door R.R. Venetiaan
Droefheid overheerst bij de vrienden van John Leefmans,
wanneer het bericht ze bereikt, dat de veelzijdige John is heengegaan.
En dat ondanks de 79 jaren die hem geschonken zijn en de ernstige
problemen met zijn gezondheid waarmee hij de laatste jaren te kampen
heeft gehad. Zoeken op het internet levert zoveel belangrijke
disciplines van John Leefmans op, dat er een hele batterij aan
deskundigen nodig is voor een volledige beschouwing over deze
uitzonderlijke, productieve en illustere persoonlijkheid.
 |
| John Leefmans - fotoportret door Nicolaas Porter |
Geboren te Nieuw Nickerie op 28 juli 1933 als zoon van een
districtsambtenaar, is hij als kind van 5 jaar naar Paramaribo gezonden,
waar hij opgroeide en school ging om tenslotte na de afronding van de
Sint Paulusschool, in 1948 naar Nederland af te reizen voor het volgen
van de middelbare school en daarna de studie rechten aan de Rijks
Universiteit Leiden.
Op vijftienjarige leeftijd verliet hij dus zijn geboorteland, vol
herinneringen aan, zoals hij dat zelf aangaf de ‘ghostcity’ Paramaribo,
de stad zonder verlichting na zonsondergang, naar het ook niet zo
welvarende Nederland van na de Tweede Wereldoorlog.
 |
| Leefmans en Venetiaan, musicerend bij studievereniging Veritas, Kromme Nieuwegracht, Utrecht, 1963 |
Aan de Leidse Universiteit vond hij zijn weg in de sfeer van het
Leidse studentikoze leven, maar hij wist toch zijn energie te geven aan
de Surinaamse Studenten Vereniging (SSV), waar wij hem leren kennen als
de leider, de voorzitter, neen, ik moet zeggen de praeses van die
organisatie. Want de stijl, de taal en ook de oriëntatie in de
organisatie, waren gebaseerd op wat gangbaar was in de Leidse
studentenverenigingen. Zijn werk voor de SSV weerhield hem er niet van
om zijn literaire productie vanaf zijn studentenkamer ook in de
Nederlandse studententraditie te stellen en te plaatsen in het
Nederlandse studentenblad
KAF’T.
 |
Enkele bandleden van Cinco Estrellas tijdens een jamsessie
op een studentenkamer in Leiden (1965). V.l.n.r.: John Leefmans, Ober Hewitt en
Fine Kenswil.
Collectie: De Beun, 06, IISG, Amsterdam.
|
Het is een bijzondere keuze wanneer juist John door het SSV-Bestuur
dat hem opvolgt in 1957, wordt uitgezonden als eerste afgevaardigde naar
een internationale studentenconferentie. Zijn verslag opent de weg voor
de SSV naar een maatschappij-geëngageerde organisatie, die zich voortaan
uitdrukkelijk ook zou richten op de mobilisatie van de Surinaamse
student voor de ontwikkeling van Suriname.
In de periode die dan volgt vinden we John behalve als actief
SSV-lid, ook als medeoprichter en eerste hoofdredacteur van het
Surinaams Literair Tijdschrift
Mamjo en als mandolinist/violist van het
Leids Surinaams studentenorkest Cinco Estrellas.
 |
| Debuutbundel van Jo Löffel/John Leefmans (1981) |
John Leefmans kiest na afronding van zijn rechtenstudie in Leiden
voor de Haagse opleiding tot diplomaat en verrast velen met zijn
indiensttreding in de Nederlandse diplomatieke dienst.
Niet iedereen is verrast. Zeker niet degenen die John hebben gevolgd
in zijn literaire producten gedurende zijn studie. Terwijl tijdgenoten
als Slory in Amsterdam en Frank Martinus in Leiden, onder hun
schrijversnamen, hun eerste grote bundels produceren respectievelijk
getiteld
Sarka/Bittere strijd en
Stemmen uit Afrika, richt John
zich op wat hem goed lijkt in de Leidse studentensfeer, de Leidse mores,
en wat het serieuze streven betreft, gaat hij op zoek naar het spoor
van de grote Nederlandse schrijvers. Zijn keuze doet ons in die jaren
beseffen, dat het recht op een vrije keuze voor elke Surinamer op tafel
ligt, overigens onvermijdelijk gekoppeld aan de innerlijke worsteling
als gevolg van de eigen mamyo-roots en de eigen mamyo-geschiedenis,
waaraan ook Leefmans niet ontkomt. Is dat de boodschap die onze ogen
mogen lezen in het gedicht van de latere ‘Jo Löffel’, tijdelijke
schuilnaam van Leefmans, dat Michiel van Kempen afdrukt in zijn
Spiegel
van de Surinaamse Poëzie? De titel luidt: “één kamer, één huis had ‘k
hun gedacht” en de tekst:
één kamer, één huis had ‘k hun gedacht
maar toen de bruggen achter ons waren verbrand
en leeg stonden huis en leven
zwierven wij onbegrensd in de golfslag
een ieder voor zich
langs de ruggen van al onze goden
op zoek naar het eigen gezicht
met geleende ogen verblind van ‘t opgejaagde zout,
zwalken langs elkaar
(lichtjaren/melkwegen/ertussen)
totdat wij elk voor zich
(en elk zijn eigen klip en kiel)
aanspoelen en stranden
 |
| Handtekening van Jo Löffel; collectie MvK |
Het gedicht ‘balling’ mag de lezer zelf opzoeken in dezelfde bron.
Het begint met de aangrijpende regel ‘’een moeder gilt in mij” en
eindigt met de nu op een voorspelling lijkende uitspraak “sinds sloop de
kou in mijn stem”.
 |
| Officier Ere-orde van de Gele Ster |
Inderdaad. Geestelijk vlijmscherp, maar lichamelijk verzwakt, met
moeilijk functionerende longen en stem, was John Leefmans bij de
aanbieding van zijn boek met titel en inhoud in het Sranan met de
vertaling in het Nederlands ernaast
Op’ a batra/ Open die fles aan de
President van de Republiek Suriname, vertegenwoordigd door de toenmalige
Ambassadeur Joella-Sewnundun. Hij is bij die gelegenheid geëerd met een
hoge onderscheiding in de Surinaamse Ereorde van de Gele Ster, voor
zijn poëzie en zijn proza en voor zijn actieve bijdrage, met name na
zijn pensionering als ambassadeur, aan het cultureel leven van de
Surinaamse gemeenschap in Nederland.
 |
| Ambassadeur Joella-Sewnundun ontvangt uit handen van Leefmans Op'a batra. |
Op zaterdag 25 augustus j.l. is John Leefmans vertrokken, op pad naar zijn laatste standplaats in het hiernamaals.
Moge hij daar de eeuwige vrede genieten.
Onze condoleances gaan uit naar zijn vrouw Liesbeth Leefmans-de Wijs,
de Familie Leefmans en aan alle Srananmans in Suriname en in Nederland.
Paramaribo, 28 augustus 2012
[overgenomen van
Obsession Magazine, 29 augustus 2012]