Leuk dat jullie gekomen zijn bij dit college over Onsterfelijk, mijn vertaling van het boek E Rais ku no ke muri van mijn vader Guillermo E. Rosario en over de persoon Guillermo Rosario.
Ik zal jullie aan de hand van foto’s en verhalen meenemen op een reis door het leven van mijn vader Guillermo met de vraag: Wie was Guillermo Rosario?



Nr. 1 Het beeld dat ik als klein kind van mijn vader had, was dat van een strenge man, die bijna altijd achter zijn typemachine zat te schrijven en die nooit zomaar gestoord wilde worden. De eetkamer was vaak verboden terrein voor ons, zijn kinderen, wanneer hij thuis was. En als je het toch waagde langs te lopen en hem te storen dan moest je hem in ieder geval met drie woorden aanspreken, bijvoorbeeld ‘bon dia tata’, goedemorgen pappa. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit hoorbaar iets terugzei. Maar het kon ook zijn dat ik zo snel voorbij liep dat ik geen tijd had om daar echt op te letten.



Nr. 2 Naarmate ik ouder werd, vond ik dat mijn vader toegankelijker werd. Hij had zijn territorium toen ook uitgebreid naar de ‘sala’, de zitkamer. Daar ontving hij zijn bezoek en werd hij ook vaak geïnterviewd. Op zulke momenten en als hij aan de telefoon was, leek hij erg ontspannen en hoorde ik hem soms zelfs hard lachen. De gesprekken gingen meestal over een door hem geschreven artikel, sport of politiek.



Nr. 3 In zijn jonge jaren was mijn vader een goede sporter. Toen hij op Aruba als timmerman bij de Lago werkte, was hij in zijn vrije tijd de ster van de voetbalclub RCA, waarvan hij de mede-oprichter was.


 

Nr. 4 Terug op Curaçao, wist hij als speler met verschillende clubs kampioen te worden, zoals met sportclub Ajax.



 Nr. 5 Ook zijn organisatorisch talent kwam toen steeds meer tot uiting. Zo was hij mede-oprichter van de sportclub Ajax Curaçao en van de sportclubs Curaçao Deportivo en Independiente. Bij de laatste club leerde hij mijn moeder Elsa kennen. Ze vormden samen met Luis Daal, in het midden zittend op de foto, links van mijn vader en Rafael, broer van mijn vader, links staande op de foto, het eerste bestuur van Independiente Sporting Club. Mijn moeder was de eerste vrouw in het bestuur.

[Klik voor deel 2]

Zunder: “Surinaams museum moet plaatsmaken voor NRCS”

Bezoekers van de conferentie '400 jaar commerciële relatie Nederland Suriname', die zondag in de Palmentuin werd gehouden, luisteren aandachtig naar NRCS-voorzitter Armand Zunder en andere sprekers. Foto © Irvin Ngariman 

door Euritha Tjan A Way

Paramaribo - Na de eerste bedreiging met ontruiming voor Carifesta, wordt het Surinaams Museum in Fort Zeelandia wederom bedreigd met uitzetting. Armand Zunder, voorzitter van de National Reparations Committee Suriname (NRCS), stelde zondag dat het een schande is dat anno 2014 het gebouw dat symbool staat voor het vele kwaad dat de zwarte bevolking is aangedaan, nog steeds beheerd wordt door een “stelletje conservatieve Nederlanders”.

Zunder sprak in de Palmentuin, waar een conferentie werd gehouden met het thema '400 jaar commerciële relatie Nederland Suriname'.


"Wij gaan het voorstel naar de regering geleiden dat daar de Nationale Reparations Commissie Suriname komt te zitten, en dat op de plaats waar de galg eerst was een mausoleum komt die vierentwintig uur wordt bewaakt door het Nationaal leger." Naast dit plan noemde Zunder nog een aantal prioriteiten die de NRCS de regering wil voorleggen. Eén daarvan is onderzoek en vastlegging van de historie van de Inheemsen en de tot slaaf gemaakten en deze historie laten opnemen in de schoolboeken. "Want de uitspraak van een van mijn rastabroeders recent is helemaal waar. Wat zij nu leren is his-story, ze moeten our-story leren", aldus Zunder.


[uit de Ware Tijd, 30/03/2014]

zondag 30 maart 2014

Kunstenaar Ro Heilbron overleden

Ro Heilbron. Foto © Marvin Hokstam, 2011

De Surinaamse kunstenaar Ro Heilbron is op zaterdag 29 maart j.l. op 75-jarige leeftijd in Rotterdam overleden.

Ronald George Heilbron werd geboren in Paramaribo op 6 december 1938. Hij leerde de techniek van het grafisch bedrijf (letterzetten, opmaak, fotografie) in verschillende drukkerijen in Paramaribo. In het dagblad De Ware Tijd maakte hij de tekeningen bij de strip Terugkeer naar het graf met tekst van Celsius Tjong A Kiet. Op de School voor Beeldende Kunst van Nola Hatterman maakt hij kennis met verschillende andere Surinaamse kunstenaars (Armand Baag,Ruben Karsters, Jules Chin A Foeng, Errol Flu), maar hij verliet de school al spoedig. Onder aanmoediging van Erwin de Vries ging hij zijn eigen kunstzinnige weg en in 1963 had hij zijn eigen eerste expositie in hotel Torarica in Paramaribo.



Hij werkte nog even voor het dagblad De Vrije Stem, om vervolgens als order-voorbereider en grafisch tekenaar bij drukkerij Eldorado te gaan werken. In 1968 werd hij bedrijfsleider bij drukkerij Inalca en tevens opmaakredacteur van De Volksbode. Van 1964 tot 1970 gaf hij samen met zijn vrouw, Jeanet Callender, het jongerenmagazine Yeah uit.

In 1970 gaat Ro Heilbron naar Nederland, waar hij voor verschillende drukkerijen komt te werken. Aan de Rotterdamse Akademie van Beeldende Kunsten bekwaamt hij zich in keramische technieken. Met steun van de Sticusa houdt hij in 1971 zijn eerste expositie in Rotterdam, met grote regelmaat volgen de exposities elkaar daarna op, in Nederland, Suriname, Zweden en West-Duitsland. Samen met Wim Gerritsen opent hij in 1976 in Rotterdam Galerie Solidair, die tot 1986 zal blijven bestaan. Behalve zijn eigen scheppend werk, vervaardigt Heilbron ook veel grafisch werk in dienst van anderen: pamfletten, kaarten, kalenders, lay-out van tijdschriften, boeken en cd-hoesjes, en hij ontwerpt ook toneeldécors.



Heilbron werkte zowel in olieverf (op doek en houtpanelen) als met drukinkt op canvas. Heilbron schilderde figuratief en zijn werk sloot sterk aan bij de vaak ‘primitief’ genoemde, kleurrijke wijze van voorstellen waarmee bijvoorbeeld de schilderkunst van Haïti zo bekend is geworden. Aanvankelijk legde hij zich vooral toe op sociaal-politieke onderwerpen als de armoede, honger en onderdrukking in de wereld, en geboorte en dood. In de jaren ’70 kwam daar veelvuldig de vrouw als object van zijn werken bij en zijn werk kreeg soms magisch-realistische trekken. Onder invloed van de ‘revolutie’ in Suriname in 1980 legde hij zich toe op onderwerpen uit de Latijns-Amerikaanse geschiedenis (verzetsstrijd, Indianen, marrons). In 1987 maakte hij in de Gerrit Jan Mulderstraat in Delfshaven de muurschildering Geef racisme geen kans. Na 1993 werd zijn werk vrijer en werd de werkelijkheid – hoewel meestal nog wel enigszins herkenbaar – uitgangspunt voor een abstractere verbeelding. Vanaf het einde van de jaren ’90 verbleef hij met regelmaat op de Bovenwindse Antillen waar hij werkte, doceerde en exposeerde.


[informatie van Wikipedia]

Amazone-stam ziet voor 't eerst vliegtuig


Eens in de paar jaar duiken er beelden op die de verbeelding tarten. Zo ook vandaag. Beelden van een Amazone-stam die zo afgelegen woont dat er onlangs voor het eerst beelden van zijn gemaakt. De foto's laten zien dat de leden van de stam nog nooit een vliegtuig hebben gezien.

De foto's zijn gemaakt op 25 maart, vlakbij de grens met Peru. In de streek is veel illegale houtkap. Organisaties die opkomen voor de rechten van lokale stammen zijn bezorgd dat de oprukking van de westerse samenleving het voortbestaan van de leefwijze van de stammen in gevaar brengt. © reuters

[van DeMorgen.be, 30 maart 2014]

Ashetu in Paramaribo

door Klaas de Groot

Vanuit de tuin van het guesthouse Downtown Oasis, aan de Jessurunstraat,  heeft men goed zicht op een zijgevel van de Hendrikschool. De shutters van de lokalen staan meestal open, in afwachting van een verfrissend briesje. In de school liggen voetstappen van zeer veel Surinamers die hun sporen verdiend hebben in de geschiedenis van het land. De dichter Bernardo Ashetu is er één van. Misschien heeft hij in één van de lokalen wel gezien wat hij in de opening van het gedicht  ’t Schoolbord beschrijft:

’t Schoolbord
werd groter en kleiner
werd bijna een cirkel
werd uit zijn rechthoekige
benauwenis gerukt.
[…]
Deze zin geeft een treffend voorbeeld van een ontregelende blik op de wereld. Een blik die Ashetu maakte tot de bijzondere dichter die hij is geworden. Dat ik zong heet de bloemlezing waarin het gedicht is opgenomen.

De voordeur van de school is aan de Henck Arronstraat , ex-Gravenstraat. Waar vroeger de schoolkinderen alle ruimte hadden, staat het nu vol auto’s. Welke kant liep Ashetu op, in de tijd dat hij alleen nog voluit Hendrik George van Ommeren heette? In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw.

Foto © Ridi Klinkhamer


Vaak zal hij de Waterkant opgezocht hebben. Het water van de Surinamerivier en schepen die daar voeren, moeten hem, die later marconist werd, aangetrokken hebben. Een makkelijke route loopt door de Mr. J.C. de Mirandastraat. Dan was en ben je snel bij de rivier. Of hij ging door de Watermolenstraat, richting De Waag en de Platte Brug. Een brug die nu met recht plat heet, nu de Wijdenboschbrug, in de volksmond de Bosjebrug genoemd,  in de verte opbolt. Wie die laatste straat  richting rivier uitloopt, komt bij De Waag. Daar heeft men ‘s avonds helder zicht op de lichtjes aan de Commewijnekant, bij Meerzorg. Een uitzicht dat Johan van de Walle in 1942 lyrisch maakte. In zijn boek Een oog boven Paramaribo schrijft de laatste over het betoverend schijnsel van de maan op het water: ‘Nooit zal ik dat ogenblik vergeten. Als met miljoenen kleine lampjes begon die grote, zacht vloeiende rivier te schitteren en te fonkelen. Zelfs de overzijde van het brede water werd zichtbaar en het leek wel of de wazige bomen aan de overkant niet op het land maar in een geheimzinnig moeras stonden dat zich eindeloos ver uitstrekte.’  Van de Walle ziet dit vanuit de Saramaccastraat. Dus vlakbij de Platte Brug. In 1942 was Ashetu / Van Ommeren dertien jaar en in de buurt.
Was het deze brug die Ashetu ‘zag’ toen hij het schitterende gedicht ‘Wacht lang’ schreef. Het staat in Dat ik zong en in Dat ik je liefheb (2011).

Kleed je aan
en wacht bij de brug.
Wacht lang.
Wacht tot de eerste ster opkomt.
Dit huis zal leeg zijn
en de hele straat zal leeg zijn.
Roep m’n naam
en houd rekening met een kleine
beweging in de modder langs de
gracht en wacht tot ’t licht
van alle sterren de hemel mooi
en bedwelmend heeft gemaakt.
Wacht op me bij de brug.
Wacht lang.

Foto © Klaas de Groot

De marconist Van Ommeren heeft Paramaribo lang geleden verlaten maar de dichter Ashetu niet. Wie vanaf één van de bastions van Fort Zeelandia naar de rivierbocht achter het fort kijkt, met het oog van de dichter, ziet daar een schip liggen. Het is de Aldebaran. Waarschijnlijk genoemd naar de rode ster met dezelfde naam. In het gedicht speelt dus de kleur rood een rol. De kleur die zo vaak in de gedichten van Ashetu voorkomt. Net zoals de roos. Een bloem die de kleur rood oproept, terwijl het woord roos vlak naast het woord rood ligt. Een woordenspel dat ook typerend is voor deze dichter. Het schip ligt in golvend, wiegelend water dat grote aantrekkingskracht heeft.

De ‘Aldebaran’

Pitha roffel

roffel
om de zeilen

want het schip
ligt
voor de hoek
vol
golvend water

met een roos-
neen
en wiegeling
in een
grote magneet.


Dit gedicht staat alleen in het bundeltje Marcel en andere gedichten, dat in 2002 te Paramaribo verscheen bij uitgeverij Okopipi. Het werd net zoals Dat ik  je liefheb samengesteld door Michiel van Kempen. Het boekje is een krachtig bewijs dat Ashetu aanwezig is in Paramaribo. Begin maart 2014 staan er op de poëzieplank van Boekhandel Vaco in de Domineestraat nog twee exemplaren. Ze zijn inmiddels verkocht. Daarvoor in de plaats is Dat ik je liefheb achtergelaten in een tweedehands boekwinkeltje op het Kerkplein, niet ver van de Hendrikschool.

Shocking images from America's race war – in pictures

A new project uses vintage photography to explore race in US history. From mock lynch mobs to Ku Klux Klan members and people in 'blackface', here are some of the most astonishing – and disturbing – images from America in the 1800s

Mirror of race: antique photographs show the history of race in black and white




A carte de visite of an amateur theatrical group presenting a mock lynching, c1880, by WG Thuss, Emil Kollein and Otto Giers (Nashville, Tennessee). Collection: Greg French


A hand-coloured glass slide copy of a carte de visite from 1863 titled 'The Scourged Back', by McPherson and Oliver (New Orleans). Collection: Joan Gage


A carte de visite of anonymous men in Ku Klux Klan uniforms, 1868, by Robinson and Murphy (Huntsville, Alabama). Collection: Greg French


A carte de visite with the words 'Oh! How I Love the Old Flag! – Rebecca: A Slave Girl from New Orleans', 1864 by Charles Paxson (New York ). Collection: Joan Gage


A tintype of four men with blacked faces, 1880s. Collection: Gregory Fried


A tintype of woman and a girl with a black doll, c1875. Collection: Greg French


A daguerreotype of the abolitionist campaigner Frederick Douglass, c1845. Collection: Greg French


A tintype of a group of anonymous men, 1880s. Collection: Greg French


Carte de visite inscribed with 'Learning Is Wealth', by Charles Paxson (New York), 1864. Collection: Greg French


A tintype of a black attendant, with his face obliterated, holding a white child in a studio portrait, c1870. Collection: Gregory Fried.


[from theguardian.com, Friday 28 March 2014]

Warme woorden voor Thea Valk

Leden van afleggersvereniging The Sherwood Brothers dragen de kist met daarin het lichaam van de overledene naar buiten, terwijl personeelsleden van Falcon Advertising (gekleed in blauw) en andere belangstellenden toekijken. Foto © Merredith Bruce  


door Merredith Bruce

Paramaribo - “Ze was een kanjer”, “een unieke vrouw”, “zeer creatief”. Deze en soortgelijke bewoordingen maakten deel uit van de woordenstroom, waarmee Thea Valk omschreven werd bij de afscheidsdienst zaterdagmorgen. Daar tussendoor was het even slikken en lieten mensen hun tranen de vrije loop.

Broer Coen mist een dierbare zus. "Ik ben haar grote broer geweest waar ze heel erg trots op was", sprak hij zichtbaar terneergeslagen. Dochtertje  en spiegelbeeld van de overledene, Zaraï, die links van hem ondersteund door een ander familielid toeluistert, knikt af en toe bevestigend. Van haar oom krijgt ze de gelegenheid om de troetelnamen die ze van haar moeder kreeg te noemen. "Zaaitje! Paaitje! Maaitje!", klinkt het opwekkend. De bijzondere vrolijkheid die haar moeder kenmerkte, straalt van haar gezicht af.

Voor het personeel van haar reclamebureau Falcon Advertising betekende Valk veel meer dan alleen hun werkgever. Gekleed in de blauwe bedrijfskleuren met zebragetinte das begaven zij zich naar het podium. "Thea hield ervan om haar collega's te verwennen en te verrassen", zei een van hen. "Ze was een unieke vrouw die haar werk met passie deed." Daarna was het de beurt aan leden van de Rotaract Club Paramaribo Residence, waar Valk lid van was, en een vertegenwoordiger van de Nationale Kunstbeurs, om haar ook van hun zijde te gedenken.

De Nederlandse zanger Gordon, die speciaal is overgevlogen om zijn "dierbare vriendin en zus", de laatste eer te bewijzen, kan het nog steeds niet verwerken. "Ik was helemaal overdonderd toen ik het hoorde", zegt hij aan de Ware Tijd. Het laatste contact tussen hem en Valk was een week voor haar overlijden via Facebook. "Uit niets bleek dat ze afscheid van me nam, het was een enorme klap." De zanger vliegt zaterdagavond terug naar Nederland.

En dan gaat alles in vogelvlucht. De heren van afleggersvereniging The Sherwood Brothers dragen dansend de kist naar de buitenkant van de kathedraal richting de lijkwagen die al geruime tijd klaarstaat en die Valk naar het crematieoord te Weg naar Zee zal brengen. 

 [uit de Ware Tijd, 29/03/2014]

"Aanranding van 'uitdagende' vrouwen is terechte straf"

"Ik verdien het niet om verkracht te worden."

Het aanranden van "uitdagende vrouwen" is voor een meerderheid van de Brazilianen "een terechte straf". Dat blijkt uit een peiling van de overheid die deze week werd gepubliceerd. Dit maakte heftige reacties los bij president Dilma Rousseff en activisten op sociale media.


In totaal werden 3.810 mannen en vrouwen ondervraagd. Liefst 65,1 procent antwoordde affirmatief op de vraag of "vrouwen die kleren dragen waarbij delen van hun lichaam te zien zijn, het verdienen om aangerand te worden?" Daarnaast oordeelde 58,5 procent dat er minder aanrandingen zouden zijn als de vrouwen zich beter zouden gedragen.

Geweld
President Dilma Rousseff liet via Twitter weten dat de Braziliaanse samenleving nog een hele weg heeft af te leggen en ze riep de regering en de samenleving op om samen te strijden tegen geweld tegen vrouwen. Op Facebook publiceerden vrijdagavond (lokale tijd) al 20.000 vrouwen een weinige verhullende foto van zichzelf met daaronder de boodschap: "Ik verdien het niet om aangerand te worden".

Cultuurclash

Volgens journaliste Nana Queiroz geeft dit de paradox in de Braziliaanse samenleving weer tussen hun sensuele cultuur en het conservatieve katholicisme. Vorige zomer uitte de Katholieke Kerk nog hevige kritiek op een wet van Rousseff die vrouwen beter moest beschermen tegen seksueel geweld. De Kerk zag hierin een eerste stap naar de legalisering van abortus. Tot nu toe is abortus in Brazilië enkel toegestaan in geval van aanranding, tot de foetus slechts 8 weken oud is of als de moeder in levensgevaar is.

[van DeMorgen.be, 29/03/14 − Bron: Belga]





zaterdag 29 maart 2014

Rutte zegt sorry voor uitspraak Zwarte Piet

Mark Rutte heeft zich tegen minister-president van Curaçao Ivar Asjes verontschuldigd voor zijn curieuze uitspraken over Zwarte Piet. Zijn opmerking dat zijn 'vrienden op de Nederlandse Antillen' blij zijn met het sinterklaasfeest 'omdat zij hun gezicht niet hoeven te schminken', is op de Antillen niet goed gevallen.
Krampus, de Zwarte Piet van Oostenrijk

'Als ik zelf Zwarte Piet moet spelen, dan ben ik dagen bezig om de verf van mijn gezicht te krijgen', zei Rutte zondag. Zijn 'vrienden op de Antillen' kenden dit ongemak tenminste niet.

'Niemand willen beledigen'
'Ik heb daar niemand mee willen beledigen', zei Rutte gisteren na afloop van de ministerraad. Hij heeft zelf met Asjes gebeld om uit te leggen dat het een ongelukkige opmerking was. Asjes zou de excuses van Rutte hebben geaccepteerd.

Het is niet de eerste keer dat Rutte zich mengt in de discussie over Zwarte Piet. Vorige jaar zei hij desgevraagd dat 'Zwarte Piet nu eenmaal zwart is'. 'Daar kan ik niets aan veranderen.'

Geheim overleg
Gisteren onthulde deze krant dat al maanden in het geheim overleg plaatsvindt over de toekomst van Zwarte Piet. Deze zomer willen voor- en tegenstanders een gezamenlijk plan presenteren, waarin ze uiteenzetten hoe het verder moet met de traditie van het sinterklaasfeest.

Vorig jaar liepen de gemoederen hoog op toen critici stelden dat Zwarte Piet een symbool is van racisme. Dit was tegen het zere been van de sinterklaasfans.

[uit Algemeen Dagblad, 29-3-14]


Trinidadiaanse minister ontslagen wegens onzedelijk gedrag

Mogelijk de stewardess in kwestie
Dr. Glenn Ramadharsingh, minister van sociale ontwikkeling van Trinidad, is per direct ontslagen door premier Kamla Persad-Bissessar. Zij adviseerde de president van Trinidad om de minister te ontlasten van alle taken, nadat een stewardess van Caribbean Airlines een klacht tegen hem indiende. Op 16 maart zou de minister tijdens een binnenlandse vlucht onzedelijk gedrag hebben vertoond tegenover deze stewardess. Hij betastte haar borsten toen hij haar badge vastpakte. De badge was vastgespeld op haar bloes.
Zeker de viespeuk in kwestie

Haar protest over dit gedrag viel niet in goede aarde bij de minister, die haar bedreigde met ontslag. Dit voorval bereikte de pers nadat onderzoeksjournalist Denyse Renne het politieonderzoek over dit onzedelijk gedrag publiceerde.

[uit Dagblad Suriname, 28 maart 2014]

Curaçao voor kinderen met lef

Foto © Charlotte Doornhein

Willemstad - Een boek vol spelletjes waarvoor lef nodig is. Daar moet je natuurlijk iets voor doen. Solmarilies (6), Keanu (4), Roxeny (4) en Nathan (6) hebben woensdag aangetoond zo’n boek waard te zijn. Ze werden uitgedaagd door schrijfster Charlotte Doornhein om lef te tonen midden op de Pontjesbrug. Het viertal speelde drie spelletjes op de brug. Ze maakten een tekening op de wiebelende brug, maar die moest wel hetzelfde zijn als de tekening die ze eerder op de kade hadden gemaakt.
Verder probeerden ze zo lang mogelijk op één been te staan en volgden in een rechte lijn een spoor van klinknagels. Extra moeilijkheid bij die laatste opdracht was dat ze niet opzij mochten gaan voor tegenliggers op de brug.

Uiteindelijk wonnen ze alle vier een exemplaar van het spelletjes- en activiteitenboek Curaçao voor kinderen met lef van Doornheim. Het boek is voor kinderen van 4 tot 14 jaar en is verkrijgbaar bij de boekhandels.

[uit Antilliaans Dagblad, 29 maart 2014]

Brieven aan Poseidon

Cees Nooteboom
 [Cees Nooteboom (1933) is een Nederlandse schrijver, wiens werk vaak vertaald is. Hij kreeg vele prijzen, onder andere de P.C. Hooft-prijs (2004) en de prijs der Nederlandse Letteren (2009). Zijn meest recente werk is ‘Brieven aan Poseidon’ (2012), een bundel met brieven aan de klassieke zeegod, afgewisseld met kleine essays. Nooteboom heeft het in de brieven aan de god met de drietand over het leven, over zijn kijk op goden en God en hij geeft zijn persoonlijke visie op mythen. Ook schrijft hij over reizen. Nooteboom heeft veel gereisd en daar ook over geschreven. Ook over Suriname in De koning van Suriname (1993). Hieronder een reisbelevenis in Latijns-Amerika, een tocht over een rivier in het tropisch regenwoud in Peru. Hij bezoekt een eiland, Santa Rosa, leest u maar: het binnenland van Suriname heeft veel gemeen met dat van andere Zuid-Amerikaanse landen.]:

Leticia, Peru. Foto © Matteo C.


Rivier

Leticia. Een helling van modder daalt af naar de rivier. Mensen, varkens, honden, alles krioelt door elkaar. Beneden aan de oever de smalle boten met roeiers die je naar de overkant brengen, naar het kleine eiland dat Fantasia heet. Achter me de markt, de vruchten, de vissen. Iemand helpt me de gladde helling af naar de vlonder waar motorboten aanleggen. De anderen zijn er al. Drie Colombianen uit Cali, twee Nederlanders. Twee mannen die ons zullen varen, honderd kilometer stroomopwaarts. Een zit buiten op de voorplecht, ik zit naast de ander, die stuurt. Zodra we de haven uit zijn lijkt het of de rivier opengaat, een vergezicht van metalig schitterend water tussen lage oevers die steeds verder weg komen te liggen.
De kleine boot snijdt het water open, het snerpende geluid klopt niet met de onmetelijke stilte die midden op het wijde water moet heersen. We stoppen bij het natuurpark van Amacayacu, een pad, uitgezet in het regenwoud, vlonders waar het te drassig is, de orgiastische gloed van duizend kleuren groen, bladeren uit verkeerde dromen, messen, gekarteld en geslepen, een vijver met rottende waterplanten onder een lucht die steeds donkerder wordt, uit de verte gegrom van groot onweer. Een aap met een geschminkt gezicht gaat naast me zitten en kijkt me aan of hij een gesprek over godsbewijzen wil beginnen, maar dan komt de regen die niet valt, maar staat, een grijs, nauwelijks doorzichtig scherm van water, als het ophoudt begint de grond te dampen alsof de modder gekookt wordt, het licht wordt nu van zink en van ijzer, als we weer gaan varen doet het pijn aan de ogen. We zullen roze dolfijnen zien die met ons meedansen en wolken die voortdurend van gedaante veranderen, duizenden kilometers lang is de rivier, ik zou willen doorvaren naar Iquitos, naar de Andes, het geluid van de motor is bedwelmend, we komen haast niemand tegen, af en toe een van die lage boten met de smalle gestaltes van indianen, urenlang dezelfde oevers, groen, groen, met de raadsels van het leven dat zich daar afspeelt in een wereld van nergens wegen en auto’s, tot we na uren omdraaien en met de stroom mee terugvaren naar het eiland van Santa Rosa, Peru. De grond is van slijk, bomen met in elkaar gegroeide bovengrondse wortels, verderop een kale boom vol gieren, houten huizen op palen, een groep vrouwen in een halve cirkel. Het zijn er een stuk of tien, en elke vrouw heeft een dier in haar armen. Een luiaard, een papegaai, een alligator, een jonge krokodil, een waterschildpad, een leguaan, een reuzenkikker. Het is duidelijk afgesproken, wat die vrouwen daar doen is werken, later zal de bestuurder van de boot ons een bijdrage vragen. Opzij van de vrouwen zit de enige man. Hij heeft een klein soort jaguar aan een touw die begint te blazen zodra ik dichterbij kom. Ons kleine gezelschap staat tegenover de vrouwen en kijkt naar de dieren, een absurdistische scène, de koningin op werkbezoek. De vrouwen zijn van verschillende leeftijden, ze dragen T-shirts en korte broeken. Wat ze denken is op hun gezichten niet zichtbaar. Op de onze ook niet, denk ik, een krokodil streel je niet, de luiaard lijkt in een diepe slaap, de schildpad is tweehonderd jaar oud en weet alles al. Ik loop van de groep weg over een zanderig veld waar een houten gebouw staat in roze en lichtgroen, Asamblea Tradicional de Dios, Iglesia Evangélica. De goden zijn nooit ver weg. Ik ga over het wankele trapje naar binnen en sta in een grote lege ruimte. Voorin een soort altaar met een lezenaar voor het Woord, erachter vijf helgroene plastic stoelen, ervoor zes smalle houten banken zonder leuningen. Licht valt door sponningen en kieren in de houten muren. Het is er vredig, en stil. Waar veel gebeden wordt heerst het goddelijke, heeft de filosoof gezegd die zelf niet in God geloofde. Ik sta daar even in de stilte, en hoor dan hoe de motor van de boot aanslaat. Als we wegvaren zie ik de groep nog staan die snel onzichtbaarder wordt en dan verdwijnt in het verre groen van de oever alsof er een tekening wordt uitgeveegd, een dorp op een eiland in de rivier aan de grens tussen Peru, Colombia en Brazilië, op oneindige afstand van de hoofdstad Lima, waar niemand weet hoe het heet.


In: Cees Nooteboom: Brieven aan Poseidon. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012. ISBN 978 90 234 7432 6


‘Anansitori zijn niet bedoeld voor kinderen’

Gerrit Barron
Interview met Gerrit Barron

door Jerry Dewnarain & Christine F. Samsom

... een opmerkelijke uitspraak aan het eind van ons interview met de kinderboekenschrijver Gerrit Barron. ‘Anansi is een oplichter, een dief. De tori over hem werden/worden verteld door volwassenen op onder andere ded’oso en zijn bedoeld als agersitori.’ We staan op het punt Tori Oso te verlaten na een twee uur durend interview waar de twee redacteuren van de Ware Tijd Literair hebben geluisterd naar de woordenstroom van deze bekende Surinamer-in-hart-en-nieren.

Vorig jaar vierde Gerrit Barron zijn veertigjarig schrijversjubileum. Wat heeft hem gestimuleerd om schrijver te worden? We hoeven ons interview niet te beginnen met de vraag: ‘Wie’s je vader, wie’s je moeder?’ Hij begint zelf te vertellen: ‘Schrijver word je niet zomaar. Het heeft alles te maken met je wordingsgeschiedenis. De ervaringen om je heen hebben je beïnvloed.’


Hij werd in 1951 geboren in Moengo in een gezin van elf kinderen uit Coroniaanse ouders, met voorouders uit onder andere India en St. Lucia. Zijn vader is werkzaam bij Suralco als security guard en in zijn vrije tijd als landbouwer. Gerrit woont als tiener midden in de ‘apartheid’, de klassentegenstellingen in het bauxietstadje Moengo van de jaren zestig. Daar vertelt hij indringend over. Met het verzet daartegen is zijn nationalistische kijk op de Surinaamse samenleving begonnen. Na het mulo - waar hij kennis maakt met het werk en de persoon van Dobru en waar hij zich al bezighoudt met het schrijven van gedichten, maar ook met toneel, dans en voordracht - vertrekt hij naar de stad om op het Algemeen Pedagogisch Instituut (API) voor onderwijzer te studeren. Hij maakt de grote stakingen van 1973 mee met als dieptepunt de dood van de vakbondsman Abaisa en publiceert in dat zelfde jaar zijn eerste gedichtenbundel, Falawatra.

In 1974 vertrekt hij naar Nederland, haalt er zijn hoofdakte en werkt als remedial teacher. Veel gezinnen verlaten in die tijd vóór de onafhankelijkheid Suriname. Hij merkt hoe de Surinaamse kinderen worstelen met het onderwijs in Nederland. Er zijn geen boeken voor hen. Voor het eerst komt het idee bij hem op om boeken te gaan schrijven voor het Surinaamse kind.


Toch debuteert Barron met poëzie voor volwassenen: Falawatra (1973), Bloeddruppels op mijn kussensloop (1975) en Surinamensje in powesi (1977). Na terugkeer in 1977 komt hij het volgende jaar uit met zijn eerste kinderboek, Een lach en een traan, mede geïnspireerd door de regisseur en poppenkastspeler Henk Zoutendijk. Sinds 1978 schrijft hij voor kinderen en wordt de meest gelezen auteur van Suriname. Een lach en een traan (1978) gaat over het alledaagse leven van kinderen in een gezin, maar Barron beschrijft het verhaal met pedagogisch vermanende vinger, zoals eigenlijk in al zijn kinderboeken te merken is. Het gezin bestaat uit vader Johan, hindostaan, moeder Thea, creoolse (wat nadrukkelijk vermeld wordt) en hun vier kinderen: een meisje van zeventien, drie jongens van respectievelijk vijftien, elf en tien. De jongsten, Harold en Kela, zijn nogal eens ondeugend en halen allerlei kattenkwaad uit. Maar alles komt steeds weer goed, want het is een leuk gezin en bij de Soravasinghs ‘wordt er meer gelachen dan boos gekeken.’

Titri en Toto (1979) is voor kinderen van de laagste klassen die net hebben leren lezen. Het is een verhaaltje over aka, Surinaamse roofvogels. Barron wil hiermee zijn jonge lezers ook bewust maken van de flora en fauna van Suriname. Via de Stichting Kinderkrant verscheen Bij Anoekoe in het dorp (1980). De twee jongens uit Een lach en een traan, Harold en Kela Soravasingh, gaan in het Surinaamse binnenland logeren en beleven er allerlei avonturen. Het is een vlot leesbaar verhaal van 31 bladzijden. De overzichtelijke bladspiegel, de duidelijke letter en niet het minst de tekeningen van Paul Woei maken dit boek aantrekkelijk voor kinderen. Er gingen meer dan 20.000 exemplaren van over de toonbank van winkels naar scholen.

Een boek voor wat oudere kinderen is Barrons Kamla en de vergulde man (1981). Oom Tapi vertelt een fantastisch verhaal aan Kamla en Astrid over de indianen en hun hoofdman Lindo - een vergulde man - en de witte veroveraar Jan Pieter Jansen. De koning is er nog steeds maar heeft zich onzichtbaar gemaakt. ’s Nachts droomt Kamla. Ze wil Lindo zoeken en wordt geholpen door de bakru (geest) Kimpo en heel wat dieren als sneki, owrukuku, aboma, anyumara, aasgier en schildpad.

Avonturen van Kira en Kisa (1984) is bedoeld voor kleine kinderen. In het bos krijgt een kapasi (gordeldier) vijf jongen in het hol van de slang. Als het bos brandt wordt een jong door een roofvogel gevangen, de moeder wordt de prooi van de jager die ook nog twee andere kleintjes vangt en meeneemt. Alleen Kira en Kisa blijven over. Ze moeten zich nu grotendeels zelf redden, graven een groot hol, zoeken eten, enzovoort. Ze proberen de twee gevangen kapasi te bevrijden, maar dat mislukt.

Het geheim van de Goslar (1984) is een spannende detective. Harold en Kela gaan bij hun oom en tante in Paramaribo logeren. Ze leren de stad kennen via een buurjongen Steven. Deze heeft een papier van de kapitein van de Goslar uit 1940. Steven vertelt over het zinken van het schip midden in de Surinamerivier toen de wereldoorlog ook naar Suriname oversloeg. Wat was er allemaal aan boord? Wat had de Duitse kapitein te verbergen? De drie jongens besluiten op onderzoek te gaan. Barron schreef met dit boek een gefantaseerd verhaal dat van historische gegevens gebruik maakt: het is een traditionele detective in Surinaamse setting. Barron verwerkte ook enkele politiek-sociale elementen. De eigen omgeving is natuurlijk iets wat de jeugd aanspreekt.

Het wrak van de Goslar in de Surinamerivier. Foto © Raw Fotografie


Opgevoed met westerse helden als Tarzan en Winnetou uit Amerikaanse kinderboeken en de olifant Babar uit de Franse kinderliteratuur, streeft Gerrit Barron doelbewust naar het creëren van eigen helden met wie Surinaamse kinderen zich kunnen identificeren in het proces van dekolonisering: Boni, Barron, Jolicoeur. Hij ziet het kinderboek als een middel om je eigen identiteit te ontdekken, trots te zijn op jezelf. ‘Daarom’, zegt hij, ‘zijn mijn boeken meer familieboeken, waarin niet alleen kinderen, maar alle gezinsleden zich kunnen herkennen.’ Nationalisme is voor Barron geen gepasseerd station. Daarin heeft Dobru hem geïnspireerd. Wie zijn wij? Kennen we ons land? Harold en Kela, de twee kinderen die in verschillende van zijn boeken voorkomen, brengt hij van het district Saramacca naar de stad: Het geheim van de Goslar, vandaar naar het binnenland: Bij Anoekoe in het dorp en naar Fort Buku in een binnenkort te verschijnen boek.

Behalve in Avonturen van Kira en Kisa gaat het ook in Titri en Toto en Het verhaal van Bati en Dew onder andere over de natuur van Suriname, maar ook saamhorigheid en medeleven spelen een belangrijke rol, zoals ook in De kinderen van Sadoema, waarin bakru-kinderen met een beperking blijken te zijn die hulp nodig hebben. Alle kinderboeken van Barron noemen is ondoenlijk. Het zijn er in ieder geval heel veel! Als extra verrassing geeft hij de laatste jaren bij elk boek een poster cadeau, als alternatief voor de Donald Duck-, Dora- en Assepoester-posters die in zoveel kinderkamers aan de muur hangen. In alles merk je het: Gerrit Barron wil kinderen én volwassenen trots maken op het eigene.

Hij is blij met het jaarlijkse Kinderboekenfestival, al spreekt hij liever van een Kinderfestival met het boek als thema. Bereiken we ons doel, namelijk van het kind een leisibakru maken? En wat doet het Minov? Barron verwijt het Minov een groot gebrek aan visie, het eigene komt in het onderwijs weinig of niet aan bod. In alle landen om ons heen worden kinderboeken van eigen bodem op school gebruikt, in Suriname niet. Het Minov is een conservatief bolwerk, waar teveel mensen zitten die ons onderwijs zien als een verlengstuk van het Nederlands onderwijs. Ten slotte, er is nog zoveel meer te zeggen over deze ‘lusumbe’ (duizendpoot). Zo heeft hij naast zijn bakru om kinderboeken te schrijven, ook spelletjes uitgegeven als Taxibo, die hier spelen. En hij heeft iets met plattegronden en landkaarten, waarin helden van Suriname een speciale plaats innemen en gebergten een nieuwe, Surinaamse naam krijgen. Zijn boodschap geeft hij ook door via zijn radiostation in Moengo, ‘Barrons Omroep Bedrijf’ (BOB).

Voor Barron geldt: ‘Sabi Su’ fosi, bifo yu kari kari ‘I love Su’!

Cees Nooteboom - Aan de overkant ligt Frankrijk

[In 1957, als 24-jarige, bezocht Cees Nooteboom Suriname. De reden: hij was verliefd op de in Nederland wonende dochter van een broer van Lou Lichtveld (Albert Helman). De vader wilde de geliefde van zijn dochter zien en spreken voordat hij toestemming gaf voor een huwelijk. De verhalen die hij over de reis schreef verschenen pas in 1993 in de bundel De koning van Suriname. Hieronder een fragment uit ‘Aan de overkant ligt Frankrijk’, waarin de jonge Nooteboom kennis maakt met het ‘oerwoud’.]:

[...] Onbewogen door de ingeslapen kanonnendreiging van het fort Nieuw-Amsterdam schuiven we de Commewijne op. Mijn Chinese medepassagier zet zich resoluut tot slapen, maar ik blijf op avontuur belust aan de reling hangen. Het is tenslotte niet het Zuid-Meppelerkanaal en ik ben vastbesloten om tenminste die ene krokodil te zien die nooit zou komen.
Al snel zie je geen plantages meer, alleen nog maar een muur, een wereld van afwerend scherp en roerloos groen bos. Alles lijkt te slapen nu, de enkele aka die loom met zwarte vleugelslag overvliegt, maakt geen enkel geluid, de middag zoemt van de hitte en trilt over het water, bruin van de modder, zwart van humus. Er gebeurt niets. De mangroven staan op hun dunne wortelbenen tot hun knieën in het water, hand in hand, als agenten die de menigte van het bos moeten tegenhouden bij het bezoek van het staatshoofd. Af en toe zie ik een wilde cacaoboom naar voren dringen of denk ik dat ik iets van beweging op de oever zie, maar juist op dat moment dwingt de stroming ons naar de andere kant van de rivier, zo dicht dat ik het bos bijna aan kan raken.
Alle jeugddromen zijn waar geworden. Dit is dus het oerwoud. De lichtbeelden, de pater met de baard die op kostschool kwam vertellen welke rivier hij ontdekt had, de avonturenromans. Bomen, dat is wat het is, steeds dezelfde bomen, langs steeds dezelfde rivier en een uitgeholde kano met bosnegers in lendendoeken die boos schreeuwen dat we vaart moeten minderen: de golven zijn te hoog. Zij zijn de voorboden van het eerste dorp. Daken van stro, had je anders verwacht? Blote, zwarte mensen, die naar het bootje zwaaien... Het is echt, het bestaat, ik heb het gecontroleerd. Een klein dakje beschermt de god, een lelijk klein kereltje dat tevreden is met deze lokale verering, en ’s avonds bij zichzelf denkt ‘tenslotte is het niet alleen het dorp, het is ook het bos tot het volgende dorp, al woont er niemand - territoriaal ben ik nog vrij machtig’.
Ik kijk naar de mensen die naar ons kijken, maar plotseling verschijnt heel stil en geheimzinnig een van de aluminiumschepen van de Alcoa in de bocht van de rivier. Deze schepen die het bauxiet regelrecht van Moengo naar de fabrieken in Amerika brengen, meten vele duizenden tonnen, en het is alleen door de uitzonderlijke diepte van deze rivier dat ze zover landinwaarts kunnen varen. Het is spookachtig, deze zilveren sluiper die hier niet hoort - de kano’s gaan hem ver uit de weg.

Moengo - Villa Casa Blanca. ca. 1958


Rode stoffige wolken: Moengo, aluminiumstad. Nog aarzel ik of ik hier zal blijven, of doorgaan naar Albina - maar een voorwereldlijke autobus op de kade neemt mijn lot in handen. Hij is geel en lijkt wel van steen en heet ‘Marowijne Master’. Ik krijg een plaats naast de chauffeur en een waanzinrit begint. De bus zit vol met Indianen en negers. De Indianen, kinderen van het land, hebben scherpe, ascetische gezichten die doen denken aan vroegchristelijke monniken. Vlak bij mij zit een stamvader met een Baskische baret op zijn hoofd, kennelijk geërfd van de Franse kant. Hij heeft al zijn verste nageslacht op de knieën. Zij zeggen geen woord, de hele reis, in tegenstelling tot de negers, die een onmogelijk plezier hebben om allerlei grappen die zij alleen begrijpen. Telkens breekt een hoog en gierend gelach los, gescandeerd door het meedogenloze, stenen schokken van de bus. De avond valt, een lichte nevel.
De weg is rood en smal en vol gaten, het bos sluit ons nauwer in, geholpen door het donker. Nu begint ook het dalen en klimmen, en bij het laatste houdt iedereen de adem in. Als de chauffeur terugschakelt naar de eerste versnelling, heb ik het gevoel dat we midden op de steile helling stilstaan. Een moment lang is er geen enkel geluid, dan begint de motor weer te hoesten en de bus kruipt met zijn laatste krachten naar boven. [...]

(31 augustus 1957)

Moengo - Villa Casa Blanca. Foto © M. Tjin