woensdag 31 juli 2013

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (4)

Willem van Lit
door Willem van Lit

Curaçao
Natuurlijk namen we op Curaçao de gelegenheid om weer contact te hebben met de mensen die we kennen van weleer. Men is geïnteresseerd en het boek ging rond. Ik verkocht er ook een tiental aan Mensing’s Caminada, de grootste boekhandel op het eiland. Ik legde ook nieuwe contacten, maar het verliep ietwat stroef allemaal. Op vrijdag 19 april presenteerde ik mijn boek op het landhuis Ascención. Frans Kerklaan, de vlootaalmoezenier, had me daarvoor uitgenodigd in december van vorig jaar, toen ik ook nog voor een kort bezoek op Curaçao was.

Landhuis Ascención. Foto © Tarnix Bulder


Ascención. Prachtige plek met dierbare herinneringen voor mijzelf. Mijmerplek. Ik vind het bijzonder dat ik hier mocht presenteren. Ik vertelde mijn verhaal met powerpointplaatjes en geluiden. En dat voor een aardig gezelschap van mensen die mij kennen. Ook hier had ik wat meer mensen verwacht. Maar goed… er ontstond ook discussie. En dat scherpt je weer in de uitleg van sommige beweringen. Bij deze lezing waren ook onze kinderen (met aanhang) en de kleinkinderen aanwezig. We waren hier ook voor vakantie.

Jeroen Heuvel, verslaggever bij het Antilliaans Dagblad (AD) hield kort een interview en schreef een artikel. Het is altijd moeilijk na te gaan wat de effecten zijn van een dergelijke publicatie. ‘Het onmogelijke vragen’ kopte het AD. Heuvel schreef onder andere: “Stelt Van Lit zich op als een vader die meent te weten wast het beste is voor een puber, of heeft deze makamba – en dat gebruik ik hier in de oorspronkelijke betekenis van ‘iemand die niet van ons is maar die we wel als vriend beschouwen – genoeg mensenkennis en inzicht in de ‘Curaçaoënaar’ om een geduldiger, goede dialoog aan te gaan”? en dat omdat ik “het onmogelijke vraag”, een retorische slotvraag van Heuvel in dit artikel. Het artikel is ook te vinden op deze blogspot (klik hier). Op 23 april vlogen we terug naar Nederland en op 24 april waren we weer thuis in België. De winter was nog niet over.
Helmin Wiels

“Een langdurig langzaam groeiend conflict”
Ik blijf in contact met Donny Wout op Bonaire. Hij vertelde me dat bij Bon FM bij andere interviews mijn boek ook nog is gepasseerd. Iemand vroeg zich af of ik de gebeurtenissen kan voorspellen. Ik schreef onder andere: “Er is teveel confrontatie. Men scheldt en schuwt geen verbaal geweld. Nog steeds alleen maar verbaal geweld.” (Cariben pag. 161.) Op 5 mei werd Wiels vermoord. Ik kán niets voorspellen, natuurlijk niet. De angst voor anarchistisch, hard en ongenadig geweld nam toe in de dagen na de aanslag. De trein van speculaties, verwijten en verwijzingen versnelde. Was het de georganiseerd misdaad? Wraak (persoonlijk of van criminele aard)? Een politieke daad? Naijver? Iedereen gruwt; men is ontzet. Sommigen roepen Wiels plots uit tot nationalistische martelaar en ze vergelijken hem met Martin Luther King of Mandela; anderen roepen hel en verdoemenis uit. Men vreest meer geweld. Wiels was nationalist en schuwde zelf geen gescheld en geschreeuw. Hij ruide mensen op, lokte verzet uit en dat deed hij op harde en scherp confronterende toon. Sommigen noemden hem racist. En nu… soms is er paniek; men probeert het voorval te doorgronden.

...een langdurig conflict, leidend tot moord...

“Mijn theorie is dat het een langdurig, langzaam groeiend conflict was dat leidde tot een samenzwering tot moord”, schreef Jacob Gelt Dekker ergens op internet. Een langdurig, langzaam groeiend conflict… een structureel diep gewortelde maatschappelijke ruzie, waarin de complexen van woede, schaamte, schuld, enz. al decennialang smeulen, traag branden. Geregeld laait die maatschappelijke veenbrand op, furieus en vlammend. Zo is het; dergelijke gloed is onvoorspelbaar en genadeloos en richt zich bij de uitbarsting tegen iedereen die toevallig op zijn weg komt. Ik heb wel geschreven over de sociale veenbrand met het thymotisch fluïdum van zogenaamd miskend historicisme en mystiek psychologisme, de constante verwijzing naar het determinisme van een hermetisch gesloten cultuursysteem, de gevaarlijke utopie, de manie van zeurend nationalisme en de rabiate latente gramschap door beschaming; dit – zo denken velen – is allemaal de motor van de geschiedenis. Bij een dergelijke explosieve sociale mix gooit men allicht wel eens met stenen of … vallen soms schoten.

Anderen veronderstellen dat de moord ook gepleegd kan zijn door een ordinaire crimineel in opdracht van de georganiseerde misdaad. Over georganiseerde misdaad heb ik het niet gehad in het boek. Het is een gemis, vind ik zelf nu. Het is wel degelijk aanwezig op de eilanden. Het is meermalen aangetoond en de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld is er ook. Niet alleen op Curaçao; ook St. Maarten is berucht en Aruba staat eveneens onder invloed van dit soort harde criminaliteit. Op andere eilanden is het mogelijk wat minder aanwezig of minder opvallend.

Vreemd is het niet. Wilde handel, smokkel, lorrendraaierij (zoals dat in de 17e en 18e eeuw heette); het is van alle eeuwen. De grens tussen reguliere en criminele handel is in het gebied altijd flinterdun geweest: wapens, mensen, genotsmiddelen, enz. De grens tussen wat toegestaan is en niet, is wel steeds scherper getrokken. In het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw – toen ik voor het eerst op de eilanden was – waren Curaçao en Aruba al transitopunten voor drugs. Geregeld was er sprake van geheimzinnige vliegtuigjes of bootjes. Illegaal ja. Er werd over gefluisterd, maar men wilde er weinig of niets tegen organiseren. Ook in de jaren tachtig van de vorige eeuw was met Claude Wathey (St. Maarten) de grens tussen wat geoorloofd was en wat niet, flinterdun. Nederland heeft toen rechtstreeks ingegrepen, terwijl er nu nog een standbeeld van Wathey is te vinden op het desbetreffende eiland.
Standbeeld voor Claude Wathey, St. Maarten.
Foto © Leo Koolhoven

Het Caribische gebied is een overslaggebied. Het is strategisch gelegen op knooppunten van continenten. De wilde handel was steeds de basis voor wankele welvaart en dit heeft ook altijd veel invloed gehad op de verhalen van mensen, de verhalen die de constructie vormen van de maatschappelijke context waarin mensen dagelijks met elkaar verkeren, werken en leven. Het narratief vormt het zwaartekrachtveld van de samenleving, de constructie van de sociale structuren: hoe men op elkaar is ingesteld. Hieruit ontstaan ook de mythen, een zeker gehalte ‘omerta’, het mysterieuze, waarover men praat achter de hand, gedempt en voorzichtig. Het is een variant en een aanvulling op ‘iedereen weet’ (Cariben, pag. 210 – 218).

Deze besmuikte vertellingen werken belemmerend op de gemeenschap. Naast de fnuikende invloed van de overal opduikende misdaad, het latente wantrouwen, de voortdurende dreiging en het geweld (onder andere door afrekeningen en overvallen) is dit hetgeen mede oorzaak is voor de algehele stagnatie (Cariben, pag. 289 – 295). Het is tevens een factor die het immer voorlopige bestaan in stand houdt. Mensen zijn gewoonweg bevreesd voor een situatie waarin totale anarchie los barst als men écht onafhankelijk zou worden. Door de aanwezigheid van de georganiseerde misdaad heeft men in feite een drieledig excuus of – anders gezegd – is er een drietal redenen waarom men zo moeilijk tot ontwikkeling kan komen. Als er bestuurlijk gezien beslissingen worden genomen die ruiken naar nepotisme of vriendjespolitiek kan men de invloed van criminele krachten suggereren. Dit leidt af van andere factoren die hierbij in het spel zijn (zoals beschreven in Cariben). Een tweede is dat men niet alles kan of mag zeggen omdat men wraak of afrekening vreest. En dit werkt mythevorming in de hand. Het derde is dat men (voorlopig) niet écht onafhankelijk moet worden omdat de beer dan helemaal los is; nu is er nog enigszins toezicht en worden er middelen en mogelijkheden ter beschikking gesteld om die criminaliteit nog wat in de hand te houden (zoals politie, opsporingsmiddelen, onafhankelijke rechtspraak en de kustwacht).

[vervolg, slot - klik hier]

Rijk geworden in de seksindustire, en dan de winti in

No krei mi pikin, no krei, na so grontapu seti kba
Huil niet m’n kind, huil maar niet, de wereld is nu eenmaal zo

door Jerry Dewnarain

Het lijkt wel alsof literatuur en literatuurkritiek niet meer bestaan en geen norm meer stellen. Het heeft er veel van dat ze een knieval maken voor consumentisme en de wetten van de markt. Is literatuur verworden tot platte business? De literatuurkritiek zou dan tegen dit proces geen dam hebben opgeworpen, kan men zeggen.
Nu de literatuurwetenschap haar gezag binnen het academische wereldje met zijn ivoren torens heeft verspeeld, moet ze het buitenshuis zoeken, en wel bij een publiek van niet-specialisten. Er is zelfs een nieuw product ontstaan - jawel, de biografie - dat enige tientallen jaren geleden geen enkele status had, althans niet binnen de literatuurwetenschap. Tegenwoordig kan het schrijven van een biografie als een legitieme academische prestatie worden gezien. Een prestatie die niet zozeer ontleend is aan een gevestigde onderzoekstraditie met een specifieke methodologie, maar vooral aan de bijval van een publiek van niet-specialisten. Je zou kunnen zeggen dat literatuurwetenschap en -kritiek op de populistische toer zijn gegaan.

Een schitterend voorbeeld is het boek Claudetta Toney Haar leven en werk van Juliën A. Zaalman. De auteur valt met de deur in huis door op pagina 7 de vraag te stellen wie Claudetta Toney is. In het kort komt het hier op neer:  ‘Vrouw Claudetta - zoals ze vaker genoemd wordt - is een bezige bij én begaafd. Ze is een vrouw met bijzondere ambities, vooral om het saamhorigheidgevoel van de blakaman naar een hoger niveau te tillen.’ Dit doet zij: ‘Door hen middels lezingen en andere activiteiten bij te scholen,’ en aan hen ‘mogelijkheden’ te bieden ‘om vooruit te kijken’. Hierdoor kan deze etnische groep ‘zich beter richten op [zijn] verdere ontwikkeling en vooruitgang’, op de toekomst dus. En zo kan tevens bewerkstelligd worden om ‘barrières weg te werken, die hen uit elkaar drijven’ (pagina7).

Bij het lezen van deze eerste pagina vroeg ik me direct af: waarom wil een bij uitstek kapitaalkrachtige vrouw per se het saamhorigheidsgevoel van de blakaman verhogen? Met andere woorden: er is dus kennelijk iets mis met het saamhorigheidsgevoel onder de blakaman én -uma. Jammer genoeg wordt dit aspect niet helder en duidelijk in het boek behandeld.
Claudetta Toney, exploitante van welvarende seksclubs in de jaren ’70 te Den Haag en daarbuiten (lees pagina 71 en volgende), vindt het belangrijker dat de blakaman weet wie en wat hij is, en dat zijn afstamming voor hem van grote waarde is, moet zijn. Zij die zich voor hun culturele achtergrond schamen, zullen steeds achter de feiten aanhollen. Dat beweert de geslaagde entrepeneur, die in de jaren ’70 van de voorbije eeuw meisjes uit Thailand en de Filippijnen ronselde voor haar seksclubs (pagina 49 en volgende).
Thaise meisjes voor de seksclub

Ik vind dat het thema van dit boek niet ‘het leven en werk van Claudetta Toney’ is. De rode draad van dit boek in z’n geheel is: ‘de blakaman met meer zelfvertrouwen te bewapenen, zodat ze zich met ruimere inzichten en betere mogelijkheden op hun toekomst kunnen richten’ (pagina 8).
Claudetta Toney - ex-uitbater van een horecabedrijf aan een chic strand in Spanje - geeft slechts ’n voorbeeld (één middeltje, even afgezien van het al dan niet juist zijn daarvan) van een blaka uma om haar doel (zelfrespect) te bereiken. De lezer dient zich - mijns inziens - niet blind te staren op de inzichten en vooral de verworvenheden van de eigenares van een grote goudconcessie in ons binnenland (Sarafina, pagina. 260 en volgende). De lezers kunnen wél zien dat discipline, een sterke wil, doorzettingsvermogen en moed tezamen een bos sleutels zijn die tot succes kan leiden. Maar dit geldt overigens niet slechts voor blakasuma, het gaat ook op voor alle andere culturele groepen in ons land!

Dit boek gaat dus - vind ik - niet over de persoon Claudetta Toney, maar over inzichten en het succes van een ondernemende Surinaamse vrouw die - wonend en werkend in Suriname - het winti-geloof hoog in haar vaandel heeft staan (pagina 55).

De vraag is echter of jongeren geïnspireerd raken door dit boek. Het legt té veel de nadruk op het gebrek aan cultureel zelfbesef van de Afro-Surinamers. Het komt over als een clichématige klaagzang met betrekking tot een traumatische erfenis uit de slavernijperiode. Het boek wil dat aan de jeugd de juiste inzichten moeten worden gegeven over hun culturele geschiedenis. Zij moeten de waarde van hun band met de geestelijke beleving - winti - positief ervaren. Door de dreiging dat een groot deel van de Afrikaanse cultuurbeleving verloren gaat, is het vastleggen van deze orale cultuur een van de doelstellingen van de organisatie ‘Fiti Fu Wini’, waarvoor Vrouw Toney als voorzitter en haar bestuur zich inzetten.

Volgens mij weten jongeren best dat cultuur een belangrijk deel van hun denken, doen en laten beïnvloedt. Maar de Surinaamse jongeren van nu denken naar mijn mening niet zo sterk, zoals hun ouders en grootouders, in ‘hokjes’. Het zijn de volwassenen of ouderen onder ons die nog hoopvol vechten tegen hun verleden en nog een ‘back to the roots’-ideologie koesteren. Surinaamse jongeren hebben wel iets anders aan hun hoofd: een studie afmaken in een uitdagende wereld, een baan vinden in een maatschappij die allerlei moderne competenties vraagt, een stukje grond bemachtigen door hard te zwoegen, zo niet via de politiek. En natuurlijk ook rijk te worden zoals de gewiekste (pagina 67) kapitaliste Vrouw Toney. Maar die rijkdom moet niet vergaard worden over de ruggen van arme, kansloze mensen, zoals hoeren. Claudetta Toney wist veel geld te vergaren in de huizenmarkt en vooral in de seksindustrie. Met de animeerclubs - zoals zij het uitdrukt -verdiende ze het grote geld (pagina 75). Ze bezat op een gegeven moment zes seksclubs. (pagina’s 57 en75). Weten wie of wat je bent, is zeker belangrijk, maar zet geen zoden aan de dijk. Zolang je nog worstelt met het verleden en niet leert van zijn lessen - dat verleden niet kunt loslaten - beknot je jezelf om ‘vrij’ te zijn en jezelf op te bouwen. Om vrij te zijn in je denken, doen en laten. De huidige tijd vereist kennis, inzicht, liberaal denken, los van alle hebi’s.

Ten slotte: het verhaal van Claudetta Toney is niet zo apart. Er zijn wel wat Surinaamse vrouwen, die ook ‘carrièrevrouwen’ (willen) zijn. Wat dit boek bijzonder maakt...: dat het als voorbeeld kan dienen voor andere carrièrevrouwen om hún verhaal vast te leggen. Mevrouw Claudetta Toney geeft daartoe de aanzet. Deze grani verdient ze wel. Wel is het vreemd dat ze het boek zelf distribueert!

‘Te sani toto yu tapu grontapu, a gi yu fu bari krei’... (pagina 293, tevens laatste pagina van het boekwerk). In dit geval: ‘Te sani toto yu tapu grontapu, a gi unu fu teki leri’...

Juliën A. Zaalman: Claudetta Toney Haar leven en werk. Omslagontwerp: Jennifer Shields, opmaak, druk en afwerking: Office World. Paramaribo, 2013. ISBN 99914-7-211-9


Raymi Sambo stelt Nederlands castingbeleid aan de kaak in Op zoek naar Oom Tom



De succesvolle theatervoorstelling Op zoek naar Oom Tom van Raymi Sambo/V.I.G. gaat vanaf september 2013 in reprise in de Nederlandse theaters. In Op zoek naar Oom Tom wordt het castingbeleid voor donkere acteurs in Nederland aan de kaak gesteld. Maar ook gaat de voorstelling in op de vraag waarom donkere mensen niet solidair kunnen zijn aan elkaar. Op zoek naar Oom Tom haakt aan bij de Herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij en maakt de thematiek van deze donkere bladzijde in de geschiedenis actueel.

“Als je een rol niet kunt krijgen, creëer deze dan zelf!” Met dit idee komen drie bevriende donkere acteurs bij elkaar om het mooiste stuk ever te spelen. Een voorstelling waarin zij zélf de heldenrollen die hun hartje begeert, hebben gekozen. Het wordt een avond waarin het publiek eindelijk kan zien wat ze als acteurs waard zijn.
Maar dan spreekt een van hen zich uit over zijn voornemen. Minachting valt hem ten deel en moraal, principes en superioriteitsgevoelens maken dat de acteurs lijnrecht tegenover
elkaar komen te staan. De avond wankelt maar moet worden voortgezet wetende dat dé glansrol nog in het vooruitzicht ligt. Die van de slaaf Oom Tom.


In Op zoek naar Oom Tom wordt het castingbeleid voor donkere acteurs in Nederland aan de kaak gesteld. Maar ook de vraag waarom donkere mensen niet solidair kunnen zijn aan elkaar.
Raymi Sambo (Old StarsSpangas) baseerde het script op het boek De hut van Oom Tom, de diepgewortelde slavernijmentaliteit van donkere mensen en interviews met en persoonlijke verhalen van hemzelf en de twee andere donkere acteurs Sergio IJssel (Flikken Maastricht,Dino Show) en Ruurt de Maesschalck (Spoorloos). Klik hier voor de trailer.

Wat de pers ervan vond:
Interessant en hilarisch wordt het wanneer de voorstelling doorschakelt naar de zogenaamde talentenjacht. ***de Volkskrant
Het boeiende van Op zoek naar oom Tom is dan ook dat het stuk je meeneemt van je allerhoogste gedachten naar je lage instincten. ****Theaterkrant/TM
Het is een kunst hoe de heren op subtiele wijze en zonder verbitterd accent een ingewikkeld thema op tafel leggen. De Groene Amsterdammer
Compliment voor Raymi Sambo, die met zijn groep V.I.G. controversiële hedendaagse onderwerpen weet aan te kaarten op toegankelijke wijze. ****On Stage

Idee & regie: Raymi Sambo Spel: Ruurt de Maesschalck, Raymi Sambo, Sergio IJssel Tekst: Mathijs Verboom
Raymi Sambo

Raymi Sambo/V.I.G. maakt voorstellingen over het steeds veranderende Nederland. In 2011 maakte hij HUID! over huidskleurdiscriminatie binnen de zwarte gemeenschap. Met Op zoek naar Oom Tom zoomt Sambo nog meer in op de zoektocht naar identiteit en authenticiteit in de hedendaagse Nederlandse multiculturele samenleving. www.vigonline.nl


Speellijst reprise 2013 Op zoek naar Oom Tom
vr 13 sep       20.30 uur       Amsterdam                MC Theater                            020-6065040
za 14 sep       20.30 uur       Amsterdam                MC Theater                            020-6065040
di 24 sep        20.30 uur       Gouda                         De Goudse Schouwburg       0182-513750
za 28 sep       19.30 uur       Amstelveen               Schouwburg (special edition)          020-5475175
do 3 okt          19.30 uur       Amsterdam                De Krakeling                          020-6245123
za 5 okt          20.30 uur       Amstelveen               Schouwburg                           020-5475175
do 10 okt       20.30 uur       Utrecht                                  Stadsschouwburg                 030-2302023
do 17 okt       20.15 uur       Rotterdam                  Theater Zuidplein                 010-2030203
vr 18 okt        20.00 uur       Amsterdam                Bijlmer Parktheater              020-3113930
vr 1 nov          20.30 uur       Amsterdam                Tropenmuseum                     020-5688200
za 2 nov         20.30 uur       Almere                                   De Glasbak              

info@raymisambo.nl


Orale geschiedenis in Papiamento

Aruba
Historia Oral ta historia di pueblo; Un metodo pa investigacion di Historia Oral van Jeanne D. Henriquez  beschrijft de methodiek van de orale geschiedenis in Papiamento. Orale geschiedenis is de geschiedenis die een persoon heeft beleefd en ervaren, en die hij of zij vertelt aan een onderzoeker. De persoon heeft  de informatie in zijn geheugen, als een eigen ervaren gebeurtenis die deel uitmaakt van zijn leven en ook van de samenleving en de maatschappij waarin hij/zij leeft.

Het boek beschrijft de geschiedenis en de orale geschiedenis. Over de orale geschiedenis in het Caribisch Gebied en de traditie van de orale geschiedenis in deze regio. Over het onderzoek van de orale geschiedenis op Aruba en de mensen die hieraan hebben bijgedragen. En tenslotte de methodiek zelf. Ook is er een lijst van publicaties op dit terrein.

Historia Oral ta historia di pueblo - Jeanne D. Henriquez

Papiamento | hardcover | 64 pagina’s | Unoca | Aruba | 2013
ISBN  978 99904 1 690 9

Prijs: 16,50€ 

Carry-Ann Tjong-Ayong - Gedicht

’t Is de korjaal die zachtjes spetterend de rivier hier oversteekt
’t zijn de waterstraaltjes kletsend langs de bootrand in de kreek
‘t is ‘t gebed van vrome hindoes klaaglijk wenend in de nacht
’t is het huilen van de honden naar de buidelrat op jacht
het zijn de krekels, de cicaden, siksiyuru, nachtgeluid
‘t is het ritselen van de bladeren, van de zachte vogelfluit
dat is mijn land, mijn nachtelijk land, mijn tropenland

cat 28/7 2013

Dan Paati



A Handy One-Stop Through Women's History

by Paul H. Williams

"The explosion in scholarly production on women and gender issues in the Caribbean since the 1970s, together with the growing number of women's history courses in post-secondary educational institutions, represent both a blessing and a burden for students and teachers," is how Professor Verene A. Shepherd starts the preface of Engendering Caribbean History - Cross-Cultural Perspectives, a reader, which she edited.

Without getting into the "blessing", the burden of which she writes, she says, is: "It is becoming virtually impossible for most of us to keep abreast of the ever-increasing numbers of publications and to access all the readings, appearing in disparate locations, which are essential for graduate and undergraduate courses, many lasting just one semester. Students in the upper levels of secondary schools are also increasingly being expected to show an understanding of gender analysis and women's historical experiences in the subjects they study for local, regional and international examinations."

Helmut Newton - Motart
Embraced as solution

This 940-page paperback, published by Ian Randle Publishers, Shepherd says, is a replacement for Engendering History: Caribbean Women in Historical Perspectives, and "has now been embraced universally as a partial solution to the challenges [mentioned above]".

It consists of 10 sections encompassing 54 papers that look at: historiography and methodology; theoretical perspectives; women, colonisation and representation, women and enslavement in the Caribbean; women, work and resistance; negotiating "free" society - education, health and entrepreneurship; gender, migration and identity; women, politics and the law; locating women's voices - problems and possibilities; and, gender systems, male marginalisation and Caribbean masculinity.

There is indeed much material that is contained in this book, and to make it easier for readers, in the introduction, Shepherd gives an analytical summary of each paper. "Over its 10 sections, the reader covers a range of micro issues across ethnic and class lines and geographical boundaries under broad themes critical to the study of women and gender relations in the Caribbean," Shepherd writes.

Written by noted scholars

The papers were written by noted historian and scholars, such as Sir Hilary McD. Beckles, Bridget Brereton, Barbara Bush, Clinton Hutton, Lucille Mathurin Mair (to whom the reader is dedicated, along with Norma Joy Lazarus-Grandison), Veront M. Satchell, Linnette Vassell, Swithin Wilmot, Verene A. Shepherd herself, and Errol Miller. Miller's paper, Male Marginalisation Revisited, is one of four that appear in 'Section 10', which is about "gender systems, male marginalisation and Caribbean masculinity".

Shepherd says the male marginalisation debate, started by Miller in 1986 is "arguably, one of the most criticised theses in gender studies" and because of the "continuing criticisms and re-interpretations of his original thesis" Miller was forced to revisit it from time to time. Yet, the criticisms can't seem to go away, and one of his critics is Eudine Barriteau of the Cave Hill Campus of The University of the West Indies.

Barriteau argues that Miller's thesis "is deeply flawed in its construct rendering its core assumptions more political then epistemological". Shepherd intervenes to say that, "Her (Barriteau) critique of this theorising is equally and explicitly political and she uses this interrogation to advance feminist epistemological claims." Such is the type of robust discussions that Engendering Caribbean History consists of, and will engender and perpetuate.

Engendering Caribbean History - Cross-Cultural Perspectives
Editor: Verene A Shepherd
Publisher: Ian Randle


[from The Gleaner, July 28, 2013]

dinsdag 30 juli 2013

Massamoord Mariënburg 111 jaar geleden

door Benjamin Mitrasingh

Het is vandaag, 30 juli, precies 111 jaar geleden dat de massamoord op Mariënburg plaatsvond. Over de aard en het aantal van de slachtoffers zijn er wat onduidelijkheden.
 
Documentatie over de moord op James Mavor, in het Surinaams Museum
Het Koloniaal Verslag van 1903, dus een jaar later, praat van zeventien slachtoffers maar het bronnenonderzoek in het gedenkboek van de Stichting Hindostaanse Immigratie (SHI) van 1998, praat van zestien slachtoffers. Daarom moet nadrukkelijk worden vermeld dat de slachtoffers niet de daders waren van de moord op James Mavor. Zij waren de vrienden van de daders die niet wilden dat hun collega's door de politie werden meegenomen. Het was dus een solidariteitsactie van de arbeidscontracten op het terrein van de suikerplantage Mariënburg.

Hun protesten waren echter zo heftig, dat de Nederlandse militairen zich genoodzaakt voelden gericht op hen te schieten. In het massagraf liggen dus niet de daders van de moord op Mavor, maar de vrienden van de daders. De daders werden later door de rechter tot een dwangarbeid van twaalf jaar veroordeeld. Het archeologisch onderzoek van de SHI naar het massagraf, moet daarom duidelijkheid brengen in het juiste aantal slachtoffers, dat op 30 juli 1902 in een massagraf werd gedumpt.

Surinamers mogen heel blij zijn dat het archief van Mariënburg heel zorgvuldig is bewaard in de bibliotheek van het Surinaams Museum op Zorg en Hoop. In het gedenkboek van 125 jaar Hindostaanse immigratie dat de Stichting Hindostaanse Immigratie (SHI) in 1998 had uitgegeven, staat een bijna vijftig pagina’s groot artikel van Leo H. Ferrier getiteld: ‘De moord op James Mavor’. Het gedenkboek is een stevige pil van 273 pagina’s en eigenlijk heeft intellectueel Suriname er te weinig aandacht aan besteed. Want in 1998 had men al kunnen weten wat voor pijn en ellende de Hindostaanse contractarbeiders in Suriname hadden meegemaakt.

Surinaamse wetenschappers hebben heel vaak aandacht hiervoor gevraagd en de nakomelingen van de Hindostanen mogen zich zeker gelukkig prijzen dat de ‘knappe mensen’ binnen hun eigen gelederen veel goed en degelijk onderzoek naar de geschiedenis van hun voorouders hebben gedaan. Bekend zijn de werken van pater De Klerk, Kaulesar Sukul, Jnan Adhin, Evert Azimullah, de broers Mitrasingh en tegenwoordig ook van het duo Choennie. In het boekje van Benjamin S. Mitrasingh en R. Motital Marhé, worden in 1978 – dus 35 jaar geleden – in het boekje Mathura, Ramjanee en Raygaroo, verzet tegen uitbuiting en onderdrukking in Suriname voor het eerst de Nederlandse Koloniale Verslagen door twee jonge Hindostanen, een historicus en een taalkundige, kritisch belicht.

Monument voor Baba en Mai, Paramaribo. Foto @ Adri Vollenhouw


Baba en Mai

Uit dat boekje komt ook de naam ‘Baba en Mai’ voor het immigratiemonument dat op 5 juni 1993 naast het Presidentiële paleis door het Surinaamse volk werd onthuld. Toen had Kries Ramkhelawan de Sarnami-versie van ons volkslied ten gehore gebracht. Politiek Suriname heeft de makers van dit monument nooit die ‘grani’ gegeven die ze hadden verdiend, maar blijkbaar zitten de makers van ‘Baba en Mai’ er ook niet op te wachten, want straks beginnen diezelfde mensen met dezelfde ‘good spirit’ met het onderzoek naar het massagraf van 1902 op Mariënburg. Waarom ze het doen? Het antwoord van SHI is kort en krachtig: ‘Voor volk en vaderland, want onze voorouders hebben hier gewoond en gewerkt en ze kunnen niet als een stuk vuil zijn gedumpt in een grote kuil.’

Ondanks de goede zorg van het Surinaams Museum voor het dossier, ontbreekt er toch nog het een en ander in. De schrijver Ferrier had het al in 1998 opgemerkt. Het dossier heeft geen kaarten en plattegronden, blijkbaar zijn ze achtergebleven vanwege hun formaat, want ze zijn er wel (!) en veel details over James Mavor zijn opzettelijk of per toeval weggelaten of weggehaald. Ook de juiste schrijfwijze van veel namen moet goed worden gecorrigeerd.


Benjamin Mitrasingh is onderzoeksleider Massagraf Mariënburg


[van Starnieuws, 30 juli 2013 en 3 februari]

Toppin: Afrikaanse historie bepalend voor zwarte mens

Schedel van een prehistorische Afrikaan
Paramaribo - Om te weten wie je bent, moet je weten waar je vandaan komt. Inleider Ben Toppin stelt het zelfs scherper: “Een mens die zijn geschiedenis niet kent, heeft geen toekomst”. Hiermee opende hij zijn inleiding met de titel ‘De psychologie van de Afro-Surinamer, waarom we denken zoals we denken’, zondag op het adres van Fiti fu Wini. Toppin’s benadering die sterk Afrikaans is gericht, gaat terug naar het begin, naar de oorsprong van de mens in het donkere continent. Die bestond uit volkeren die nu niet meer bestaan, maar belangrijk voor de wetenschapper is de kleur van de eerste mens: zwart. “De eerste cultuur, religie en talen komen uit Afrika”, meent Toppin. Verder schrijft hij ook de eerste geschriften, de uitvinding van glas, de eerste bril, klok, pendule, telescoop, zeep, windmolen en het irrigatiesystemen toe aan de Afrikaanse mens.

Een Samburu uit Kenia
Klederdracht
In zijn powerpointpresentatie toonde hij de verschillende klederdrachten in West-Afrika, dat toen als het rijkste gebied van Afrika mag worden beschouwd. Van hieruit belandt Toppin bij de slavernij waar de tot slaafgemaakten altijd in lendendoek worden afgebeeld. "Als je mensen geestelijk wil kleineren, dan ontneem je ze hun kleding, maar zo liep men niet rond in Afrika!"
Om de zwarte mens verder te onderdrukken, werd de witte taal, godsdienst en onderwijs aan ze opgelegd. Toppin prijst de vrijheidsstrijd in Haïti, het meest succesvolle verzet tegen de blanken dat niet als zodanig wordt vermeld in de geschiedenis.

Afrikaans denken
In het tweede deel van zijn lezing gaat Toppin, die al vijftien jaar onderzoek doet naar de oorsprong van winti, over op filosofie. Opnieuw begint hij bij Afrika waar de symbolen zoals mattenklopper (dagi), adelaar (opete) en de ank (symbool van leven, man en vrouw) zijn ontstaan. Als de basis van winti noemt hij het besef dat er een Schepper is, mediteren is communiceren met de Schepper, reinheidsprincipe, de kracht van woorden (fjo fjo) en berouw (sreka). "Deze uitgangspunten vind je terug in het Christelijke geloof, het is overgenomen van winti", concludeert Toppin die daarna overgaat op het denken.


Monifa Jansen, Miss Universe Curaçao 2012

Man of vrouw?
"In het Afrikaans denken is God noch man, noch vrouw. Het Europees denken gaat uit van de ik, terwijl het Afrikaanse uitgaat van het wij (eenheid). Elke individu wordt geboren met een doel en om te doen wat die moet doen. Als dat niet gebeurt dan gaat het fout. Wij neigen ook teveel naar ik." Toppin besluit met het onderwerp trefu of totem, waar gezien de vragen veel onduidelijkheid over bestaat. Volgens de onderzoeker is niet het eten van een bepaald dier het probleem, maar de energie van het dier. "Alle dieren hebben een eigen energie en aan de hand daarvan kiezen de clans, bere of lo's het dier als symbool. Het is deze energie die je blokkeert, omdat er iets is dat je niet goed doet. Dit is een hele studie op zich."

Diep onderwerp
Toppin's presentatie wordt ondersteund door een beschikbare literatuurlijst en YouTube-adres. Met het beantwoorden van vragen geeft hij meer duidelijkheid, want op bepaalde momenten lijkt de inleiding af te dwalen van de titel. Maar Toppin heeft daarvoor een reden. "De organisatie heeft mij gevraagd om het niet te technisch te houden, anders zou ik te diep ingaan op het onderwerp." Een bezoeker heeft hieraan geen boodschap. "Met Afrika heb ik weinig te maken. Ik bagatelliseer niet dat ik daarvandaan kom, maar belangrijker voor mij is van welke plantage ik kom."

[uit de Ware Tijd, 30/07/2013]

Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (3)

Bonaire

door Willem van Lit

Liseo Boneriano en Bon FM

Bonaire. Ik heb in de jaren dat ik mijn  boeken schreef, op dit eiland diverse mensen leren kennen. Niet is er wat het lijkt, zegt Van Bennekom. Toch kom ik er steeds graag terug, vooral ook om de mensen die ik er heb leren kennen, maar ook hier speelt de fascinatie van schoonheid. Het eiland heeft bijzonder licht. Dat is niet te vertellen. Mogelijk komt het door de zoutpannen en de kleuren van lucht, zee en land die daardoor in bijzondere contrasten komen te staan ten opzichte van elkaar. Voorts ook de rust, soms de landerigheid van de middagen en fenomenale zonsondergangen boven Klein Bonaire en de zee. Op Bonaire heb ik vanaf de eerste keer dat ik er kwam (begin jaren 70 van de vorige eeuw) een milde zachtheid en een eigenaardig welkom ervaren. Maar deze fascinatie is ook bedrog, zoals ik heb beschreven in Cariben en dat laat ik graag zo… die waan, bedoel ik.

Onthulling van de naam van het Liseo Boneriano

Connie Marijs had mij uitgenodigd een lezing te geven bij het Liseo Boneriano (het Bonairiaans Lyceum). Zij is docent Nederlands. Op maandag 8 april zijn we in de ochtend al even gaan kijken op het liseo. De ontvangst door de staf en de docenten was groots. Daarbij werd ik spontaan gevraagd bij een vwo-klas iets over mijn boek te vertellen. Half en half improviserend. Voor mij was het de eerste keer dat ik voor een groep jongeren van – zeg – 17/18 jaar iets kwam vertellen. Hilariteit en opwinding: vrienden van yüffrou Connie. Toch kreeg ik aandacht met lichtvoetige ernst. Ze waren geïnteresseerd. Kritisch ook en verwonderd min of meer dat er iemand – zomaar onverwacht – een verhaal had dat hen aanging. Connie regisseerde nog even wat didactische elementen en stimuleerde de klas tot vragen stellen.

Connie Marijs

Diezelfde maandag heb ik ’s avonds mijn lezing gegeven voor het algemeen publiek. De opkomst was zeer matig. Sommigen hadden wel gezegd dat ze er zouden zijn, maar die heb ik uiteindelijk niet gezien. De mensen die er waren (onder andere Monique Reekers en Donny Wout), waren wel geïnteresseerd en ik kreeg vragen en weerwoord. Prima. Natuurlijk interactie, hoewel ik het gevoel had dat ik door mijn verhaal heen raasde. Afijn. De docent geschiedenis en maatschappijleer van het liseo (dhr. Wiessing) was ook bij het publiek en de volgende dag mocht ik bij hem in een havo-klas mijn verhaal nog een keer doen. Hij moedigde de kritische geest van zijn pupillen aan door opmerkingen te maken en vragen te stellen … het begin van een debat. Hij zei me dat blij is dat hij ook eens mensen van buiten – schrijvers – voor de klas te kunnen halen om de jongeren ook eens andere stemmen te laten horen. Ook in deze klas dezelfde verbazing en interesse. Wonderlijke ervaring voor mijzelf. De scholieren lieten een onverholen en felle ergernis blijken over de ambtenaren die uit Nederland zijn gestuurd om even te vertellen hoe ‘wij’ het anders moeten doen en die in de weekeindes uitbundig hun verblijf vieren met opzichtige feesten. Waarom verbaasde me die verontwaardiging niet? Waarom was ik verbaasd over mijn niet-verbaasd zijn? De felheid van de scholieren: ha!


Op dinsdag 9 april introduceerde Donny Wout mij bij Bubui Cecilia, de directeur van het radiostation Bon FM. Het is een Papiamentstalige zender, die naast muziek ook de actualiteit op een uitgebreid terrein, politiek, economie, maatschappelijk leven, kunst en cultuur, enz. in zijn programma heeft met onder andere dagelijkse interviews. In het dagelijks magazine ‘Bon dia, Boneiru’ werd ik gedurende een uur door Bubui geïnterviewd over de thema’s van mijn boek. Het gaat onder andere over de voorlopigheid van het bestaan in de Euro-Caribische verhoudingen en de effecten daar: de stagnatie. Ik legde uit hoe ik denk dat de onderlinge menselijke betrekkingen mede zijn gevormd door de geest van anarchie, de ongebreidelde pioniersgeest, maar ook de complexen van woede, schaamte en hooghartigheid. Toen ik een aantal dagen later het interview beluisterde, viel me op dat ik bepaalde beweringen nogal voorzichtig formulerend uitsprak. Ik zoek naar mijn woorden. Het is altijd vreemd je eigen stem, waaraan je gemoedsuitrusting is verkleefd, terug te horen. Een bescheiden toon. Ik benadrukte het belang van het debat; ik heb de oplossingsrichting geschetst en dit kan de basis zijn voor de dialoog; dat is de kern van mijn betoog (in navolging van de classicus Guépin en de filosoof Popper, waarvan ik gehoord en gelezen heb dat ze zelf niet zo soepel zouden zijn geweest in het debat – iets wat zij zelf wel propageerden, maar dat terzijde).

Klein Bonaire

Een luisteraar vroeg me het begrip insularisme nog eens goed uit te leggen. Bubui spitste op het eind toe tot de vraag of het zin heeft een publieke campagne te voeren over tolerantie. Ik zei dat dat nonsens is; er zit altijd de ondertoon in van verwijt en dat is de kiem van – wederom – beschaming. Een dergelijke campagne werkt meestal averechts (Cariben, pag. 363 – 364).


Bonairianen worstelen momenteel vooral met de nadrukkelijke bemoeienissen van Nederland: er groeit onbehagen. Dat tekent mogelijk de interesse voor mijn boek. Bij vertrek liet ik nog een aantal exemplaren achter bij Bon FM. Ze werden allemaal verkocht. Eigenlijk was het jammer dat we die avond terug moesten naar Curaçao. Het ging ook nog met vertraging, maar dat is niets nieuw. Vlak voor we incheckten ontmoette ik Michiel Bijkerk nog, die net teruggekeerd was van Curaçao. Met hem heb ik bij de presentatie van mijn eerste boek veel contact gehad. We spraken elkaar kort in de hal van het vliegveld. Hij zei mijn eerste boek (De Caribische eilanden: het alternatief) beter te vinden dan Cariben. Er was geen gelegenheid om nog verder te praten. Jammer ook.

[vervolg afl. 4 - klik hier]

Van Slavernij naar Moderne Slavernij


Hoe duur was de suiker: “Van Slavernij naar Moderne Slavernij”


Theatrale en muzikale geënsceneerde reading gebaseerd op het boek Hoe duur was de suiker? van de Surinaamse schrijfster Cynthia McLeod naar een idée van John Leerdam in het kader van de herdenking van 150 Jaar afschaffing van de slavernij en 200 jaar koninkrijksrelaties. Met Tito Laclé en Paulette Smit.

Hoe duur was de suiker is een verhaal over machthebbers en slachtoffers, winnaars en verliezers, liefde en liefdeloosheid,dat niet voor de hand liggend is.
Er wordt naar de wereld van de slaven en die van de meesters afwisselend met begrip, afkeuring en mededogen gekeken.

1 en 2 augustus, 20:00 uur bij Cas di Cultura, Aruba | AWG. 50,-

Dag #3
Caribbean Tour in Concert|3 augustus 19:30 uur bij Cas di Cultura|AWG. 50,-
Een muzikale avond met onder andere Izaline Calister en Denise Jannah


‘Slavernij? Zand erover’

In Abenaston telt het verleden niet: “De stadsnegers hebben niks gedaan”


Zonder slavernij zou Suriname nu geen tientallen Marrondorpen hebben. Immers, die dorpen werden opgezet door weggelopen slaven en nu bewoond door hun nazaten. Parbode bezocht een van de Marrondorpen: Abenaston aan de Boven-Suriname. En ontdekte dat het slavernijverleden daar, zoals in vele andere dorpen, nauwelijks meer telt.
 
Abenaston; foto @ Geoview


De geschiedenis van Abenaston is, zoals van zoveel Marrondorpen in het binnenland, van tijd tot tijd roerig geweest. Jamens Zandveld en basja Jules Joonaa weten nog iets van die geschiedenis. Maar, benadrukken ze meermaals, het is een verhaal dat van generatie op generatie is overgedragen, dus of alle feiten precies kloppen zoals zij vertellen, weten ze niet zeker. Wat wel vaststaat, is dat Abenaston vanaf het begin het domein was van de Evangelische Broedergemeente (EBG). Ruim honderd jaar geleden verrees het dorp op de huidige plek. Enkele decennia eerder vestigde zich een groep Marrons zich even verderop aan de rivier, maar al snel bestond daar onderlinge onenigheid. Na verloop van tijd en nog wat omzwervingen trok het ene deel naar de plek waar nu Botopasi ligt, het andere deel stichtte Abenaston. De kerk speelt vandaag de dag nog altijd een belangrijke rol. “Iedereen is gedoopt, maar niet iedereen gaat meer naar de kerk”, zegt hoofddienaar Jamens Zandveld met voelbare spijt. Om er haastig aan toe te voegen: “Maar er is geen sprake van vijandschap hoor”. In het verleden heeft de Gemeente Gods Bazuin wel pogingen ondernomen om voet aan de grond in Abenaston en omringende dorpen te krijgen, overigens zonder veel succes. “Ze hebben destijds van het dorpsbestuur alle kansen gekregen, maar toen ze een overledene vlak naast een kreek wilden begraven, zorgde dat voor veel opschudding.” Dat betekende exit Gods Bazuin, ze moesten vervolgens aan de overzijde van de rivier hun heil en zieltjes zoeken. Marrontradities en religie gaan volgens Joonaa goed samen. “Ondanks de cultuurverschillen wordt daar goed mee omgegaan. Alleen de azampau, de geestenpoort bij de ingang van het dorp aan de rand van de rivier, staat de EBG niet toe. In tegenstelling tot de katholieke kerk.”

Een azampau. Foto @ Michiel van Kempen


Toch lijkt de EBG ook in Abenaston terrein te verliezen. Volgens Zandveld is er vooral de laatste decennia veel veranderd in Abenaston. Het wegtrekken van vooral jonge mannen naar de stad, vindt hij een kwalijke zaak. “En de jeugd van nu heeft weinig respect meer voor de ouderen. Ze schreeuwen tegen hun moeders en presteren slecht op school. Ik ga ook regelmatig naar de klassen om ze te vertellen dat ze respect moeten hebben en beleefd moeten zijn, maar het heeft niet veel effect. Kunt u straks niet even naar school gaan om de kinderen toe te spreken? Misschien dat ze wel naar u luisteren.” We bedanken vriendelijk voor het aanbod, maar gaan er niet op in. De viering van de afschaffing van de slavernij zal in de meeste Marrondorpen ongemerkt voorbijgaan. Het leverde immers alleen de huidige stadscreolen de vrijheid op, de Marrons hadden die al zelf weten te krijgen door weg te lopen. Dus het is niet hun feestje. In Abenaston denkt iedereen daar zo over, ook de jongeren. “Als er geen slavernij was geweest, was ik er nu ook niet”, zegt de dertienjarige Willem. Daar valt geen speld tussen te krijgen; bij de lessen over voortplanting heeft hij kennelijk goed opgelet. “Het is een stadsfeest, voor ons is de Dag der Marrons belangrijker. We kijken ook niet met wrok op de slavernijperiode terug”, zegt Zandveld. “Wat in het verleden is gebeurd, was fout. Maar door de slavernij af te schaffen, hebben de Hollanders dit ook erkend. Dus zand erover. “De zwarten en de blanken kunnen nu niet meer zonder elkaar. Daarom krijgt een zwarte als hij bij een blanke komt of andersom, altijd een bordje eten. Er bestaat bij ons dus absoluut geen wittenhaat. We zien elkaar wel degelijk staan. Mijn zoon is zelfs getrouwd met een blanke. We kunnen elkaar helpen. En als de blanken hier ontwikkeling willen brengen, dan zijn ze van harte welkom.” De roep van de stadscreolen om een slavernijmonument, begrijpt hij niet helemaal. “Waarom moet dat in de stad komen, waarom niet in een van de bosnegerdorpen.” Dat sommige nazaten in Paramaribo herstelbetalingen van Nederland eisen voor het onrecht dat hun voorouders is aangedaan, vindt hij onzin. “Maar ja, als Nederland toch wil betalen, dan ga ik natuurlijk geen nee zeggen. Het geld moeten ze echter niet aan de stadsnegers geven, maar aan hen die gevochten hebben en de vrijheid hebben afgedwongen. De bosnegers dus, de stadsnegers hebben niks gedaan.”

 
Abenaston. Foto @ Miriam Stikkel
Marrondorpen en de slavernij

Slaven die de kans kregen, vluchtten weg van het onmenselijke leven op de plantages. Zij werden ‘Marrons’ genoemd, afgeleid van het Spaanse woord ‘címarrón’, waarmee ontsnapt vee werd aangeduid. De bewoners van de Marrondorpen gebruiken dit woord zelf nauwelijks, ze geven de voorkeur aan ‘bosnegers’. Al in de tijd van de Engelse kolonisatie waren er in Suriname Marrons. De meeste van hen waren alleen of in kleine groepjes weggelopen. Volgens schattingen nam in de achttiende eeuw ruim tien procent van alle slaven de vlucht. Om uit handen van de plantage-eigenaren te blijven, trokken ze naar de meest ontoegankelijke gebieden. De veiligste manier was om de rivieren naar het zuiden te volgen. Na het passeren van stroomversnellingen waren de Marrons vaak veilig. Vaak vonden de weggelopen slaven elkaar in het bos, bouwden hutten en legden kostgrondjes aan. Zo ontstonden de eerste Marrondorpen, vooral in het gebied tussen de Surinamerivier en de Saramacca. De mannen waren destijds veruit in de meerderheid. Marrondorpen hadden dus altijd een gebrek aan vrouwen. Ook naar voedsel, geweren, kogels, buskruit, kapmessen, zaai- en pootgoed was men altijd op zoek. Zowel voor vrouwen als voor de schaarse producten waren de Marrons aangewezen op de plantages. Dat leidde tot vele aanvallen op plantages, waarbij veel blanken werden gedood en plantages in vlammen op gingen. Bij de aanvallen werden vrouwen- en kinderslaven ontvoerd en werden wapens en producten gestolen. Tussen 1760 en 1767 werd er officieel vrede gesloten met de belangrijkste Marrongroepen. Er werd onder andere afgesproken dat de marrons jaarlijks de benodigde artikelen van de koloniale overheid zouden ontvangen. Hierdoor zouden ze geen plantages meer hoeven te plunderen. In ruil daarvoor werden de Marrons verplicht om gevluchte slaven uit te leveren aan het koloniale bestuur.


[uit Parbode, 1 juli 2013]

Carry-Ann Tjong-Ayong - Smullen in de tropen

Eten in Paramaribo

In Paramaribo kun je heerlijk eten. En ook zeer gevarieerd. Wij koken al jaren niet meer zelf. Wij gaan naar de hoek, of steken de Mahonylaan over, waar op een steenworp afstand Bryan, Roy, Muntje en Tini heerlijk Chinees, Creools en Javaans koken.
Iets verder weg is Rita’s rotishop aanbevolen voor roti en bara, of kookt Roline creools, met gehakt gevulde sopropo, moksi alesi, heriheri van bananen, cassave, napi, zoete patate en bakkeljauw, of bruine bonen met rijst en zoutvlees en kip. Grietibanasoep, okersoep, cassavesoep, maar ook rijst met pom en pastei, pindasoep met tomtom kun je ook bij Het Park bestellen. En voor een prijs die zo laag is dat je meermalen per dag heerlijk kunt eten met twee personen.

Foto @ Travelpoint Suriname

Naar de markt gaan we voor fruit, papaja, bacoven, ananas, pommerak, en af en toe verse bladgroenten. Gezond en lekker. Verse pompelmoes verschaft mijn broer

Die paar pondjes extra drink ik weg met glazen ijswater de hele dag door. Als ik tenminste geen peper gemberbier in de ijskast heb of een fles vers zuurzaksap dat smelt op de tong. Daarvoor moet je bij ouma End op de Tourtonnemarkt zijn, op zondagmorgen.

En als je chic en duurder wil eten, ga je naar Spice Quest in de Dr. Nassylaan of bij Dok 204 of Log House aan de Anton Dragtenweg.

Ach opa Dragten uit mijn jeugd, die bij Ouma Gravenberch en tante Lien in huis woonde  in de Gravenstraat en altijd luisterde naar mijn gebabbel als ik uit school kwam. Dat hij beroemd was, wist ik toen nog niet, toen ik mijn pindabanketjes, naast hem opknabbelde.

En nu eet ik  mijn bami voor de televisie bij het debat over amnestie dat al dagen duurt......


Cat 4/4  2012

Ingifutu workshop smaakt naar meer

door Audry Wajwakana

Paramaribo - “Draai, stap en sluit!” Met behulp van deze drie woorden proberen cursisten de basisstappen van de ingi winti eigen te maken. “Je moet niet nadenken wanneer je danst, volg je gevoel”, tracht dansinstructeur Darrel Geldorp de deelnemers op weg te helpen. Ondanks enkele cursisten bij aanvang de stappen van de ingifutudansi workshop moeilijk vonden, gaven ze bij de evaluatie van de workshop aan een vervolgworkshop te willen.

In het begin van de Ingifutudansi workshop hadden sommige cursisten het een beetje moeilijk. Maar toen ze de basisstappen eenmaal onder de knie kregen, was het een en al gezelligheid in de zaal van Naks.  Foto © Stefano Tull.

Culturele verrijking
De redenen voor het volgen van de dansles zijn uiteenlopend. Enkele cursisten hebben de vorige dansworkshops gevolgd en willen alle dansstijlen behorende bij de winti dansi leren. "Zonder in trance te hoeven raken", zeiden drie dames bij de kennismakingsronde. Voor de Nederlandse student Jelle de Vries is het volgen van de cursus ook een stukje culturele verrijking. "Ik dans zelf hiphop en heb onderzoek gedaan naar de traditionele West-Afrikaanse dans", zegt hij. Moeilijk vond hij de cursus niet. "Maar ik denk dat als het ritme omhoog gaat, de moeilijkheidsgraad dan toeneemt", analyseert hij.

Tijdens de workshop hebben de cursisten twee danspasjes geleerd: watra en piyai ingi. "Traditioneel dansen inheemsen deze dans op samburamuziek. Omdat de ingi winti in contact is gekomen met de Afrikaanse winti's zijn de futu niet meer traditioneel inheems", legt Geldorp uit. Bij de ingifutuwinti dansworkshop wordt dus niet de bekende broko kindi gedanst", onthult de dansinstructeur het ontstaan van de futu. De tot slaaf gemaakte Afrikanen beleden bij hun aankomst in Suriname net als de inheemsen een natuurgodsdienst.

"Over het algemeen zijn er vier pantheons (leefgebieden van goden): aarde, lucht, water en bos. Maar de ingi winti kent er slechts drie: gron ingi, watra ingi en busi ingi", licht Geldorp toe. Alle drie winti's hebben zo hun eigen karaktereigenschappen. Mensen die door een gron ingi worden geleid, hebben een standvastig karakter, en zijn zeer rustig, in tegenstelling tot degene die door een watra ingi worden geleid. Want die zijn heel vrolijk en houden van gezelligheid. Mensen die door een busi ingi worden beheerst, zijn meestal strak. Ze doen wat ze moeten doen en praten niet veel. Volgens Geldorp heeft elke Surinamer, ongeacht etniciteit en cultuur een ingi winti als beschermer. De workshop wordt vrijdag weer verzorgd in Naks.


[uit de Ware Tijd, 29/07/2013]

De Vroegernij: velen waren niet vrij!

Europe, supported by Africa and Asia. William Blake, 1796
door Els Moor

De Vroegernij. In tijden van dehumanisering en uitbuiting van Afrikaanse en Aziatische arbeidskrachten is de lange titel van het boek dat wetenschapper Fred Budike op donderdagochtend 27 juni presenteerde in het Nationaal Archief Suriname. Het was een boeiende presentatie met een interessante discussie erna. De veelzijdigheid van het werk kwam goed tot uiting, evenals de aandacht voor onmenselijke en menselijke aspecten van slavernij en contractarbeid.
Fred Budike

De Vroegernij, hoe komt de auteur aan die titel? Het woord staat in geen enkel woordenboek. Het komt uit het brein van een klein meisje dat gefascineerd raakte door de illustraties in een boek over slavernij. Als haar vriendinnetjes kwamen, liet ze die zien en zei dan: ‘Kijk, plaatjes uit de vroegernij!’

Op het omslag prijkt een prachtige illustratie in zachte tinten: drie naakte slavinnen, een zwarte, een witte en een lichtbruine. Dat is een essentie van het boek: slaven waren niet alleen zwarte mensen uit Afrika. Slavernij bestaat al zolang als de mens bestaat en slaven waren mensen met alle mogelijke huidskleuren, ook in het Caraïbisch Gebied. In het boek worden zeer verschillende slaven belicht: indianen uit de tijd na Columbus, witte en zwarte arbeiders uit Spanje en later ook uit andere Europese landen, en zwarte mensen uit Afrika. Bij de contractarbeiders zien we hetzelfde: er waren blanken onder hen, in de 17de eeuw bijvoorbeeld in Jamaica en Hispaniola, uit Spanje en later ook uit Engeland op de Engelse eilanden (‘poor whites’ worden ze genoemd in Barbados). Het waren vaak ook dwangarbeiders of gevangenen. In de tweede helft van de 19de eeuw was er een migrantenstroom uit Aziatische landen, Chinezen, mensen uit India en Javanen. En wat zien we bij kinderen van slavinnen? Alle gradaties tussen zwart en wit! Veel mulatten, toch! Budike laat zien dat het niet altijd een ramp voor de slavin was als meester haar pakte. Ze kreeg dan een kind met een betere toekomst.

Boeiend is het werk ook omdat de stof zo breed is: het gaat niet alleen over Nederlandse koloniën, maar tevens over Spaanse, Engelse en Franse. Het geeft een algemeen beeld van slavernij en contractarbeid, vanaf de zestiende eeuw na de komst van Columbus tot en met de afschaffing van contractarbeid omstreeks de Tweede Wereldoorlog. Mij zet zo’n boek aan het denken: waarom zijn mensen zo vaak onmenselijk ten opzichte van elkaar? In de tijd van slavernij en contractarbeid, maar ook nu nog op andere manieren. Altijd heeft het te maken met geld: je eigen welvaart begunstigen ten koste van anderen.

Mircea Cantor, L'Europe soutenue par l'Afrique et l'Asie, 2009


Wat zijn kenmerken van slavernij? Slaven, legt Budike heel overzichtelijk uit, werden gedwongen hun meesters te dienen; ze waren bezit van een ander mens, handelsobjecten ook. Slaven deden het zwaarste en minst aantrekkelijke werk, op plantages en in huizen en als er iets misging, ondervonden ze veel geweld. Ze hadden geen vrijheid. Slavenopstanden kwamen op veel plaatsen voor, ook in Suriname. Veel slaven ontsnapten van plantage en werden marrons.
Niet iedere auteur die geschreven heeft over de slavernij heeft dezelfde mening. Fred Budike geeft dan ook een overzicht van verschillende opvattingen over ‘slavernijsystemen’ van wetenschappers uit de vorige eeuw.
Hij heeft voor het schrijven van dit boek veel literatuur doorgenomen. Achterin is er een lijst van ‘geraadpleegde literatuur’ met de schrijversnamen op alfabet; bijna honderd titels. En in de tekst wordt waar nodig naar een werk verwezen met tussen haakjes naam van de auteur en jaartal van de publicatie. Makkelijker kan het niet!
Wat het boek zo interessant en ook menselijk maakt is dat je als lezer steeds andere aspecten van slavernij en contractarbeid tegenkomt.
Een leuk voorbeeld is een citaat uit Slaaf te zijn (1968) van Julius Lester. Op pagina 27 citeert Budike de Amerikaanse ex-slaaf Charley Williams. Hij had het moeilijk toen de slavernij werd afgeschaft: ‘Ik wil oude meester eigenlijk weer terugzien. Ik denk misschien ga ik naar hem toe en vraag wat hij wil dat ik doe, en dan vertelt hij het me, en als ik niet weet hoe, dan doet hij het me voor, en dan zal ik het proberen om hem een plezier te doen. En als ik klaar ben dan wil ik hem weer horen knorren zoals hij altijd deed en horen zeggen: Charley, hersens heb je voor geen cent maar je bent een goeie jongen.’[...]
Uiteraard vinden we ook heel wat beschrijvingen van wreedheid ten opzichte van slaven. Een van de ergste is die van de Spaanse pater-dominicaan Bartolomé de las Casas over indiaanse slaven die in de Caraïbische zee gebruikt werden als parelvissers. Slaven die lang zonder adem moesten zwemmen onder water om de oesters los te rukken waarin parels groeien. Velen kregen bloedspuwingen en buikloop en stierven daaraan. Deze gruwelijke beschrijving van De las Casas leidde overigens wel tot een kortstondig, koninklijk verbod in 1542 van parelvisserij.

Het boek is ingedeeld in dertien hoofdstukken die op zich ook allemaal weer een duidelijke indeling hebben. Wisselend gaan ze over slavernij en contractarbeid, over het werk op plantages, over werving van slaven en contractarbeiders en verzet, zowel op schepen als op plantages, enzovoort. Voor mensen die een bepaald facet zoeken is de inhoudsopgave aan het begin heel overzichtelijk. Budike geeft ook vaak binnen de hoofdstukken een overzicht van belangrijke punten die betrekking hebben op dat facet. Er zijn tabellen en functionele illustraties die helpen bij de groei van inzicht in de behandelde materie.
Zo’n nuttig boek! Zo gericht op de gebruikers, vooral onderzoekers en studenten, maar ook geïnteresseerde lezers. Waarom zitten er dan zoveel taalfouten in? Kon de Surinaamse stichting ‘Moestadja Foundation’, die het heeft uitgegeven niet zorgen voor een deskundige redacteur? De stichting heeft iemand ingezet voor ‘redactionele ondersteuning’. Maar die is zeer oppervlakkig geweest, helaas. Bij eerste lezing, meer gericht op inhoud dan op fouten, streepte ik er al 250 aan, spelfouten, foutief geplaatste leestekens, wel of geen gebruik van hoofdletter, inconsequenties... jammer! We maken die fouten allemaal als we iets schrijven; je bent meer op de inhoud gericht, en dan moet er een zuiverende blik overheen gaan.

We hopen dat het boek gauw herdrukt kan worden. Het is het waard. En we willen dan best helpen om alles perfect te krijgen: ook taal en stijl. Misschien kan het boek nu wat goedkoper verkocht worden. Dan komt die tweede druk gauw!

Fred Budike: De Vroegernij. In tijden van dehumanisering en uitbuiting van Afrikaanse en Aziatische arbeidskrachten. Paramaribo: Stichting Moestadja Foundation, juni 2013. ISBN 978-99914-7-234-8


Carry-Ann Tjong-Ayong - Amandla!

Mijn vindingrijkheid bracht mij steeds weer op het pad van bekende mensen en met hen in gesprek. Een microfoon in de hand deed de rest.
Zo stond ik op 11 maart 1990 voor de deur van de Stadsschouwburg in Amsterdam te wachten op de komst van mijn held Nelson Mandela, die net was vrijgelaten en Amsterdam bezocht. Herhaalde verzoeken aan het Nederlandse ANC voor een interview hadden tot afwijzingen geleid. Ik slenterde de hoek van het gebouw om en ontdekte de achterdeur. Een vriendelijke man vroeg naar mijn perskaart.
“Ja dat is ook wat,” zei ik verontwaardigd “die had ik vanmorgen nog niet gekregen!”
“Ik ga wel even zoeken,” zei de man, “hoe heet je?” Ik noemde enthousiast mijn naam en volgde hem maar meteen de trap op naar boven. Daar zag ik Emile Esajas die mij naar het balkon wenkte. “Nelson Mandela komt er zo aan!” Net op tijd dus.
Even later kwam de grote man de deur binnen, voorafgegaan door Winnie. Ik kreeg van beiden een hand. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik zwaaide vanaf het balkon naar de duizenden Nederlanders op het Leidseplein.
Amandla!

Naks belicht ingifutudansi

door Audry Wajwakana

Paramaribo - Het is alom bekend dat een groot deel van de inheemsen een natuurgodsdienst belijden. Goden van het bos, water en van de aarde worden in ere gehouden. Met de komst van de Afrikanen die ook hun vooroudergeesten hadden, zijn ze volgens de belijders van de wintireligie gaan samenwerken.

Inheemse atributen die nodig zijn bij het houden van een ingi winti prey. 

"Vandaar dat de nakomelingen van de tot slaaf gemaakte mens, deze inheemse goden of geesten als beschermers hebben. De ingi winti's", zegt Darrel Geldorp van Naks Wan Rutu. Om meer inzicht te geven hoe deze winti tijdens wintiprei wordt gedanst, worden vanavond in een workshop de basisstappen in het cultureel centrum van Na Afrikan Kulturu fu Sranan (Naks) aangeleerd.

Prisiri
De ingi winti is volgens Geldorp een liefhebber van vele wintiprei-bezoekers. "Omdat ze altijd zorgen voor plezier, grappen maken met de mensen of soms ook boodschappen doorgeven", zegt Geldorp. "Ondanks het plezier van de dansi, zijn de pasjes wel heel erg ingewikkeld."
Tijdens de workshop krijgen de cursisten ook de nodige achtergrond informatie over de verschillende soorten ingiwinti. Ook enkele liederen die bezongen wordt bij deze winti, worden aangeleerd.
Aangezien het om een dansworkshop gaat, vraagt de organisatie aan cursisten om makkelijke kleding te dragen. "Geen jeans, en ook geen inheemse kleding", lacht hij.
Tijdens de echte ingiprei gaan de mensen wel gekleed in een inheems kostuum of is de kleur van de kledingdracht rood. "De workshop gaat echter over de ingifutu, de manier hoe de ingiwinti wordt gedanst."
De dansworkshop wordt net als de voorgaande van Naks voor het eerst verzorgd. "We zijn gestart met de aisa, fodu en leba. Nu is het dus tijd voor de ingiwinti."
Geldorp, die zelf de dansinstructeur is, belooft twee ontspannen uren vol plezier. "Precies zoals deze winti ook is", zegt hij.
Na deze ingidansi-workshop volgen de ampuku en als laatste de obia. "Dan zijn we klaar met deze cyclus dansworkshops en we zullen het geheel evalueren", besluit Geldorp.

[uit de Ware Tijd, 26/07/2013]