zondag 31 maart 2013

‘Ik ben een schrijver en denk in eeuwigheden’

De sertão. Foto © Ivanildo Vila Nova en Geraldo Amâncio


door Els Moor


João Guimarães Rosa 
Brazilië, ons zuiderbuurland, is een der grootste landen van de wereld. Een reisje per bus van Belèm in het noorden naar Salvador de Bahía, aan de oostkust, op de kaart niet zo’n grote afstand, duurt drieëndertig uur. In 1993 heb ik die busreis gemaakt. De bus reed voornamelijk door de sertão, een eindeloze, ruige streek met schaarse palmen, stekelige struiken en droge rivierbeddngen. Lage lemen hutjes stonden in kleine groepjes bijeen en waren één met het landschap. Mensen verplaatsten zich op ezels, paarden en fietsen. Er kwam geen einde aan. In mijn gedachten kwam de roman van de schrijver Gabriel García Márquez, Honderd jaar eenzaamheid, op. In de literatuur van Brazilië is het João Guimarães Rosa (1903-1967) die in zijn proza, verhalen, een novelle en een roman, doordringt in de eenzaamheid van het menselijk bestaan. Grande sertão: veredas is de oorspronkelijke titel van de roman die in 1956 verscheen, Diepe wildernis: de wegen, die van de Nederlandse vertaling, pas in 1993, van dé vertaler van Braziliaans-Portugese literatuur, August Willemsen (1936-2007). Willemsen voegt ook altijd aan het vertaalde werk een ‘Nawoord’ toe, een essay, waarin hij als literaire gids optreedt voor het Brazilië van de vertaalde auteur. Hij helpt je als lezer je weg te vinden, in het geval van de Diepe wildernis: de wegen in de ruige sertão én in de ‘diepe wildernis’ van Guimarães Rosa’s gedachtewereld. De schrijver was een eenvoudige man, die niet van publiciteit hield. Slechts één interview heeft hij gegeven, vlak voor zijn dood. Daarin karakteriseerde hij zichzelf aldus: ‘Ik ben een schrijver en denk in eeuwigheden’.


João Guimarães Rosa studeerde medicijnen en heeft als jonge huisarts in de sertão gewerkt. Op zijn paard bezocht hij er zijn patiënten. Heel bijzonder, als we denken aan de inheemse volken in het Amazonegebied (ook in Suriname) die uitstierven wegens het ontbreken van artsen die konden omgaan met ziekten die de sjamanen niet konden genezen, zoals malaria en andere ziekten met hevige koorts, die ze kregen van hen bezoekende vreemdelingen of van marrons. Albert Helman heeft er een prachtige roman over geschreven, Hoofden van de Oayapok! (1984), die speelt in het Amazonegebied van Frans-Guyana. Later werd Guimarães Rosa diplomaat voor Brazilië in het buitenland, maar als hij in zijn land was, maakte hij grote tochten door de sertão.

De taal in zijn werken is heel bijzonder: hij gebruikt veel oude Braziliaans-Portugese woorden en het dialect zoals dat in de sertão gesproken wordt; ook van de officiële taal afwijkende grammaticale constructies. Ik beheers het Portugees niet zodanig dat ik literatuur in die taal kan lezen, laat staan boeken waarin met de taal geëxperimenteerd wordt. Ik ben aangewezen op de manier waarop August Willemsen de taal van deze schrijver in het Nederlands vertaalde. Het begin van de roman luidt als volgt: ‘Niks niemendal. Die schoten die u hoorde waren niet van vechten. Nee, Godzij. Ik was het, scherpschieten op een boom, in de achtertuin, beneden bij de beek.’ Het doet aan het werk van onze eigen schrijver Edgar Cairo denken met zijn Surinaams-Nederlands en later zelfs zijn eigen vorm ervan, het ‘Cairojaans’. Nooit zijn die werken vertaald in een andere taal, moeilijk, toch.


Het verhaal van de roman is één lange monoloog, verteld door Riobaldo, een oude landeigenaar die zijn levensverhaal vertelt aan een wetenschapper. Hij vertelt zijn leven als ‘jagunço’, lid van een van de vele gewapende bendes die de belangen van grootgrondbezitters verdedigden met veel geweld. De leiders van deze bendes wisselden soms van groep: wie eerst je vijand was, werd later je baas. Het verhaal van Riobaldo loopt van angst naar moed. Riobaldo was een bange jongen en ontmoette een andere jongen, Reinaldo, die later Diadorim bleek te heten, en die hem meenam in de korjaal van zijn vader.

‘Kalm en beheerst keek de jongen mij aan. “Moed moet men hebben”, zei hij tegen mij. Zag hij mijn tranen komen? Met pijn bracht ik uit: “Ik kan niet zwemmen”. De jongen had een mooie glimlach. Hij verklaarde: “Ik ook niet”. Sereen, sereen. Ik zag de rivier. Ik zag zijn ogen. Ze gaven licht.’ Dat was het begin van hun vriendschap, die beschreven wordt als een heftig gevoel van liefde, verliefdheid. Je vraagt je af of het hier gaat om een homoseksuele relatie die niet echt doorbreekt. Sommige ‘travessia’, tochten met een opdracht, mislukken, andere slagen. Er spelen zich wrede en absurde taferelen af. Veel motieven van oude heldenverhalen uit de wereldliteratuur vinden we terug. Het verhaal speelt zich meer dan een eeuw geleden af, maar is niet ouderwets. Riobaldo is een moderne verteller, vaak onzeker, spreekt zichzelf tegen en filosofeert over het menselijk bestaan in beelden van de sertão. Dat gaat vaak heel diep. Steeds als je herleest, ontdek je meer. Het einde van het lange verhaal is verrassend. Diadorim wordt door een vijandelijke bende gedood. Een ontknoping volgt. Guimarães heeft tijdens zijn leven duidelijk aangegeven dat dit niet verraden mag worden in een bespreking. Dat doe ik dus ook niet! Wat wel gezegd mag worden is dat Riobaldo na de dood van zijn vriend ophoudt met het jagunço-bestaan en eigenaar wordt van een ‘fazenda’ (stuk land). En ja, als je de ontknoping gelezen hebt, ga je terug in het boek en herleest bepaalde passages.

De sertão. Foto © Maria Hsu

Diepe wildernis: de wegen is een van de toppers uit de Latijns-Amerikaanse literatuur en heeft voor ons ook veel herkenbaars. Welke Surinaamse schrijver brengt de moed en de inzet op om na degelijke studie een diepgaande roman vol symboliek van het menselijk bestaan te schrijven over de Binnenlandse Oorlog?

João Guimarães Rosa: Diepe wildernis: de wegen, vertaling en nawoord: August Willemsen, 574 pp.. Amsterdam: Meulenhoff, 1993. ISBN 90 290 4353 9

zaterdag 30 maart 2013

Rondom Oranje


Samenwerking Stadhuis en De Nieuwe Bibliotheek Almere-Stad aan expositie Rondom Oranje

Almere - Vanaf 4 april is de expositie ‘Rondom Oranje’ in het centrum van Almere te zien, verdeeld over twee locaties. Organisator, Art Promotion International (API), is erin geslaagd voor deze gelegenheid een bijzondere samenwerking met het Stadhuis en De Nieuwe Bibliotheek Almere Stad aan te gaan.

Een deel van de expositie is te zien in de C-passage van het Stadhuis aan het Stadhuisplein en het andere deel op de tweede verdieping van De Nieuwe Bibliotheek eveneens gelegen aan het Stadhuisplein en op loopafstand van de C-passage. Burgemeester Annemarie Jorritsma is bereid gevonden de officiële opening te verrichten op 4 april.

Symbool van eenheid
Art Promotion International (API) beschikt over een fraaie collectie kunstwerken van een achttal kunstenaars. Een brede samenstelling uit deze collectie, die de bindende factor ‘Oranje’ verbeeldt, als symbool van eenheid van mensen van verschillende afkomst en aard binnen het Nederlands Koninkrijk, is te zien in deze expositie.
De organisator denkt er goed in geslaagd te zijn schilder-, foto- en beeldende kunst van zeer uiteenlopende aard te hebben geselecteerd om een breed publiek kennis mee te laten maken.
Niet alleen portretten en foto’s van leden van de Koninklijke familie zijn er te zien, ook van oranjegebeurtenissen, de verwezenlijking van meisjesdromen in de serie ‘Meisjes van Oranje’ alsook eigenzinnig werk en glasobjecten.

Couleur locale
Bij de selectie van het werk en voor de officiële opening is ook rekening gehouden met de lokale sfeer. Foto’s van de uit Almere afkomstige topsporters Remy Bonjaski en Gregory Sedoc die zich verdienstelijk hebben gemaakt op internationaal en/of nationaal niveau voor het Nederlandse Koninkrijk voor onze samenleving zijn te zien in De Nieuwe Bibliotheek.

Quito Nicolaas


De Arubaans/Almeerse dichter Quito Nicolaas is uitgenodigd om voor te dragen uit eigen werk bij de officiële opening in de Burgerzaal van het Stadhuis. Delbert Bernabela, bekende Arubaanse saxofonist nu woonachtig in Almere, is bereid gevonden het - speciaal voor deze gelegenheid gecomponeerde - openingsnummer te willen verzorgen.

Aan de expositie ‘Rondom Oranje’ participeren beeldende kunstenaars Jabu Arnell (St. Maarten/Amsterdam), Bikkel (Curaçao/Rotterdam), Armando Goedgedrag (Aruba / Breda), Jannes Koetsier (Groningen), Gustave Nouel (Aruba / Deventer) en fotografen Fokke P. de Boer (Apeldoorn), Ewoud Broeksma (Groningen) en Jan Kruize (Groningen).



De expositie is tot 2 mei te zien in de C-passage van het Stadhuis, Stadhuisplein 1 (www.almere.nl) en De Nieuwe Bibliotheek Almere Stad, Stadhuisplein 101 (www.denieuwebibliotheek.nl)

Adek-Universiteit dringend op zoek naar academici

door Wilfred Leeuwin

Ryan Sidin

Het tekort aan wetenschappelijk personeel is ten hemel schreiend. De situatie is zo erg dat het een enorme impact heeft op de kwaliteit van de hoogste onderwijsinstelling. De meeste docenten hebben niet de vereiste doctorale of een PHD titel. 

De Faculteit der Maatschappijwetenschappen beschikt slechts over twaalf gepromoveerde docenten, van wie zeven deeltijds zijn. Het gewenste en verantwoorde aantal is negentig. Het resultaat dat neergezet wordt, is volgens voorzitter Ryan Sidin van het universiteitsbestuur ver onder de maat.




Oproep voor sollicitatie 
“Het gaat niet alleen om onderwijs geven, maar om alles wat daarmee te maken heeft”, zegt Sidin in gesprek met Starnieuws. Op een wetenschappelijke instelling als de Anton de Kom Universiteit van Suriname, met een studentenbestand van 5000, zijn er meer dan 1400 studielimieters, zegt de Adek-bestuursvoorzitter. De instelling heeft nu een algemene oproep gedaan aan hoogopgeleiden in Suriname om te solliciteren. Sidin zegt dat gezien de voorlopige registratie het vrijwel zeker is dat de universiteit zal moeten uitkijken naar buitenlandse wetenschappers. Gedacht wordt om docenten te halen uit onder andere Brazilië.

Naast het gemis aan kader met een doctoraal of PHD, zijn er ook weinig ervaren docenten. Het tekort heeft direct effect op de kwaliteit van het onderwijs. Vooral als het gaat om het begeleiden van studenten in een afstudeerfase zijn er grote problemen. Sidin legt uit dat het nu ook voorkomt dat een begeleider per jaar twintig studenten bijstaat bij het afstuderen. Dat is volgens hem een zeer verontrustende situatie en is het effect daarvan ook te zien aan de lange perioden van afstuderen en alle problemen die komen bij kijken. 

...complex...


Complex probleem 
Het bestuur heeft nu een exercitie gepleegd en het blijkt volgens Sidin dat het probleem veel groter en complexer is. Er zal dringend een oplossing gevonden moeten worden. Een daarvan is om in een periode van vijf tot zes jaar wetenschappers uit binnen- en buitenland aan te trekken. In die periode zal gekeken worden hoe met beurzen en studiefinanciering eigen krachten op te leiden in het buitenland. Met die mensen zal op basis van afspraken en een dosis vertrouwen geprobeerd worden een begin te maken aan het wegwerken van het tekort. Sidin zegt dat er op de universiteit nogal wat docenten rondlopen die zo na hun afstuderen binnen een maand al docent worden. “Zonder enige ervaring of zelfs te zijn ingewerkt”, zegt Sidin.

De wetenschapsbeoefening van de universiteit komt volgens de bestuursvoorzitter niet tot zijn recht. Van de drie taken, onderwijs, onderzoek en dienstverlening, wordt geprobeerd zo goed als mogelijk inhoud aan te geven. “Van onderzoek en dienstverlening komt weinig terecht’, zegt Sidin. Los van degene die wel wat onderzoek doen, geniet onze universiteit zeker geen prijs daarvoor”, verzucht Sidin. 

[uit Starnieuws, 27 maart 2013]



Componeer een lied voor 150 jaar Afschaffing Slavernij


Prijsvraag
Componeer een lied van maximaal 4 minuten in elke gewenste genre met als thema ´150 jaar Afschaffing Slavernij’ en draag zorg voor de uitvoering daarvan (zelf of door anderen) door niet meer dan vijf personen. De taalkeuze is vrij, wel moet er eventueel een vertaling in het Nederlands bijgesloten zijn, dit om de toegankelijkheid te vergroten.
Stuur een mp3 bestand met het uitgevoerde nummer naar het mailadres: firifm@hotmail.com

Doe daarbij in een bijlage: 1. De titel van compositie en de tekst van het lied
2. Je naam en contactgegevens en de namen van de betrokken musici en eventueel hun instrument.

Deelname
De deelnemer aan dit project (individu of groep) is en blijft de eigenaar van haar/ zijn compositie. Het comite heeft na inzending het recht om het lied tot en met 1 juli 2013 te laten horen in de media. De deelnemer behoudt verder alle rechten op zijn/haar compositie en de deelnemer mag zijn/haar lied uiteraard, buiten de competitie, in grotere bezetting laten uitvoeren.
Over de uitslag van de jury kan niet worden gecommuniceerd.

Sluitingsdag
Inleveren kan van 10 april 2013 0.00 uur tot 1 juni 24.00 uur

Prijs
Alle inzendingen zullen in de maand juni te beluisteren zijn op de zondagmiddaguitzending van FiriFM (van 16.00 tot 19.00 op 107.9 e/15.5 kabel) en van andere oproepen.
Door een driekoppige jury zullen alle inzendingen anoniem worden beoordeeld.
De winnaar krijgt:
1. Een professionele opname van zijn of haar lied uitgevoerd door niet meer dan vijf personen
2. Een optreden met het winnende nummer op het hoofdpodium van het Keti Koti Festival op 1 juli 2013 in het Oosterpark in Amsterdam. De vertolker van het lied treedt op met een orkestbandje.
3. Een beker en oorkonde.

Uitvoering Project
Dit project ´Componeer een lied 150 jaar Afschaffing Slavernij´ wordt uitgevoerd door het comité ´ Componeer een lied 150 jaar Afschaffing Slavernij´ en bestaat uit Florence Rustveld van radio-omroep FiriFM en Henna Goudzand Nahar hoofdredacteur Oer Digitaal Vrouwenblad.
Het comité wordt in de uitvoering van dit project bijgestaan door Jurre Wieman (producer professionele opname), de organisatoren Keti Koti Festival (het bieden van een podium op 1 juli 2013) en de muziekjury t.w. Vincent Henar, Sanne Landvreugd en Gilda Dannarag.

Dit project is ideëel en wordt dus uitgevoerd zonder subsidie of geldelijke schenkingen. Alle hierboven genoemde partijen t.w. het comité, de jury, de organisatoren van het Keti Koti Festival en de producer werken op een vrijwillige basis mee aan het project.

Charlotte Doornhein: De cultuurmakelaar onder de zon (2 en slot)

door Quito Nicolaas

Haar wereld is net een postzegel en kent geen landsgrenzen. Ze schuift ze heen en weer tussen de wereld-delen. Ze heeft weinig moeite om op het ene moment een kinderboek te schrijven en een volgende keer een jeugdroman. Achtereenvolgend schreef ze Hein Stekel en László (2005), Hein Stekel en Posko (2007), László vermist (2008), Imre bouwt mee (2008), Shervison vindt een schat (2009), Shervison ta deskubrí un tesoro (2010) en Kwelgeesten rond de kapokboom
(2011) Behalve kinderboeken schrijven doet ze nu ook een gooi naar de poëzie. Het zal niet lang meer duren dat wij kennis maken met het poëziewerk van Charlotte Doornhein.

Je schrijft ook kinderboeken en hebt inmiddels al een paar titels gepubliceerd. Vertel wat meer over je kinderboeken.
Ik leef eigenlijk in drie werelden: de Nederlandse, Hongaarse en Caribische wereld. Mijn kinder- en jeugdboeken laten een duidelijke afspiegeling van die verschillende werelden zien. Ik probeer boeken te schrijven die voor kinderen èn volwassenen boeiend zijn om te lezen. De lezer krijgt daarbij een actieve rol en wordt betrokken in het verhaal. In sommige verhalen heb ik dat heel expliciet gedaan door vragen te stellen of opdrachten uit te laten voeren. In andere verhalen is het subtieler verwerkt. Zo is mijn jeugdboek László vermist een soort puzzel met twee hoofdpersonen en twee tijdlijnen. De lezer krijgt kleine brokjes informatie en hints aangereikt. Een deel van het verhaal speelt zich in de fantasie van de lezer af. Aan het eind wordt alles duidelijk en vallen alle puzzelstukjes op hun plaats.

In je boeken komen verschillende boodschappen naar voren zoals vrijheid, standvastigheid en een eigen koers varen. Hoe vertaal je dit naar het niveau van een kind? 
Dat kan op verschillende manieren. Een eigenwijs kind als hoofdpersoon opvoeren. Ouders die het ook niet altijd weten of juist lekker fout doen. In de fantasiewereld van het kind een diepere boodschap verstoppen. Belangrijk is dat je als kinderboekenschrijver niet te moraliserend bent en ook niet ‘op je knieën’ een verhaal probeert te vertellen.

Als kinderboekenschrijfster was je ook een van de eersten die met een boeken app Lettervreters (2012) op de markt kwam en met multimedia experimenteert. Richt je je dan meer op een nieuwe generatie lezers?
Absoluut. Ik probeer de nieuwe generatie lezers te bereiken in hun belevingswereld. Kinderen van nu zijn voortdurend bezig met allerlei apparaten en spelen veel spelletjes of kijken filmpjes. Ik promoot tijdens mijn klassenbezoeken dat je óók boeken kunt lezen op deze apparaten. Boeken met geluiden en tekeningen die je zelf kunt laten bewegen.

Mijn boeken app Lettervreters, vuurtorens en piratenboten voor op de iPad is daar een mooi voorbeeld van. Bij de groep jongvolwassenen lijkt de mobiel wel aan hun hand vastgegroeid. Daar kun je op inspelen. In mijn boek Kwelgeesten rond de kapokboom staan QR-codes die lezers met hun smartphone kunnen ‘kraken’. Je ziet dan bijvoorbeeld op je smartphone een video van een stervende hond die tot je spreekt.

De interactieve boeken app Lettervreters is in verschillende talen vertaald, waaronder het Papiamentu. Hoe verloopt de verkoop hiervan op de eilanden?
Je hebt om dit boek te kunnen lezen een iPad nodig. Het zal niemand verbazen dat er meer downloads in Nederland dan op de eilanden plaats vinden. Vroeger had bijna niemand een smartphone. Tegenwoordig heeft iedereen in het Koninkrijk der Nederlanden er één. Met de iPad en tablets zal het dezelfde kant opgaan; elk gezin een tablet. Er zijn overigens al pilot scholen in Nederland die geen boeken meer hebben voor hun leerlingen; elke leerling heeft een iPad waar het lesmateriaal op staat. Wie weet wat de toekomst brengt…

Je schrijft ook gedichten en korte verhalen. Hebben deze teksten een relatie met de eilanden? Je wordt als schrijver geïnspireerd door de omgeving waarin je woont. Mijn oudere werk is Nederlands en Hongaars georiënteerd. Mijn werk van de laatste jaren heeft zeker een link met de eilanden.

Voorheen schreef ik vooral gedichten voor volwassenen. Dit jaar verschijnen er van mij gedichten voor de jeugd over Caribische beesten. Deze gedichten zullen met bewegende illustraties op de site Xarisma worden gepubliceerd (Xarisma). Tevens verschijnt dit najaar mijn spelletjes- en activiteitenboek met de veelzeggende titel Curaçao voor kinderen met lef bij Levendig Uitgever. Dit boek past prima in het kinderboekenthema van 2013 Sport en Spel: Klaar voor de start! en zal op Curaçao en in Nederland verkrijgbaar zijn (zie ook http://www.levendiguitgever.nl).

Sluit ik af met een vreemde eend in de bijt. Op speciaal verzoek heb ik het Nigtevechts Volkslied geschreven. Ook een soort gedicht. Jazzpianist Michiel Borstlap componeert de muziek bij dit volkslied. In september zal het tijdens het Nigtevechts Muziekfestival voor het eerst te horen zijn.

Burgemeester Joyce Sylvester: “Dokter Sophie Redmond inspireerde mij”

door Stuart Rahan
Joyce Sylvester


Amsterdam - In een overvolle zaal bij de Vereniging ‘Ons Suriname’ hield dr. Joyce Sylvester, burgemeester van Naarden, op zondag 17 maart de eerste dr. Sophie Redmond-lezing. De volgens Sylvester te vroeg overleden Sophie Redmond heeft haar in die mate geïnspireerd dat er enkele overeenkomsten zijn.
"Je kunt je ontwikkelen, deuren openen voor anderen en genieten van de hobby's in het leven." Sophie Redmond werd 'dokteres', speelde viool en schreef toneelstukken. Joyce Sylvester haalde haar doctoraatsgraad Staatsrecht en werd burgemeester. In haar vrije tijd is zij operazangeres.

Voorloper
Nu zijn er meer vrouwelijke artsen in Suriname. Sophie Redmond is wat dat betreft een voorloper geweest van de emancipatiebeweging in Suriname. Ze toonde met haar achtergrond aan dat vrouwen zich konden ontwikkelen. "Daarmee gooide zij een steen in de vijver", onderstreepte Sylvester haar kracht. Zij gaf ook aan dat de groep vrouwen van het kaliber Sophie Redmond groter werd doordat de wetgeving vrouwen gelijkstelden aan mannen. Helaas blijkt Joyce Sylvester de enige vrouwelijke burgemeester van Surinaamse afkomst.

Discriminatie
Toentertijd was het geen optie om als donkere creoolse vrouw een doktersopleiding te volgen. Het hoogst haalbare was onderwijzeres. De elite lichtkleurige samenleving eigende zich dat voorrecht toe. Die discriminatie merkte Sophie Redmond dan ook gedurende de opleiding. Zij slaagde er desondanks in om op 28-jarige leeftijd haar studie als arts af te ronden. Ook werd zij politiek actief. Als onafhankelijke kandidaat stelde zij zich verkiesbaar. Zij werd niet gekozen. Redmond overleed op 18 september 1955 in het 's Lands Hospitaal nadat zij eerder op de dag onwel was geworden tijdens een vergadering. Uit de zaal wist iemand te vertellen dat zij net terug was van een bezoek aan Para. Of er een verband met het bezoek en haar vroegtijdige dood was, kon niet met zekerheid gezegd worden.
Sophie Redmond

Inhaalslag
Joyce Sylvester keek ook verder dan de Surinaamse en Nederlandse grenzen waar vrouwen het niet altijd even gemakkelijk hebben. De inhaalslag moet nog gemaakt worden. "Ik vind het vandaag de dag niet vanzelfsprekend dat vrouwen zich kunnen ontwikkelen op allerlei gebieden. Wereldwijd is er nog flink wat werk te verrichten." Als het om de Nederlandse politiek gaat ziet zij veel mogelijkheden voor minderheden als Surinamers. Die kansen moeten als het haar ligt, aangegrepen worden. In haar eigen Partij van de Arbeid blijkt er ook weinig animo te zijn. Om daar invloed op uit te kunnen oefenen, maakt zij deel uit van de selectiecommissie voor de gemeenteraadsverkiezingen van volgend jaar. Zij riep het overwegend Surinaamse publiek dan ook op massaal te reageren en de politiek op deze manier meer kleur te geven. Zij schetste een beeld van weinig kleur in de Tweede Kamer. Drie van de honderdvijftig leden hebben slechts een Surinaamse achtergrond. Dat aantal is bedroevend, zeker als je de Eerste Kamer bekijkt. Zij blijkt de enige met een Surinaamse achtergrond. "Ik ben voorstander van het instellen van quota in combinatie met monitoring", is haar voorstel ter verbetering van de situatie waarin zij liever praat over een glas dat half vol is.

Thea Doelwijt en Romeo Hoost


Succesvol
De eerste Sophie Redmond-lezing werd afgesloten met de vertoning van een korte verfilming van het toneelstuk Misi Jana e go na stembus. Het stuk is geschreven door Sophie Redmond en bewerkt door toneelschrijfster Thea Doelwijt. De organisatie van deze succesvolle middag was in handen van Cheryl Vliet en Anita Plowell van Stichting Double Seven FM. De tweede Sophie Redmond-lezing staat als gepland voor volgend jaar waar weer een prominente Surinaamse vrouw een inleiding zal verzorgen.

[uit de Ware Tijd, 22/03/2013]

De kris, een ritueel wapen voor status, zelfvertrouwen en leiderschap

Javaanse cultuur (deel 5)

  
door Charles Chang

Wijs er niet mee of steek het niet in de voetsporen van een persoon. Anders zal de dood spoedig volgen. Over de kris, of keris in het Indonesisch, wordt veel gezegd. Het is een magisch steekwapen met een ziel.

Een verzamelaar toont het vakmanschap waarmee een kris wordt gemaakt. Het handgemaakte wapen heeft een perfecte balans.


In vroegere tijden droegen soldaten een kris als back-up wapen op het slagveld. Het golvende lemmet bracht meer schade toe aan de tegenstander dan een gewone, rechte dolk. Later droegen ook gewone burgers een kris uit zelfverdediging. Het bloedige imago van de kris behoort inmiddels tot het verre verleden. Nu wordt deze dolk met mystieke krachten sterk geassocieerd met de Indonesische cultuur, alhoewel de kris ook voorkomt in de Maleisische en Filippijnse cultuur.
De kris hoort bij Indonesische ceremoniële kleding en wordt vooral gedragen bij speciale gelegenheden, zoals een huwelijk en op Sasi Sura, het Javaanse Nieuwjaar. Ze worden niet meer gedragen als wapen, maar voor status, zelfvertrouwen en leiderschap. In Indonesië dragen niet alleen mannen, maar ook vrouwen een kris. De vrouwelijke kris is echter veel kleiner, vaak niet groter dan een balpen. Uit harmonie en vrede dragen de Javanen het rituele wapen traditioneel laag op de rug. Bij de Balinezen ligt de kris juist hoog en steekt het handvat boven de rechterschouder uit, terwijl op het eiland Sulawesi de kris op de heup of buik wordt gedragen.
Afbeelding van een kris op de Borobodur.Foto Gunawan Kartapranata

Oorsprong
De eerste afbeelding van een kris vind je op de Borobudur, het boeddhistische bouwwerk uit het jaar 825 na Christus in Yogyakarta. Een andere studie wijst uit dat de kris pas in het midden van de zeventiende eeuw haar intrede deed in Indonesië. Maar wat vaststaat, is dat de kris haar oorsprong heeft vanuit de Hindoecultuur, die van grote invloed was op de Zuid-Oost Aziatische archipel, voordat de Islam haar intrede deed.

Het bekendst zijn de krisdolken uit Java en Bali. Het asymmetrische lemmet is breed van onder en heel smal bij de punt. De oude kris was recht, later kreeg het lemmet een golvende vorm. Het aantal golven is altijd oneven. Het lichtgebogen handvat doet denken aan een klein pistool en kan gemaakt zijn van hout, goud of ivoor. De Balinese soorten zijn sierlijker en soms bezet met edelstenen. De schede is gewoonlijk van hardhout en soms gedecoreerd met metalen motieven. Vanaf 2005 staat de kris van Indonesië op de Lijst van Meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid van de UNESCO.
De kris een ritueel wapen. Het wordt echter niet meer gedragen als wapen, maar eerder voor status, zelfvertrouwen en leiderschap. In Indonesië dragen ook vrouwen een kris.

Spiritueel geladen
Een kris kan een gewone dolk zijn of spiritueel geladen. Het 'laden' gebeurt al tijdens het maken of de empu of ijzersmid spreekt op een bestaande kris in. Empu's zijn zeer gerespecteerd en verstaan de kunst om ijzer en staal laag voor laag te bewerken. Dit kan soms maanden in beslag nemen. Toen het vroeger nog als vechtwapen diende, hadden empu's de geheime kennis om gif in het metaal te verwerken. Voordat hij aan de bijzondere taak van het laden begint, zondert de empu zich af in de bergen om te vasten en bidden. Hij kiest een speciale dag uit en houdt vooraf een slametan-ceremonie. Als schepper laadt hij de kris door tijdens het smeden gebeden op te zeggen.

Empu Basuki Teguh Yuwono, april 2011. Foto Alain Debuissy


Gouden regen
Suriname heeft geen empu's, maar wel krisverzamelaars. De heer Kromo uit Lelydorp is zo'n gepassioneerde verzamelaar, maar wil liever niet met zijn naam in de krant. Hij laat zijn kris met de fijne, cirkelvormige pamor of patroontekening van nikkel zien. "Net als regendruppels op water. Dit noemen ze udan mas, gouden regen, en is geschikt voor een handelaar."
Volgens Kromo worden krissen gemaakt om de mensheid bij te staan. "De verschillende soorten zijn bedoeld voor verschillende maatschappelijke functies", legt hij uit. "Een kris voor een politicus moet de spraakvaardigheid bevorderen en heeft daarom vijf bochten die verwijzen naar de vijf pendawa'sin het Mahabharata epos." Vervolgens laat Kromo een kris zien die veel golven heeft, meer dan twintig. "Deze is voor een sultan of koning. Hij verwijst naar een bewegende slang of draak en staat symbool voor autoriteit." Volgens hem bestaan er meer dan tweehonderd standaardvormen voor de kris en voor de nikkelpamor meer dan zeventig figuren.

Magie
Maar niet alleen het uiterlijk van de krissen is divers; ook de spirituele inhoud kan sterk verschillen. Er zijn krissen die van oorsprong zijn gevuld met boeddhistische gebeden, hindoeïstische mantra's of met islamitische doha's. Hierover zegt Kromo: "Het is geen occultisme, maar eerder magie. De empu maakt als het ware een kopie van zichzelf."
"Jij gaat niet zoeken naar een kris, het komt vanzelf naar jou, je krijgt er dan één die bij je past," zegt Kromo mysterieus. Als pusaka of erfgoed van de familie wordt een kris doorgegeven van generatie op generatie. Het wordt daarom ook wel gezien als een belichaming van de voorouders. Je hoort het dan ook te krijgen, je koopt er niet één zelf. Als er wordt betaald voor een kris, dan moet dit gezien worden als het geven van een bruidsschat of symbolische waardering.
In deze magische wereld spreekt men bovendien niet over het hebben van een kris, maar over eenwording met een kris. Niet eenieder kan elke dolk dragen of er een spirituele verbintenis mee aangaan, tenzij het een ongeladen of souvenirmodel betreft. Voor een betere communicatie legt men het heilige voorwerp bij het slapen onder het slaapkussen.

Een kris in Naga stijl uit Bali


Stigma
Juist door zijn magische kracht willen sommige families er echter liever niet mee te maken hebben. Door informatie te geven, wil Kromo het stigma op de kris wegwerken. "Er bestaat veel onwetendheid. De kris heeft een ziel en dient met respect te worden behandeld. Bij elke Sasi Sura maak je het blad schoon met citroen of citroenzuurhoudende middelen. Het haalt de roest weg en de pamorfiguren worden dan weer duidelijk zichtbaar." Hij vervolgt: "Ik verdiep me in de kris, omdat ik er interesse voor heb, maar ook omdat het deel is van mijn cultuur. Het zegt ook iets over de historie en het erfgoed van Javanen."

Krisdans op Bali. Collectie Tropenmuseum


Uniek
Elke handgemaakte kris is uniek en kent geen tweede die erop lijkt. Vandaar dat verzamelaars de kris ook zien als een collectors item. Er bestaan verhalen over legendarische krissen met supernatuurlijke krachten. De eerste in Suriname kwamen mee als beschermwapen van de Javaanse contractarbeiders. Het waren vaak jonge arbeidskrachten uit de lage sociale klasse, die weinig afwisten van hun cultuur. Hierdoor was de overdracht gebrekkig en werd de kloof groter na elke generatie.

Kromo vermoedt dat dit de oorzaak is dat veel krissen van de hand zijn gedaan of begraven. Echter constateert hij tegenwoordig een groeiende belangstelling voor de kris bij zowel jong als oud. "En niet alleen bij Javanen, ik ken ook niet-Javanen die zich verdiepen in de culturele waarde van de kris." Het heeft voor de Javanen echter wel sterk te maken met nostalgie en een eigen identiteit, zegt Kromo. "Ze beseffen dat de cultuur uitsterft als ze er niets mee doen. De kris is een traditie en het verzamelen ervan is net als het verzamelen van een kunstwerk, dat in waarde stijgt."

[uit de Ware Tijd, 30/03/2013] 

Parbo versus Parbo versus Parbo


door Jacques Noël

  
Bier is één van de oudste dranken ter wereld, mogelijk daterend van 9500 voor Christus, toen graan voor het eerst werd gekweekt. Dat werd opgenomen in de geschreven geschiedenis van het oude Irak en het oude Egypte, vandaar dat we dat nu weten. Germaanse en Keltische stammen verspreidden bier in Europa zo ver terug als 3000 voor Christus.

De basisingrediënten voor bier zijn water, een zetmeelbron (zoals gerstemout) die kan versuikeren en vervolgens kan fermenteren, een gist voor de fermentatie en een smaakstof zoals hop. Een secundaire zetmeelbron, zoals maïs, rijst of suiker, kan ook gebruikt worden, zeker als een goedkope vervanger van gerst.

Vóór 2004, toen een golf van fusies en overnames op gang kwam, zag het internationale bierlandschap er als volgt uit. De grootste brouwer ter wereld (bij geproduceerd volume) was het Amerikaanse Anheuser-Bush, gevolgd door het Engelse SABMiller, derde was het Belgische Interbrew, vierde het Nederlandse Heineken International en vijfde het Braziliaanse AmBev. Al deze maatschappijen waren het resultaat van eerdere fusies of overnames. SABMiller vindt zijn oorsprong in de oprichting van het Castle Breweries in 1895 in Johannesburg, Zuid-Afrika. De roots van Interbrew gaan terug tot 1366 in Den Horen in Leuven toen Brouwerij Artois werd opgericht. Heineken werd opgericht in 1864 doorGerard Adriaan Heineken. AmBev, formeel Companhia de Bebidas das Americas, werd in 1999 opgericht.
In 2004 fuseerden het Belgische Interbrew en het Braziliaanse Ambev in Inbev. In 2008 kocht Inbev Anheuser-Bush voor USD 52 miljard. Anheuser-Bush Inbev werd daarbij de grootste brouwer ter wereld.

Voor wat betreft onze nationale trots: Parbo Bier is een Surinaamse brouwerij die voorheen deel uitmaakte van Amstel, maar sinds de fusie in 1968 een dochteronderneming van Heineken is. De Surinaamse Brouwerij N.V. ontstond in 1954. De grondleggers van de onderneming waren de gebroeders Piet en Arthur Dumoleijn. De bouw vond plaats in samenwerking met de Amstel Brouwerij uit Nederland. Op 28 oktober 1955 werd de Surinaamse Brouwerij geopend door Prins Bernhard. In dat jaar werd ook het eerste Parbo Bier gebrouwen.




De feiten op een rij
De volgende Parboproducten hebben we onder de loep genomen: het 25cl flesje en de 33cl en 50cl blikken.

Parbo bier wegwerpflesje
Inhoud: 25 cl
Prijs: SRD 3.25 (omgerekend SRD 6.50 voor 50 cl)
Parbo bier blik
Inhoud: 33 cl
Prijs: SRD 3.25 (omgerekend SRD 5.07 voor 50 cl)
Parbo bier blik
Inhoud: 50 cl
Prijs: SRD 4.50

Beschrijving
Alle Parboproducten hebben uiteraard dezelfde ingrediënten: water, gerstemout, rijst en hop. Zoals eerder vermeld is rijst de secundaire zetmeel bron.

Conclusie
Wat voor mij totaal onbegrijpelijk is, is het feit dat Parbo bier in deze tijd van verhoogd milieubewustzijn zich niet schaamt om een wegwerpflesje op de markt te brengen. Op het etiket staat in piepkleine letters vermeld: "Geen statiegeld". Is dit misschien het beleid van Heineken?
Het 25cl flesje is daarnaast een peperdure aankoop. Je betaalt SRD 13.00 per liter! Geef me dan liever die goeie ouwe dyogo.
Uit de drie soorten Parbo is de 50 cl blik uiteraard de meest verantwoorde keuze voor een flinke dorst. En lid worden van de 25 cl club? Ik denk er niet aan.

[uit de Ware Tijd, 23/03/2013]

 Reacties:j.noel@dwt.net

Schrijfster Aya Zikken overleden

Zikken op een foto uit 1966 in een pand aan de Rozenstraat in Amsterdam. ANP


 door Pim van den Dool

Schrijfster Aya Zikken is op 22 maart op 93-jarige leeftijd overleden. Dat heeft haar dochter vanmiddag aan persbureau ANP laten weten. Zikken schreef tientallen boeken, vooral over Nederlands Indië. De Atlasvlinder uit 1958 was haar bekendste boek.

Zikken deed in tal van boeken verslag van haar vele reizen door Nederlands Indië, waarbij ze een synthese probeerde te creëren tussen reisverhaal en roman, schreef Kester Freriks in 2001 in NRC Handelsblad. “Zoals Zikken het oude Indië weergeeft is het alsof ze een foto van toen beschrijft, waarop alles stilstaat”, aldus Freriks.

Zikken werd geboren in 1919 in het Gelderse Epe en verhuisde op haar zevende met haar ouders naar Indonesië, waar ze tot haar twintigste zou blijven wonen. Over hoe het land tijdens haar reizen haar inspireerde zei ze in 1997 in NRC:
“Ik reis eigenlijk vooral om verhalen van mensen te horen. Ik sta open voor hen, ben een luisteraar geworden. In Nederland kan ik minder goed luisteren, daar wel. Ik geef woorden aan, een kleine handreiking, en heel langzaam, stukje bij beetje, komt het levensverhaal eruit.”

Anna Bijns Prijs
In 1997 kreeg Zikken de Anna Bijns Prijs, de prijs voor de vrouwelijke stem in de literatuur. Daarover zei ze destijds:
“Als er een vrouwelijke stem bestaat dan zou er ook zoiets zijn als een mannelijke stem in de literatuur. Ik heb daarover nooit nagedacht. Als kind wilde ik ontdekkingsreiziger worden, maar er valt nog maar zo weinig te ontdekken. Eigenlijk is alles al ontdekt en naarmate je ouder wordt, blijft er steeds minder over.”
Zikken overleed in haar woonplaats Norg in Drenthe. Uitgerekend deze week verscheen haar biografie Alles is voor even van Kees Ruys. Zikken wordt maandag in besloten kring gecremeerd.

[uit NRC, 23 maart 2013]

vrijdag 29 maart 2013

Artistieke vrijheid niet zonder grenzen

door Ginny Roos en Donovan Mijnals

“Ik denk dat er grenzen zijn, rekening houdend met ethische normen binnen een samenleving”, vindt Carl Breeveld van de éénmansfractie DOE. Net als de politicus delen ook korpschef Humphrey Tjin Liep Shie en de Schrijvergroep ’77 het standpunt dat de expressie van artiesten, zij het in muziek of poëzie, altijd verantwoord moet geschieden.

Reinforcement hield op 23 februari een reünieshow. Djoeka Lawtje werd van het podium gehaald vanwege het gebruik van ongepaste taal. Dit riep de brandende vraag op: in hoeverre bestaat artistieke vrijheid?
 Foto © Irvin Ngariman

Het van het podium verwijderen van Djoeka Lawtje tijdens de reünie van Reinforcement op 23 februari heeft heel wat stof doen opwaaien. Is de artistieke vrijheid grenzeloos?
"Het is niet aanvaardbaar als onder het mom van artistieke expressie personen of groepen worden beklad of dat er tot haat of discriminatie wordt opgeroepen." Breeveld ziet graag dat artiesten meer handelen op basis van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. "Sprekend in een openbare vergadering in De Nationale Assemblée genieten de leden immuniteit. Tóch is het maatschappelijk onacceptabel als daar allerlei groffe, opruiende of racistische taal zou worden gebruikt." Volgens de parlementariër zou zelfcensuur moeten worden toegepast. Dit neemt niets weg van de kunst, maar getuigt juist van verantwoordelijk gedrag.
Zoals gebruikelijk is de politie aanwezig bij shows. Zij kunnen besluiten om een optreden stop te zetten, zoals ze dat bij Djoeka Lawtje hebben gedaan.

"Het komt voor dat sommige artiesten het controversiële opzoeken, omdat dat verkoopt of stoer overkomt. Vloeken en het stimuleren van destructief gedrag is onacceptabel." Hij heeft daarom een oplossing om gevallen als van Djoeka Lawtje tijdens de Reinforcement-reünie te voorkomen: "Ik denk dat er een organisatie van artiesten nodig is, die een 'code of conduct' moet vaststellen." De morele gedragsregels zouden volgens de politicus in samenwerking met andere belangrijke actoren binnen de samenleving moeten worden bepaald. "Dit is belangrijk bij optredens van artiesten voor het grotere publiek en in het bijzonder waar jongeren en kinderen aanwezig zijn. Hierdoor kan optreden door de politie worden voorkomen. De politie is er immers om de openbare orde en veiligheid te garanderen."
Ismene Krishnadath wijst op een goed boek

Literair functioneel
Een 'code of conduct' werd overigens al gehanteerd door Schrijversgroep '77. "Aanvankelijk gaven wij als instructie dat er geen liederlijke taal en beledigingen gebezigd mochten worden", zegt voorzitter Ismene Krishnadath bedachtzaam. Die regel stuitte echter op kritiek van binnen de organisatie zelf. Immers is een schrijversgroep bij uitstek de plaats waar vrijheid in de taal zo breed mogelijk beleefd moet worden. Nadat die kritiek werd geuit, kwam de groep tot de conclusie dat buitensporig taalgebruik wel geoorloofd is, mits het 'literair functioneel' is. Krishnadath zet haar verhaal even 'on hold'. Alsof ze haar woorden wil laten bezinken voordat ze verder uitlegt. "Als je een karakter in een tekst iets wilt laten zeggen, kun je niet om bepaald woordgebruik heen." Op die manier kan het volgens de schrijfster juist de bedoeling van de artiest zijn om een statement te maken.

Toch behoort volgens haar niet zomaar alles onder de noemer 'literair functioneel' geplaatst te worden. Als iemand buiten zijn teksten om zomaar op het podium staat uit te schelden, dan is dat volgens de voorzitter in strijd met de sociale orde. "Ik ken de wet op dit stuk niet zo goed, maar ik weet wel dat je niet beledigend mag zijn", stelt ze. Maar ook bij de evenementorganisaties moet bekend zijn welk vlees ze in de kuip hebben bij hun activiteiten. En op basis daarvan moet vooraf regulerend opgetreden worden, vindt Krishnadath. "Stel een leeftijdsgrens vast", oppert ze. Echter zijn ook de happenings van de schrijversgroep zonder restricties voor eenieder toegankelijk. Daarmee geconfronteerd denkt ze hoorbaar diep na. De uitkomst is echter wel aannemelijk: "We kennen ons publiek. Onze bijeenkomsten worden overwegend door ouderen bezocht. Kinderen komen alleen op speciale gelegenheden."

Asociaal
Het gebruik van krachttermen op het podium waar massa's van jongeren aanwezig zijn staat volgens Breeveld vooral op gespannen voet met opvoedkundige principes. "De clips van 50 Cent, Nelly en dergelijke artiesten laten zien hoe 'gangsters' zijn. Er is geen respect voor anderen en er zijn jongeren die zich graag identificeren met deze artiesten. Dit bevordert a-sociaal gedrag waar we als samenleving als geheel de wrange vruchten van (zullen) plukken." In de muziekindustrie staat achter de titels van bepaalde liedjes 'explicit'  in een rood kader, wat aangeeft dat sommige woorden in de tekst grof, kwetsend of aanstootgevend kunnen zijn. "Deze maatregelen vloeien ook voort uit maatschappelijk verantwoord gedrag, dat steeds aan de basis moet staan van een gezonde samenleving."
Korpschef Humphrey Tjin Liep Shie

Orde en rust
Korpschef Humphrey Tjin Liep Shie bekijkt de situatie vanuit zijn ambt. "In mijn optiek is artistieke vrijheid het recht van de artiest om zich vrijelijk te uiten binnen de grenzen van wat wettelijk toegestaan en maatschappelijk aanvaardbaar is." Echter resulteert deze vrijheid soms in gebruik van krachttermen in het bijzijn van kinderen, het uiten van ernstige beledigingen of oproepen tot rassenhaat die de maatschappelijke orde en rust ernstig kunnen verstoren."De politie zal in twijfelgevallen liever moeten afzien van ingrijpen, maar wanneer zich overduidelijke gevallen voordoen zal moeten worden opgetreden."
Toch zal dat niet impulsief geschieden; "Bij een optreden waar veel publiek aanwezig is zal optreden zorgvuldig moeten worden afgewogen- immers een escalatie kan gevolgen hebben die niet te overzien zijn." Tjin Liep Shie geeft aan dat eventueel het opmaken van proces-verbaal tegen de artiest zou kunnen worden overwogen. "Overigens kan het achteraf een discussie opleveren welke woorden als krachttermen (of liederlijke taal, zoals de wet deze noemt) moeten worden beschouwd. De perceptie over de woorden die als liederlijke taal moeten worden beschouwd, verandert met de tijdgeest." Concluderend stelt de korpschef dat "zoveel mogelijk de artistieke vrijheid gerespecteerd moet worden en slechts in extreme gevallen politieoptreden moet plaatsvinden."

Aanpassen
Ook is interessant te weten wat een artiest zelf denkt over vrijheid en zelfcensuur op het podium. Van rapper en ondernemer Crazy-G is bekend dat hij geen blad voor de mond neemt als hij zijn mening moet ventileren. "Maar ik scheld niet zo gauw uit en zou geen krachttermen gebruiken bij een show waar kinderen zijn", stelt hij. Direct daarop aansluitend vindt de artiest dat hij niet het recht heeft voor een ander te bepalen hoe die zijn show draait. Als individu moet je zelf je grenzen weten te bepalen.
"Maar je moet je ook aanpassen aan je publiek. Efu yu syi taki na wan lo fayaman yu no kan go taki lief", klinkt het relativerend. Ook Crazy-G vindt dat de organisatie verantwoordelijk moet worden gehouden voor hetgeen ze presenteren: zij moeten de artiesten screenen en weten wie ze binnenhalen. "Want dat bepaalt het karakter van een show. Mensen moeten een keus hebben", beoordeelt hij indringend. En dat zou ook tot de rol van de organisatie moeten behoren: het publiek informeren welke show ze voorbereiden en daar restricties op leggen.
Een seksshow in Suriname

Verklaring
Ter illustratie noemt de artiest een fenomeen dat de laatste tijd de kop opsteekt. "Over de seksshows die de laatste tijd worden gegeven, hoor je toch ook niks?" Een retorische vraag. Er is inderdaad opvallend weinig ophef rondom dat relatief nieuwe verschijnsel waarin onder meer mannelijke en vrouwelijke strippers zich van hun beste zijde tonen. Maar die stilte heeft volgens de rapper een logische verklaring. Gegadigden weten vooraf wat voor soort show het is en niet eenieder komt zomaar binnen. "En als ik mijn huiswerk heb gedaan, dan vind ik als organisatie niet dat de politie kan bepalen hoe mijn show eruit moet zien. Trouwens de politie praat zelf ook met krachttermen, hoe kunnen ze dan verwachten dat de gewone man dat niet doet", kan hij niet nalaten op te merken.

[uit de Ware Tijd, 16/03/2013]

Charlotte Doornhein: De cultuurmakelaar onder de zon (1)

door Quito Nicolaas     
        
 Charlotte Doornhein. Foto © Marloes Voogsgeerd

Charlotte Doornhein heeft gedurende haar verblijf op Curaçao zich op verschillende manieren ingezet om de wereld van de kleine kunst en cultuur nieuw leven in te blazen. Ze is een geëngageerde vrouw die een bepaalde visie heeft van het eilandgebeuren en hoe dat anders moet. Doornhein weet haar concepten goed te verkopen, alleen de tijdsfactor en medewerking van anderen ontbreken nog. Charlotte Doornhein geldt – in een tijd dat iedereen naar nieuwe ideeën uitkijkt of oude recepten uit de kast haalt - als een innovator in het literaire landschap.

Op Curaçao heb je je naam gevestigd als bedenker van het concept en oprichter van het festival de Literaire Tippelzone. Hoe is dit idee ontstaan?
Naar de traditionele literaire café’s en literaire evenementen gaat een kleine elitaire groep. Ik wilde een festival voor iedereen maken. Laagdrempelig en goedkoop. Voor jong en oud. Voor de verschillende culturen die op het eiland leven. Verschillende literaire genres in vier talen op straat laten zien. Een festival waarbij je niet slechts naar literatuur kunt luisteren maar waar je in interactie literatuur in korte theatrale voorstellingen kunt beleven. Voor de auteurs was het ook bedoeld als podium; trots zijn op de Caribische literatuur en thema’s en dit uitdragen.
Beeld van de Literaire Tippelzone, 2009

De Fundashon di Artista heeft de rol van katalysator in het culturele leven van Curaçao. Wat doen ze allemaal aan activiteiten en projecten?
Het festival de Literaire Tippelzone (LT) heeft drie jaar onder de paraplu van de Fundashon di Artista gedraaid op Curaçao in 2007, 2008 en 2009. Fundashon di Artista wil meer mensen in aanraking laten komen met kunst, een brug slaan tussen verschillende kunstdisciplines, tussen de verschillende eilanden van het Caribisch gebied en een podium bieden aan kunstenaars. Voorzitter Daisy Casimiri is een zeer bevlogen persoon. Zij kan het beste vertellen over de huidige activiteiten en projecten van de stichting.

Is voor de Caribische literatuur in Nederland ook een tippelzone weggelegd?
In 2008 heb ik daarover gesproken met de programmamanager van het literaire festival Winternachten in Den Haag. Gekeken of er een samenwerking tussen beide festivals kon ontstaan. Zij vonden het concept LT echter zo krachtig en op zich zelf staand dat zij voorstelden om ermee te gaan toeren door Nederland; in verschillende steden een LT. Dat was voor mij niet haalbaar om op te zetten. We hebben toen besloten om de LT een Caribisch festival te laten zijn van internationale allure met als thuisbasis Curaçao.
 
Literaire Tippelzone: Curaçaose schrijfsters wachten op klanten
Wat zou men in Nederland anders moeten doen om de Caribische literatuur onder de aandacht van het grote publiek te brengen?
Vier wilde plannen:
1.Op middelbare scholen aandacht besteden aan de Caribische literatuur door het onderdeel van een leervak te maken. Caribische boeken op de leeslijst. Elke leerling verplichten tenminste één Caribisch boek te lezen.
2. Aansluiting zoeken bij leesclubs die in Nederland bestaan: Caribische boeken voorzien van kant en klare leesvragen en leesopdrachten bij deze groepen onder de aandacht brengen.
3. Meeliften met de populaire literaire pubquizzen die in grote steden opeens overal opduiken. Energieke Caribische auteurs op die avonden korte voordrachten laten verzorgen & vragen over Caribische boeken doorspelen naar de organisatoren van dergelijke quizzen.
4. Wat natuurlijk enorm helpt is als bij de actie “Nederland leest” een Caribisch boek uitgekozen wordt. Een paar jaar geleden was dat Dubbelspel van Frank Martinus Arion. Blijven lobbyen om in de toekomst nog een keer een Caribisch boek aan het grote leespubliek uit te kunnen delen tijdens Nederland leest!

Hoe kijk je nu – na terugkeer in Nederland – naar de kunst en cultuurwereld op Curaçao?
Mijn vijf jaar op Curaçao waren heel vormend voor mij. In Nederland is alles erg geregeld, dichtgetimmerd en bureaucratisch; ik ervaar het soms als beklemmend. Wat ik prettig vind aan de kunst- en cultuurwereld op Curaçao is dat je met een groep enthousiaste mensen om je heen prachtige en verrassende initiatieven op kunt zetten. Dat werkt heel erg inspirerend. Die spontaniteit en ruimte heb ik persoonlijk als auteur ook nodig om lekker te kunnen werken en mij prettig te voelen.

[wordt vervolgd]

[uit Caribe Magazine, 13 maart 2013]

Albert Helman - Bonaire

Doorgezond en doorgezouten
lig ik in de blauwe schaduw
luilak op het zandig blinkwit
naast de dividivi-schaduw,-
en mijzelve niet heel naast.

Zelf ligt ginds in zee te spartelen
op het ritme van de kabbels,-
zilverig gebruinde blinkvis
in de moederloog van eeuwen-
lang foetaal verlangen.

Waar ben ik en waar is water,
waar is later, toen of nu?
Ik ben zee en zon en schaduw,
zout en zand en welbehagen,
ogenblik en eeuwigheid.

Zelf ziet toe op al dit zelve
uit de azuur-verzilte hemel
met een pelikaans-placiede
speurblik die van spitse hoogten
prooi en spiegelbeeld herkent.


[uit Uit en thuis, 1984]

Bonaire. Foto © Madonna Prinz

Surinaamse Paasweldadigheidszegels


Paasweldadigheidszegels uit Suriname, 1981

‘Nederland moet mee betalen aan kosten slavernijmonument Suriname’



Volgens Barryl Biekman, voorzitter van het Landelijk Platform Slavernijverleden (LPS), kan Nederland met het bijdragen in de kosten van het slavernijmonument in Suriname, iets terugbetalen van al het geld dat in de slaventijd verdiend is ten koste van de voorouders van de Surinamers.
Dit jaar is het 150 jaar geleden dat de slavernij in Suriname officieel werd afgeschaft. In Suriname is daarom door een particuliere stichting het initiatief genomen geld in te zamelen voor een Surinaams slavernijmonument en een nationaal instituut slavernijverleden.

De geraamde kosten hiervan zijn 1,5 miljoen euro. Dit bedrag moet opgebracht worden via donaties van het bedrijfsleven en particulieren, maar ook van de overheid in Nederland, vindt Biekman. Als Nederland echt in het reine wil komen met zijn slavernijverleden, dan zou de regering mee moeten betalen aan de kosten volgens haar.

[Bron: Telegraaf.nl]

Het heilige van vrijen

door Christine F. Samsom

Het zal wel aan mij liggen, maar de boeken van de hedendaagse, Braziliaanse bestseller-auteur Paulo Coelho (1947) die blijkbaar duidelijk voorzien in de spirituele behoeften van miljoenen mensen in dit post-religieuze tijdperk, spreken mij niet zo aan. Een uitzondering daarop is het in 2003 verschenen Elf minuten. Deze titel en de eerste zinnen maken nieuwsgierig: ‘Er was eens een prostituee die Maria heette. Moment. Met “er was eens” begin je een verhaal voor kinderen, terwijl “prostituee” een woord is uit de wereld der volwassenen. Hoe kan ik een boek schrijven met een dergelijke, ogenschijnlijke tegenspraak meteen in de eerste regel? Maar ach, omdat we ons hele leven met de ene voet in een sprookje staan en met de andere in een afgrond, zullen we deze beginregel maar handhaven.’

De titel Elf minuten slaat op de tijd die een man gemiddeld nodig heeft om klaar te komen bij een prostituee. Het doel in het leven van de hoofdpersoon Maria is, zoals ze al op haar zeventiende in haar dagboek schrijft: ‘de liefde te begrijpen’ (p. 26). Op vakantie in Rio ontmoet ze een Zwitser die haar een baan aanbiedt als nachtclubdanseres in Genève en haar daarbij een hoge verdienste in het vooruitzicht stelt. Heen en weer geslingerd tussen wantrouwen en haar zucht naar avontuur, kiest ze voor de reis naar Europa. Slachtoffer van vrouwenhandel, want dat blijkt de baan te zijn, voelt ze zich echter niet. Fragmenten uit haar dagboek komen in het hele boek voor, waardoor het verhaal over het leven van Maria heel persoonlijk wordt en de lezer merkt dat Maria haar gevoel van eigenwaarde niet verliest, integendeel. Ondanks die elf minuten, blijft seks voor Maria iets raadselachtigs, totdat ze een kunstschilder ontmoet met wie ze het heilige van seks ontdekt: Ze is in zijn ziel geweest!

Paulo Coelho: Elf minuten, vertaling: Piet Janssen. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003. ISBN 90 295 0976 7

Javaanse taal vecht tegen uitsterven

Javaanse cultuur (deel 4)


door Charles Chang

Na het lezen van dit artikel spreek je een oude Javaan niet meer aan met pae. Het woord betekent ‘vader van’ en is beledigend. Het correcte woord is bapak of afgekort pak, wat meneer, vader of u betekent. Een vrouw spreek je aan met ibu.

Roesman Darmohoetomo geeft al twaalf jaar les in de Javaanse taal. Het doet hem pijn dat de taal met uitsterven wordt bedreigd. "De jongeren willen het niet leren en onderling op een feestje of begrafenis spreken zelfs mijn leeftijdgenoten geen Javaans, maar Surinaams." Foto: Stefano Tull

Basa Jawa of de Javaanse taal is één van de moeilijkste talen ter wereld. Het is dan niet verwonderlijk dat het Javaans in Suriname in rap tempo uitsterft. Roesman Darmohoetomo, docent van de cursus Basa Jawa op de Indonesische ambassade, probeert de verdwijning met alle macht tegen te houden.

De studiekamer annex keuken bij 'Darmo' thuis lijkt eerder op een kleine bibliotheek. Rekken vol literatuur in het Javaans staan tegen de wand. Ook buiten staan nog dozen vol met boeken en papieren. Darmo is opgegroeid met de taal en begon al vroeg met het lezen van Javaanse tijdschriften uit Indonesië. Sommige daarvan, zoals Waspada en Djaka Lodang, bestaan nog. Door veel zelfstudie en te investeren in boeken leerde Darmo meer over de Javaanse cultuur en taal.
De docent houdt van zijn taal en het doet hem daarom ook pijn dat het Javaans langzaamaan verdwijnt. "Bijna niemand spreekt het meer en de taal raakt verloren. De jongeren willen het niet leren en onderling op een feestje of begrafenis spreken zelfs mijn leeftijdgenoten geen Javaans, maar Surinaams."


Cursus
Darmo startte daarom in 2001 met de cursus Javaans bij de Indonesische ambassade. "Hier en daar was er kritiek", zegt hij over het begin. "Ben ik wel bevoegd om les te geven, omdat ik niet uit het onderwijs kom?" Hij begreep die sceptische houding, maar hij geloofde in zichzelf. Tijdens zijn dienstjaren bij het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij kreeg hij al een training in voorlichting geven aan boeren, en ook daarvoor gaf hij al een tijdje les Bahasa Indonesia. Inmiddels heeft de Indonesische ambassade hem erkend als docent in beide talen.
Elke woensdag houdt Darmo een conversatieclub voor gevorderden om de spreekvaardigheid van zijn leerlingen te verbeteren. Recentelijk is hij op verzoek van de Vereniging Herdenking Javaanse Immigratie gestart met de cursus Javaanse taal op Sana Budaya. Daarnaast verzorgen hij en zijn collega's ook programma's op de Javaanse radiostations. "Allemaal pro Deo", zegt Darmo. Dat maakt het voor hem wel lastig om docenten te vinden. Die zouden wel graag een vergoeding zien.
Hein Vruggink - Surinaams-Javaans - Nederlands woordenboek

Respect
Kan je respect voor een ander uitdrukken met taal? In het Nederlands zeggen we "u", maar in het Javaans gebeurt dit op een ander taalniveau. Afhankelijk van wie je aanspreekt, gebruik je een verschillende stijl: ngoko, ngoko allus, krama of krama inggil. Dit maakt het Javaans zo'n moeilijke taal. In Indonesië spreekt een derde van de 250 miljoen inwoners Javaans, waarmee het tot één van de belangrijkste regiotalen van het land behoort.
De officiële taal is het Bahasa Indonesia deze kent geen niveaus maar binnenshuis en informeel spreekt men Javaans. Het is ook de taal die wordt gebruikt bij ceremoniën en wayangvoorstellingen. Het Javaans heeft ook een eigen schrift dat omstreeks 800 na Christus is ontstaan tijdens de Hindu-Javaanse beschaving. Het alfabet bestaat uit twintig letters en is afgeleid van een schrift uit zuid India.
Volgens Darmo is het een misverstand dat de Javaanse contractarbeiders niet konden lezen en schrijven toen ze in Suriname aankwamen. Sommigen beheersten het Javaanse schrift en het Arabische schrift vanwege hun islamitische geloof. Sinds de aankomst van de eerste contractanten in 1890 is het Surinaams Javaans weinig of niet ontwikkeld. Veel woorden worden in Indonesië niet meer gebruikt, terwijl het 'nieuwe Javaans' daar nu meer woorden heeft overgenomen uit het Bahasa Indonesia.

Een groep Surinaamse Javanen, ca. 1932. Collectie: Buku


Uitsterven
Toch wordt deze taal ook in het moederland met uitsterven bedreigd. Om dit tegen te gaan, werd de taal begin jaren negentig in het onderwijs opgenomen. Ambtenaren zijn bovendien verplicht om elke vrijdag Javaans te spreken op het werk. Om de vier jaar wordt er daarnaast een groot Basa Jawa taalcongres gehouden. Van de congressen in Indonesië heeft Darmo de laatste drie bezocht.
Ook in Suriname is er vanuit de overheid moeite gedaan om het Javaans te behouden. In de jaren negentig werd de Surinaamse Javaanse spelling door het Minov geïntroduceerd. Darmo hanteert echter de Indonesische spelling. "Mensen op de cursus kijken vreemd wanneer ze zien dat een woord anders wordt geschreven, maar ik probeer ze de correcte wijze te leren."
Hij illustreert dit met een ervaring. "Op één van de congressen kwam een dichter naar mij toe en zei dat hij een gedichtenbundel heeft gekregen van een Surinaamse schrijver. Maar de man kon het niet lezen, want alles was in het Surinaams Javaans geschreven! En daarom zeg ik: gebruik de Indonesische spelling, want hoe kunnen we anders met Indonesiërs chatten en e-mailen?"

Jongeren
Toen Darmo twaalf jaar geleden met de lessen begon, volgden anderen al snel zijn voorbeeld. Kadi Kartokromo stortte zich ook op de taal en gaf een jaar les bij Indra Maju. "Het was bedoeld voor jongeren, maar de belangstelling nam af." Er kwam geen vervolg op de cursus, hoewel ook Kartokromo het heel belangrijk vindt dat de taal wordt behouden. Ouders zijn volgens hem van mening dat het Javaans hun kinderen achterhoudt op school, maar daar is hij het niet mee eens. "Ik heb er geen nadeel van ondervonden."
Kadi Kartokromo

Hij vindt dat de overheid een beleid moet ontwikkelen voor het Javaans. "Kinderen moeten ook hun eigen taal op school krijgen." De taal is wel moeilijk, zegt hij, "maar dat is nog geen reden om het in de rivier te gooien". Zolang je een Javaan bent, zal je het Javaans horen en praten, beweert Kartokromo. "Ik ben nooit op les gegaan, maar ik spreek het omdat ik het thuis veel heb gehoord."
Voor Darmo begint het aanleren van de taal ook binnenshuis. "Laat de ouderen beginnen met bepaalde dingen zoals tellen en zelfstandige naamwoorden. De jongeren kunnen het ook leren via de computer." De taaldeskundige hamert nog eens op het belang van het Javaans: "Behoud van de taal is behoud van je cultuur en daarvan moeten we ons bewust van zijn. Culturen vervagen door globalisering. Als wij zelf niet voor het behoud zorgen, gaan anderen het niet voor ons doen.".

Niveaus
Het laagste niveau Javaans is het ngoko en wordt gebruikt door personen van gelijke stand, een hogere tegen een lagere, een oudere tegen een jongere persoon en intiem onderling. Het krama wordt gebruikt bij een conversatie tussen onbekenden, een lagere tegen een hogere en een jongere tegen een oudere persoon. Voor het aanspreken van hooggeplaatste personen of beroemde figuren, gebruikt men het krama inggil. Deze traditie is nu vrijwel verdwenen. Men beheerst het krama niet meer om tot een hogere persoon te spreken. Over het algemeen spreken Surinaamse Javanen alleen het ngoko, dat bovendien doorspekt is met woorden uit de andere Surinaamse talen.
Javaans gezin. Foto Charl Danoe

Cursisten
Semijatie Kasanmarto-Rasidin (48): "Als je ouder wordt, wil je meer weten over je roots, Ik spreek het Javaans, maar vermengd met veel Surinaams en Nederlands. Bij mij gaat het ook om het vormen en schrijven van de juiste zin. Gelukkig heb ik mijn kinderen de taal geleerd; daar hebben ze nu profijt van! Mijn zoon werkt bijvoorbeeld op een cruiseboot en in de crew zitten vaak mensen uit Java." Alvin Paiman (29) spreekt de taal goed, maar wil het toch verfijnen. "Tot mijn vijftiende werd ik door mijn opa en oma in Nickerie opgevoed; zo ken ik de taal. Ik zit ook op de cursus om mijn vriendin te stimuleren." Zij spreekt maar broko-broko Javaans. Thuis spreken ze Nederlands, maar ouderen begrijpen het Nederlands vaak niet zo goed - daarom wil zij de taal goed leren spreken. "Later als ik kinderen heb, wil ik ze de taal leren."

[uit de Ware Tijd, 23/03/2013]

Surinaamse connotaties bij het woord neger


door J. van Donselaar

Foto @ Nicolaas Porter

De zaak
Op 18 juli 2002 was het dan zover. De Commissie Gelijke Behandeling, een rechtscollege van de Nederlandse overheid, deed uitspraak over een al op 6 mei behandelde zaak, die door de Stichting Eer en Herstel Betalingen van Slachtoffers van de Slavernij in Suriname aangespannen was tegen Van Dale. Die stichting wilde dat uitgeverij Van Dale gesommeerd zou worden de woorden neger en creool uit zijn woordenboeken te schrappen. NRC Handelsblad van 7 mei 2002 citeert een woordvoerder van de stichting als volgt: "Wij willen als Nederlandse burgers met een Afrikaans-Surinaamse afkomst niet als ‘neger’ worden beschreven". En op 18 juli schrijft die krant zelf: "De stichting vindt dat de betreffende woorden Afrikaans-Surinaamse Nederlanders aan de koloniale onderdrukking herinneren en zodoende pijn bij hen teweegbrengen." Niettemin (citaat): "De functie van een woordenboek is niet meer dan het registreren van de betekenis van woorden in overeenstemming met het feitelijke woordgebruik", aldus de commissie. Dus : de wens (of eis) van de stichting is ongegrond verklaard.

Wat hier volgt is niet beoogd als commentaar op de formele, juridische of lexicologische kanten van deze zaak. Ik beperk mij tot de achtergrond, in het bijzonder de historische, van wat hiervoor ‘pijn’ genoemd wordt. Inderdaad, de klagers hebben dan wel de kous op de kop gekregen, maar daarmee is voor hen de kous nog niet af. De gedachten en gevoelens die de gewraakte woorden bij hen oproepen, blijven natuurlijk bestaan. Waar komen die vandaan? Om dat te kunnen begrijpen moet je weten wat neger en creool in Suriname betekenden en betekenen en wie het daar gebruikten en gebruiken. Ik zal het hier niet hebben over creool, maar voordat ik over neger begin, eerst nog het volgende.
Foto @ Mark Meijering

De bezwaarden zien zichzelf als van Afrikaans-Surinaamse afkomst. Dat ‘Afrikaans’ suggereert dat hun voorgeslacht Afrikaans zou zijn en dat is weliswaar grotendeels waar, maar niet helemaal. Een deel van deze bevolkingsgroep bestaat namelijk uit gemengdbloedige mensen, waarbij onder de niet-zwarte elementen van hun herkomst het blanke overheerst. Ze variëren in huidskleur, zowel in Suriname als in Nederland, van bijna zwart tot bijna wit. Een en ander had aanvankelijk zijn oorsprong in het geslachtsverkeer tussen negerslavinnen en blanke mannen onder de eerst Engelse en later vooral Nederlandse kolonisten in Suriname. Later trouwden steeds meer zwarte en gemengdbloedige mannen en vrouwen in Suriname en ook in Nederland met blanke Nederlanders.

Etymologie
Hoe komen we aan het Nederlandse neger in de oorspronkelijke en nog steeds meest gebruikelijke betekenis van ‘een zwarte persoon’? Daarover zijn twee (vrij) recente etymologische woordenboeken het niet met elkaar eens. Beide vermelden het voorkomen van het woord van 1654, maar als adjectief (zwart). De Tollenaere (in De Vries & d.T. 2000:264) beschouwt dit jaartal als het eerste, ook voor de persoon, en ontleent het woord aan het Franse nègre. Verder wijst hij op het oudere negro (1617), onveranderd overgenomen uit Spaans en/of Portugees. Van der Sijs echter (in Van Veen & v.d.S. 1997:592) leidt neger - inmiddels aangetroffen in 1644 voor de persoon - rechtstreeks af van dat al genoemde Spaanse/Portugese negro, en zo is het ook in Van Dale overgenomen.

Volgens het WNT zou negro in het Nederlands verschenen zijn in de 16e of 17e eeuw, hoewel het oudste opgenomen citaat van 1617 (zie boven) is. Verder zou de vervanging door neger hebben plaats gehad in de 18e eeuw. Zie echter 1644 hiervoor, terwijl ik voor Suriname de twee woorden naast elkaar gebruikt vind van 1669 tot 1738.
Nog twee pikante bijzonderheden (van Donselaar 1997). Die vondst van 1644 betreft negers als lading van een slavenschip. Dat schip, op weg naar een Zuid-Amerikaanse haven, werd blijkens het desbetreffende jaarverslag van de West-Indische Compagnie, veroverd op de Spanjaarden. En in dezelfde bundel jaarverslagen zit dat van 1636, met daarin het woord negrinne

Een planter met een negrinne


Betekenis en gevoelswaarde
Wat leert deze kennis ons als het erom gaat inzicht te krijgen in wat genoemde Surinamers bezielt als ze neger in toepassing op zichzelf als onjuist of beledigend ervaren? Nog niet veel, maar er is meer.Ten eerste: lees wat het WNT ons weet te vertellen. "Bij Europesche volken zijn de negers vooral bekend geworden als slaven in de koloniën; vandaar dat het woord neger ook in onze taal een zeer gewone term is." Inderdaad, zo begon het, zie dat schip met negers van 1644. Ten tweede: tot 1863, toen de slavernij in Suriname opgeheven werd, had het woord daar vrijwel uitsluitend de betekenis van negerslaaf. Daarna werd het al snel een scheldwoord voor de nakomelingen van de voormalige slaven, ook onder elkaar. Die hadden inmiddels de naam ‘creolen’ gekregen en aanvaard. Ten derde: je zou kunnen denken dat de slavernij nu toch wel ver genoeg achter hen en ons ligt, maar dat is een vergissing. Een eenvoudig rekensommetje wijst uit dat de oudste mensen uit deze groep (boven de 80) zelf nog een grootouder gehad kunnen hebben die hun heeft kunnen vertellen uit zijn/haar eigen jeugd als slavenkind.
Neger-Engelsch woordenboek van H.C. Focke (1855). Collectie Buku

Neger, -neger en neger- in de slaventijd
De koloniale betekenis ‘slaaf’ komt wel heel pregnant naar voren in een geschrift uit 1767, waarin een blanke plantage-opzichter in woede tegen zijn directeur roept: "Gij moet myn niet schelden, ik ben geen Neeger van jou." In de taal van de slaven zelf, het Neger-Engels, was het equivalent van het tweede deel van deze uitroep wellicht de standaardformulering als men een opdracht van een dienaangaand onbevoegde niet wenste uit te voeren. In het woordenboek van Focke (1855:88) staat namelijk bij ningre als voorbeeldzinnetje "Mi a no joe ningre". Tegenwoordig hoor je in Suriname in zo’n geval : "Ik ben je slaaf niet!".

Ter zake. Ik heb 30 samenstellingen uit de slaventijd (1667-1863) gevonden met neger als tweede element. Al deze woorden werden gebruikt door blanke meesters met Nederlands als moedertaal. Een aantal van deze woorden had toen een equivalent met ningre in het toenmalige Neger-Engels. Slaven uit Afrika, dus van overzee aangevoerd, noemde men zoutwaternegers, ter onderscheiding van de in Suriname geboren creolenegers. De overheid bezat eerst sociëteitsnegers (Suriname was aanvankelijk eigendom van de Sociëteit van Suriname), later genoemd landsnegers. In de stad sprak men van fortneger (het Fort = de stad Paramaribo), bij particulieren in dienst als huisneger, tuinneger of grasneger (sneed gras voor de koets- en rijpaarden van zijn meester en deed dienst als palfrenier).
Plantagenegers en - negerinnen op Jamaica

Onder de plantagenegers bestond een sterk gedifferentieerde taakverdeling: huisneger (ook daar); veldneger (de meesten, voor het zeer zware veldwerk), delverneger (grondwerker, nog zwaarder), wachtneger (verzorger en bewaker van de moestuin); jaagneger, vissernegerambachtneger (timmer-, smit-, metsel- en kuiperneger); roei-, boot-, pontenegerkookneger (suikerkoker), loodsneger (werkzaam in de bedrijfsgebouwen) en dresneger(lekendokter).

Als de overheid tijdelijk slaven nodig had voor iets van algemeen belang, dan werden die gevorderd en heetten commandonegers. Was het voor openbare werken, dan werden ze werknegers genoemd, moesten ze mee op een militaire ‘bospatrouille’ om weggelopen lotgenoten op te sporen en te vangen of te doden, dan waren het schutternegers of lastdragernegers.
Huis uit de slaventijd. Foto Peter de Rijk

Ook samenstellingen met neger als eerste element waren talrijk, t.w. ruim 20. Zowel in Paramaribo als ‘op plantage’ woonden de negers in negerhuizen, eenvoudige, lage woningen , veelal voor meerdere gezinnen en dan lang en in naast elkaar gelegen kamers verdeeld. In de stad stonden ze op het ‘erf’ achter het woonhuis van hun meester. Aan de zijkant liep langs dat huis een paadje van het erf naar een poort aan de straat, de negerpoortPlantagenegers hadden vaak een eigen neger(kost)grond (moestuin) en/of er werd negerkost (vooral bananen en knollen) aan hen uitgedeeld. Ze kregen ook naar behoefte een negerhoed, een negermes en een negerpijp, allemaal speciale modellen. De naam voor plantage-opzichter was negerofficier. Slaven liepen om elkaar te bezoeken, al dan niet in het geheim, van de ene plantage naar de andere over negerpaden. De taal van de slaven en de talen van de bosnegers - zie verderop - werden toen nog over een kam geschoren: Neger-EngelsNegernamen waren z.g. ‘dagnamen’, d.z. eigennamen in samenhang met iemands geboortedag (zeven per sexe). De negermacht was de uitdrukking voor de gezamenlijke slaven van één eigenaar, één huishouden, één plantage, of van het hele land, en men hielp elkaar zo nodig d.m.v. negerhuur. Iemand die zijn slaven mild behandelde werd door zijn mede-blanken spottend een negerkoning genoemd. Tenslotte: Negerjaas (een gemene huidziekte), negerpesie (een soort boontje), negervis (ongeschubde vis, niet alleen door de joden maar ook door de andere blanken versmaad) en negerkop (een soort ooievaar met een onbevederde, zwarte kop).

Neger enz. nu
Je zult neger als los woord nu in Suriname vrijwel niet meer horen, zeker niet uit de mond van de creolen zelf. In de literatuur vond ik wel, hoewel verouderend, moorneger, en één keer vernam ik strontnegerZoutwaterneger (hiervoor al genoemd) wordt nog wel eens geringschattend gebruikt voor een creool die dom of achterlijk gevonden wordt. Dat refereert aan de blijkbaar niet verloren notie dat de zoutwaternegers (als hiervoor al genoemd) indertijd bij hun aankomst volstrekt onwetend waren, namelijk over de rol die hun wachtte, en dus nog veel moesten leren. Zeker is ook dat mensen van de andere bevolkingsgroepen onder elkaar in laatdunkende zin soms over de negers spreken als ze de creolen bedoelen. Er zijn wel nog enige denigrerende afleidingen en samenstellingen van neger in algemeen gebruik, i.h.b. onder de creolen zelf. Negerachtig en vernegerd betekenen ‘vulgair, platvloers, achterlijk’. Bij negerziekten, negerdinges en de negerkant gaat het over zekere medische en magische aangelegenheden die men nu formeel beschouwt als ‘bijgeloof’. 

Bosnegers (marrons) in 1883

Bosneger
Een apart geval zijn de bosnegers, ook in de slaventijd al zo genoemd, maar toen ook wel ‘weglopers’, ‘schuilers’ en zelfs al ‘marrons’. Al werden zij nog lang beschouwd als voortvluchtige slaven, in feite waren ze vrij. Ik heb maar één hier relevant woord kunnen vinden dat vóór 1863 op hen betrekking had: Ze verschaften zich daar in het bos negerzout uit de as van zekere palm. Later gingen woorden als bosnegerdorp, bosnegerstam enbosnegertaal tot de normale woordenschat van Suriname horen.
Je leest en hoort nu steeds vaker voor deze mensen boslandcreolen of marrons. Zelf hebben ze daar in het algemeen maling aan. Ze verbouwen bosnegerrijst en bosnegerpinda’s en hun kunstig besneden houten krukjes en kammen zijn in de stad te koop als bosnegerbankje en bosnegerkam, alsmede nog allerlei ander bosnegerhoutsnijwerk.
Ziehier de status en de achtergronden van het woord neger uit het verleden en in het heden, zoals nog altijd vele creoolse Surinamers en hun nazaten in Nederland die in hun gemoed met zich meedragen. Maar (toch maar even): neger kan natuurlijk niet weg uit de woordenboeken. In Afrika wonen toch negers!

Jimmy Hendrix


Verwijzingen
J. van Donselaar, ‘Vroege vondsten van woorden (1624-1644) in de boeken van Ioahannes de Laet.’ De Woordenaar 1,1 [1997], pp. 9-10.
H.C. Focke, Neger-Engelsch woordenboek. Leiden, P.H. van den Heuvell (1855).
P.A.F. van Veen & Nicoline van der Sijs, Etymologisch woordenboek, 2e uitgave. Utrecht/Antwerpen, Van Dale Lexicografie (1997).
J. de Vries & F. de Tollenaere, Etymologisch woordenboek, 21e uitgave. Utrecht, Het Spectrum (2000).
WNT = Woordenboek der Nederlandsche Taal.

[van de site van de Fryske Academy]