Posts tonen met het label Jansen Monalisa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jansen Monalisa. Alle posts tonen

zaterdag 12 april 2014

Oedipus in Curaçao

Wim Rutgers, lang geleden
Joseph Hart: Election Dance (2006) / Verkiezingsdans (2013) in het Nederlands vertaald

door Wim Rutgers

“Ik heb de kwade geesten van mijn verleden begraven en ben klaar om mijn land te dienen.” (Joseph Hart: Verkiezingsdans p. 524)


Literaire interpretaties zijn nooit ‘af’ of definitief. Een gedrukte tekst ligt vast in letters, woorden en zinnen op een aantal pagina’s tussen voor- en achterkaft van een boek, maar een gelezen tekst is steeds weer de levende dialoog van lezers met die gedrukte woorden, waaraan deze lezers vanuit hun lezerspersoonlijkheid met hun lees- en leefervaring eigen individuele betekenis en waarde toekennen. Recensies van nieuw verschenen boeken vertonen dan ook vaak diametraal verschillende visies op een en dezelfde gedrukte tekst. Die verschillen kunnen voortkomen uit persoonlijke smaakverschillen, maar zijn ook gelegen in variatie in tijd en ruimte. Boeken raken bijvoorbeeld na verloop van tijd in ongenade of worden pas later populair en gaan dan een alsnog een nieuw leven tegemoet. In verschillende talen en culturen kunnen boeken op verschillende wijze gelezen en geïnterpreteerd worden: Wat de lezer niet kent dat lust hij niet.

Wie boeken op een later tijdstip herleest krijgt ook met het verschijnsel van deze nieuwe dialoog met een toch reeds bekende tekst te maken. Met de vertaling door Joseph Hart zelf van zijn in 2006 verschenen debuutroman Election Dance en de recente vertaling daarvan als Verkiezingsdans nam ik de proef op de som. Zouden mijn interpretatie en mijn waardering nog dezelfde zijn? Ik schreef zeven jaar geleden een reactie maar ging nu fris en onbekommerd opnieuw te werk zonder mijn mening van toen te verifiëren - een hachelijke zaak?

Politiek
Aan het eigenlijke verhaal vooraf geeft de verteller in de vorm van een ‘opdracht’ zélf al aan hoe hij zijn roman gelezen wil hebben als “een uiting van hoop voor mijn land.” Ziet de(ze) lezer dat ook zo?
In de drie delen van de meer dan vijfhonderd pagina’s tellende roman beschrijft de verteller het leven van de bevlogen docent Matthew die met een aantal vrienden een discussiegroep start, die het doel heeft de noodzakelijke politieke en sociale vernieuwing op het eiland door te voeren. Hem wordt gevraagd zich met die ideeën bij een progressieve politieke partij aan te sluiten. Naarmate de verkiezingen naderen bestrijden politiek progressief en conservatief elkaar somtijds letterlijk op leven en dood. Zo kan het verhaal politiek gelezen worden als een roman die een visie vertolkt op een politieke verkiezingsstrijd, met thrillerachtige aspecten van doodsbedreigingen en maffiapraktijken.

Corruptie
Het verhaal opent met een kort hoofdstuk waarin een jonge bolita-slikker op Hato om het leven komt. Naast de politiek spelen ook drugs en criminele witwaspraktijken van een kartel met tentakels in Colombia, Curaçao en Nederland een grote rol. Corruptie heeft ook zijn grijparmen in de politiek, naar blijkt. Maar er is hoop. In het verhaal zijn de schurken schurk en moeten hun wandaden derhalve met hun leven bekopen en wint het goede als ‘uiting van hoop voor het land’. In zoverre is de ‘opdracht’ een duidelijke handreiking.

Jeud en volwassenheid
Daarnaast zag deze lezer vooral de strijd en ontwikkeling die de hoofdpersoon, naarmate het verhaal vordert, door veel spanning en strijd doormaakt, tot hij zijn uit zijn jeugdervaringen voortkomende persoonlijke crisis leert erkennen en overwinnen. Dan lezen we het verhaal vooral als een psychologische roman waarin de hoofdpersoon na intense zelfstrijd overwint: “Ik heb de kwade geesten van mijn verleden begraven en ben klaar om mijn land te dienen.”
Matthew Bartels is een bevlogen docent in het voortgezet onderwijs en aan de universiteit van Curaçao. Zo is dit verhaal ook een voorbeeld van een subgenre als de docentenroman. Hij redt zich bij zijn bevlogen ideeën rond onderwijs en maatschappelijke vernieuwing niet zonder de hulp van zijn vrienden en discussiegenoten, waarbij vooral collega en vriendin Thelma een wel heel belangrijke rol krijgt toebedeeld: een verhaal van vriendschap die liefde wordt?
 
Miss Curaçao Monalisa Jansen
Liefde en seks
Hoofdpersoon Matthew realiseert een bliksemcarrière als populair politicus en wordt daarom een magneet voor veel vrouwelijk schoon, waar hij bepaald niet ongevoelig voor is. Relaties en seks spelen een belangrijke rol in het verhaal maar als een love story zou ik het toch niet willen zien, al is dat wel een belangrijk motief. Op jonge leeftijd werd Matthew seksueel al ingewijd door de dienstmaagd en was hij zijns ondanks getuige van de wrange relatie die tussen zijn ouders bestond. Zijn vader was een incestueuze dronkaard die zijn dochter misbruikte en zijn vrouw in zijn delirische toestanden seksueel vernederde. Matthew haatte als een klein oedipusje zijn vader en hing aan zijn moeder, een afwijking waaraan hij op later leeftijd nog bijna te gronde gaat omdat het hem nachten van demonische dromen bezorgt. Hier dienen zich dus intertekstuele interpretaties van het verhaal aan, waar een feministische benadering ook niet onmogelijk zal zijn. Joseph Hart draagt zijn roman bovendien op aan de vrouwen van Curaçao, die “ondanks alles doorgaan, elke dag tegen de verdrukking in wonderen (te) verrichten.”

Kortom: één verhaal en talrijke mogelijkheden en invalshoeken om het te lezen. Wat me bij herlezing opviel was vooral het oedipus-thema, omdat zijn haat-liefde tot zijn ouders een veel centraler plaats in het verhaal inneemt dan ik me herinnerde. Die jeugdige haat-liefde bepaalt in sterke mate Matthews leven als volwassene in zijn huwelijk in Nederland én zijn relatie tot zowel zijn grote liefde voor de moeder van een van zijn leerlingen, tot hij eindelijk de ware liefde ontdekt. Aanvankelijk lijkt Matthew met zijn charismatische politieke stijl wel een superman, tot zijn traumatische  ervaringen uit zijn jeugd zijn ondergang dreigen te worden, die hij echter door vriendschap en het vermogen echte liefde te geven en te ontvangen overwint.

Tot zover gekomen, herlas ik mijn reactie uit de Amigoe – Ňapa 23 IX 2006, waaruit mijn manier van lezen in grote lijnen consistent bleek, al gebruikte ik daar wat meer details. Gelukkig maar?
Deze reactie van mijn kant is niet minder maar ook niet meer dan een voorstel om Joseph Hart: Verkiezingsdans op eigen wijze te gaan lezen. Want daar gaat het immers om in de literatuur?


Joseph Hart: Verkiezingsdans
Haarlem: In de Knipscheer
2013
533 pagina’s
ISBN 978 90 6265 836 7

[uit Antilliaans Dagblad, 10 april 2014]


vrijdag 27 december 2013

Wanneer is Churandy Martina blij?

 
Churandy Martina
door Rosemarijn Hoefte

Naast Ranomi, Epke, Marianne en Dorian sloot Nederland in het Olympisch jaar 2012 nog een sporter in de armen. Hoewel Churandy Martina zonder medailles uit Londen terugkeerde, werd hij populair door zijn positieve uitstraling en zijn mantra ‘Ik ben blij!’ In Beijing in 2004 had hij wel een zilveren medaille behaald die hem na een officieel protest van de Verenigde Staten werd ontnomen;  Martina had even buiten zijn baan gelopen. De atleet kwam toen uit voor zijn geboorteland Curaçao dat in rouw was gedompeld na zijn diskwalificatie, maar hem als een held binnenhaalde. De nieuwe zilveren medaillewinnaar, de Amerikaan Shawn Crawford, gaf korte tijd na Beijing zijn medaille aan Martina ’because i believe it’s rightfully yours’ (p. 104). Het kleinood ligt nu in Martina’s huis in Clermont, Florida.
In 2012 was Martina lid van de Nederlandse Olympische ploeg als gevolg van de staatkundige veranderingen op 10-10-10. Uit deze biografie van Frank Woestenburg blijkt dat Martina het allemaal niet erg boeit welk land hij vertegenwoordigt, want hij loopt voor zichzelf.  Zijn biograaf doet erg zijn best om Martina ook Nederlands te laten zijn. Op basis van Martina’s profielfoto op zijn Twitteraccount, met regenjas en capuchon, concludeert hij dat deze foto van zijn kledingsponsor ‘het beste bewijs [vormt] dat Martina zich ondanks zijn Antilliaanse roots een Nederlander is gaan voelen’ (p. 115). Echter uit het verhaal van de atleet die in Texas studeerde, komt naar voren dat hij zijn toekomst en die van zijn dochters in de Verenigde Staten ziet.
Eerbetoon aan Curaçoase atleten onder wie Churandy Martina,
naast Miss Curaçao Monalisa Jansen, september 2012.

De vraag is of Churandy Martina op dit moment al een biografie waard is; het verhaal van Bejing  is met voorsprong het interessantste verhaal over hem. Het wordt voornamelijk verteld door zijn entourage. Martina komt sympathiek over, maar is ‘een man van weinig woorden’ (p. 11) en weinig interesses buiten de atletiek en zijn familie. ‘Martina heeft zijn hele leven ondergeschikt gemaakt aan de atletiek. Zijn dagelijks ritueel bestaat uit slapen, eten en trainen’ (p. 170). Slapen is zijn hobby, en dat wordt tot vervelens toe duidelijk. Daar valt natuurlijk moeilijk wat spannends van te maken en het verhaal is erg uitgesponnen om het tot een boek te maken. Ook al omdat Martina zich op de vlakte houdt over bijvoorbeeld dopinggebruik in de atletiek. Zijn trainer is de voor dopinggebruik geschorste Dennis Mitchell. Martina betwijfelt of de sport de afgelopen jaren schoner is geworden en daarin heeft hij gelijk gekregen want enige maanden na publicatie werden de Amerikaan Tyson Gay en een aantal Jamaicaanse sprinters ontmaskerd.

Wannneer is Churandy blij? Vooral wanneer hij hard loopt of slaapt.

Frank Woestenburg, Churandy Martina; Biografie. Utrecht: Trion, 2013. 173 p., ISBN 978 90 4391 562 5, prijs €16.95.

[uit Oso, 2013-2]



zaterdag 21 december 2013

Literaire wandelingen in Punda en Otrobanda

Gesprokkelde herinneringen en heimwee

door Jeroen Heuvel

Dushi Willemstad is een boek anekdotes uit allerlei bronnen bijeengesprokkeld en aan elkaar geschreven door Ko van Geemert, een passant die van Curaçao houdt. Het boek van 270 bladzijden bestaat voor de helft uit twee literaire wandelingen door de stad, een in Punda en een door Otrobanda. Dan volgen 70 bladzijden Curaçaose thema’s, zoals Campo Alegre, carnaval, landhuizen, loterij, Papiamentu, Sinterklaas en Kerst, Peter Stuyvesant en Tula. Daarnaast hebben Nic Møller, Jan Brokken, Lucille Berry Haseth, Carel de Haseth en Wim Rutgers bijdragen geleverd variërend van 3 tot 13 bladzijden, over verschillende letterkundige of aan literatuur gelieerde onderwerpen.

Tijdens de wandelingen worden veel prozafragmenten en gedichten aangehaald. ‘Daarbij is zeker geen volledigheid nagestreefd; het geheel vormt geen literatuurgeschiedenis, maar moet worden gezien als een toegankelijke introductie tot de literatuur die op en over Curaçao is geschreven,’ schrijft Van Geemert in zijn inleiding. Deze verzamelaar heeft met zoveel interesse gegrasduind en gespit rond de Annabaai en in de door Aart Broek en Wim Rutgers drooggelegde bronnen, dat de slotzin van de inleiding waarin hij schrijft dat hij hoopt dat de lezer in de gaten krijgt dat Willemstad en het hele eiland er omheen meer te bieden heeft dan de lezer vermoedt, niet alleen voor de toerist maar ook voor de inwoner is bedoeld.

Miss Curaçao Monalisa Jansen voor het Riffort

Dushi Willemstad is een boek uit de Het Oog in ’t Zeil Stedenreeks van uitgeverij Bas Lubberhuizen, een reeks over literaire steden, met inmiddels 17 titels waaronder O Lissabon, mijn huis, Oxbridge blues, Gent, de dubbelzinnige, Ongenaakbaar Madrid, Ascon, bezield paradijs en Paramaribo brasa! Het eclectische karakter van dit boek, met veel zwart-wit foto’s, maakt het onmogelijk om een fragment te kiezen dat een treffende indruk van het geheel geeft. Omdat de auteur onmogelijk kritisch alle bronnen kan beoordelen, neemt hij af en toe halve waarheden, hardnekkige onwaarheden en omstreden oorsprongen over. In steekproeven kom ik tegen dat de slavenhandel pas in 1863 verboden werd (p 8) terwijl Nederland de slavenhandel in 1814 heeft afgeschaft, en de slavernij in 1863. Op dezelfde bladzijde staat over de olieraffinaderij ‘in sommige delen van Willemstad waait je een onaangename geur tegemoet, vooral als de wind verkeerd staat,’ zonder te vermelden dat in Wishi, Marchena, Habaai, Sta Helena, Charo en Domi en bij alle scholen aan de voet van de brug in Otrobanda constant roet, fijnstof en dergelijke raffinagetroep wordt uitgestrooid. Hardnekkig blijft de fout herhaald dat de reeks artikelen van Henri E. Marquand over John Brown, die in het Papiaments in de Civilisadó van 1873 en 1874 zijn gepubliceerd, uit het Engels vertaald zou zijn, terwijl die uit het Frans zijn vertaald en naar mijn weten nooit in het Engels zijn gepubliceerd. Er staat dat er een Papiaments woordenboek geschreven zou zijn door Marta Dijkhoff. Deze taalkundige heeft weliswaar gepubliceerd onder andere over de grammatica van het Papiaments, maar het bedoelde woordenboek is door Mario Dijkhoff, een neef van haar, gemaakt. Het is een beetje verwarrend om in de Otrobandaroute van de wandelingen een gedicht op te nemen dat zich afspeelt op het Wilhelminaplein (Alameda), dat in Punda ligt, en de volksetymologie van de term Kabe’i boto (en niet zoals in het boek staat Kabe’i di boto) is in ieder geval door een kenner van het Papiaments als Antoine Maduro bestreden.

Misschien zitten er meer missers in dit uitgelezen boek. Maar dat neemt niet weg dat er een heleboel in staat dat wel de moeite van het weten waard is.

zondag 17 november 2013

Een dubbele opdracht en een driehoeksrelatie

Over Ronny Lobo: Bouwen op drijfzand

door Wim Rutgers

Hoofdpersoon in de debuutroman van Ronny Lobo Bouwen op drijfzand is de gerenommeerde  Curaçaose architect Kenzo Schmidt die de dubbele opdracht krijgt een huis te bouwen op Bonaire voor het Nederlandse in Mexico wonende echtpaar Michel Paul en Heidi Lente, en een huis voor het aanstaande echtpaar Karin Oei en Roy Goodweather op Curaçao. Daarmee is de plot van het verhaal in gang gezet en het bouwmotief neemt vervolgens een belangrijke plaats in het verhaal in, wat eigenlijk niet verwonderlijk is voor de architect die Lobo zelf van beroep en roeping is.
 
Ronny Lobo
Naast deze dubbelopdracht op twee eilanden van twee echtparen is een tweede motief van belang omdat deze echtparen in feite bouwen ‘op drijfzand’ omdat hun wensen omtrent de te realiseren woningen wel heel ver uit elkaar liggen als gevolg van twee geheel verschillende levenshoudingen. Daarmee is het tweede verhaalmotief gegeven: de relatie tussen de twee echtparen die op ‘drijfzand’ berust en de rol die de architect daarin zijns ondanks krijgt toebedeeld in een nogal ingewikkeld uitvallende dubbele driehoeksrelatie.

Van dit gegeven heeft Lobo een interessante roman gemaakt die vlot verteld naar een versnelling in het tempo gaat en met een steeds ingewikkelder wordende  intrige uiteindelijk een climax vindt. Ik las de dikke roman – 340 bladzijden – eerst van mijn laptop en had toen wat moeite met de combinatie van deze twee motieven, maar nadat ik het verhaal een tweede keer op papier las ontdekte ik hoe de verteller deze motieven weet te verstrengelen en – belangrijker – langzaam weet op te bouwen naar een climax waarbij de personen elkaar naderen en dan opnieuw een spanningsboog te construeren waarin de complicaties daarbij steeds onvermijdelijker worden. Ik zag bij de tweede lezing hoe knap het verhaal is opgebouwd en hoe belangrijke elementen daarin worden voorbereid en uitgebouwd.

 
De mulattin als verleidster
Monalisa Jansen. Foto © Harry Davelaar
Inhoud
De opdrachtgevers zijn stuk voor stuk well to do personen met een lucratieve carrière en daarbij behorende financiële positie, al is hun afkomst wel heel verschillend, waarin ook een verschil in levenshouding besloten blijkt. Waar de een gesteld is op luxe en comfort geeft de ander op basis van afkomst in feite de voorkeur aan een eenvoudiger levensstijl. De architect moet laveren tussen de verschillen van opvatting tussen de opdrachtgevers en bovendien nog tussen het dilemma van zijn eigen smaak en beroepseer en de voor hem niet altijd te accepteren voorkeuren van de klanten.

Op zich is dit al een interessant gegeven om een roman op te bouwen, maar de verteller geeft het een extra dimensie door interpersoonlijke verhoudingen in de vorm van driehoeksrelaties te construeren tussen deze twee echtparen en tussen de inmiddels een paar jaar gescheiden levende architect en de mooie cliënte. Dit geeft het verhaal inderdaad een spanning, die opgelost wordt in de titel ‘bouwen op drijfzand’ waarvan het ‘bouwen’ natuurlijk op het eerste motief duidt, het ‘drijfzand’ op de onderlinge relatieproblemen.

Wel spreekt het eerste motief, zoals de verteller dat met allerlei details beschrijft, mij meer aan dan het tweede. De verteller had het niet nodig gehad zoveel nadruk op erotische elementen te leggen. Daar is hij kennelijk de redacteur van de uitgeverij teveel tegemoet gekomen, wat ook wel blijkt uit de in die delen gehanteerde stijl. Ik lees het verhaal dan ook liever als een ode aan het cultureel en artistiek verantwoorde bouwen: de architect en de professionele architectuur.
  
Resten me nog twee opmerkingen. De eerste betreft de man-vrouwrelaties, die via de vrouwelijke hoofdpersoon compleet op zijn kop gezet worden, zoals de traditie die tot nu toe meestal beschreven heeft. In dit verhaal moet de Curaçaose man – in tegenstelling tot die traditie - accepteren dat hij bepaald niet de enige is in zijn relatie met een vrouw, waarbij het machismo-motief dus omgekeerd wordt. Daarbij heeft de verteller echter wel gehoorzaamd aan een ander, dit keer wél traditioneel motief: dat van de mooie, sensuele, mannen verslindende mulattin, de net niet blanke vrouw, die nauwelijks morele scrupules kent om aan haar seksuele behoeften te voldoen.

Een tweede opmerking betreft het laatste korte, veertigste hoofdstuk dat helemaal afwijkt van de overige omdat de verteller daarin op één zin na plotseling overgaat van de verleden tijd waarin verhalen gewoonlijk verteld worden, naar de tegenwoordige tijd. Het einde van het verhaal lijkt in zijn oplossing met een op Klein Bonaire geconcipieerd klein bonaireaantje niet meer dan slapstick, maar blijft door die vertelwijze, wegens diverse interpretatiemogelijkheden van dat slot desondanks intrigeren.



Ronny Lobo: Bouwen op drijfzand
Haarlem: UItgeverij In de Knipscheer
340 pagina’s
ISBN 978 90 6265 830 5


[uit Antilliaans Dagblad, 12 oktober 2013]