dinsdag 31 december 2013

Bernardo Ashetu - Awine

Intel
van mijn mobiele s.

Zoals ik nu zit
noemt men mij boertig.

Daarom neem ik de l
uit de lawine weg.


[uit de ongepubliceerde bundel Falélis]

Foto © Howard Winsling

Gesloten

door Carry-Ann Tjong-Ayong

Al 22 jaar kopen we in de binnenstad van Utrecht op het Neude, lekkere Surinaamse broodjes bij Abbi/ Rinia. Broodje kip, broodje bakkeljauw, barra. Heerlijk, net als thuis!
Vandaag, 31 december 2013 is het de laatste dag, want Rinia Djoewan stopt er mee. Niet vrijwillig, legt zij uit. Gedwongen door de gemeente, die opeens de huur van de standplaatsen met 640 % verhoogde. Dit kan Rinia niet opbrengen. Zij kreeg het niet eens persoonlijk te horen, maar via via. Een verhoging van 125,- naar 800,€ exclusief gas licht en water is te veel voor de Javaanse, die door de crisis ook al haar halve omzet kwijtraakte.
“De klap komt ook emotioneel hard aan” zegt Rinia. Ook wij behoren tot de vaste klanten en zijn ontzet. Wij begrijpen de beweegredenen van de gemeente niet. Ook de Italiaanse kraam van broodje Mario die er nog langer staat, moet verdwijnen. Deze kramen horen bij de binnenstad vinden de Utrechtse burgers.


Rinia probeert nog iets anders met de kraam te doen. Maar of dit zal lukken?

De toover-lantaarn van Mr. Furet



door Peter Meel

De Toover-lantaarn van Mr. Furet van W.E.H. (Willem) Winkels (1818-1893) vertelt het verhaal van de blankofficier Péon Charles Prêt. Op de Surinaamse suikerplantage Atroce (!), waar hij te werk is gesteld, wordt hij Paauw genoemd. Volgens de schrijver is het lot van de blankofficier ‘eene aanhoudende teleurstelling, eene altijd durende marteling, een immer diep smartende toestand van de grievendste vernederingen’ (p. 6). Péon werkt zich zeven dagen per week uit de naad voor een fooi, verblijft in een schamel onderkomen waar ratten, kakkerlakken en muskieten vrij spel hebben, zit onder de knoet van de directeur van de plantage aan wie hij dagelijks rapporteert over de verrichtingen van de slaven, klaagt steen en been over de hitte, de kwaliteit van het voedsel, het verbod om omgang te hebben met slavinnen en zijn heimwee naar Nederland, en overlijdt na een leven vol ontberingen in grote eenzaamheid.

Het manuscript van dit fictieve verhaal dateert uit 1840 en bestaat uit achttien tekeningen en een reeks bijbehorende teksten die in het bezit zijn van het Surinaams Museum. Het is op initiatief van deze instelling dat het verhaal in een fraaie editie op de markt is gebracht en voor een breed publiek wordt ontsloten. Zowel de tekeningen, die vervaardigd zijn met waterverf, als de bijschriften tonen het artistieke en satirische talent van Winkels, die – geboren in Amsterdam – in 1839 de oversteek naar Suriname waagde en korte tijd zelf blankofficier was alvorens hij besloot in zijn bestaan te voorzien als boekhandelaar, boekbinder en beheerder van een leesbibliotheek. Naast De Toover-lantaarn maakte Winkels nog tientallen andere tekeningen en schreef hij meerdere satirische teksten die deels in de lokale pers werden gepubliceerd. Hij overleed op 75-jarige leeftijd in Paramaribo.

In Het leven van een blankofficier gaat Hilde Neus in op de overlevering van het (goed geconserveerde) manuscript. Ze laat op een overtuigende wijze zien dat Winkels in De Toover-lantaarn zowel de spot drijft met de slavenmeester en zijn entourage (onder wie de blankofficier) als met de slavenpopulatie. Winkels keerde zich tijdens zijn leven niet principieel tegen de slavernij en meende dat de emancipatie van de slaven op korte termijn tot mislukken gedoemd zou zijn. Tegelijk benadrukte hij de menselijke eigenschappen van laatstgenoemden en bekritiseerde hij de koloniale overheid die geen voortvarendheid betrachtte om slaven te alfabetiseren en op een hoger ontwikkelingsniveau te brengen. Naar zijn oordeel werd door deze laksheid de vooruitgang van Suriname getraineerd.

Het portret dat Winkels van de blankofficier schetst blijkt in belangrijke mate te corresponderen met het beeld dat oprijst uit andere (historische) bronnen. De blankofficier was duidelijk de ondergeschikte van de plantagedirecteur, die hem toezichthoudende taken opdroeg tegen een karig loon en maximaal wenste te profiteren van diens kennis van en invloed op de slavenmacht. En inderdaad waren zijn leefomstandigheden dermate zwaar dat hij het doorgaans maar enkele jaren in deze functie volhield. De begeerde promotie naar de positie van plantagedirecteur was maar voor een enkele blankofficier weggelegd.

De hertaling voor de jeugd van De Toover-lantaarn van Mr. Furet door Hilde Neus is eveneens een aantrekkelijke uitgave geworden. Neus volgt de oorspronkelijke tekst zo nauwkeurig mogelijk. Wel heeft zij het taalgebruik vereenvoudigd (kortere zinnen, simpeler woordkeus) en voorziet zij passages af en toe van toelichtende tussenzinnen die op een soepele wijze in de hoofdtekst zijn geïntegreerd. Het belangrijkste verschil met de volwasseneditie is dat het jeugdverhaal als een toverlantaarnvoorstelling door ‘oom Winkels’ zelf wordt gepresenteerd en dat de verteller een van de kinderen is die deze voorstelling bijwoont. Deze verteller kent Winkels persoonlijk en maakt van deze voorkennis gebruik door in de beginpagina’s van het verhaal hem als schrijver en voormalig blankofficier bij de jonge lezers te introduceren. Ook door deze lezers met ‘je’ aan te spreken worden deze actief bij de personages en hun handelingen betrokken en kunnen zij zich met de lotgevallen van Péon identificeren, zoals in mei 2013 tijdens presentaties op het Kinderboekenfestival in Paramaribo bleek.

De drie in harde kaft uitgegeven publicaties zijn met zorg gedrukt en in een handzame cassette samengebracht. Ze maken voor een groot publiek een document toegankelijk dat licht werpt op het negentiende-eeuwse Surinaamse plantageleven bezien door de ogen van een functionaris die het koloniaal gezag vertegenwoordigde en meehielp het regime van de overheerser in stand te houden. Als intermediair tussen de werkelijke machthebbers en de slavenmassa en als sociaal laaggeplaatste blanke had zijn positie tegelijk iets ambivalents en werd zijn loyaliteit niet zelden op de proef gesteld. Winkels weet dit ook voor de lezer van de twintigste eeuw maar al te inzichtelijk te maken.


W.E.H. Winkels, De toover-lantaarn van Mr. Furet, Suriname, 1840; W.E.H. Winkels, De toverlantaarn van meester Furet, 1840. Jeugduitgave; Hilde Neus, Het leven van een blankofficier. Paramaribo: Stichting Surinaams Museum, 2013. Libri Musei Surinamensis 7a, 7b en 7c. 43 p., 59 p. en 59 p., prijs SRD 100,- voor de gehele cassette, SRD 30,- per deel.

[uit Oso 2013, nr. 2]

Quinsy Gario "een van de 10 grootste aanstellers van 2013"

Quinsy Gario. Foto Doortje Janssen
Samen met o.m. Mario Balotelli, Kanye West en Miley Cyrus is Quinsy Gario gerekend tot 'De 10 grootste aanstellers van 2013' door de polemische website ThePostonline.nl. Van Quinsy Gario wordt gezegd:

 "De Zwarte Piet klokkenluider kreeg zijn fifteen minutes of fame bij Pauw & Witteman om vervolgens een land in de meest stupide maatschappijdiscussie van de afgelopen decennia te storten. Het Zwarte Piet debat ging – zoals sommige cultuurfilosofen ons wilden doen geloven – niet over racisme, slavernij of over het afpakken van tradities. Over tien jaar is iedereen deze opiniehorror vergeten en kijken we terug op een kwestie die vooral ging over de emancipatie van ego’s (m/v, links/rechts, zwart-wit) met een intellectueel minderwaardigheidscomplex. Let maar op: van die Gario horen we nóóit meer iets."

Wij zeggen: wacht maar af.

Lees hier de hele tekst over alle andere aanstellers.


De verzwegen geschiedenis van Suriname: documentaire van Lucien Karg over prof.dr. Paul Christiaan Flu

Paul Christiaan Flu
door Lucien Karg

Omdat wij onze nakomelingen niet langer kunnen opschepen met een verwrongen geschiedenis en onwaarachtige ‘helden’ ben ik begonnen met het maken van documentaires over onze eigen Surinaamse helden. Mijn eerste documentaire heb ik in 2011 gemaakt over Surinames eerste hoogleraar, jongste arts van het koninkrijk der Nederlanden, eerste en enige Surinaamse rector magnificus van de universiteit van Leiden in 1938, eerste parasitoloog en nog veel meer, professor doctor Paul Christiaan Flu.

Deze documentaire heb ik zelf gefinancierd, omdat ik van de Surinaamse overheid (op ex-minister Celsius Waterberg na) geen enkele ondersteuning of zelfs aanmoediging gehad heb en omdat ik geen zin had om te wachten tot er een commissie benoemd zou worden die dan weer een andere commissie zou benoemen die vervolgens belast zou worden met het benoemen van een commissie die de zaak dan zou gaan bestuderen zoals dat zo vaak bij onze overheid gebeurt.
Dankzij Nardi Johanns, Georgine de Miranda, Wim Udenhout en Armand Achaibersing hebben Assuria, Staatsolie, DSBBank en Kersten Holding de documentaire gesponsord. Daarmee kon ik een deel van de kosten kon dekken. Bij deze nogmaals dank aan voornoemde personen en de heren Stephen Smit van Assuria en Glenn Sairras, Iwan Poerschke en Mark Waaldijk van Staatsolie die direct positief gereageerd hebben.

Met de verkoop van de documentaire over professor Flu kan ik helaas de kosten niet dekken voor het maken van een boek en een documentaire over de grondlegger van ons Suriname en het openbaar onderwijs in Suriname, dr. H.D. Benjamins die in 1875 op 25 jarige leeftijd in Leiden promoveerde tot doctor in de wis- en natuurkunde. In het boek en de documentaire toon ik aan dat het onderwijs in Suriname niet door Hollanders maar door Surinamers zelf opgezet en ontwikkeld is.

De researchfase op eigen kosten gedaan, is bijna afgerond. Vandaar dat ik de documentaire over professor P.C. Flu nu op internet plaats met het verzoek aan iedereen die deze documentaire ziet, het waardeert en mijn streven wil ondersteunen, om een vrijwillige bijdrage te storten op DSB-bank rekeningnummer 70.35.306 of ING bankrekeningnummer 4627170, onder vermelding van “H.D.Benjamins project”.
Ik roep ook alle Surinamers en iedereen die liefde voor ons land en volk kan opbrengen op, om mij te ondersteunen in dit streven. Dat kan door ook zelf onderzoek te gaan doen naar deze voorbeeldige Surinamers en die informatie te publiceren in welke vorm dan ook; boek, film, documentaire, website, muziek, verhalen vertellen enz.
Bent u een nazaat van de familie Benjamins, de heer Herman Daniël Benjamins of zijn vrouw Guilhermina de Gouvea of van zijn moeder Esther Monsanto (allemaal in de 19de eeuw geboren), dan hou ik mij graag aanbevolen voor eventuele foto’s, anekdotes, familie verhalen enzovoorts.
Ik ben te bereiken via lcikarg@hotmail.com.
Bij voorbaat hartelijk dank en odi.


maandag 30 december 2013

Mieke de Haan - In de ring

Oog in oog
Verdoofd in trillende stilte
Tussen deze touwen
gelden de regels van het nu.
Hier schuurt huid op huid
van twee zielen
omringd door meedogenloze ogen
die schreeuwen
om drama en tranen
die hier niet  en nu niet zullen vallen.

Het eelt van de vuisten
is liefdevol en strak verpakt
in vele meters oorlogsrekverband.

De geuren van de hetze zijn fris en opwekkend.
De kleur van het bloed altijd hetzelfde.
De rauwe wonden worden niet gevoeld.

De muziek pompt
als het razende hart van de strijders
de ruimte buiten deze touwen
vullend met adrenaline,  champagne en grootse beloften.




Runet Hobbybooks meer dan een boekhandel

Runet Hobbybooks, crafts & more is de naam van de boekhandel en hobby winkel die Suriname vanaf vorig jaar rijker is. De eigenaar is mw.Willy Pigot-Pinas, leerkracht werkzaam bij het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling, Bureau Speciaal Onderwijs in de functie van coördinator sectie Beeldende Vorming. Het plan om deze onderneming op te starten bestond al enkele jaren bij de eigenaar en werd uiteindelijk gerealiseerd op 3 december 2012. “Het is geweldig als we mogen dromen en bepaalde mijlpalen in ons leven kunnen bereiken…”, werd bij de officiële opening aan de Bersabalaan 81B gesteld. Zelf geeft de onderneemster aan dat ze met Runet hobbybooks, crafts & more vooral leerkrachten handvaten wil aanbieden om creatief om te gaan met het beschikbare materiaal. De eentonigheid in het vak moet worden doorbroken en meer technieken moeten worden aangewend om andersoortige ontwerpen / werkstukken te vervaardigen met de scholieren. Door de boeken krijgt men meer inzicht hoe bepaalde technieken toe te passen en creatieve inzichten te ontwikkelen.


De eigenaar heeft zich niet alleen gericht op leerkrachten, maar ook op hobbyisten. “Eigenlijk heel Suriname”, benadrukt ze. Ze concludeert dat Suriname steeds meer craft minded aan het worden is, gezien de frequente art en craftbeurzen die gehouden worden. Met Runet hobbybooks, crafts & more speelt ze hierop in en draagt bij aan het verhogen van de creativiteit. Het is voor ieder mens noodzakelijk de rechterhelft van de hersenen te prikkelen n.l. de creatieve zijde. Belangstellenden kunnen er terecht voor kinderboeken, allerhande hobbyboeken, materiaal en bijbehorende literatuur, materialen voor kunstenaars, workshops, bijouterieën, gifts, etc. De goederen worden veelal geïmporteerd uit Nederland. Het ligt nu aan Suriname om het aangeboden materiaal te Surinamiseren met de tools en technieken die worden aangeboden in de boeken. Daarnaast zullen klanten rijkelijk bediend worden door de eigenaar, van informatie en ideetjes bij aankoop van hun benodigdheden.

Kortom Runet hobbybooks, crafts & more is een hobbywinkel enig in zijn soort die ernaar streeft de gemeenschap te faciliteren, d.m.v. workshops, hobbyisten de nodige technieken bij te brengen en mensen die gewoon op zoek zijn naar unieke zaken. Op 3 december 2013 j.l. bestond deze zaak precies één (1) jaar, en dit is een mooi moment om nu naar buiten te komen. Het is bedoeling de vleugels verder uit te slaan en steeds met nieuwe ideeën te komen. Met recht kan gesteld worden dat in het één (1) jarige bestaan, deze zaak zijn nut heeft bewezen en niet meer weg te denken is in de Surinaamse samenleving. “Kortom voor elk wat wils”. Voor mensen met een hobby, voor mensen met een creatieve geest, voor mensen met nieuwe creatieve ideeën, en last but not least de “studenten”.

Runet is daarnaast ook nog de importeur van “Kinky Curly Products”. Dit is een haarlijn die niet op chemische, maar op natuurbasis is geproduceerd en die aan mensen met natural- of kroeshaar een curly look geeft. Dit product is een schot in de roos, vooral voor mensen die geen chemische middelen willen gebruiken op hun haar. Ook vanwege de toenemende bewustwording en de bewezen voordelen dat “go natural” on the long run toch het beste voor je haar is. Momenteel staat dit product in de top tien van Amerikaanse haarproducten.

[uit Dagblad Suriname, 21-12-2013]


Jansen van Galen: niet-moralistisch, weinig comparatief

Rosemarijn Hoefte
door Rosemarijn Hoefte

John Jansen van Galen heeft een kwartet boeiende Surinameboeken op zijn conto staan: Kapotte plantage, Hetenachtsdroom, Het Suriname-syndroom en Laatste gouverneur, eerste president. Nu is er dan de pil getiteld Afscheid van de koloniën, waarin de auteur het Nederlands dekolonisatiebeleid onder de loep neemt. ‘Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit lang aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de onafhankelijkheid over de toekomt van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?’ (p. 18). De kernvraag is: deed Nederland het inderdaad zo beroerd als vaak wordt beweerd?

Om deze vraag te beantwoorden, heeft Jansen van Galen een wel erg lange aanloop nodig over kolonisatie en dekolonisatie in Azië en de Caraïben. Over de laat-koloniale periode merkt hij op dat het Nederlandse kolonialisme vanouds eerder gekenmerkt wordt door paternalisme, ‘waarbij men van bovenaf in detail de zaken voor de inlanders wilde regelen … dan door verstokt kolonialisme’ (p. 570). Het lijkt mij dat paternalisme (the white man’s burden) een onlosmakelijk deel is van het kolonialisme en geen separaat verschijnsel. In deze hoofdstukken buitelen de gebeurtenissen soms over elkaar heen, vooral in de wat vlakke en traditionele delen over Indonesië; in de stukken over de Antillen en met name Suriname voelt de auteur zich zichtbaar beter thuis en heeft zijn beeldende schrijfstijl de overhand. Helaas maakt hij geen verbindingen tussen de ervaringen en het koloniale beleid in Oost en West, terwijl er toch wel aanknopingspunten zijn. Zo schrijft Jansen van Galen over de ‘ethische intentie’ van gouverneur Lely’s goudspoorlijn (p. 146), zonder een duidelijke lijn te trekken naar de ethische politiek die begin twintigste eeuw opgang deed in Nederlands Indië. En in hoeverre is het beleid van gouverneur Johannes Kielstra beïnvloed door zijn ervaringen in Indië?


Na 516 bladzijden zijn we beland bij de ‘onbetaalde rekeningen’ van het Nederlandse dekolonisatiebeleid, zoals zwarte piet, de TV serie over de slavernij, de kwestie-Rawagede, de levering van Nederlandse tanks aan Indonesië, en het officiële Nederlandse beleid jegens  president Bouterse. De auteur somt allerlei episodes tot eind 2012 op, maar komt uiteindelijk niet veel verder dan te constateren dat dit de naweeën zijn van een onvoltooide dekolonisatie. Het zou interessant zijn dit soort incidenten en processen in een internationaler perspectief te plaatsen: wat zijn de Britse, Franse, Belgische, Spaanse en Portugese ervaringen op dit terrein?

De verovering van de Nieuwe Wereld


De kernvraag die de auteur in de inleiding stelt − was het Nederlandse dekolonisatiebeleid zo slecht als vaak wordt beweerd − wordt beantwoord in het laatste hoofdstuk ‘Slotsom’ (pp. 556-577). Jansen van Galen begint met de herinnering aan een interview met voormalig premier Willem Drees in 1980. Drees wees op de ervaringen van Groot-Brittannië in India/Pakistan, België in Congo en Frankrijk in Algerije en Indochina om te constateren dat Nederland het zo gek nog niet had gedaan. Jansen van Galen is het met hem eens. Met zijn verfrissende, niet-moralistische kijk benadrukt hij de onderlinge tegenstellingen en strijdigheden van het Haagse beleid. Hij verklaart fundamentele discrepanties in het beleid door te wijzen op Nederlands pragmatisme, gericht op eigen belang op korte termijn waarbij principes of algemene richtinggevende uitgangspunten geen rol speelden, ‘al werd het beleid tegenover de buitenwacht doorgaans verdedigd met een stellig beroep op beginselen’ zoals democratie, rechtszekerheid en het waarborgen van mensenrechten (pp. 564-565). Het beleid werd geschraagd door financiële afwegingen en het behoud van prestige en machtspositie. Maar in hoeverre week /wijkt dit beleid dan af van andere West-Europese koloniale machten? Ik had ook graag een diepere analyse gelezen over hoe de ervaringen met de Indonesische dekolonisatie wel of geen een rol hebben gespeeld in Suriname of in hoeverre Surinaamse ontwikkelingen de constitutionele verhoudingen tussen Nederland en de Antillen hebben beïnvloed. Van mij had het slotakkoord uitgebreider en comparatiever mogen zijn, eventueel ten koste van de voorgaande hoofdstukken.

Afscheid van de koloniën is oorspronkelijk geschreven als proefschrift, de auteur heeft er echter voor gekozen zijn promotie niet door te zetten. In deze publieksvriendelijke versie ontbreken noten en verwijzingen, maar op p. 18 wordt vermeld dat de ‘wetenschappelijke academische versie’ inclusief noten online beschikbaar is. Merkwaardig genoeg leverde de genoemde link geen hit op.

 John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën; Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam: Atlas Contact, 2013. 608 p., ISBN 978 90 254 3530 1, prijs € 44,95.

[uit Oso 2013, nr. 2]

Gaarkeuken naschoolse opvang discrimineert Surinaamse kip

De gaarkeukens die het voedsel voor de naschoolse opvang bereiden, gebruiken nog altijd de buitenlandse kip. De overheid discrimineert op deze wijze de Surinaamse kip en ondermijnt de lokale productie.’ De pluimveesector kan beter boeren in 2014. Het project naschoolse opvang is voor de begroting 2014 opgebracht voor SRD 91 miljoen. Dat is helemaal afhankelijk van de wetgeving. Bestuurslid Peter van Dijk van de Associatie van Pluimveesector Suriname (APSS) kan slechts vooruitblikken op een gunstig jaar als de wetgeving wordt aangepakt. Zo pleit de sector al jaren voor het verhogen van de invoerrechten voor importkip. Die zijn belachelijke laag in vergelijking met landen in de regio, die met invoerrechten van tussen de 100% – 200% op geïmporteerde kip en kipdelen, hun lokale kipproductie proberen te beschermen. Dit heeft in buurland Guyana geresulteerd tot een bloeiende pluimveesector met een aanwas aan banen. Van Dijk zegt dat de lokale kipproducenten de totale marktbehoefte kunnen dekken. Vanwege de oneerlijke concurrentie met de buitenlandse kip, is het marktaandeel van de lokale producent nog gering. De lokale kip heeft nog niet eens de helft van de Surinaamse markt.

Per week wordt 400 ton kip geconsumeerd

Op weekbasis wordt circa 400 ton aan kip geconsumeerd. Regelgeving ter stimulering van de eigen productie, zoals het verhogen van de heffing op importkip en het afschaffen van invoerrechten op grondstoffen, zoals kuikenvoer voor de lokale kiptelers, kan ervoor zorgen dat de lokale kip de totale markt beheerst. Van Dijk breekt een lans voor de huismoeders die nog altijd letten op de kwaliteit en daarom de Surinaamse kip verkiezen boven de buitenlandse. Het is de horeca (restaurants) die zich afhankelijk maakt van de importkip.

[uit Dagblad Suriname, 28-12-2013]

De oudste bronnen van het Surinaams-Nederlands blootgelegd

Ellen Klinkers
door Ellen Klinkers

Dit jaar verscheen het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 van jan van Donselaar. De Nederlandse kolonisten die zich vanaf 1667 in Suriname vestigden, kwamen in een wereld waarin de omgeving en omstandigheden zo verschilden van de Nederlandse dat de eigen taal te kort schoot om die te beschrijven. Er ontstonden nieuwe woorden, woorden die het fundament legden voor het moderne Surinaams-Nederlands.

Eerder, in 1977, publiceerde de bioloog Van Donselaar het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, dat met 6600 ingangen de moderne Surinaams-Nederlandse taal duidt. Het was veel breder van opzet dan deze uitgave, waarvoor Van Donselaar op zoek ging naar de oorsprong van het Surinaams-Nederlands. Die zoektocht resulteerde in een contrastlexicon van ruim 2000 alfabetische gerangschikte woorden, die gangbaar raakten onder Nederlanders in Suriname maar die in het moederland onbekend waren. Want wie wist daar nu wat een matapi, een loosneger of een grietjebuur was? Van Donselaar selecteerde de woorden uit de geschriften van ruim vijftig, overwegend contemporaine, auteurs. De selectie eindigt in het jaar 1876 toen de leerplicht met Nederlands als voertaal werd ingevoerd in Suriname.

Matapi (collectie KIT)


Het boek geeft de betekenis van de woorden en de periode waarin het woord voor het eerst is aangetroffen. Verder wordt vermeld of het een leenwoord is uit een taal die niet in Suriname wordt gesproken, of het een in Suriname nieuw gevormd woord is of dat een bestaand woord er een extra betekenis bij heeft gekregen.
Prof. dr. Nicoline van der Sijs maakte de tekst gereed voor publicatie. Zij deed dat op verzoek van Van Donselaar, enkele maanden voor zijn overlijden op 12 april dit jaar.


J. van Donselaar, Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam: Meertens Instituut, 2013. 291 p., ISBN 978 90 7038  977 2, prijs € 25,00.

[uit Oso, 2013, nr. 2]




zondag 29 december 2013

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (6 en slot)

door Coen Verbraak


Familie Flodder


White trash

De hoofdfiguur in Badal is van plan een essay te schrijven over de politieke verwording van Nederland, en de verwildersing van normen en waarden. Dat ging evenzeer op voor Ramdas. Op de Belgische website De Buren schreef hij in september 2010 een fel epistel tegen wat hij white trash noemde. ‘Kijk nu eens naar het Nederland van vandaag. Lees de reacties van lezers bij artikelen in De Telegraaf. Zie het aanbod op de Nederlandse televisie, die wordt gedomineerd door de commerciëlen. En zie de aanhang van de PVV, die almaar groeit, en nu al staat op meer dan twee miljoen. Die Hollanders die in eigen huizen wonen en een eigen auto hebben en met vakantie kunnen, zijn voor een groot deel white trash. Het zijn tokkies, het zijn families Flodder, met achterlijke ideeën en onbeschofte omgangsvormen. Wat kun je anders zeggen van de meesteTelegraaf-lezers, SBS-6- en RTL-kijkers en PVV-stemmers, dan dat ze boers, onbehouwen, ruw, plat, vulgair, ordinair en ongemanierd zijn?'
Joost Zwagerman. Foto @ ANP

Vijf dagen later werd er op diezelfde site op het stuk gereageerd door Joost Zwagerman. ‘Anil Ramdas, die in de jaren negentig de gewoonte had achter iedere boom een fascist te ontwaren, bereikt in dit stuk nieuwe dieptepunten – zelfs voor zijn doen. Ramdas zet alle stemmers op Geert Wilders weg als “achterlijk” en inferieur. Natuurlijk. Dat zich links noemende intellectuelen de gemiddelde Jan Modaal als “achterlijk” wegzetten, gebeurt niet voor het eerst. Hoezo, opkomen voor de onderklasse? Maar zelden gebeurde het zo haatdragend als bij Ramdas. Wie maar lang genoeg door types als Ramdas voor achterlijk wordt uitgescholden, wendt zich uiteindelijk tot Wilders. Anil Ramdas is geen haar beter dan de man wiens ideeën hij wenst te bestrijden. Sterker: hij is erger. Verblind door withete haat jegens white trash meent hij dat anderen hem hierom vooruitstrevend zullen vinden. Die taxatiefout zal zelfs Wilders niet maken.’

Ramdas en Zwagerman hadden in 1997 al eens hard gebotst, nadat Ramdas in NRC Handelsblad kritiek uitte op de manier waarop Zwagerman in De Buitenvrouw een zwarte lerares neerzette: ‘Iemand met de mentaliteit, de denkwijze en het taalgebruik van een zwarte bediende of een zwarte hoer.’ ‘Een pijnlijk misverstand,’ aldus Joost Zwagerman. ‘De inzet van het boek was juist om de zelffelicitatie van mensen die beweren vrij te zijn van xenofobie aan de kaak te stellen. Ramdas stelde mij klakkeloos gelijk aan de hoofdpersoon. Alsof ík een racist zou zijn. Dat vond ik uitermate vervelend. Die white trash-column was in feite een herhaling van 1997. Ik vond het een zeer destructieve bijdrage aan een zinvolle discussie: hoe gaan we om met de PVV.’

Ramdas reageerde direct daarna: ‘Eerlijk gezegd had ik op Joost Zwagerman, een mastodont in kringen van White Trash, niet gerekend. Hij kwam als een geschenk uit de hemel.’ Zwager man schreef het voorjaar daarop, na het verschijnen van Badal, een vlammend opiniestuk in de Volkskrant. ‘Badal is het hele boek lang nijver bezig aan “een belangrijk essay over white trash”. Alleen al dit voornemen tot het schrijven van “een belangrijk essay” maakt Badal tot een potsierlijke hoofdfiguur en Ramdas tot een schertsfiguur. Hij is hoe dan ook geen echte schrijver. Hij imitéért er hoogstens een.’

Zwagerman is achteraf bepaald niet trots op de polemiek. ‘Door wat er nadien is gebeurd, komt alles in een heel ander, tragisch licht te staan. Natuurlijk zit het me dwars. Als ik had geweten hoe zijn geestestoestand toen was, dan had ik het laten rusten. Hij was niet meer de man met dezelfde wapenuitrusting als voorheen. De ironie wil dat ik de polemiek voerde op het moment dat het ook met mij niet goed ging. Daar zit toch een verontrustende parallel in.’

Theo van Gogh

Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad: ‘Ik heb het altijd jammer gevonden dat deze twee generatiegenoten zo enorm met elkaar gebotst hebben. Als ik zijn columns las, dacht ik soms ook: kom, Anil, een beetje minder mag ook. We zitten toch nog niet helemáál in het land van de stampende laarzen. Hij leed aan de tijd, aan de keiharde polarisatie. Beschreef hij dat hij op de avond van de moord op Theo van Gogh op de Dam een klap van een omstander had gekregen, dan verscheen er meteen een stuk van Max Pam dat dat wel gelogen zou zijn. “Lompheid als morele deugd”, zoals Buruma dat noemde, was aan Anil niet besteed.’ 

En toch kan het belang dat Ramdas had voor jonge allochtonen nauwelijks overschat worden, vindt De Jong. ‘Voor veel Surinamers was Anil hét voorbeeld van een geslaagde landgenoot. Een man die iemand gewórden was.’Sheila Sitalsing: ‘Suriname is net een dorp; als een Surinamer elders in de wereld beroemd wordt, dan is dat een gebeurtenis. Maar er was ook inhoudelijke waardering voor zijn schrijverschap, voor het feit dat hij dingen zo goed kon verwoorden. Aan de andere kant kon Anil ook heel scherp zijn over Suriname. Hij wist feilloos bloot te leggen wat er allemaal niet aan het land deugde. Daar kunnen Surinamers niet zo goed tegen. Die directheid is vrij on-Surinaams. Dat leverde hem felle kritiek op. Maar hij bleef een grote zoon van het land, die het in het grote boze Nederland toch maar mooi had gemáákt.’’

Dat tinkelende

Ramdas’ gezondheidstoestand verergerde in het najaar van 2011. Hij was al meermalen gedotterd wegens hartklachten, en zijn conditie was nadien steeds verder verslechterd. De laatste keer dat Stephan Sanders hem zag, was op de begrafenis van Ramdas’ vader, in oktober 2011. Sanders schrok van het weerzien. ‘Anil zag er erg slecht uit: mager, ingevallen. De dag erna heb ik hem gebeld: “Je zag er zo verzenuwd uit. Was je soms dronken?’” Kort daarna belde hij op: “Stephan, we moeten Het blauwe licht weer gaan maken. Dan wordt het weer net als vroeger.” Een echte wanhoopskreet: laten we doen alsof er niets gebeurd is en teruggaan naar toen het nog goed was. Ik zei: “Nee, Anil, dat kan niet meer. Dat is geweest.”’

Zijn programma ZOZ werd ondertussen nog wel steeds uitgezonden. Ramdas schreef begin februari 2012 aan VPRO-directeur Karen de Bok dat hij zelfs nieuwe televisieplannen had: ‘Een prachtige brief, eigenlijk heel optimistisch. Ik had toen helemaal niet in de gaten dat het zo slecht met hem ging.’ Al vond ze het wel raar dat Ramdas de afspraak die ze met hem maakte om over het nieuwe programma te praten op het allerlaatste moment afzegde. Zijn moeder lag in het ziekenhuis. Vandaar. ‘Maar het werd pas echt vreemd toen ik hoorde dat hij op de redactie had verteld dat ík de afspraak had afgezegd, omdat míjn moeder ziek was.’

Suzanne Holtzer van De Bezige Bij zag wel dat Ramdas het moeilijk had. ‘Hij schreef me kort voor zijn dood hoe zwaar de opkomst van Wilders en de slechte ontvangst van zijn boek op hem drukten. Ik zag dat hij onthecht raakte. Dat tinkelende wat hij ooit had, was weg. Hij was een angstige man geworden. De emoties hadden zijn ratio overgenomen. Maar ik bleef hopen dat hij zichzelf kon herpakken.’ Holtzer maakte zich grote zorgen toen Ramdas begin februari 2012 op de nieuwjaarsreceptie van De Bezige Bij verstek liet gaan. Al hield ze met het allerergste toch geen rekening. ‘Dat einde van Badal die de zee inloopt en verdrinkt, vond ik juist nog zo prachtig. Ik heb werkelijk geen seconde gedacht dat hij dat ook zo zou doen.’

Anil Ramdas in De Balie

‘Wóédend. Ik was wóédend op hem,’ zegt Stephan Sanders, op een manier waarbij de ontzetting nog altijd voelbaar is. ‘Ik dacht: mijn God, Anil, hoe is het mogelijk dat jij, uitgerekend jij, een punt achter alles hebt gezet. Je wist zo goed wat de fuiken zijn voor de Hindoestaanse man. En je loopt er godverdómme zelf in. Ik had er verschrikkelijk last van. Hij spookte in mijn kop. Twee, drie maanden na zijn dood had ik zelfs het idee dat ik ’m hóórde: “broertje, broertje…” Als ik in de supermarkt een biefstuk kocht, hoorde ik Anil zeggen hoe ik ’m het beste klaar kon maken. Toen ben ik over hem gaan schrijven. Om het te bezweren.’ Inmiddels is de boosheid bij Sanders geweken. ‘Zijn dood leek alle mooie herinneringen bezoedeld te hebben. Nu is er vooral verdriet om het gemis. Inmiddels ben ik onze vriendschap weer aan het opdelven. Ik probeer me weer dat daverende begin te herinneren. Ik ben meer dan ooit doordrongen van het besef dat ik een heel, heel bijzondere man gekend heb.'

zaterdag 28 december 2013

Vasthoudende zoektocht in de schemerige goudsector


door Peter Meel

Al aan het begin van zijn rapportage Gowtu; Klopjacht op het Surinaamse goud  laat onderzoeksjournalist Jeroen Trommelen doorschemeren dat hij zichzelf een onmogelijke opdracht heeft gesteld. Aan de vragen waarmee hij op pad is gegaan, ligt het niet. Deze zijn hoogst relevant en houden iedereen bezig die ook maar enigszins geïnteresseerd is in de achtergronden van de goudkoorts die Suriname sinds de jaren 1990 heeft bevangen en die vanaf de eeuwwisseling in toenemende mate heeft bijgedragen aan de economische groei van de republiek. Trommelen wil weten wie de grote spelers zijn in de hedendaagse goudsector in Suriname, welke bedragen er omgaan, hoe de naar schatting tienduizenden kleine ploeteraars die met hun voeten in de modder staan zich verhouden tot de grote bazen die achter de schermen aan de touwtjes trekken, wat de opbrengsten betekenen voor de nationale schatkist, hoe de goudwinning en goudhandel zijn georganiseerd, en wat de ecologische effecten zijn van het op grote schaal afgraven van grond en het gebruik van kwik.

Een goudmijn waar op grote schaal wordt gewonnen. Foto © ANP

Op basis van naarstig verzamelde informatie en geholpen door een groepje deskundigen (onder wie de onderzoekers Marieke Heemskerk en Marjo de Theije) laat Trommelen zien dat op meerdere plaatsen in het midden en oosten van Suriname lokale bewoners, Brazilianen, Chinezen en stedelingen in een welhaast symbiotische relatie met elkaar leven en op grond van semilegale of ronduit illegale afspraken zoveel mogelijk aan de exploitatie van de begerenswaardige bodemschat proberen te verdienen. De inkomsten voor de gewone man en vrouw (goudzoekers, kokkinnen, winkeliers, prostituees) liggen tamelijk hoog (voor Brazilianen gemiddeld hoger of zelfs veel hoger dan in hun eigen land), maar fluctueren in bepaalde perioden sterk en worden gedempt door de hoge kosten van levensonderhoud en de benodigde investeringen (voor goudzoekers vooral in apparatuur en brandstof) die er tegenover staan. De veiligheid en bescherming van bezit zijn bovendien niet gegarandeerd, wat de bedrijfsrisico’s vergroot, en de verontreiniging van water en lucht hebben gevolgen voor de volksgezondheid en biodiversiteit, die echter nog altijd moeilijk te overzien zijn.

Het opkopen en exporteren van het gewonnen goud blijkt volgens de gegevens van Trommelen een zaak van een aantal Chinese handelaren, die niet zelden ook vergunninghouder zijn van een cambio (geldwisselkantoor) en banden onderhouden met een politieke partij (in meerderheid, maar niet uitsluitend, de NDP). Trommelen traceert fiscale gegevens waaruit blijkt dat het gros van hun bedrijven nauwelijks belasting betaalt. Het verlenen van exploratie- en exploitatieconcessies hangt in hoofdzaak af van de goodwill van de betrokken minister en is daarmee niet alleen ondoorzichtig, maar ook corruptiegevoelig. Het is vooral op dit niveau dat dwarsverbanden tussen bedrijfsleven, politiek, de presidentiële Commissie Ordening Goudsector en de onder dezelfde president en zijn zoon ressorterende Counter Terrorism Unit (CTU) – een elitegroep van gewapende krachten – hun invloed laten gelden. De politiek lijkt daarbij het laatste woord te hebben. In de top tien van grootverdieners in de goudindustrie nemen volgens Trommelen Ronnie Brunswijk de eerste en Desi en Dino Bouterse de tweede plaats in. Op de andere posities staan namen van andere bekende, maar ook minder bekende of onbekende Surinamers − wat lezers van Parbode (het tijdschrift waarin Trommelen eerder zijn lijstje publiceerde) al enige tijd bekend is. Overigens moet opgemerkt worden dat deze rangorde op basis van schattingen tot stand is gekomen en een enigszins willekeurige indruk maakt. Vooral de tweede plaats voor de president en zijn zoon is niet meer dan een educated guess, want in hoofdzaak gebaseerd op de politieke invloed van de president (die inderdaad groot is) en op de veronderstelling dat deze zich als zakenman bedient van stromannen (wat waarschijnlijk is, maar niet wordt hardgemaakt). Overtuigender is de conclusie die Trommelen trekt, namelijk dat – anders dan veel politieke retoriek en een deel van de publieke opinie willen – buitenlandse bedrijven als Lamgold en Newmont verhoudingsgewijs veel en Surinaamse bedrijven onvoldoende belasting over hun verdiensten in de goudsector betalen.

Trommelen doorspekt zijn relaas met een drietal casestudies: één over de spraakmakende moord op een jonge goudzoeker in oktober 2011 in Maripaston, één over de ‘free for all’ activiteiten in Benzdorp (Oost-Suriname) en één over de teloorgang van het beschermd natuurpark Brownsberg door illegale goudzoekers. Uit alle drie voorbeelden blijkt eens te meer hoe ondoordringbaar de goudsector in Suriname is. Basale gegevens over concessies, omzet- en winstcijfers en belastingafdrachten zijn geheim of gelden als onbetrouwbaar. Er wordt weinig geregistreerd en tegenover de buitenwereld wordt bij voorkeur het stilzwijgen bewaard, ook door de grote buitenlandse ondernemingen. Trommelen slaat deuken in dit gesloten bastion en werpt licht op aspecten van de sector, echter zonder de achterliggende zakelijke en politieke netwerken en de bijbehorende geldstromen geheel bloot te kunnen leggen. Dat doet echter niets af aan zijn inzet en vasthoudendheid om de onderste steen boven te krijgen. Zijn naspeuringen leveren een vlot lezende rapportage op, waarin, zoals de auteur het zelf formuleert, de reis in het Surinaamse informatiedoolhof evenveel aandacht krijgt als het resultaat van zijn belangwekkende graaf- en spitwerk.

Jeroen Trommelen. Gowtu; Klopjacht op het Surinaamse goud. Schoorl: Conserve, 2013. 223 p., ISBN 978 90 5429 346 0, prijs € 19,99.

[uit Oso 2013-2]

Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (5)

door Coen Verbraak

Ramdas bij een AT5-opname
Neurotische man

Pieter Hilhorst logeerde een paar weken bij Ramdas in Delhi. De herinneringen aan dat verblijf vindt hij dik tien jaar na dato nog steeds beklemmend. ‘Ik voelde daar zijn eenzaamheid zo enorm. Het ritme van zijn dag werd door het drinken bepaald. ’s Ochtends was hij chagrijnig omdat hij nog niet gedronken had. Dan gingen de flessen open en kwam hij ’s middags langzaam tot leven. Dan filosofeerde hij over de wereld, zoals ik hem kende. En later op de dag was hij voornamelijk onvoorspelbaar, vanwege de drank. Onze vriendschap is daar echt veranderd. Ik ging na afloop heel verdrietig naar huis.’

In India kwam Ramdas bovendien tot een pijnlijke vaststelling: hij hoorde daar niet thuis. Net zomin als in Nederland of in Suriname. Stephan Sanders: ‘Hij ging van Suriname via moederland Nederland naar het nog grotere moederland India. Daar ontdekte hij dat hij toch vooral Nederlander was. En in Nederland zagen ze hem juist weer als een Surinamer. Terwijl ze hem in Suriname als Nederlander zagen. De conclusie was dat hij nergens bij hoorde.’

‘Wat is de beste plek om te wonen?’ werd hem bij zijn terugkeer door HP/De Tijdgevraagd. Ramdas: ‘Niet op deze aarde. Ik ben zo’n beetje overal geweest en voel me nergens thuis.’

India is in retrospectief een kantelpunt in Ramdas’ leven. ‘Toen hij terugkwam, zag ik een andere man,’ omschrijft Stephan Sanders de verandering. ‘Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen. Er was een aan zichzelf twijfelende neurotische man voor in de plaats gekomen.’

Terwijl Ramdas in India zat, veranderde in Nederland het politieke landschap drastisch. Na de moord op Pim Fortuyn was ‘links’ niet langer en vogue. ‘Politiek correct’ was een scheldwoord geworden. Maar waar de krantenlezer in Nederland langzaamaan wende aan de felle toon van het maatschappelijk debat, had Ramdas op dat vlak in Delhi een aanzienlijke informatie- en ervaringsachterstand opgebouwd. Bij terugkomst op Schiphol, in 2003, was Nederland onherkenbaar veranderd. Ze waren het hem alleen vergeten te vertellen.

Pim Fortuyn bekogeld


De eerste dag na terugkomst uit India had Ramdas een ontmoeting met Suzanne Holtzer, zijn vaste redacteur bij De Bezige Bij. De jetlag hing nog als een klamme deken om hem heen, herinnert Holtzer zich. ‘Het was net alsof hij niet helemaal teruggekomen was, alsof hij ergens halverwege was blijven hangen tussen droom en werkelijkheid. Ik denk ook dat hij daar het meest thuis was. In zijn verbeelding was hij het dichtst bij zijn dromen.’


Diep gekrenkt

In 2003 werd Ramdas directeur van De Balie in Amsterdam. Tot verbazing van de mensen om hem heen. ‘Anil hoorde daar op het podium te staan, maar was totaal geen man om er directeur te zijn.’ Het ging al snel mis. De Balie leed grote verliezen. Bovendien werd Ramdas’ drankprobleem ook voor de buitenwereld steeds meer zichtbaar. In december 2003 leidde Ramdas een debat met Edward Said. Sjoerd de Jong van NRC Handelsblad was erbij en zag met eigen ogen hoe de avond pijnlijk uit de hand liep. ‘De zaal was bomvol. Anil was duidelijk aangeschoten. Hij kwam het toneel op met flessen wijn, waar hij als enige van dronk. Je zág het fout gaan. Er bouwde zich in die zaal voelbare agressie op tegen Anil. Opeens sprong er een jongen op de vloer die riep: “Wie zijn geld terug wil, moet mij maar volgen naar de kassa.” Echt een rebellie tegen Ramdas. Er zat ook iets in van: “We zullen die modelallochtoon nu eens even goed aanpakken! We geven hem een koekje van eigen deeg.”’ Ramdas erkende achteraf schuldbewust zijn fout. Maar van terugbetaling van het entreegeld kon geen sprake zijn: ‘Het is hier geen no cure, no pay.’


De Balie in Amsterdam

Achteraf symboliseerde die avond schril dat Ramdas zijn publiek was kwijtgeraakt, denkt Sjoerd de Jong. ‘Hij was heel lang een intellectuele voorloper geweest. Maar Anil begreep Nederland niet meer. En Nederland begreep hém niet meer. Hij was in de ogen van anderen opeens een vertegenwoordiger van het ancien régime geworden, een achterhaalde politiek correcte betweter. Niet langer de progressieve denker, maar de aangenomen zoon van Ad Melkert.’

De periode bij De Balie duurde amper twee jaar. Uiteindelijk richtten Felix Rottenberg, Chris Keulemans en Pieter Hilhorst een comité op om De Balie financieel te redden. Hilhorst denkt met afgrijzen terug aan die ochtend bij Felix Rottenberg thuis, waarop Ramdas werd meegedeeld dat hij zijn baan kwijt was. Hilhorst en de zijnen dachten nog dat ze een mooie oplossing hadden bedacht: Ramdas zou vertrekken, maar zou wel een opdracht meekrijgen. Hij mocht een groot essay schrijven, in combinatie met een thema-avond in De Balie. Maar Ramdas was geschokt. ‘Anil ontplófte. Hij was echt diep gekrenkt. We hebben het nadien wel bijgelegd, maar dat nam niet weg hoe pijnlijk het op dat moment was.’

Heel statusgevoelig

‘Na De Balie was wel duidelijk wat Demon Alcohol bij Anil aan het aanrichten was,’ constateert VPRO-regisseur Fred van Dijk, merkbaar aangedaan. ‘De gesprekken met Anil werden stroever. We kregen mot, over de kleinste dingen. De laatste keer dat ik hem thuis bezocht, was in 2006. We kregen een discussie over Arnon Grunberg. Hij vond Grunberg geweldig, ik niet. Uiteindelijk riep hij fel: “Ach man, wat weet jij er nou vanaf? Jij kunt helemaal niet lezen!” Toen ik in mineur naar huis reed, kon ik de hele weg alleen maar denken: hoe moet het nou toch verder met deze jongen? Vervolgens heb ik Stephan Sanders gebeld. Die zei: “Je kunt er maar beter verder geen energie meer in steken.” Het is inderdaad de laatste keer geweest dat Anil en ik elkaar gesproken hebben.’


Ramdas begon ondertussen steeds meer aan zichzelf te twijfelen. Hij was zijn baan kwijt, werkte niet meer voor de VPRO en had geen vaste column meer in NRC Handelsblad. Stephan Sanders: ‘Die bravoure van hem was altijd al schijn. Hij is de eerste jaren verbijsterd geweest over hoe goed het met hem ging. Altijd was er het gevoel dat hij balanceerde op ijsschotsen. Hij voelde continu de angst om ontmaskerd te worden. Wat zou er ontmaskerd kunnen worden? Hij kón heel veel. Maar ergens zeurde altijd die gedachte dat het succes hem eigenlijk niet toekwam. Tegelijk was Anil heel statusgevoelig. Toen hij niet meer voor de VPRO werkte en zijn NRC-columns onder druk stonden, ervoer hij dat als een ernstige aantasting van zijn eer en status. Dat-ie niet genoeg meer meetelde. Maar ja, je kunt niet je hele leven veelbelovend blijven.’

Fred van Dijk: ‘Hij was zich gaandeweg ook gaan afvragen of hij eigenlijk wel zijn eigen bron was. Alles wat hij te vertellen had, kwam altijd van anderen. Mijn vrouw en ik noemden hem “onze kleine professor” omdat hij ongelofelijk belezen was. Ik heb hem er altijd om bewonderd. Maar in die tijd vroeg hij zich af of hij vanuit zichzelf eigenlijk wel iets te melden had. Hij vreesde dat dit niet het geval was. We spraken er ooit over of hij niet eens een roman moest schrijven. Maar dat durfde hij niet. Die fundamentele onzekerheid begon steeds meer te knagen.’

Een keerpunt

Die roman kwam er uiteindelijk toch. In 2011 publiceerde Ramdas Badal. Een verhaal over een ooit succesvolle essayist/ programmamaker die uiteindelijk teloorgaat door drank, angsten en depressies. Een man die zich maar niet kan neerleggen bij een politiek klimaat waarin de standpunten van iemand als Geert Wilders breed geaccepteerd zijn geraakt. ‘Hij droomde ervan om nog een aantal meesterwerken te schrijven,’ zegt Suzanne Holtzer. ‘Het liefst iets in de trant van Naipal of Rushdie.’ Ramdas nam het project uiterst serieus. Hij stopte met drinken en huurde een appartement in Zandvoort om in alle rust te kunnen schrijven. ‘Dat boek was voor hem een enorm belangrijke ambitie, hij hoopte dat het een keerpunt in zijn bestaan zou worden.’


Badal verscheen in het voorjaar van 2011. De recensies waren bijna over de hele linie negatief. ‘Meer ambitie dan talent,’ luidde de kop in NRC Handelsblad. Bovendien werd het verhaal van Badal in alle besprekingen één op één geprojecteerd op de schrijver zelf. ‘Met niets en vooral zichzelf niet ontziende eerlijkheid portretteert Ramdas in de persoon van Harry Badal vooral zijn eigen persoon,’ schreef John Jansen van Galen in De Groene Amsterdammer. ‘Rest de vraag wat hem bezielt om zo’n ontluisterend zelfbeeld te publiceren. Het is alleen te verklaren uit de neiging tot zelfdestructie die alcoholisten eigen is.’

Suzanne Holtzer kan er nóg kwaad om worden. ‘Badal gaat over de neergang van iemand die ooit succesvol was. Dat werd uitgelegd als de neergang van Anil zelf. Dat is volgens mij echt de ziekte van deze tijd. Het boek werd niet gelezen als kunstwerk maar als de autobiografie van Anil Ramdas. Zeer ten onrechte. Want hoe kan iemand met wie het kennelijk net zo slecht gaat als met Badal anders zo’n sterk boek schrijven?’ Toch zijn de overeenkomsten tussen Badal en Ramdas treffend: Badal heeft óók een drankprobleem, heeft eveneens een Den Uyl-lezing gehouden, en is net als Ramdas ooit Zomergast geweest. Ramdas sprak de overeenkomsten in interviews ook niet tegen. ‘Alleen heb ik natuurlijk nooit zelfmoord gepleegd, zoals Badal.’

[wordt vervolgd]



De onbegrijpelijke maar mooie taal van Antoine de Kom

door Nicolaas Porter
 
Hyacinth Rigaud - De nieuwe kleren van de keizer
De nieuwe kleren van de keizer is een sprookje, opgetekend door Hans Christian Andersen. Het verscheen in 1837. In dit sprookje wordt de keizer bedrogen door twee kleermakers die hem nieuwe kleren aansmeren die alleen maar door heel slimme mensen gezien kunnen worden. De keizer gelooft dat anderen de kleren kunnen zien en besluit - helemaal in zijn blootje - zichzelf aan het volk te vertonen. Het volk ziet de keizer naakt rondlopen, maar niemand durft er iets van te zeggen, totdat een klein jongetje uitroept: ‘Hé, kijk, de keizer loopt in z’n blootje!’

Dit sprookje kwam onmiddellijk in mij op toen ik voor de eerste keer de nieuwe gedichtenbundel, Ritmisch zonder string, van Antoine de Kom las. Daarmee wil ik niet de rol op mij nemen van het kleine jongetje in het sprookje, maar laat ik het dan toch maar gewoon onverbloemd zeggen: ik snapte er geen reet van! Als je zoiets overkomt als min of meer ervaren recensent van poëzie, dan heb je een aantal opties: de eerste makkelijkste optie is de opdracht, iets over de bundel te schrijven. De tweede optie bestaat uit iets zeggen in de trant van: volgens mij is de dichter een behoorlijk ingewikkeld warhoofd. De derde, moeilijkste, optie is toegeven dat je de ballen verstand hebt van poëzie of gewoon vaststellen dat je een domkop bent.
Nu ken ik ook het andere werk van Antoine de Kom waaruit te concluderen valt dat hij alles behalve een warhoofd is. Ik ken ook mijzelf goed genoeg om vast te stellen dat ik meestal over een redelijke intelligentie beschik. Nu weet ik ook uit ervaring dat poëzie iets is waar je een tijdje mee moet leven. Daarom nam ik de bundel mee naar bed en las ik er elke dag een gedeelte uit. Soms meerdere keren. Maar hoe ik ook mijn best deed, het meeste werk bleef een min of meer gesloten boek voor mij. Wat uiteindelijk overbleef was een gevoel voor de schoonheid die uit het taalgebruik van de dichter oprees. Plotseling realiseerde ik me dat je van de aanwezigheid van een vrouw kan genieten zonder haar werkelijk te begrijpen. Iets wat veel mannen dagelijks ervaren! Het kost ons mannen vaak jaren van toewijding om werkelijk door te dringen tot het gedachtepatroon van een vrouw. Maar zoveel tijd had ik niet gekregen van de redactie en ik besloot op zoek te gaan naar een gedicht wat mijn ervaring enigszins benaderde, een gedicht waarin ik schoonheid en liefde kon ervaren. Toen kwam ik uit bij het eerste gedicht in de bundel:

je haar is zilver en je bed
van goud. dit huis ons uur
waar je vingers verdwalen
nu mijn onderbuik zichzelf te buiten gaat.
je peinst je
denkt aan alles dacht je
midden in fel zoeklicht tussen
bladeren het regende
in stromen toen veranderden tuin en tuin
in wat die werd -
een uitgestrekt groen veld
vlak bij de zee waar vogels
op het smalle strand paarse druiven
komen stelen, druiven die groeien
langs de rotswand.
je stond daar klaar met lange
witte vellen in je handen.
je droeg een mantelpak, laag uitgesneden
blouse.
je legde alle vellen een voor een
verdwenen vellen achter de glazen
katheder. stoelen zwegen onbezet.
toen kwamen ze.

Dit gedicht ontroert me, raakt me ergens diep van binnen, maar vraagt u me alstublieft niet waarom. Want ik moet u het antwoord schuldig blijven. Wat ik wel kan zeggen: dit gedicht bracht me weer terug naar de kern van alle poëzie: de schoonheid en de kracht van het onzegbare! In die zin is de nieuwe bundel van Antoine de Kom een aanrader voor alle mensen die van poëzie houden want hoe onbegrijpelijk soms de schoonheid van een door en door geïndividualiseerde en intieme taal, gesproken vanuit een onkenbaar hart ook is, het blijft een verheffende en mystieke ervaring. Tot slot wil ik mij verontschuldigen tegenover Antoine de Kom. Ik realiseer me heel goed dat dit stukje in een bepaald opzicht meer over mijzelf gaat dan over zijn bundel, maar zonder deze persoonlijke ontboezemingen kon ik zijn doordringende poëzie niet recht in de ogen kijken. Voorlopig blijft zijn bundel een onmisbaar onderdeel van mijn nachtkastje. Dat is iets wat zeker is.

Antoine de Kom: Ritmisch zonder string; omslagontwerp Brigitte Slangen, omslagbeeld Wilgo Vijfhoven, boekverzorging Hannie Pijnappels. Amsterdam-Antwerpen: Em. Querido’s uitgeverij bv, 2013. isbn 978 90 214 4733 9.
Antoine de Kom is met deze bundel genomineerd voor de belangrijkste poëzieprijs van Nederland, de VSB-poëzieprijs. Eindejaar wordt bekend wie van de vijf genomineerden de prijs krijgt.



Anil Ramdas, kleine professor uit Nickerie (4)

door Coen Verbraak

Nieuw-Nickerie. Foto © Bram T.
Ramdas ging voor de VPRO ook documentaires maken. Samen met regisseur Fred van Dijk reisde hij naar Suriname. Ze namen hun intrek in hotel Torarica, het duurste hotel van Paramaribo. Want reizen met Ramdas betekent per definitie: logeren in luxehotels. Van Dijk was er aanvankelijk stomverbaasd over. ‘Ik vroeg me af hoe hij dat toch voor elkaar kreeg. Maar hij zei gewoon tegen de VPRO: “Luister, dat is het enige hotel in Suriname waar ze altijd stroom hebben. Dus dáár gaan wij zitten.” Prinsjesgedrag was hem niet vreemd. Voor de research liet hij alle mensen die hij wilde spreken een voor een naar het terras van het hotel komen.’

De tocht door Suriname resulteerde in de vierdelige documentaire Een Surinaamse ballade. Van Dijk: ‘In Nickerie filmden we een oud schoolvriendje van hem. Die man was boer geworden en leefde nog precies zoals dertig jaar daarvoor. Op dat moment realiseerde Anil zich hoe enorm hij zichzelf eigenlijk ontwikkeld had.’ Het mooiste moment was volgens Van Dijk een scène die hij draaide in een bibliotheek. Ramdas was er op dat moment even niet bij. Van Dijk filmde een jongetje dat boeken uitzocht. ‘Hij draaide zich heel even om, keek in de camera en ging weer verder. Toen ik dat in de montage aan Anil liet zien, raakte hij diep ontroerd. Hij herkende dertig jaar later exact de situatie. ‘Zo zat ik daar ook ooit. Je hebt eigenlijk mij gefilmd.’

Perskaart van Ramdas als jong journalist


Stevig alcoholgebruik

Tussen 1997 en 2000 maakte Ramdas met Stephan Sanders het mediaprogramma Het blauwe licht. De samenwerking tussen Sanders en Ramdas was ongewoon intens. ‘We leefden met elkaar, woonden met elkaar,’ zegt Sanders. ‘Onze vriendschap werd daar gesublimeerd. Alsof de televisie het hogepriesterschap van onze vriendschap was. We vierden ’m en offerden ’m.’ Dat ging na afloop van de uitzendingen gepaard met stevig alcoholgebruik. Met name Ramdas had al snel de naam dat hij op dat vlak mateloos was. Het liep soms zodanig uit de hand dat studio De Plantage het programma de toegang dreigde te ontzeggen.

‘Die drank was ook onderdeel van hoe zij hun vriendschap beleefden,’ zegt Pieter Hilhorst, destijds redacteur van Het blauwe licht (en sinds kort wethouder in Amsterdam). ‘Alles was daar nou eenmaal heftig aan.’ Hilhorst bewaart ‘ongelofelijk goede herinneringen’ aan Het blauwe licht. ‘Anil en Stephan leerden je kijken naar de wereld. Op een heel persoonlijke manier analyseerden ze televisiebeelden, die daardoor nieuwe zeggingskracht kregen. Anil was gespreksleider, Stephan bracht de dingen in die we als redactie hadden bedacht. Dat was een ongekend goede combinatie. Ik was jaloers op hun vriendschap.’

Ellen Jens: ‘Die vriendschap was onvoorwaardelijk. Iets waar romans over geschreven worden. Ze hielden van elkaar, maar ze waren ook voortdurend in heftige competitie verwikkeld. Tijdens het afscheidsetentje na de laatste uitzending kregen ze slaande ruzie. Daarna hebben ze elkaar ook heel lang niet gezien.’

Anil Ramdas in India. Foto ©Fred van Dijk


Een fuik van eenzaamheid

Na Het blauwe licht bood NRC Handelsblad Ramdas de baan aan waar hij altijd van had gedroomd: een correspondentschap in India. Hij vertrok in 2000 voor drie jaar naar New Delhi. Maar het verblijf in India viel hem niet mee. In 2003 zei hij in Vrij Nederland: ‘Ik dacht: als je eenmaal in India woont, heb je het land zo in je vingers. Vergeet het maar. Dat grote verhaal waarin ik even een allesomvattend oordeel zou vellen waar heel Nederland van achterover zou slaan, kwam maar niet. Toen ik over mijn eerste hyperventilerende opwinding heen was, realiseerde ik me: maar je bent ook geen Jan Romein of Huizinga. Pas na een half jaar ontdekte ik dat je ook zijdelings kunt kijken, via kleine dingen grote zaken aan kunt kaarten.’

‘Over de invulling van zijn correspondentschap werd op de redactie verschillend gedacht,’ zegt Juurd Eijsvoogel, destijds lid van de hoofdredactie van NRC. ‘Anil was niet primair op nieuws gericht. Een directe reportage, zonder extra laag, was niet aan hem besteed. Je moest hem echt porren om verslag te doen van eengewone aardbevingsramp. Uiteindelijk was hij meer essayist dan journalist.’
Dat jongetje met die aanstekelijke bravoure was verdwenen
Pieter Hilhorst: ‘Voor een deel betekent een correspondentschap: op dingen afgaan. Dat vond hij eigenlijk vreselijk. Daar kwam bij dat hij in India zijn vertrouwde omgeving miste. De erkenning die hij zo nodig had, kreeg hij in India veel minder. Hij had daar geen werkelijke aansluiting met anderen. Dat zorgde ervoor dat hij zich eenzaam begon te voelen.’



‘Ik zag India als een ontsnapping, maar verkeek me op de doem van totale onbekendheid,’ zei Ramdas in 2003 in Vrij Nederland. ‘Delhi bleek een fuik van eenzaamheid. Ik kreeg rare angsten die steeds groter werden, bijna veranderden in wat men levensangst noemt. Wakker worden met de gedachte: is alles wel veilig, waar is de dichtstbijzijnde dokter, waar is het ziekenhuis, zal mijn bankpasje het wel blijven doen? Mijn angsten werden steeds groter, en mijn alcoholisme ook.’

VPRO-regisseur Fred van Dijk bezocht hem in 2002 in India.Van Dijk schrok toen hij merkte hoe ernstig het drankprobleem van zijn vriend was geworden. ‘Als hij ’s morgens in zijn kamerjas rondliep, zei ik wel eens: “Man, als je uitademt en je doet er een fles omheen, dan heb je zo weer een fles whisky.”’ 


[wordt vervolgd]

Carry-Ann Tjong-Ayong - De Koperen Long

Jan Engelman (1900–1972) schreef zijn gedicht ‘En Rade’, vocalise voor cavalcanti, en als jonge HBS-leerling was ik verrukt over het ritme hierin. Dus koos ik vaak dit gedicht om in de klas voor te dragen.


En Rade
vocalise voor Cavalcanti



Groen is de gong
groen is de watergong
waterwee, watergong
groen is de gong van de zee

Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Singapore
achter de vest

stem die mijn slaap doorzong
waterklok, watertong
koperen long van de ree

Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Senegal
wijd van het nest

hang die mijn ziel doordrong
waterdroom, watersprong
loeiende gong neem mij mee

Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Zanzibar
buiten is best

groen is de gong
groen is de watergong
waterwee,watergong
groen is de gong van de zee


En voor


Vera Janacopoulus

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen .........


Deze maand werd ik met nog 99 andere dichters gevraagd een concert in Rasa bij te wonen en daarop geïnspireerd, net als bij Vera Janacopoulus, een gedicht te schrijven. Ik koos 'Cubanísimo', vanwege mijn jeugdherinneringen aan Celia Cruz en la Sonora Matancera en mijn latere reizen naar Cuba. Het is een inspirerende manier om muziek en literatuur te verbinden. Mijn gedicht werd:


Cubanísimo

Trompetten schetteren door de nacht
Verbinden heden met verleden
oprechte landman uit
Cubita isla bonita van mijn jeugd
Dansende godenzoon
die de verschoppelingen van de aarde
de gouden bal toewerpt uit woeste stromen
Celia Cruz, Venus Nubiense dorada
negrita cantante oprijzend langs palmenstrand
por todos adorada
toen bazuinen mijn tropennachten
doorboorden in hymnen zonder woorden
Ernesto Che nog niet “presente” op de
postzegels bij het grote plein waar vlakbij
die andere Ernesto zijn mojitas dronk
de salsa in alle huizen klonk en
retro Amerikaanse sleeën
het straatbeeld domineerden
Fidel Fidel scandeerden
Borinquen, isla bonita met la
Sonora Matancera
Batista werd verdreven
José Martí weer kwam tot leven
Ay Guantanamera
Fidel fidelísimo
omnipresente
toen en tot in eeuwigheid?

20 december 2013                     

 
Carry-Ann Tjong-Ayong