maandag 30 april 2012

Vrijblijvendheid is een vloek (1)

door Peter Meel

Wat mij van mijn eerste ontmoeting met Anil Ramdas het meest is bijgebleven, is de geestdrift en vasthoudendheid waarmee hij verslag deed van zijn lees- en onderzoekservaringen. In een woordenstroom die zich nauwelijks liet onderbreken, stortte hij de namen van schrijvers, kunstenaars en wetenschappers over mij uit en gaf hij er blijk van hun werk nauwkeurig te hebben bestudeerd. Het doorgronden van dit werk leek voor hem pas geslaagd als hij de daarin vervatte opvattingen aan zijn eigen opvattingen had getoetst en met ideologische stromingen en wetenschappelijke theorieën had weten te verbinden. Uit deze confrontatie van standpunten en ideeën destilleerde hij een eigen visie op het onderhavige werk waarin hij persoonlijke levenservaringen verwerkte en waarmee hij uitdrukking wenste te geven aan een oorspronkelijke kijk op de werkelijkheid. Ramdas was er op gebrand die visie met anderen te delen. Daarvoor trok hij alles uit de kast: zijn charme en gevatheid, zijn opmerkingsgave en oog voor detail, zijn gevoel voor esthetiek en zijn retorisch vernuft. Je moest luisteren, hij zou tot je doordringen, er was geen ontkomen aan.

Het gesprek met de licht onstuimige, onmatig argumenterende en dwingend op mij inpratende Ramdas liet mij niet onberoerd. Ik was overdonderd (geïntimideerd is misschien een beter woord) door zijn bevlogenheid en eruditie en enigszins murw door de volharding waarmee hij zijn inzichten aan mij presenteerde (opdrong is misschien een beter woord). Maar hier stond een belangrijk inzicht tegenover. In de persoon van Ramdas hadden zich een originele geest, een geëngageerd waarnemer en een scherp analyticus aangediend waarvan ik intuïtief aanvoelde dat we daar nog meer van zouden horen, al wees op dat moment niets erop waar zijn ambities precies lagen en welke richting hij beroepshalve wilde inslaan.

Onze ontmoeting was op zijn initiatief tot stand gekomen. Hij had de reis naar het Koninklijk Instituut voor Taal-. Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden ondernomen met een manuscript in zijn tas. Of ik, als medewerker van de Caraïbische Afdeling, de tekst wilde beoordelen en kon bevorderen dat het werk bij de uitgeverij van het instituut zou worden gepubliceerd. Dat wilde ik wel. Nadat ik mij door de theoretische inleiding had heen geworsteld, stuitte ik op een aantal verrassend strak gecomponeerde en meeslepend geschreven verhalen over de overlevingskunst van vrouwen op Curaçao. Uit deze bladzijden sprak een opmerkelijke sensitiviteit en een zeldzaam stilistisch talent. Tot een match met het KITLV zou het echter niet komen. De inleiding, die de auteur als essentieel beschouwde voor een goed begrip van de verhalen, lag de uitgever te zwaar op de maag. Het boek zou in 1988 onder de titel De strijd van de dansers: biografische vertellingen uit Curaçao bij uitgeverij SUA verschijnen.

Ik zou Ramdas na deze ontmoeting blijven volgen, via zijn stukken in De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad en natuurlijk via zijn boeken. Ik zou hem regelmatig op podia en op televisie zien en hem op gezette tijden tegen het lijf lopen. Er was dan altijd wel gelegenheid voor een praatje en het uitwisselen van ervaringen. Persoonlijke vrienden werden we niet, daar lagen onze interesses te ver voor uit elkaar en was er te weinig overlap tussen de circuits waarbinnen wij ons bewogen. Zijn afscheid van de wetenschap, niet lang na het verschijnen van zijn debuut, had die positiebepalingen mede in de hand gewerkt. Want al snel na die eerste ontmoeting was mij nog iets anders duidelijk geworden: als schrijver en onderzoeker schuwde Ramdas het compromis. De strijd van de dansers diende volgens hem vergezeld te gaan van die moeizaam geformuleerde inleiding, terwijl het boek heel goed zonder dat hoofdstuk kon en pas daardoor een eenheid werd. Ramdas wilde er niet van weten. Even onverbiddelijk gaf hij de brui aan zijn promotieonderzoek. Dat handelde over de constructie van vluchtverhalen van asielzoekers door de vreemdelingendienst. Ramdas had moeite met het respecteren van het vertrouwelijke karakter van de dossiers die hij ter inzage kreeg. Hij weigerde zich neer te leggen bij de uitspraak van de rechter (zover kwam het op een gegeven ogenblik) dat hij betrokkenen in zijn dissertatie niet onder hun eigen naam mocht opvoeren om te voorkomen dat de vluchtverhalen zouden kunnen worden herleid tot de vreemdelingenrechters die zich met hun zaak hadden beziggehouden. Hoewel anonimiseren per saldo niets zou afdoen aan de waarde van zijn proefschrift en binnen de sociale wetenschappen een geaccepteerde methode is, trok Ramdas gedecideerd de stekker uit zijn project. Hoewel hij nadien nog wel eens een terugkeer naar de wetenschap overwoog, zou hij nooit concrete initiatieven in deze richting ontplooien. Daarvoor mogen wij hem dankbaar zijn. Alleen door afstand te nemen van de wetenschap en niet in de fuik te zwemmen die de academie voor verbeeldingsrijke geesten kan zijn, kon hij als essayist tot zulke grote hoogten stijgen.

Maar helemaal afwezig zou de wetenschap in zijn werk nooit zijn. Dat blijkt als we zijn schrijverscredo in ogenschouw nemen. Bij Ramdas draaide dat om zijn identificatie met ‘de beroepsherinneraar’. Zoals hij in zijn gelijknamige essaybundel uiteenzette, diende de beroepsherinneraar te streven naar betrouwbare herinneringen: ‘Betrouwbaar betekent hier niet: zoveel mogelijk in overeenstemming met ‘de’ werkelijkheid, want dat hoort bij een ander vak: dat van de geschiedschrijvers. De geschiedschrijver wil zo precies mogelijk aangeven hoe de werkelijkheid vroeger was. De beroepsherinneraar wil aangeven hoe de werkelijkheid vroeger ‘voelde’. Hoe zij leek, hoe ze overkwam, hoe ze beleefd en ervaren werd, door meerdere mensen. […] Een beroepsherinneraar brengt het collectieve geheugen van eenvoudige, gewone en onbelangrijke mensen tot nieuw leven, opdat die mensen niet vergeten worden. Opdat ze niet uit de geschiedenis worden gestoten. Hij verricht geen onderzoek in duistere archieven en hij ligt niet op bed zijn gedachten te verzamelen, hij doet allebei een beetje. Maar het belangrijkste is dat hij praat met die zwakke, machteloze wezens, die hij liefheeft en om wie hij kan lachen. Hij buigt hier en daar iets om: een oninteressant gegeven laat hij weg, een vertederend detail blaast hij ietsje op. Hij speelt, herschrijft, maar lang niet zo frivool als de romancier, want anders verliest hij het vertrouwen van de mensen over wie hij schrijft – dat vertrouwen is zijn beperking. Een beroepsherinnaar prikkelt de verbeelding van de romanschrijver, en trekt de aandacht van de geschiedschrijver. Als die zijn werk overnemen en voortzetten, is zijn doel bereikt.’

Het credo van Ramdas legde niet alleen de spanning bloot die er bestaat tussen feit en fictie. Zijn auteursovertuiging bracht tevens aan het licht dat betrouwbaarheid samenhangt met gematigdheid, consistentie en balans. Dat de auteur in dezelfde essaybundel zich de (toegegeven prikkelende) slagzin ‘If this story ain’t true, it should’ve been’ toe-eigende als levensdevies, suggereerde dat hij feiten belangrijk vond, maar dat hij geneigd was de verbeelding uiteindelijk het laatste woord te geven. Dat was vooral merkbaar als Ramdas zich – wat welbeschouwd onvermijdelijk was, maar misschien vaker voorkwam dan hij zichzelf wilde toestaan – op het terrein van de geschiedschrijving bewoog. Dan slopen er niet zelden elementen zijn verhalen binnen die tamelijk losgezongen leken van de werkelijkheid en die het een geschiedschrijver moeilijk maakten om het werk van de beroepsherinneraar ‘over te nemen en voort te zetten’. Dit gold in het bijzonder voor Ramdas’ reflecties op episoden uit de Surinaamse geschiedenis, die hem noodzakelijkerwijs in aanraking brachten met politiek. Ramdas maakte er geen geheim van dat hij niet veel met Surinaamse politiek op had. Deze associeerde hij met armpje drukken en beentje lichten, praten om het praten, gebrek aan moed en verantwoordelijkheidszin, vrijblijvendheid, het najagen van eigenbelang, intellectuele armoede en ideeënloosheid. Dit laat zich goed illustreren aan de hand van zijn rol in een discussie ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid.

(wordt vervolgd)

Trefossa



Portret van de Surinaamse dichter Trefossa (ps. van Henri de Ziel), gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 19 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Sint Airport Rolls Out Carnival Welcome for Passengers



One of the costumed carnival revelers giving out the 2012 carnival program to arriving passengers.


Simpson Bay, St. Maarten (April 23, 2012)—Both arriving passengers as well as other users of the airport and airport community knew that Carnival was certainly in the air, as SXM (also abbreviated as PJIA) engaged carnival-costumed revelers to give out this year’s Carnival Program to passengers right at the jet bridges and as they walked toward Immigration clearance.

The special St. Maarten Carnival “meet and greet” began over the weekend as part of SXM’s carnival promotions.The carnival revelers not only distributed carnival programs to passengers, but also throughout the airport terminal building, including the business lounge.



Three beautiful carnival revelers engaged in the special carnival ‘meet and greet’ at Princess Juliana Int’l Airport, pose together for the camera before going about their welcome duties.

In conjunction with the carnival banners and decorations all over the airport, visitors and other users of the airport are kept certainly aware of the island’s premier cultural event.
“Carnival is the most important expression of our culture and we at SXM believe we should promote this as much as possible, hence our efforts at ensuring that all those coming in or leaving our island during this period know that something special is happening here,” noted Managing Director, Regina LaBega.

The special meet and greet at the Princess Juliana Int’l Airport (SXM) will continue into next weekend, when Carnival reaches its high point.

Lintje erkenning voor Boy Namías de Crasto



Een collage van werken van Boy Namias de Castro

Ruim 3000 mensen krijgen dit jaar een koninklijke onderscheiding. In Nederland worden de lintjes uitgereikt op de gemeentehuizen op de laatste werkdag voor Konininginnedag. De Curaçaose kunstenaar Boy Namias de Crasto viel de eer te beurt in Bussum. Voorzitter Glenn Helberg van OCaN vindt zo'n teken van erkenning van het staatshoofd belangrijk.

Voor Caribische Nederlanders is dat misschien nog wel extra belangrijk, zegt Helberg: "Dat betekent dat er over de grenzen wordt gekeken." OCaN heeft in het verleden zelf mensen voorgedragen, maar dit jaar is dat door drukte niet gelukt. "Maar elke burger kan iemand voordragen."
Boy Namias de Crasto vertelt vlak na de ontvangst van zijn lintje dat hij er trots op is zowel op Curaçao als in Nederland aan de samenleving deelneemt. "Yu di tera en vijftig jaar in Bussum als leraar, kunstenaar en noem maar op." Het lintje is een erkenning voor wat hij heeft gedaan, vindt hij.

Goed voorbeeld
De onderscheiding wordt gevierd, vertelt De Crasto, zowel in Nederland als op Curaçao. Want zijn zoon is daar nu. "Binnenkort ga ik naar mijn moederland, want ik ga elk jaar terug." Voor Helberg is de kunstenaar een goed voorbeeld van iemand die de erkenning verdient. "Hij heeft het gedaan voor waar hij in gelooft en als dat gezien wordt door andere mensen dan hoor je de blijdschap."

[RNW, 27 april 2012]

Vreemdelingen in het paradijs (14)

door Willem van Lit
 ·
In deze aflevering een uitdieping van het begrip nostalgie en de merkwaardige onwrikbaarheid van onderlinge relaties tussen de Caribische eilanden en Nederland. We komen hierbij overwegingen tegen van Ramdas, Finkielkraut, Naipaul, Broek en Mintz.

Ziekelijk heimwee
Je hebt historisch bewustzijn nodig om een voortdurend appel te doen op de herinnering van de vernedering, die – omgezet in een verondersteld positief verhaal – je trots moet laten zijn op de morele waarden van vrijheid en gelijkheid. Verondersteld is hier het idee van het eergevoel dat de herinnering moet voeden met het eergevoel zelf en het is juist dat eergevoel dat de herinnering ook weer groter moet maken en die een splijtzwam vormt in een samenleving die toch al tot op het bot gepolitiseerd is. De geschiedenis en de voortdurende verwijzing ernaar met het appel op de geest van Tula en de opstand zullen op deze manier geen voedingsbodem vormen voor trots, patriottisme, vrijheid, gelijkheid of eensgezindheid: men verwijst immers naar de harde noodzaak van eeuwige strijd, de constante dreiging van onvrijheid, de gespletenheid en de immer dreigende nederlaag en dit in het nare mechanisme van voortdurende wederzijdse beschaming. Het gaat niet om de positieve uitingsvormen van de thymos, maar het aanwakkeren van de woede. Het is sowieso de vraag of de oproep voor een collectieve herinnering zal leiden tot een constructieve aanpak van de problemen. Balkenende verwijst naar de dreiging van de teloorgang van het paradijs dat in de VOC-geest zou huizen. Dit is een verwijzing naar een verondersteld glanzend verleden. Op Curaçao verwijst men met de slavenopstand naar het paradijs van verzet, opstand en woede om onrecht en verdrukking.



Beide verwijzingen zijn historisch te verifiëren. Er is documentatie over, maar men verwijst niet naar de feiten; men wil dat mensen zich verplaatsen in de geest van het gebeurde, abstracties dus. Men wil een collectieve herinnering aan grootsheid of verdrukking construeren. Het is de perceptie van het verleden op eer-, wraak- of woedegevoelens. Dát wil men oproepen. Beide verwijzingen zijn daardoor even grote illusies en zij doen een appel op beweging, actiebereidheid, een politiek appel: “neem een voorbeeld. Kom op en vécht”!

Ramdas signaleert dit ook. Hij beredeneert het in navolging van Naipaul en zegt dat creolen in het hele Caribische gebied mensen zijn die “gebukt gaan onder een pathetische nostalgie”, ziekelijke heimwee. Creolen, dat zijn mensen van de Afro-Caribische bevolkingsgroep. Het is het schijnbaar eeuwig stigma van de slavernij dat er brandt. Dat zagen we al bij Finkielkraut in dit hoofdstuk, die het had over de tragiek van Amerika. Ramdas schrijft: “Ze verontschuldigen zich voor hun hopeloze toestand, voor hun gebrek aan daadkracht, discipline en doorzettingsvermogen, door middel van een historische verklaring. Ze bespelen een sentimenteel soort broederschap, die hun de goedkope sensatie geeft tot Afrika te behoren: ‘the cheap thrill of being African’”.[1] Het gaat dus niet alleen om de distributie van de woede, maar ook om de lethargie.

Vaersenbaai


Hij zegt dat Naipaul hiermee kwetsende observaties geeft, die wel scherp zijn. Er zijn Afro-Caribische mensen die nog steeds roepen dat ze door de slavernij zelf momenteel in ellendige situaties terecht zijn gekomen en zij achten zichzelf nog steeds uitgebuit. Het gaat dan om die pathetische nostalgie die “een ongelooflijk dom instrument (is), omdat men ervaringen van anderen uit het verleden overplant naar het eigen machteloze bestaan in het heden. Het collectieve geheugen wordt omgezet in een persoonlijk geheugen, herinneringen van vroegere generaties worden toegeëigend, en dat kan nooit meer opleveren dan banale leugens”. [2]

Deze ziekelijke nostalgie wordt dan door nationalisten misbruikt: men viert het verleden door de heimwee naar de ellende. “Niet de zakelijke onthulling, maar de gepassioneerde verheerlijking van het verre verleden in het land van de voorouders was het doel”. En vooral nationalisten bespelen dit instrumentarium. Zoals Balkenende verwijst naar een veronderstelde grootse VOC-geest, zo verwijzen onder andere Curaçaose nationalisten naar glorieuze slavenhelden. “Nationalisten zijn sowieso goed in het aanwenden van collectieve herinneringen van vorige generaties voor persoonlijke doeleinden. Nationalistische intellectuelen zijn daarom bijna altijd leugenaars”. [3]

Neurose van roerloosheid
Het staat buiten kijf dat wij het verleden van slaven, onderdrukking en het geweld dat bij deze of andere vormen van dwangarbeid werd gebruikt, als humanitaire ramp nooit mogen vergeten. Dat staat voorop. Er zijn echter mensen die op de draai van dit historische gegeven roerloos tegen de wand gekleefd blijven. Zij zeggen dat ze nog veldslaaf of huisslaaf zijn. Ze maken constant vaste omwentelingen op verheerlijking, lethargie en racisme. De verhoudingen zijn in steen gekapt en de tragedie van de herinnering, zoals Finkielkraut het ook noemt, die door verschil in huidskleur wordt bevestigd, is in onuitwisbare inkt geschreven. Wij hangen in de pathetische omhelzing om elkaar heen: dat was zo, dat is zo en dat zal ook zo blijven.



Broek zet de tegenstelling uiteen door het thema van de politieke correctheid.[4] Hij zegt dat er decennialang zowel op de Caribische eilanden als in Nederland sprake is (geweest) van politiek correct handelen en spreken. Hierdoor hebben beide partijen elkaar onaanraakbaar gemaakt. Ikzelf heb ook al eerder geschreven dat men in Nederland al eeuwenlang bijna niets weet van de Caribische bestaan van het koninkrijk, alsof er een continu vacuüm van onverschilligheid heerst. Aan de Antilliaanse kant wordt de gedachte aan de verdeelde wereld in termen van de onderdrukte en onderdrukker als enige eenvoudige waarheid voortdurend onder de aandacht gebracht. De Afro-Caribische cultuur is dé cultuur voor de eilanden, zo zeggen velen. Men plaatst deze als authentiek en puur tegenover het westerse stelsel met een scherpe etnische tweedeling als splijtzwam.[5] De schuld en de schaamte zijn duidelijk verdeeld en dit houdt de situatie in stand.
Aan gene zijde van de oceaan – het Europese deel – wilde men zich echter absoluut niet bemoeien met de Caribische situatie. Nederland stuurde jarenlang aan op dekolonisatie onder andere in de stroom van het proces van onafhankelijk worden van Suriname. Als dát niet zou lukken – en dat lukte ook niet – dan moesten we streven naar een “volmondig eerbiedigen van de autonomie”. Broek zegt hierover verder: “De dreigende bestempeling met ‘racist’, ‘koloniaal’ of ‘reactionair’ door de talloze poortwachters van het correct denken waren voldoende om bij Nederlanders de eventuele neiging tot stemverheffing te onderdrukken. Het moet geconstateerd worden, dat zodoende het racisme van de Antilliaanse ideologie onbesproken bleef door (potentiële) Nederlandse critici te betichten van racisme”. En aan een dergelijke kwalificatie ontsnapt men nooit meer als iemand die een ‘fatwa’ heeft uitgesproken, zoals ik eerder heb laten zien aan de hand van de literatuurbesprekingen van Finkielkraut eerder in dit hoofdstuk. In samenhang met dit politiek correct willen zijn kwam een tevens een strikt cultuurrelativisme mee. Elke cultuur is in elk opzicht evenwaardig en kritiek op elkaars wereld en waarden getuigt van verwerpelijk dominant gedrag en minachting. Dit bevorderde de politiek van het vermijden van conflicten. Alles moest ingepast worden in het model van goed overleg, medezeggenschap en gedogen. Kritiek is onbestaanbaar en hierdoor ontwikkelt zich een verhouding die door angst en onwil wordt gevoed[6]. Finkielkraut zegt dat dit ook wel schijntolerantie kan worden genoemd. Het verdrijft de geest van het racisme niet; het krijgt er juist nieuwe energie door.


Neo-slavernij in Oost-Afrika
Door de hardnekkige duurzaamheid van deze wederzijdse houding waarbij men het waanidee van gelijkheid van partners in het koninkrijk angstvallig in stand hield, ontstond nieuwe afhankelijkheid. Het was de afhankelijkheid van de “gunst”, zoals Broek dat ook noemt. De Antillen bleven om pragmatische redenen bij het koninkrijk. Dit pragmatisme wordt ingegeven door (voortdurende) financiële hulp en onder andere het kunnen beschikken over een Nederlands paspoort als toegang tot Europa, waardoor men – als het nauw wordt – de eigen situatie kan ontvluchten. Broek noemt die vorm van onderlinge afhankelijkheid een bestendiging van de koloniale verhoudingen, opgeroepen door de factor gunst, een “significant koloniaal element”[7]. De afhankelijkheid van de Caribische eiland is gunstverlening en dat in dezelfde verhouding of mechanisme dat aan de basis ligt van de verhouding meester – knecht óf tussen de zich superieur voelende en acterende Nederlander en ondergeschikten. In de ban van politieke correctheid blijft dat mechanisme in stand. Dit zorgt voor de bestendiging van de problematische verstrengeling. Nederland kan niet op een fatsoenlijke manier – lees: eigenlijk de Europese politiek correcte manier – afscheid nemen; de Antilliaanse eilanden willen om pragmatisch redenen niet loslaten, terwijl men wel schimpend en scheldend blijft over de erfenis van slavernij en (neo)kolonialisme. Juist het complex van de traditionele politiek correcte houding laat toe dat het overmatig schreeuwerige deel van Antilliaanse politici en opinieleiders van voornamelijk Afro-Caribische afkomst hun gang kunnen gaan. Een dergelijke houding straalt af op voornamelijk jonge Curaçaoënaars die dit als voorbeeld voor hun gedrag aannemen, zo betoogt ook Broek. De pathetiek van de verstrengeling versterkt zichzelf.



(wordt vervolgd)

[1] Ramdas, Heimwee, pag. 19.

[2] Ramdas, Heimwee,  pag. 19.

[3] Ramdas, Heimwee, pag. 20

[4] Broek, Voorbij schuld en schaamte: naar ongedeeld Nederlanderschap.

[5] In dit verband is het ook interessant te kijken naar wat Sidney W. Mintz zegt. Bij de migratie naar het Caribische gebied ging het aanvankelijk en zeker tot in de 17e eeuw vooral om Spanjaarden. Pas later kwamen Noord-Europeanen (Fransen, Engelsen, Nederlanders of Scandinaviërs) naar het gebied. “Outsides the hispanophone societies, these newcomers were mainly distinguished by their lack of interest in remaining permanently in the region. (…) In striking contrast, the non-Hispanic islands (which began to be colonized by other Europeans after 1625) were typically represented by people who came ‘to make a killing’ before returning home”. Hij zegt verder dat afstammelingen van oorspronkelijk Spaanse immigranten zich in later eeuwen geen Spanjaarden meer voelden. Dit proces is doorgegaan tot op heden. Cubanen, Puerto-Ricanen en Dominicanen voelen zich echt Cubaan, Puerto-Ricaan en Dominicaan. Dit is veel minder het geval geweest op andere eilanden, zoals Jamaica of Martinique. Dit geldt natuurlijk ook voor de Nederlands Caribische eilanden. Ook Nederlanders waren veelal passanten. Hierdoor bleef enerzijds de band met het “moederland” afstandelijk (en dus ook relatief onverschillig), anderzijds verklaart het ook deels hoe het komt dat de eilanden waar Fransen, Engelsen en Nederlanders de scepter zwaaiden, relatief veel later onafhankelijk werden of het nog steeds niet zijn. Voorts maakt Mintz een scherp onderscheid tussen ras en volk. Hij zegt dat rassen sociaal-geconstrueerde categorieën zijn en dat volk een begrip is waarbij mensen door voortdurende reproductie zich voornamelijk cultureel onderscheiden. “Ethnic difference, plantation sameness”, pag. 43 in de bundel onder redactie van Gerr Oostindie, Ethnicity in the Caribbean, Essays in Honor of Harry Hoetink, Warwick University Caribbean Studies, uitg. MacMillan Caribbean.

[6] Broek, Voorbij schuld en schaamte: naar ongedeeld Nederlanderschap, pag. 5.

[7] Broek, Voorbij schuld en schaamte: naar ongedeeld Nederlanderschap, pag. 7/8.

Ellen Ombre


Portret van de Surinaamse schrijfster, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 18 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Een uiteenzetting van de winti-leer

door Joop Vernooij

Juliën Zaalman heeft zes boeken geschreven over Surinaamse winti, voornamelijk in romanvorm of als biografie. In zijn nieuwe boek, A Nyame, pakt hij het anders aan. Hij geeft ‘Een uiteenzetting van de Winti-leer’, min of meer formeel, logisch en systematisch.

Zaalman presenteert een uitgebreide proloog onder de titel ‘Er was geen leven en toen was er leven’. Het is een verhaal over het begin van het leven in ‘Nengre-kondre’. Daarin wordt de wereld van dit boek symbolisch voorgesteld.


A Nyame is, volgens Zaalman, Eeuwige Levenskracht, Eeuwige Geest, Eeuwige Macht, Volmaker en Volbrenger, Bestaan en Leven. Die eeuwige kracht van A Nyame uit zich op drie manieren in Het Zijn: als Nyamzangi (1), als Nyamkemponu (2) en als Odumankama (3). Ik ben deze begrippen in dit kader nog niet tegengekomen. Maar wellicht komen die uit het erfgoed van Zaalman. Daarmee tonen we tegelijk een kleine moeilijkheid voor Zaalman en voor ons. Hij hanteert overwegend Nederlands, een beetje Sranan en - laten we het zo noemen - winti-tongo. Hij leeft dus in drie werelden en dat moeten we ook doen om hem te kunnen begrijpen.

Dat Zaalman een poging doet de winti-leer uiteen te zetten voor een breder publiek is een grote verdienste. Zeker in het kader van de interreligieuze dialoog waarmee Suriname zoveel ervaring heeft en andere mensen kan voorgaan. Het is de winti-leer van Juliën Zaalman.

  
Inhoud

Het boek A Nyame is merkwaardig samengesteld. Na de inleiding volgt het eerste hoofdstuk en dat is alleen de spreuk ‘A / ben de / bifo, / bifo / Bende / ben de’ (p. 27). De volgende pagina geeft een uitleg van ‘Bende’, van het veband tussen het ontstaan en het bestaan.

In hoofdstuk 2 staat het ook op één pagina in de vorm van een gedicht en is wat langer: ‘A / Nyame / Na En ben de bifo, bifo / sani di de / ma / na En / na sani di de // Het was voor Het Zijn er was / en is Het / AL’.

Niet bijzonder spectaculair, maar toch. Zaalman legt uit wat hij verstaat onder A Nyame, de eeuwige geest, macht en levenskracht. In hoofdstuk 3 gaat het ook over A Nyame en worden de drie manieren van het zijn uitgelegd: Nyamzangi (scheppend vermogen), Nyamkemponu (vermogen van levensbesef) en Odumankama (het besef, de tegenstelling en het geweten). Je denkt: dat schiet goed op. Maar dan begint hij in hoofdstuk 4 (pp. 35-144, verdeeld in elf onderdelen, 4.1 tot en met 4.11) met ‘Het geestelijk concept van de mens’. Zaalman geeft uitleg over zijn leer, in 4.1 middels een serie alinea’s (a tot en met u), goed onderscheiden en overzichtelijk. Dat is zijn methode want het volgend onderdeel (4.2) heeft alinea’s van a tot en met w., enzovoort. In dit hoofdstuk komt Anana als de Kracht-Anana ter sprake, evenals de Nana.

Hoofdstuk 5 geeft ons een lied tot de Gran Yeye. A Nyame laat zich bezingen als een eeuwige geest (p. 144). Hoofdstuk 6 gaat in op ‘De geestelijke kracht’, terwijl hoofdsuk 7, met de titel ‘Nyamkemponu-Akara’, ‘De mens in Het Zijn’ en ‘De loop van het menselijk leven’ behandelt (pp. 170-211). Het 8ste hoofdstuk gaat over ‘Akara en Nyamzangi’ en sluit af met gedachten over ‘Asamankama - werking van de dood’.

Hoofdstuk 9 behandelt de zeven manieren om goed te leven (zeven manifestaties van Nyamkemponu-Akara, terwijl de naam van Akara de toegang van de Nana tot Nyamkemponu is).

Hoofdstuk 10 beslaat één pagina en gaat over ‘Bifo a ben de - Voor het er was’. De uiteenzetting eindigt met een reflectie op ‘Het nageslacht’ (hoofdstuk 11).

Het geheel samenvattend behandelt Zaalman het thema van wat winti-religie (iets anders dan winti-leer!) met het leven te maken heeft. In zes pagina’s doet hij dat middels een aantal korte stukjes. Dat is het systeem van het hele boek, best moeilijk en vaak nogal abstract, totaal bijna 400 pagina’s.

Zaalman sluit af met gedachten over ‘De geestelijke huishouding’, met een ‘Begimofo’ en met ‘Waarin we geloof moeten hebben/ Ini san unu musu bribi’. Hij voegt een legenda toe en vermeldt enkele bronnen voor dit werk.

  
Voorbeelden

Ik wil enkele voorbeelden geven van gedachten uit de winti-leer om aan te tonen dat Zaalman geen gemakkelijk boek presenteert.

‘Goed of kwaad wordt in het dagelijks leven gedragen door de Nana die dat ondervindt dankzij de invloed van Odumankama-Akara’ (p. 200).

‘In de vrije natuur kan de Nana voldoen aan wat zijn verbeeldingskracht aangeeft, wat te moeten doen om de zaken die hem treffen betekenisvol aan te pakken.’ (p. 246)

‘Doodgaan betekent voor de overledene alles verliezen en het grootste verlies is zijn leven, zijn akara. De Nana raakt de zin van leven met alle beslommeringen van de dag kwijt. Hij is niet meer in staat om zijn lichaam te voelen.’ (p. 286)

‘Het leven kent vele herhalingen, van zaken die zich gisteren, eergisteren of eerder hebben voltrokken. Gebeurtenissen en daden die zich in het heden afspelen, vertonen over vrijwel de gehele linie overeenkomsten met gebeurtenissen en daden die zich in het verleden hebben voorgedaan.’ (p. 363)

Moeilijke teksten, iets voor meditatieboeken in welke richting dan ook. Het is een studieboek maar dan nog verwijzen vele accenten naar andere accenten in deze winti-leer.



Bronnen

Zaalman verwijst naar wat zijn bronnen zijn: het leven: dat is altijd een goede bron. Ook naar zijn eigen publicates en gesprekken met vele bonuman, en tata Tinsensi en tata Brofibrokama. Naar mijn mening zijn nog vele andere bronnen te gebruiken. Deze afscherming van de kennis van de Winti-leer is voor mij ondenkbaar.


Karakter

Deze studie heeft naar mijn idee het karakter van een filosofische benadering. Het gaat om de mens die zich een positie moet zien te verwerven, om wat de mens beweegt of zou moeten bewegen. Vaak heeft het betoog ook het karakter van een positieve zedenleer: hoe te handelen naar best vermogen. Kortom, een moksi. Het heeft ook wel iets weg van een ingewikkeld, onzichtbaar netwerk van maakbaarheidsmodellen van mensen, gedachten en werelden.

Juist op het moment van het maken van deze recensie ontving ik het boek van de dichter, literator en forensisch psychiater Antoine de Kom, dat als titel heeft Het Misdadige brein. Over het kwaad in onszelf (Querido, 2012). Daarin dus de presentatie van een heel ander soort denken over de mens zelf, dan Zaalman presenteert.

Juliën A. Zaalman: A Nyame. Een uiteenzetting van de Winti-leer, 407 pp., omslagontwerp: Jennifer Shields, print en afwerking: Office World. Paramaribo: Stichting Tata Kwasi Ku Tata Tinsensi. ISBN 978-99914-7-164-8


Romana Vrede: Will

Toen de kunstbezuinigingen vorig jaar erdoor gejast werden kwam actrice en theatermaker Romana Vrede in actie en maakte de actuele, indringende en humoristische voorstelling Will over het belang van kunst in tijden van bezuinigingen. Zelfbeklag laat ze achterwege.
Vrede, die vaste speler is bij het O.T. Theater in Rotterdam, maakt in deze upbeat voorstelling inzichtelijk welke bedragen er door de huidige regering worden uitgegeven aan zaken van algemeen belang (general will) en hoeveel en waarop bezuinigd wordt. Met humor, zelfspot, argumenten en persoonlijke pleidooien van de acteurs zet Vrede aan tot nadenken over wat we straks met zijn allen moeten missen.

Locatie: MC Theater, Kleine Studio, Amsterdam
Datum: donderdag 17 mei 2012
Prijs: € 7,50 / € 6,-

Vaderlandsliefde en melancholie in de poëzie van Pierre Lauffer (III)

door Henry Habibe


III. KANTIKA PA BIENTU 

 

In de derde bundel Kantika pa Bientu (Liederen voor de Wind) uit 1964 ligt het accent  - thematisch gesproken – niet op vaderlandsliefde. Lauffers poëzie ontstijgt hier het strikt lokale. De gedichten hebben – in tegenstelling tot de tweede bundel – een meer verhalend karakter gekregen. De anekdote is nu een belangrijke bouwsteen geworden. Er wordt hier en daar weliswaar een lyrische stemming gecreëerd, maar dat gebeurt aan de hand van een prozaïsch aandoende taal. Er vindt veel minder concentratie plaats, zoals gebruikelijk bij poëzie. Daardoor zijn de gedichten nu soms langer geworden. Dat neemt niet weg dat de taal beeldend blijft. Er zijn ook hier weer prachtige poëtische kunstgrepen en er is ergens zelfs een sinesthesie te signaleren. We zouden kunnen spreken van een narratieve of vertellende stijl. De thema’s zijn nu, over het algemeen gesproken, teleurstelling, bezwaard geluk, liefde voor de natuur, nostalgie en melancholie. Onder ‘melancholie’ wordt hier niet zomaar teleurstelling of ontgoocheling verstaan. Evenmin een simpel heimwee naar het verleden. Een groot aantal gedichten spreekt van verdriet en weemoed waarbij de dichter aan zijn dood denkt of zich wenst terug te trekken uit de wereld van de mensen. In ‘Di tur esnan ku den kaminda grandi’ (Van al degenen die op de grote weg) is hij bedroefd omdat zoveel bekenden allang verdwenen zijn. Hij is immers alleen achter gebleven. In weer een ander gedicht, ‘No fada si mi sigui ripití’(Word niet boos als ik maar blijf herhalen) bekent hij, berustend, dat hij uit ervaring de mensen moet mijden. In ‘Nokturno’ wordt zijn nostalgie (het gemis van zijn vroegere vrienden) op vrij lyrische wijze beschreven. Hij maakt een nachtelijke wandeling en wordt gekweld door gruwelijke gedachten. Wanhopig verlangt hij naar de tijd dat hij samen met zijn vrienden gedichten hardop reciteerde. Maar pas in ‘Mi ta stima e puñá di mi ruman melankolia’ (Ik bemin de dolk van mijn zuster, melancholie) komt de ware betekenis van melancholie tot uiting, zoals Lauffer die altijd heeft opgevat. In Kumbu was er ook al sprake van en wel in het kort gedicht, getiteld ‘Doló dushi’ (Zoete pijn), waarin de dichter spreekt over zijn ’lijden’. D.w.z., een ‘zoet’ lijden, zoals ook in de titel staat. In dit gedicht wendt hij zich tot zijn medemensen en smeekt:‘Ontneem mij niet het genot om te lijden!’. Het betreft het thema zoals wij het ook bij de Nederlandse dichter Jan Slauerhoff tegenkomen: het lijden als iets heerlijks ervaren en het zichzelf wondend behagen in het vergaan. Het genot dat de melancholie hem altijd verschafte, heeft Lauffer in `Mi ta stima e puñá di mi ruman melankolia’ in prachtige beelden beschreven. Had de dichter het in ‘Ausencia’ (Patria) alleen maar over zijn graf als ‘een toestand van rust’ en over het zich voelen als ‘een door de wind losgerukt blad’, nu wordt uitvoerig ingegaan op het genot ervan. De vertaling in het Nederlands luidt:

         Ik bemin de dolk van mijn zuster, melancholie,
         die ik blindelings volg tot de plek
         waar ik aan mijn hersenstam
         bloemen met zwarte blaadjes zie uitbotten:
         zwarte, droeve, fluwelen blaadjes,
         elk versierd met tranen en druppels bloed,
         en opstijgend met de wervelwind
         overgaan in een zwerm fregatvogels
         tegen een loden hemel.

         En gelaten ga ik liggen, met ontblote borst,
         volkomen helder nog,     
         om zachtjes aan doorboord te worden,
         terwijl ik bedolven word
         onder een regen van zwarte bloemen
         en het gekrijs van de fregatvogels
         door de stilte van de mondi snijdt.

         Een ademtocht word ik,
         een wolk, ijle rook
         die het lijk van zijn smalle schaduw           
         door droog, rotsachtig landschap sleurt.                                  
         In een desolate vlakte zal ik mij bouwen
         een kerkhof van herinneringen,
         waar ik elegieën zonder refrein kan gillen.
         Melancholie, geliefde, zuster en meesteres,
         welke vrouw kan jouw charme evenaren? (12)

Was het gedicht ‘Doló dushi’ gebaseerd op het simpele beeld van een roos, waarvan de dichter zei dat hij die ‘uit de as van zijn leven opgegraven had’, in het langere gedicht uit Kantika pa Bientu is het beeldenspel rijker geworden. De morbide sfeer die hier gecreëerd wordt komt tot stand aan de hand van beelden als ‘zwarte bloemen’, ‘loden hemel’ en ‘een ijle rook die het lijk van zijn smalle schaduw door droog en rotsachtig landschap sleurt…’. Heel sterk is, overigens, het beeld van ‘het bouwen van een kerkhof van herinneringen’. Terwijl de ik in ‘Doló dushi’ als het ware een beroep deed op de voorbijgaande mensen, richt hij zich nu tot zijn innerlijke melancholische toestand, die hij zijn ‘geliefde zuster en meesteres’ noemt en wel met het verzoek om hem met haar dolk te doden. Zoals de eerder opgegraven roos uit het tot as vergane leven als een genot ervaren werd, zo worden nu op min of meer paradoxale wijze het leed en de smart als een toestand van gelukzaligheid voorgesteld.

[wordt vervolgd]

Premiérefeest Marley in Kriterion


Op donderdag 10 mei gaat Kevin Macdonald’s langverwachte documentaire Marley in première in Kriterion in Amsterdam. Rootical Vibrations en Yard Vibes zijn erbij voor het premièrefeest op vrijdag 11 mei! Kom ook eten, drinken, relaxen, dansen en dominoën in Jamaicaanse stijl – en natuurlijk film kijken. Marley draait deze vrijdag zelfs twee keer, een keer in de namiddag (om ca. 16.45 uur) en een keer in de vroege avond (om ca. 19.30 uur). Vanaf 18.00 uur tot laat kun je tevens genieten van Rose’s Jamaican soulfood (als diner of snack). En uiteraard gaan we tot in de late uurtjes door met een reggae afterparty inclusief live optreden en verschillende sound systems.

Datum: vrijdag 11 mei 2012
Tijd: 16.45-03.00 uur
Eten: Jamaicaanse soulfood van Planet Rose (www.planetrose.info) vanaf 18.00 uur tot laat
Film: Marley (eerste vertoning rond 16.45 uur, tweede vertoning met inleiding rond 19.30 uur)
Live optreden: Mama Franko rond 22.00 uur
Sound Systems: Sangue Bom, Radical HI-FI, Wazari Soundsystem, Boston Strip Soundsystem en Drunken Lion Soundsystem (van 23.00-03.00 uur)
Extra: Foto-expositie Trinidad & Tobago Carnival van Kerron Riley (http://kerronriley.me/) Locatie: Kriterion (Roetersstraat 170, Amsterdam Tickets: film = €8,50 (€7,50 met korting) |
afterparty = gratis
Reserveringen: 020 623 17 08 of via www.belbios.nl RSVP: http://www.facebook.com/caribbeancreativity

Dit evenement wordt mede mogelijk gemaakt door Caribbean Creativity, Each One Teach One, Sound System Culture en ZAM Magazine.

Onderste foto: Danilo Deo

Frank Martinus Arion



Portret van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 17 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Opera Fatu Doro


door Carry-Ann Tjong-Ayong

Thalia brengt ter gelegenheid van haar 175ste verjaardag een opera. De regie, het libretto zijn in handen van de getalenteerde Alida Neslo. De perfect uitgevoerde muziek is van Pablo Nahar, Liesbeth Peroti en Marcia Reumel. Er is ook een fragment uit de Sroto Symfonia van Herman Snijders te horen.

Alida Neslo heeft hiermee bewezen dat Thalia en Suriname toe zijn aan nieuwe artistieke uitdagingen. De eerste Surinaamse opera  gebaseerd op een maatschappelijk probleem, de vrijlating van een criminele jongere en zijn vader uit de Santo Boma gevangenis en de moeizame terugkeer naar de maatschappij.

In 14 Bewegingen die parallel lopen met de 14 Kruiswegstaties van Jezus  wordt het verhaal van Ogri Boy weergegeven. Voor het libretto werd gebruikgemaakt van waargebeurde feiten, die werden opgeschreven door jongeren van het Resocialisatieproces te Santo Boma. Herkenbaar voor de toeschouwer, zoals de 300 seniore burgers die de generale repetitie bijwoonden opmerkten.

Het complexe stuk vraagt er eigenlijk om meerdere malen te gaan kijken en luisteren. Dan vallen pas de teksten op die als inspratiebron psalmen hebben, de toegevoegde teksten van Ignatius de Loyola, de Stabat Mater en de Westafrikaanse schrijver-filosoof A. Hampate B. Uit alle Surinaamse culturen zijn de invloeden merkbaar.

De hoofdrollen worden vertolkt door de speciaal uit Nederland overgevlogen Guy Sonnen (De Vader); Clinton Kaersenhout (De Zoon); Sandra Goedhoop (De Moeder). Tolin Alexander heeft een intrigerende rol als De Schaduw, die alle 14 Bewegingen met elkaar verbindt. Het koor, geleid door Mavis Noordwijk, zingt prachtig.

Alida Neslo laat zien hoe je met een minimum aan middelen decor en costuums overtuigend kan waar maken. De muziek ondersteunt het geheel volkomen.



Cat 29/4 2012

Karin Amatmoekrim geeft eerste Clark Accord lezing

Op 11 mei 2012 is het precies een jaar geleden dat Clark Accord overleed. De Surinaams-Nederlandse Accord was niet alleen een van de meest geëngageerde maar vooral ook een van de meest geliefde schrijvers van zijn tijd. Op 11 mei vindt daarom een bijzondere avond plaats, waarbij zijn leven en werk gevierd wordt.

Tevens vormt de avond de aftrap voor een jaarlijks terugkerende evenement, met dit jaar de eerste officiële Clark Accord lezing, gegeven door Karin Amatmoekrim, schrijfster van Het gym. Amatmoekrim zal ingaan op de betekenis van Accords werk voor de Nederlandse postkoloniale literatuur.

Vervolgens spreekt Tanya Jadnanansing (PvdA Tweede Kamerlid). Verder op het programma: optredens van Awydia, Rajae el Mouhandiz en bijdragen uit de musicals Koningin van Paramaribo en Bingo! .

Vrijdag 11 mei, 19.30 – 21.30 uur, Theater van ’t Woord – Openbare Bibliotheek Amsterdam.

zondag 29 april 2012

Shrinivási


Portret van de Nederlands-Surinaamse dichter Shrinivási, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 16 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Shrinivási - Een bruine zandweg

voor de scholieren van Nickerie


Een bruine zandweg,
scholieren, twee
babbelen
fietsen
binnen de brasa
van de milde morgenzon

Verdwijnen
om de bocht…

De bruine zandweg
draagt hun jeugdig spoor
hun luide lach
hun taal en wensen
en toekomstig leven


[te lezen op het WIN-gebouw (het voormalige CCN) in Nickerie; te verschijnen in Shrinivási's nieuwste bundel, Hecht en Sterk, dit jaar bij In de Knipscheer]


Een Surinaamse held gestorven

Eelo Gitz, Surinaams-Nederlands WO2-KNIL-vaandrig, verzetsstrijder, luitenant-generaal: Officier in de Orde van Oranje-Nassau, Verzetsster Oost-Azië 1942-1945.


[NRC Handelsblad, 18 april 2012]

zaterdag 28 april 2012

Giselle Ecury - paradise regained

ik was weggebracht door wind
en uitgewuifd door palmen
cactus stak een laatste maal
haar hand omhoog naar mij

toen zoende zon me met vurige lippen
en hitte omhelsde me klam
warm wiegde ze mij in haar armen
streelde heel zacht mijn gezicht

zee likte lauw aan mijn voeten
zo blauw op mijn netvlies gebrand
zout zong hij zich naar de diepte
zei schuimend: vaarwel, je komt terug



Foto: @ Jasmine Djebels

Oorlogsveteranen van Suriname

Dat Suriname een belangrijke rol heeft gespeeld in WOII is evident. Zo leverde Suriname meer dan 60% van het bauxiet die als grondstof diende voor het vervaardigen van militaire vliegtuigen in de VS. Honderden jonge mannen én vrouwen gingen als vrijwilligers en dienstplichtigen het leger in. Bekend zijn de Surinaamse gunners, die dienst deden op de marine- en koopvaardijschepen van het KNSM. Daarnaast gingen er ongeveer 400 Surinaamse militairen (mannen en vrouwen) naar Oost-Indië om te vechten tegen de Japanners. Velen keerden niet terug van het slagveld in Nederlands-Indië of Europa. En niet te vergeten de Surinamers die hun leven in het verzet gaven en zij die vanwege hun joodse etniciteit niet terugkwamen uit de concentratiekampen. Enkele jaren later werden dezelfde militairen die na hun demobilisatie in 1946 waren afgekeurd opnieuw goedgekeurd en ingezet voor de VNmissie in Korea(1950-1953). Ook tijdens deze missie sneuvelden en raakten Surinamers gewond op het slagveld bij Pusan in Korea.

Over de inzet en de ervaringen van de Surinaamse militairen is helaas vrij weinig bekend. Wie waren die militaire vrijwilligers die over zee gingen? Wat gebeurde met die jonge jongens en meisjes die in het zuiden van Amerika (bijvoorbeeld Florida) werden geconfronteerd met segregatie? Wat gebeurde met hen op de slagvelden? Hoe heeft die oorlog hun jonge levens direct beïnvloed? Wie waren de Surinamers die In Nederland in het verzet gingen? Welk effect had de Koreaanse-oorlog op die jongens die na hun Nederlands-Indië ervaring voor nog een ‘tour’ bijtekenden? Hoe hebben de ervaringen het verloop van hun verdere leven beïnvloed?

Auteur: Jules Rijssen
ISBN 9789460221729
Pagina's: 128 pagina's
Prijs: € 24.50
Uitgever: KIT, Amsterdam

Nanzi in de polder

Fred de Haas blikt in deze woelige tijden die worden gekenmerkt door allerlei politieke streken eens terug op het leven van meesteroplichter Nanzi, naar aanleiding van de verhalenbundel Compa Nanzi’s Capriolen van Joan Leslie.


De verhalen van Nanzi maken onlosmakelijk deel uit van het Caraïbisch erfgoed. Tienduizenden Caribeños hebben als kind ademloos geluisterd naar de streken die de Afrikaanse Spin uithaalde met mensen en dieren die vaak groter waren dan hijzelf.

In 1952 verzamelde de Curaçaose onderwijzeres Nilda Jesurun Pinto een dertigtal Cuentanan di Nanzi die een eerste heruitgave beleefden in 1965.

De toenmalige Inspecteur van Onderwijs, de heer P.T.M. Sprockel (every inch a gentleman) bedankte Nilda Pinto in zijn voorwoord voor het feit dat zij de kinderen weer in contact had gebracht met de producten van hun eigen cultuur: ‘Hopi anjanan largoe nos a poerba di laga toer cos coe ta netamente Antiano for di nos ensenjanza. Pero semper tabatin algun persona coe tabata sinti coe e rumbo di nos educación mester di un cambio. Un di nan tabata senjorita Nilda Pinto’ (Jarenlang hebben we ons best gedaan om alles wat echt Antilliaans was buiten ons onderwijs te houden. Maar altijd was er wel iemand die aanvoelde dat ons onderwijs een verandering van richting nodig had. Een van die mensen was Juffrouw Nilda Pinto). Aldus Tirso Sprockel in 1965!

De door Nilda Jesurun Pinto verzamelde verhalen zijn in 2005 nogmaals ondergebracht in de tweetalige Curaçaose prachtuitgave Kon Nanzi a nèk Shon Arei (Hoe Nanzi de Koning beetnam). In 2011 is Nanzi, ditmaal vrijwillig, de Oceaan overgestoken om nieuwe streken uit te halen in Nederland in Compa Nanzi’s Capriolen van Joan Leslie (foto).

Wie kent niet de naam van dat gemene spinnetje dat zonder al te veel kleerscheuren de overtocht maakte van West-Afrika naar de andere kant van de Atlantische Oceaan om zich voor altijd te nestelen in het Zuiden van de Verenigde Staten en het Caraïbisch gebied?

Natuurlijk was de gedwongen emigrant Nanzi liever bij zijn voorouders in Afrika gebleven, maar veel keus had ie driehonderd jaar geleden niet. In de ‘Nieuwe Wereld’ vestigde hij zich in het geheugen en het verhaaltalent van de talloos velen die met hem de oversteek maakten om eeuwenlang te worden verkwanseld aan Europese kooplui en plantagehouders: mensen die heden ten dage deel uitmaken van een nieuwe Creoolse samenleving.


Overal in het Caraïbisch gebied duikt Nanzi op. Ook op de Antillen, waar zijn schavuitenstreken in de 20e eeuw werden opgetekend door de – jong gestorven –  Curaçaose onderwijzeres Nilda Jesurun Pinto in haar Cuentanan di Nanzi (1952), waarvan ik een publicatie uit 1965 vóór me heb liggen. Nanzi en zijn gezin kijken me vanaf de omslag schalks aan, gezeten op de rug van die onnozele Cha Tiger, de tijger.

Het boekje van Nilda Pinto heeft de basis gevormd van de latere tweetalige prachtuitgave Kon Nanzi a nèk Shon Arei / Hoe Nanzi de Koning beetnam (Zirkoon Uitgevers, Amsterdam, 2005), waarvan de Nederlandse tekst werd verzorgd door Wim Baart en Lieke van Duin en de Papiamentse tekst werd gemoderniseerd en omgezet in de nieuwe Curaçaose spelling door Sidney Joubert en Hubert Lemmens. Ook de Arubaanse schrijfster Joan Lesley werd door de figuur van Nanzi geïnspireerd tot het schrijven van haar Compa Nanzi’s Capriolen, waarover straks meer.



Nanzi: spin of mens?

In verhaal no. 28 uit het boekje van Nilda Pinto (‘Com aranja a nace na Corsouw’) en in het eerste verhaal van de luxe uitgave uit 2005 (‘Kon araña a nase na Kòrsou / Hoe de spin op Curaçao geboren werd’) wordt de lezer definitief op het verkeerde been gezet. Uit dit verhaal blijkt dat Nanzi zijn vrouw en kinderen per ongeluk op magische wijze in spinnen verandert. Maar het antwoord op de vraag of Nanzi zelf óók een spin wordt blijft, merkwaardig genoeg, in het midden en wordt overgelaten aan de tekenaars en illustrators. In het boekje van Nilda Pinto is Nanzi een spin, maar in de uitgave van 2005 stellen de tekenaars Nanzi nu eens als mens voor (Hans Leydekkers), dan weer als mens en als spin (Doesjka Bramlage), als een soort ‘alien’ met spinnenpoten (Capricorne), als gestyleerde spin met een jongenskop en haaientanden (Marenthe Otten) of als een fantasiefiguur met spinnenpoten (Anton Vrede). Doesjka Bramlage en de illustratrice Mirelva Romano komen het dichtst in de buurt van de illustraties uit het boekje van Nilda Pinto uit 1965. De naam van de illustrator uit 1965 wordt – slordig genoeg -  niet duidelijk vermeld in het boekje. Waarschijnlijk is het een zekere Dalenoord.


Nanzi’s karakter

Elk kind moet lachen om de streken van Nanzi, maar op de keper beschouwd is Nanzi allesbehalve een prettige figuur. Hij is hebzuchtig, lui, impulsief, vals en gemeen. Hij is een rasoplichter, een moordenaar en een huichelaar die niet aarzelt om vrouw en kinderen te bedriegen en te bestelen als hem dit goed uitkomt. Hij is de ideale figuur om alle -  latent aanwezige - slechte eigenschappen die in elk mens huizen te verpersoonlijken. En als de verhalen goed worden verteld of voorgelezen hebben ze een geweldig louterend effect. Ze zijn echter minder geschikt om alleen maar gelezen te worden. Daarvoor zijn ze vaak te flauw en gaan daardoor snel vervelen. Ze hebben echt de saus van de voordracht nodig. Maar sommige verhalen zijn ook leuk om te lezen zoals ‘Cha Nanzi en Temekú-Temebè’ (p. 57, uitgave 2005), ‘Hoe Nanzi de duivel beetnam’ (p. 70, idem), ‘Een weddenschap van Nanzi’ (p.75, idem).



Nanzi op Curaçao

De verhalen die Nilda Pinto heeft verzameld spelen zich af op Curaçao. Nanzi is voortdurend bezig om geld en voedsel te organiseren, in de eerste plaats voor zichzelf en vervolgens voor zijn gezin, dat vrolijk en medeplichtig schranst en schrokt van het eten dat vader – meestal tot schade en schande van anderen - heeft weten te ritselen.

Je vindt in de verhalen om die reden veel verwijzingen naar planten, vruchten en gerechten uit de Curaçaose keuken: guave (sappige subtropische vrucht), zuurzak (idem), pompoen, kadushi (cactussoep), shimaruku (West-Indische kersen), empaná (vleesparteitje), warapa (tamarinde met water en bruine suiker), funchi (maïsmeel, water en zout), tutu (maïsmeel, bonen en spek), awakati (avocado) etc. Ook dieren als de chuchubi (een lijstersoort) en de warawara (een roofvogel) spelen een rol.

Als de dieren elkaar niet voortdurend streken zouden leveren zou je je in een Hof van Eden kunnen wanen. De slang, de tijger, de kat, de bok, de schildpad en de spin leven min of meer vreedzaam samen. Alles is mogelijk in dat ‘paradijs’. Nanzi gaat, als goed katholiek en behept met een CDA-achtige mentaliteit, op bezoek bij God en de duivel met wie hij op een ‘jij en jou’ basis omgaat. Nanzi gaat ook braaf met zijn vrouw en kinderen naar de katholieke vroegmis nadat hij even daarvoor een gemene rotstreek met iemand heeft uitgehaald.



Nanzi in de polder

De Arubaanse schrijfster Joan Leslie heeft Nanzi een nieuw jasje aangetrokken in een boek dat onlangs is verschenen bij Uitgeverij In de Knipscheer onder de titel Compa Nanzi’s Capriolen. De illustratie van Wendela de Vries op de omslag van het boekje is fraai, maar past meer op de omslag van een haute coutureblad dan op een boek over Nanzi.

In haar voorwoord schrijft Joan Leslie dat Nanzi in haar verhalen een mens is die niemand een kwaad hart toedraagt. Dit laatste wordt echter ruimschoots gelogenstraft in de verhalen zelf!


In Compa Nanzi’s Capriolen leeft Nanzi in onze moderne tijd. In Amsterdam nog wel. Het Sodom en Gomorra van de Nederlandse multiculturele samenleving! We worden meegenomen naar de wereld van de Blackberry, de GSM, bling-bling. Tante Es, piercings, tatoeages, koopavonden, Marco Borsato, de laptop, de Gouden Gids, Oprah Winfrey, de Voedselbank en Boer Zoekt Vrouw. We zitten midden in het multiculturele Nederland en er wordt ruim baan gemaakt voor spottende verwijzingen naar populistisch politieke partijen als ‘Trots op Nederland’. We komen ook een hybride ‘Rita Verburg’ tegen, een symbiose van de voormalige ministers Rita Verdonk met haar ‘valse lach’ en de truttig overkomende Gerda Verburg. Venijnige kritiek wordt geleverd op het huichelachtige begrip ‘Vrijheid van Meningsuiting’ dat wordt misbruikt om allochtonen te vernederen. Maar je kan in het boekje ook lachen om een verhitte discussie over de benaming ‘Negerzoenen’ (een prachtnaam voor een Hollandse met chocola omhulde lekkernij) die – zogenaamd -  als discriminerend wordt ervaren, maar door Rita Verburg met hand en tand wordt verdedigd. We discussiëren er vrolijk op los tussen de frikandellen, bitterballen, poffertjes, funchi, bakbananen, roti, oliebollen en tompoezen. Daartussendoor duiken ‘Geert’ en ‘Rita’ op van wie de eerste zich ‘ontheemd voelt in zijn eigen land’ en de tweede vindt dat ‘ze’ moeten ‘afblijven van onze (lees: Nederlandse) taal en cultuur’. En Nanzi doet een duit in het zakje door allerlei wraakzuchtige kunstjes te flikken zoals het stoppen van Tabasco-saus in de ‘Negerzoenen’, die daardoor net iets te pittig worden…Net goed voor Rita!

De personen in de verhalen luisteren naar halftropische schertsnamen als ‘Limousino Burrico (een chauffeur) en Shon Macho, Marokkaanse namen als Mevrouw Bouaza, onvervalste Nederlandse als Toos, Harrie, Jan-Peter (!) en Geert (!), maar we komen ook ouderwetse Curaçaose namen tegen als Cha Tiger (Heer Tijger), Shon Leon (Mijnheer de Leeuw), Compa Iguana (Kameraad Leguaan), Compa Tortuga (Kameraad Schildpad), Compa Chubato (Kameraad Bok), etc. Daarom is het soms moeilijk voor te stellen dat we met gewone mensen te doen hebben en niet met dieren.

Het boekje is, kortom, één grote satire  met oplichter Nanzi als leidende figuur.



Nanzi volgt een inburgeringscursus

Soms worden we in het boek ineens verplaatst naar Curaçao waar Minister ‘Rita Verburg’ zich over alles en nog wat uitlaat in minder vleiende bewoordingen. Zo heeft ze het over het Papiaments als ‘dat rare taaltje’. Rita noemt Nederland ook steevast het ‘moederland’ en belooft Nanzi een verblijfsvergunning in haar land als ie er blijk van geeft dat hij het Wilhelmus uit zijn hoofd kan zingen. Nanzi laat zich dat geen twee keer zeggen en grijpt zijn kans. Bij aankomst op Schiphol doet hij een sjerp om, zwaait met een oranje vlag en zingt uit volle borst het Wilhelmus. Rita geeft hem vervolgens een verblijfsvergunning. Ze is immers ‘recht door zee’.

Eenmaal in Nederland houdt Nanzi zich vaak braaf aan de wet en volgt een inburgeringscursus waar hij veel leert over drop eten, honden uitlaten, klompen (de nationale Nederlandse schoenen, nietwaar) en de Elfstedentocht. Uiterst nuttig allemaal.

Omgekeerd merkt hij dat Nederlanders weinig ingeburgerd zijn wat de Antilliaanse achtergronden betreft. Ze vieren Bevrijdingsdag maar weten niets of zeer weinig van Tula (de slaaf die in 1795 opstond tegen het koloniale gezag), Anton de Kom (een Surinamer die meedeed in het Nederlandse Verzet), Karpata (medestander van Tula), Boy Ecury (Arubaans-Nederlandse verzetstrijder in de Tweede Wereldoorlog) en George Maduro (Curaçaose verzetstrijder in de Tweede Wereldoorlog) naar wie ‘Madurodam’ is vernoemd.

De schrijfster heeft niet alleen een kritische blik voor de blanke Nederlander, maar richt zich soms ook verwijtend tot de donkere ‘rappers’ die ten onrechte het criminele leven verheerlijken.

Nanzi’s Capriolen zou uitstekend geschikt zijn om dienst te doen bij inburgeringslessen al was het maar omdat het boek een uitgebreid en ironisch perspectief biedt op de gewoonten in Nederland en de multiculturele problematiek. De auteur geeft er blijk van dat ze een uitstekende kijk heeft op het reilen en zeilen van onze volkse multiculti samenleving.

Vooral Antillianen zullen aan het lezen van dit boekje veel plezier beleven en het zou leuk zijn als ook Tante Es (Jurgen Raymann) het eens zou bespreken op een van zijn tropische TV-avonden.



Joan Leslie
Compa Nanzi’s Capriolen
ISBN 978-90-6265-692-9
Uitgeverij In de Knipscheer 

Ismene Krishnadath over Juliën Zaalman

[Onderstaande tekst is de voordracht die Ismene Krishnadath hield tijdens de presentatie van A Nyame van Juliën Zaalman  in theater Unique in Paramaribo op vrijdag 13 april 2012.]

Het werk van Juliën Zaalman heeft een bijzondere plaats in de Surinaamse literatuur. Hij debuteerde in 2002 met August, een Bonoeman. De beleving van Winti. Vertellingen. Dit boek wil ik de eerste spirituele roman in de moderne Surinaamse literatuur noemen. In een spirituele roman geeft de schrijver met verhalen een handreiking voor geestelijke verheffing van de lezer. Maar laat me eerst het werk van Zaalman in de totaliteit van onze literaire historie bekijken.

De culturen waaruit onze bevolking voortkomt, hebben een rijke verhalentraditie. Een belangrijk deel van die verhalen heeft te maken met de geloofsbelevenis. De vertelling is in alle religies een van de succesvolste methodieken om religieuze waarheden en tradities over te dragen. Elke religieuze groep heeft verhalen die tot het collectief geheugen van de geloofsgroep behoren. Dit komt doordat die verhalen steeds opnieuw verteld worden. Eeuwenlang is dat mondeling gegaan, omdat de massa’s niet geletterd waren. Nu grote massa’s wel geletterd zijn, zien we dat verhalen van de bekendste wereldreligies in grote oplagen op schrift worden verspreid.

August, een bonoeman

Ik zou dit boek willen karakteriseren als een raamvertelling waarbij het uitgangspunt is: een jongeman die op zoek gaat naar spirituele waarheden vanuit de winti-leer. Vanuit dit uitgangspunt zet hij in elk hoofdstuk een verhaal neer waarin een bepaald aspect van de winti-leer naar voren komt. De verhalen in August, een bonoeman lijken allemaal nieuw. Recente belevenissen die hij optekent als hij zijn studie doet naar de winti-leer. In feite zijn het variaties op verhalen die allang behoren tot het collectieve geheugen van winti-belijders. Dit soort verhalen wordt al eeuwenlang verteld in de geloofsgroep. Omdat deze groep (een groep van Afrikaanse oorsprong) erg belangrijk is in de totaliteit van de Surinaamse samenleving, is het zelfs zo dat begrippen en ideeën uit de winti-leer diep geworteld zitten in het collectieve brein van de totale Surinaamse samenleving. Ik ben zelf nooit naar een bonuman gegaan, maar ik heb wel gehoord van bonu, van winti, van kroi en wisi, van leba en abangi, van yorka en dyodyo, en van wasi. Maar omdat de winti-leer zolang in de verdomhoek heeft gezeten, heb ik, en velen met mij, deze begrippen nooit goed kunnen plaatsen. Door de verhalen gerelateerd aan de winti-religie op schrift te stellen en te publiceren haalt Zaalman de winti-religie uit de taboesfeer. Hij emancipeert daarmee niet alleen de winti-religie maar levert ook een bijdrage aan de maatschappelijke discussie over religieuze beleving.

Dan wil ik Zaalman plaatsen binnen de moderne Surinaamse literatuur. Die begint mijns inziens na onze onafhankelijkheid,.na 1975. Deze moderne stroming is op veel manieren te karakteriseren, maar het belangrijkste wat je merkt is een behoorlijke toename van publicatie van prozawerk, meest verhalen, en de taal die gebruikt wordt, overwegend Nederlands. De groei van de kinderliteratuur is daar het meest duidelijke voorbeeld van. Verder zien we dat in de literatuur voor volwassenen er een verscheidenheid aan genres en thematieken ontstaat. Het literaire werk van voor 1975 had vooral te maken met het feit dat Suriname opgesloten zat in koloniale verhoudingen. Dichters en schrijvers richtten zich op het sociaal-maatschappelijke onrecht dat daaruit voortvloeide. Na ’75 is deze thematiek op zijn eigen wijze blijven bestaan. We kennen allemaal schrijvers als Rappa en Alphons Levens, die nog steeds sociaal-maatschappelijke problemen aan de orde stellen.  


Maar je ziet ook dat hierbij het subgenre ‘de historische roman’ populair wordt door werk van Cynthia Mc Leod en Clark Accord. Je krijgt ook een hele stroom van migrantenromans, een ander subgenre, nog steeds over het spanningsveld tussen moederland en neo-kolonie. Een van de belangrijkste migrantenschrijvers is Edgar Cairo. Ook hij schreef over winti. Zie zijn roman Famir’man-sani. Maar bij hem was dat een onderdeel van zijn totale neo-koloniale frustratie. Ik schreef zelf de eerste mythologische science-fiction roman waarin ik de effecten van globalisering voor traditionele samenlevingen aan de orde wilde stellen. Maar je ziet ook een schrijver als Roué Hupsel opkomen met zijn thrillers. Hij debuteert met Blinde muren en schrijft later Zwarte Magie.

Soecy Gummels concentreert zich op de romantische liefde met haar romans Seeds of Hope en Circle of Love. Ook de schrijver Krishan komt met de romantische roman Rachna. Ja en dan natuurlijk, de eerste spirituele roman: August, een bonoeman. Het boek is zeer aanbevelenswaardig voor het middelbaar onderwijs, vooral omdat de winti-religie zolang verboden is geweest en tot nu toe voor velen in de verdomhoek wordt gezet. Het is belangrijk dat onze studenten onze werkelijkheid kennen en de winti-religie behoort tot onze werkelijkheid. Ik beveel het ook aan voor muloscholen, waar ze de discussie over religieuze beleving aan durven gaan. Het boek is prettig geschreven en is al goed te lezen door leerlingen op het niveau mulo 3-4.

Het boek dat Juliën Zaalman vandaag presenteert, A Nyame, is het zesde boek in zijn oeuvre. Ik zie dit boek meer als een filosofisch werk. Voer voor theologen en degenen die zich willen verdiepen in de achterliggende filosofieën van de winti-leer. In ieder geval: Met het oeuvre dat hij tot nu toe heeft neergezet, heeft Zaalman zijn naam gevestigd als dé Surinaamse schrijver in het spirituele genre, met als specialiteit de winti-religie. In de Surinaamse literatuur heeft hij daarmee een unieke plaats ingenomen, waar ik, als promotor van Surinaamse literatuur, bijzonder trots op ben. Ik wil hem van harte feliciteren met dit bereikte resultaat en hem aanmoedigen om door te gaan op deze weg.

Vaderlandsliefde en melancholie in de poëzie van Pierre Lauffer (II)

door Henry Habibe

 

 

II. KUMBU




In 1955, tien jaar na Patria, verschijnt de tweede bundel Kumbu (Dwaallichtje, vonk in de nacht) (6). Hierin wordt in nog sterkere mate uiting gegeven aan vaderlandsliefde: de eigen geschiedenis, de eigen cultuur, liefde voor de zwarte vrouw, etc. Verder komt ook een soort levensbeschouwing om de hoek kijken. De liefde tot zijn geboorteland heeft Lauffer een paar gedichten in de pen gegeven die als ‘historisch’ beschouwd kunnen worden. In ‘Keho di katibu’ (het klagen van de slaaf) worden twee werelden tegenover elkaar gesteld: die van de plantagehouder en die van de slaaf. Het lijkt alsof de dichter hier uiting wilde geven aan zijn afschuw van de slavernij. Dichter bij de eigen tijd is het thema dat in ‘Quo vadis’ (waar ga je heen?) gehanteerd wordt. De dichter betreurt hier het feit dat tijdens de Tweede Wereldoorlog bepaalde Curaçaose vrouwen zich ‘ophielden’ met de op het eiland verblijvende Amerikaanse soldaten. Hij trekt het zich erg aan en schijnt – nogal sentimenteel – het gebeuren als de ondergang van Curaçao voor te willen stellen. Om van de situatie een beeld te krijgen moge het volgende citaat van Jules de Palm dienen. Als een getuige van dit sociaal fenomeen zet De Palm in zijn boek over ‘Julio Perrenal’ het volgende uiteen:
Jules de Palm - Foto @ Jan van der Weerd
 

          Het stadsbeeld van Willemstad werd na februari 1942 beheerst door de Amerikaanse soldaten, die ons kwamen beschermen (…) Deze werden letterlijk en figuurlijk met open armen ontvangen tot misnoegen van de Curaçaose jongemannen, die tot de trieste ontdekking kwamen, dat  hun zo hoog aangeslagen charme gedevalueerd bleek tot  nul komma nul (…) (7).
  
En met zekere humor vervolgt hij:

          Terwijl de meisjes onze schutters geen blik waardig achtten, zagen zij in iedere geuniformeerde Amerikaan een Robert Taylor of een Clark Gable (…) .

Zich op dit gebeuren baserend spreekt Lauffer in ‘Quo vadis’ over de ‘schaamteloze beulen die mijn grond gemarkeerd hebben met zoveel vlekken van leed’. Hij laat niet na te spreken van zijn ‘woede’ (‘rabia’). De dichter is verontwaardigd en het lijkt alsof het gebeuren het begin van de ondergang van Curaçao betekent:‘Curaçao, lief land van mij/ hoe diep moet je nog gaan?/ Hoe lang moet ik nog wachten/ tot alle bloemen zijn gevallen?’(8). De verontwaardiging van Lauffer komt in deze bundel op verschillende plaatsen tot uiting. In weer een ander gedicht, getiteld “R”, schijnt hij het gemunt te hebben op een groep mensen die hij uitmaakt voor ‘vervloekte Judassen van de gemeenschap’. Hij zegt dat hij ‘het beu is onze wonden te verbergen’ (‘Nos ta fadá di skonde nos herida…’). En iets verderop:’God geve mij de kracht / om mijn twee handen om zijn keel te sluiten.…’. Wat opvalt is dat de woorden niet meer gekozen worden om hun klankaspect, maar om hun zeggingskracht en de intensiteit van hun betekenis-aspect.

Als hij het nu over de liefde voor zijn eiland heeft, dan wordt het niet uitgedrukt aan de hand van allerlei klankrijke en rijmende woorden, maar door middel van de gevoels-waarde van die woorden. Hij drukt nu zijn ‘woede’ uit en heeft het over de haat die anderen bij hem gewekt hebben. In ‘Mi tera’ (Mijn land) klinkt zijn stem heftig:       


                  (…)


               Mijn wortels voeden zich aan haar borst
               En teren op het bloed en op de zon
               Die haar leven getekend hebben.

               Door het verdriet ben ik gerijpt
               En gelouterd door de vlammengolf van haat,
               Gestookt door een stelletje onverlaten.

               Als ik dus mijn stem verhef
               En uitschreeuw:’Diefstal!’
               Dan is het omdat dit stukje land
               Van míj is! (9) 


Was de houding van de dichter eerst beschouwend en afstandelijk, waarbij een beschrijving gegeven werd van de natuur, het landschap en de geschiedenis, nu spreekt hij over zijn innige band met het eiland (‘mijn wortels voeden zich aan haar borst’). Er is nu sprake van vijandige elementen waartegen het eiland beschermd moet worden. Het betreft nu niet meer – structureel gesproken - een soort kapstok waaraan welluidende woorden opgehangen worden. De dichter is nu overgegaan op het vrije vers en drukt zich uit aan de hand van een vrij krachtige taal.   

In Kumbu is er verder een gedicht dat ‘Korsou di nos’ (Óns Curaçao) als titel heeft. Ook hier gaat het niet meer om klankrijke woorden. De dichter aarzelt nu niet met betrekking tot de kracht waarmee hij de dingen zegt: Er bestaat geen kracht – zo stelt hij – die zijn ziel zou kunnen breken! (‘no tin forsa pa kibra un alma’). Hierbij gaat de vertaling van dit gedicht (het heeft een nogal strak ritme, hetgeen in de vertaling niet tot uiting komt):


              Uit het diepst van ons hart verheffen
              Wij onze stem voor ons Curaçao,
              Wij zingen om in alle grootheid
              Ons vaderland te verheerlijken.  

              Ons gevoelsleven is verborgen
              Voor hen die ons niet begrijpen
              Maar wij, landskinderen,
              Wij leven met ons ideaal.

              Er bestaat geen kracht om een ziel
              Te breken die uit stilte omhoog komt
              Curaçao van ons, je zult gauw
              Opgemerkt worden tussen de naties              
              Als de ster van onze toekomst. (10)

Wat we merken is dat de stem nu niet meer zo neutraal en vrijblijvend klinkt als in ‘Korsou’ uit Patria.


Foto: @ Dushi Photos


Ik zou hier graag één van de negen gedichten uit Raspá (1961), een verhalenbundel van Lauffer, willen uitlichten en opvoeren, omdat het als thema heeft de liefde voor de eigen taal, het Papiaments. Dit is - volgens mij - ook een uitdrukking van de eigen Curaçaose cultuur, zoals het het geval is met de zeer ritmische expressies in Kumbu, met name in de gedichten ‘Balia Barí’ (de tambú) en ‘Tumba’. Zoals deze gedichten geïnspireerd werden door de liefde tot het vaderland, zo is ‘Mi lenga’ (Mijn taal) ook een uiting van Lauffers patriottisme. De eerste helft van het gedicht is een toespeling op de oorsprong van het Papiaments en de tweede helft verwijst in prachtige beelden naar de kracht, de schoonheid en het vermogen van deze taal om alles te kunnen uitdrukken. Dit gedicht had een prachtig onderdeel van Kumbu kunnen zijn, indien het bestond (of ontstaan was) vóórdat deze bundel was verschenen. Hier volgt de Nederlandse vertaling:


            Mijn Taal


            Mijn taal,
            uit nood geboren
            uit de geest van vrijbuiters,
            door slavenlippen vorm gegeven,
            verbeterde haar status
            in de verhalen
            van de zwarte yaya’s

            Haar tomeloze moed
           - het teken van haar wilde afkomst –
            deed haar muilkorf barsten
            en haar levenskracht
            tilde haar op
            in een wervelwind van woorden.

            Haar lied is vuur
            haar eenvoud kleur.
            Haar woordenspel
            gebruik ik om je stijf te vloeken.
            Met haar ritme en vitaliteit
            kan ik uit vrijen gaan.
            In mijn creoolse taal
            met haar pittige klanken
            vertolk ik zowel vreugde als smart
            en er bestaat geen enkel gevoel
            waar ik mijn tanden niet in durf te zetten. (11) 


Foto: @ Dushi Photos

Naast het optimistisch geluid dat uit deze gedichten opklinkt, komen wij andere gedichten tegen die een weergave zijn van de ontgoocheling van de dichter. In ‘Desepshon’ (teleurstelling), bijvoorbeeld, zegt hij dat hij, ofschoon hij alles gegeven had, toch geen vriendschap heeft ondervonden. Van zijn pessimistische visie getuigt het gedicht ‘Mi kontesta’ (Mijn antwoord). Hij beweert dat het leven ‘alleen maar smart en pijn’ te bieden heeft. Hoe je er ook mee omgaat – zegt hij – het leven is alleen maar ‘een grote wonde’. En hij benadrukt:‘Je tobt ermee, reinigt en verzorgt het om het vervolgens te zien groeien totdat de dood erop volgt’. In weer een ander gedicht, ‘Doló dushi’ (zoet lijden), vinden we de uitdrukking van een melancholische visie. Zo te zien wordt de vaderlandsliefde afgewisseld met thema’s van strikt persoonlijke aard. Wat de stijl betreft constateren wij dat de woorden in Kumbu niet meer om hun klank-effect gekozen worden. Er is nu een tendens om de zeggingskracht daarvan te laten overheersen. Het gaat dus om de intensiteit van hun betekenis- aspect en om hun emotionele waarde. Door het vrije vers (over het algemeen gesproken) werd het voor de dichter mogelijk dat hij tot een grotere expressie kwam. Door de rijmdwang leken de eerste gedichten soms in een bepaalde keurslijf te zijn gegoten. In Kumbu echter komen zij spontaner tot stand. Juist door het vrije vers is de dichter tot een originele en rijker beeldenspel geraakt. We treffen daar zodoende eenvoudige beeldspraak aan als ‘de voering van mijn hart’, ‘een wonde is het leven’,‘de as van mijn leven’, etc., naast enkele hoogstandjes als ‘Mijn wortels voeden zich (letterlijk: zuigen) aan haar borst’, ‘de vlammengolf van haat’, ‘de tailles van de zwarte wesp’ (beeldspraak voor ‘jonge zwarte vrouwen’) en ‘de grote waskom van azijn’ (beeldspraak voor ‘een grote hoeveelheid verbittering’).   

[wordt vervolgd]