dinsdag 31 juli 2012

Stijlvol sterven (1)

Wat betekent een huis. De muren rond een holte. Het betekent binnen, het beschermt je tegen buiten. Nu stond binnen op het punt buiten te worden.

Een van de attracties van de roman Caesarion van Tommy Wieringa is de overdonderende aanwezigheid van de vader van hoofdpersoon Ludwig Unger. De uit Oostenrijk afkomstige Bodo Schultz is een conceptueel kunstenaar, die visionaire en groteske projecten realiseert die doordrenkt zijn van haat en vernietigingsdrang. De misantropische en gewelddadige kanten van deze duistere figuur worden door Wieringa met veel stilistische brille geschilderd. Als vader heeft Schultz voor Ludwig nooit echt bestaan. Hij was afwezig in het gezin waarin Ludwig alleen met zijn moeder opgroeide. Met deze vrijgevochten vrouw onderhield hij een obsessieve relatie. Voor Ludwig bestaat Schultz uit fragmentarische herinneringen die hij vooral aan anderen ontleent. Omdat zijn verwekker hem in de geest blijft achtervolgen, kan de rusteloze Ludwig niet anders dan naar hem op zoek gaan. Zijn Vatersuche brengt hem naar de Panamese jungle waar hij zijn vader inderdaad weet op te sporen. Nadat Schultz hem tot het uiterste heeft uitgedaagd, gesard en vernederd, slaat de zoon hem in een vlaag van onbedwingbare woede in elkaar. Bij het verlaten van diens woning laat Ludwig de as van zijn overleden moeder achter. De vader, overvallen door dit gebaar, heeft niet het minste vermoeden dat hij voor de gek wordt gehouden. Ludwig glorieert. Voor hem heeft de wraakneming een louterend effect. Hij slaagt erin zich van zijn complexen te bevrijden en een nieuw leven beginnen.

Wieringa is niet de eerste auteur die over een problematische vader-zoon relatie schrijft. De wereldliteratuur – Caesarion verwijst er frequent naar – is er vol van. Ook in de Caraïbische letteren is het een veel voorkomend thema. Een mooi voorbeeld hiervan is het werk van de Surinaamse dichter Bernardo Ashetu, schrijversnaam van Hendrik George van Ommeren (1929-1983). Ashetu was de zoon van de arts (gepromoveerd gynaecoloog), (eigenzinnig) volksvertegenwoordiger en (korte tijd) parlementsvoorzitter Hendrik Carel van Ommeren (1896-1996). Ter inleiding bij Yanacuna (1962) – de eerste (en enige bij zijn leven verschenen) bundel van Ashetu – schreef Cola Debrot enigszins ontwijkend dat de hierin opgenomen gedichten grotendeels geschreven waren ‘uit het klimaat van onzekerheid, die men ook als crisis of schemertoestand pleegt aan te duiden.’ Hij stelde dat Ashetu’s ‘sensitief registrerende’ poëzie betrekking had op ‘de vervreemding en ontheemding van het steeds meer toenemende aantal displaced persons uit de twintigste eeuw’.

Inmiddels weten we dankzij de inspanningen van de grootste promotor van Ashetu’s werk, Michiel van Kempen, dat achter de crisis van de dichter behalve een maatschappelijk verhaal vooral een persoonlijke geschiedenis schuilging. Van Kempen benoemt het perspectief van waaruit Ashetu schreef zonder omhaal: zijn beleving van en identificatie met de geschiedenis en cultuur van de zwarte mens (als gemengd zwart-joodse man) en de getroebleerde relatie die de dichter met zijn vader onderhield. In een artikel in de Poeziëkrant (2000) – een tekst die in een licht herziene versie als nawoord in de prachtige bloemlezing Dat ik je liefheb (2011) is opgenomen – maakt Van Kempen duidelijk dat Ashetu’s vereenzelviging met de zwarte cultuur botste met de Eurocentrische opvattingen van zijn vader, voor wie assimilatie aan de Nederlandse cultuur en het verwerven van kennis van de Europese geschiedenis de sleutel waren voor persoonlijke ontplooiing en maatschappelijke vooruitgang. Dat vader Van Ommeren die levenshouding dwingend aan zijn omgeving oplegde, bleek onder andere uit zijn gewoonte om zijn kinderen de klassieke Griekse mythen en sagen te onderwijzen en deze streng te overhoren. Ook in het parlement kon hij onvermoeibaar over deze antieke verhalen uitweiden. Maat houden behoorde niet tot zijn sterkste eigenschappen en een dwingend verband tussen zijn verbale excursies en de Statenagenda was er zelden. Het kenmerkte de rechtlijnigheid en dominantie van vader Van Ommeren, die de affiniteit van zijn zoon met de expressies van zwarte taal en cultuur weghoonde en diens loopbaan als telegrafist en marconist met onverhulde minachting bezag. Diens dichterschap stuitte eveneens op zijn cynische afwijzing. Van Kempen: ‘Geen vers wilde Bernardo Ashetu na zijn debuut nog publiceren, omdat hij koste wat het kost wilde vermijden dat iemand hem nog ooit in relatie zou brengen met de naam Van Ommeren, die hij niet enkel associeerde met de gehate vader, maar ook met het slavenverleden.’ In 1975 werd bij Ashetu de diagnose schizofrenie vastgesteld. Hij overleed acht jaar later aan de gevolgen van darmkanker. Tot zijn nalatenschap behoren 31 ongepubliceerde dichtbundels.

Veel gedichten gaan bij Ashetu over ontheemding en vervreemding, over het bezweren van demonen en over ‘de uithoeken van zijn eigen complexe verhouding tot leven en dood’, zoals Van Kempen het kernachtig samenvat. Hugo Pos benadrukte in zijn inleiding tot de Surinaamse literatuur in Tirade (1973) treffend de psychedelische kanten van Ashetu’s poëzie. Hij sprak over ‘een zachte bedwelming van kleuren, dampende, brandende, aan de wiskunde verwante bloemen, klanken, veel klanken, Waripa, Tamassa, Asamar, dolken, onschatbare marihuana. Terwijl anderen bewust creëren lijkt het alsof het scheppingsproces bij hem onbewust geschiedt. Dit geeft aan zijn verzen iets onafs, iets van een droom, die bij het ontwaken al voor een deel vervluchtigd is. Wat overblijft is van een mateloze droefheid.’ Er is in Ashetu’s verzen inderdaad veel aandacht voor schoonheid, breekbaarheid en verfijning. Deze sensaties worden met chirurgische precisie opgeroepen en hebben in hun uitwerking op de lezer soms een hallucinerend effect. Meer dan eens echter nemen de door de dichter beschreven ervaringen een wending waardoor wonderen, beloften, verwachtingen en geluksgevoelens op zijn best tijdelijk blijken, maar vaker nog illusies zijn.

Nergens vinden al deze elementen mijns inziens een beter cumulatiepunt dan in het gedicht dat van alle poëzie van Ashetu het vaakst in druk is verschenen: ‘Marcel’. Ashetu nam het zelf op in Yanacuna, Van Kempen gaf het een plaats in Marcel en andere gedichten (2002) en in Dat ik je liefheb. Alleen in de bloemlezing die Gerrit Komrij uit het werk van Ashetu samenstelde, Dat ik zong (2007), ontbreekt het vers. ‘Marcel’ kan worden getypeerd als een volmaakt gedicht. Naar vorm, klank en ritme is het van een bijna beangstigende perfectie, maar ook inhoudelijk kan het worden gezien als een voltreffer. Van Kempen doet in het eerder geciteerde artikel de aanbeveling Ashetu’s poëzie vooral te lezen vanwege haar esthetische kwaliteiten. Veel verder dan associëren kom je volgens hem niet als je op zoek gaat naar de betekenis van de woorden die de dichter gebruikt. Komrij noemt in de inleiding van Dat ik zong Ashetu’s poëzie ‘surreëel symbolisme’ en kwalificeert het pad van de symboolduiding als ‘verdomd glad’, maar ook ‘verdomd verleidelijk’. Stellig: ‘Je hebt gewoon alle vrijheid.’ Die vrijheid neem ik graag in een poging Ashetu’s in zichzelf besloten poëtisch universum van een buitenwereld te voorzien (zie motto uit Caesarion hierboven). Dat is naar mijn mening mogelijk als bij het interpreteren van dichtregels biografische en historische gegevens worden betrokken, uiteraard met de terughoudendheid die daarbij past.

De column in de Surinaamse media


De column is een zeer specifieke journalistieke uitingsvorm, die in alle media een bijzondere plaats inneemt. Maar zijn alle columns die als zodanig worden aangeduid wel columns? Helaas niet, moet ik mij haasten om te zeggen! Maar waarom, waaraan ligt dat? Ik heb een aantal definities van het begrip column opgezocht, en uit de talloos vele heb ik gekozen voor de definitie die CREA, de Culturele Organisatie van de Universiteit van Amsterdam en van de Hogeschool van Amsterdam, hanteert: “Een column heeft amper spelregels, het is een vrijplaats. Maar een goede column is altijd persoonlijk van aard en ieder woord, iedere komma staat op de juiste plaats. Daarnaast moet een column kort zijn en aanzetten tot nadenken, een discussie uitlokken of eenvoudigweg vermaken.”

Surinaamse dagbladen





Het aantrekkelijke van deze definitie is, dat je even het idee krijgt dat alles mag, waarna die vrijheid echter onmiddellijk wordt ingesnoerd, zodat snel en zonder omhaal van woorden duidelijk wordt gemaakt wat onder een column moet worden verstaan. Een prachtige matrix om columns de maat te nemen. Nu hebben wij in Suriname columnisten te kust en te keur, laat ik –zonder de pretentie van volledigheid– het rijtje eens nagaan en een (persoonlijk) oordeel geven. Het snelst klaar ben ik met de columns van Times of Suriname, Dagblad Suriname en De West: ToS heeft er geen, DS en DW hebben respectievelijk Wilfred Molly en Henry E. Cameron, die de naam columnist niet verdienen, het zijn allebei ‘chroniqueurs’, die ons graag voorhouden dat vroeger alles beter was. de Ware Tijd is rijk gezegend met columnisten, liefst zeven, een voor elke dag van de week. Toch zou ik ze niet allemaal columnist willen noemen, met name Nina Jurna, Milly van Leeuwarde en Joan Marques verdienen mijns inziens die titel niet. Jurna beschrijft haar lezenswaardige belevingen in Brazilië, Van Leeuwarde beschrijft (meestal) gezellige alledaagse verhalen, en Joan Marques kijkt van buitenaf naar ons land en houdt ons dikwijls een spiegel voor, columns zijn het echter niet.
Maar Carbière Falls, Ganga, Rahan en Zeggen verdienen de naam columnist volledig. Zij geven invulling aan de boven gegeven definitie van een column en zij vormen practisch altijd een plezier om te lezen. Van deze vier columnisten heeft Sharda Ganga echter mijn duidelijke voorkeur, ik zal haar column nooit overslaan en er gaat practisch geen week voorbij zonder met vrienden in discussie te gaan over Ganga’s stellingname, waarbij “ieder woord, iedere komma op de juiste plaats staat”, en die meer nog dan de drie anderen “aanzet tot nadenken, een discussie uitlokt of eenvoudigweg vermaakt”. Parbode vermeldt als columnisten Theo Para, Rappa en Saamaka. Para is beslist geen columnist, maar een essayist die ik steeds opnieuw met plezier lees. Rappa voldoet volgens mij niet aan bovengenoemde norm voor een column. Alhoewel hij hier leesbaar is, dit in tegenstelling tot zijn columns op StarNieuws, columns zijn het niet. Ook Saamaka schrijft geen columns, maar hij weet wel steeds weer te boeien met zijn ervaringen in het binnenland. Het is jammer dat Iwan Brave, nu hoofdredacteur van Parbode, geen columns meer schrijft, iets dat hij tot voor kort met verve
– en dikwijls op het scherp van de snede – deed in de Ware Tijd. Jammer genoeg moeten we die nu missen. Van de virtuele media heeft GFC-Nieuws slechts één columnist, die echter absoluut geen columnist is: Hubert Rampersad. Het is voor mij volledig onbegrijpelijk dat deze ‘column’ nog steeds geplaatst wordt, want het is puur en alleen reclame voor Prof. Dr. Ir. Ing. Hubert Rampersad, die op deze manier zijn (afstotende) lesstof aan de man probeert te brengen. Antireclame voor GFC en voor Rampersad!
De twee meest prominente, wekelijks publicerende columnisten van StarNieuws zijn Sandew Hira en Rappa. Twee veelschrijvers, maar allerminst columnisten. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze veel te wijdlopig zijn, geen van twee is zich bewust van het adagium dat nog altijd opgaat: “In der Beschränkung zeigt sich der Meister”, zeker wanneer we praten over de column. Ook dat ze de lezer daarmee van zich verwijderen, hebben ze niet door. Daarbij is Rappa’s column “Politieke borrelpraat” satirisch en humoristisch bedoeld, maar de satire en de humor worden gesmoord in Rappa’s woordenbrei. Blijven van StarNieuws nog over Nita Ramcharan en Diederik Samwel, die evenmin het predikaat columnist verdienen. De columns van Ramcharan kan ze voortaan maar beter hoofdredactioneel commentaar noemen, want dat zijn ze meestal. Samwel houdt het doorgaans op het hem vertrouwde beschuitgras, dat echter evenmin iets met de column te maken heeft.

Het zou de moeite waard zijn als de Schrijversvakschool, die tenslotte ook “de column” in zijn lespakket heeft, hierover zijn licht laat schijnen, opdat onze media leren wat onder een column moet worden verstaan, want dat beeld is kennelijk niet helemaal duidelijk.

zondag 29 juli 2012

Als de liefde je roept...



door Nicolaas Porter

21 gedichten schrijven over de naderende en altijd al aanwezige dood en ze benoemen als 21 liefdesgedichten geeft aan dat we met een dichter te maken hebben die niet alleen alles uit het leven gehaald heeft wat erin zit maar ook ten volle heeft begrepen wat leven eigenlijk is.

De betekenis van het leven begrijpen, verspreidt een intens licht maar hoe sterker de intensiteit van het licht, hoe sterker ook de schaduwen. En juist in het schemergebied tussen licht en duisternis fluistert de ziel over diepe geheimen. Vanuit het onherbergzame Schotland fluistert Astrid Roemer ons diepe geheimen toe. Het zijn de geheimen die gaan over liefde en dood die bijna synoniem aan elkaar lijken te zijn. De manier waarop Roemer dit doet, getuigt van vakmanschap. De woorden en beelden die zij gebruikt zijn zo raak en aangrijpend dat ze mij soms de adem benemen. Vakmanschap alleen is echter voor een dichter ontoereikend. De ultieme maatstaf van grootse poëzie wordt pas bereikt als er sprake is van doorleving en waarheid.

Op de schouders van elke kunstenaar drukt een grote verantwoordelijkheid. De woorden die Astrid Roemer gebruikt in haar voorlopig laatste bundel Afnemend worden gedragen door de gelouterde vleugels van beleving en waarheid.

Vijfenzestig jaar na haar geboorte weet Roemer alle tijdgebonden identiteiten achter zich te laten. De betekenis van Roemer als schrijfster is onbetwistbaar. In de achter haar liggende levensfasen heeft zij in haar werk de nadruk gelegd op verschillende aspecten van haar ‘identiteit’. Zo was zij vrouw, emigrant, Surinamer, negerin, ontheemde, politieke activist, minnaar en wie weet wat nog meer. Al deze deelaspecten van haar identiteit wist zij op indringende wijze te omschrijven waardoor haar literaire voetstappen onuitwisbare sporen hebben nagelaten. Dan wordt het een tijdje stil. Die stilte blijkt nu de broedkamer van een belangrijke ommezwaai die vorm krijgt in de poëziebundel Afnemend waarin Roemer alles wat destijds belangwekkend leek (en waarchijnlijk ook was!) achter zich lijkt te laten om zich met moed te begeven in de onbenoembare paradox van een onafwendbare toekomst.
Letterlijk een sprong in het diepe. Het is de keuze van een vrouw die beseft dat de dood onontkoombaar is maar tegelijkertijd doordrongen is van de waarheid dat in de aanwezigheid van een naderende dood de liefde eindelijk zichtbaar wordt.

‘Als de liefde je roept en/
je arriveert eindelijk na een moei-/
zame tocht:/
verlaat zij je misschien/
om je opnieuw aan te/
spreken/
waar je eenzaam bent en/
verdwaalt.

(1ste strofe uit het gedicht ‘Geschenk’)

Dat liefde pas inzichtelijk wordt in het aangezicht van de dood lijkt op het eerste gezicht een wreed spel van de goden maar bij nadere beschouwing vormt dit gegeven juist de ultieme menselijke zingeving. Waar twee schijnbare uitersten elkaar raken blijkt er plotseling sprake van een ondeelbare eenheid die ons tot de ervaring van geluk brengt. Maar zoals Roemer schrijft: ‘net als het licht stroomt het/ geluk naar een oord/ waar alles/ verdwijnt/ er is geen weg terug voor wie/ helemaal gelukkig/ is (geweest).’ (laatste strofe uit ‘Geschenk’) Met andere woorden, als er iets bestaat is het tegelijkertijd afwezig. Iets wat quantum natuurkundigen verbijstert en iets wat een dichter tot een ultieme ervaring van geluk en verdriet voert. Astrid Roemer brengt ons tot aan de rand van de afgrond om ons te confronteren met een schitterend licht. Of je dat een zonsopgang wilt noemen of een zonsondergang is plotseling niet meer relevant en iets wat afneemt, neemt uiteindelijk weer toe. Een transformatie van fysiek verval tot een ongekende spirituele bloei. Roemer heeft in deze monumentale bundel een moment van schoonheid en waarheid geschapen. Dit moment is er voor altijd maar is ook alweer voorbij. Een magistraal dichter als Roemer heeft de moed te leven in deze onwaarschijnlijke paradox. De lezer moet voor zichzelf besluiten of hij bereid is haar te volgen naar dit geheimzinnige oord waarin alles verdwijnt.



De bundel Afnemend, 21 liefdesgedichten verscheen  op 27 april 2012 in een beperkte oplage van 125 genummerde exemplaren. De bundel op groot formaat is uitgegeven door Buku Bibliotheca Surinamica en is prachtig verzorgd door Monica Schokkenbroek, met naaigaren op het voorplat.

Bestellen kan uitsluitend door overmaking op 25 euro + 2,50 porto op de rekening van de Werkgroep Caraibische Letteren, Amsterdam, banknr. 3027698. Vergeet niet het adres waarnaar de bundel moet worden verzonden, apart te vermelden; of voor alle zekerheid een mail met het verzendadres te sturen naar surinamica@gmail.com


vrijdag 20 juli 2012

Het Spaans van Latijns-Amerika en de Cariben (VI en slot)

door Fred de Haas

De strijd tussen het Spaans en het Quechua
Huascar, de 12de keizer van de Inca's

Toen de Spanjaarden onder leiding van Pizarro de Inca’s in Perú, dank zij de burgeroorlog tussen de aanhangers van Atahuallpa en zijn halfbroer Huascar, hadden verslagen, brak er een taalstrijd uit tussen het Spaans en de ‘lengua general’ (de algemene taal) die door de Inca’s werd gesproken, het Quechua. Het Quechua had één groot nadeel: het was geen geschreven taal. In 1550 had Karel V (in Spanje heet hij Carlos I) de eerste wet uitgevaardigd met betrekking tot het onderwijs in het Spaans (Castellano): ‘Como una de las principales cosas que Nos deseamos para el bien de esa tierra es la salvación y instrucción y conversión a nuestra santa fe católica de los naturales de ella y que también tomen nuestra policía y buenas costumbres; y así tratando de los medios para este fin se podrían tener, ha parecido que uno de ellos y el más principal sería dar orden como a esas gentes se les enseñase nuestra lengua castellana, porque sabida está, con más facilidad podrían ser doctrinados en las cosas del Santo Evangelio y conseguir todo lo demás que les conviene para su manera de vivir’. (vert. ‘Als een van de voornaamste dingen die wij willen voor het welzijn van dat land is de verlossing van de inheemse bevolking door het onderwijs in en de bekering tot ons heilige katholieke geloof en dat zij ook ons bestuur en goede gewoonten overnemen; en met betrekking tot de middelen die voor dit doel aangewend zouden kunnen worden leek het dat een van die middelen en wel het voornaamste zou zijn bevel te geven dat die mensen moeten worden onderwezen in onze Kastiliaanse taal, omdat het bekend is dat ze zo makkelijker zouden kunnen worden geïndoctrineerd in zaken van het Heilige Evangelie en verder alles zouden kunnen verkrijgen dat geschikt is voor hun manier van leven’).
Karel V

In de tweede helft van de 18e eeuw werden er zelfs wetten uitgevaardigd tegen de Quechua taal- en cultuur. Maar de kennis van het Spaans bleef gering en als de mensen al Spaans spraken dan was het duidelijk te horen dat hun moedertaal Quechua was. Aan het eind van de negentiende eeuw sprak meer dan 80% van de bevolking van Perú Quechua. In de tweede helft van de 20e eeuw sprak 60% zowel Quechua als Spaans en 40% alleen maar Quechua. In sommige gebieden, bijvoorbeeld in de Argentijnse provincie Salta en de Mantaro vallei in Perú, had het Spaans duidelijk de invloed ondergaan van de taalstructuur van het Quechua. Als men in het Spaans zei ‘ik ga naar het huis van mijn moeder’ dan vertoonde die zin de kenmerken van het Quechua: ‘De mi mama en su casa estoy yendo’ (= van mijn moeder naar haar huis ben ik op weg). In correct Spaans zou men hebben gezegd: ‘Voy a la casa de mi mamá’. Een ander voorbeeld is het gebruik van ‘qué haciendo’ (wat doende) en ‘qué diciendo’ (wat zeggende) in de betekenis van ‘hoe’ en ‘waarom’: ¡ Qué diciendo te ponés el saco! Waarom trek je dat jasje aan! Of: ‘No sé qué diciendo les dije que no iría’ (ik weet niet waarom ik hun vertelde dat ik niet zou gaan).

Oorspronkelijke inheemse talen

Bij de volkstelling van 2005 bleken er in Colombia 87 volken te wonen die behoorden tot 13 taalfamilies en 64 talen spraken. Dit betrof ongeveer 3% van de bevolking. Meer dan één miljoen. In Ecuador spreekt 1% van de bevolking 12 inheemse talen. In Perú spreekt 16% Quechua en 3% Aymara. Bolivia heeft een bevolking die voor 50% inheems is. Ongeveer 25% spreekt Quechua (± 2 miljoen) en 18% Aymara (± 1½ miljoen). U begrijpt dat men indertijd bij de onafhankelijkheid gekozen heeft voor het Spaans als de verbindende taal, de lingua franca. Heden ten dage zijn het Quechua en het Aymara bedreigde talen. Luistert u maar naar: Quechua y Aymara en peligro en Perú y Bolivia, you tube. Als u een klein meisje uit Ayacucho in Perú in Quechua wilt horen zingen, tikt u dan de volgende link in: peru,ayacucho,niños cantando en quechua, you tube. Of wilt u een lesje Quechua? Tik dan in uw browser de volgende link: Quechua Lesson - Runasimi Part I of II, you tube. Als intikt: Las Lenguas del Perú (1/2), you tube, dan zal u verwonderd zijn over het aantal inheemse talen dat in Perú nog wordt gesproken.

Spaans in het Andesgebied

Over het algemeen wordt in het Andesgebied de eind-S in een woord wel uitgesproken. De dubbele L wordt een Y (YEÍSMO). De dubbele R klinkt weer als een zachte ZR. ‘Carro’ wordt [cazro]. Natuurlijk zijn er ook tal van woorden uit het Quechua overgenomen. Leuk om te weten is dat ook het woord ‘Ñapa’ uit het Quechua komt en ‘toevoegsel’ betekent. Een goedgekozen naam voor de bijlage van de Curaçaose krant de Amigoe di Curaçao. In een land als Colombia spreekt men behalve het Spaans van het Andesgebied (español andino serrano) op zijn minst drie andere ‘soorten’ Spaans: het Spaans van de kuststreek (español costeño), het Spaans van het Amazonegebied (español amazónico) en het Spaans van de llanos (español llanero). Het Spaans van het kustgebied heeft veel overeenkomst met het Spaans van het Caribisch gebied. Een D tussen twee klinkers wordt niet of nauwelijks uitgesproken : ‘cansada’ (moe) wordt [cansaa]. Ook is er een sterke neiging om neusklanken te maken: ‘también’ (ook) wordt [tangbyeng]. De S verdwijnt vóór een medeklinker en wordt uitgesproken als een ‘H’: ‘costeño’ wordt [coHteño). In het Andesgebied (Ecuador, Perú, Bolivia) laat men de klinker tussen twee medeklinkers vallen: dientes wordt [dient’s]. De RR klinkt weer als een zachte SR: ‘carro’ wordt [cazro]. Het gebruik van Usted en Ustedes voor ‘je, jou’ is wijdverbreid. Verkleinwoorden vind je op –ito en heel veel op –ico, in woorden waar de gewone Spanjaard dit nooit zou gebruiken: In plaats van ‘Eso’ (dat) hoor je vaak ‘esito’ (lett: ‘datje’), ‘allá’ (daar) kan makkelijk ‘allacito’ lett: ‘daartjes’) worden en als iemand iets goed heeft uitgelegd dan heeft ie dat ‘bien’ (goed) of ‘biencito’ (lett: ‘goedjes’) gedaan. ‘No más’ wordt te pas en te onpas gebruikt, als een stoplap: ‘Aquí no más vivo’ (hier woon ik), ¿qué no más debemos hacer? (wat moeten we doen?) .
Quecha sprekend gebied

Waar je in Colombia en Ecuador een zwakke uitspraak van de B, D en G vindt en een geaspireerde Jota [H], vind je in Perú en Bolivia juist een sterke B, D en G en een sterkere Jota. In Colombia wordt de S vaak als een H uitgesproken: nosotros wordt [nohotro], ‘una señora’ wordt [unaHeñora]. In Ecuador klinkt de S vaak als een Z:’los amigos’ wordt [lozamigos]. In het Amazonegebied vinden we weer andere manieren van uitspreken. ‘pescado’ wordt daar [pescato] en het wederkerend voornaamwoord ‘SE’ (= zich) wordt gebruikt bij elke persoon: ‘Voy a lavarse’: ik ga zich (= me) wassen; ¿vas a lavarse? : ga je zich (= je) wassen?

Het Spaans dat in de vlakten (llanos) wordt gesproken vertoont soms overeenkomsten met het Argentijns. Je hoort daar vaak ‘vos’ als persoonlijk voornaamwoord voor ‘jij, je’ of ‘u’, gevolgd door een zwakke verbuiging: ‘vos tenés’ (u heeft). Het gebruik van ‘Vos’, het zogenaamde ‘Voseo’ vind je in het hele Andesgebied en speciaal in Argentinië, Paraguay, Uruguay, Oost-Bolivia, Zuid-Mexico en Midden-Amerika. Je vindt er ook mengvormen: in plaats van ‘vos cantás’ kan je horen ‘tú cantás’, in plaats van ‘vos tenés’ ook ‘vos tienes’. Het Spaans van de Zuidelijke Latijns-Amerikaanse landen: Argentinië Met ‘zuidelijke landen’ worden hier speciaal bedoeld Argentinië, Paraguay en Uruguay. Let wel: men spreekt in die landen altijd over ‘El Paraguay’, ‘La Argentina’ en ‘El Uruguay’. Laten we ons nog als laatste bezighouden met Argentinië. We laten Chili, Paraguay en Uruguay hier buiten beschouwing. De Spanjaarden kwamen langs drie wegen Argentinië binnen: vanuit het Noord-Westen (het gebied waar het ‘español andino’ werd gesproken), vanuit Chili (waar het ‘español chileno’ met weer andere kenmerken werd gesproken) en vanuit Spanje regelrecht via de Rio de la Plata (met invloeden van Spaanse streektalen). In de 18e en 19e eeuw breidde het Spaans zich uit over heel Argentinië waarbij men zich in het taalgebruik ging richten op Buenos Aires. Het Spaans onderging invloed van het Quechua, het Guaraní (Paraguay) en de verschillende Europese talen die Argentinië binnenkwamen met de massa’s migranten sinds het midden van de 19e eeuw.
Argentijnse immigranten

Italiaanse immigranten

Honderdduizenden Italianen zijn geëmigreerd naar Buenos Aires en Montevideo. Aan het eind van de 19e eeuw bestond de helft van de Argentijnse bevolking uit Italianen die voorgoed hun intonatie op het Argentijnse Spaans hebben gedrukt. Als je een Argentijnse film bekijkt moet je voor de grap eens even je ogen dichtdoen en alleen luisteren Dan lijkt het of je in Italië bent. Zó Italiaans klinkt het Argentijnse Spaans. Er zijn natuurlijk ook veel Italiaanse woorden in de Argentijnse woordenschat te vinden. ‘Adiós Nonino’ bestaat uit een Spaans woord (adiós = dag) en een Italiaans woord (nonino = opaatje). Betekenis: ‘dag opaatje’. En heeft u wel eens opgelet hoe de Argentijn het woord ‘calle’ (straat) uitspreekt? Of het woord ‘Leyenda’ (legende)? Dat klinkt als [kasje] en [lesjenda]. Ernesto Guevara heette niet voor niets ‘El Che’.

Tenslotte

Ik hoop genoeg bomen te hebben weggehaald om het zicht op het bos toegankelijk te laten blijven. Toegegeven, het is een te gecompliceerde materie om het in een hapklaar artikel samen te vatten. Maar het zal zeker een paar vragen beantwoorden die u altijd als had als u luisterde naar de uitspraak van Venezolanen, Dominicanen, Argentijnen en talloze anderen. Op straat of in de liedjes die ze zongen. Wie niet in de gelegenheid is om al die accenten in zijn/haar omgeving te beluisteren, biedt You Tube uitkomst. Als u op Google intikt : 9 Acentos del Español / latinoam. en sus personajes celebres, Spanish accents, you tube dan kunt u luisteren naar de accenten van beroemde schrijvers, artiesten en sportlieden uit verschillende Latijns-Amerikaanse landen: Jorge Luis Borges (Argentinië), Pablo Neruda (Chili), Octavio Paz (Mexico), Guillermo Cabrera Infante (Cuba), Arturo Uslar Pietri (Venezuela), Gabriel García Márquez (Colombia), Mario Vargas Llosa (Perú) en o.a. Pedro Infante uit Mexico en Compay Segundo uit Cuba. Eén ding moge duidelijk zijn: taal is een zelfstandig groeiend fenomeen dat zich weinig aantrekt van wat mensen vinden hoe het ‘eigenlijk’ hoort. Het is heel menselijk om de ene manier van uitspreken ‘mooier’ te vinden dan de andere, maar alle manieren van uitspreken zijn evenwaardig. ‘Plat’ spreken is een andere zaak. Maar laten we niet te gauw iets ‘plat’ vinden. Zeker niet het Spaans van Rio de la ‘Plata’.

Overleven in de Mozes & Aäronkerk

Mozes en Aäronkerk, schilderij van J. Lamers, 1895


Symposium Orde uit Wanorde

Jaarlijks terugkerend evenement: thema symposium: de bezuinigingen de baas. Info, workshops, voordracht, debat en muziek en nog veel meer op het programma. Dansen met muziekformatie  Rolanda van Embricqs and Friends: Eddy Veldman, Rolanda van Embricqs, Dave Mac Donald, Wim Lo, Gerda Havertong, Francine van Dam, Hellen J Gill

Datum: zaterdag 15 september 2012 van 09:30-17:30uur
Locatie: Waterlooplein 205, Amsterdam, nabij centrum
Reserveren niet verplicht, maar wel handig.
Alle informatie betreft het programma2012 van St. Symposium Organisatie Nederland: www.symporgnederland.com


Het Spaans van Latijns-Amerika en de Cariben (V)

door Fred de Haas

Puerto Rico

Wat opvalt bij Spaans sprekende mensen uit Puerto Rico is het rekken van de laatste beklemtoonde klinker. ‘parada’ (halte) wordt [paraaada], ‘muerto’ wordt [muèeeerto], enzovoorts. Ik overdrijf het schriftbeeld voor de duidelijkheid. De R wordt in Puerto Rico vaak uitgesproken als een L: ‘puerta’ wordt [puelta], ‘tarde’ wordt [talde] en ‘peor’ (erger) wordt [piol]. Omdat Puerto Rico zeer nauwe staatkundige banden met Amerika heeft zijn er ook ontleningen aan het Engels. Maar niet veel meer dan op de andere eilanden. Onderzoek wijst uit dat ongeveer 7% van de woorden aan het Engels is ontleend. Soms zijn er duidelijke Amerikaanse invloeden te constateren in de taal. Iemand uit Puerto Rico zal zonder blikken of blozen zeggen: ‘Caminando es bueno’ (= de letterlijke vertaling van ‘walking is good’) en dat zal je in de rest van Latijns-Amerika niet aantreffen.

Talen van Mexico


Het Spaans van Mexico

De meeste Mexicanen, van wie meer dan driekwart mestiezen zijn, spreken geen Caribisch Spaans, zoals in Vera Cruz, maar een variant die wordt gesproken van het Zuiden van de Verenigde Staten tot aan de Midden-Amerikaanse republieken met uitzondering van Costa Rica en Panamá. Die variant wordt gesproken door zo’n 130 miljoen mensen. In het Spaans van Mexico worden veel klinkers zwak uitgesproken. Deze klinkers heten ‘vocales caedizas’ (wegvallende klinkers). Voorbeelden: ‘antes’ (vroeger) klinkt in de Mexicaanse mond als [ant’s], ‘cafecito’ (kopje koffie) wordt uitgesproken als [caf’cito]. Een merkwaardige uitspraak (die men ook in Midden-Amerika en het Andesgebied aantreft) is de dubbele R in een woord als ‘carro’. Dat klinkt als een soort zachte zr-klank: [cazro]. De dubbele L wordt helemaal niet uitgesproken: ‘tortilla’ (maispannekoek) klinkt als ‘tortiya’. Vanaf de 16e eeuw is het Spaans van Mexico in contact geweest met inheemse talen als het Náhuatl (de taal van de Azteken), het Maya, het Mixteeks en het Zapoteeks. Het Maya en Náhuatl waren lingua franca talen. Het Náhuatl werd gesproken van het Zuiden van de huidige VS tot Midden-Amerika. Het Maya was de taal in Yucatán, Chiapas, Guatemala en Belice. Het woord ‘coyote’ (prairiehond) komt van het Náhuatl. Ook woorden als ‘huipil’ (versierde bloes), ‘pulque’ (een drank bereid uit de agave) en ‘tomate’ (tomaat) komen uit het Náhuatl. Invloed van het Náhuatl is te horen in de uitspraak van woorden die in het midden een TL-klank hebben. De TL is namelijk een veel voorkomende medeklinkercombinatie in het Náhuatl en werd ook als TL uitgesproken. Een Mexicaan die het woord ‘atlas’ uitspreekt zal dan ook duidelijk de A van de TL scheiden. Hij zal zeggen [a-tlas]. Velen van u die wel eens Mexicaanse liedjes hebben gehoord of gezongen zullen uitdrukkingen zijn tegengekomen als ‘Ándale’ (vooruit!) of ‘Úpale’ (zet ‘m op!, een veel gebruikte uitroep in Mariachi orkesten). Die toevoeging van ‘le’achter een gebiedende wijs is typisch Mexicaans. Als men u in Mexico niet goed heeft verstaan dan zult u vaak de vraag ‘¿Mande?’ (beveel) horen. Het betekent gewoon ‘wat zegt u’?

Venezuela

Het Spaans van Venezuela vertoont, vooral aan de kust, de kenmerken van het Caribische Spaans. Het land heeft historisch veel banden met de Canarische eilanden en dat is te horen in de uitspraak van het Venezolaanse Spaans. Vandaar dat ik boven al vermeldde dat Venezuela soms ‘het achtste eiland’ (lees: het achtste van de Canarische eilanden) wordt genoemd (la octava isla). Net als in de andere landen zijn er natuurlijk ook in Venezuela veel woorden die aan inheemse talen zijn ontleend, zoals ‘pichirre’ (= gierig), een woord dat we ook tegenkomen in het Papiaments (pichiri).

Hangbrug in Coasta Rica


Costa Rica en Colombia

In Costa Rica heeft men ook die ‘ZR’-achtige uitspraak van woorden als ‘otro’ [otzro] en ‘carro’ [cazro]. In Costa Rica heeft men , net als in Colombia, een voorkeur voor verkleinwoorden op –ico: ‘momentico’ (ogenblikje), ‘patico’ (eendje). Vandaar dat men de mensen uit Costa Rica ook wel ‘Ticos’ noemt. Wat ook opvalt is het gebruik van ‘Usted’ dat niet de Kastiliaanse betekenis heeft van ‘U’ maar gewoon van ‘Je’ en ook wordt gebruikt voor intimi. Omdat dit gebruik in Costa Rica zoveel voorkomt noemt men het wel ‘Ustedeo costarricense’ (het ge-Usted van Costa Rica).

Het Andesgebied
Fray Domingo de Santa Tomás

Het Spaans dat men in het Andesgebied van Colombia, Ecuador, Perú en Bolivia spreekt wordt ook wel genoemd het Andes Spaans (el español andino). Het is een gebied met miljoenen inwoners die oorspronkelijk o.a. Quechua spraken, een taalfamilie met veel varianten. In Perú werd het Quechua vanaf de 16e eeuw als algemene taal gebruikt. Fray Domingo de Santo Tomás was degene die als eerste een vocabulaire en een grammatica schreef en in het Spaans aan de taal refereerde als ‘Quechua’.

Noni Lichtveld


Portret van de Surinaams-Nederlandse schrijfster en tekenares Noni Lichtveld, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 144 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Het Spaans van Latijns-Amerika en de Cariben (IV)

door Fred de Haas

Beeldvorming rond het Spaans van Latijns-Amerika
Francisco Pizarro

Men denkt wel eens dat de mensen die in het begin voet aan wal zetten in Latijns-Amerika voor het merendeel uit schooiers en platvinken bestond. Dat beeld is onjuist: ‘La sociedad hispanoamericana del siglo XVI […] se constituyó con una proporción muy alta de hidalgos y una proporción también muy alta de clérigos, licenciados,bachilleres y gente culta, mayor que la que se daba en la sociedad europea de la época. Llegaron también, claro está, campesinos (en cantidad sorprendentemente pequeña), gentes de los diversos oficios (en cantidad algo mayor) y sobre todo marinos y soldados de los más diversos sectores sociales. Pero ya en la misma hueste conquistadora, y aún más al constituirse la sociedad hispanoamericana, se produjo una nivelación hacia arriba, una ‘hidalguización’ general’ (Ángel Rosenblat, los conquistadores y su lengua, Caracas, 1977). (De Spaans-Amerikaanse samenleving uit de 16e eeuw […] werd voor een zeer groot deel gevormd door mensen van adel en ook voor een zeer groot deel uit geestelijken, academici, mensen met een middelbare schoolopleiding en ontwikkelde lieden, een deel dat groter was dan dat in het Europa van die tijd. Natuurlijk kwamen er ook mensen van het Spaanse platteland (een verrassend klein aantal), ambachtslieden (een wat groter aantal) en vooral zeelui en soldaten uit de meest verschillende lagen van de bevolking. Maar ook al bij de massa veroveraars en nog meer bij de vorming van de Spaans-Amerikaanse gemeenschap vond er een nivellering naar boven plaats, een algemene ‘veredeling’).

Arowakken

De inheemse talen van Latijns-Amerika

Merkwaardig is dat de meeste inheemse talen geen invloed hebben gehad op de structuur van het Spaans. Natuurlijk wel op de woordenschat. Alleen al op het gebied van de flora, de fauna en de aardrijkskundige namen. Daar waren nu eenmaal geen Spaanse woorden voor. Tot op heden vinden we die woorden uit de inheemse talen niet alleen terug in het Spaans, maar ook in andere talen die ze op hun beurt hebben ontleend aan het Spaans. Uit het Caribisch kennen we de ‘caimán’ (kaaiman) en uit de taal van de Azteken, het Náhuatl, woorden als ‘tomate’, ‘cacao’, chocolate en ‘tequila’. Ook zijn er bekende woorden aan het Quechua ontleend: pampa (vlakte), coca (cocaïne), llama (lama). Het Tupí-Guaraní heeft ons woorden gegeven als ‘maraca’ (het ritme instrument), gaucho (de Zuid-Amerikaanse cowboy) en de ‘yaguar’ (jaguar). Uit de Afrikaanse talen kennen we de woorden ‘bongó’ (trommel), ‘banana’, ‘conga’ (trommel), ‘marimba’ enzovoorts. Wie zich een beeld wil vormen van de hoeveelheid woorden die specifiek bij een bepaald Spaans sprekend land zijn gaan behoren hoeft alleen maar op het Internet te zoeken naar ‘Diccionario de Cubanismos’, ‘Diccionario de Argentinismos’, etc. Nogmaals: de syntaxis (taalstructuur) van het Spaans in Zuid-Amerika is – met uitzondering van sommige gebieden waar Quechua wordt gesproken - nagenoeg dezelfde als in Spanje. Er zijn wel bepaalde in het ‘gehoor’ springende kenmerken, zoals het veelvuldig gebruik van ‘nomás’: déle agua nomás (= geef hem maar wat water). Of de betekenis van ‘Uno’ in: Uno es débil (= een mens is nu eenmaal zwak). Grappig is ook de betekenis van ‘medio’ (half) in uitdrukkingen als: ‘ese tío es medio loco’ (= die kerel is niet goed snik). Het Spaans van Zuid-Amerika is zeker niet uniform en vertoont van Noord naar Zuid telkens andere gezichten. Laten we sommige van die gezichten eens nader bekijken.

Het Caribische Spaans

Het Caribisch gebied is een van de grootste lingüistische smeltkroezen van de Westerse taalgeschiedenis. In de loop van deze geschiedenis heeft er een ontmoeting plaatsgevonden tussen de meest uiteenlopende talen, zoals: het Arowak, Caribe, Maya, Engels, Frans, Spaans, Nederlands, Portugees, Bantoe, Yoruba etc. Sommige talen zijn verdwenen en leven hoogstens nog voort als restanten, andere hebben zich verbreid in een bepaald gebied en leven voort naast een Creoolse taal (het Nederlands naast het Papiaments, het Frans naast het Kréyol, Engels naast Jamaican Creole). Twee talen hebben zich als officiële taal over een groot gebied kunnen verspreiden: het Spaans en het Portugees. Gemeenschappelijke kenmerken van het Caribische Spaans In het Caribisch gebied is het SESEO en het YEÍSMO (zie boven) overal verspreid. Ook vinden we er opvallende neusklanken. Het Spaanse ‘San Juan’ wordt vaak uitgesproken als [SangHwang]. De S is zwak of wordt weggelaten aan het eind van een woord: ‘asta’ (vlaggestok) wordt [ahta], ‘mesas’ (tafels) wordt [mesa] of [mesah]. De D tussen twee klinkers is zwak of verdwijnt: ‘dedo’ (vinger) wordt [deo] en ‘lodo’ (modder) wordt [lo]. De Spaanse Jota (=J) wordt uitgesproken als een H: ‘caja’ wordt [caha]. Ook vinden we overal ontleningen aan vroegere inheemse talen (taíno): ‘ají’ (knoflook), ‘comején’ (termiet), ‘bohío’ (houten huisje) en Afrikaanse talen: babalao (Cuba: voodoo priester), ‘Orisha’ (goden) etc. Ook de manier waarop volwassen samenlevenden en niet samenlevenden elkaar toespreken als ‘Papi’ en ‘Mami’ is wijdverbreid.

Cuba
Niet overal in het Caribisch gebied wordt het Spaans op dezelfde manier uitgesproken. Ook binnen de landen zijn er grote verschillen. Zo staat de Cubaanse provincie Camagüey bekend om zijn duidelijke Spaanse uitspraak. Luister maar eens naar de manier waarop de Vieja Trova Santiaguera ‘Lágrimas Negras’ zingt. In Camagüey en Santiago de Cuba worden de L, de R en de eind-S nog uitgesproken. In het Westen niet meer. Ook heeft men in Cuba de neiging om de medeklinkers in een woord samen te laten vallen tot één klank: ‘Mi hermano’ klinkt dan als ‘Mjemmano’.
De dubbele onteknning
in Santo Domingo

Santo Domingo

In Santo Domingo vind je in de eerste plaats de algemene kenmerken van het Caribische Spaans. Verder hoor je in de Dominicaanse Republiek hoe de R vóór een medeklinker wordt uitgesproken als een Y: ‘puerta’ (deur) klinkt als [pueyta] en ‘tarde’ (middag) als [tayde]. Maar het meest opvallende is hoe het meervoud van de woorden vaak wordt gevormd. Het meervoud van ‘casa’ (huis) is formeel ‘casas’, maar wordt in Dominicaanse monden vaak [cásase]; ‘mujeres’ (vrouwen) wordt [mujérese]. Merkwaardig is ook het gebruik van ‘ello’ voor het onpersoonlijke ‘het’: ello llueve (= het regent). En wat denkt u van het gebruik van ‘ser’ (zijn) in zinnen als ‘era temblando que estaba’ = ik stond te rillen (letterlijk: ik was aan het rillen dat ik was). Uit Afrikaanse talen (Kikongo, Kimbundu) – in de Dominicaanse Republiek waren veel Afrikanen – heeft men het gebruik van de dubbele ontkenning overgenomen: Yo no quiero no = ik wil niet (lett: ik niet wil niet). Net als in Puerto Rico vind je in het Spaans van Santo Domingo veel gehispaniseerde ontleningen aan het Engels, vooral op sportgebied: ‘Jonrón’ (homerun), ‘queche’ (catcher), ‘etrai’ (strike) etc.

[wordt vervolgd]

Cursus Afáka


Voor beginners en oud-cursisten die hun kennis van het Afáka willen opfrissen

Op zaterdag 15 september 2012 organiseert het Marroninstituut Stichting Sabanapeti weer de cursus Afáka, het syllabeschrift van de Okanisi Marrons. Dit syllabeschrift is ontworpen door da Usa Atumisi Afáka (naar wie het schrift is vernoemd), een Okanisi van de Bilo regio aan de Tapanahoni in het binnenland van Suriname. Da Afáka, die zelf voorheen niet kon lezen en schrijven, maar wel de noodzaak voor zichzelf en zijn volk inzag om te kunnen lezen en schrijven, ontwierp dit schrift in het begin van de 20ste eeuw. Hiermee konden Okanisi Marrons, die overwegend analfabeet waren, in hun eigen taal lezen en schrijven. Met het Afáka-schrift zijn de Okanisi Marrons het enige Creools sprekende volk dat een eigen schrift bezit en Suriname is dus hiermee uniek.

 Het Afákaschrift bestaat oorspronkelijk uit 56 tekens plus 2 extra tekens, één korte verticale streep voor de punt, de komma enzovoort, en één kronkelende lijn om het einde van een pagina te markeren.

Op cursusdag 1 maakt u kennis met de tekens van het Afákaschrift en u leert basiszinnen schrijven en lezen in het Afáka. U krijgt een cursusboek en lees- en schrijfoefeningen mee naar huis. Op cursusdag 2 wordt de basiskennis van het Afáka nogmaals met u doorgenomen. Vervolgens gaat u aan de slag met nieuwe opdrachten. Cursusdag 2 wordt afgesloten met een toets gevolgd door de uitreiking van het bij deze cursus behorende certificaat aan iedereen die met goed gevolg de toets heeft gemaakt.

De cursus wordt verzorgd door André R.M. Pakosie, sinds 1993 de edebukuman, het hoofd van de groep van Afákakenners. Als edebukuman ontwikkelt hij het schrift verder en onderwijst anderen hierin.

Inschrijving
U kunt zich vanaf nu t/m 15 augustus 2012 inschrijven. Stuur uw naam, adres en telefoonnummer per e-mail naar fytotheek.pakosie@planet.nl of naar siboga@maroons-suriname.com en maak vóór 15 augustus 2012 de cursusbijdrage ad € 60,- over op ING Bank nummer 6217534 t.n.v. stichting Sabanapeti o.v.v.: Cursus Afáka. De cursusbijdrage is voor de cursus inclusief cursusboek en oefenmateriaal. U bent pas ingeschreven als uw cursusbijdrage bijgeschreven is op de rekening van stichting Sabanapeti. Toelating tot de cursus vindt plaats in volgorde van inschrijving. Bij onvoldoende aanmelding gaat de cursus niet door en storten wij de door u overgemaakte cursusbijdrage terug op uw rekening. Voorwaarde om deel te kunnen nemen: Tenminste één van de Afro-Surinaamse talen (Okanisi tongo, Saamaka tongo, Sranan tongo, enzovoort) beheersen of daarmee voldoende bekend zijn.
Datum: zaterdag 15 september 2012 Tijd: van 10.30 uur tot 17.00 uur
Plaats: Utrecht
De 2e cursusdag wordt gezamenlijk gepland op cursusdag 1 Lunch: Op beide cursusdagen dient u zelf te zorgen voor uw lunch. Na inschrijving wordt u het adres waar de cursus in Utrecht wordt gehouden en een route-beschrijving toegestuurd.

Portret van Bertus. Foto @ Nicolaas Porter

donderdag 19 juli 2012

Het Spaans van Latijns-Amerika en de Cariben (III)

door Fred de Haas
Het Spaans van Andalusië
We kunnen onderscheid maken tussen West-Andalusië ( de provincies Córdoba, Sevilla, Huelva, Cádiz) en Oost-Andalusië (Jaén, Almería, Málaga, Granada).


West-Andalusië was vanaf de 13e eeuw in handen van Kastilië en vanuit West-Andalusië vond de vaart op Zuid-Amerika plaats. Omdat de – door Andalusiërs gekoloniseerde - Canarische eilanden op de route lagen van de schepen die naar Zuid-Amerika voeren en veel migranten afkomstig waren van de Canarische eilanden vinden we veel kenmerken van het ‘Andalusische’ Spaans van de eilanden in Zuid-Amerika terug, met name in het Caribisch gebied en de kuststreken van Spaans Amerika. Ik zal hieronder de voornaamste kenmerken van dat Andalusische Spaans weergeven. Ook de niet-taalkundige zal dit makkelijk kunnen begrijpen en vergelijken met de uitspraak in Zuid-Amerika.

Kenmerken van het Andalusisch : ‘seseo’ en ‘yeísmo’ In het Andalusische Spaans klinkt de laatste S van een woord als een H: ‘Tres’ wordt [TREH]. Soms valt ook de H-klank weg. De dubbele L (LL) wordt uitgesproken als de Nederlandse J in ‘Papaja’: ‘Muralla’ (muur) wordt [Muraja] ). Dit fenomeen heet ‘YEÍSMO’.
In het Andalusisch verdwijnt vaak de eindmedeklinker: ‘comer’ (eten) wordt [komé], ‘verdad’ (waarheid) wordt [berdá], etc. De ‘D’ tussen twee klinkers verdwijnt. ‘Cansado’ (moe) wordt [cansao], ‘Venido’ (gekomen) wordt [venío].
In Andalusië worden de L en de R vaak omgewisseld: ‘albañil’ (metselaar) wordt [arbañil], ‘clavo’ (spijker) wordt [cravo] etc. In Andalusië wordt de TH-klank (Ө) als een S uitgesproken (SESEO).
De Spaanse Jota ( een J die als een Nederlandse G wordt uitgesproken) wordt tussen twee klinkers een H: caja (kist) wordt [caHa].
Tenslotte vinden we in het Andalusische Spaans het verschijnsel dat HEHEO wordt genoemd, een verschijnsel dat we ook veel aantreffen in de kuststreek van Colombia: ‘Si, señor’ wordt daar uitgesproken als [HiHeñó].

Het Canarische Spaans
Bovenstaande kenmerken vinden we ook terug in het Spaans van de Canarische eilanden dat nog het meest lijkt op het Spaans van Latijns-Amerika. Ook vind je daar het gebruik van ‘Usted’ en ‘Ustedes’ voor de tweede persoon enkelvoud en meervoud. Er bestond een nauwe band tussen West-Andalusië en de Canarische eilanden die, zoals gezegd, door Andalusiërs werden gekoloniseerd. Ook kwamen er veel Portugezen op de Canarische eilanden. Sinds het verdrag van Tordesillas in 1494 hadden de Portugezen immers toestemming om de Afrikaanse kusten en Brazilië te koloniseren. Dat verklaarde hun aanwezigheid in het gebied.

Het Spaans van de Canarische eilanden klinkt meer Caribisch dan ‘Iberisch’. ‘Los guardan’ (ze hoeden ze) klinkt als [lo hwardan], ‘las gallinas’ (de kippen) klinkt als [la ha.ji.na]. ook zijn er nogal wat woorden uit het Portugees overgenomen: ‘jeito’ in de betekenis van ‘handigheid, ‘kundigheid’, dat we ook in het Papiaments terugvinden (‘jeitu’). In plaats van ‘tirar’ gebruikt men het Portugese ‘botar’, in plaats van ‘volver’ zegt men ‘virar’.

Het Spaans van Venezuela is erg ‘Canarisch’ getint. Men noemt Venezuela daarom wel eens ‘La octava isla’ (= het achtste eiland). Voor een goed begrip: er zijn 7 Canarische eilanden. Bovenstaande invloeden vinden we dus vooral in het Caribisch gebied en langs de kust van Spaans Amerika.

[wordt vervolgd]

Juninummer Siboga

Het juninummer van het tijdschrift Siboga over de Surinaamse Marroncultuur en geschiedenis is uit en bevat de volgende artikelen:
1. De reis naar de voorouders: Leven, dood en bijzetting gaanman Gazon Matodja (door André R.M. Pakosie)
2. Decentralization in district Brokopondo: Collaboration between traditional authority and regional organs (by Thanya Fonkel)
3. De ontwikkeling van leiderschap bij de Marrons van Suriname (door André R.M. Pakosie)

Te bestellen bij het Marroninstituut stichting Sabanapeti (website: www.maroons-suriname.com e-mail: siboga@maroons-suriname.com Tel: 0302943402)

De Benjamin


Portret van de Surinaams-Nederlandse schrijver De Benjamin, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 143 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Het Spaans van Latijns-Amerika en de Cariben (II)

door Fred de Haas

Standaardisering
Covarrubias

Dank zij geleerden als Antonio de Nebrija en Sebastián de Covarrubias werd het Spaans al in een vroeg stadium gestandaardiseerd. Nebrija schreef de eerste grammatica van een Romaanse taal (Gramática de la lengua castellana, 1492) die in Salamanca werd gepubliceerd. Ook het werk van de Koninklijke Spaanse Academie (Real Academia Española, 1715) was heilzaam voor de vastlegging van de taal.
La Real Academia

In de eerste helft van de 18e eeuw publiceerde de Koninklijke Academie een woordenboek (Diccionario de la lengua castellana, deel I, 1726) en in de tweede helft een grammatica (Gramática de la lengua castellana, 1771). Nu werkt dit gezaghebbende instituut samen met de Academies van 21 Spaans sprekende landen in de ‘Asociación de Academias de la Lengua Española’.

Het Spaans breidde zich uit naar Noord-Afrika, de Canarische eilanden en, door het contract dat Columbus afsloot met de Katholieke Koningen Ferdinand en Isabella, naar de ‘Nieuwe Wereld’: Spaans Amerika.

Intermezzo: slavenhandel en ‘negertaal’
Lang voordat de eerste slaven omstreeks 1650 uit Afrika en uit het Noorden van Brazilië naar Curaçao kwamen was er in het midden van de 14e eeuw in Portugal en Spanje al sprake van handel in slaven. In de Rua Nova in Lissabon was een plaats gevestigd waar slaven gekocht konden worden. Dat waren over het algemeen gevangen genomen Arabieren (‘Moros’) en Afrikanen, van wie sommige aangevoerd werden uit het Spaanse Sevilla waar ook een slavendépôt was gevestigd. Sommige slaven kregen zelfs een opleiding en werden - voor de ontdekkingsreizen en de handel met West-Afrika - ingezet als tolken en verkenners voor de koning van Portugal, Enrique o Navegador (Hendrik de Zeevaarder).
Hendrik de Zeevaarder

Vanaf het midden van de 15e eeuw werden er zo’n 150.000 Afrikanen als slaaf naar Portugal vervoerd waar ze moesten werken op het ontvolkte platteland of in de stad. In die tijd was 15% van de bevolking van Lissabon (± 100.000) Afrikaans. De Afrikanen spraken aanvankelijk een soort beginnersportugees (en in Spanje beginnersspaans) waarvan we voorbeelden vinden in de toneelstukken van de 15e en 16e eeuw (o.a. van Gil Vicente). De verbasterde taal die de Afrikanen spraken werd in het Portugees ‘lingua de guiné’ genoemd, de taal van Guinea. Ook wel ‘lingua de negro’. Een voorbeeld van dat taalgebruik vinden we bij de vijftiende eeuwse Portugese auteur Enrique da Mota in de ‘Lamentaçao do clérigo’ (de klacht van de priester): ‘A mim logo vai ‘té lá’ (letterlijk: ik ga meteen daarnaartoe). Iemand die Papiaments kent zal onmiddellijk de woorden ‘Ami’, ‘lo’, ‘bai’, ‘(a)té’ herkennen. Portugese handelaren en zeelui zullen zich ongetwijfeld van dat vereenvoudigde Portugees hebben bediend om te kunnen communiceren met de bevolking van de westkust van Afrika.

Terug naar het Spaans. Het Spaans van Kastilië (Castellano) De uitspraak die het meest opvalt in het Spaans van Kastilië, het ‘Castellano’, is de uitspraak van de C vóór de e en de i, en de Z als een Engelse TH-klank, meestal fonetisch weergegeven als Ө: Zumo (sap) [Өumo], Centro [Өentro], Cinta (band) [Өinta]. De uitspraak Ө is in Spaans Amerika, naar analogie van het Andalusisch, vervangen door een scherpe S. Dit fenomeen wordt ‘SESEO’ genoemd. Omgekeerd hoort men af en toe in geïsoleerde gebieden van Zuid-Amerika een Ө waar dit in het Castellano helemaal niet hoort: ‘Sacar’ wordt, bijvoorbeeld uitgesproken als ‘Өacar’. Dit fenomeen heet ‘CECEO’ (ӨeӨeo). Ook dit, in Zuid-Amerika zeldzaam voorkomende verschijnsel is afkomstig uit Andalusië en kan plotseling opduiken in het binnenland van Colombia of op het platteland van Chili. Het wordt als ‘boers’ beschouwd.
De Statuten van de Koninklijke
Spaanse Academie

Het Kastiliaanse Spaans gebruikt ook het persoonlijk voornaamwoord ‘vosotros’ om de tweede persoon meervoud aan te geven. In Zuid-Amerika gebruikt men dan ‘Ustedes’ dat ook voor intimi wordt gebruikt en dat de unieke Kastiliaanse betekenis van ‘U’ heeft verloren. Tenslotte: de dubbele L (LL) wordt in het Castellano uitgesproken als LJ.

We besteden nu niet verder aandacht meer aan het Spaans van Kastilië en gaan naar een taalfamilie die een zeer grote invloed heeft gehad op de uitspraak van het Spaans van Zuid-Amerika en het Caribisch gebied: het Spaans van Andalusië en de Canarische eilanden.

[wordt vervolgd]

13e Conferentie ACWWS in Paramaribo

Van 8 - 12 mei ´12 werd in Paramaribo de 13e conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars gehouden. Een unieke gelegenheid om binnen een kort tijdsbestek veel informatie over literatuur en literatuuronderzoek in de regio te verkrijgen, contacten te leggen of hernieuwen, werk te promoten, mooie voorstellingen en plaatsen te zien, nieuwe mensen te ontmoeten en een goede tijd samen te hebben. De conferentie wordt om de twee jaar georganiseerd en de organisatie was in Suriname in handen van de vakgroep Nederlands van het I.O.L. en de Schrijversgroep ´77.

Aan bod kwamen thema´s als literatuur en politiek, seksualiteit, kunst, jeugdliteratuur, bovennatuurlijke krachten, vrouwelijke schrijvers. Er waren 54 sprekers afkomstig uit o.a. Suriname, Jamaica, USA, Trinidad, Antigua, Frans-Guyana, Aruba, Grenada, Puerto Rico, Cuba, Barbados, Nederland, Frankrijk en India.
Daphne Lamothe en Simone James Alexander
Het magazine ARC voor hedendaagse kunst van het Caraïbisch gebied werd gepresenteerd en kunstenares Kit-Ling Tjon Pian Gi exposeerde haar nieuwe werken. Het dagprogramma van de conferentie vond plaats in Hotel Krasnapolsky en trok 151 deelnemers. De literatuuravonden in Fort Zeelandia waren vrij toegankelijk en behelsden poëzie, verhalen en theater.

Voorzitter ACWWS Meredith Gadsby (midden) tijdens de persconferentie
Keynote speaker Cynthia McLeod
Presentatie van schrijfster Olga Buckley


V.ln.r. Olga Buckley, Lila Gobardhan, Hedy Goeldjar, Hilli Arduin, Carry-Ann Tjong-Ayong
Jerry Dewnarain en Ismene Krishnadath dicussiëren
Opening expositie Kit-Ling Tjon Pian Gi in Fort Zeelandia

Performance van Eric Mayer-Garcia voor lezing van Agnès Dengreville


Panel Adelaide Russo, Solimar Otero en Angelina Gourdine


Simultaan vertaling bij de Franse schrijfster Sylviane Vayabouri


Poetry Night in Fort Zeelandia


De organisatoren met schrijfster Sylviane Vayabouri
v.l.n.r. Hilde Neus, Vayabouri, Ismene Krishnadath, Karin Lachmising

Nederland is het aan zijn VOC- en WIC-verleden verplicht NiNsee een doorstart te geven



Jan Bank


Onder de intrigerende titel “Executiefoto’s zijn momentopnames” stond gister een artikel van emeritus-hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit van Leiden Jan Bank in de Volkskrant, dat onmiddellijk grote nieuwsgierigheid bij mij opwekte en tot herinneringen aanleiding was, herinneringen aan de zo geheten “politionele acties” in het voormalig Nederlandsch-Indië. Mijn vroegste herinnering is de verontwaardiging van mijn broer die in 1947 werd afgekeurd voor militaire dienst vanwege een lui oog, dat zijn vaderlandsliefde én een grootse rol in de verdediging van ons vaderland in de kiem smoorde. Hij ging zelfs zover om herkeuring aan te vragen, maar tevergeefs, een lui oog is een lui oog en regels zijn regels.

Toen ik in 1954 in militaire dienst ging, was de Koreaanse oorlog nog maar net met een tot op de dag van vandaag voortdurende wapenstilstand – die overigens zomaar weer in een oorlog zou kunnen verkeren – een voorlopig halt toegeroepen. De politionele acties en de Koreaanse oorlog waren mijn rugdekking toen ik later door mijn zoons werd aangevallen waarom ik niet dienst had geweigerd en waarom ik dan ook nog eens een opleiding had doorlopen. Nu zou ik – indien afgekeurd – waarschijnlijk geen herkeuring hebben geëist zoals mijn broer, maar vaderlandsliefde was ook mij niet vreemd. Inzicht in wat zich rond de politionele acties allemaal had afgespeeld had ik überhaupt niet, maar dat onze zojuist herwonnen vrijheid werd bedreigd door de Koreaanse oorlog was een waar schrikbeeld.

Mijn liefde voor de grote literatuurschat die de Indische Archipel heeft voortgebracht, onherroepelijk ontstaan bij lezing van Multatuli’s Minnebrieven en de Havelaar, bracht natuurlijk wel de nodige nuancering aan in mijn standpunt ten opzichte van de Oost en alles wat zich daar heeft afgespeeld onder eeuwenlang Nederlands (schrik)bewind, maar het zou nog even duren voordat alle gruwelen van de politionele acties volledig tot mij waren doorgedrongen, sindsdien reden genoeg om mij steeds opnieuw te ergeren aan die mitigerende term “politionele acties”. Verbazingwekkend is overigens dat in de Oost-Indische literatuur nauwelijks iets te merken is van de veenbrand van het verzet tegen de koloniale overheersing, die toch al decennia voor de politionele acties woedde. Bij mijn weten is alleen in Du Perron’s Land van herkomst daarvan expliciet sprake.

Je moet er geweest zijn

Uit de tijd van de “apartheid” in Zuid-Afrika, toen dat land van alle kanten geboycot werd vanwege de gewelddadige instandhouding van rassen- discriminatie, stamt de slogan “Je moet er geweest zijn”, sindsdien helaas te kust en te keur misbruikt in reclameslogans. De oorspronkelijke slogan was bedoeld om aan te geven dat alleen als je in het land was geweest en de daar heersende schrijnende rassentegenstellingen aan den lijve had ondervonden, je je een oordeel kon vormen over wat zich in Zuid-Afrika onder het apartheidsregiem afspeelde. Eender geldt dit voor Nederlandsch Indië, maar die kans is verkeken, want met een nostalgische reis van een aantal weken kun je onmogelijk achterhalen wat zich in de hoofden en harten van de mensen afspeelt, daarvoor is een veel langer verblijf nodig.

Brandmerkijzers


Door een speling van het lot ben ik in Suriname terechtgekomen, het vroegere stiefbroertje van Nederlandsch Indië. In de tien jaar die ik hier nu woon is mij eerst goed duidelijk geworden hoe waar het is dat je ergens moet zijn om er over te kunnen oordelen. Want wat de koloniale overheersing het land, maar meer nog de mensen heeft aangedaan, wordt je slechts heel geleidelijk duidelijk. Het is die veenbrand die eeuwen heeft gewoed en die nog altijd niet is bedwongen, soms zie je hem even niet, maar dan duikt hij plots weer op. Hetzelfde geldt ongetwijfeld ook voor voormalig Nederlandsch Indië en voor alle voormalige koloniën, waar ook ter wereld. Het is de onderdrukking, de vernedering, die de van zijn vrijheden beroofde mens nooit helemaal van zich heeft kunnen afzetten en die plots weer bovenkomt omdat de gedachte eraan onverdraagbaar blijft. Ook al heeft hij het zelf niet aan den lijve ondervonden, het brandmerk is er nog altijd.

Executiefoto’s zijn momentopnames

Bij het zien van de titel “Executies zijn momentopnames” moest ik lachen en huilen tegelijkertijd. Lachen omdat de foto’s van die executie uiteraard momentopnames zijn, daarvoor zijn het foto’s. Maar het woord “momentopnames” werkt storend in de contekst, omdat de  idee wordt opgeroepen als zou er verder niets aan de hand zijn geweest, slechts een incident, vandaar dat huilen. Lezing van het artikel van Bank maakt echter snel duidelijk dat er wel degelijk iets aan de hand is geweest daar in Nederlandsch Indië en dat hij oordeelt dat er al lang behoefte is aan tekst en uitleg. In 1969 werd een enquête om onderzoek te doen naar de geweldsexcessen afgewezen. Een vergelijkbare studie als die van De Jong over Nederland in oorlogstijd is er nooit gekomen, het is gebleven bij de Excessennota van historicus/jurist Cees Fasseur en een publicatie van historische bronnen, twintig boekdelen barstensvol gegevens van onschatbare waarde, twee goudmijnen voor geschiedschrijving waarmee nooit iets is gedaan.

NiNsee met nieuwe naam en ruimere doelstelling & middelen
Dit bracht mij onmiddellijk bij het Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee), dat per het einde van dit jaar gedwongen moet sluiten vanwege beëindiging van de subsidie. De missie van NiNsee is “het zich ontwikkelen en positioneren als nationaal symbool van het gedeelde slavernijverleden en de gezamenlijke toekomst van alle Nederlanders, door structureel en vanuit verschillende invalshoeken het Nederlandse slavernijverleden en de gevolgen daarvan voor de Nederlandse samenleving, nationaal en internationaal voor het voetlicht te brengen.” 
Mijns inziens is het NiNsee te eenzijdig gefocust op het slavernijverleden, waarschijnlijk omdat het Surinaams Landelijk Platform Slavernijverleden, ook verantwoordelijk voor het Surinaams Slavernijmonument in het Oosterpark, de initiatiefnemer is geweest bij zijn totstandkoming. Nu geheel onverwacht foto’s zijn opgedoken van een gruwelijke executie in Nederlandsch Indië, is dit het juiste moment een nationale actie te starten om NiNsee een doorstart te geven met een nieuw naam en verruimde doelstelling, zodat “alle vormen van gedeeld koloniaal verleden” eronder komen te vallen, en om meer fondsen te genereren. Noodzakelijk om eindelijk mogelijk te maken dat onder andere de studie waar Bank in zijn artikel voor pleit ter hand kan worden genomen door het als een Phoenix uit zijn as herrezen NiNsee. Nederland is het aan zijn VOC- en WIC-verleden verplicht.